leerlijnen:
Eric De Witte Raf Lemmens Paul Nijs Hilde Van Iseghem Viv Vingerhoets
auteurs:
Filip De Baets Eline Govaert Erwin Leenknegt Marianne Sturbois Hilde Van Iseghem
3
Correctiesleutel
WERKSCHRIFT D
REKENSPRONG
Rekensprong Plus 3 bestaat uit: - de werkschriften a, b, c en d - het toetsschrift - het neuze-neuzeboek (onthoudboek) - de map van Wibbel: deel 1: inoefenen, automatiseren en toepassingen deel 2: remediëren en verrijken - de handleidingen a en b (met administratieve en doelen-cd-rom) - een cd-rom voor in de klas - het bordboek plus
Rekensprong Plus 3 – werkschrift d – correctiesleutel leerlijnen: Eric De Witte, Raf Lemmens, Paul Nijs, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets auteurs: Filip De Baets, Eline Govaert, Erwin Leenknegt, Marianne Sturbois, Hilde Van Iseghem Tekeningen: Mario Boon, Ina Hallemans, Riske Lemmens, Frieda Van Raevels Omslagontwerp: Greet Lesage Omslagillustratie: Riske Lemmens Lay-out en zetwerk: PX
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.
© Van In, Wommelgem, 2010 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever. Eerste druk, vierde vijfde bijdruk bijdruk2014 2014 ISBN 978-90-306-5521-3 978-90-306-5509-1 D/2012/0078/112 D/2012/0078/719 Art. 513713/05 513697/06 NUR 192
SPRONG
LES 131 1
HERHALING INHOUDSMATEN
Doorstreep het buitenbeentje in elke rij. centimeter – meetlat – lengte – liter – omtrek inhoud – maatbeker – decimeter – liter – centiliter kilogram – hoogte – gewicht – weegschaal – gram
2
3
Noteer een voorwerp ... met een inhoud van 1 liter.
bv. een brik melk ...................................................................................
met een inhoud van 1 deciliter.
een mokkakopje ...................................................................................
met een inhoud van 20 centiliter.
een klein brikje fruitsap ...................................................................................
Kruis het juiste antwoord aan. De inhoud van een emmer kun je het best meten met ...
❒ een kopje
4
❒ een blikje
6
❒ een lepel
Wat wil ‘anderhalve liter’ zeggen?
❒ bijna een liter
❒ ruim een halve liter
5
❒ X een groot melkbrik
❒ X een liter en een halve liter
Vul de passende maateenheden aan. l In deze emmer kan 10 ..........................
m De tafel is 2 .......................... lang.
kg Moeder koopt een kwart .......................... kaas.
kg Mijn vader weegt 80 ..........................
dl In deze beker kan 3 .......................... water.
cl Dit is een blikje van 33 ..........................
Los op. Stel je voor dat je op school elke dag een brikje melk van 2 deciliter drinkt. Op zaterdag en zondag doe je dat niet, want dan is er geen school. Heb je dan op het einde van de week een liter melk gedronken?
7
Welk voorwerp past het best bij ‘deciliter’?
❒ een brikje
8
❒ een blikje
❒ X maatbekers van één deciliter
25 cl een kwart liter = ………
9 dl 90 cl = ………
Hoeveel wijn is er te kort in een gewone volle wijnfles om 1 liter te hebben? 25 cl ………
4
❒ een soepbord
Vul aan. 50 cl 5 dl = ………
10
❒ X een mokkakopje
Van welk soort maatbeker heb je er het meest nodig om een emmer te vullen?
❒ maatbekers van één liter
9
ja ...................................
❒ een wijnfles
BEWERKINGEN TOT 1 000: HERHALING 1
Oefeningen tegen de klok 15 optellingen in 4 minuten
2
LES 132
15 aftrekkingen in 4 minuten
15 vermenigvuldigingen in 2 minuten
15 delingen in 2 minuten
75 58 + 17 = ………
38 47 – 9 = ………
63 7 x 9 = ………
4 24 : 6 = ………
86 49 + 37 = ………
33 76 – 43 = ………
32 4 x 8 = ………
5 35 : 7 = ………
90 37 + 53 = ………
53 80 – 27 = ………
45 5 x 9 = ………
6 36 : 6 = ………
73 65 + 8 = ………
55 100 – 45 = ………
8 2 x 4 = ………
9 45 : 5 = ………
70 24 + 46 = ………
16 54 – 38 = ………
49 7 x 7 = ………
6 42 : 7 = ………
168 48 + 120 = ………
47 96 – 49 = ………
0 0 x 5 = ………
8 16 : 2 = ………
239 140 + 99 = ………
350 600 – 250 = ………
12 3 x 4 = ………
9 54 : 6 = ………
325 250 + 75 = ………
492 501 – 9 = ………
64 8 x 8 = ………
9 9 : 1 = ………
549 348 + 201 = ………
260 320 – 60 = ………
60 10 x 6 = ………
8 24 : 3 = ………
651 642 + 9 = ………
650 704 – 54 = ………
72 9 x 8 = ………
5 50 : 10 = ………
1 000 360 + 640 = ………
272 300 – 28 = ………
18 6 x 3 = ………
1 5 : 5 = ………
891 541 + 350 = ………
90 540 – 450 = ………
7 7 x 1 = ………
6 48 : 8 = ………
374 34 + 340 = ………
720 1 000 – 280 = ………
16 2 x 8 = ………
8 56 : 7 = ………
000 472 + 528 = 1………
812 884 – 72 = ………
35 7 x 5 = ………
5 30 : 6 = ………
998 499 + 499 = ………
60 120 – 60 = ………
81 9 x 9 = ………
6 12 : 2 = ………
Rekentaal: noteer de bewerking en los ze op. 28 meer dan 112 is
112 + 28 = 140 ……………………
Het product van 4 en 125 is
4…………………… x 125 = 500
Verdubbel 90.
2 x 90 = 180 ……………………
Trek 270 af van 890.
890 – 270 = 620 ……………………
Neem 30 keer 20.
30 x 20 = 600 ……………………
Tel 77 bij 122.
122 + 77 = 199 ……………………
74 minder dan 396 is
396 – 74 = 322 ……………………
Voeg 600 bij 250.
250 + 600 = 850 ……………………
258 plus 131 is
258 + 131 = 389 ……………………
80 en 256 hebben als som
80 + 256 = 336 ……………………
Doe 650 bij 170.
170 + 650 = 820 ……………………
De som van 78 en 123 is
78 + 123 = 201 ……………………
50 delen door 10 is
50 : 10 = 5 ……………………
Het verschil van 482 en 156 is
482 – 156 = 326 ……………………
7 maal 14 is
7 x 14 = 98 ……………………
Het derde deel van 300 is
300 : 3 = 100 ……………………
Het dubbel van 400 is
2 x 400 = 800 ……………………
Het quotiënt van 600 en 3 is
600 : 3 = 200 ……………………
Deel 400 door 10.
400 : 10 = 40 ……………………
Verdeel 600 in 4 gelijke delen
600 : 4 = 150 ……………………
Halveer 400.
400 : 2 = 200 ……………………
Vermeerder 170 met 540.
170 + 540 = 710 ……………………
659 min 452 is
659 – 452 = 207 ……………………
240 vermeerderd met 360 is
240 + 360 = 600 ……………………
De helft van 500 is
500 : 2 = 250 ……………………
Het viervoud van 250 is
4…………………… x 250 = 1 000
Tel 85 en 561 op.
85 + 561 = 646 ……………………
Het tienvoud van 80 is
10 x 80 = 800 ……………………
Verminder 300 met 57.
300 – 57 = 243 ……………………
Zeven keer 40 is
7…………………… x 40 = 280
5
LES 132 3
BEWERKINGEN TOT 1 000: HERHALING
Hoeveel is er te kort? 45
150
80
35 .....
150 100 .....
som = 200
som = 400
som = 120
som = 200
25
150
250
300
120
75
25 .....
260
som = 125
4
20 40
90 .....
125
som = 500
60 .....
40
125 .....
60
som = 500
80 .....
540 .....
som = 900
Help je even? Meester Kris wil zijn vriendin Els verrassen en schrijft de lekkerste recepten over uit het kookboek van zijn mama. Hij heeft telkens de ingrediënten voor 2 personen nodig. Macaronipudding voor: 4 personen
2 personen
5 personen
1 persoon
1 liter melk
een halve liter
550 g bloem
110 g 220 g ....................... .....................
100 g macaroni
50 g ........................
een halve liter melk
1 dl 2 dl ....................... .....................
50 g vanillebloem
25 g ........................
5 eieren
1 ei 2 eieren ....................... .....................
120 g suiker
60 g ........................
200 g suiker
40 g 80 g ....................... .....................
2 eetlepels rozijnen
1 eetlepel
5 pakjes vanillesuiker
1 pakje 2 pakjes ....................... ....................
2 personen
Bananenmilkshake voor:
Uiensoep voor 2 dagen voor:
6 personen
2 personen
3 personen
1 persoon
3 liter melk
1l ........................
3 liter water
1l 2l ....................... .....................
12 bananen
4 bananen ........................
6 uien
2 uien 4 uien ....................... .....................
18 eetlepels suiker
6 eetlepels ........................
één en een halve prei
een halve 1 prei ....................... .....................
6 pakjes vanillesuiker
2 pakjes ........................
60 g boter
20 g 40 g ....................... .....................
2 personen
Pasteibakkersroom voor:
Kipcocktail voor:
6 personen
5 personen
1 persoon
200 g kippenvlees
40 g 80 g ....................... .....................
5 perziken
1 perzik 2 perziken ....................... .....................
2 personen
2 personen
6 eieren
1l — ........................ 2 2 eieren ........................
300 g suiker
100 g ........................
koffielepels 4..................... koffielepels 10 koffielepels mayonaise 2 .......................
120 g bloem
40 g ........................
1 dl room
2 cl 4 cl ....................... .....................
3 pakjes vanillesuiker
1 pakje ........................
5 cl koude bouillon
1 cl 2 cl ....................... .....................
anderhalve liter melk
6
Minuutwafels voor:
LES 133
DELERS 1
2
Maak eerst de oefening en omcirkel dan het juiste besluit. 70 r …… 0 490 : 7 = q ………
7 is een deler van 490
ja / neen
407 r …… 1 815 : 2 = q ………
2 is een deler van 815
ja / neen
5 r …… 6 56 : 10 = q ………
10 is een deler van 56
ja / neen
209 r …… 0 627 : 3 = q ………
3 is een deler van 627
ja / neen
102 r …… 0 816 : 8 = q ………
8 is een deler van 816
ja / neen
100 r …… 3 503 : 5 = q ………
5 is een deler van 503
ja / neen
38 r …… 5 385 : 10 = q ………
10 is een deler van 385
ja / neen
10 r …… 0 1 000 : 100 = q ………
100 is een deler van 1 000
ja / neen
Vul de delers van het getal in het midden aan. Let op de delers die bij elkaar horen!
4 ..... 2 .....
3 2 .....
1
16 .....
1
4 .....
1
16
18
20
18
9
20 .....
5 .....
6 .....
2 .....
10
8
1 ..... 1 .....
14 .....
2 .....
7 .....
14
7 .....
21 .....
21
28 4 .....
14 ..... 2 .....
1 .....
28 .....
3 .....
7 .....
7
LES 133 3
DELERS
Maak gelijke doosjes zodat er niets overblijft. Ik heb 56 knikkers. Ik kan doosjes maken van … (Omcirkel de juiste antwoorden.)
2
3
4
5
6
7
8
9
Ik heb 60 knikkers. Ik kan doosjes maken van … (Vul zelf een aantal mogelijkheden in.) bv. 10 ......
4
12 ......
5 ......
Wie ben ik?
5
8
6 ......
Ik ben een oneven deler van 10 en ik ben groter dan 1.
5 ..............................
Ik ben een deler van 18 en ik lig tussen 7 en 17.
9 ..............................
Ik ben een deler van 10 en een deler van 25. Ik ben groter dan 1.
5 ..............................
Ik ben een deler van alle even getallen, maar van geen enkel oneven getal.
2 ..............................
Ik ben het grootste even getal met twee cijfers.
98 ..............................
Elk getal dat deelbaar is door 10 heeft mij als laatste cijfer.
0 ..............................
Ik ben het grootste oneven getal met twee cijfers.
99 ..............................
Ik ben het grootste oneven getal met drie cijfers.
999 ..............................
Ik ben een oneven deler van 8.
1 ..............................
Ik ben een deler van 15 en van 21. Ik ben groter dan 1.
3 ..............................
Zoek de verborgen zin.
I
• Kleur eerst de ramen met een getal lauw la uw.. uw deelbaar door 10 b blauw. • Kleur dan de ramen die nog wit zijn groe oen oe n met een getal deelbaar door 2 gr groen. • Kleur ten slotte de ramen die overblijven g ge eel el met een getal deelbaar door 3 geel geel.
I 99 99 999
G 2
F 221
G 902 902
R 200 20 200
De letters van elke kleur vormen een woord. Maak met die woorden een zin en vul die hieronder in. (In elk wit vakje komt een letter.)
A 54
E 47 4 70 470
K 3 93
K 10 000 1000
A 16
E 80 80
R 718 718
Z 307
N 69 90 690
H 995
K
R
E
K
E
N
G
R
A
A
G
CIJFEREN: OPTELLEN, AFTREKKEN EN VERMENIGVULDIGEN 1
LES 134
Even het cijferend optellen opfrissen ...
780 484 + 296 = .............
863 516 + 94 + 253 = .............
386 153 + 186 + 47 = .............
500 + 300 = 800 ≈ .......................................
500 + 100 + 300 = 900 ≈ .......................................
200 + 200 + 0 = 400 ≈ .......................................
+
1
1
4
8
4
2
9
6
7
8
0
1
1
5
1
2
+ ...
1
1
6
1
5
3
9
4
1
8
6
5
3
4
7
8
6
+ 8
6
3
3
Let op bij het onthouden en lenen. Waar plaats je de cijfers?
2
Even het cijferend aftrekken opfrissen ...
306 492 – 186 = .............
148 912 – 764 = .............
119 207 – 88 = .............
500 – 200 = 300 ≈ .......................................
900 – 800 = 100 ≈ .......................................
200 – 100 = 100 ≈ .......................................
–
3
8
12
8
10
12
1
9 10
17
4
9
2
9
1
2
2
0
7
1
8
6
7
6
4
8
8
3
0
6
1
4
8
1
9
– ...
– 1
Even het cijferend vermenigvuldigen opfrissen ...
623 89 x 7 = .............
798 6 x 133 = .............
820 4 x 205 = .............
100 x 7 = 700 ≈ .......................................
6 x 100 = 600 ≈ .......................................
4 x 200 = 800 ≈ .......................................
8
9
1
7
x 6
2
3
3
2
6
x ... 6
3
7
9
8
0
4
x 1 1
5
8
2
0
2
9
CIJFEREN: OPTELLEN, AFTREKKEN EN VERMENIGVULDIGEN
LES 134 4
En nu de drie bewerkingen door elkaar! 738 418 + 84 + 236 = .............
483 7 x 69 = .............
327 483 – 156 = .............
400 + 100 + 200 = 700 ≈ .......................................
7 x 100 = 700 ≈ .......................................
500 – 200 = 300 ≈ .......................................
+
1
1
4
1
8
8
4
2
3
6
7
3
8
6
9 7
x 4
8
3
– 6
7
13
4
8
3
1
5
6
3
2
7
507 915 – 408 = .............
924 299 + 553 + 72 = .............
772 193 x 4 = .............
≈ ....................................... 900 – 400 = 500
≈ ....................................... 300 + 600 + 100 = 1 000
≈ ....................................... 200 x 4 = 800
0
15
2
1
9
1
5
2
9
9
4
0
8
5
5
3
5
0
7
7
2
2
4
1
9
4
x
–
3
7
7
2
1
+ 9 582 97 x 6 = .............
310 702 – 392 = .............
100 x 6 = 600 ≈ .......................................
700 – 400 = 300 ≈ .......................................
9
7 6
x
10
7
0
2
3
9
2
3
1
0
200 + 0 + 500 = 700 ≈ ....................................... 1
1
1
5
3
2
8
4
7
3
6
5
4
– 5
5
6
654 153 + 28 + 473 = .............
8
2
4
+
Vul de juiste namen in. Kies uit: product, aftrekker, vermenigvuldigtal, term, verschil, quotiënt, aftrektal, vermenigvuldiger, som term ................................... term ...................................
aftrektal ...................................
term ...................................
10
aftrekker ................................... –
+ som ...................................
vermenigvuldigtal ................................... vermenigvuldiger ................................... x
verschil ...................................
product ...................................
3
GELIJKVORMIGHEID EN GELIJKHEID VAN VORM EN GROOTTE 1
LES 135
Zet het juiste aantal kruisjes onder de figuren rechts. x
De figuur heeft DEZELFDE VORM MAAR NIET DEZELFDE GROOTTE als de figuur links.
xx
De figuur heeft DEZELFDE VORM EN DEZELFDE GROOTTE als de figuur links.
X
X
XX
X
X
XX
X
X
11
LES 135 2
12
Teken de ямБguur over.
GELIJKVORMIGHEID EN GELIJKHEID VAN VORM EN GROOTTE
LES 136
DELERS EN VEELVOUDEN 1
Spring mee op het ganzenbord! De gans is gestart bij 0. Kleur het vakje of de vakjes waarop ze terechtkomt.
21
22
23
24
25
26
0 65
64
63
62
61
60
59
58 0
66
67 67
68
69
70
71
72
73
0 2
3
Wie ben ik? Ik ben het drievoud van 5.
15 ....................
In de rij 0, 4, 8, 12, 16 ‌ staan de veelvouden van ‌
4 ....................
Ik ben een veelvoud van elk getal!
0 ....................
Ik ben het tweevoud van 50.
100 ....................
Ik ben een deler van elk getal!
1 ....................
Ik ben het zevenvoud van 7.
49 ....................
Ik ben een deler van 20 en ik lig tussen 6 en 16.
10 ....................
Ik ben een veelvoud van 7 en ik lig tussen 25 en 30.
28 ....................
Ik ben een veelvoud van 10. Ik lig tussen 27 en 33.
30 ....................
Ik ben een deler van 6 en van 9, en ik ben groter dan 1.
3 ....................
Vul de delerspinnenwebben aan.
1
8 .....
1 .....
2 10 .....
32
2 .....
50 5 .....
4 ..... 16 .....
32 .....
25 .....
50 .....
13
LES 136 4
DELERS EN VEELVOUDEN
Opa en oma gaan op reis. Ze vertrekken op 31 mei en komen terug op 1 juli. Je ziet hier het takenlijstje dat ze achtergelaten hebben. juni ma
di
wo
do
vr
za
zo
31 mei
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
30
1 juli
28
5
Mama gaat langs op 15 juni. Wat moet ze doen?
Papa gaat langs op 28 juni. Wat moet hij doen?
❒ ❒ X ❒ X ❒ X ❒
X ❒ ❒ ❒ ❒ X ❒
de planten water geven de brievenbus leegmaken de goudvis voeren het huisvuil buitenzetten het oud papier buitenzetten
De letters van elke kleur vormen een woord. Vorm met deze woorden een zin en vul hem hieronder in. (In elk wit vakje komt een letter.)
I
de planten water geven de brievenbus leegmaken de goudvis voeren het huisvuil buitenzetten het oud papier buitenzetten
Zoek de verborgen zin. • Kleur eerst de ramen waarin een veelvoud blau auw. au w van 5 staat bl blauw. • Kleur dan de ramen die nog wit zijn rro oen en. en waarin een veelvoud van 6 staat g groen. • Kleur de overblijvende ramen waarin een veelvoud van 4 staat geel. • Kleur de laatste ramen waarin oran anje an je een veelvoud van 11 staat or oranje.
14
29
K
K
E
N
D
E
6 E
22 E
32 K
46 R
10 10 A
1 U
0 T
33 N
42 2 D
25 5 S
45 5 L
77 K
20 2 0 F
8 I
5 E
T
A
F
E
L
S
CIJFEREN: DELEN (H > DELER EN NIET DEELBAAR) 1
LES 137
Even stretchen om op te warmen! Als er een rest is, noteer je het antwoord zo: 3 : 5 = q 0 r 3.
2
3 24 : 8 = ……………………
3 12 : 4 = ……………………
1 7 : 7 = ……………………
q4r2 14 : 3 = ……………………
4 16 : 4 = ……………………
7 21 : 3 = ……………………
8 8 : 1 = ……………………
q4r3 23 : 5 = ……………………
7 49 : 7 = ……………………
3 15 : 5 = ……………………
1 4 : 4 = ……………………
q5r1 16 : 3 = ……………………
8 64 : 8 = ……………………
8 32 : 4 = ……………………
3 18 : 6 = ……………………
q3r2 23 : 7 = ……………………
8 56 : 7 = ……………………
5 30 : 6 = ……………………
9 72 : 8 = ……………………
q3r4 19 : 5 = ……………………
q4r2 34 : 8 = ……………………
q0r6 6 : 8 = ……………………
q1r1 6 : 5 = ……………………
2 4 : 2 = ……………………
q5r3 33 : 6 = ……………………
1 4 : 4 = ……………………
q1r2 8 : 6 = ……………………
1 8 : 8 = ……………………
8 32 : 4 = ……………………
q0r7 7 : 9 = ……………………
q0r3 3 : 6 = ……………………
q1r2 8 : 6 = ……………………
q6r1 31 : 5 = ……………………
q1r2 9 : 7 = ……………………
1 9 : 9 = ……………………
q0r4 4 : 7 = ……………………
q4r2 30 : 7 = ……………………
q0r5 5 : 6 = ……………………
q0r2 2 : 4 = ……………………
6 6 : 1 = ……………………
Deel vlot door te cijferen.
–
–
131 655 : 5 = .............
141 846 : 6 = .............
500 : 5 = 100 ≈ .......................................
600 : 6 = 100 ≈ .......................................
6
8
5
5
5
5
–
1
5
1
5
1
3
1
4
6 2
4
2
4
5
0
5
1
4
1
6 6
–
– 0
–
6
– 0
–
6
0
165 660 : 4 = .............
192 768 : 4 = .............
800 : 4 = 200 ≈ .......................................
800 : 4 = 200 ≈ .......................................
6
7
6
0
4
4
–
2
6
2
4
1
6
5
–
2
0
2
0
6
8
4 3
6
3
6 0
1
0
9
2
8 8
–
–
4
0
15
CIJFEREN: DELEN (H > DELER EN NIET DEELBAAR)
LES 137 239 717 : 3 = .............
120 960 : 8 = .............
600 : 3 = 200 ≈ .......................................
800 : 8 = 100 ≈ .......................................
7
9
1
7
3
6
6
0
8
–
– 1
1
2
3
9
9 –
1
6
1
6
1
2
7
2
7
0
0
0 0 –
0
0
288 576 : 2 = .............
142 426 : 3 = .............
600 : 2 = 300 ≈ .......................................
300 : 3 = 100 ≈ .......................................
5
4
7
6
2
4
2
6
3
3
–
– 1
7
1
6
2
8
8
–
1
2
1
2
1
4
2
– 1
6
1
6
0
6 6
–
– 0
0
Beantwoord de vragen. 726 : 3 242 ......................... = .............
1 We gaan met de auto op reis. Onze vakantiebestemming ligt 726 km ver. Papa wil de reis verdelen over 3 gelijke ritten met stop- en rustpauzes tussendoor.
600 : 3 = 200 ≈ .......................................
Hoeveel km duurt elk van die 3 ritten?
7
Elke rit duurt 242 km. .........................................................................
2
6
3
6 – 1
2
1
2
2
– 0
6 6 –
16
2
–
–
3
8
0
4
2
CIJFEREN: DELEN (H > DELER EN NIET DEELBAAR) 2
LES 137 441 : 3 147 ......................... = .............
Oma had voor haar 3 kleinkinderen 441 euro bij elkaar gespaard. Met Nieuwjaar verdeelde ze dat bedrag zo dat elk evenveel kreeg.
300 : 3 = 100 ≈ .......................................
Hoeveel kreeg elk kind?
4
Elk kind kreeg 147 euro. .........................................................................
4
1
3
3 – 1
4
1
2
1
4
7
– 2
1
2
1
– 0
3
576 : 4 144 ......................... = .............
Onze voetbalclub heeft voor een wedstrijd 576 toegangskaartjes verkocht. De supporters worden gelijk verdeeld over de 4 tribunes.
400 : 4 = 100 ≈ .......................................
Hoeveel supporters zitten er op elke tribune? 5 Er zitten 144 supporters op elke tribune. .........................................................................
7
6
4
4 – 1
7
1
6
1
4
4
– 1
6
1
6
– 0
4
760 : 5 152 ......................... = .............
Vorige week verbruikte ons gezin (papa, mama, 2 zonen en 1 dochter) 760 liter water.
1 000 : 5 = 200 ≈ .......................................
Hoeveel liter is dat per persoon? 7 Dat is 152 liter per persoon. .........................................................................
6
0
5
5 – 2
6
2
5
1
5
2
– 1
0
1
0
– 0
17
LES 138 DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE HOEKEN 1
2
Welke soort hoek is het? Controleer met je geodriehoek en kruis aan.
❍ scherpe hoek ❍ rechte hoek X stompe hoek ❍
X scherpe hoek ❍ ❍ rechte hoek ❍ stompe hoek
❍ scherpe hoek X rechte hoek ❍ ❍ stompe hoek
X scherpe hoek ❍ ❍ rechte hoek ❍ stompe hoek
❍ scherpe hoek X rechte hoek ❍ ❍ stompe hoek
❍ scherpe hoek ❍ rechte hoek X stompe hoek ❍
Onderzoek de hoeken van deze driehoeken. Zet in elke hoek het passende tekentje. scherpe hoek: X rechte hoek:
L
stompe hoek:
O X
X
X
X
2
3
ö
1
X
X
X X 6
X
ö
X
X
4 5 X
18
X
X
LES 138
DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE HOEKEN 3
Welke soort hoek maken de wijzers? Kruis aan. 11 12 1
10
1
11 12 1 2 3
9 8
7
4 6
11 12 1 2 3
9 8
5
❍ scherpe hoek ❍ rechte hoek X stompe hoek ❍
4
10
1
7
4 6
10
11 12 1 2 3
9 8
5
❍ scherpe hoek X rechte hoek ❍ ❍ stompe hoek
1
7
4 6
5
X scherpe hoek ❍ ❍ rechte hoek ❍ stompe hoek
10
1
2 3
9 8
7
4 6
5
❍ scherpe hoek ❍ rechte hoek X stompe hoek ❍
Duid op deze figuur alle hoeken aan met een boogje. • alle rechte hoeken in het blauw • alle scherpe hoeken in het groen • alle stompe hoeken in het grijs
5
Welke soort driehoek zie je hier? Onderzoek de hoeken met je geodriehoek en kruis aan.
❍ scherphoekige driehoek X rechthoekige driehoek ❍ ❍ stomphoekige driehoek
X scherphoekige driehoek ❍ ❍ rechthoekige driehoek ❍ stomphoekige driehoek
❍ scherphoekige driehoek ❍ rechthoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❍
X scherphoekige driehoek ❍ ❍ rechthoekige driehoek ❍ stomphoekige driehoek
❍ scherphoekige driehoek X rechthoekige driehoek ❍ ❍ stomphoekige driehoek
❍ scherphoekige driehoek ❍ rechthoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❍
19
LES 138 DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE HOEKEN 6
7
Kruis aan welk soort driehoek je herkent.
X scherphoekige driehoek ❍
❍ scherphoekige driehoek
X scherphoekige driehoek ❍
❍ rechthoekige driehoek
X rechthoekige driehoek ❍
❍ rechthoekige driehoek
❍ stomphoekige driehoek
❍ stomphoekige driehoek
❍ stomphoekige driehoek
❍ scherphoekige driehoek
❍ scherphoekige driehoek
❍ rechthoekige driehoek
❍ rechthoekige driehoek
❍ X stomphoekige driehoek
❍ X stomphoekige driehoek
Verdeel de figuur ...
in twee stomphoekige driehoeken.
in vier rechthoekige driehoeken.
in vier rechthoekige driehoeken.
in twee rechthoekige driehoeken.
1 rechte hoek en 2 scherpe hoeken. Een rechthoekige driehoek heeft .............................................................................................. 1 stompe hoek en 2 scherpe hoeken. Een stomphoekige driehoek heeft ............................................................................................ 3 scherpe hoeken. Een scherphoekige driehoek heeft ..........................................................................................
20
LES 139
TABELLEN EN GRAFIEKEN 1
Een uitstapje als verjaardagscadeau! UITSTAP
AANTAL LEERLINGEN
dolďŹ narium circus speelgoedmuseum speelplein kindertheater
2
Wie is jouw lievelingsartiest?
kindertoneel
speelplein
vuurspuwer
slangenmens
goochelaar
jongleur
koorddanser
leeuwentemmer
acrobaat
clown
3
speelgoedmuseum
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
circus
dolďŹ narium
Geef de volgende artiesten punten tussen 1 en 10. Wie je het liefst aan het werk ziet, geef je natuurlijk de meeste punten. Maak er een staafdiagram van. meerdere oplossingen mogelijk
15 14 13 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Aan 104 volwassenen werd gevraagd welke artiesten ze graag bezig zagen. Wie zag men het liefst bezig? de acrobaat .................................................... Hoeveel mensen stemden voor de vuurspuwer? 6 .................................................... Wie kreeg 15 stemmen achter zijn naam? de koorddanser .................................................... Vind ook jij de vuurspuwer het minst leuk? ....................................................
er uw p s ur s vu en nm e r ng laa sla he c o go ur gle n jo r se an d r ord ko me m e t en at uw e ba o le r ac wn clo
0
5
10
15
20
25
21
LES 139 4
TABELLEN EN GRAFIEKEN
Circus ‘Donaldo’ heeft zijn tent opgeslagen. Het gezin Verkinderen wil ernaartoe. Broer zit in een rolstoel. Mama zal bij hem blijven. Papa en kleine zus van 3 jaar hebben een plaats in blok C. € 15 + € 15 + € 20 + € 17 = € 67 Hoeveel moeten ze betalen? ................................................................. Volwassenen € 10 € 15 € 20 € 25
Zitplaatsen blok A Zitplaatsen blok B Zitplaatsen blok C Zitplaatsen blok D
Kinderen / 65+ €8 € 12 € 17 € 22
Kinderen t/m 1 jaar gratis Rolstoelgebruikers: 15 euro per rolstoel en 15 euro voor de begeleider
5
De prijs in blok D is niet altijd zo hoog geweest. Dat kun je in de tabel zien. Stel deze gegevens voor met een lijndiagram. 2005 2000 1995 1990 1985 1980 1975 1970
6
25 euro 23 euro 20 euro 18 euro 15 euro 13 euro 12 euro 10 euro
€ 30 € 25 € 20 € 15 € 10 €5 ....... 1980 ....... 1985 ....... 1990 ....... 1995 ....... 2000 ....... 2005 ....... 1970 1975
Het circus trekt van stad tot stad. Hieronder zie je welke afstanden daarbij worden afgelegd. Hoe ver is het bijvoorbeeld van Brugge naar Antwerpen? Vul de ontbrekende getallen aan. Antwerpen Brugge
7
Gent
Hasselt
Mechelen
Antwerpen 0 km
90 km
45 km
60 km
79 km
............ 25 km
Brugge
............ 90 km
0 km
100 km
50 km
170 km
113 km
Brussel
45 km
............ 100 km
............ 0 km
50 km
............ 83 km
32 km
Gent
60 km
50 km
50 km
0 km
136 km
60 km
Hasselt
79 km
170 km
83 km
136 km
0 km
76 km
Mechelen 25 km
113 km
32 km
60 km
76 km
0 km
Tijdens de pauze worden er ijsjes verkocht.
Wat valt er op? Er worden het meeste ijsjes ......................................................... verkocht tijdens de maanden juli ......................................................... en augustus. ......................................................... Hoeveel normale ijsjes verkocht men ongeveer in mei?
22
Brussel
ongeveer 100 .........................................................
600 500 400 300 200 100 0
jan feb mrt apr mei jun GROOT
jul
NORMAAL
aug sep okt nov dec KLEIN
LES 140
OPPERVLAKTE 1
2
Welke puzzel heeft de grootste oppervlakte?
Hoe groot is de oppervlakte van de toren?
X
X 6 hokjes en 2 halve ..................................................... ..................................................... 7 hokjes of in totaal ...................................
3
Zoek de oppervlakte van de ďŹ guren.
13 hokjes en ....... 6 halve .......
10 hokjes en ....... 4 halve .......
8 hokjes en ....... 6 halve .......
16 hokjes of in totaal .......
12 hokjes of in totaal .......
11 hokjes of in totaal .......
10 hokjes en ....... 8 halve .......
20 hokjes en ....... 8 halve .......
14 hokjes of in totaal .......
24 hokjes of in totaal .......
23
LES 140 4
OPPERVLAKTE
Teken en kleur een figuur met de juiste oppervlakte. Je mag ook halve hokjes gebruiken. meerdere oplossingen mogelijk
5
een figuur met een oppervlakte van 7 hokjes
een figuur met een oppervlakte van 7 hokjes, maar met een andere vorm dan de figuur links
een figuur met een oppervlakte van 10 hokjes
een figuur met een oppervlakte van 10 hokjes, maar met een andere vorm dan de figuur links
Zet een kruisje in de stukken die je kiest. Ik wil van deze figuur een rechthoek maken. Welke 2 stukken uit de kolom rechts moet ik erbij leggen?
X X
Ik wil van deze figuur een vierkant maken. Welke 4 stukken uit de kolom rechts moet ik erbij leggen?
X X X
24
X
LES 141
HERHALING G 1
2
Juist of fout? Kruis aan. 5 is een deler van 20.
X juist ° ° fout
100 is een veelvoud van 10.
X juist ° ° fout
10 is een deler van 55.
° juist X fout °
8 is een veelvoud van 3.
° juist X fout °
40 is een deler van 4.
° juist X fout °
10 is het tweevoud van 5.
X juist ° ° fout
Het circus is in de stad. a Hoeveel mensen kwamen naar het circus? Vul de tabel en het staafdiagram aan. 120 namiddagvoorstelling
100 80
avondvoorstelling
60 40 20 0 ma
di
woe
do
vr
za
zo
namiddagvoorstelling
avondvoorstelling
maandag
50 ...........
30 ...........
dinsdag
60 ...........
40 ...........
woensdag
90 ...........
70 ...........
donderdag
40 ...........
50 ...........
vrijdag
50 ...........
80 ...........
zaterdag
120
120
zondag
120
100
Hoeveel mensen kwamen in het weekend naar het circus?
Hoeveel mensen woonden een avondvoorstelling bij?
460 ................... mensen
490 ................... mensen
Op welke dag kwamen de meeste mensen? Hoeveel waren er dat?
Op welke dag kwamen de minste mensen? Hoeveel waren er dat?
op zaterdag / 240 mensen ..........................................................................
op maandag / 80 mensen ..........................................................................
25
LES 141
HERHALING
b Dit is de taakverdeling voor het weekend. Beantwoord de vragen.
Leen (ticketverkoop) Elke (ticketverkoop) Gijs (ticketcontrole) Bo (ticketcontrole)
zaterdagnamiddag x
zaterdagavond
zondagnamiddag
x x
x
x
zondagavond x
x
Bo 1 Wie controleert de tickets op zaterdagnamiddag? .......................................................................... op zaterdagnamiddag en zondagnamiddag 2 Wanneer moet Bo werken? .............................................................................................................. op zaterdagavond 3 Wanneer werken Elke en Gijs samen? ............................................................................................. neen 4 Leen wil zondagavond naar de film. Kan dat? ................................................................................. 5 De directeur maakte een foutje. Waar? Er is niemand aangeduid voor de ticketcontrole op zondagavond. ........................................................................................................................................................... 6 Hoe zou jij dat oplossen? Door Gijs op zondagavond de tickets te laten controleren. ...........................................................................................................................................................
B 1
Reken je mee? Noteer de bewerking en de tussenstappen. Je mag niet cijferen. Het circus betaalt 4 werknemers om de kooien schoon te maken. Die verdienen samen 920 euro per week. Elk verdient evenveel. Hoeveel verdient elke werknemer?
De 5 voorstellingen die het circus gaf, waren allemaal uitverkocht. In totaal werden er 1 000 tickets verkocht. Hoeveel zijn er dat per voorstelling?
920 : 4 = (800 : 4) + (120 : 4)
1 000 : 5 = 200
= 200 + 30 = 230 230 euro ………
2
8,9
Dit is geen probleem meer.
178 457 – 279 = .............
695 5 x 139 = .............
858 3 x 286 = .............
500 – 300 = 200 ≈ .......................................
5 x 100 = 500 ≈ .......................................
3 x 300 = 900 ≈ .......................................
–
26
200 tickets ………
3
14
17
4
5
7
2
7
9
1
7
8
1 x
3
9
2
5 6
9
5
x 4 1
8
6 3
8
5
8
1 2
LES 141
HERHALING 3
–
10
Delen gaat al vlot. 227 681 : 3 = .............
112 784 : 7 = .............
374 748 : 2 = .............
600 : 3 = 200 ≈ .......................................
700 : 7 = 100 ≈ .......................................
800 : 2 = 400 ≈ .......................................
6
7
7
8
1
3
6 0
–
–
– 8
2
2
7
8
–
0
8
– 1
2
1
–
–
2
–
1
4
1
4
8
2
6 1
4
1
4 0
–
0
3
7
4
8 8 0
154 462 : 3 = .............
130 910 : 7 = .............
500 : 5 = 100 ≈ .......................................
600 : 3 = 200 ≈ .......................................
700 : 7 = 100 ≈ .......................................
6
4
9
4
0
5
5
–
1
4
1
0
1
2
8
–
4
0
4
0
6
2
3
3
–
1
6
1
5
–
1
5
4
–
1
2
1
2
0
–
1
4
128 640 : 5 = .............
–
–
1
7
0
–
7
7
6 2
4
1
0
7
7 2
1
2
1 0
–
0
1
3
0
0 0 0
163 978 : 6 = .............
121 605 : 5 = .............
185 555 : 3 = .............
≈ ....................................... 900 : 6 = 150
≈ ....................................... 500 : 5 = 100
≈ ....................................... 600 : 3 = 200
9
6
5
7
8
6
6
–
3
7
3
6
1
6
3
–
1
8
1
8
–
0
5
5
–
1
0
1
0 0
1
2
1
–
5
5
3
3 2
5
2
4
5 5
– 0
5
1
1
5
1
5
8
5
– 0
0
27
LES 141
HERHALING
MMR 1
12
Inhoudsmaten a Vul aan. 10 dl 1 l = ………
33 cl is meer / minder dan 1 liter.
100 cl 1 l = ………
10 liter. In een grote emmer kan ………
5 dl. Een halve liter is ………
2 dl. In een klein brikje kan ………
100 keer in 1 liter. 1 cl kan ………
20 cl. 2 dl is ………
b Doe-opdracht.
meerdere oplossingen mogelijk
De inhoud van het glas is ……………
° Ik deed het goed.
(Vergeet de maateenheid niet!)
° Dit kon beter: ………………………………………… …………………………………………
2
Vul aan.
De oppervlakte van deze figuur is
De oppervlakte van deze figuur is
5 hokjes en …… 2 halve hokjes ……
8 hokjes en …… 4 halve hokjes ……
6 hokjes. of in totaal ……
10 hokjes. of in totaal ……
MK Duid de hoeken op de juiste manier aan en geef elke driehoek de juiste naam.
19,25
Zet een X in de scherpe hoeken. Zet een O in de stompe hoeken. Zet een L in de rechte hoeken. x x
o x
x
X
28
X rechthoekige driehoek ❍ ❍ stomphoekige driehoek ❍ scherphoekige driehoek
❍ rechthoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❍ ❍ scherphoekige driehoek
x x ❍ rechthoekige driehoek ❍ stomphoekige driehoek ❍ X scherphoekige driehoek
SPRONG
LES 144 1
ROUTES EN COÖRDINATEN
Welke ’vakjes’ van de klaspuzzel herken je? Schrijf de letter en het cijfer bij elk stukje. 9 8 B8 .......
G5 ....... 7 6 5
D4 .......
E3 .......
4 3 2
B2 .......
1
H2 .......
A
2
B
C
D
E
F
G
H
I
G
H
Bekijk de plattegrond van de klas. Beantwoord de vragen en voer de opdrachten uit. k ast kast
Ilse zit aan lessenaar ‘E3’. Omcirkel die lessenaar met rood.
8
Het bureau van de juf ziet ze links / rechts voor zich.
tafel
bureau e
7 6 5 4
k astt kast
vensterbank e k
Ze vertrekt van haar plaats. Ze draait naar rechts en wandelt langs de kast naar de deur. Dan gaat ze tussen de tafel en het bord door naar het bureau van de juf.
3
Teken die weg met potlood op de plattegrond.
2 Er staan twee computers in de klas. In welke vakjes?
1 A
C1 en ………….. G1 …………
3
B
C
D
E
F
In dit rooster zit de naam van een leerling verborgen. Zoek die naam eerst en schrijf dan de ‘vakjes’ met de letters in de juiste volgorde op. Twee vakjes krijg je al!
4
r
3 e B1
B4 …… C3
A3 …… D2
D1 ……
D2 …… A3
C3 …… B4
D4 ……
A2
De naam die we zoeken is Frederik …………………………………
30
r
2 k 1 A
i e
f
d
B
C D
LES 144
ROUTES EN COÖRDINATEN 4
Kleur de weg die Inge volgt. Elke morgen loopt Inge op weg naar school door het bloemenpark. Ze vertrekt in de richting van de pijl. Dan neemt ze het eerste paadje rechts. Op het einde slaat ze rechtsaf. Aan de splitsing gaat ze opnieuw naar rechts. Bij de volgende splitsing gaat ze naar links. Ze loopt nu langs de paasbloemen. Dan volgt ze de weg links tot aan de school.
5
Wie woont waar? Han Wie woont er op A4? …………… B2 Bea woont op …………
6
D4 De school staat op …………...
Vertrek bij de blauwe bol in de
5
4
richting van de pijl. Volg deze weg: rechtdoor – rechtdoor – links
Vic
Rob
Lia Wie woont er op F3? ……………
Han
School
3
Lia
– rechts – links – rechtdoor – rechtdoor. Han Bij wie kom je uit? …………
Hoe gaat Vic naar school? rechts rechtdoor – ....................................
2
Bea
1
Jan
A
B
C
D
E
F
G
rechtdoor - links ........................................................ ........................................................
6
Als je de volgende vakjes kleurt, ken je het klasnummer van Pieter. A1 - A2 - A3 - A4 - A5 - B1 - B3 - B5 C1 - C3 - C5 - D1 - D2 - D3 - D4 - D5
5 4
8 Het klasnummer van Pieter is ..............
3 2 1 A
B
C
D
31
LES 145 1
HOOFDREKENEN TOT 1 000: HERHALING
Jantje Bolleboos heeft zijn tafeldiploma en wil nu ook deelkampioen worden. Daarvoor moet hij meer dan 16 oefeningen juist hebben. Maak de volgende delingen, zoek het quotiënt in het rooster en kleur het vakje groen. Als je alle vakjes gekleurd hebt, weet je hoeveel punten Jantje heeft. 936 : 3 =
312 ……………………………………………
224 ……………………………………………
448 : 2 =
…………………………………………… 856 : 8 =
107 ……………………………………………
…………………………………………… 109 ……………………………………………
763 : 7 =
…………………………………………… 720 : 6 =
120 ……………………………………………
…………………………………………… 130 ……………………………………………
650 : 5 =
…………………………………………… 678 : 6 =
113 ……………………………………………
…………………………………………… 118 ……………………………………………
472 : 4 =
…………………………………………… 600 : 3 =
150 : 2 =
200 ……………………………………………
…………………………………………… 400 ……………………………………………
800 : 2 =
……………………………………………
……………………………………………
75 ……………………………………………
100 1 000 : 10 = ……………………………………………
……………………………………………
……………………………………………
5
7
9
10
75
100
105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 125 130 132 136 140 170 190 195 200 204 208 210 214 218 220 224 227 229 231 241 250 312 400 555 : 5 =
111 ……………………………………………
693 : 3 =
…………………………………………… 840 : 4 =
210 ……………………………………………
…………………………………………… 525 : 5 =
…………………………………………… 560 : 4 =
140 ……………………………………………
115 ……………………………………………
570 : 3 =
250 ……………………………………………
654 : 3 =
500 : 50 =
Is Jantje Bolleboos deelkampioen geworden?
10 …………………………………………… ……………………………………………
250 : 2 =
……………………………………………
32
218 …………………………………………… ……………………………………………
…………………………………………… 7 700 : 100 = ……………………………………………
190 …………………………………………… ……………………………………………
…………………………………………… 1 000 : 4 =
105 …………………………………………… ……………………………………………
…………………………………………… 690 : 6 =
231 ……………………………………………
125 …………………………………………… ……………………………………………
X ja ❒
❒ nee
LES 145
HOOFDREKENEN TOT 1 000: HERHALING 2
Welke sprongen maakt de kikker en waar komt hij terecht? Vul aan. 170 150
192
+…… 20
172
+2 ……
+…… 20
300 270
+…… 30
–…… 20
194
+…… 20
280
–…… 60
+…… 30
–…… 20
290
+…… 30
–…… 60
390 –…… 120
350 +…… 100 400
–…… 50
216
–…… 20
300
–…… 60
210
+ …… 100
500
270
570 –…… 120
300
+…… 2
320
450
750 –…… 120
3
+2 ……
310
630
350
214
400
–…… 50
+…… 100 450
–…… 50
Reken uit.
70
220
70
60
1 000
– 190
x4
– 150
– 180
250
– 132
+ 250
:5
+ 280
375
118
201
1 000
252
– 125
x2
– 248
– 299
500
– 365
+ 250
:4
+ 321
500
50
530
750
125
821
210
800
152
25
750
0
– 190
x2
– 248
– 180
400
– 132
+ 250
:8
+ 280
– 125 268
51
– 99 + 375
x5
– 150
150
– 75
:3
+ 321
650
50
680
525
50
471
251
750
460
450
800
413
– 499
x1
– 290
– 680
750
– 348
+ 250
:3
+ 99
402
201
– 350
:1
– 387
– 599
800
– 604
+ 145
:4
+ 121
1 000
250
849
945
200
921
6
1 000
25
75
1 000
52
– 94 30
100
– 70 + 620 720
x 10
– 75
100
– 82
:1
+ 845
10
945
18
1
– 125
x5
– 148
– 199
200
– 65
+ 284
:4
+ 619
484
50
135
75
196
135
819
33
LES 146 1
VERHOUDINGEN – FUNCTIES VAN GETALLEN
Doorstreep de indringer in elke rij.
hoeveelheid d rangorde e
bladzijde 15 – de vijfde kolom – een kerk uit de 16e eeuw – 2 clowns
code e
postnummer 8020 – 2/3 van de tent – kamer 2.13 – tel. 050 12 34 65
verhouding of maatgetall
2
zes leeuwen – 24 leerlingen – de 3e rij – duizend sterren
6 keer 5 – 50 kg – 1/2 van de dieren – 1 kans op 4
Schrijf er telkens een code bij. Kies uit: 050 27 94 05 – 16 – 8020 – 3.06 – 850-1234567-36 – 123 – 12.05.2004 Een postnummer:
8020 ……………………
Een fietsslotnummer:
123 ……………………
Een huisnummer:
16 ……………………
Een bankrekeningnummer:
850-1234567-36 ……………………
Een datum:
12.05.2004 ……………………
Een hotelkamer:
3.06 ……………………
050 27 94 05 Een telefoonnummer: ……………………
3
Welke code is dit?
ô een telefoonnummer X een productnummer ô
ô een bankrekeningnummer ô een postnummer 9 789030 636038
4
In de schoenen van een clown Vaak draagt een clown schoenen waar zijn voeten
lengte van mijn voet
wel 3 keer in passen.
lengte van mijn clownschoen
Hoe lang zouden jouw clownschoenen dan zijn? meerdere oplossingen mogelijk ………………………………
5
Grote dorst! Een olifant drinkt per dag ongeveer 110 liter water.
1 dag
110 l
1 week
770 l
Hoeveel liter water drinkt een olifant dan in een week? 770 l ………………………………
77 emmers Hoeveel emmers water drinkt een olifant dan ongeveer in een week? ………………………………
6
Maak de rekening. Een diabolo voor een circusnummer kost 33 euro.
1 diabolo
€ 33
6 diabolo’s
€ 198
Een artiest heeft 6 zulke diabolo’s nodig. € 198 Hoeveel moet hij daarvoor betalen? ……………………….
7
Zes leerkrachten willen naar het circus. Een ticket voor het circus kost 15 euro voor een volwassene en 12 euro voor een kind. Hoeveel moeten ze betalen? Ze moeten 90 euro betalen. Antwoord: ……………………………………………......................
34
…………………………………………………………..........................
volwassene kind
1 ticket
6 tickets
€ 15
€ 90
VERHOUDINGEN – FUNCTIES VAN GETALLEN 8
Kleur deze ballonnen. Hou er rekening mee dat 1 op 3 ballonnen rood is.
9
meerdere oplossingen mogelijk
Eerst moet de tent opgezet worden! In 90 minuten kunnen de mensen van circus Boltini een tent opzetten. Hoeveel tijd hebben ze nodig voor drie tenten? 270 minuten ………………………….. Kunnen ze de 3 tenten opzetten in 4 uur? ô ja
10
LES 146
1 tent
90 minuten
3 tenten
270 minuten
ô X nee
Een olifant kan nogal eten! Per dag heeft een olifant zo’n 200 kg voedsel nodig. In de zoo wordt hij 4 keer per dag gevoederd. Hoeveel kg eten is dat per voederbeurt?
1 dag
200 kg
1 voederbeurt
50 kg
50 kg ………………………..
11
Hoe snel kunnen deze dieren lopen? Zoek in de tabel twee dieren waarvan het ene juist 4 keer zo snel kan lopen als het andere. kameel paard …………………………….. en ……………………………… beer
47 km/uur leeuw
80 km/uur
chimpansee
29 km/uur olifant
40 km/uur
hond
90 km/uur paard
64 km/uur
122 km/uur tijger
86 km/uur
jachtluipaard kameel
12
16 km/uur struisvogel
72 km/uur
Klopt dit wel? Kleur het gezichtje rood als je denkt dat dit niet klopt. Kleur het groen als het wel kan. Een leeuw kan 80 km per uur lopen. Dus kunnen twee leeuwen 160 km per uur lopen. Een leeuw weegt 200 kg. Dus wegen drie leeuwen samen 700 kg. Een leeuw wordt ongeveer 18 jaar. Twee leeuwen worden dus ongeveer 36 jaar. Een leeuwin krijgt ongeveer 5 jongen per worp. Drie leeuwinnen krijgen dus samen ongeveer 15 jongen per worp. Een verzorger maakt de leeuwenkooi schoon in 1 uur. Twee verzorgers maken de kooi dus schoon in 2 uur.
35
CIJFEREN: OPTELLEN, AFTREKKEN EN VERMENIGVULDIGEN
LES 147 1
Welke schoen past aan geen enkele voet? Los het cijfer-woordraadsel op. 779 482 + 17 + 185 + 95 = ..........
H.
A.
N .
D .
S .
C.
H.
O.
E.
N .
500 + 0 + 200 + 100 = 800 ≈ ....................................................................
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
H
T
E
2
1
4
8
2
1
7
0
B
A
D
8
5
1
E
C
9
5
2
H
7
9
3 4
1 + ...
7
letter 7 g H letter 8 g T letter 9 g E
H
T
E
5
R
P
O
F
6
S
T
D
G
I
7
H
O
U
J
N
K
8
V
W
N
S
L
M
9
X
Y
E
208 486 – 278 = ..........
438 6 x 73 = ..........
816 1 000 – 184 = ..........
≈............................................ 500 – 300 = 200
≈ ............................................ 6 x 100 = 600
≈ ............................................ 1 000 – 200 = 800
– ...
7
16
4
8
6
2
7
8
7
2
0
9 10
9 10
10
1
0
0
0
1
8
4
8
1
6
6 x ...
8
4
letter 1 g H letter 2 g T letter 3 g E
2
3
0
3
... –
8
1
letter 6 g T letter 4 g E
letter 10 g T letter 5 g H
Wat verkleint er door te groeien? Twee letters krijg je al! E.
E
N.
G.
A.
T.
I.
N .
D.
E.
H .
A.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11 12 13 14
A
G.
Maak deze oefeningen op de volgende bladzijde: H
T
E
H
T
E
0
Z
A
N
5
G
I
G
1
N
X
O
6
T
F
A
2
P
M
E
7
C
H
R
3
B
K
L
8
S
A
D
4
D
H
I
9
E
E
N
672 8 x 84 = ..........
599 1 000 – 401 = ..........
450 16 + 224 + 138 + 72 = ..........
586 754 – 168 = ..........
36
letter 1 g E letter 6 g H letter 11 g T letter 4 g H letter 8 g E letter 10 g T letter 3 g E letter 9 g H letter 7 g T letter 5 g E letter 14 g H letter 12 g T
CIJFEREN: OPTELLEN, AFTREKKEN EN VERMENIGVULDIGEN 1
8
x 6
7
4 2
2
4
2
1
3
8
7
2
5
0
4
–
6
8
+ 1
1
0
0 0
4
0
1
5
9
9
–
3
Wat wordt korter door eraan te trekken?
S.
I.
G.
A.
R.
E.
T.
1
2
3
4
5
6
7
LES 147 Vergeett niet vooraf te schatten! schatten!
7
5
4
1
6
8
5
8
6
Maak deze oefeningen en pas de sleutel toe. 721 443 + 278 = ………
letter 3 g T
165 443 – 278 = ………
letter 6 g E
410 1 000 – 590 = ………
letter 1 g H
H
T
E
0
E
A
Z
1
T
U
V
918 6 x 153 = ………
letter 4 g H
2
B
G
E
771 473 + 215 + 83 = ………
letter 7 g T
3
O
M
I
343 49 x 7 = ………
letter 2 g E
4
S
L
J
5
G
N
E
287 721 – 434 = ………
letter 5 g T
6
D
W
N
7
P
T
C
8
Y
R
H
9
A
S
F
1 –
0
0
0
4
7
3
5
9
0
2
1
5
4
1
0
8
3
7
1
7 1
+
–
4
4
3
2
7
8
7
2
1
4
4
3
2
7
8
1
6
5
+
5
4
7
x 3
9
1
4
3
7
2
1
4
3
4
2
8
7
3 6
x
9
8
–
37
LES 148 1
VORMEN: HERHALING
Geef de hoeken van deze driehoeken de juiste kleur zoals in het voorbeeld. Schrijf dan de juiste naam onder de driehoek.
scherpe hoek: blauw rechte hoek: g geel eell ee
2
stompe hoek: groen
rechthoekige driehoek ....................................................
stomphoekige driehoek...... .................................................... ..............................................
scherphoekige driehoek ....................................................
stomphoekige driehoek ....................................................
rechthoekige driehoek ....................................................
Help jij even? Reken uit in je schrift als dat nodig is. Elke dag loopt acrobaat Henk ‘een blokje rond’.
Hoeveel km loop ik in een week? 1 km 28 km Henk loopt per week ………………… Hier zie je de tekening van de weide voor de paarden. Een nieuwe omheining kost 15 euro per meter.
Drie kinderen die naast elkaar staan, nemen ongeveer 1 meter in. 40 m
10 m 20 m
20 m
Hoeveel zal me dat kosten? omtrek = 60 m 60 x 15 = 900 900 euro. De omheining kost ………………………………
3
omtrek = 120 m 120 x 3 = 360
360 Ongeveer ……………… kinderen
Teken wat gevraagd wordt.
Een rechthoek met basis 4 cm en hoogte 2 cm
38
Hoeveel kinderen kunnen er ongeveer rond de piste staan?
Een vierkant met zijde 3 cm
2
4
4
4
4
2
1
4
4
2
4
Ik onderzoek de zijden met de geodriehoek: • juist 1 paar evenwijdige zijden: 2 punten • 2 paar evenwijdige zijden: 4 punten
4
2
Ik onderzoek de zijden met de lat: • juist 1 paar overstaande zijden die even lang zijn: 1 punt • 2 paar overstaande zijden zijn even lang, maar niet alle 4 de zijden zijn even lang: 2 punten • 4 even lange zijden: 4 punten
12
10
3
8
4
0
6
totaal aantal punten
4
2
Ik onderzoek de hoeken: • 2 rechte hoeken: 2 punten • 4 rechte hoeken: 4 punten
VORMEN: HERHALING
LES 148
Hoeveel punten krijgt elke figuur? Gebruik je lat of geodriehoek.
39
LES 149 1
CIJFEREN: DELEN (H < DELER)
Eerst samen en dan alleen!
–
63 189 : 3 = .............
38 266 : 7 = .............
300 : 3 = 100 ≈ ............................................
0:7=0 ≈ ............................................
1
8
1
8 0
9
3 –
9
6
2
6
2
1
3
9
5
6
5
6
0
3
8
0
62 248 : 4 = .............
54 324 : 6 = .............
400 : 4 = 100 ≈ ............................................
600 : 6 = 100 ≈ ............................................
2
4
2
4 0
8
4 –
8
6
3
2
3
0
2
8
4
2
4
2
4
6
5
4
–
– 0
0
18 144 : 8 = .............
83 415 : 5 = .............
0:5=0 ≈ ............................................
500 : 5 = 100 ≈ ............................................
1 –
4
4
8
8
–
6
4
6
4
– 0
40
7
–
–
–
6
1
4
1
4
0
8 –
5
1
5
1
5 0
5
8
3
LES 149
CIJFEREN: DELEN (H < DELER) 2
–
Trampolinespel
41 328 : 8 = .............
82 738 : 9 = .............
38 744 : 8 = .............
0:8=0 (400 : 8 = 50) ≈ ............................................
900 : 9 = 100 ≈ ............................................
800 : 8 = 100 ≈ ............................................
3
2
3
2 0 –
8
8 –
8
4
7
3
7
2
1
8
–
8
–
1
8
1
8
0
9
8
7
4
7
2
2 –
4
2
4
2
4
0
8
9
3
0
81 648 : 8 = .............
90 450 : 5 = .............
800 : 8 = 100 ≈ ............................................
500 : 5 = 100 ≈ ............................................
ik
6
4
6
4
8
8
–
4
5
4
5
0
5
– 0
de cijferduivel
8
8
1
0
8
0
9
0
0
–
– 0
0
73 292 : 4 = .............
76 456 : 6 = .............
130 910 : 7 = .............
400 : 4 = 100 ≈ ............................................
600 : 6 = 100 ≈ ............................................
700 : 7 = 100 ≈ ............................................
2
9
2
8
2
4
–
4
5
4
2
6
6
9 –
– 1
2
1
2
–
7
3
3
6
3
6
6
0
7
7 2
1
2
1
1
3
0
–
– 0
7
1
0
0
0 0
– 0
41
LES 149
–
CIJFEREN: DELEN (H < DELER)
48 192 : 4 = .............
122 366 : 3 = .............
0:4=0 (200 : 4 = 50) ≈ ............................................
300 : 3 = 100 ≈ ............................................
1
9
1
6
–
2
4
3 –
3
2
3
2
4 8
6
6
3
3 0 –
0
6
1 2 2
6 0 –
6 6 0
71 497 : 7 = .............
73 219 : 3 = .............
91 819 : 9 = .............
700 : 7 = 100 ≈ ............................................
300 : 3 = 100 ≈ ............................................
900 : 9 = 100 ≈ ............................................
4
9
4
9
7
7
–
2
1
2
1
9
3
– 0
7
1
8
1
0
7
9
7 3
0
9
9
9
9 1
9 –
– 0
0
0
86 516 : 6 = ............. 600 : 6 = 100 ≈ ............................................
–
9
–
7 1
–
5
1
4
8
–
6
6
3
6
8 6
3
6 0
42
8
LES 150
CIJFEREN: DELEN (DELINGEN MET REST) 1
Los op. q3r4 19 : 5 = ……………………………
q0r6 6 : 8 = ……………………………
3 24 : 8 = ……………………………
q6r3 27 : 4 = ……………………………
q1r4 13 : 9 = ……………………………
q2r4 18 : 7 = ……………………………
q5r3 33 : 6 = ……………………………
q4r3 27 : 6 = ……………………………
q5r1 36 : 7 = ……………………………
q4r1 13 : 3 = ……………………………
q7r3 59 : 8 = ……………………………
q7r6 62 : 8 = ……………………………
q6r6 54 : 8 = ……………………………
q5r2 17 : 3 = ……………………………
q5r3 43 : 8 = ……………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
2
Maak de volgende delingen.
–
94 1 471 : 5 = q ............. r ......
240 r ...... 3 963 : 4 = q .............
500 : 5 = 100 ≈ ............................................
800 : 4 = 200 ≈ ............................................
4
7
4
5
–
1
5
9 –
2
1
2
0
9 4 –
6
3
4
8 1
6
1
6
1
0
2 4 0
3 0
– 3
–
53 r ...... 8 485 : 9 = q .............
111 r ...... 4 781 : 7 = q .............
: 9 = 100 (450 : 9 = 50) ≈ 900 ............................................
700 : 7 = 100 ≈ ............................................
4
8
4
5
5
9
7 –
3
5
2
7
–
5 3
8
1
7
7 0
8
1 1 1
7 –
8
1
1 7
– 4
43
LES 150
–
CIJFEREN: DELEN (DELINGEN MET REST)
35 r ...... 5 285 : 8 = q .............
190 r ...... 2 762 : 4 = q .............
0:8=0 ≈ ............................................
800 : 4 = 200 ≈ ............................................
2
8
2
4
5
8
7
6
2
4
4 –
4
5
4
0
3 5
3
6
3
6
1 9 0
–
– 5
0
2 0
– 2
3
Cijferspeurtocht delen
Maak de deling hieronder. Kijk naar de rest en ga naar de oefening met dat nummer!
START ‚
44
96 r …… 3 483 : 5 = q …………
1
Quotiënt 61 rest 1. Prima zo! Het gaat goed.
2
Quotiënt 234 rest 2. Jij deelt goed, zeg!
3
Rest 3 dus. Het quotiënt was 96. Goed zo!
4
Quotiënt 37 rest 4. Je bent al halverwege!
5
Quotiënt 124 rest 5. Proficiat!
6
Quotiënt 64 rest 6. Alweer goed, nu nog 1 oefening.
7
Quotiënt 30 rest 7. Weer een nul in het quotiënt! Oké?
8
Rest 8 dus en quotiënt 60. Ben je die nul niet vergeten?
Volgende oefening:
Lukt deze ook?
Om door te gaan, maak je nu:
En nu:
37 r …… 4 Kijk naar de rest! 263 : 7 = q …………
64 r …… 6 Kijk naar de rest! 518 : 8 = q …………
60 r …… 8 Kijk naar de rest! 548 : 9 = q …………
30 r …… 7 Kijk naar de rest! 277 : 9 = q …………
Je bent een echte deelkampioen!
Eens kijken of die ook nog lukt:
Zet nog even door met:
Ga door met:
124 r …… 5 Kijk naar de rest! 749 : 6 = q …………
234 r …… 2 Kijk naar de rest! 938 : 4 = q …………
61 r …… 1 Kijk naar de rest! 367 : 6 = q …………
LES 150
CIJFEREN: DELEN (DELINGEN MET REST)
–
483 : 5 = q ............. 96 3 ............. r .......
548 : 9 = q ............. 60 r ....... 8 .............
367 : 6 = q ............. 61 1 ............. r .......
500 : 5 = 100 ≈ ............................................
900 : 9 = 100 ≈ ............................................
600 : 6 = 100 ≈ ............................................
4
8
4
5
3
5 –
3
3
3
0
5
4
5
4
96
0
8
9 –
8
3
6
3
6
60
0
0
–
–
– 3
8
7
6
7
61
6 1
263 : 7 = q ............. 37 4 ............. r .......
277 : 9 = q ............. 30 7 ............. r .......
938 : 4 = q ............. 234 r ....... 2 .............
0:7=0 ≈ ............................................
0:9=0 ≈ ............................................
800 : 4 = 200 ≈ ............................................
2
6
2
1
3
7
2
7
2
7
7
9
5
3
4
9
3
8
4
8
–
–
9 –
37
0
7
30
0 –
– 4
1
3
1
2
234
– 7
1
8
1
6
– 2
–
518 : 8 = q ............. 64 6 ............. r .......
749 : 6 = q ............. 124 r ....... 5 .............
............. = q ............. r .......
800 : 8 = 100 ≈ ............................................
600 : 6 = 100 ≈ ............................................
≈ ............................................
5
1
4
8
–
8
8
7 –
3
8
3
2
6 4 –
4
9
6
6 1
4
1
2
6
1 2 4
2
9
2
4
– 5
45
LES 151 1
KLOKLEZEN: HERHALING
Dit gaat al heel vlot!
Het is na de middag. 11 12 1 10
1
Het is na de middag. 11 12 1 10
2 3
9 8
7
2 3
9
4 6
1
8
5
7
Het is na de middag. 11 12 1 10 8
5
10 voor 6 ...................................
25 voor 12 ...................................
na de middag ...................................
’s nachts ...................................
11 12 1 2 3
9
4 6
1
7
10 8
5
Het is 25 over 8 ’s avonds.
2 3
9
4 6
1
7
4 6
5
5 over 4 ................................... na de middag ................................... ag. Het is voor de midd middag.
11 12 1 10
1
10
2 3
9 8
7
8
5
2 3
9
4 6
1
11 12 1
7
4 6
5 voor 8 ...................................
na de middag ...................................
’s morgens ...................................
3
10
1
11 12 1 2 3
9 8
5
20 over 3 ...................................
2
46
11 12 1
7
4 6
5
Het is 10 over half 10 ’s morgens.
10
1
2 3
9 8
7
4 6
5
kwart voor 7 ................................... ’s morgens ...................................
Kleur het vierkantje rood als het fout is en groen als het juist is. Verbeter de fout! F J
4:14
J
Het is bijna kwart over 4 ’s morgens.
5:43
F
Het is bijna kwart voor 5 ’s morgens.
16:59
F
Het is bijna 6 uur ’s avonds.
17:03
J
Het is iets later dan 5 uur ’s avonds.
10:02
J
Het is iets later dan 10 uur ’s morgens.
19:16
F
Het is bijna kwart over 7 ’s avonds.
3:31
F
Het is iets later dan half 3 ’s morgens.
7:29
F
Het is bijna half 7 ’s morgens.
8:46
F
Het is iets later dan kwart voor 9 ’s avonds.
22:42
J
Het is bijna kwart voor 11 ’s avonds.
Hoe laat is het precies?
1 over 8 ..............................
8 voor 7 ..............................
26 over 5 ..............................
11 over 11 ..............................
’s morgens ..............................
’s morgens ..............................
’s morgens ..............................
’s morgens ..............................
LES 151
KLOKLEZEN: HERHALING 4
Hoe verloopt een dag in het circus? Repetities
Oei, het is al 13:02. Ik heb me overslapen ‌ Hoeveel minuten ben ik te laat?
12:55 Clown Dokus (eerste keer) 13:20 Goochelaar Piep Konijn 13:35 Henk en de olifanten 13:55 Dodo de dromedaris 14:35 Clown Dokus (tweede keer) 14:45 Belichting uittesten 15:05 De acrobaten aan de trapeze
7 minuten ...........
15:30 De paardendans 15:45 De acrobaten op de grond 15:10 De ezeldans
Hoeveel tijd krijgen wij om te oefenen? o
15:40 De zaal opruimen 16:15 Kassa’s open 17:00 De voorstelling begint
Het is kwart voor 2. Hoe lang moet ik nog wachten?
20 minuten ........... ... ........
Ik ben lekker koppig en blijf 10 minuten langer oefenen. Hoe laat is het wanneer ik de zaal verlaat?
10 minuten Nog ...........
voor 4 Het is 10 ................................... 15 : ........ 50 of ........
Hoe lang duurt het nog voor de voorstelling begint?
25 minuten Nog ...........
De voorstelling duurt 2 uur. Er is ook een kwartier pauze. Hoe laat kunnen de mensen naar huis?
kwart over 7 Om ................................... 19 : ........ 15 of ........
47
LES 152 1
Tover de dieren op de muur!
2
Zet een kruisje onder de ďŹ guur die klopt.
LICHT EN SCHADUW
X
48
LES 153
SCHATTEN EN AFRONDEN 1
Stel je voor dat er enkel munten van 1 en 2 euro zouden bestaan. Hoeveel zou je dan moeten betalen voor:
2
• een koek van 85 cent?
1 euro …………………………………
• een pop van 12 euro 15 cent?
12 euro …………………………………
• een paar schoenen van 67 euro 50 cent?
68 euro …………………………………
Bij welk huisje liggen deze huisnummers het dichtst? Schrijf ze erbij.
178, 184 .................................................
3
5
198, 204 .................................................
Plaats de volgende getallen op de getallenassen. 29
4
186, 192 .................................................
0
43
0
83
0
60
29
100
43
83
100
Kleur het bolletje groen als je dit ‘veel’ vindt; kleur het rood als je het ‘weinig’ vindt. V W
ô V 1 minuut stilzitten en zwijgen
ô W 1 minuut naar tv kijken
ô V elke dag 12 snoepjes eten
ô W een klas met 12 leerlingen
ô W 36 graden op de koortsthermometer
ô V 36 graden op de thermometer in de klas
ô V een zaal met 1 000 toeschouwers
ô W een stad met 1 000 inwoners
ô W een straat van 365 meter
ô V huisnummer 365
Ongeveer of precies? Kleur het bolletje. • De dokter geeft een zieke een inspuiting van 1 cl.
ô ongeveer
ô precies
• Op de wegwijzer staat ‘Rekendorp 10 km’.
ô ongeveer
ô precies
• De architect tekent op het plan een lijnstuk van 5 cm.
ô ongeveer
ô precies
• Op het melkbrik staat ‘1 liter’.
ô ongeveer
ô precies
• Op een cd staat naast een liedje ‘4.23’.
ô ongeveer
ô precies
• Mama vraagt in de winkel een kwart kilogram gehakt.
ô ongeveer
ô precies
49
LES 153 6
SCHATTEN EN AFRONDEN
Afronden a Rond af tot op een 10-voud.
7
b Rond af tot op een 100-voud.
150 153 g ………
670 666 g ………
500 523 g ………
870 865 g ………
350 349 g ………
500 498 g ………
800 796 g ………
510 505 g ………
900 850 g ………
Hoe zul je rekenen? Zet een kruisje in de juiste kolom. Ik tel.
a Je staat in het warenhuis. Je wilt voor je verjaardag 7 balpennen kopen. Elke balpen kost 94 cent. Je hebt maar 7 euro. Je vraagt je af of dat genoeg is.
Ik schat.
Ik reken uit het hoofd.
Ik gebruik Ik cijfer. de rekenmachine.
X
b Je koopt een boek van 9 euro en een rol kaftpapier van 3 euro. Je wilt weten hoeveel je moet betalen.
X
c Je wilt weten hoeveel alle kinderen van de klas samen wegen. Je kent het gewicht van elk kind afzonderlijk. d Het is nu 25 maart. Op 3 april ben je jarig. Je vraagt je af hoeveel keer je nog moet slapen.
X X
e Een hoek van de speelplaats ligt bezaaid met ‘vliegertjes’ van de esdoorn. Je vraagt je af hoeveel er wel liggen. f
Je leest een heel dik boek van 901 bladzijden. Je bent nu onderaan op blz. 895 gekomen. Je wilt weten hoeveel bladzijden je nog moet lezen.
g Je moet bij het oplossen van een probleem de volgende bewerking maken: 932 – 357. h Je wilt weten hoeveel km je tijdens een schooljaar gefietst hebt: sep. 185 km, okt. 46 km, nov. 21 km, dec. 5 km, jan. 15 km, feb. 6 km, mrt. 12 km, apr. 35 km, mei 156 km, jun. 163 km
8
Hoeveel sterren staan er aan de hemel? Ik schat: …………………
50
66 Ik tel: ………….………
X
X
(X)
X
X
LES 154
HERHALING G 1
1b
We doen inkopen voor Wibbels verjaardagsfeest. a Rond af tot op een tienvoud. afgerond
afgerond
454 ballonnen
450 .......................
404 feestmutsen
400 .......................
378 kaarsen
380 .......................
505 toeters
510 .......................
475 vlaggetjes
480 .......................
606 lepels
610 .......................
799 rietjes
800 .......................
451 servetten
450 .......................
215 pannenkoeken
220 .......................
113 stukken taart
110 .......................
102 wafels
100 .......................
666 lolly’s
670 .......................
906 flesjes drank
910 .......................
777 uitnodigingen
780 .......................
b Rond af tot op een honderdvoud. afgerond
2
afgerond
268 meter slingers
300 .......................
472 bekers
500 .......................
118 pakjes
100 .......................
385 meter lichtjes
400 .......................
350 feestneuzen
400 .......................
102 kg vruchtensla
100 .......................
Vul aan. 5
10
20 ………
25 ………
witte kralen
3 ………
6 ………
12 ………
15 ………
blauwe kralen
2 ………
4 ………
8 ………
10 ………
totaal
• Wibbel maakt een ketting met 20 kralen. 12 Hoeveel witte kralen heeft hij nodig? ……… 8 Hoeveel blauwe kralen heeft hij nodig? ……… Om deze ketting te maken, moet je
• Wibbel maakt een ketting met 25 kralen.
voor elke 3 witte kralen
15 Hoeveel witte kralen heeft hij nodig? ………
2 blauwe kralen nemen. ……
10 Hoeveel blauwe kralen heeft hij nodig? ………
Nodig N di voor 1 kan k ffeestdrank: d k
Vul aan wat er nodig is voor 2 en voor 4 kannen feestdrank.
1 kan
2…….....… kannen
4…….....… kannen
appelsap
2…….....… glazen
4…….....… glazen
8…….....… glazen
pompelmoessap
1 glas …….....…
2…….....… glazen
4…….....… glazen
ananassap
1 glas …….....…
2…….....… glazen
4…….....… glazen
schijfjes citroen
4 …….....…
8 …….....…
16 …….....…
2 glazen appelsap 1 glas pompelmoessap 1 glas ananassap 4 schijfjes citroen
51
LES 154
HERHALING
B 1
2
360 4 x 90 = ........
50 450 : 9 = ........
600 20 x 30 = ........
70 490 : 7 = ........
250 50 x 5 = ........
70 560 : 8 = ........ 735 5 x 147 = ........
121 484 : 4 = ........
861 7 x 123 = ........
207 621 : 3 = ........
000 8 x 125 = 1........
109 981 : 9 = ........
15 45 : 3 = ........
7 r ... 1 15 : 2 = q ...
13 78 : 6 = ........
8 r ... 1 49 : 6 = q ...
23 92 : 4 = ........
7 r ... 3 38 : 5 = q ... 160 320 : 2 = ........
5 100 : 20 = ........
240 960 : 4 = ........
4 100 : 25 = ........
130 650 : 5 = ........
4 200 : 50 = ........
7,8 9,10
Cijfer erop los!
892 238 + 457 + 197 = .............
289 557 – 268 = .............
368 606 – 238 = .............
200 + 500 + 200 = 900 ≈ ...........................................
600 – 300 = 300 ≈ ...........................................
600 – 200 = 400 ≈ ...........................................
+
1
2
2
3
8
4
5
7
1
9
7
8
9
2
–
4
14
17
5
9 10
16
5
5
7
6
0
6
2
6
8
2
3
8
2
8
9
3
6
8
–
623 89 x 7 = .............
798 6 x 133 = .............
820 4 x 205 = .............
100 x 7 = 700 ≈ ...........................................
6 x 100 = 600 ≈ ...........................................
4 x 200 = 800 ≈ ...........................................
8
52
5,6
Reken uit. Schrijf je tussenstappen op een blaadje.
9
1
7
x 6
2
3
3
2
6
x ... 6
3
7
9
8
0
4
x 1 1
5
8
2
0
2
LES 154
HERHALING 194 r ....... 1 777 : 4 = q .............
102 r ....... 1 919 : 9 = q .............
7
9
7
7
4
4
1
9
41 r ....... 1 329 : 8 = q .............
9
9 –
– 3
7
3
6
1 9 4
3
2
3
2
0
1
9
1
8
1 0 2
0
1
6
9
4 1
8
–
– 7
8
–
– 1
9
1
1
– 1
50 r ....... 3 453 : 9 = q .............
71 3 500 : 7 = q ............. r .......
4
5
5
0
4
5
4
9
3
9
–
0
88 r ....... 4 532 : 6 = q .............
7 –
– 0
3
50
1
0
0
4
8
–
– 3
3
71
7
–
5
2
6
5
2
88
4
8
3
4
MMR 17d
Vul aan wat ontbreekt.
2 voor 10
25 over 4 ................................
20 voor 11 ................................
5 over half 3
voor de middag.
na de middag.
’s avonds ................................
na de middag.
11 12 1 10
1
11 12 1 2 3
9 8
7
4 6
5
10
1
2 3
9 8
7
4 6
5
11 12 1 10
1
11 12 1 2 3
9 8
7
4 6
5
10
1
2 3
9 8
7
4 6
5
53
LES 154
HERHALING
MK 1
23
Onderzoek de figuren. Zet een L in de rechte hoeken.
2
24
Teken wat gevraagd wordt.
• een rechthoek met basis 3 cm en hoogte 4 cm
Zet één kruisje in de vierhoeken met juist één paar evenwijdige zijden. Zet twee kruisjes in de vierhoeken met twee paar evenwijdige zijden. Zet een bolletje in de vierhoeken waarvan de overstaande zijden even lang zijn. Zet twee bolletjes in de vierhoeken waarvan de 4 zijden even lang zijn.
X
XX O
XX
• een rechthoek waarvan dit de lengte is; de breedte is de helft van de lengte.
O
XX O
X
XX OO
3
Welke vakjes zijn gekleurd? 1
2
3
4
Kikkersprongen
4 •
A B
X C D
Vakjes:
A1 ........
De grote kikker springt 2 stenen vooruit, 3 stenen naar rechts en één steen naar links. Teken in het blauw hoe de kikker springt. Zet een kruisje in de steen waar hij terechtkomt.
B2 ........ C3 ........ D4 ........
54
De kleine kikker springt 1 steen vooruit, 2 stenen naar links, 2 stenen naar rechts en weer 3 stenen naar rechts. Teken in het groen hoe de kikker springt. Zet een bolletje in de steen waar hij terechtkomt.
SPRONG
LES 157 Leg de ďŹ guren na met je tangram.
56
OPPERVLAKTE
OPPERVLAKTE
LES 157
57
LES 158
CIJFEREN: DELEN - ALLE GEVALLEN
Doorloop de piste.
START 120 r ....... 0 480 : 4 = q ..........
4
8
0
4
4
7
2
7
2
8
8 9
1
–
– 0
728 : 8 = 91 ……………………………………………
8
0
1 2 0
8
8
–
– 0
8
0
0 0
– 0
118 r ....... 0 472 : 4 = q .......... 35 r ....... 2 247 : 7 = q .......... 4
7
2
4
4
2
4
2
1
7
7
– 0
7
118
4 – 3
2
3
2
3
5
– 3
7
3
5
– 2
– 0
149 r ....... 0 745 : 5 = q .......... Opa verdeelt 782 knikkers eerlijk onder zijn 6 kleinkinderen. 7
4
5
5
2 knikkers over. Hij houdt ………
5 – 2
4
2
0
149
– 4
5
4
5
– 0
58
Hoeveel knikkers houdt hij over?
(Cijfer hiernaast. g)
LES 158
CIJFEREN: DELEN - ALLE GEVALLEN
139 r ....... 0 834 : 6 = q ..........
Aan de kassa van het circus werden voor 728 euro toegangskaarten voor kinderen verkocht. Eén zo’n toegangskaart kost 8 euro.
8
Hoeveel toegangskaarten werden er verkocht? 91 toegangskaarten …………………………………………………………
–
(f Cijfer hiernaast.)
AANKOMST 6 –
–
4
X 643 : 5 ❒
of
5
8
3
5
1
1
4
1
0
2
8
–
–
4
3
4
0
–
2
7
2
3
1
8
6
1
4
4
5
4
– 0
2
3
102 r ....... 1 919 : 9 = q ..........
2
2
2
1
9
– 3
1 3 9
5
7 1
1
6
–
❒ 862 : 7 6
4
6
Van welke deling is het quotiënt het grootst? Kruis aan.
3
1
1
9
9
1
9
1 0 2
1
8
9 – 0 – 1
782 : 6 = q 130 r 2 ……………………………………
7
8
2
6
6 1
3
0
– 1
8
1
8
216 : 4 = 54 ……………………………………………
– 0
2 0
– 2
2
1
6
4
2
0 1
6
5 4
1
6
–
– Jochen verdeelt 216 oude stripverhalen over 4 kratten
0
om ze mee te nemen naar de rommelmarkt. Hij stopt er in elk krat evenveel. Hoeveel strips gaan er in 1 krat? 54 strips ……………………………………………………………
59
LES 159 1
WAAR BEN IK?
Kijk naar de plattegrond van Blokjeseiland. (Zie oef. 6.) a Welke wegwijzers zul je op het kruispunt met de ster zien? de vuurtoren, het trappenhuis, de supermarkt en de wolkenkrabber. Een wegwijzer naar …………………………………………………..…………………………… b Als je weet dat de spoorweg 6 km lang is, hoe groot is dan de afstand van de wolkenkrabber 3 km. naar het trappenhuis? Ik schat ……… c Waar sta ik? Achter mij zie ik de supermarkt. Voor mij zie ik het droomhuis. de piramide Bij ………………………………………… d Ik sta op de plek waar het riviertje en de spoorweg elkaar kruisen. Ik zie het fort aan mijn rechterkant. Kijk ik in de richting van het trappenhuis of in de richting van het fort? het trappenhuis In de richting van ………………………………………………… e Ik vertrek aan de supermarkt met de fiets. Ik wil tegen de wind in fietsen. Naar welk gebouw fiets ik dan het best als je weet dat er een sterke westenwind staat? de kerk (of de wolkenkrabber) Naar ……………………………………… f
Ik rij met de fiets van de supermarkt naar het station. Hoeveel keer moet ik links afslaan? 1 keer. ………
g Ik reis met de trein van de wolkenkrabber naar het station. Welke gebouwen zie ik aan mijn de vuurtoren, de kerk, het trappenhuis en het fort linkerkant? ........................................................................................................................................ ...........................................................................................................................................................
2
Mee met de boot Vul in de vakjes bij de tekening van Blokjeseiland in oefening 6 de windstreken in. Een rode boot nadert Blokjeseiland vanuit het zuiden. Al van ver zien de passagiers de wolkenkrabber zoals hiernaast. Er vaart ook een blauwe boot vanuit het noorden naar het eiland. Kleur in het rooster hoe de mensen in die boot de wolkenkrabber zien. Teken ook de twee boten op de plattegrond van oefening 6.
3
Dit is de kerk gezien van de voorkant. Bouw de kerk precies na met je blokjes. Bekijk de rechterzijkant van je bouwsel dan van op ooghoogte en kleur op het rooster wat je ziet.
4
Vanuit welke boot zie je dit? ô Vanuit de boot uit het noorden X Vanuit de boot uit het zuiden ô
60
LES 159
WAAR BEN IK? 5
Zet een kruisje bij het gebouw waar je de volgende wegwijzers ziet.
X Blokhuis 2 km – Trappenhuis 2 km – Wolkenkrabber 2 km
6
Waar ben ik op Blokjeseiland? Zet daar een groen kruisje. Voor mij zie ik de piramide. Rechts van mij zie ik de supermarkt. N fort
n vuurtoren
station
trappenhuis
kerk W
O
wolkenkrabber blokhuis X supermarktt
atge ebo bouw flatgebouw
piramide
droo oom oo mhuis droomhuis
Z
7
Ik plan een fietstochtje op Blokjeseiland. De volgende gebouwen wil ik zeker bezoeken: het trappenhuis, de vuurtoren, het fort en de kerk. Geef met pijltjes de weg aan die ik kan volgen. Ik vertrek aan het droomhuis. ongeveer Hoeveel km zal ik ongeveer fietsen als je weet dat de spoorlijn 6 km lang is?
12 km ……………
Hoeveel tijd zal ik nodig hebben om dat fietstochtje te maken, denk je?
1…………… uur
61
LES 160 1
HERHALING: BEWERKINGEN TOT 1 000
Clown Jopie wil geen streepjestent maar een blokjestent. Help jij hem kleuren? Legende:
25 bl blau blauw lau auw w
50 oran or oranje an nje
200 / 400 rood
250 / 500 geel ge el
100 10 00 : 4 5 x 10 5x5
1 000 000 : 20
500 500 : 10
2
486 486 – 43 436 6 250 25 50 : 10 0 250 250 : 5
178 17 78 – 15 1 153 53
75 7 :3
4 x 50
750 750 – 50 500 0
159 + 41
25 x 20 20
400 : 2
1 000 000 : 2
20 x 10
245 2 5 – 22 24 220 20
5 x 80
140 140 + 11 110 0
407 – 207
2 x 250 250
1 000 : 5
1 00 000 0 – 75 750 0
800 : 2
5 x 50
375 375 + 12 125 5
120 + 80
699 699 – 19 199 9
500 500 : 2
738 738 – 23 238 8
378 + 22
75 + 1 175 75
738 – 338
50 x 10 10
648 – 448
1 000 000 : 4
350 3 0:7 35
478 478 + 22
100 x 4
Weet jij hoe oud clown Jopie is? Kleur de uitkomsten in het rooster onder de oefeningen. 8 64 : 8 = ………
48 481 – 433 = ………
98 600 – 502 =………
54 324 : 6 = ………
0 7 x 0 = ………
72 216 : 3 = ………
91 48 + 43 = ………
81 9 x 9 = ………
28 569 – 541 = ………
112 28 x 4 = ………
84 59 + 25 = ………
126 6 x 21 = ………
44 38 + 6 = ………
24 120 : 5 = ………
42 168 : 4 = ………
9 180 : 20 = ………
48 240 : 5 = ………
96 695 – 599 = ………
14 98 : 7 = ………
108 18 x 6 = ………
4 1 000 : 250 = ………
0 0 x 50 = ………
35 680 – 645 = ………
18 54 : 3 = ………
12 3 x 4 = ………
88 479 – 391 = ………
49 7 x 7 = ………
63 9 x 7 = ………
24 202 – 178 = ………
64 8 x 8 = ………
0 0 x 0 = ………
27 588 – 561 = ………
52 13 x 4 = ………
8 800 : 100 = ………
7 70 : 10 = ………
45 225 : 5 = ………
32 160 : 5 = ………
104 13 x 8 = ………
21 168 : 8 = ………
72 8 x 9 = ………
56 7 x 8 = ………
56 477 – 421 = ………
56 14 x 4 = ………
99 990 : 10 = ………
16 96 : 6 = ………
77 596 – 519 = ………
117 765 – 648 = ……… 0 0 x 10 = ………
0 12 24 36 48
4 16 28 40 52
8 20 32 44 5 56
+
0 24 48 72 96
8 32 56 80 104 104
16 40 64 88 6 112 112
+
0 21 42 63 84
7 28 49 70 91
28 g Clown Jopie is …… 28 jaar. = ……
62
14 35 56 77 9 98
+
0 27 54 81 108 108
9 36 63 90 117 117
18 45 72 99 8 126 12 6
HERHALING: BEWERKINGEN TOT 1 000 3
LES 160
Mag Wiebe aan de trapeze oefenen? Eerst moest hij deze oefeningen maken. Hij moet er meer dan de helft juist hebben. Schrijf de tussenstappen en verbeter waar nodig. (6 x 4) + 36 = 50 24 …..…
154 – (9 x 7) = 91
60 ……
63 …..…
90 : (10 x 3) = 30 30 …..…
10 …..…
270 + (90 : 3) = 273 30 …..…
250 …..…
✓
750 ……
(480 + 120) : 10 = 60 600 …..…
320 …..…
✓
60 ……
80 …..…
150 ……
(180 + 70) x 4 = 1 000 250 …..…
4
✓
375 ……
294 ……
840 – (250 : 50) = 835 5 …..…
✓
7 x (500 : 5 ) = 700 100 …..…
✓
200 ……
650 – (560 – 99) = 189 461 …..…
100 …..…
619 …..…
899 ……
✓
189 ……
70 …..…
(199 + 420) + 280 = 900
✓
700 ……
8 x (20 x 5) = 80
7 ……
✓
835 ……
490 : (350 – 280) = 70
1…… 000
3 x (80 + 45) = 355 125 …..…
40 …..…
✓
560 ……
(280 : 7) x 5 = 200
✓
(250 x 4) : 10 = 10 1…..… 000 100 ……
360 ……
7 x (310 – 230) = 560
0 ……
280 + (56 : 4) = 294 14 …..…
200 ……
180 …..…
(10 x 10) + 50 = 500 100 …..…
✓
800 ……
(428 – 248) x 2 = 360
840 – (480 + 360) = 100 840 …..…
(80 x 4) – 120 = 100
300 ……
500 + (500 : 2) = 750
91 ……
80 x (5 x 2) = 800
3 ……
✓
800 ……
1 000 : (100 : 10) = 10 10 …..…
100 ……
Wiebe mag helpen aan de kassa. Lees en los op. Wiebe verkoopt 4 kaarten van 12 euro. Hij ontvangt 1 biljet van 50 euro, 1 van 5 euro en 3 munten van 1 euro. Wat moet hij nu doen?
4 x 12 = 48 50 + 5 + 3 = 58
Hij moet 10 euro teruggeven. ………………………………………………………………………………………………… Wiebe verkoopt 7 kaarten van 9 euro. Hij ontvangt 1 biljet van 50 euro en 1 van 20 euro. Wat moet hij doen?
7 x 9 = 63 50 + 20 = 70
Hij moet 7 euro teruggeven. ………………………………………………………………………………………………… Wiebe verkoopt 3 kaarten van 15 euro. Hij ontvangt een biljet van 20 euro en 3 biljetten van 5 euro. Wat moet hij doen?
3 x 15 = 45 20 + 3 x 5 = 35
Hij moet nog 10 euro vragen. ………………………………………………………………………………………………… Wiebe verkoopt 18 kaarten van 9 euro. Hij ontvangt 8 biljetten van 20 euro en een munt van 2 euro. Wat moet hij doen?
18 x 9 = 162 8 x 20 + 2 = 162
Hij moet niets doen, want er wordt gepast betaald. ………………………………………………………………………………………………… Wiebe verkoopt 10 kaarten van 12 euro. Hij ontvangt 100 euro, 10 euro en 10 munten van 50 cent. Wat moet hij doen? Hij moet nog 5 euro vragen. …………………………………………………………………………………………………
10 x 12 = 120 100 + 10 + 5 = 115
63
LES 161 1
DE ZAKREKENMACHINE
Zoek de oplossing met de rekenmachine of uit je hoofd. 810 81 x 10 = ………
254 853 – 599 = ………
Mama bakt 30 wafels en verpakt ze per 4. Hoeveel pakjes kan ze
7 252 : 36 = ………
maken? 7 pakjes ………
2
Ik rekende:
Ik rekende:
Ik rekende:
ô met de machine.
ô met de machine.
ô uit het hoofd.
ô uit het hoofd.
…… 81 + 300 + 19 = 400
0 35 x 8 x 3 x 0 = ……
805 35 x 23 = ………
714 135 + 579 = ………
Ik rekende:
Ik rekende:
Ik rekende:
Ik rekende:
ô met de machine.
ô met de machine.
ô met de machine.
ô met de machine.
ô uit het hoofd.
ô uit het hoofd.
ô uit het hoofd.
ô uit het hoofd.
Ik rekende: ô met de machine.
ô uit het hoofd.
ô uit het hoofd.
3
Welke toets werd ingedrukt?
ô met de machine.
Verbind de bewerking met de juiste uitkomst.
Denk eerst na over het antwoord, controleer dan met de rekenmachine.
4
492
: ........
4
=
123
22
x ........
22
=
484
900
– ........
487
=
413
770
: ........
22
=
35
250
x
4 ........
=
1 000
33 x 22
333
987 – 654
726
177 + 771
948
23 x 32
89
544 – 455
736
Tover de rekenmachinecijfers tevoorschijn door de juiste lijnen te overtrekken. Kijk eerst goed naar je scherm.
64
nul
één
twee
drie
vier
vijf
zes
zeven
acht
negen
LES 161
DE ZAKREKENMACHINE 5
Tik de getallen in. Draai je rekenmachine dan ondersteboven. Wat lees je? Ik tik in …
6
Ik lees … 537
LES ..........................................
7308
BOEL ..........................................
707
LOL ..........................................
1414
hihi ..........................................
707 + 707 = 1414
Maak zelf enkele ‘woorden’ op de rekenmachine.
Ik tik in …
Ik lees …
.................................
In de teletijdmachine …
..........................................
meerdere oplossingen mogelijk ................................. ..........................................
7
.................................
..........................................
.................................
..........................................
Cijfers wegpoetsen …
1948
Tel er een getal bij zodat het cijfer 7 in de uitkomst verdwijnt. Let op: de andere cijfers moeten wel blijven staan! Controleer met je rekenmachine. Bijvoorbeeld:
507 + … 507 + 2 = 509 Weg is de 7!
meerdere oplossingen mogelijk
780 + ..........
=
... 8 0
477 + ..........
=
4 ... ...
273 + ..........
=
2 ... 3
775 + ..........
=
... ... 5
707 + ..........
=
... 0 ...
20……
65
LES 162 1
HERHALING: LENGTEMATEN
Waar of niet waar? Het gestrekte touw van 60 cm is langer dan het opgerolde touw van 6 dm. ô waar
2
3
4
ô X niet waar
Wat kies je: een meetlat, een vouwmeter, een rolmeter of een centimeter (lintmeter)? Je wilt je heupomtrek meten.
een centimeter (lintmeter) ……………………………………
Je wilt een lijnstuk van 8 cm tekenen.
een meetlat ……………………………………
De metselaar wil een muurtje bouwen van 60 cm hoogte.
een vouwmeter ……………………………………
Je wilt een meetinstrument in je broekzak meenemen.
een rolmeter ……………………………………
Nummer de lengtes van kort (1) naar lang (4). 2 : de lengte van je meetlat …
4 : de breedte van je lessenaar …
3 : de hoogte van de emmer …
1 : de dikte van het telefoonboek …
Doorstreep de indringer in elke rij. meetlat - dikte - centimeter - deciliter - omtrek hoogte - weegschaal - kilogram - balans - gewicht
5
Vul een passende maateenheid aan. kg en is 1 ……… m 15 ……… cm groot. Dit jongetje weegt 20 ……… km per ……… uur Die renner fietst 35 ……… l water. In een grote emmer kan 10 ………
6
7
Welke maateenheid zul je gebruiken? Je schat de lengte van de klas.
meter ……………………………………………
Je schat de afstand tussen twee dorpen.
kilometer ……………………………………………
Je schat de diepte van de kast.
centimeter ……………………………………………
Je schat de snelheid van een voetganger.
kilometer per uur ……………………………………………
Vul in of kruis aan wat past. a Wat past het best bij ‘decimeter’? ô een voet
ô een stap
ô X een handspan
ô een duim
8 touwtjes van een kwart meter. b De hoogte van de deur is even lang als …… c Hoe hoog is de kast?
Ik schat: …………………
Ik meet: ……………….…
meerdere oplossingen mogelijk d Noteer een voorwerp met een breedte van 1 meter. …………………………………… e Hoe lang is het lijnstuk op het bord?
66
X 50 cm ô
ô 1 meter
X een halve meter ô
ô een kwart meter
ô 1 decimeter
LES 162
HERHALING: LENGTEMATEN 8
Maak een schatting met de best passende maateenheid en noteer ze in de tabel. centimeter
decimeter
meter
kilometer 116 km
de afstand tussen Rekendorp en Brussel de hoogte van het bord de diepte van je lessenaar de lengte van je balpen de afgelegde afstand na 1 uur wandelen de dikte van de vensterbank de afstand tussen je school en de kerk
9
Schat je mee? Leg op het oog twee voorwerpen op 25 cm van elkaar op je lessenaar. Controleer en meet. De afstand is ……………………………
10
Slakkenwedstrijd De slakken moeten in 10 minuten zo ver mogelijk geraken. Elke slak is nu halfweg. Teken hoe ver ze komt.
11
Vul in en kruis aan wat past. X meten en rekenen. a Om de omtrek van een vloertegel te weten, zal ik ô meten ô rekenen ô Doe dat! De omtrek is …………………… b In Plopsaland mogen de kinderen die kleiner zijn dan 1 meter gratis binnen! Mag jij gratis binnen?
ô ja
ô nee
meerdere oplossingen mogelijk
Hoeveel ben je te groot? …………………… (Werk samen met een klasgenoot om dat te meten!) c De zitplank van een stoel is één decimeter lager dan een halve meter. 40 Hoe hoog is de zitplank dan? ……………… cm 100 d Hoeveel cm zijn er naast elkaar getekend op de meetlat van 1 meter? ……………… e Schrijf het anders.
142 cm 1 m 42 cm = ………
50 cm 5 dm = ………
1 000 m 1 km = ………
35 dm 350 cm = ………
2 m …… 9 cm 209 cm = ……
2 m 200 cm = ………
3 dm 30 cm = ………
108 cm 1 m 8 cm = ………
25 cm 2 dm 5 cm = ………
67
CIJFEREN: HERHALING - ALLE BEWERKINGEN
LES 163
519
430
870
1 000 – 481
86 x 5
861
q 190 r 4
6 x 145
564
798
3 x 287
7 x 114
94 x 6
954 : 5 778
48
544
576 – 528
700 – 156
q 71 r 1 285 : 4
872 – 94
348
q 244 r 1 485 – 137
733 : 3
140
42
378 : 9 91
840 : 6
64 577
832
819 : 9 845 – 268
317 – 253
103
547 + 285
43
469
q 140 r 2 562 : 4
68
721 : 7
217 – 174
1 000 – 531 1
CIJFEREN: HERHALING - ALLE BEWERKINGEN
883
657
872
216 + 424 + 243
218 x 4
936
908
LES 163
9 x 73
675 905
4 x 227
2 x 468
5 x 135 5 x 181
282
376 785 420
846 : 3
357 + 428
84 x 5
752 : 2
q 76 r 2
882
383
q 42 r 6 728 + 154 458 : 6
300 : 7
483 855
821 – 438
177
606 261 – 84
638 + 217
348 + 258
37 + 159 + 287
850 941
810
518 + 77 + 215
287 + 654
612 + 84 + 154
69
LES 164 1
2
3
BREUKEN
Welk deel van de blokjes?
1 .... – ––––– van de figuur is groen. 6 ....
3 .... – ––––– van de figuur is groen. 5 ....
3 .... – ––––– van de figuur is groen. 7 ....
5 .... – ––––– van de figuur is wit. 6 ....
2 .... – ––––– van de figuur is wit. 5 ....
4 .... – ––––– van de figuur is wit. 7 ....
Dit moet al vlot gaan!
1 – van 12 is …… 4 3
1 – van 20 is …… 5 4
1 – van 45 is …… 9 5
2 – van 12 is …… 8 3
3 – van 20 is …… 15 4
3 – van 45 is …… 27 5
Welk deel van de figuur is groen?
4
Kruis aan wat het best past.
1 ❏ ongeveer – 4 1 ❏ ongeveer – 3 – X ongeveer 1 ❏ 2
1 ❏ ongeveer – 2 3 X ongeveer – ❏ 4
1 5 – van 30 is …… 6 4 – van 30 is …… 20 6
Vul aan. 4 – 40 van 100 is ……… 10
1 – van 250 is ……… 50 5
2 – van 15 is ……… 6 5
1 – van 280 is ……… 70 4
7 – van 40 is ……… 35 8
2 – 64 van 320 is ……… 10
1 – van 27 is ……… 9 3
5 – 10 van 200 is ……… 100
3 – van 24 is ……… 18 4
3 – van 150 is ……… 90 5
8 – van 45 is ……… 40 9
1 – 43 van 430 is ……… 10
5 – van 24 is ……… 20 6
1 – van 640 is ……… 80 8
7 ❏ ongeveer – 8
5
70
Kun je dit ook?
1 ❏ ongeveer – 2
1 – van 1 m is ………… 50 cm. 2
1 – van 1 kg is ………… 250 g. 4
1 X ongeveer – ❏ 3
3 – van 1 m is ………… 75 cm. 4
3 – van 1 kg is ………… 750 g. 4
1 ❏ ongeveer – 4
1 – van 1 km is ………… 500 m. 2
1 – 100 g. van 1 kg is ………… 10
1 ❏ ongeveer – 5
1 – van 1 km is ………… 250 m. 4
9 – 900 g. van 1 kg is ………… 10
LES 164
BREUKEN 6
Kleur tot waar de aapjes klommen.
7
Vul aan.
2 3 3 5
8
9
Kleur het meeste rood en het minste b blauw. lauw la uw.. uw
1 – van de taart 2
1 – van de taart 5
1 – van de taart 3
1 – van de taart 6
1 – van de taart 4
1 – van van de taart taa aart rt 8
Wie werkt er in het circus? Vul het diagram aan. Geef aan welke kleuren je gebruikt. acrobaten clown en goochelaars dierentemmers dierenverzorgers andere
Welk deel van de mensen die in zijn circus werken, is de directeur vergeten?
.... – ––3 ––– van de mensen .... 10
Welk deel van de mensen die in het circus werken, zijn dierentemmers of dierenverzorgers?
4 .... – ––––– van de mensen 10 ....
Er werken 200 mensen in het circus. Hoeveel dierentemmers zijn er?
20 dierentemmers ………
Hoeveel acrobaten zijn er?
40 acrobaten ………
71
LES 165/166 1
PROBLEMEN OPLOSSEN
Kan dit of kan dit niet? • Bram giet 3 emmers water van 30 graden in een zwembadje. Hij zegt: “Het water in het badje is nu 90 graden.” ô Ik denk dat dit kan.
ô X Ik denk dat dit niet kan.
• Na een uur voetballen wordt een speler vervangen. Hij is moe en zegt: “Ik denk dat ik nu wel een marathon (42 km) gelopen heb!” ô Ik denk dat dit kan.
ô X Ik denk dat dit niet kan.
• In een klein flesje kan 25 cl limonade. Een krat van 24 flesjes bevat dus 6 liter limonade. ô X Ik denk dat dit kan.
ô Ik denk dat dit niet kan.
• Daan stapt de lengte van het voetbalveld af. Hij zet 80 stappen. Zijn papa, die veel langere benen heeft, doet hetzelfde. Hij zet 120 stappen. ô Ik denk dat dit kan.
2
X Ik denk dat dit niet kan. ô
Dit zijn antwoordzinnetjes uit de toets van Wibbel. Kleur het gezichtje rood als je denkt dat het antwoord fout is en groen als het juist is.
F
Lander is jarig op 31 februari.
J
Op 3 januari was het 5 graden.
F
Een stripverhaal kost in de winkel 50 euro.
F
Ik betaal met 2 briefjes van 15 euro.
J
In elke auto zitten 3 kinderen.
F
Opa wandelde die dag 250 km.
3
Op welke plattegronden past de stapel stenen zeker niet? Omcirkel de nummers. 1
2
3
4
4
Melk voor het derde leerjaar In de gang naast het derde leerjaar staat een krat met flesjes gewone melk en chocolademelk van elk 25 cl. Een derde van het krat is leeg. Een kwart van de flesjes is gevuld met melk. Hoeveel kinderen van die klas drinken chocolademelk? melk X X X X O O XXXX OO ô Ik maak een tabel. XXXX OO XXXX OO X Ik maak een tekening. ô ô Ik gebruik wat ik zelf al weet. 12 kinderen drinken chocolademelk. Antwoord: ...............................................................................................................................................
72
LES 165/166
PROBLEMEN OPLOSSEN 5
Mee met de lijnbus De lijnbus rijdt van Wingene via Zwevezele, Ruddervoorde en Hertsberge naar Oostkamp. Daar blijft ze even wachten en dan neemt ze dezelfde weg terug. Hoeveel kilometer heeft de bus afgelegd wanneer ze terug in Wingene is? Elk ‘vakje’ heeft een zijde van 2 km. De bus rijdt enkel op de ‘lijnen’. 64 De bus heeft …………….. km afgelegd.
Loppem
Oostkamp
Zedelgem
Veldegem
Waardamme
Hertsberge
Ruddervoorde
Torhout
Wingene
Lichtervelde
6
Zwevezele
Maak een afstandstabel voor de lijnbus. Gebruik de plattegrond van oefening 5.
Loppem
Torhout
Wingene
Loppem
0 km ……
20 km ……
20 km ……
Torhout
20 km ……
0 km ……
16 km ……
Wingene
20 km ……
16 km ……
0 km ……
73
LES 165/166 7
PROBLEMEN OPLOSSEN
Beantwoord de vraag bij het opstel van Maarten. Hoeveel broers heeft de mama
In 2010 schreef Maarten over ons koningshuis:
Onze z koningg heet Albert. Hijj is ggetrouwd met Paola. Z Ze hebben drie kinderen: Filip, Astrid en Laurent. Filipp is ggetrouwd met Mathilde. Z Zijj hebben vier kinderen: Elisabeth, Gabriel, Emmanuel en Eléonore. Astrid is ggetrouwd met Lorenz. Zijj hebben z Z vijf jf kinderen: Amadeo, Maria-Laura, Joachim, Luisa-Maria en Laetitia-Maria. J Laurent is ggetrouwd met Claire. Z Ze hebben een dochter en twee zzonen: Louise en de tweeling Nicolas en Aymeric. 8
2 broers van Joachim? ………… ô Ik maak een tabel. ô Ik maak een schema. ô Ik zet alles op een rijtje. ô Ik doorstreep de gegevens die ik niet nodig heb. ô Ik zoek een patroon.
Sarah is binnenkort jarig. Sarah zit in het derde leerjaar. Ze wil alle meisjes van haar klas op haar verjaardagsfeestje uitnodigen. 12 Hoeveel uitnodigingen zal ze moeten versturen? …………… uitnodigingen KLAS Kleuter
eerste graad tweede graad derde graad
9
1 2 3 1 2 3 4 5 6
AANTAL KINDEREN jongens meisjes 12 10 10 10 13 7 10 14 12 8 9 13 11 14 12 14 13 8
TOTAAL (per klas) 22 20 20 24 20 22 25 26 21
TOTAAL (per graad) 62 44 47 47
Pieter fietst naar zee. Het is stralend weer en Pieter besluit om met de fiets naar zee te rijden. Hij woont in Ruddervoorde. Dat is 37 km van De Haan. Hij vertrekt ‘s morgens om 9 uur. Kan Pieter nog voor de middag de kust bereiken?
10
X Ik denk dat dit kan want een fietser legt ô .................................
ô Ik denk dat dit niet kan want ..........................
ongeveer 15 km per uur af. ...............................................................................
...............................................................................
...............................................................................
...............................................................................
Kleur het passende bolletje. • de hoogte van een gewone deur ô Dat weet ik.
meerdere oplossingen mogelijk
ô Ik weet het niet, maar ik kan het opzoeken.
ô Dat kan ik nooit weten!
• de snelheid van een voetganger ô Dat weet ik.
ô Ik weet het niet, maar ik kan het opzoeken.
ô Dat kan ik nooit weten!
• de hoeveelheid neerslag in februari van het jaar 2116 ô Dat weet ik.
74
ô Ik weet het niet, maar ik kan het opzoeken.
ô Dat kan ik nooit weten!
• de leeftijd van mijn mama ô Dat weet ik.
ô Ik weet het niet, maar ik kan het opzoeken.
ô Dat kan ik nooit weten!
LES 165/166
PROBLEMEN OPLOSSEN 11
Onderstreep in de passende kleur. Onderstreep de vraag in het groen. Onderstreep de gegevens die je nodig hebt in het blauw.
Een oom van Bram is wielrenner. Hij traint driemaal per week: op maandag, woensdag en vrijdag. Maandag reed hij op training 164 km en woensdag legde hij 172 km af. Hoeveel kilometer heeft hij deze week al gereden? Brams oom is van plan om morgen, vrijdag, nog eens 180 km te trainen!
12
Het gezin Hoog maakt een ballonvaart! Welke ballon is het zwaarst geladen? ballon A ………………………………………………………… ô Ik tel de gewichten op en vergelijk. ô X Ik doorstreep bij beide ballonnen wat gelijk is.
13
Kijk goed naar dit huis. Je zult ontdekken dat er nog 1 cijfer in ontbreekt. 3 Welk cijfer is dat? …… ô Ik maak een tekening. ô Ik maak een tabel. ô Ik zet alles op een rijtje. ô Ik probeer maar even. ô X Ik zoek een patroon.
14
Wie mag op het podium? Op de Guldensporenmarathon werden de volgende tijden gelopen: Kurt Haas:
2:34 uur
Filip Snel:
2:22 uur
Filip Traag:
2:29 uur
Marnix Spurt:
2:19 uur
Franky Loop:
2:32 uur
Kris Ren:
2:28 uur
Lucien Slak:
2:35 uur
Kris Ren Wie van dit groepje behaalde brons? ……………………………………………
75
LES 167 1
HERHALING
Op kamp met De Lustige Wibbeltjes (*)
Boodschappenlijstje keukenploeg maandag 1 augustus 2005 • • • • • •
5 kg gehakt 800 gram geraspte kaas 2 kg spaghetti 6 broden 2 potten choco 1 pakje pleisters
(*) Kinderen van het derde leerjaar
a Hoe groot is de omtrek van het kampterrein?
f
Arne liep 3 keer rond het terrein. Hij liep:
ô X minder dan 1 km. ô juist 1 km. 250 m ………………………………………………………… b In een tent voor de kinderen kunnen ten hoogste 4 jongens of meisjes slapen. Hoeveel kinderen kunnen er ten hoogste op kamp zijn?
ô meer dan 1 km. g 1 pak spaghetti weegt 500 gram. Hoeveel pakken moet de keukenploeg kopen?
28 kinderen ………………………………………………………… c Ellen staat voor de tent van de pauw, met haar gezicht naar de vlaggenmast. Van wie is de tent rechts van haar?
4 pakken ………………………………………………………… h Het kamp duurt 1 week en begon op een zaterdag. Op welke datum begon het kamp?
van Beer ………………………………………………………… d Boris staat voor de tent van de havik, met zijn gezicht naar de vlaggenmast. Hij hoort vreemde geluiden in de tent links van hem. Van wie is die tent?
Op 3 _0 _._ 0_ 7 . 20 0_ 5_ i
van Kameel ………………………………………………………… e De 25 kinderen vormen een ketting door languit achter elkaar op de grond te gaan liggen. Volgens Boris zal die ketting zeker even lang zijn als de lengte van het kampterrein. Heeft hij gelijk? ô ja
76
X nee ô
2/3 van de kinderen eet liever bruin brood dan wit brood. Hoeveel witte broden zal de keukenploeg kopen?
2 witte broden ………… j
De rekening in de supermarkt bedraagt 48,57 euro. Hoeveel krijgen ze terug van 50 euro?
1,43 euro (of 1 euro 43 cent) …………………………………………………………
LES 167
HERHALING 2
Vakantie aan de kust Kampioenschap vliegeren Gemeente
Aantal deelnemers a Rond af tot op een tienvoud
Blankenberge
88
90 ............
De Haan
54
50 ............
Koksijde
47
50 ............
Middelkerke
75
80 ............
Nieuwpoort
63
60 ............
Oostende
96
100 ............
Zeebrugge
26
30 ............
c Zet het juiste symbool in de hoeken: scherpe hoek: X stompe hoek: O rechte hoek: L
O b Stel de afgeronde aantallen voor met een staaf in dit diagram.
O
100 80 60
X
40 20 0
B
D
K
M
N
O
Z
Gebruik in deze opgaven de precieze aantallen. d Hoeveel deelnemers waren er in Blankenberge en Zeebrugge samen?
g Het aantal deelnemers in Knokke was het drievoud van het aantal deelnemers in Zeebrugge. Hoeveel deelnemers waren er in Knokke?
114 deelnemers ……………………………………………………… e 1/3 van de deelnemers in Nieuwpoort waren kinderen. Hoeveel kinderen deden daar mee aan het kampioenschap?
78 deelnemers ……………………………………………………… h In Middelkerke worden 5 even grote ploegen gevormd. Hoeveel deelnemers heeft één ploeg?
21 kinderen ……………………………………………………… f
Hoeveel deelnemers waren er in Middelkerke meer dan in Nieuwpoort?
12 deelnemers ………………………………………………………
15 deelnemers ……………………………………………………… i
In Zeebrugge wil men groepen van 9 maken. Hoeveel deelnemers zijn er daarvoor te kort?
1 deelnemer ………………………………………………………
77
LES 167 3
HERHALING
Lies en Lander helpen papa een dagje in de bieb ... Openingsuren bibliotheek ma di wo do vr za
14:00 - 20:00 14:00 - 19:00 9:00 - 12:00 en 13:00 - 19:00 14:00 - 19:00 14:00 - 17:00 9:00 - 13:00
240 cm
Tarieven: boeken gratis cd’s: 50 cent boete per boek/cd per dag: 10 cent 95 cm
a Vandaag is de bieb 9 uur open. Welke dag is het?
f
Als je alle legplanken van dit boekenrek achter elkaar zou leggen, hoe lang zou die rij dan zijn?
woensdag ……………………………………………… 950 cm of ……… 9 m en ……… 50 cm ……… b Lies leent 5 boeken en 4 cd’s. Hoeveel moet ze betalen?
g Lies is 1 m 20 cm groot. Teken haar naast het boekenrek.
2 euro ……………………………………………… c Oei, Robbe moet boete betalen. Hij brengt 3 boeken 2 dagen te laat binnen. Hoeveel zal dat hem kosten?
h Als de bieb sluit, heeft papa nog een halfuur werk om alles in orde te brengen. Hoe laat kunnen papa en de kinderen naar huis? half 8 Om ………………………………………
0 euro ……… 60 cent ………
19 : …… 30 of ……
d Lies moet controleren of de boeken nog netjes zijn. Na 4 uur werken heeft ze 384 boeken nagekeken. Hoeveel zijn er dat per uur? Bereken het door te cijferen.
–
96 boeken per uur. …………
3 8 4
4
3 6
96
–
Papa heeft een rekenfoutje gemaakt bij de bestellingen. Lander verbetert de fout. Kun jij dat ook? 3 14 17
457 258 209
2 4
1 9
199
2 4 0
e Om 18.20 uur komt iemand binnen die iets wil opzoeken. Hoeveel tijd heeft die persoon nog voor de bieb sluit?
78
i
nog 40 minuten ………………………………………………
j
Lander telt het geld van de cd’s na. Hij komt tot 10 euro. Hoeveel cd’s werden er die dag uitgeleend?
20 cd’s ………………………………………………
LES 167
HERHALING 4
Saber en Hella gaan met hun ouders op reis. a Hoe laat moeten ze zeker in de luchthaven zijn bij het vertrek in België? 11 uur 11 : …… 00 Om ……………………… of …… (’s morgens) Hoe laat moeten ze zeker in de luchthaven zijn bij het vertrek in Algerije?
Datum: 25.7.20…… Vertrek: Zaventem, 12:30 Bestemming: Algerije, Algiers Aankomst: 15:00 Gelieve anderhalf uur voor het vertrek in de luchthaven te zijn.
8 uur 20 : …… 00 Om ……………………… of …… (’s avonds)
Max. 20 kg bagage per persoon Prijs heen en terug (volwassene): € 621
Datum: 5.8.20…… Vertrek: Algiers, 21:30 Bestemming: België, Zaventem Aankomst: 23:00
b Het gezin neemt 3 koffers mee. Die wegen 24 kg, 37 kg en 26 kg. Hoeveel kg is dat te veel?
Gelieve anderhalf uur voor het vertrek in de luchthaven te zijn. 7 ………………… kg Max. 20 kg bagage per persoon c Hoeveel keer zal het gezin in Algerije overnachten?
11 …………………… keer
e In het vliegtuig zitten 213 passagiers. Daarvan zijn er 85 Belgen. Hoeveel niet-Belgen zitten er in het vliegtuig?
128 niet-Belgen ………
f
d Kinderen betalen 1/3 van de prijs voor volwassenen. Hoeveel kost een ticket voor een kind?
207 euro ……………
g Na de reis maakt papa een fotoalbum. Hij gebruikt 5 foto’s per pagina. Het album telt 36 pagina’s. Hoeveel foto’s gebruikt papa?
180 ……………… foto’s
Opa komt het gezin op 5 augustus ophalen. Hij komt in de luchthaven aan om 10 uur ‘s avonds. Hoe lang duurt het nog voor het vliegtuig landt?
1 uur ………
79