Skip to main content

Rekensprong Plus 4: werkschrift D - correctiesleutel

Page 1

leerlijnen:

Eric De Witte Raf Lemmens Paul Nijs Hilde Van Iseghem Viv Vingerhoets

auteurs:

Mieke Depiere Stefanie Gerrits Ilse Gijsbrechts Eline Govaert Karel Hugelier Dirk Mortier Peter Vanbedts Koen Vandenberghe Hilde Van Iseghem

4

Correctiesleutel

Viv Vingerhoets

WERKSCHRIFT D

REKENSPRONG

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 1

10/17/11 11:04:42 AM


Rekensprong Plus 4 bestaat uit: - de werkschriften a, b, c en d - het toetsschrift - het neuze-neuzeboek (onthoudboek) - de map van Wibbel: deel 1: inoefenen, automatiseren en toepassingen deel 2: remediëren en verrijken - de handleidingen a en b (met administratieve en doelen-cd-rom) - een cd-rom voor in de klas - een bordboek plus

Rekensprong Plus 4 – werkschrift d – correctiesleutel leerlijnen: Eric De Witte, Raf Lemmens, Paul Nijs, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets auteurs: Mieke Depiere, Stefanie Gerrits, Ilse Gijsbrechts, Eline Govaert, Karel Hugelier, Dirk Mortier, Peter Vanbedts, Koen Vandenberghe, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets Tekeningen: Mario Boon, Ina Hallemans, Riske Lemmens Omslagontwerp: Greet Lesage Omslagillustratie: Riske Lemmens Lay-out en zetwerk: PX

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.

© Van In, Wommelgem, 2011 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

Eerste druk 2011 ISBN 978-90-306-6168-9 978-90-306-6165-8 D/2011/0078/10 D/2011/0078/475 Art. 540516/01 540505/01 NUR 192

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 2

10/17/11 11:04:50 AM


SPRONG

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 3

10/17/11 11:04:50 AM


LES 131

GETALLEN TOT 100 000: HERHALING

stad

land

a

Kontich

België

18 794

b

Welkom

Zuid-Afrika

73 360

c

Ushuaia

Argentinië

696 29 69 9 96 6 2 96

d

Samos

Griekenland

e

Chicoutimi

Canada

1

78 822 22 64 6 616

Luister goed! Is het aantal inwoners juist of fout gelezen?

a ❏ goed X fout ❏

2

Reis rond de wereld in 100 000 tellen!

aantal inwoners

b ❏ goed X fout ❏

X goed c ❏

d ❏ goed X fout ❏

❏ fout

e

X goed ❏ ❏ fout

Getallendictee: nog meer mensen!

26 800 a ……………………………………………

487 c 74 ……………………………………………

350 e 10 ……………………………………………

47 854 b ……………………………………………

006 d 90 ……………………………………………

555 f 65 ……………………………………………

3

Lees en noteer de cijfers op de juiste plaats in de tabel. HD

TD

Samos

4

D

H

T

E

7

8

2

2

Welkom

7

3

3

6

0

Chicoutimi

6

4

6

1

6

Getallen afronden en schatten

a Rond af ... 20 000 18 870 op TD g ……………………………………

72 381 op D

72 000 g …………………………………………

18 900 g ……………………………………

46 927 op T

46 930 g …………………………………………

18 870 op H

70 000 72 381 op TD g ……………………………………

30 000 27 820 op TD g …………………………………………

b Waar liggen deze getallen ongeveer? Verbind ze met een pijl met hun plaats. 81 780 70 000

80 000 59 120

60 000

5

79 360

86 460

86 990

90 000 55 555

50 000

31 880

100 000 45 000

40 000

30 000

Van symbool naar getal en omgekeerd

a Vorm het getal. 415 4TD 8D 4H 1T 5E g 48 ……………………………………

4

6TD 9H 3T

930 g 60 ……………………………………

3TD 6H 2T 9E

2H 9D 5E 1T

9 215 g ……………………………………

96 996 9T 6E 9H 6D 9TD g ………………………………………..

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 4

30 629 g ………………………………………..

10/17/11 11:04:53 AM


LES 131

GETALLEN TOT 100 000: HERHALING b Wat is de waarde van het vetgedrukte cijfer? 33 980 g 9H

5E 10 205 g …………

………… 20 467 g 4H

1TD 13 260 g …………

4TD 41 317 g …………

………… 99 999 g 9T

5D 95 489 g …………

1D 41 317 g …………

………… 65 679 g 9E

6

Rangschik de getallen. 46 616

46 681

46 168

46 186

46 168 46 186 46 616 ……………………… < ……………………… < ………………………

25 476

75 675

52 476

46 618 ………………………

<

52 674

25 476 47 764 52 476 ……………………… < ……………………… < ………………………

7

<

46 618

<

52 674 ………………………

46 681 ………………………

47 764 <

75 675 ………………………

Kijk weer naar de tabel op de vorige bladzijde en vul in.

Welkom In …………………………… wonen de meeste mensen.

300 23 501 is ………………………………… meer dan 23 201.

Samos In ……………………………. wonen de minste mensen.

30 000 minder 58 728 is …………………………………………. dan 88 728.

Waar wonen er meer mensen: in Welkom of in

3 000 meer 95 403 is …………………………………………. dan 92 403.

in Welkom Chicoutimi? ………………………………………………

8

Tel met sprongen!

a Kijk goed, noteer de sprong in het vakje vooraan en zet de rij verder. + 50 ………

88 850

88 900

88 950 …………………………

89 000 …………………………

89 050 …………………………

+……… 2 000

42 200

44 200

46 200 …………………………

48 200 …………………………

50 200 …………………………

–……… 1 000

60 000

59 000

58 000 …………………………

57 000 …………………………

56 000 …………………………

+……… 2 500

20 000

22 500

25 000 …………………………

27 500 …………………………

30 000 …………………………

b Zet de rij verder. Denk goed na: de sprong verandert telkens!

9

101

102

104

107

111 …………………………

116 …………………………

10 250

10 350

10 550

10 850 …………………………

11 250 …………………………

11 750 …………………………

80 000

79 000

77 000

74 000 …………………………

70 000 …………………………

65 000 …………………………

60 820

60 840

60 870

60 910 …………………………

60 960 …………………………

61 020 …………………………

Hoeveel inwoners in elke stad? Kleur de hokjes in de tabel op blz. 4 in de juiste kleur. 1 001 – 10 000 g groen gro oen gr

10 001 – 20 000 g blauw

35 001 – 60 000 g paars

ood 60 001 – 75 000 g rrood

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 5

20 001 – 35 000 g g geel ge ee e e ell

5

10/17/11 11:04:58 AM


LES 132 KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001: HERHALING 1

Getallendictee

0,685 a ………………………………

c 368,106 ………………………………

12,085 e ………………………………

1 000,3 g ………………………………

b 8,25 ………………………………

d 7,08 ………………………………

f 0,007 ………………………………

25,25 h ………………………………

2

Noteer in de positietabel. D

3

H

T

E

,

t

h

d

6,345

g

6

,

3

4

5

0,075

g

0

,

0

7

5

1 000,03

g

0

,

0

3

0,12

g

0

,

1

2

4 578,9

g

8

,

9

1

0

4

0

5

7

Vul in.

9 keer 100 + ……. 5 keer 10 + ……. 1 keer 1 + ……. 6 keer 0,1 + ……. 4 keer 0,01 + ……. 3 keer 0,001 951,643 g ……. 1 keer 100 + ……. 0 keer 10 + ……. 0 keer 1 + ……. 0 keer 0,1 + ……. 0 keer 0,01 + ……. 1 keer 0,001 100,001 g …….

14,76

0 keer 100 + ……. 1 keer 10 + ……. 4 keer 1 + ……. 7 keer 0,1 + ……. 6 keer 0,01 + ……. 0 keer 0,001 g …….

6,428

0 keer 100 + ……. 0 keer 10 + ……. 6 keer 1 + ……. 4 keer 0,1 + ……. 2 keer 0,01 + ……. 8 keer 0,001 g …….

4D

4

8H

6T

9E

7t

2h

3d

Getallen splitsen en samenstellen

a Splits de getallen.

b Stel de getallen weer samen.

4,325 = 4E + 3t + 2h + 5d

001,3 3TD 6D 1E 3t g 36 ………………………………………………..

0,02 0,005 = 4 + 0,3 + …………………… + ……………………

4E 3d 5t 6h

g 4,563 ………………………………………………..

1T + 2E + 6h 12,06 = ………………………………………………………….

1d 3t 5D 3T

030,301 g 5………………………………………………..

8D 4T 2t 1h

040,21 g 8………………………………………………..

8d 3h 6t 5T

g 50,638 ………………………………………………..

5H 6d 9t

g 500,906 ………………………………………………..

10 + 2 + 0,06 = ………………………………………………………….

8E + 1t + 9h + 4d 8,194 = …………………………………………………………. 8 + 0,1 + 0,09 + 0,004 = ………………………………………………………….

6

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 6

10/17/11 11:05:03 AM


LES 132

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001: HERHALING 5

Rangschik. 5,15

5,05

5,55

5,5

5,51

5,05 5,15 5,5 5,51 5,55 ………………………… < ………………………… < ………………………… < ………………………… < ………………………… 13,08

13,108

13,808

13,8

13,88

13,88 13,808 13,8 13,108 13,08 ………………………… > ………………………… > ………………………… > ………………………… > …………………………

6

Vul de ontbrekende getallen aan op de getallenas.

4,2

4,3 ………………

4,4

4,5 ………………

4,6 ………………

4,7 ………………

4,8 ………………

9,29 ………………

9,27

9,25

9,23 ………………

9,21 ………………

9,19 ………………

9,17 ………………

7

8

Zet de rij verder. 0,25

0,50

0,75

1 ………………………

1,25 1,50 ……………………… ………………………

1,75 ………………………

0,5

1

1,5

2 ………………………

2,5 3 ……………………… ………………………

3,5 ………………………

7,1

7,3

7,5

7,7 ………………………

7,9 8,1 ……………………… ………………………

8,3 ………………………

10,28

10,26

10,22 10,24 ………………………

10,20 10,18 ……………………… ………………………

10,16 ………………………

0,005

0,006

0,008 0,007 ………………………

0,009 0,010 ……………………… ………………………

0,011 ………………………

Rond de getallen af. op h

op t

op E

25,678

25,68

25,7

26

3,183

3,18

3,2

0,039

0,04

0,0

9

op h

op t

op E

0,725

0,73

0,7

1

3

14,888

14,89

14,9

15

0

19,048

19,05

19,0

19

Tussen welke twee gehele getallen ligt het getal? Omkring het getal dat er het dichtst bij ligt.

3 en ………… 4 3,6 g tussen …………

16 en ………… 17 1 2 16,3 g tussen ………… 1,16 g tussen ………… en …………

1 en ………… 2 1,1 g tussen …………

3 4 2 3 3,979 g tussen ………… en ………… 2,80 g tussen ………… en …………

7

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 7

10/17/11 11:05:05 AM


LES 132 KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001: HERHALING 10

Vul in: <, > of =.

3

11

12

… >

0,30

6,1

… = 6,10

342,5 … >

34,25

6,10 … < 6,5

0,026 … <

0,26

2,25 … <

2,3

Vul in. 0,75 0,25 = 1 – ………………

0,20 0,60 = 3 x ………………

0,50 0,20 + 0,30 = ………………

1,25 2,50 = 1,25 + ………………

0,35 0,85 = ……………… + 0,5

0,30 3 x 0,10 = ………………

Ik geef een feestje, maar eerst nog even tellen … C € 1,01

€4 € 1,25

€ 0,99 9

B

A

F € 3,62 E

D Ik koop

De prijs

Ik heb

Hoeveel heb ik te weinig of te veel?

F

€ 1,25 ……………………

€5

€ 3,75 te veel ……………………………………………………………………………………………

E

€ 3,62 ……………………

€ 3,02

€ 0,60 te weinig ……………………………………………………………………………………………

C

€4 ……………………

€ 3,75

€ 0,25 te weinig ……………………………………………………………………………………………

A en B

€2 ……………………

€ 1,76

€ 0,24 te weinig ……………………………………………………………………………………………

D

€ 7,35 ……………………

€ 10

€ 2,65 te veel ……………………………………………………………………………………………

13

8

€ 7,35

Wie ben ik?

Ik ben 1t meer dan 0,16.

0,26 ……………………

Ik lig precies in het midden tussen 3,8 en 4.

3,9 ……………………

Ik ben 1h minder dan 2.

1,99 ……………………

Ik ben 2d meer dan 2,8.

2,802 ……………………

Ik lig precies in het midden tussen 4,2 en 4,3.

4,25 ……………………

Ik ben 1d minder dan 3.

2,999 ……………………

Ik ben 1h meer dan 0,9.

0,91 ……………………

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 8

10/17/11 11:05:06 AM


OPPERVLAKTE: M2 EN OPPERVLAKTEFORMULE RECHTHOEK 1

LES 133

Hoeveel appels zitten er in het kratje?

3 rijen van 5 appels ............................................................................................... 3 x 5 appels = 15 appels ...............................................................................................

2

Bereken de oppervlakte in cm2. rechthoek 1

oppervlakte rechthoek 1: 2

2

5 x 6 x 1 cm = 30 cm ............................................................................ 2

2

(of 6 x 5 x 1 cm = 30 cm ) ............................................................................ rechthoek 3

rechthoek 2

oppervlakte rechthoek 2: 2

2

6 x 5 x 1 cm = 30 cm .................................................................................... 2

2

(of 5 x 6 x 1 cm = 30 cm ) ....................................................................................

Oppervlakte rechthoek basis x hoogte = …………………………………………… Vergeet de maateenheid niet!

oppervlakte rechthoek 3: basis x hoogte ............................................................................ 2

2

= 4 x 2 x 1 cm = 8 cm ............................................................................

9

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 9

10/17/11 11:05:08 AM


LES 133 3

OPPERVLAKTE: M EN OPPERVLAKTEFORMULE RECHTHOEK 2

Bereken de oppervlakte.

2 4

5

1

3

2

2

3 x 5 x 1 cm = 15 cm Oppervlakte rechthoek 1: .......................................................................................................…………… 2

2

2

2

2 x 2 x 1 cm = 4 cm Oppervlakte rechthoek 2: .......................................................................................................…………… 4 x 2 x 1 cm = 8 cm Oppervlakte rechthoek 3: .......................................................................................................…………… 2

2

1,5 x 6 x 1 cm = 9 cm Oppervlakte rechthoek 4: .......................................................................................................…………… 2

2

3 x 6 x 1 cm = 18 cm Oppervlakte rechthoek 5: .......................................................................................................……………

4

ZRM

Rechthoeken rondom ons

Kies een rechthoekig voorwerp in de klas. Rond de basis en de hoogte af tot op 1 cm. Bereken de oppervlakte. Gebruik daarvoor je zakrekenmachine. voorwerp: ………………………………………………………………………………; basis = ………… cm; hoogte = ………… cm meerdere oplossingen mogelijk oppervlakte = ……………………………………………………………………………………………………………………………………….

5

Bereken de oppervlakte van dit voetbalveld. 100 m

Oppervlakte voetbalveld 50 m

6

100 x 50 x 1 m2 = 5 000 m2 = ………………………………………………………………….

Bereken.

Om het gras op het voetbalveld goed te laten groeien, wordt er kunstmest gestrooid. Men strooit 20 g per m2. De kunstmest kost € 2 per kg. Hoeveel kost het om het veld te bemesten?

10

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 10

5 000 x 20 = 100 000 ➞ 100 000 g = 100 kg ……………………………………………………………………………. 100 x 2 = 200 ➞ € 200 ……………………………………………………………………………. Het kost € 200 om het voetbalveld Antwoord: ………………………………………………………..…. te bemesten. …………………………………………………………………………….

10/17/11 11:05:11 AM


LES 134

HOOFDREKENEN TOT 100 000 1

2

Om erin te blijven! 76 100 – 24 = ……………

109 73 + 36 = ……………

139 87 + 52 = ……………

25 110 – 85 = ……………

16 43 – 27 = ……………

125 98 + 27 = ……………

58 140 – 82 = ……………

175 76 + 99 = ……………

51 70 – 19 = ……………

85 28 + 57 = ……………

Al die nullen!

13 000 + 54 000 = …………………… 67 000

100 000 – 100 = …………………… 99 900

100 000 – 222 = …………………… 99 778

71 400 + 9 000 = …………………… 80 400

75 000 + 25 000 = …………………… 100 000

55 555 + 5 000 = …………………… 60 555

43 000 – 28 000 = …………………… 15 000

55 000 – 500 = …………………… 54 500

40 000 – 100 = …………………… 39 900

54 800 + 500 = …………………… 55 300

80 000 – 1 200 = …………………… 78 800

87 000 – 10 = …………………… 86 990

100 000 – 84 000 = …………………… 16 000

8 000 + 63 000 = …………………… 71 000

33 333 + 3 333 = …………………… 36 666

In deze kolom moeten in totaal 43 nullen staan!

In deze kolom moeten in totaal 44 nullen staan!

In deze kolom moeten in totaal 22 nullen staan!

3

Dit gaat vlot als je aan de maaltafels denkt!

48 000 6 x 8 000 = ……………………………

000 300 x 300 = 90 ……………………………

20 000 4 x 5 000 = ……………………………

600 40 x 40 = 1 ……………………………

60 000 30 x 2 000 = ……………………………

80 x 8 = 640 ……………………………

25 000 50 x 500 = ……………………………

000 1 000 x 100 = 100 ……………………………

2 800 7 x 400 = ……………………………

000 3 x 10 x 100 = 3 ……………………………

In deze kolom moeten in totaal 31 nullen staan!

4

In deze kolom moeten in totaal 30 nullen staan!

Rond af naar het dichtstbijzijnde tienduizendtal. 50 000 ………………………………………… Onze gemeente telt 53 621 inwoners.

30 000 ………………………………………… Ik heb al 34 999 cd’s verkocht.

100 000 ………………………………………… Gisteren hadden we 99 563 kijkers.

11

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 11

10/17/11 11:05:12 AM


LES 134 5

HOOFDREKENEN TOT 100 000

Dit gaat vlot als je aan de deeltafels denkt!

4 24 : 6 = ………………………

6 000 30 000 : 5 = ………………………

20 100 000 : 5 000 = ………………………

4 000 24 000 : 6 = ………………………

25 000 75 000 : 3 = ………………………

20 16 000 : 800 = ………………………

400 24 000 : 60 = ………………………

70 4 200 : 60 = ………………………

2 500 50 000 : 20 = ………………………

8 000 72 000 : 9 = ………………………

4 32 000 : 8 000 = ………………………

15 000 45 000 : 3 = ………………………

80 72 000 : 900 = ………………………

700 49 000 : 70 = ………………………

35 000 70 000 : 2 = ………………………

In deze kolom moeten in totaal 24 nullen staan!

6

In deze kolom moeten in totaal 29 nullen staan!

In deze kolom moeten in totaal 35 nullen staan!

Reken je mee? Noteer ook de bewerking.

De website De zuinige zuurpruim m had 24 000 bezoekers. Naar de site Kwistig met Korneel surften drie keer zoveel mensen. Hoeveel waren er dat?

3 x 24 000 = 72 000

In Nederland kochten 28 000 mensen de cd-rom Vlaanderen Waterland. In Vlaanderen waren er dat dubbel zoveel. Hoeveel Vlamingen kochten de cd-rom?

2 x 28 000 = 56 000

72 000 ………………………… surfers.

56 000 ……………………… Vlamingen.

Vijfduizend mensen woonden de opname van het concert van Freddy Bally live bij. Men ontving honderdduizend euro aan entree. Hoeveel kostte één ticket?

Vorig weekend waren er 52 000 supporters in het voetbalstadion. Dit weekend volgde slechts de helft daarvan de match. Hoeveel supporters waren dat?

100 000 : 5 000 = 20

20 ………………………… euro.

7

Doe het in stapjes!

000 3 x 18 000 = 54 ……………………………………………………… 500 5 x 2 500 = 12 ……………………………………………………… 400 7 x 1 200 = 8……………………………………………………… 003 88 024 : 8 = 11 ……………………………………………………… 300 60 900 : 3 = 20 ………………………………………………………

12

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 12

52 000 : 2 = 26 000

26 000 …………………… supporters.

8

De wereld rond

Papa’s werk ligt op 50 km van ons huis. Hij werkt 5 dagen per week. Na hoeveel jaar heeft papa op die manier rond de aarde gereden?

Dit is ongeveer 40 000 km.

Na ongeveer 2 jaar. ………… per werkweek: 500 km 40 000 : 500 = 80 ➞ 80 weken

10/17/11 11:05:15 AM


HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING 1

LES 135

Oei, de termen van de optellingen zijn verdwenen! Zoek ze in het rooster.

Je mag elk getal in het rooster maar 1 keer gebruiken. 0,25 0,75 ………………… + ………………… =1

0,47 0,53 ………………… + ………………… =1

1,8 0,2 ………………… + ………………… =2

1,90 0,1 ………………… + ………………… =2

3,40 1,60 ………………… + ………………… =5

3,5 1,5 ………………… + ………………… =5

5,6 4,4 ………………… + ………………… = 10

5,7 4,3 ………………… + ………………… = 10

2

0,47

3,40

0,1

5,7

5,6

1,8

1,5

1,60

3,5

0,75

1,90

0,2

4,3

0,53

4,4

Optellen. Werk met stapjes zoals Wibbel.

5,5 2,3 + 3,2 = …………………………

9,09 2,02 + 7,07 = …………………………

1,5 0,8 + 0,7 = …………………………

9,60 5,45 + 4,15 = …………………………

5,75 3,25 + 2,50 = …………………………

11,3 10,8 + 0,5 = …………………………

1,10 0,95 + 0,15 = …………………………

13,29 12,99 + 0,30 = …………………………

6,2 5,3 + 0,9 = …………………………

6 4,75 + 1,25 = …………………………

3

0,25

Ik doe het zo!

2,5 + 5,3 = 2,5 + 5 + 0,3 = 7,5 + 0,3 = 7,8 2,7 + 0,5 = 2,7 + 0,5 = 3 + 0,2 = 3,2 / \ 0,3 0,2

En nu aftrekken met kommagetallen! 7,3 8,8 – 1,5 = …………………………

0,3 1 – 0,7 = …………………………

2,6 3 – 0,4 = …………………………

10,34 10,55 – 0,21 = …………………………

0,75 1 – 0,25 = …………………………

9,5 10 – 0,5 = …………………………

2,125 4,125 – 2 = …………………………

4,75 5 – 0,25 = …………………………

1,9 2,7 – 0,8 = …………………………

4

Lotte doet boodschappen. Hoeveel krijgt ze telkens terug?

Bij de bakker …

totaal:

Bij de slager …

€ 4,99

totaal:

Bij de groenteboer …

€ 7,85

totaal:

€ 10,47

Lotte betaalt met een briefje van 5 euro.

Lotte betaalt met een briefje van 10 euro.

Lotte betaalt 12 euro.

0,01 Ze krijgt € ………………… terug.

2,15 Ze krijgt € ………………… terug.

1,53 Ze krijgt € ………………… terug.

€ 0,01 + € 2,15 + € 1,53 = € 3,69 Hoeveel geld kreeg Lotte in totaal terug? .................................................................................................... Met die overschot mag ze iets kopen in de boekhandel. Ze wil graag een strip van 4 euro. 0,31 Ze heeft € ………………… te veel / te weinig om de strip te kopen.

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 13

13

10/17/11 11:05:16 AM


LES 135 5

6

7

HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING

Vermenigvuldig je mee? 0,84 2 x 0,42 = ………………………

2,1 3 x 0,7 = ………………………

12,8 4 x 3,2 = ………………………

0,35 5 x 0,07 = ………………………

1,6 4 x 0,4 = ………………………

10,15 5 x 2,03 = ………………………

0,8 4 x 0,2 = ………………………

1,6 2 x 0,8 = ………………………

24,88 8 x 3,11 = ………………………

1 100 x 0,01 = ………………………

1,5 3 x 0,5 = ………………………

2 10 x 0,2 = ………………………

0,13 0,26 : 2 = ………………………

2,5 5 : 2 = ………………………

0,25 1 : 4 = ………………………

2,21 4,42 : 2 = ………………………

12,5 25 : 2 = ………………………

0,3 3 : 10 = ………………………

0,08 0,48 : 6 = ………………………

0,2 1 : 5 = ………………………

0,02 2 : 100 = ………………………

En nu delen!

Niet precies rekenen, maar schatten! Je mag geen kommagetallen invullen.

8 12 4 x 2,55 ligt tussen .............. en .............. 10 15 5 x 2,33 ligt tussen .............. en .............. 6 8 2 x 3,785 ligt tussen .............. en ..............

8

6 x 3,18 = Zo doe ik het: 3,18 ligt tussen 3 en 4, dus 6 keer 3,18 ligt tussen 18 en 24.

Dessertjes! In een potje yoghurt zit 125 gram.

Voor 4 potjes pudding betaalt de school 2 euro. Hoeveel kost één potje pudding aan de school?

Een verpakking van 4 potjes

0,50 euro. ..............

0,5 kg. weegt ..............

Hoeveel kosten de 4 potjes samen? 2,40 € ....................

Hoeveel vraagt de school voor 1 potje pudding? 0,62 euro. .............. Hoeveel verdient de school per potje pudding?

14

Hoeveel kost één potje dan?

0,12 euro. ..............

0,60 € ....................

Hoeveel verdient de school aan 100 potjes?

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 14

12 .............. euro.

10/17/11 11:05:18 AM


LES 136

GELIJKVORMIGHEID 1

Oei, wat is er hier gebeurd?

X

•

• X

X

XX

•

XX

•

•

• Kleur de figuren die dezelfde vorm en grootte hebben als het blauwe hartje groen. XX • Kleur de figuren die dezelfde vorm maar niet dezelfde grootte hebben als het blauwe hartje geel. X • Kleur de figuren die niet dezelfde vorm hebben als het blauwe hartje rood.

2

•

Zet een kruisje in de rechthoeken die gelijkvormig zijn met de blauwe rechthoek.

X X X

3

Teken over en kruis het juiste antwoord aan.

Deze figuren zijn X gelijkvormig. ô ô niet gelijkvormig.

15

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 15

10/17/11 11:05:28 AM


LES 136

GELIJKVORMIGHEID

Deze figuren zijn X gelijkvormig. ô ô niet gelijkvormig.

Deze figuren zijn ô gelijkvormig. X niet gelijkvormig. ô

Deze figuren zijn ô gelijkvormig. X niet gelijkvormig. ô

Deze figuren zijn X gelijkvormig. ô ô niet gelijkvormig.

16

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 16

10/17/11 11:05:32 AM


LES 137

TABELLEN EN GRAFIEKEN 1

Teken eerst een staafdiagram en daarna een lijngrafiek.

Het frisdrankverbruik van kinderen van het 1e tot het 6e leerjaar:

aantal flesjes frisdrank per week

1e lj.

2e lj.

3e lj.

4e lj.

5e lj.

6e lj.

3

4

4

5

7

8

aantal flesjes frisdrank per leerling per week

aantal flesjes frisdrank per leerling per week

12 10 8 6 4 2 0

1

2

3

4

5

6

leerjaar in het 1e leerjaar In welk leerjaar drinken de kinderen het minst frisdrank? ........................................................……………… in het 6e leerjaar In welk leerjaar drinken de kinderen het meest frisdrank? .......................................................……………… Wat kun je zeggen over het verband tussen het aantal flesjes frisdrank dat een kind drinkt en ‘hoger’ het leerjaar, hoe meer flesjes frisdrank het leerjaar? Hoe .................................................................................................................................................. ..................................................................................................................................................…………………..

2

Hoe komen de leerlingen naar school?

Onderzoek in alle leerjaren hoeveel leerlingen er met de auto naar school komen en hoeveel met de fiets. Noteer de gegevens in de tabel. Stel ze dan voor met een lijngrafiek op de volgende bladzijde. leerjaar

1e

2e

3e

4e

5e

6e

aantal kinderen met de auto

.........…….

.........…….

.........…….

.........…….

.........…….

.........…….

aantal kinderen met de fiets

.........…….

.........…….

.........…….

.........…….

.........…….

.........…….

Hoeveel kinderen komen met de auto? ..........................................................................................…………… Hoeveel kinderen komen met de fiets? ..........................................................................................…………… meerdere oplossingen mogelijk

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 17

17

10/17/11 11:05:33 AM


LES 137

TABELLEN EN GRAFIEKEN

meerdere oplossingen mogelijk

Met de auto

3

Met de fiets

Deze grafiek toont het gewicht van Nelleke. Beantwoord de vragen. 40

Hoeveel woog Nelleke toen ze 5 jaar oud was?

38 36

17 kg ………………………………………………..

34 32

Hoeveel zwaarder woog Nelleke op haar tiende dan op haar vijfde?

30 28

13 kg ………………………………………………..

gewicht (kg)

26 24

In welke periode is Nellekes gewicht het sterkst gestegen?

22 20

in haar 1e levensjaar ………………………………………………..

18

Toen Nelleke 4 jaar was, woog ze dubbel zoveel als toen ze

16 14

1 jaar was. ……

12 10 8 6 4 2 0 0

18

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 18

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10 11

12

leeftijd (jaar)

10/17/11 11:05:35 AM


LES 138

VERHOUDINGEN 1

Reken uit. Gebruik de tabel! Oma zorgt voor het dessert op het familiefeest. In totaal zullen er 40 mensen zijn. Iedereen lust oma’s pudding. Hoeveel heeft ze nodig van elk ingrediënt? 40 porties ................................

oma’s pudding (5 porties)

ingrediënten

ingrediënten: • 1 liter melk • 75 g suiker • 1 pakje poeder voor vanillepudding • 10 speculoosjes

melk

1 8l ............................. l ................................

suiker

75 600 g ............................ g ................................

poeder

1 8 pakjes .................. pakje(s) ................................

speculoosjes

10 ...............................

5 porties

80 ................................

Mama en Arne zijn alleen thuis. Er staan wentelteefjes op het menu. Hoeveel heeft mama nodig van elk ingrediënt? wentelteefjes (4 personen) ingrediënten: • 3 dl melk • 50 g boter • 8 sneetjes brood • 2 eieren

ingrediënten

4 personen

2 personen ................................

melk 3 dl 1,5 dl ................................ ................................ ................................ boter 50 g 25 g ................................ ................................ ................................ sneetjes brood 8 4 ................................ ................................ ................................ eieren 2 1 ................................ ................................ ................................ Hoeveel is er van elk ingrediënt nodig voor 10 kaashapjes? En voor 30 stuks? ingrediënten

kaashapjes (20 stuks) ingrediënten: • 450 g bloem • 100 g kaas • 1 dl melk • 2 eieren • 150 g boter

2

20 stuks

10 stuks 30 stuks ....................... .......................

bloem

450 g 225 g 675 g ....................... ....................... .......................

kaas

100 g 50 g 150 g ....................... ....................... .......................

melk

1 dl 0,5 dl 1,5 dl ....................... ....................... .......................

eieren

2 1 3 ....................... ....................... .......................

boter

150 g 75 g 225 g ....................... ....................... .......................

Vul in of omkring wat past.

Silke tekent een plattegrond van haar kamer. De schaal is 1 : 50. Wat wil dat zeggen? 50 keer zo groot / zo klein als op de plattegrond. • In het echt is alles ………… 50 keer zo groot / zo klein als in het echt. • Op de plattegrond is alles ………… 4 Het bed is 2 meter lang. Hoe lang is het bed op de plattegrond? ………… cm. 2 m = 200 cm 200 : 50 = 4 Zo doe ik het: ………………………………………………………………………………………………………………………………………. Op de plattegrond is de kamer 10 cm breed. Hoe breed is de kamer echt? ………… 5 m. 50 x 10 cm = 500 cm = 5 m Zo doe ik het: ……………………………………………………………………………………………………………………………………….

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 19

19

10/17/11 11:05:43 AM


LES 138 3

VERHOUDINGEN

Snel, sneller, snelst!

a Op de autosnelweg rijdt papa 100 km per uur. Hij vertrekt om 7 uur. Hij rijdt in totaal 250 km. Hij houdt onderweg een pauze van een halfuur. 10 uur Wanneer komt papa aan? Om ……………………… afgelegde weg

100 km

50 km

250 km

tijd

1 uur …………………………………

30 min. …………………………………

2 uur 30 min. …………………………………

b Tijdens de zeeklassen fietsen de kinderen van het vierde leerjaar van Middelkerke naar Oostende. Er wordt gemiddeld 15 km per uur gefietst. De afstand tussen beide kuststeden is 10 km. 40 minuten Hoeveel minuten zijn ze onderweg? ………………………………………………. Tip: reken eerst uit hoeveel tijd ze nodig hebben om 5 km te fietsen! afgelegde weg

15 km …………………………………

5 km …………………………………

10 km …………………………………

tijd

1 uur …………………………………

20 min. …………………………………

40 min. …………………………………

c Jelle is gisteren gevallen en kan niet fietsen. Hij rijdt met meester Sam mee in de auto. Ze rijden 50 km per uur. 12 minuten Hoe lang doen zij over de tocht van Middelkerke naar Oostende? ……………………………………………………..

4

20

afgelegde weg

50 km …………………………………

10 km …………………………………

tijd

1 uur …………………………………

12 min. …………………………………

Hoe groot ongeveer?

Margo zit in het vierde leerjaar. Kun jij schatten hoe hoog het standbeeld is?

De kerk is 60 meter hoog. Kun jij schatten hoe hoog het stadhuis ongeveer is?

Zo doe ik het:

Zo doe ik het:

3 x 1,40 m = 4,20 m

2 van 60 meter is 40 meter 3

4,20 m Het standbeeld is ongeveer .......................... hoog. (of 4 m)

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 20

40 m Het stadhuis is ongeveer ........................... hoog.

10/17/11 11:05:45 AM


LES 139

CIJFEREN: HERHALING 1

Alles door elkaar!

51,85 145,7 – 93,85 = ………………………

000 56 x 375 = 21 ………………………………

461,95 854,75 – 392,8 = ………………………

150 – 90 = 60 ≈ ……………………………………………

60 x 400 = 24 000 ≈ ……………………………………………

900 – 400 = 500 ≈ ……………………………………………

0

14

4

1

4

5 , 7

0

9

3 , 8

5

–

5

16 10

1 , 8

3 x 1

5

7

15

3

5

6

8

5

4 , 7

5

3

9

2 , 8

0

4

6

1 , 9

5

1

1

2

2

5

0

3

4

1

8

7

5

0

2

3

2

1

0

0

0

5 +

7

–

17

De som van de cijfers van het verschil is 19.

De som van de cijfers van het product is 3.

De som van de cijfers van het verschil is 25.

72,22 23 x 3,14 = ………………………………

92,232 4 x 23,058 = ……………………………

819 823,4 x 35 = 28 ……………………………

20 x 3 = 60 ≈ ……………………………………………

4 x 20 = 80 ≈ ……………………………………………

800 x 40 = 32 000 ≈ ……………………………………………

3 , 1

4

2

3

9

4

2

6

2

8

0

7

2 , 2

2

x 1

+

2

3 ,0

5

4

x 9

1

8

8

2 ,2

3

2

2

3 5

x 3

2

4

1

1

7 0

2

1 1

2

4

7

0

2 0

1

1

2

8

8

1

9, 0

1

1

+

3, 4

De som van de cijfers van het product is 13.

De som van de cijfers van het product is 18.

17,715 0 35,43 : 2 = q …………………… r …… (nauwkeurig quotiënt)

7,571 3,21 53 : 7 = q ……………………… r 0,003 …… 25,7 : 8 = q …………………… r 0,02 …… (tot op 0,001 nauwkeurig) (tot op 0,01 nauwkeurig)

40 : 2 = 20 ≈ ……………………………………………

56 : 7 = 8 ≈ ……………………………………………

3 2 – 1 1 – –

5, 4 5 4 1 1

3 0

2 1 7, 7 1 5

4 4 0

3 2 – 1 0 1 0 – 0

De som van de cijfers van het quotiënt is 21.

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 21

–

5 4

3, 0 9 4 0 3 5 – 5 4 –

0 0

7 7 ,5 7 1

0 9 1 0 7 – 3

De som van de cijfers van het quotiënt is 20.

De som van de cijfers van het product is 28.

24 : 8 = 3 ≈ ……………………………………………

–

2 2

5, 7 4 1 7 1 6 – 1 –

0

8 3, 2 1

0 8 2

De som van de cijfers van het quotiënt is 6.

21

10/17/11 11:05:46 AM


LES 139 2

CIJFEREN: HERHALING

Hoofdrekenen of cijferen?

Kleur de oefeningen waar je makkelijk kunt hoofdrekenen groen. x Kleur de oefeningen waar het makkelijker is om te cijferen blauw. o Je hoeft ze niet uit te rekenen. 4 x 498 3 x 1,2

3

10 000 – 9 999

x

870 : 2

x

64 x 76

x

o

6,639 : 3

x

56 000 : 70

x

8 x 8,88

44,154 : 3

x

5:2

o

o x

De schoolfotograaf is langs geweest. Help je rekenen? De mama van Jolien koopt 5 kleine foto’s en een kleine poster. Hoeveel moet ze betalen?

fotoverkoop foto’s klein formaat: € 0,75 foto’s groot formaat: € 1,15 posters klein formaat: € 3,35 posters groot formaat: € 7,45 kalenders: €

Ze moet € 7,10 betalen. ……………………………………………………………………..

Vandaag werden 15 kleine en 30 grote posters verkocht. Hoeveel ontving de school in totaal voor die posters?

Oei, iemand heeft de prijs van een kalender weggekrabd! Vandaag werden er 9 kalenders verkocht. Daarvoor ontving de school € 31,05. Kun jij de prijs van een kalender terugvinden?

De school ontving in totaal € 273,75 voor …………………………………………………………………….. die posters.

De prijs van een kalender is € 3,45. ……………………………………………………………………..

4

Vul de rekenrups aan.

Cijfer in je schrift. Sommige uitkomsten zijn al ingevuld. Zo kun je controleren of je juist bezig bent! – 78,63

x5

:2

113,4

45,36 ……… 226,8

382,47 ……… 34,77 ………

:2

38,247 ………

191,235

x 11

:5

22

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 22

10/17/11 11:05:47 AM


LES 140

VLAKKE FIGUREN: HERHALING 1

Geef alle figuren de juiste naam.

Kies uit: vierkant, rechthoek, ruit, parallellogram, trapezium, gewone vierhoek.

vierhoek 1 is een ……………………………………………… trapezium

vierhoek 5 is een ……………………………………………… parallellogram

vierhoek 2 is een ……………………………………………… ruit

vierhoek 6 is een ……………………………………………… vierkant

vierhoek 3 is een ……………………………………………… trapezium

vierhoek 7 is een ……………………………………………… trapezium

vierhoek 4 is een ……………………………………………… rechthoek

vierhoek 8 is een ……………………………………………… gewone vierhoek

2

Welke naam krijgt deze driehoek?

driehoek 1

driehoek 2

Ik kijk naar de hoeken. Het is een …

stomphoekige driehoek ………………………………………

rechthoekige driehoek ………………………………………

Ik kijk naar de zijden. De driehoek is …

gelijkbenig ……………………………………………………

ongelijkbenig ……………………………………………………

3

Teken de diagonalen in deze vierhoeken.

23

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 23

10/17/11 11:05:49 AM


LES 140 4

VLAKKE FIGUREN: HERHALING

Aan de slag met de passer!

Teken een cirkel met straal 2 cm. Het punt M moet het middelpunt zijn.

Teken een cirkel waarvan het punt B het middelpunt en [AB] de straal is. A

B M

Teken een cirkel met diameter 5 cm. Noem het middelpunt C.

Teken een cirkel waarvan dit een diameter is.

C

5

Teken alle symmetrieassen in deze ďŹ guren.

24

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 24

10/17/11 11:05:52 AM


LES 140

VLAKKE FIGUREN: HERHALING 6

Staat je potlood op scherp?

Teken een rechthoek. De lengte is 3 cm en de breedte 1 cm.

Teken een rechte door het punt P die evenwijdig is met de rechte l. Teken een rechte door het punt P die loodrecht staat op de rechte l.

P

l

Teken een gelijkbenige, scherphoekige driehoek. Eén zijde is al gegeven.

7

Teken een parallellogram. Twee zijden zijn al gegeven.

Welke vierhoek zit hier verscholen? Schrijf alle mogelijkheden op!

Kies uit: vierkant, rechthoek, ruit, parallellogram, trapezium, gewone vierhoek.

trapezium …………………………………………………………………………

vierkant …………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………

…………………………………………………………………………

rechthoek …………………………………………………………………………

parallellogram …………………………………………………………………………

trapezium …………………………………………………………………………

trapezium …………………………………………………………………………

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 25

25

10/17/11 11:05:53 AM


LES 141

HERHALING

G 1

1

Tel met sprongen!

a Kijk goed en zet de rij verder. 76 800

76 850

76 900 …………………………………

76 950 …………………………………

77 000 …………………………………

32 500

31 500

30 500 …………………………………

29 500 …………………………………

28 500 …………………………………

1,6

1,8

2 …………………………………

2,2 …………………………………

2,4 …………………………………

0,85

0,9

0,95 …………………………………

1 …………………………………

1,05 …………………………………

8,4

8,8

9,2 …………………………………

9,6 …………………………………

10 …………………………………

b Zet de rij verder. Denk goed na: de sprong verandert telkens!

2

220

230

250

260

280 ……………………………

290 ……………………………

2 150

2 250

2 300

2 400 ……………………………

2 450 ……………………………

2 550 ……………………………

55 000

50 000

40 000

35 000 ……………………………

25 000 ……………………………

20 000 ……………………………

30 300

30 330

30 400

30 430 ……………………………

30 500 ……………………………

30 530 ……………………………

1, 4e

Rangschik de getallen. 32 235

23 325

33 225

53 232

22 533

22 533 23 325 32 235 33 225 53 232 ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… 4,41

4,14

4,04

4,4

4,44

4,04 4,14 4,4 4,41 4,44 ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… 76 587

65 877

77 865

78 765

87 756

65 877 76 587 77 865 78 765 87 756 ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… 18,08

18,108

18,018

18,801

18,01

18,01 18,018 18,08 18,108 18,801 ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… < ………………………

3

1c, 4f

Rond de getallen af. op h

op t

op E

4,784

4,78 ………………

4,8 ………………

5 ………………

12,429

12,43 ………………

12,4 ………………

6,5

26

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 26

8,774

8,77 ………………

8,8 ………………

op D

op H

5 892

6 000 ………………

5 900 ………………

12 ………………

15 620

16 000 ………………

15 600 ………………

7 ………………

8 050

8 000 ………………

8 100 ………………

9 ………………

59 489

59 000 ………………

59 500 ………………

10/17/11 11:05:54 AM


LES 141

HERHALING 4

1a

Van symbool naar getal en omgekeerd

a Vorm het getal. 74 726 7TD 4D 7H 2T 6E g …………………………………………

80 943 g …………………………………………

8TD 9H 4T 3E

5H 8TD 2T

80 520 g …………………………………………

65 347 4T 7E 3H 5D 6TD g …………………………………………

9E 8d 3t 7h

9,378 g …………………………………………

7D 6T 3t 9h

7 060,39 g …………………………………………

6H 9t 4h 3E 7d

603,947 g …………………………………………

6d 4h 2t 8T

80,246 g …………………………………………

b Wat is de waarde van het vetgedrukte cijfer? 36 867

g

3TD ………………

39 856

g

8H ………………

35 812

g

3TD ………………

36,867

g

6h ………………

39,856

g

8t ………………

35,812

g

3T ………………

52 945

g

2D ………………

99 999

g

9H ………………

35,812

g

2d ………………

52,945

g

4h ………………

999,99

g

9h ………………

35 812

g

2E ………………

5

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

Op welke leeftijd was Toon 1 m 23 cm groot? Toen hij 7 jaar was. ................................................................ Hoe groot was Toon bij zijn geboorte? lengte (cm)

155 150 145 140 135 130 125 120 115 110 105 100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 0

5c

Deze grafiek toont de lengte van Toon. Beantwoord de vragen.

55 cm ................................................................ Hoe oud was Toon ongeveer toen hij 1 m groot werd? ongeveer 3,5 jaar ................................................................ Hoeveel is Toon gegroeid sinds zijn geboorte? 95 cm ................................................................

12

leeftijd (jaar)

6

Joke maakt pudding!

Ze heeft een recept gevonden voor 4 personen. Ze wil pudding maken voor de hele klas. In haar klas zitten 20 leerlingen. Reken uit wat ze nodig heeft. voor 4 personen

voor 20 personen

melk

1 liter

5 liter …………………………………………………

suiker

75 gram

375 gram …………………………………………………

puddingpoeder

1 zakje

5 zakjes …………………………………………………

een half zakje

2,5 zakjes …………………………………………………

vanillesuiker

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 27

27

10/17/11 11:05:57 AM


LES 141

HERHALING

B 1

75 920 63 920 + 12 000 = ……………………

58 830 34 830 + 24 000 = ……………………

98 760 36 760 + 62 000 = ……………………

59 000 87 000 – 28 000 = ……………………

57 000 94 000 – 37 000 = ……………………

18 000 36 000 – 18 000 = ……………………

7 280 4 850 + 2 430 = ……………………

6 270 8 450 – 2 180 = ……………………

6 450 9 900 – 3 450 = ……………………

2 920 8 050 – 5 130 = ……………………

6 334 3 524 + 2 810 = ……………………

4 997 2 497 + 2 500 = ……………………

2

13

Kommagetallen optellen. Werk zo nodig met stapjes.

0,12 0,04 + 0,08 = ……………………………

1,110 0,805 + 0,305 = ……………………….

15,5 14,9 + 0,6 = ……………………………

1,4 0,9 + 0,5 = ……………………………

8,5 7,8 + 0,7 = ……………………….

14,45 13,95 + 0,5 = ……………………………

2,30 1,85 + 0,45 = ……………………………

12,30 8,75 + 3,55 = ……………………….

10 6,55 + 3,45 = ……………………………

3

13

En nu aftrekken met kommagetallen!

0,02 0,05 – 0,03 = ……………………………

1,95 2 – 0,05 = ……………………………

21,08 29,17 – 8,09 = ………………………….

2,45 4,75 – 2,3 = ……………………………

2,75 5 – 2,25 = ……………………………

5,955 8 – 2,045 = ………………………….

9,345 15,345 – 6 = ……………………………

0,992 1 – 0,008 = ……………………………

2,95 10 – 7,05 = ………………………….

4

16, 17

Cijferen maar!

300,355 275,32 + 25,035 = ……………………

24,514 15,475 + 9,039 = ……………………

391,056 45,976 + 345,08 = ……………………

275 + 25 = 300 ≈ ……………………………………………

15 + 9 = 24 ≈ ……………………………………………

45 + 345 = 390 ≈ ……………………………………………

+

28

7, 8

Rekenen met grote getallen

1

1

2

7

5 , 3

2

2

5 , 0

3

5

0

0 , 3

5

5

3

+

1

1

1

1

5 , 4

7

5

9 , 0

3

9

4 , 5

1

4

2

+

1

1

1

4

5 , 9

7

3

4

5 , 0

8

3

9

1 , 0

5

6 6

92,471 156,56 – 64,089 = ……………………

677,02 754 – 76,98 = ………………………….

53,487 62,56 – 9,073 = ………………………

160 – 60 = 100 ≈ ……………………………………………

750 – 80 = 670 ≈ ……………………………………………

60 – 10 = 50 ≈ ……………………………………………

0

15

4

15

10

1

5

6 , 5

6

0

6

4 , 0

8

9

–

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 28

9

2 , 4

7

1

9 10 10

6

14

13

7

5

4 , 0

0

7

6 , 9

8

7

7 , 0

2

– 6

–

5

12

4

15

10

6

2 , 5

6

0

9 , 0

7

3

3 , 4

8

7

5

10/17/11 11:05:58 AM


LES 141

HERHALING MMR 1

28

Bereken de oppervlakte.

1 2 3

2

2

2

2

4 x 3 x 1 cm = 12 cm Oppervlakte rechthoek 1: .............................................................................................................… 9 x 2 x 1 cm = 18 cm Oppervlakte rechthoek 2: .............................................................................................................… 2

2

1 x 5 x 1 cm = 5 cm Oppervlakte rechthoek 3: .............................................................................................................…

2

27, 28

Omtrek en oppervlakte 8m

Hiernaast zie je het grondplan van de tuin van Filip. Bereken de omtrek en de oppervlakte. 4 m + 8 m + 4 m + 8 m = 24 m De omtrek is ………………………………………………………………………………….

4m

8 x 4 x 1 m2 = 32 m2 De oppervlakte is ……………………………………………………………………………

MK 1

39

Allemaal vlinders!

• Kleur de vlinders die dezelfde vorm en grootte hebben als de blauwe vlinder blauw. XX • Kleur de vlinders die dezelfde vorm maar niet dezelfde grootte hebben als de blauwe vlinder geel. X • Kleur de vlinders die niet dezelfde vorm hebben als de blauwe vlinder rood. O

X XX O

XX

X XX

2

O

39

Zet een kruisje in de driehoeken die gelijkvormig zijn met de blauwe driehoek.

X

X

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 29

X

29

10/17/11 11:06:01 AM


LES 141 3

HERHALING 36

Geef alle figuren de juiste naam.

Kies uit: vierkant, rechthoek, ruit, parallellogram, trapezium, gewone vierhoek. 3

1

4

2

6 5

trapezium vierhoek 1 is een ………………………………………………

ruit vierhoek 4 is een ………………………………………………

vierkant vierhoek 2 is een ………………………………………………

gewone vierhoek vierhoek 5 is een ………………………………………………

parallellogram vierhoek 3 is een ………………………………………………

rechthoek vierhoek 6 is een ………………………………………………

4

37

Welke naam krijgen deze driehoeken?

driehoek 1

driehoek 2

Ik kijk naar de hoeken. Het is een …

scherphoekige driehoek ………………………………………

rechthoekige driehoek ………………………………………

Ik kijk naar de zijden. De driehoek is …

ongelijkbenig ……………………………………………………

gelijkbenig ……………………………………………………

5

Teken een cirkel met diameter 4 cm. Het punt M moet het middelpunt zijn.

M

6

38

Aan de slag met de passer! Teken een cirkel waarvan het punt A het middelpunt is. De straal is 1,5 cm.

A

33

Tekenen maar!

Teken een rechthoek. De lengte is 5 cm en de breedte 2 cm.

30

110327_01N RS+4_WSd_11_CS.indd 30

Teken een rechthoekige driehoek waarvan dit lijnstuk één zijde is.

meerdere oplossingen mogelijk

10/17/11 11:06:03 AM


SPRONG

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 31

10/17/11 11:24:27 AM


LES 145 1

BREUKEN: HERHALING

Zomerartikelen in promotie! Vul aan wat ontbreekt.

barbecue 5 van de prijs! Slechts — 8

hangmat 4 van de prijs! Slechts — 5

iglotent

oude prijs: € 240 150 nieuwe prijs: € ………………

oude prijs: € 125 € 100 nieuwe prijs: ………………

oude prijs: € 500 nieuwe prijs: € 400

kinderzwembad 2 van de prijs! Slechts — 3

kinderschommel 3 van de prijs! … Slechts — 4 …

90 oude prijs: € ……………… nieuwe prijs: € 60

2

7 van de p Slechts — prij prijs! js! — 10

100 oude d prijs: ij € ……………… nieuwe prijs: € 70

12 — — 15 5

1 — 3

15 1 5 — — 45 4 5

3 — 2

18 — — 12

40 4 0 — — — 100 00

2 — 5

80 8 0 — — — 10 100 1 00

20 2 0 — — 60 6 0

Vul aan met <, > of =.

4 …… 40 — — = — 5 50

3 …… 17 — — — < — 20 20

4 0,3 …… — < — 10

1 …… 1 > — — 3 9

1 0,5 …… = — 2

5 5 …… < — — — 9 11

2 …… 2 < — — 8 4

1 …… 1 < — — 5 4

7 …… > 0,07 — — 10

4

32

oude prijs: € 200 nieuwe prijs: € 150

tuinstel

Geef de breuken die gelijkwaardig zijn dezelfde kleur.

4 — 5

3

4 van de prijs! … Slechts — 5 …

Vul op de stippen de juiste breuk aan. Gebruik je meetlat!

0

1 ...... 4

0

1 ...... 3

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 32

3 ...... 4 2 — 3

3...... (=1) 3

1

5 ...... 4 5 ...... 3

10/17/11 11:24:30 AM


LES 145

BREUKEN: HERHALING 5

Nu ben jij aan de beurt!

1-— 1 -— 3 - 0,7 op de getallenas. Plaats — — 2 4 10

1 3 4 10

0

1 2

0,7

1

2-— 3 op. Teken zelf een getallenas en plaats er 0 - 1 - — 5 5

0

6

2 5

3 5

1

Vul aan.

2 10 … 2 en — — — of …… — 4 4 …

5 1 of — … 1 en — — 4 4 …

1 7 of …… … 2 en — — — 3 3 …

1 3 of …… … 1 en — — — 2 2 …

9 1 of — … 4 en — — 2 2 …

10 1 of — … 3 en — — 3 3 …

7

Reken uit. Vereenvoudig het resultaat als het kan.

3 1+— 2 = ………………………………… — 4 4 4

8 1 = ………………………………… 1–— 9 9

6 1 1 = ………………………………… = 1 en 1+— 5 5 5

13 1 5+— 8 = ………………………………… = 4 en — 3 3 3 3

3 1 1 = ………………………………… = 1 en 2–— 2 2 2

5 2 8 – 1 = ………………………………… = 1 en — 3 3 3

4 7–— 3 = ………………………………… =2 — 2 2 2

7 3 = ………………………………. 1–— — 10 10

5 2 + ………… =1 — 7 7

8

Kommagetallen en breuken zijn familie van elkaar!

Schrijf als kommagetal.

Schrijf als breuk. Vereenvoudig als het kan.

44 — — — = 0,44 …………………… 100

8 4 0,8 = ……………………………………… = 10 5

7 = …………………… 0,7 — — 10

8 1 0,50 = ……………………………………… = 100 2

9— = …………………… 0,09 — — 100

7 0,07 = ……………………………………… 100

25 0,025 — — — — — = …………………… 1 000

5 1 0,005 = ……………………………………… = 1 000 200

33

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 33

10/17/11 11:25:07 AM


HOOFDREKENEN MET NATUURLIJKE GETALLEN EN KOMMAGETALLEN

LES 146 1

Alles door elkaar. Hou je hoofd erbij!

99 010 100 000 – 990 = ……………………………………………

4 10 000 : 2 500 = ……………………………………………

5 500 50 x 110 = ……………………………………………

686 587 + 99 = ……………………………………………

2 442 6 x 407 = ……………………………………………

3 750 7 500 : 2 = ……………………………………………

7 500 15 000 : 2 = ……………………………………………

3 465 99 x 35 = ……………………………………………

962 875 + 87 = ……………………………………………

32 000 80 x 400 = ……………………………………………

300 90 000 : 300 = ……………………………………………

4 850 5 000 – 150 = ……………………………………………

675 9 x 75 = ……………………………………………

500 12 500 : 25 = ……………………………………………

246 198 + 48 = ……………………………………………

640 736 – 50 – 46 = ……………………………………………

2

3

En nu met kommagetallen!

6,25 5,40 + 0,85 = ………………………………………………

2,1 1,2 + 0,9 = ………………………………………………

2,33 2 + 0,33 = ………………………………………………

3,50 5 – 1,50 = ………………………………………………

7,25 8 – 0,75 = ………………………………………………

2,25 1,75 + 0,50 = ………………………………………………

0,998 1 – 0,002 = ………………………………………………

7,1 8,3 – 1,2 = ………………………………………………

3 10 x 0,3 = ………………………………………………

5,15 5 x 1,03 = ………………………………………………

1,6 2 x 0,8 = ………………………………………………

0,12 6 x 0,02 = ………………………………………………

7,5 15 : 2 = ………………………………………………

2,5 10 : 4 = ………………………………………………

1,4 2,8 : 2 = ………………………………………………

0,001 1 : 1 000 = ………………………………………………

Wibbel heeft de rijen aangevuld. Duid aan waar hij in de fout is gegaan en verbeter eronder.

0,5

0,007

2,80

5,96

34

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 34

0,6

0,07

2,85

5,97

0,7

0,7

2,90

5,98

0,8

0,9

0,10

0,11

0,12

………

………

1 ………

1,1 ………

1,2 ………

0,70

0,700

0,7000

7 ………

70 ………

700 ………

2,95

2,100

2,110

2,150

………

3 ………

3,05 ………

3,10 ………

5,99

6

6,1

6,2

6,3

………

………

6,01 ………

6,02 ………

6,03 ………

10/17/11 11:25:08 AM


HOOFDREKENEN MET NATUURLIJKE GETALLEN EN KOMMAGETALLEN 4

LES 146

Op de kermis! Reken uit.

1 ritje in de ru rups: ups: € 2,25 3 ritjes voor € 6

1 beurt in de bo botsauto’s: otsauto’s: € 3,50 vo oor 4 beurten! Slechts € 12 voor

Hoeveel betaal je voor 2 ritjes in de rups?

Roos wil 1 keer op de rups en 1 keer op de botsauto’s. Ze krijgt 10 euro van mama. Hoeveel heeft ze nog over?

Je betaalt € 4,50. …………………………………………………………………………

Ze heeft nog € 4,25 over. …………………………………………………………………………

Mieke koopt 3 afzonderlijke kaartjes voor de rups. Haar zus koopt een kaartje voor 3 ritjes ineens. Hoeveel moet Mieke meer betalen dan haar zus?

meerdere oplossingen mogelijk Je krijgt 10 euro. Kies zelf wat je wilt doen: Ik ga ……… keer op de rups.

Ze moet € 0,75 meer betalen. ………………………………………………………………………… Hoeveel betaal je voor 2 beurten in de botsauto’s?

Dat kost € ……………… Ik ga ……… keer in de botsauto’s. Dat kost € …………… In totaal betaal ik € ……………

Je betaalt € 7. …………………………………………………………………………

Ik heb nog € …………… over.

Hoeveel betaal je minder als je een kaartje voor 4 beurten ineens koopt dan wanneer je vier kaartjes voor 1 beurt in de botsauto’s koopt?

Je betaalt € 2 minder. …………………………………………………………………………

5

Ook de foorkramers moeten betalen!

Je mag kiezen: hoofdrekenen of cijferen. Jos heeft voor zijn rups een standplaats van 8 meter lang en 8 meter breed nodig. Hoe groot is de oppervlakte van die standplaats?

2

rgem. Kermis in Cijfe ndplaats Huurprijs sta 2 dag: € 11 per m voor 1 De kermis duurt van vrijdag tot en met zondag. Jos komt aan op donderdagavond en vertrekt op maandagmorgen, maar voor die dagen hoeft hij niet te betalen. Hoeveel huur betaalt hij in totaal?

64 m De oppervlakte is ……………………………

€ 2 112 In totaal betaalt Jos …………………… huur.

Hoeveel betaalt Jos voor één dag huur?

Jos ontving 2 502 euro tijdens het kermisweekend. Hoeveel houdt hij over na het betalen van de huur?

€ 704 Eén dag kost Jos ……………………………

390 Jos houdt …………………… euro over.

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 35

35

10/17/11 11:25:10 AM


LES 147 1

INHOUD: HERHALING

We herhalen! Noteer bij elk voorwerp hoeveel erin kan.

1l precies …………

2

2 dl precies …………

1 ml precies …………

Omkring wat het best past.

Een vol brik melk bevat precies

10 cl

10 dl

10 l

Een vol blikje frisdrank bevat precies

33 ml

33 cl

33 dl

Een volle fles wijn bevat precies

0,75 l

7,5 l

75 l

Een vol flesje frisdrank bevat precies

0,02 l

0,2 l

2 cl

Een vol flesje bier bevat precies

250 ml

250 cl

250 dl

Een wijnglas bevat ongeveer

0,15 cl

1,5 cl

15 cl

Een volle kop bevat precies

2 ml

2 cl

2 dl

Een volle eetlepel bevat

10 ml

20 ml

30 ml

Een soepkom bevat

0,3 cl

0,3 dl

0,3 l

Een volle koffielepel bevat

0,5 ml

5 ml

50 ml

Een klein inktpatroon van je vulpen bevat ongeveer

1 ml

1 cl

1 dl

3

Schrijf de juiste maat bij de juiste tekening. Kies uit: 150 cl – 0,75 l – 50 cl – 25 cl – 4 l.

4l ……………………

0,75 l ……………………

50 cl ……………………

150 cl ……………………

25 cl ……………………

25 cl 50 cl 0,75 cl 150 cl 4l Rangschik de inhouden: ………………… < ………………… < ………………… < ………………… < …………………

4

Bereken de prijs per liter.

€ 0,60

€3

€ 60

€ 0,70

€ 2,40 …………………… per liter

€2 …………………… per liter

€ 15 …………………… per liter

€ 1,40 …………………… per liter

36

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 36

10/17/11 11:25:11 AM


LES 147

INHOUD: HERHALING 5

Bij de apotheker

Een apotheker heeft 1 liter hoestsiroop gemaakt. Hij verdeelt de siroop in flesjes van 100 ml. De verkoopprijs voor de hoestsiroop bedraagt € 50 per liter. Hoeveel flesjes hoestsiroop heeft de apotheker 10 flesjes gemaakt? ……………………… €5 Wat is de prijs per fl flesje? esje? ........................................

6

Ook de auto heeft dorst … Bereken de prijs voor de tankbeurt. Je mag een rekenmachine gebruiken.

ZRM

€ 58,46 ...............................................................................………… De auto verbruikt 7 l per 100 km. Hoe ver kunnen we nu ongeveer rijden? Je moet hoofdrekenen! We kunnen nu ongeveer 600 km rijden. ...............................................................................…………

7

Suiker in frisdrank

Even rekenen! Een glas frisdrank van 20 cl bevat ongeveer 5 suikerklontjes. Hoeveel suikerklontjes krijgt iemand die dagelijks 1 l frisdrank drinkt per dag binnen? ongeveer 25 suikerklontjes ……………………………………………………………………………

8

De zomer komt eraan!

De familie Schepuit organiseert een feestje voor de buren. Er worden 30 volwassenen en 15 kinderen verwacht. Vader en moeder Schepuit schatten dat een volwassene gemiddeld 3 glazen wijn van 15 cl zal drinken. Voor de kinderen kopen ze 4 flessen frisdrank van 1,5 l.

Hoeveel flessen wijn moet vader Schepuit 18 flessen kopen? …………………………………………………………………… Een fles frisdrank kost € 2,40, een fles wijn € 6. 117,60 euro Hoeveel betaalt hij in totaal? …………………………………. Hoeveel glazen frisdrank van 20 cl kunnen de

30 volwassenen ➞ 90 glazen wijn flessen wijn 1 glazen 5 (4 x 2,40) + (18 x 6) = 117,60 4 x 1,5 l = 6 l = 600 cl 600 : 20 = 30; 30 : 15 = 2

18 90

elk 2 glazen kinderen de e elk e drinken? d e …………………………………………….

37

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 37

10/17/11 11:25:13 AM


CIJFEREN MET NATUURLIJKE GETALLEN EN KOMMAGETALLEN

LES 148 1

We delen erop los!

101,85 0 203,7 : 2 = q …………………… r …… (nauwkeurig quotiënt)

0,57 0,02 3,44 : 6 = q …………………… r …..… (tot op 0,01 nauwkeurig)

3,66 0,06 33 : 9 = q …………………… r ….....… (tot op 0,01 nauwkeurig)

200 : 2 = 100 ≈ ……………………………………………

3 : 6 = 0,5 ≈ ……………………………………………

36 : 9 = 4 ≈ ……………………………………………

2 2 – 0

0

3 ,7 0

2 1 0 1, 8 5

3,4 4 3 0 – 4 4 4 2 – 2

0

3 2 – 1 1 –

7 6 1 0 1 0 – 0

De som van de cijfers van het quotiënt is 15.

2

6 0, 5 7

De som van de cijfers van het quotiënt is 12.

–

3 2

3,0 0 7 6 0 5 4 – 6 0 5 4 – 6

9 3, 6 6

De som van de cijfers van het quotiënt is 15.

Amber is enkele komma’s vergeten. Kun jij ze op de juiste plaats zetten?

456,23 + 47,8 = 5 0 4,0 3

10 000 – 333,33 = 9 6 6 6,6 7

5 023 – 377,8 = 4 6 4 5,2

10 000 : 3 = q 3 3 3 3,3 3 r 0 , 0 1

450 : 8 = 5 6,2 5

27,63 : 3 = 9,2 1

4 x 28,5 = 1 1 4

722 : 5 = 1 4 4,4

42,9 : 7 = q 6,1 r 0 , 2

62 x 52,3 = 3 2 4 2,6

3

Vul de rekenrups aan. Cijfer in je schrift.

Sommige oplossingen zijn al gegeven, zo kun je controleren of je juist bezig bent. 45,5 – ………

x 21

1 860, 6 ..................

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 38

287,35 ..................

620,2

88,6

38

+ 12,65 ………

574,7

:3

37,5 ..................

300

:2

:8

10/17/11 11:25:15 AM


CIJFEREN MET NATUURLIJKE GETALLEN EN KOMMAGETALLEN 4

LES 148

We huren een huisje in een vakantiepark in de Ardennen. chalet 4 personen

chalet 6 personen

chalet 8 personen

buiten de schoolvakanties

€ 330

€ 380

€ 420

schoolvakanties

€ 420

€ 540

€ 680

buiten de schoolvakanties

€ 220

€ 260

€ 350

schoolvakanties

€ 500

€ 590

€ 690

weekend (vrijdag tot maandag)

midweek (maandag tot vrijdag)

Marnix, Thomas, Domien en Katrijn boeken in september een huisje voor een weekend. Hoeveel kost dat per persoon?

Twee gezinnen (ouders en telkens 2 kinderen) huren samen een huisje voor een midweek tijdens de maand augustus. Hoeveel betaalt elk gezin?

➞ 330 : 4 = 82,5

➞ 690 : 2 = 345

Dat kost 82,50 euro per persoon. …………………………………………………………………………

Elk gezin betaalt 345 euro. …………………………………………………………………………

Lien, Elle en Lobke willen een huisje huren voor een midweek tijdens de paasvakantie. Ze kunnen elk 165 euro betalen. Is dat genoeg?

Zes vrienden huren een huisje voor een midweek tijdens de kerstvakantie. Hoeveel moeten ze elk betalen?

huur: € 500

590 : 6 = 98,33

3 x 165 = 495

Ze hebben 5 euro te weinig. …………………………………………………………………………

5

Ze moeten elk 98,33 euro betalen. …………………………………………………………………………

Maak zelf een oefening zoals gevraagd en reken uit.

Het aftrektal is 952. De aftrekker is een kommagetal.

Het vermenigvuldigtal ligt tussen 170 en 180. De vermenigvuldiger is 35.

Het vermenigvuldigtal is een kommagetal tussen 1 en 2. De vermenigvuldiger is 15.

meerdere oplossingen mogelijk

39

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 39

10/17/11 11:25:17 AM


LES 149 1

RUIMTELIJKE ORIËNTATIE: HERHALING

Nummer de foto’s in de juiste volgorde.

a De fotograaf liep rond de spaarpot in de richting van de pijl.

2

b De fotograaf liep rond het eierdopje in de richting van de pijl.

1

3

1

4

2

4

2

3

Turen bij de buren

a Kleur de struikjes die Robbe kan zien.

b Robbe ziet 4 struikjes. Op welke trede staat hij? op de 5e trede ………………………………

40

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 40

10/17/11 11:25:18 AM


RUIMTELIJKE ORIËNTATIE: HERHALING 3

Teken de schaduw van Robbe.

4

Volg de juiste weg. Het begin staat er al. C

➤

➤

➤

5

a Start in de linkerbovenhoek. Doe 2 passen vooruit, 5 passen naar rechts en 1 pas naar links. Noem het punt waar je terechtkomt A. b Start in de rechterbenedenhoek. Doe 1 pas vooruit, 1 pas naar links, 1 pas naar rechts en weer 1 pas naar links. Noem het punt waar je terechtkomt B.

B

➤

A

c Start in de linkerbenedenhoek. Doe 3 passen vooruit, 2 passen naar links, 2 passen naar rechts en nog eens 3 passen naar links. Noem het punt waar je terechtkomt C.

Teken het gevraagde aanzicht.

Het bouwsel telt 6 blokjes.

achteraanzicht

6

LES 149

Het bouwsel telt 7 blokjes.

linkerzijaanzicht

Hoeveel blokjes heb je zeker nodig voor elk van deze bouwsels?

8 Zeker ............ blokjes.

11 blokjes. Zeker ............

41

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 41

10/17/11 11:25:23 AM


LES 150 1

2

GELDWAARDEN

Verbind de juiste spaarpot met het juiste bedrag.

2 x € 0,10 2x€2

1x€5 1x€2 1 x € 0,50 1 x € 0,20

2 x € 20 2 x € 0,01

1 x € 50 1 x € 20 1 x € 0,05 1 x € 0,02

€ 40,02

70 euro 7 cent

4,20 EUR

€ 7,70

Betaal gepast met zo weinig mogelijk muntstukken en biljetten.

Kruis de munten en biljetten aan die je nodig hebt. Er mag meer dan één kruisje in een hokje. 1 cent

2 cent

5 cent

10 cent

€ 0,69

XX

X

X

€ 46,47

X

X

XX

€ 4,27

X

X

X

€ 13,39

XX

X

€ 610,63

3

X

X

X X

20 cent

50 cent

1 euro

Dit geef ik:

5 euro

10 euro

20 euro

50 euro

X X

X

XX

XX

X

X

X

X

X X

4

Welk bedrag krijg ik terug?

Dit bedrag moet ik betalen:

2 euro

XXXXXX XXXXXX

Moederdag!

Dit bedrag krijg ik terug:

€ 0,84

€ 0,16 …………………………

€ 3,25

€ 1,75 …………………………

€ 23,50

€ 16,50 …………………………

€ 17,65

€ 32,35 …………………………

€ 15,20

€5 …………………………

€ 21,05

€1 …………………………

6 x € 1,25 = € 7,50 6 x € 0,80 = € 4,80 4 x € 0,25 = € 1

€ 37,75

€ 12,25 …………………………

Jietse betaalt € 13,30. ……………………………………………………….

42

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 42

Jietse koopt bloemen voor zijn mama. Hij kiest een ruiker met 6 rozen en 6 narcissen. De bloemist fleurt het boeket nog op met 4 takjes groen. Hoeveel betaalt Jietse?

10/17/11 11:25:27 AM


LES 150

GELDWAARDEN 5

In de speelgoedafdeling

Beantwoord de vragen met een zin. Kies hoe je rekent: cijferen of hoofdrekenen. € 17,33

€ 19,95 5

€ 38,19

€ 175 1

€ 9,99

€ 8,99 € 18,44 18 8,44

€ 19,95 a De trainer van de ‘Blauwe Duiveltjes’ koopt 5 kleine voetballen. Hoeveel betaalt hij daarvoor?

5 x 8,99 = 44,95

Hij betaalt daarvoor 44,95 euro. …………………………………………………………………………… b Lies spaart al een heel jaar voor een fiets. Ze heeft nu 152,50 euro. Hoeveel heeft ze nog te kort?

175 – 152,50 = 22,50

Ze heeft nog 22,50 euro te kort. …………………………………………………………………………… c Tom wil later onderwijzer worden. Om alvast te oefenen, wil hij een bord kopen. Elke week krijgt hij 2,50 euro zakgeld. Hoe lang moet hij sparen?

1 week ➞ € 2,50 4 weken ➞ € 10 8 weken ➞ € 20

Hij moet 8 weken sparen. …………………………………………………………………………… d Juf Kristien van de tweede kleuterklas koopt 2 dozen houten parels. Ze betaalt met een briefje van 50 euro. Hoeveel krijgt ze terug?

2 x 19,95 = 39,90

Zij krijgt 10,10 euro terug. …………………………………………………………………………… e Om zich tijdens de vakantie bij regenweer niet te vervelen, willen Laura, Sam en Niels de gezelschapsspelen ‘Jenga’ en ‘Vier op een rij’ kopen. Daarvoor leggen ze het geld uit hun spaarvarkens samen. Laura heeft 12,50 euro gespaard, Sam 11,20 euro en Niels 10,75 euro. Hoeveel hebben ze te veel of te kort?

prijs: € 17,33 + € 18,44 = € 35,77 gespaard: € 12,50 + € 11,20 + € 10,75 = € 34,45 te kort: € 35,77 – € 34,45 = € 1,32

Ze hebben 1,32 euro te kort. ……………………………………………………………………………

f Voor zijn verjaardag kreeg Jonas 20 euro van oma en 15 van zijn ouders. In zijn spaarpot zit nog 13 euro. Kan hij de timmerset en de raceauto kopen? Hoeveel heeft hij te kort of te veel? Hij heeft 18 cent te kort. ……………………………………………………………………………

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 43

geld Jonas: 20 + 15 + 13 = 48 prijs: 9,99 + 38,19 = 48,18

43

10/17/11 11:25:34 AM


LES 151

HET GEMIDDELDE

1 Bepaal de gemiddelde leeftijd van deze leerkrachten. Rond af tot op 1 jaar. bv. in 2006 meerdere oplossingen mogelijk naam

geboortejaar

leeftijd

naam

geboortejaar

leeftijd

meester Cijfer

1985

26 j. ……………..

juf Rechthoek

1967

44 j. ……………..

juf Liniaal

1960

51 j. ……………..

juf Potlood

1980

31 j. ……………..

juf Geodriehoek

1968

43 j. ……………..

juf Getal

1965

46 j. ……………..

meester Maatbeker

1987

24 j. ……………..

meester Tel

1976

35 j. ……………..

meester Telraam

1976

35 j. ……………..

directeur Vierkant

1970

41 j. ……………..

376 jaar De som van de leeftijden is ………………………………

2

38 jaar De gemiddelde leeftijd is ………………………………………

Hoeveel boeken werden er geleend in de bieb?

aantal geleende boeken

600 500 400 300 200 100 0

jan

feb

maa

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

a Noteer de aantallen in de tabel. januari

350 ……………………

mei

400 ……………………

september

450 ……………………

februari

450 ……………………

juni

350 ……………………

oktober

400 ……………………

maart

400 ……………………

juli

550 ……………………

november

350 ……………………

april

300 ……………………

augustus

600 ……………………

december

300 ……………………

b Vul in. 4 900 ° Dit jaar werden er in totaal ………………… boeken geleend. 408 ° Gemiddeld worden per maand ………………… boeken geleend. 575 ° In de maanden juli en augustus werden gemiddeld ………………… boeken geleend.

44

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 44

10/17/11 11:25:53 AM


LES 151

HET GEMIDDELDE 3

Vul aan wat ontbreekt.

lengte

leeftijd

aantal broers of zussen

Kabouter Babbel

5,8 cm

60 jaar

2

Kabouter Bubbel

6,2 cm

Kabouter Bebbel

7,5 cm 6,5 cm ………………………………

gemiddelde

4

70 jaar ………………………………

2

80 jaar

2 …………

70 jaar

2

Beantwoord de vragen over deze toets. Rond telkens af tot op een tiende. punten op 10

punten op 10

Arne

8

Hanna

10

7,8 a Wat is het klasgemiddelde? …………

Bert

7

Imke

9

7 b Wat is het gemiddelde van de jongens? …………

Cindy

10

Jelle

2

Diane

9

Kasper

10

Eef

7

Lander

7

Femke

7

Maarten

afwezig

Gijs

8

Nele

8

8,6 c En het gemiddelde van de meisjes? …………… d Eigenlijk was Jelle die dag ziek. Wat is het klasgemiddelde 8,3 als je de punten van Jelle niet meetelt? …………… e Wat is het gemiddelde van de jongens zonder de punten 8 van Jelle? …………

45

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 45

10/17/11 11:25:54 AM


LES 152 1

GEWICHT: HERHALING

Vul de juiste maateenheid in. Kies uit: g – kg – ton.

kg 1 ..............

2

3

46

ton 1 ..............

Gebruik de juiste maateenheid voor het gewicht. Denk goed na!

kg 500 ..............

kg 3,4 ..............

g 800 ..............

g 20 ..............

kg 1 ..............

ton 1 ..............

kg 31 ..............

ton 14 ..............

Wat weegt ongeveer ... ? Trek lijnen.

6 ton

°

°

een vlootje margarine

5 kg

°

°

een zakje vanillesuiker

85 kg

°

°

een blauwe walvis

65 g

°

°

een doos suikerklontjes

50 ton

°

°

een petfles water van 1,5 l

1 kg

°

°

een vrachtvliegtuig

250 g

°

°

een volwassen man

150 ton

°

°

een olifant

8g

°

°

een ei

1 kg 500 g

°

°

een volwassen kat

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 46

10/17/11 11:25:55 AM


LES 152

GEWICHT: HERHALING 4

Noteer het gewicht op verschillende manieren.

18,5 ton

1 200 g

1 t 175 kg

18 500 kg = ..........…… t ..........……

1 200 g = ..........…… kg ..........……

1 175 = ................…… kg

18 500 = ................…… kg

1,200 = ................…… kg

1,175 = ................…… ton

5

Hoeveel zand krijgen we? Schrap wat niet past en vul in. 2,5 ton = ............. 2 500 kg bruto / netto / tarra: ............

6 ton = 6 000 kg bruto / netto / tarra: ……

3 500 bruto / netto o / tarra: 3,5 ton = ................…… kg

6

Rangschik van licht naar zwaar. 150 kg

990 g ………………………

2 t 125 kg <

150 kg ………………………

1,2 ton 3 kg 100 g ………………………

7

990 g 780 kg < ………………………

735 kg <

320,5 kg ………………………

3 775 kg <

2 t 125 kg ………………………

3 kg 100 g

<

3 775 kg ………………………

320,5 kg

0,5 ton < ………………………

<

735 kg ………………………

0,5 ton <

1,2 ton ………………………

Schrijf het anders.

1 700 kg

1 700 = ................. ton ................ kg

1,7 = ................. ton

2,300 kg

2 300 g = ................. kg .................

2 300 g = .................

7 t 850 kg

7,850 ton = .................

5 840 kg

5 840 = ............... ton ................ kg

5,84 = ................. ton

500 g

0 500 = ............... kg ................. g

0,5 = ................. kg

500 kg

0 500 = ............... ton ................ kg

0,5 = ................. ton

8

780 kg

Bespreek en los op.

Een warenhuisketen verkoopt gemiddeld 2 ton sinaasappelen per dag. Hoeveel sinaasappelen zijn dat ongeveer? 12 000 ........................……………………………… sinaasappelen.

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 47

1 kg ➞ 6 sinaasappelen 1 ton ➞ 6 000 sinaasappelen 2 ton ➞ 12 000 sinaasappelen

47

10/17/11 11:25:57 AM


LES 153 1

DE ZAKREKENMACHINE ZRM

Zoek de uitkomst met de rekenmachine of uit je hoofd.

10 x 2,15

7:2

1 500 + 0 + 500

7 308 : 36

21,5 = ………………………………

3,5 = ………………………………

2 000 = ………………………………

203 = ………………………………

Ik deed dit ° met de machine. X uit het hoofd. °

Ik deed dit ° met de machine. X uit het hoofd. °

Ik deed dit ° met de machine. X uit het hoofd. °

Ik deed dit X met de machine. ° ° uit het hoofd.

4 050 + 99

245 x 18 x 0

7 x 24,63

84,63 + 27,89

4 149 = ………………………………

0 = ………………………………

172,41 = ………………………………

112,52 = ………………………………

Ik deed dit ° met de machine. ° X uit het hoofd.

Ik deed dit ° met de machine. ° X uit het hoofd.

Ik deed dit ° X met de machine. ° uit het hoofd.

Ik deed dit ° X met de machine. ° uit het hoofd.

2

ZRM

Welke toets werd ingetikt?

Denk eerst na en controleer dan met de rekenmachine.

Verbind de bewerking met de juiste uitkomst.

: …

25

=

64

25 000

– …

1 225

=

23 775

65 154

+

0 ………

=

48

x …

25

3 758

x

1 ……

15 500 : 5

•

• 3 087

15 446 – 199

•

• 15 247

65 154

17 771 + 71 117

•

• 3 100

=

1 200

147 x 21

•

• 6,05

=

3 758

1,1 x 5,5

•

• 88 888

Bereken via hoofdrekenen. Reken daarna met je rekenmachine. Vergelijk de resultaten en duid je fouten aan.

48

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 48

ZRM

Denk eerst na en controleer dan met de rekenmachine.

1 600

4

3

hoofdrekenen

met de zakrekenmachine

55 + 45 =

100 ……………………………

100 ……………………………

190 + 210 =

400 ……………………………

400 ……………………………

7 200 + 2 300 =

9 500 ……………………………

9 500 ……………………………

6 050 + 2 850 =

8 900 ……………………………

8 900 ……………………………

508 – 120 =

388 ……………………………

388 ……………………………

8 500 – 2 300 =

6 200 ……………………………

6 200 ……………………………

85 500 – 5 000 =

80 500 ……………………………

80 500 ……………………………

75 075 – 30 000 =

45 075 ……………………………

45 075 ……………………………

6 x 13 =

78 ……………………………

78 ……………………………

ZRM

10/17/11 11:25:59 AM


LES 153

DE ZAKREKENMACHINE

5

hoofdrekenen

met de zakrekenmachine

5 x 208 =

1 040 ……………………………

1 040 ……………………………

600 x 70 =

42 000 ……………………………

42 000 ……………………………

90 x 900 =

81 000 ……………………………

81 000 ……………………………

56 : 8 =

7 ……………………………

7 ……………………………

1 000 : 500 =

2 ……………………………

2 ……………………………

18 000 : 60 =

300 ……………………………

300 ……………………………

9 000 : 2 =

4 500 ……………………………

4 500 ……………………………

hoofdrekenen

met de zakrekenmachine

3 000 + 1 500 =

4 500 ……………………………

4 500 ……………………………

68 – 42 =

26 ……………………………

26 ……………………………

1 205 x 3 =

3 615 ……………………………

3 615 ……………………………

3 500 : 70 =

50 ……………………………

50 ……………………………

Plaats de komma waar ze hoort in de uitkomst. Controleer daarna met je rekenmachine. 2,18 + 3,25 =

6

5,4 2

ZRM

45 – 1,99 = 7:2=

4 3,0 1

3 x 1,2 =

3,6

3,5

6,2 – 1,3 =

4,9

25 : 4 = 6,2 5

8 x 1,25 =

10

2,05 + 3,5 = 5,5 5

ZRM

De betoverde rekenmachine …

Voer de volgende opdrachten achtereenvolgens op de rekenmachine uit. 1 Tik op de rekenmachine een geheel getal in dat kleiner is dan 100 000. Noteer het hier, zodat je het niet vergeet.

Ik wed dat je eindresultaat 13 is!

meerdere oplossingen mogelijk …………………… 2 Vermenigvuldig dat getal met 2. 3 Tel bij dat product 15 op. 4 Vermenigvuldig deze som met 3. 5 Tel er 33 bij. 6 Deel dat resultaat door 6. 7 Trek van dat quotiënt het startgetal (zie 1) af. 8 Heeft Wibbel gelijk? ja!

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 49

49

10/17/11 11:26:00 AM


LES 154

HERHALING

G 1

2

3

3f

Vul aan met <, > of =. 2 ...... 4 = — — 3 6

3 ...... 3 > — — — 5 10

1 5 ...... = — — — 3 15

3 ...... 3 > — — 4 6

2 ...... 7 < — — 7 2

4 ...... 5 < — — 5 4

5 ...... 7 < — — — — 10 10

1 0,5 ...... > — 3

6 ...... > 0,06 — — 10

3c

Vul aan. 1 5 of ……… … 2 en — — — 2 2 …

21 1 of — … 2 en — — — 10 10 …

3 8 of ……… … 1 en — — — 5 5 …

7 1 of — … 3 en — — 2 2 …

19 3 of — … 4 en — — 4 4 …

3e

Vul op de stippen de juiste breuk aan. Gebruik je meetlat!

1 ... 6

0

1 ... 2

1 ... 4

0

4

2 9 of ……… … 1 en — — — 7 7 …

1

3 — 4

7 ... 6

6 ... 4 (= 3 ) 2

1 ...

3e

Nu ben jij aan de beurt!

1-— 3 - 0,5 - — 5 op de getallenas. Plaats — 3 4 6

0

1 3

3 4

0,5

5 6

1

4-— 7 op. Teken zelf een getallenas en plaats er 0 - 1 - — 5 5

0

4 5

1

7 5

50

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 50

10/17/11 11:26:01 AM


LES 154

HERHALING B 1

Reken uit. Vereenvoudig het resultaat als het kan.

12

5 2+— 3 = .................................... — 6 6 6

5 3 = ....................................... 1–— 8 8

28 14 4 2 = ............................... 3–— = = 2 en — 10 10 5 5

5 1+— 4 = .................................... — 9 9 9

8 2 2 = ....................................... 2+— = 2 en 3 3 3

3 8 – 1 = ....................................... — 5 5

5 1 8 –— 3 = .................................... = — — — 10 10 10 2

7 3 1 = ....................................... 2–— = 1 en 4 4 4

3 2 = ....................................... 1–— 5 5

2

Dit gaat vlot als je aan de maaltafels denkt!

10

4 808 4 x 1 202 = ………………………

9 200 40 x 230 = ………………………

4 000 50 x 80 = ………………………

42 000 6 x 7 000 = ………………………

1 500 5 x 300 = ………………………

5 400 900 x 6 = ………………………

80 000 20 x 4 000 = ………………………

40 000 200 x 200 = ………………………

100 000 4 x 100 x 250 = ………………………

3

Dit gaat vlot als je aan de deeltafels denkt!

11

9 63 : 7 = ……………………

000 40 000 : 8 = 5 ……………………

25 000 100 000 : 4 = ……………………

9 000 63 000 : 7 = ……………………

45 000 : 50 = 900 ……………………

20 12 000 : 600 = ……………………

900 63 000 : 70 = ……………………

72 000 : 90 = 800 ……………………

350 70 000 : 200 = ……………………

8 000 64 000 : 8 = ……………………

35 000 : 7 000 = 5 ……………………

25 000 75 000 : 3 = ……………………

80 64 000 : 800 = ……………………

500 27 000 : 2 = 13 ……………………

2 000 40 000 : 20 = ……………………

4

14

Vermenigvuldig je mee? 0,10 2 x 0,05 = …………………………

3,2 4 x 0,8 = …………………………

15,6 3 x 5,2 = …………………………

0,93 3 x 0,31 = …………………………

4,2 7 x 0,6 = …………………………

4,24 4 x 1,06 = …………………………

0,16 4 x 0,04 = …………………………

2,7 3 x 0,9 = …………………………

14,84 7 x 2,12 = …………………………

0,01 10 x 0,001 = …………………………

3,5 5 x 0,7 = …………………………

0,3 10 x 0,03 = …………………………

5

15

En nu delen! 0,3 1,5 : 5 = ……………………………

3,5 7 : 2 = ……………………………

0,5 2 : 4 = ……………………………

2,21 6,63 : 3 = ……………………………

17,5 35 : 2 = ……………………………

0,07 0,7 : 10 = ……………………………

0,07 0,56 : 8 = ……………………………

0,7 7 : 10 = ……………………………

0,06 6 : 100 = ……………………………

51

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 51

10/17/11 11:26:03 AM


LES 154 6

HERHALING 18,19

Cijferen maar!

24,02 0 72,06 : 3 = q …………………… r ...... (nauwkeurig quotiënt)

0,01 59,46 : 7 = q 8,49 …………………… r 0,03 ...... 95 : 7 = q 13,57 …………………… r ........... (tot op 0,01 nauwkeurig) (tot op 0,01 nauwkeurig)

75 : 3 = 25 ≈ ……………………………………………

56 : 7 = 8 ≈ ……………………………………………

7 6 – 1 1 –

2,0 6 2 2 0

3 2 4 ,0 2

–

5 5

0 6 6 – 0

9,4 6 9 3 4 2 8 – 6 6 6 3 – 3

7 8,49

98 : 7 = 14 ≈ …………………………………………… 9 7 – 2 2 –

5,0 0

7 1 3, 5 7

5 1 4 3

0 5 – 5 0 4 9 – 1

9,18 0,27 x 34 = ……………………………

311,805 34,645 x 9 = ……………………………

185,250 7,125 x 26 = ……………………………

0,3 x 30 = 9 ≈ ……………………………………………

35 x 10 = 350 ≈ ……………………………………………

7 x 30 = 210 ≈ ……………………………………………

0 , 2

7

3

4

1

0

8

2

8

1

0

1

9 , 1

8

x

+

7

3

4 , 6

4 5 9

x 1

7 , 1

3

1

1 , 8

0 5

Bereken de gemiddelde temperatuur per week. week 1

week 2

maandag

2 °C

2 °C

dinsdag

5 °C

0 °C

woensdag

4 °C

3 °C

donderdag

2 °C

7 °C

vrijdag

5 °C

4 °C

zaterdag

4 °C

3 °C

zondag

6 °C

2 °C

2 6

x 4

2

7

5 0

3

1

4

2

5

0 0

1

1

8

5 , 2

5 0

4 4 5 4

+

2 5

1

6

28 °C : 7 = 4 °C Gemiddelde temperatuur week 1: ………………………………………………………………………………………………………… 21 °C : 7 = 3 °C Gemiddelde temperatuur week 2: …………………………………………………………………………………………………………

52

week 1 Welke week was volgens jou het minst koud? ………………………………………..……………………………………………..

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 52

10/17/11 11:26:04 AM


LES 154

HERHALING 8

ZRM

Verbind de bewerking met de juiste uitkomst.

Denk eerst na en controleer dan met de zakrekenmachine. 30 396 : 3

22,22

43 670 – 998

10 132

15 551 + 51 115

3 276

156 x 21

42 672

2,2 x 10,1

66 666

MMR 1

21

Omkring wat het best past.

Een grote, volle emmer water bevat ongeveer

10 cl

10 dl

10 l

Een vol petflesje frisdrank bevat precies

50 ml

50 cl

50 dl

Een volle fles wijn bevat precies

75 l

7,5 l

0,75 l

Een volle fles melk bevat precies

1 cl

1l

1 dl

Een vol brikje chocolademelk bevat precies

25 ml

25 cl

25 dl

Een vol blikje frisdrank bevat precies

0,33 l

3,3 l

33 dl

2

22

Schrijf het anders.

2 600 kg

2 600 kg = …………… 2,6 ton = …………… ton ……………

5,700 kg

5 700 g = …………… kg ……………

4 t 250 kg

4,25 ton = ……………

6 900 kg

6 900 kg = …………… 6,9 ton = …………… ton ……………

7 500 g

7 500 g = …………… kg ……………

3

5 700 g = ……………

7,5 kg = ……………

22

Rangschik van licht naar zwaar. 3 500 kg

35 t 200 kg

3 550 g

5 530 kg

535 kg

3 550 g 535 kg 3 500 kg 5 530 kg 35 t 200 kg ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… < ………………………

2,5 ton

520 kg

5 kg 200 g

250,5 kg

0,2 ton

5 kg 200 g 0,2 ton 250,5 kg 520 kg 2,5 ton ……………………… < ……………………… < ……………………… < ……………………… < ………………………

53

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 53

10/17/11 11:26:06 AM


LES 154 4

HERHALING 24

Betaal gepast met zo weinig mogelijk muntstukken en biljetten.

Kruis de munten en briefjes aan die je nodig hebt. Er mag meer dan één kruisje in een hokje. 1 cent

2 cent

5 cent

XX

X

€ 2,99 € 35,85

X

€ 9,45

X

5

10 cent

X

20 cent

50 cent

XX

X

X

X

XX

1 euro

2 euro

5 euro

10 euro

20 euro

X

X

X

50 euro

X

XX

X

24

Welk bedrag krijg ik terug? Dit bedrag moet ik betalen:

Dit geef ik:

Dit bedrag krijg ik terug:

€ 3,45

€5

€ 1,55 …………………………………………………

€ 12,55

€ 20

………………………………………………… € 7,45

€ 43,95

€ 50

€ 6,05 …………………………………………………

MK 1

Teken de schaduw van Thibe.

2

Teken het gevraagde aanzicht.

54

110327_01N RS+4_WSd_12_CS.indd 54

vooraanzicht

44

rechterzijaanzicht

10/17/11 11:26:07 AM


SPRONG

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 55

10/17/11 11:57:41 AM


LES 157 1

LENGTE, OMTREK EN OPPERVLAKTE: HERHALING

Teken een lijnstuk met de gegeven lengte.

29 mm

0,12 m

0,147 m

2

Maak de som van alle lijnstukken tot op 1 mm nauwkeurig.

6 dm ……… 3 cm ……… 5 mm, of …………………… 63,5 0,635 De lengte van deze lijn is ……… cm, of …………………… m.

3

Bereken de omtrek van deze figuren.

1 cm + 2 cm + 1,5 cm + 1,2 cm omtrek = …………………………………………………………

2 cm + 1,7 cm + 1,5 cm + 2,5 cm omtrek = …………………………………………………………

+ 1,8 cm + 0,7 cm = 8,2 cm ………………………………………………………………………..

+ 1,2 cm = 8,9 cm ………………………………………………………………………..

4

Bereken de oppervlakte van deze figuren.

3 x 3 x 1 cm2 = 9 cm2 oppervlakte = …………………………………………………

7 x 3 x 1 cm2 = 21 cm2 oppervlakte = …………………………………………………

56

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 56

10/17/11 11:57:44 AM


LENGTE, OMTREK EN OPPERVLAKTE: HERHALING 5

LES 157

Bereken de totale oppervlakte van de onderstaande figuur.

Oppervlakte = 2

29 cm ………………………………………………………………………..

6

Bouwgrond te koop!

• Hier zie je het plan van de verkaveling van een groot stuk bouwgrond. Elk perceel wordt afzonderlijk verkocht. De prijs voor de bouwgrond bedraagt 150 euro per m2. Reken de prijs van elk perceel uit op een blaadje en noteer hem op het plan. • Meneer en mevrouw Baksteen hebben 50 000 euro gespaard. Ze lenen nog 25 000 euro. Kleur Kle leu ur de percelen die ze kunnen kopen.

000 0 00 2 00 0 72 €7

30 m

rceeeel perceel perc 5

€ 90 000

40 m

perceel 4

€ 120 000

40 m

perceel 3

€ 180 000

perceel 2

€ 240 000

perceel 1

20 m

15 m

12 m

• Op de scheidingslijnen tussen de percelen komen sparretjes. Ze worden op 1 m van elkaar geplant. De prijs voor 1 sparretje bedraagt 7 euro. Bedenk zelf een vraag en beantwoord ze. meerdere oplossingen mogelijk ........................................................................................................................................................…………. ........................................................................................................................................................…………. ........................................................................................................................................................………….

7

ZRM

Lang, langer, langst

De gemiddelde lengte van de Belgische man bedraagt 1,77 m. Hieronder zie je de lengte van 5 basketbalspelers. Bereken hun gemiddelde lengte. Je mag een rekenmachine gebruiken. 197,2 cm De gemiddelde lengte van deze basketbalspelers is .......................................... Kemal: 198 cm

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 57

Samson: 203 cm

Muzi: 189 cm

Zwieper: 199 cm

Marco: 197 cm

57

10/17/11 11:57:46 AM


HOOFDREKENEN MET NATUURLIJKE GETALLEN: HERHALING

LES 158 1

Alles door elkaar ... Probeer handig te rekenen waar je kunt. 5 685 5 487 + 198 = ……………………………………………..

748 845 – 97 = ……………………………………………..

9 350 10 000 – 650 = ……………………………………………..

942 1 020 – 78 = ……………………………………………..

900 81 000 : 90 = ……………………………………………..

628 845 – 72 – 145 = ……………………………………………..

1 225 5 x 245 = ……………………………………………..

12 500 100 000 : 8 = ……………………………………………..

175 + 398 + 225 = 798 …………………………………………….

40 000 800 x 50 = ……………………………………………..

4 88 000 : 22 000 = ……………………………………………..

167 835 : 5 = ……………………………………………..

612 9 x 68 = ……………………………………………..

2 125 25 x 85 = ……………………………………………..

752 594 + 158 = ……………………………………………..

9 001 10 000 – 999 = ……………………………………………..

2 200 25 x 88 = ……………………………………………..

4 350 50 x 87 = ……………………………………………..

42 000 60 x 700 = ……………………………………………..

250 7 500 : 30 = ……………………………………………..

150 750 : 5 = ……………………………………………..

500 100 000 : 200 = ……………………………………………..

10 007 70 049 : 7 = ……………………………………………..

14 850 99 x 150 = ……………………………………………..

2

Hoe zou jij deze opgaven uitrekenen?

Kruis aan en reken de opgave dan uit op het kladblaadje onderaan. 10 374 38 x 273 = .................................... ° hoofdrekenen

X cijferen °

50 949 999 x 51 = ........................ X hoofdrekenen °

° cijferen

15 x 50 = 750 ......................................

251 7 864 + 9 387 = 17 ................

X hoofdrekenen °

° hoofdrekenen

° cijferen

126 2 758 : 6 = q …………….. r …….. (tot op 1 nauwkeurig) ° hoofdrekenen

X cijferen °

X cijferen °

900 54 000 : 60 = .................... X hoofdrekenen °

° cijferen

2 500 5 x 25 x 20 = .................................

2 900 20 x 145 = .........................

X hoofdrekenen °

X hoofdrekenen °

° cijferen

° cijferen

58

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 58

10/17/11 11:57:48 AM


HOOFDREKENEN MET NATUURLIJKE GETALLEN: HERHALING 3

LES 158

Te huur! Je mag kiezen hoe je rekent: hoofdrekenen of cijferen.

appartement 1 slaapkamer – centrum: € 450/maand appartement 2 slaapkamers – nabij station: € 650/maand gezinswoning – rustige omgeving: € 675/maand

Hoeveel betaal je per jaar voor het appartement met één slaapkamer? 5 400 euro. ……………… Hoeveel betaal je per jaar meer voor het appartement met twee slaapkamers dan voor het appartement met één slaapkamer? 2 400 euro. ……………… Rik huurt het appartement met 2 slaapkamers en de garage. Hoeveel kost dat voor een halfjaar? 4 320 euro. ……………… De gezinswoning wordt verhuurd. De huurders moeten als waarborg 3 maanden huur betalen. Hoeveel bedraagt de waarborg? 2 025 euro. ………………

garage: € 70/maand

4

Honderdduizend lucifers?

Denk je dat 100 000 lucifers op een tafeltje van 1 m lang en 70 cm breed passen? We zullen eens rekenen … • Hoeveel lucifersdoosjes kun je op de tafel zelf leggen, als je ze legt zoals op de figuur?

3,5 cm

5 cm

400 …………………… doosjes per laag. 70 cm • In één doosje zitten 35 lucifers. Hoeveel lucifers heb je dan al op de tafel liggen? 14 000 ……………………… lucifers per laag.

• Hoeveel lagen heb je nodig om zeker 100 000 lucifers te leggen?

100 cm

8 Zeker ……………………… lagen.

59

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 59

10/17/11 11:57:49 AM


LES 159

CIJFEREN: HERHALING

Cijferkampioenschap! Tot waar raak jij op de kop van Jut?

2 punten 619,637 458,57 ++ 108,08 ++ 52,987 == ……………………………… 458,57 108,08 52,987 ……………… 6 ……………… 312 88 x 789 == .......................... x 789 502 0op 1 nauwkeurig) 11 506 : 3: 3 == qq .......................... r ............ (tot op 1 nauwkeurig) 506 ………… r …… (tot 848 11 206 –– 358 == .......................... 206 358 ……………… 1 ……………… 704 7171 x 24 == .......................... x 24 234 1 1 nauwkeurig) 703 : 3: 3 == qq ......................... ............ (tot op 1 nauwkeurig) (*) 703 ……… r …… (totrop (*)

44 punten punten 100 1 ……………… 217,48 11 587 –– 369,52 == .......................... 587 369,52 1……………… 577,6 6868 x 23,2 == .......................... x 23,2 32,65 0(nauwkeurig 163,25 : 5: 5 == qq ......................... r ............ (nauwkeurig quotiënt) 163,25 …………… r ……… quotiënt)

90 80

1 ……………… 422,28 45,88 x 31 == .......................... 45,88 x 31 90,5 0 724 : 8: 8 == qq .......................... (nauwkeurig 724 …………… r ………r ............ (nauwkeurig quotiënt)quotiënt)

70

49 950 7575 x 666 == .......................... x 666 ………………

60

6 ……………… 080 8080 x 76 == ……………… x 76 50 40

punten 66 punten

30 20

5,72 88 x 0,715 == .......................... x 0,715 ………………

10

137,83 0,02op 0,01) 827 : 6: 6 == qq .......................... (tot(*) op 0,01) (*) 827 …………… r ………r ............... (tot 19,275 0(nauwkeurig 154,2 : 8: 8 == qq ........................ r ............... (nauwkeurig 154,2 …………… r ……… quotiënt)quotiënt) 177,25 0 709 : 4: 4 == qq .......................... (nauwkeurig 709 …………… r ………r ............... (nauwkeurig quotiënt) quotiënt) 43 033,42 5959 x 729,38 == .......................... x 729,38 ……………… 102,55 0,05op 0,01) 923 : 9: 9 == qq .......................... (tot(*) op 0,01) (*) 923 …………… r ………r ............... (tot 30……………… 555,525 5555 x 555,555 == .......................... x 555,555 8,12 0,01 24,37 : 3: 3 == qq .......................... r ............... 24,37 ………… r ……… (tot op 0,01)(tot (*) op 0,01) (*) 55,84 100,5 –– 44,66 == .......................... 100,5 44,66 ……………… 1,666 0,004 1010 : 6: 6 == qq .......................... (tot (*) op 0,001) (*) …………… r ………r ............... (tot op 0,001)

60

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 60

10/17/11 11:58:03 AM


RUIMTELIJKE ORIÃ&#x2039;NTATIE: HERHALING

LES 160

2

3

4

5

2

3

4

5

D C B

5

4

3

A

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 61

2

1

A

B

C

D

OOSTENDE O OSTENDE

E

F

G

H

1 E

F

G

H

1

De plattegrond van Oostende

61

10/17/11 11:58:11 AM


LES 160 1

RUIMTELIJKE ORIËNTATIE: HERHALING

Beantwoord de vraag en kleur. De huizen en de tuintjes van Karel, Nadine en Raf grenzen aan elkaar. De schuttingen tussen de tuintjes lopen niet tot het einde van de tuin.

N di Na d ne Nadine

a Karel zit een boek te lezen, Nadine is van de zon aan het genieten.

Kare el Karel R f Ra Raf

Ja Kan Karel Nadine zien? ………… b Welk deel van de tuin van Nadine kan Raf zien? Kleur dat op de figuur.

2

Kiekjes op het speelplein

Zet bij elke foto de letter van de plaats op het speelplein van waar hij gemaakt is.

A …………………………

62

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 62

B …………………………

C …………………………

D …………………………

E …………………………

10/17/11 11:58:22 AM


LES 160

RUIMTELIJKE ORIËNTATIE: HERHALING 3

Een stukje uit de plattegrond van Oostende. Beantwoord de vragen en kleur de route.

A

B

C

D

1

2

▲

a In welk vakje staat het casino?

c Teken in het blauw hoe ik rij. Ik sta aan het driehoekje en rij richting Koninginnelaan. Aan het kruispunt sla ik linksaf en dan neem ik de tweede straat rechts. Daar draai ik de tweede straat rechts in. Ik zet mijn auto in de parking.

D1 ……………

b Volg op de kaart. Ik start op het Leopold I-plein en loop de Van Iseghemlaan in. Ik neem de tweede straat rechts en dan opnieuw de eerste straat rechts. Welk park zie ik voor me?

d Teken in het groen hoe ik loop. Ik vertrek aan de toeristische dienst en loop de Van Iseghemlaan in. Aan het kruispunt met de Koningstraat sla ik rechtsaf. Dan neem ik de eerste straat rechts. Ik kom op de zeedijk uit.

het Leopoldpark ………………………………………………………………………

4

Vul het grondplan aan en teken de gevraagde aanzichten. grondplan

0

0

3

1

2

1

rechterzijaanzicht

Het bouwsel telt 7 blokjes. vooraanzicht

linkerzijaanzicht

63

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 63

10/17/11 11:58:24 AM


HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING

LES 161 1

2

Alle bewerkingen door elkaar!

24,8 8 x 3,1 = …………………

3,5 7 x 0,5 = …………………

0,01 1 : 100 = …………………

7,25 4 + 3,25 = …………………

0,03 0,3 : 10 = …………………

0,08 4 x 0,02 = …………………

7,30 10 – 2,70 = …………………

5,55 5,5 + 0,05 = …………………

1,75 5 – 3,25 = …………………

7,5 15 : 2 = …………………

10 100 x 0,1 = …………………

0,25 0,5 : 2 = …………………

11,1 12,5 – 1,4 = …………………

1,8 2 x 0,9 = …………………

5,35 5,45 – 0,1 = …………………

Schrijf als kommagetal.

1 van een kilometer is ……………… 0,2 km. — 5 2 van een kilo is ……………… 0,4 kg. — 5

0,5 Een halve liter is ……………… l. 1 van een meter is ……………… 0,25 m. — 4 3 van een meter is ……………… 0,75 m. — 4

3 van een liter is ……………… 0,3 l. — — 10

0,7 7 dl is ……………… l.

0,75 75 cl is ……………… l.

0,35 35 cm is ……………… m.

1,5 Anderhalve liter is ……………… l.

3

4

Oei, de komma is vergeten ... Schrijf ze op de juiste plaats in de uitkomst.

4,356 + 7,654 = 1 2,0 1 0

5 x 369,25 = 1 8 4 6,2 5

9 x 2,56 = 2 3,0 4

8 x 9,657 = 7 7, 2 5 6

654,12 : 10 = 6 5,4 1 2

10 x 582,46 = 5 8 2 4,6

7,85 : 5 = 1,5 7

123,45 + 456,78 = 5 8 0,2 3

486 : 5 = 9 7,2

987,65 – 43,21 = 9 4 4,4 4

555 – 0,489 = 5 5 4,5 1 1

1 – 0,654 = 0,3 4 6

Vul de rij verder aan.

0

0,3

0,6

0,9

1,2 …………

1,5 …………

1,8 …………

2,1 …………

a 80

79,5

79

78,5

78 …………

77,5 …………

77 …………

76,5 …………

90 000

9 000

900

90

9 …………

0,9 …………

0,09 …………

0,009 …………

3,5

3,75

4

4,25

………… 4,5

………… 4,75

………… 5

………… 5,25

64

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 64

10/17/11 11:58:29 AM


HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING 5

LES 161

Zomerkoopjes! Van alle prijzen gaat 1/10 af.

1 van de prijs is € 0,50 ………………. — — 10 4,50 Ik betaal € ……………….

1 van de prijs is € ………………. 0,80 — — 10 7,20 Ik betaal € ……………….

1 van de prijs is € ………………. 0,10 — — 10 0,90 Ik betaal € ……………….

1 van de prijs is € ………………. 0,90 — — 10 8,10 Ik betaal € ……………….

1 van de prijs is € 1,50 ………………. — — 10 13,50 Ik betaal € ……………….

1 van de prijs is € 2,10 ………………. — — 10 18,90 Ik betaal € ……………….

6

Is dit juist? Kruis aan wat past en vul aan.

Ik moet 5,75 euro betalen. Ik geef een biljet van 10 euro. Dit krijg ik terug:

Ik moet 41,57 euro betalen. Ik geef een biljet van 50 euro. Dit krijg ik terug:

° Ik heb juist teruggekregen.

° Ik heb juist teruggekregen.

X Ik heb ……… 1 euro te veel gekregen. °

° Ik heb ……… euro te veel gekregen.

° Ik heb ……… euro te weinig gekregen.

° X Ik heb ……… 8 euro te weinig gekregen.

7

Waar koop je het goedkoopst?

Het kaasboerinnetje jonge gouda brie

– 5,20 euro kg. voor een halve – 7,45 euro kg. voor een halve

De kaasplank jonge gouda – 2,3 5 euro brie

voor 0,250 kg. – 3,90 euro voor 0,250 kg.

Waar is jonge gouda het goedkoopst?

Waar is de brie het goedkoopst?

in De kaasplank ………………………………………………………………………

in Het kaasboerinnetje ………………………………………………………………

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 65

65

10/17/11 11:58:32 AM


LES 162

CIJFEREN: HERHALING

Rijd je mee met de wagentjes van meneer Trap? tarieven verhuur gocarts halfuur

1 uur

1-trapper/ pp duwertje

€ 3,00

€ 4,00

2-trapper

€ 6,00

€ 8,00

3-trapper

€ 8,00

€ 12,00

4-trapper

€ 12,00

€ 16,00

6-trapper

€ 18,00

€ 24,00

golfwagen 4 pers.

€ 17,50

€ 25,00

scooter

€ 11,50

€ 15,00

halfuur € 3,00 1 uur € 4,00

2 uur

€ 25,00

3 uur

€ 33,00

3 uur € 8,00

halve dag (4 uur)

€ 38,00

4 uur € 8,00

1 dag

€ 56,00

1 dag € 11,00

weekend

€ 99,00

2 dagen € 20,00

quad 125cc

€ 20,00

2 uur € 8,00

€ 30,00

3 dagen € 24,80

2 uur

€ 55,00

4 dagen € 27,25

3 uur

€ 75,00

5 dagen € 29,75

Zes vrienden huren een 6-trapper voor een weekend. Hoeveel moet elk van hen bijleggen?

99 : 6 = 16,5

Het gezin Pedaal verblijft van maandag tot vrijdag aan zee. Ze huren 4 fietsen voor die periode. Hoeveel betalen ze daarvoor? 4 x 29,75 = 119

Elk moet 16,50 euro bijleggen. …………………………………………………………………………

Ze betalen daarvoor 119 euro. …………………………………………………………………………

De nieuwe scooter blijkt een succes. Hij werd dit seizoen juist 72 keer voor een halve dag verhuurd. Hoeveel heeft meneer Trap daarvoor ontvangen?

De scooter heeft 1 353 euro gekost. Hoeveel heeft meneer Trap er dit seizoen aan verdiend?

72 x 38 = 2 736

66

tarieven verhuur fietsen

Hij heeft daarvoor 2 736 euro ontvangen. …………………………………………………………………………

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 66

2 736 – 1 353 = 1 383

Hij heeft er 1 383 euro aan verdiend. …………………………………………………………………………

10/17/11 11:58:38 AM


LES 162

CIJFEREN: HERHALING Bas huurt 5 dagen na elkaar een fiets. Bo is slimmer en huurt zijn fiets ineens voor 5 dagen. Hoeveel moet Bo minder betalen dan Bas?

Vier vrienden huren de golfwagen voor 1 uur. Hoeveel moet elk daarvoor bijleggen?

Bas: 5 x 11 = 55 25 : 4 = 6,25

Bo: 29,75

Hij moet 25,25 euro minder betalen. …………………………………………………………………………

Elk moet 6,25 euro bijleggen. …………………………………………………………………………

Tijdens het paasweekend is er veel volk aan zee. De 5 scooters die meneer Trap in voorraad heeft, zijn allemaal voor een heel weekend verhuurd. Hoeveel ontvangt hij daarvoor?

Armin huurt een fiets voor 5 dagen. Hoeveel kost hem dat per dag?

29,75 : 5 = 5,95

5 x 99 = 495

Hij ontvangt daarvoor 495 euro. ………………………………………………………………………… Duwertjes worden altijd voor 1 uur verhuurd. Dit seizoen heeft meneer Trap in totaal 6 892 euro ontvangen voor de verhuur van duwertjes. Hoeveel keer heeft hij dus een duwertje verhuurd?

Dat kost hem 5,95 euro per dag. …………………………………………………………………………

Er zijn 9 duwertjes in voorraad. Hoeveel keer ongeveer werd elk duwertje dit seizoen gemiddeld verhuurd?

6 892 : 4 = 1 723

1 723 : 9 = 191,4

Hij heeft 1 723 keer een duwertje verhuurd. …………………………………………………………………………

ongeveer 191 keer …………………………………………………………………………

Een groep van 20 vrienden wil een uurtje met trappers rijden. Ze kunnen kiezen uit 1-trappers, 2-trappers, 3-trappers, 4-trappers en 6-trappers. Niet iedereen hoeft in hetzelfde type wagentje. Welke oplossing is het goedkoopst? enkele mogelijkheden: *5

4-trappers

*3 1

€ 80

6-trappers

* 10

2-trappers

2-trapper € 80

€ 80

Alle oplossingen kosten evenveel! ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 67

67

10/17/11 11:58:42 AM


LES 163 1

TABELLEN EN GRAFIEKEN: HERHALING

Teken de lijngrafiek en beantwoord de vragen.

Stefanie heeft een longontsteking en is erg g ziek. Daarom wordt ze zaterdagavond laat nog in het ziekenhuis opgenomen. De verpleging meet driemaal per dag haarr temperatuur: om 1 uur, om 8 uur en om 16 uur. a Zet de gegevens van de tabel om in een lijngrafiek.

uur

zondag

maandag

dinsdag

woensdag

1:00

39,5 °C

39,5 °C

38,5 °C

37 °C

8:00

40,5 °C

40 °C

38 °C

37 °C

16:00

40 °C

38,5 °C

37,5 °C

37 °C

42,0 °C 41,5 °C 41,0 °C 40,5 °C 40,0 °C 39,5 °C 39,0 °C 38,5 °C 38,0 °C 37,5 °C 37,0 °C 36,5 °C 36,0 °C 1:00 8:00 16:00 1:00

zondag

8:00 16:00 1:00

maandag

8:00 16:00 1:00

dinsdag

8:00 16:00

woensdag

b Overleg met je buur en beantwoord de vragen. zondag om 8 uur • Wanneer had Stefanie de hoogste temperatuur? ...................................................................…………… vanaf dinsdagnamiddag • Vanaf wanneer had ze geen koorts meer? ......................................................................…………………… 3 graden • Hoeveel graden was haar temperatuur op zondag om 16 uur hoger dan normaal? ................…………… • Is Stefanie genezen? Waarom denk je dat? Ja, ze heeft al een dag geen koorts meer. ..................................................................................................................................................……………….

68

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 68

10/17/11 11:58:43 AM


LES 163

TABELLEN EN GRAFIEKEN: HERHALING 2

Teken het staafdiagram.

Dit zijn, in alfabetische volgorde, de verkoopcijfers van de 6 automerken die in januari en februari 2005 in België het meest werden verkocht. De getallen zijn afgerond. Citroën 10 000 Opel 9 000 Peugeot 10 500 Renault 11 000 Toyota 7 000 Volkswagen 9 000 Zet deze gegevens om in een staafdiagram. Laat de merken in alfabetische volgorde staan. Gebruik telkens de eerste 2 letters van de merknaam als afkorting. • Welk merk verkocht het best?

12 000 10 000 8 000 6 000 4 000 2 000 1 000 0

CI

OP

PE

RE

TO

VO

Renault ..............................................

Toyota • Welk merk werd het minst verkocht? .............................................. 1 500 auto’s • Hoeveel auto’s verkocht Opel minder dan Peugeot? ................................................................................ 56 500 auto’s • Hoeveel auto’s verkochten deze zes merken samen? .............................................................................. 9 417 auto’s • Hoeveel verkocht elk merk gemiddeld? ....................................................................................................

3

Kijk en beantwoord de vragen. 60 000 50 000 40 000 30 000

Duitsland Frankrijk Nederland USA Verenigd Koninkrijk

20 000 10 000 0 Aantal overnachtingen per week in Vlaanderen (2004) • Welke nationaliteit boekte de meeste overnachtingen in Vlaanderen? Nederlanders boekten de meeste overnachtingen in Vlaanderen. ....................................................................................................................................................................... • Hoeveel overnachtingen boekten de Nederlanders meer dan de Amerikanen? Ze boekten 50 000 overnachtingen meer. ....................................................................................................................................................................... • Hoe verklaar je het grote verschil tussen de Nederlanders en de Amerikanen? Nederland is een buurland! .......................................................................................................................................................................

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 69

69

10/17/11 11:58:44 AM


LES 164 1

TIJD EN TIJDSDUUR

Ik kijk op mijn wekker.

Schrijf de tijd zoals je hem zegt. Zeg ook of het in de voor- of de namiddag, ’s morgens of ’s avonds is.

kwart over 8 kwart over 3 4 over 1 13 voor 12 Het is ………………………… Het is ………………………… Het is ………………………… Het is ………………………… ’s morgens ………………………………….

2

’s nachts ………………………………….

’s avonds ………………………………….

Vul de tijd aan op de digitale klok.

11 12

11 12

1

10

2 3

9

4

8 7

6

5

in de voormiddag

3

in de namiddag ………………………………….

11 12

1

10

10

2 3

9 7

6

2 3

9

4

8

4

8 7

5

’s avonds

11 12

1

6

5

in de namiddag

1

10

2 3

9

4

8 7

6

5

’s nachts

Aan de finish

Tom Wortels wint een wielerwedstrijd. De klok aan de finish geeft 16:17:45 aan. 15 seconden later arriveert Johan Martens. Guy De Vos komt op precies 1 seconde na Martens als derde aan. De vierde, Luk Vandenheede, bolt een halve minuut na Tom Wortels over de meet. Duid de tijd op de klok aan bij de aankomst van: Johan Martens

4

Guy De Vos

Luk Vandenheede

Hoe lang duurt het programma?

Kijk in de tabel van de tv-programma’s en vul in:

70

16.00 Wizzy & Woppy

15 minuten een kwartier ……………………………………………………… of ………………………………………………………

16.15 Samson Soap

30 minuten een halfuur ……………………………………………………… of ………………………………………………………

16.45 Er was eens …

10 minuten ………………………………………………………

16.55 Disney-festival

7 minuten ………………………………………………………

17.02 Ketnetkroket

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 70

10/17/11 11:58:46 AM


LES 164

TIJD EN TIJDSDUUR 5

Beantwoord de vragen.

Meneer en mevrouw Kruipuit en hun kinderen Lien, Jozef en Sarah gaan deze zomer met het vliegtuig op vakantie naar Spanje. Ze logeren in een hotel. Ter plaatse huren ze een auto. Hun vakantie duurt 14 dagen. Het H wordt tijd dat we alles regelen, reg gelen, want we zijn vandaag al 13 juni. Nog twintig dagen en we vertrekken.

Wanneer vertrekt de familie Kruipuit? op 3 juli ………………………………………………………………………… Wanneer komen ze terug? op 16 juli ………………………………………………………………………… Om files te vermijden, nemen ze de trein naar de luchthaven. Ze vertrekken in Melle. “Kijk jij in het station eens welke trein we het best nemen?” vraagt mama aan papa, die met de trein naar zijn werk gaat. “Het vliegtuig vertrekt om 16.15 uur. We moeten één uur op voorhand inchecken.” In het station van Melle ziet papa deze uurregeling:

Hoe lang duurt de rit naar de luchthaven? 75 minuten ………………………………………

VERTREK 12:20 12:35 12:41 13:20 13:35 13:41 14:20 14:35 14:41

BESTEMMING GENT ZOTTEGEM BRUSSEL-NATIONAAL LUCHTHAVEN GENT ZOTTEGEM BRUSSEL-NATIONAAL LUCHTHAVEN GENT ZOTTEGEM BRUSSEL-NATIONAAL LUCHTHAVEN

AANKOMST 12:31 13:00 13:56 13:31 14:00 14:56 14:31 15:00 15:56

de trein van 13.41 uur Welke trein neemt de familie Kruipuit het best volgens jou? …………………………………………..........……………. moeten al om 15.15 uur inchecken. De volgende trein komt pas om 15.56 uur aan. …………………………………………………………………………………………………............………………………………. Waarom? Ze ………………………………………………………………………………………………………………............…………………………………. De vlucht naar Spanje duurt 2 uur. Bij aankomst moeten ze hun huurauto gaan ophalen. Het verhuurkantoor sluit om 19 uur. “Jozef, wil jij eens kijken hoeveel tijd we nog hebben om de auto te gaan halen?” vraagt mama. 3 kwartier (of 45 minuten) Ze hebben nog ………………………………………………………………………………………

Hoeveel betaalt de familie Kruipuit voor de reis? • Voor de trein betalen ze 60 euro voor 5 personen. • De vlucht heen en terug kost 270 euro per persoon. • De huurprijs voor de auto bedraagt 250 euro per week. • Het veertiendaags verblijf in het hotel kost 400 euro per volwassene en 320 euro voor een kind. 3 670 euro. De reis kost in totaal ……………………………………

trein: vlucht: auto: hotel: hotel:

2 x € 400 = 3 x € 320 =

€ 60 € 1 350 € 500 € 800 € 960

totaal:

€ 3 670

5 x € 270

71

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 71

10/17/11 11:58:51 AM


LES 165/166 1

PROBLEMEN OPLOSSEN

Zuinig knutselen

Seppe heeft voor een knutselwerkje gekleurde vierkantjes van 5 cm bij 5 cm nodig. Hoeveel van die vierkantjes kan hij uit een A4-blad knippen? Tip:

Leen heeft voor een knutselwerkje gekleurde driehoekjes met deze afmetingen nodig.

Vul eerst de afmetingen van een A4blad (een gewoon vel tekenpapier) aan.

4 cm

21 cm ...................... 4 cm Hoeveel van die driehoekjes kan ze uit een A4-blad knippen? 29,7 cm ......................

20 vierkantjes. …………

2

70 driehoekjes. …………

Alles met 8 muntjes!

Ik heb 8 muntstukken in mijn zak. Samen zijn ze 1 euro waard. Ik kan er elk bedrag kleiner dan 1 euro precies mee betalen. Welke muntstukjes zijn het? 50 cent 20 cent 10 cent 10 cent

3

5 cent 2 cent 2 cent 1 cent

En stappen maar! Je mag je rekenmachine gebruiken.

Toen ze 60 werd, besloot mijn oma om elke dag 5 km te gaan stappen. Ze is nu 78 en we weten niet waar ze is!

ZRM

Ik werk op de vierde verdieping. Een trede is 18 cm. Tussen 2 verdiepingen zijn er 20 treden. Ik ga 4 keer per dag naar boven. Ik werk 20 dagen per maand.

Hoeveel meter klim ik per dag? 57,6 m ………………………………………… Is oma al rond de aarde (omtrek 40 000 km) gestapt?

Hoeveel meter klim ik per maand? 1 152 m …………………………………………

72

ô ja X nee ô

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 72

1,152 km Hoeveel km is dat? …………………………………………

10/17/11 11:58:52 AM


LES 165/166

PROBLEMEN OPLOSSEN 4

De mannetjes met de lange neus liegen. De anderen spreken de waarheid. Overmorgen is het woensdag. woensd

Morgen is het donderdag. donderdag. Het is geen weekend.

Het is geen dinsdag.

Het was gisteren donderdag.

donderdag Welke dag is het vandaag? …………………………………………………………………………

5

Kun je dit slim aanpakken?

Hoeveel getallen staan er tussen 1 en 4?

6

Ik kan niet kiezen!

Hoeveel getallen staan er tussen 3 en 10?

De ijsventer verkoopt ijs in 3 smaken: vanille, chocolade en aardbei. Je mag een horentje kiezen met 3 bollen. Op hoeveel verschillende manieren kun je je ijsje samenstellen?

6 ..............................

op 10 manieren ……………………………………………………………………………

2 ..............................

Hoeveel getallen staan er tussen 2 en 6?

Ik wil een horentje met 2 bollen vanille en 1 bol chocolade.

3 .............................. Zie je hoe je dit kunt berekenen? (Denk aan de oefeningen 4 – 1, 10 – 3, 6 – 2!)

Ik wil een horentje met 3 bollen aardbei. aardbei

Hoeveel getallen staan er tussen 25 en 200? 174 .............................. Hoeveel getallen staan er tussen 350 en 2 000? 1 649 .............................. Hoeveel getallen staan er tussen 5 555 en 8 888? 3 332 .............................. Je mag ook nog kiezen of je slagroom op je ijsje wilt of niet. Op hoeveel verschillende manieren kun je nu je horentje samenstellen? op 20 manieren ……………………………………………………………………………

73

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 73

10/17/11 11:58:58 AM


LES 165/166 7

PROBLEMEN OPLOSSEN

Oei, enkele toetsen op de rekenmachine zijn stuk!

De toetsen ‘4’ en ‘8’ zijn stuk.

Alle toetsen met oneven getallen zijn stuk.

Wat heb ik ingetikt om dit op het scherm te krijgen?

Wat heb ik ingetikt om dit op het scherm te krijgen?

2 222 x 2 .................................................................................

2 222 : 2 (4 444 : 4 ; 8 888 : 8) ................................................................................

Wat heb ik ingetikt om dit op het scherm te krijgen?

Wat heb ik ingetikt om dit op het scherm te krijgen?

121 x2x2 .................................................................................

260 : 2 ................................................................................

8

Puzzelen maar!

Mieke heeft 20 euro om puzzels te kopen voor de kinderopvang. Ze wil er minstens 7 kopen, want er zijn 7 peuters. Ze wil zo weinig mogelijk geld overhouden.

meerdere oplossingen mogelijk

€2

Welke puzzels zal ze kopen? (Ze mag ook meer dan één exemplaar van dezelfde puzzel nemen.) € 3,10 3 puzzels van € 2,90 ……………………………………………………………… 3 puzzels van € 3,10 ……………………………………………………………… 1 puzzel van € 2 ……………………………………………………………… (of 10 puzzels van € 2 ……………………………………………………………… of 2 puzzels van € 2,90

€ 2,90

……………………………………………………………… 2 puzzels van € 3,10

€ 5,20 € 6,30

4 puzzels van € 2)

9

Koekoek!

Bij oma thuis hangt een koekoeksklok. Om 1 uur komt de koekoek 1 keer tevoorschijn, om 2 uur 2 keer, om 3 uur 3 keer enz. Op het kwartier en het halfuur komt de koekoek 1 keer tevoorschijn. Oma vindt dat de klok nogal veel lawaai maakt. Dus legt ze hem stil als ze gaat slapen en zet hem weer aan als ze opstaat (om 6.50 uur). Het is nu 10 voor 12 ’s middags. Hoeveel keer is de koekoek vandaag al tevoorschijn gekomen? De koekoek is al 60 keer tevoorschijn gekomen. ………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………

74

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 74

10/17/11 11:58:59 AM


LES 165/166

PROBLEMEN OPLOSSEN 10

Inpakken en wegwezen!

Amber kleeft een lint rond het pakje zoals op de figuur. Hoeveel meter lint heeft ze nodig?

20 cm

30 cm 30 cm

Ze heeft 3,20 meter lint nodig. ……………………………………………………………………………………………………………………………………

11

Hoe groot is de pop ongeveer?

Welk getal staat achter het vakje? 4 …………… meter.

4

75

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 75

10/17/11 11:59:01 AM


LES 167

HERHALING

G 1

Teken eerst de lijngrafieken en beantwoord daarna de vragen.

5c

Lotte kreeg het voorbije schooljaar 10 grote toetsen voor taal en 10 grote toetsen voor wiskunde. Die stonden allemaal op 15 punten. • Geef haar punten voor taal weer met een lijngrafiek in het blauw. • Zet haar punten voor wiskunde om in een lijngrafiek in het groen. Gebruik daarvoor dezelfde assen. maand

taal

wiskunde

(op 15)

(op 15)

september

8

10

oktober

12

12

november

10

11

december

15

11

januari

10

14

februari

9

15

maart

11

9

april

14

8

mei

14

10

juni

13

13

14 12 10 8 6 4 2 0 sep okt nov dec jan feb maa apr mei jun

In welke maand(en) behaalde Lotte evenveel

Hoeveel punten behaalde Lotte in januari voor

punten voor taal als voor wiskunde?

14 wiskunde? …………………………………………………………

in oktober en juni ………………………………………………………………………… Wanneer behaalde Lotte de meeste punten

Wanneer behaalde Lotte de minste punten

in december voor taal? …………………………………………………………

april voor wiskunde? in …………………………………………………

2

Teken het staafdiagram dat bij deze gegevens hoort.

5b

Jill gaat in de grote vakantie op watersportkamp. Er gaan 110 kinderen mee. Ze kunnen 5 verschillende sporten beoefenen: 28 kinderen kiezen voor surfen, 22 voor zeilen, 21 voor waterskiën, 17 voor zwemmen en 22 voor waterpolo. 30

76

28 26 24 22 20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0

Welke sport beoefenen de meeste kinderen? surfen …..................…………………………………… Voor welke sporten kiezen evenveel kinderen? voor zeilen en waterpolo …..................……………………………………

Hoeveel verschil is er tussen de grootste en de kleinste groep? surfen

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 76

zeilen

waterskiën

zwemmen

waterpolo

11 kinderen verschil …..................……………………………………

10/17/11 11:59:03 AM


LES 167

HERHALING B 1

7-11

Alles door elkaar ... Probeer handig te rekenen waar je kunt.

8 282 7 284 + 998 = …………………………………………

24 750 99 x 250 = …………………………………………

99 250 100 000 – 750 = …………………………………………

2 000 100 000 : 50 = …………………………………………

12 500 50 000 : 4 = …………………………………………

7 990 8 452 – 462 = …………………………………………

1 825 5 x 365 = …………………………………………

25 000 100 000 : 4 = …………………………………………

2 973 2 125 + 473 + 375 = …………………………………………

48 000 600 x 80 = …………………………………………

3 250 65 000 : 20 = …………………………………………

156 936 : 6 = …………………………………………

814 11 x 74 = …………………………………………

1 888 8 x 236 = …………………………………………

6 344 7 342 – 998 = …………………………………………

10 347 9 348 + 999 = …………………………………………

1 900 25 x 76 = …………………………………………

4 450 50 x 89 = …………………………………………

42 000 70 x 600 = …………………………………………

900 27 000 : 30 = …………………………………………

108 540 : 5 = …………………………………………

2 975 3 070 – 95 = …………………………………………

5 004 40 032 : 8 = …………………………………………

2 847 3 845 – 998 = …………………………………………

2

3

13-15

En nu rekenen met kommagetallen!

31,8 6 x 5,3 = ………………………

4,5 9 x 0,5 = ………………………

0,02 2 : 100 = ………………………

18,25 8,5 + 9,75 = ………………………

0,065 0,65 : 10 = ………………………

0,32 8 x 0,04 = ………………………

2,15 9 – 6,85 = ………………………

9,99 9,9 + 0,09 = ………………………

4,545 7 – 2,455 = ………………………

12,5 25 : 2 = ………………………

540 100 x 5,4 = ………………………

0,45 0,9 : 2 = ………………………

10,8 13,3 – 2,5 = ………………………

2,4 3 x 0,8 = ………………………

6,25 6,45 – 0,2 = ………………………

Zet alles onder elkaar en cijferen maar! Werk op de volgende pagina.

16-19

347,852 + 53,58 = 401,432 ………………………………………

q 89,91 r 0,02 (tot op 0,01) 269,75 : 3 = ……………………………………

65,074 – 29,45 = 35,624 ………………………………………

q 46,44 r 0 (tot op 0,01) 278,64 : 6 = …………………………………….

74,5 – 28,76 = 45,74 ………………………………………

q 85,71 r 0,03 (tot op 0,01) 600 : 7 = ………………………………………

7 x 87,103 = 609,721 ……………………………………… 18 x 27,78 = 500,04 ………………………………………

77

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 77

10/17/11 11:59:09 AM


LES 167

HERHALING

MMR 1

Teken een lijnstuk met de gegeven lengte.

20

23 mm 0,16 m

0,132 m

78

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 78

10/17/11 11:59:11 AM


LES 167

HERHALING 2

27

Bereken de omtrek van deze figuren.

5 x 1,5 cm = 7,5 cm omtrek = …………………………………………………………

2,8 cm + 2,2 cm + 2,8 cm + 1,6 cm omtrek = …………………………………………………………..

…………………………………………………………………………

= 9,4 cm ………………………………………………………………………….

3

3 x 3 x 1 cm2 = 9 cm2 oppervlakte = ……………………………………………………

4

28

Bereken de oppervlakte van deze figuren.

4 x 2 x 1 cm2 = 8 cm2 oppervlakte = ……………………………………………………

26f

Hoe lang duurt het programma? Kijk in de tabel en vul in.

16.05 Plop 16.20 Samson 16.40 Karrewiet

15 minuten een kwartier ……………………………………………………… of ……………………………………………………… 20 minuten ………………………………………………………

17.10 Disney-festival

30 minuten een halfuur ……………………………………………………… of ………………………………………………………

17.33 Zorro

23 minuten ………………………………………………………

5

26f

Lien en oma reizen met de trein naar Brugge.

Om hoe laat komt hun trein aan in Sint-Niklaas? om 9.59 uur ………………………………………………………………………… Hoe lang doet de trein over het traject Beveren16 minuten Lokeren? ………………………………………………………… Hoe lang duurt de hele reis van Antwerpen 79 minuten Centraal naar Brugge? …………………………………… (of 1 uur 19 minuten)

ANTWERPEN CENTRAAL ANTWERPEN BERCHEM BEVEREN SINT-NIKLAAS LOKEREN GENT DAMPOORT GENT SINT-PIETERS AALTER BRUGGE

aankomst 09:38 09:42 09:53 09:59 10:09 10:21 10:29 10:45 10:58

vertrek 09:39 09:43 09:53 10:01 10:10 10:22 10:32 10:46 11:00

3 minuten Hoe lang staat de trein stil in Gent Sint-Pieters? …………………………………………………… 52 minuten Hoe lang ben je onderweg van Beveren naar Aalter? ……………………………………………………

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 79

79

10/17/11 11:59:13 AM


LES 167

HERHALING

MK 1

41, 42

Op stap in Brugge

Op hun daguitstap willen Lien en haar oma van alles bezoeken. Help hen om de weg te vinden. A

B

C

D

E

F

G

H

1

2

3

4

C3 In welk vak ligt de Eiermarkt? ……………………………………… Duid aan hoe Lien en oma van de Eiermarkt naar hun volgende bestemming gaan. Op de Eiermarkt gaan ze de Kuipersstraat in. Dan slaan ze de tweede straat rechts in. Daarna nemen ze de eerste straat links en dan de eerste rechts. in de Academiestraat Waar zijn ze nu? ............................................................................................................................................

2

44

Vul het grondplan aan en teken de gevraagde aanzichten. grondplan

rechterzijaanzicht

4

3

3

4

3

2

2

2

3

2

2

1

1

1

1

0

vooraanzicht

linkerzijaanzicht

80

110327_01N RS+4_WSd_13_CS.indd 80

10/17/11 11:59:15 AM


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Rekensprong Plus 4: werkschrift D - correctiesleutel by VAN IN - Issuu