leerlijnen:
Eric De Witte Raf Lemmens Paul Nijs Hilde Van Iseghem Viv Vingerhoets
auteurs:
Filip De Baets Eline Govaert Erwin Leenknegt Marianne Sturbois Hilde Van Iseghem
3
Correctiesleutel
WERKSCHRIFT C
REKENSPRONG
Rekensprong Plus 3 bestaat uit: - de werkschriften a, b, c en d - het toetsschrift - het neuze-neuzeboek (onthoudboek) - de map van Wibbel: deel 1: inoefenen, automatiseren en toepassingen deel 2: remediëren en verrijken - de handleidingen a en b (met administratieve en doelen-cd-rom) - een cd-rom voor in de klas - het bordboek plus
Rekensprong Plus 3 – werkschrift c - correctiesleutel leerlijnen: Eric De Witte, Raf Lemmens, Paul Nijs, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets auteurs: Filip De Baets, Eline Govaert, Erwin Leenknegt, Marianne Sturbois, Hilde Van Iseghem Tekeningen: Mario Boon, Ina Hallemans, Riske Lemmens, Frieda Van Raevels Omslagontwerp: Greet Lesage Omslagillustratie: Riske Lemmens Lay-out en zetwerk: PX
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.
© Van In, Wommelgem, 2010 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever. Eerste druk, vierde bijdruk 2014 ISBN 978-90-306-5520-6 978-90-306-5508-4 D/2012/0078/111 D/2012/0078/718 Art. 513712/05 513696/05 NUR 192
SPRONG
LES 79 1
OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 1 000 FLEXIBEL REKENEN
Vul aan. 354 + 621 = 975
De termen zijn
354 en 621 …………………………………
De som is
975 .…………………………
optelling Deze bewerking is een …………………………… 465 – 123 = 342
2
465 …………………………………
342 Het verschil is …………………………
aftrekking Deze bewerking is een …………………………
123 De aftrekker is …………………………
Het aftrektal is
Gebruik de handigste manier om deze oefeningen op te lossen. 142 + 500 142 + 350 + 150 = ……………………………… 642 = ……………………………… = ……………………………… 784 + 60 + 40
Hier kan ik schakelen! Ik onderstreep wat ik samenneem!
784 + 100 = ……………………………… 884 = ……………………………… = ……………………………… 100 + 18 = ………………………………
145 + 500 145 + 230 + 270 = ………………………………
118 = ………………………………
645 = ………………………………
= ………………………………
= ………………………………
77 + 400 77 + 280 + 120 = ………………………………
700 + 219 485 + 219 + 215 = ………………………………
477 = ………………………………
919 = ………………………………
= ………………………………
= ………………………………
76 + 18 + 24
3
Ook dit kan eenvoudiger! Optellen of vermenigvuldigen? 5 x 56 56 + 56 + 56 + 56 + 56 = ………………….………………… (5 x 50) + (5 x 6) = ………………….………………… 250 + 30 = ………………….………………… 280 = ………………….…………………
4 x 47 47 + 47 + 47 + 47 = ……………………………… (4 x 40) + (4 x 7) = ………………………………
(3 x 200) + (3 x 70) + (3 x 3) = ………………………………
160 + 28 = ………………………………
600 + 210 + 9 = ………………………………
188 = ………………………………
819 = ………………………………
3 x 154 154 + 154 + 154 = ………………………………
4
3 x 273 273 + 273 + 273 = ………………………………
85 + 85 + 85
3 x 85 = ………………………………
(3 x 100) + (3 x 50) + (3 x 4) = ………………………………
(3 x 80) + (3 x 5) = ………………………………
300 + 150 + 12 = ………………………………
240 + 15 = ………………………………
462 = ………………………………
255 = ………………………………
OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 1 000 FLEXIBEL REKENEN 4
Schrijf in de beker wie er gewonnen heeft: Hanne of Tomas.
punten p Hanne spel 1: 178 spel 2: 157 spel 3: 22 357
punten p Tomas spel 1: 128 spel 2: 128 spel 3: 128 384
punten p Hanne spel 1: 84 spel 2: 115 spel 3: 45 244
Tomas
5
6
LES 79
punten p Tomas spel 1: 75 spel 2: 75 spel 3: 75 225
punten p Hanne spel 1: 237 spel 2: 128 spel 3: 162 527
Hanne
punten p Tomas spel 1: 237 spel 2: 237 spel 3: 237 711
Tomas
Kijk goed en los op. Je mag de lange rij in je schrift schrijven. Of kan het makkelijker? 78 63 + 15 = ......
647 214 + 433 = .........
525 127 + 225 + 173 = .........
20 56 – 36 = ......
308 728 – 420 = .........
554 198 + 154 + 202 = .........
67 28 + 39 = ......
305 536 – 231 = .........
498 198 + 154 + 146 = .........
54 73 – 19 = ......
188 94 + 94 = .........
660 512 + 88 + 60 = .........
55 18 + 37 = ......
624 199 + 425 = .........
162 62 + 19 + 81 = .........
38 66 – 28 = ......
743 632 + 111 = .........
577 219 + 155 + 203 = .........
6 79 – 73 = ......
770 805 – 35 = .........
378 148 + 123 + 107 = .........
96 48 + 48 = ......
159 299 – 140 = .........
698 130 + 398 + 170 = .........
Hoeveel punten hadden deze kinderen elk op hun proefwerk?
punten
Louka
Tim
Lien
Ellen
Pieter
Davy
Olivia
proef cijferen
87
77
84
75
84
67
82
proef hoofdrekenen
73
83
84
75
62
67
99
proef meetkunde
58
83
84
86
96
67
88
totaal
218 243 252 236 .............. .............. .............. ..............
242 201 .............. ..............
269 ..............
5
LES 80 1
2
FLEXIBEL VERMENIGVULDIGEN EN DELEN DE TAFELS
Kleur de handigste manier en reken uit.
75 x 3 x 2 =
6x5x2=
10 x 10 x 6 =
5x4x9=
4 x 8 x 25 =
(75 x 3) x 2
(6 x 5) x 2
(10 (1 0 x 10 10)) x 6
(5 x 4 4)) x 9
(4 x 8) x 25
75 x (3 x 2)
6 x (5 x 2 2))
10 x (10 x 6)
5 x (4 x 9)
4 x (8 x 25)
((75 75 x 2 2)) x 3
(6 x 2) x 5
(10 x 6) x 10
(5 x 9) x 4
(4 x 2 25) 5) x 8
= 150 x 3 ………………………
= 6 x 10 ………………………
= 100 x 6 ………………………
= 20 x 9 ………………………
= 100 x 8 ………………………
= 450 ………………………
= 60 ………………………
= 600 ………………………
= 180 ………………………
= 800 ………………………
Met tussenstapjes gaat het soms beter!
14 2 x 7 = ……
18 2 x 9 = ……
28 2 x 14 = ……
50 2 x 25 = ……
10 2 x 5 = ……
28 4 x 7 = ……
36 4 x 9 = ……
56 4 x 14 = ……
100 4 x 25 = ……
20 4 x 5 = ……
56 8 x 7 = ……
72 8 x 9 = ……
8 x 14 = 112 ……
200 8 x 25 = ……
40 8 x 5 = ……
8 x 75 =
3
8 x 125 =
8 x 45 =
150 2 x 75 = ………
2 x ……… 125 = ……… 250 …
2 x ……… 45 = ……… 90 …
150 = ……… 300 2 x ………
2 x ……… 250 = ……… 500 …
2 x ……… 90 = ……… 180 …
300 = ……… 600 2 x ………
500 = 1 000 …2 x ……… ………
2 x ……… 180 = ……… 360 …
600 dus 8 x 75 = ………
1 000 dus 8 x 125 = ………
360 dus 8 x 45 = ………
Nu weet ik hoe ik snel kan vermenigvuldigen met 8!
Hiervoor heb ik tussenstapjes nodig!
1 – van de taart 2 = de helft van de taart
1 – van de taart 4 = de helft van een halve taart
1 – van de taart 8 = de helft van een vierde taart Nu weet ik hoe ik snel kan delen door 8!
200 : 8 =
6
120 : 8 =
600 : 8 =
200 : 2 = ……… 100 ………
120 : … 2 = ……… 60 ………
600 : … 2 = ……… 300 ………
100 : 2 = ……… 50 ………
60 : … 2 = ……… 30 ………
300 : … 2 = ……… 150 ………
50 : 2 = ……… 25 ………
30 : … 2 = ……… 15 ………
150 : … 2 = ……… 75 ………
25 dus 200 : 8 = ………
15 dus 120 : 8 = ………
75 dus 600 : 8 = ………
FLEXIBEL VERMENIGVULDIGEN EN DELEN DE TAFELS 360 : 8 =
4
1 000 : 8 =
LES 80
280 : 8 =
360 : … 2 = ………… 180 ………
1 000 : … 2 = ………… 500 ………
280 : … 2 = ………… 140 ………
180 : … 2 = ………… 90 ………
500 : … 2 = ………… 250 ………
140 : … 2 = ………… 70 ………
90 : … 2 = ………… 45 ………
250 : … 2 = ………… 125 ………
70 : … 2 = ………… 35 ………
45 dus 360 : 8 = …………
125 dus 1 000 : 8 = …………
35 dus 280 : 8 = …………
Lees en los op. Schrijf hier de bewerking en reken uit.
5
We vermenigvuldigen 7 met 8.
7 x 8 = 56
We delen 12 door 4.
12 : 4 = 3
12 24 is het product van 2 en ….
24 = 2 x 12
4 8 is het quotiënt van 32 en ….
8 = 32 : 4
Hoeveel is het dubbel van het dubbel van 7?
2 x 7 = 14
2 x 14 = 28
Hoeveel is de helft van de helft van 20?
20 : 2 = 10
10 : 2 = 5
Hoeveel is de helft van het dubbel van 40?
2 x 40 = 80
80 : 2 = 40
Hoeveel is een kwart van 28?
28 : 4 = 7
Los op.
x
30
50
18
31
100
27
41
70
45
82
6
180
300
108
186
600
162
246
420
270
492
8
240
400
144
248
800
216
328
560
360
656
10
300
500
180
310
1 000
270
410
700
450
820
7
LES 81 1
KLOKLEZEN TOT OP 1 MINUUT meerdere oplossingen mogelijk
Zoek de tijdstippen op je bon of ticket. bon/ticket 1
11 12 10
1
10
1
8
2 3
9 8
2 3
9 11 12
Zo doe ik het … • Welk uur is het dichtstbij? 10 uur. • Is het vroeger of later dan 10 uur? Het is later dan 10 uur. • Hoeveel minuten over 10 is het? Het is 24 over 10. Het is 10:24 of 22:24.
4
7
6
5
4
7
5
6
………………………………… Zo doe ik het … • Welk uur is het dichtstbij? 11 uur. • Is het vroeger of later dan 11 uur? Het is vroeger dan 11 uur. • Hoeveel minuten voor 11 is het? Het is 18 voor 11. Voor de digitale tijd heb je altijd het uur dat voorbij is nodig! Het is 10:42 of 22:42.
bon/ticket 2
11 12 10
1
11 12
2
10
3
9 8
5
6
8
4
7
6
…………………………………
2
2 3
9
4
7
1
5
Bijzondere klokken: teken de lange wijzer en schrijf op hoe laat het is. Kies hier zelf een ‘bijzondere’ klok!
11 12 10
1
11 12 2 3
9 8
7
10 8
5
13 over 1 ……………………………
11 12 2 3
9
4 6
1
7
10 8
5
26 voor 1 ……………………………
11 12 2 3
9
4 6
1
7
10 8
5
9 voor 4 ……………………………
2 3
9
4 6
1
7
4 6
5
…………………………… meerdere oplossingen mogelijk
11 12 10
1
2 3
9 8
8
11 12
7
4 6
5
22 over 10 ……………………………
10
1
11 12 2 3
9 8
7
4 6
5
21 voor 2 ……………………………
10
1
11 12 2 3
9 8
7
4 6
5
12 voor 1 ……………………………
10
1
2 3
9 8
7
4 6
5
……………………………
LES 81
KLOKLEZEN TOT OP 1 MINUUT 3
4
5
Schrap wat niet juist is. 2 voor 2
58 over 2
bijna 2 uur in de namiddag
58 voor 2
8 voor 2
bijna 2 uur ’s nachts
3 voor half 8
33 voor 8
iets over half 7 ’s morgens
27 voor 8
3 over half 8
bijna half 8 ’s morgens
Zoek het uur, halfuur of kwartier dat het dichtstbij ligt. 15:44
ongeveer kwart voor 4
9:29
half 10 ongeveer ………………………………………
10:02
10 uur ongeveer ……………………………………
12:14
kwart over 12 ongeveer ………………………………………
5:31
half 6 ongeveer ……………………………………
16:46
kwart voor 5 ongeveer ………………………………………
Vul aan hoe laat het is op de gsm. Zet de tijd eerst op je klokje.
7 32
9 52
9 36
19 12
6
Wanneer werd de e-mail geschreven?
van: wibbel@rekensprong.be
van: klas3@basisschool.be
aan: klas3@basisschool.be
aan: wibbel@rekensprong.be
20 : …… 07 verzonden: _ 5 _ . _ _2 . 20 _ _ ……
7 : …… 47 verzonden: _ 6 _ . _ _2 . 20 _ _ ……
(5 februari 20…… om 7 minuten over 8 ’s avonds)
(6 februari 20…… om 13 minuten voor 8 ’s morgens)
9
LES 82 1
ECHTE BREUKEN
Kleur wat gevraagd wordt. 1 Kleur – van de bol kaas. 3
1 Kleur – van de cake. 5 Zo Z doe ik het …
2 Kleur – van de bol kaas. 3
2
3 4
4 Kleur – van de cake. 5
2 … 4
4 … 6
5 … … 7
3 … 4
Welk deel neemt elk?
Malika neemt
Papa neemt
1 … van de taart. 8 …
Jelle eet
2 … van de taart. … 8
Opa eet
3 … van de … 8 taart mee naar huis. Opa en oma nemen
? 4
de noemer: zegt in hoeveel gelijke delen het geheel verdeeld is.
Welk deel is gekleurd? Vul de teller of de noemer aan.
4 … 9
3
de teller: zegt hoeveel delen ik moet nemen.
Er blijft
2 … van de taart over. 8 …
3 … van de pizza. … 6
Oma eet
?
1 … van de pizza. 6 …
2 … van de pizza. … 6
Wat blijft er over van de pizza? niets …………………
Vul aan. meerdere oplossingen mogelijk Onze klas telt ……… leerlingen. … … van de klas. Er zijn …… jongens, dat is van de klas. … … … …… leerlingen gaan naar de jeugdbeweging. Dat is van de klas. … … …… leerlingen volgen muziekschool. Dat is van de klas. …
Er zijn ……… meisjes, dat is
10
LES 82
ECHTE BREUKEN 5
Kleur het juiste deel. Deze strook stelt alle mensen op aarde voor. 4/5 van de mensen op aarde zijn arm. Kleur dat deel grijs.
Deze cirkel stelt de aardbol voor. 7/10 van de aarde is bedekt met water. Kleur dat deel blauw.
Deze cirkel stelt de wereldbevolking voor. 3/10 van de bevolking is blank. Kleur dat deel geel.
Deze strook stelt de wereldbevolking voor. 11/20 van de bevolking woont in Azië. Kleur dat deel g geel. eel. ee l 4/20 van de bevolking woont in Europa. Kleur dat deel blau b bl blauw. auw. au w. w. 3/20 van de bevolking woont in Amerika. Kleur dat deel rood. roo ood. d. 2/20 van de bevolking woont in Afrika. Kleur dat deel bruin. brui br uin. ui n.
6
Hoe komen ze naar school?
De Trottertjes De strook stelt alle kinderen van basisschool ‘De Trottertjes’ voor. Lees af hoe de kinderen naar school komen. 2 … van de kinderen komt met de fiets. 10 … 5 … van de kinderen komt met de auto. 10 … 1 … van de kinderen komt met de bus. 10 … 2 … van de kinderen komt te voet. 10 …
7
Welk deel van de benzinetank is gevuld?
2 … van de benzinetank is gevuld. … 3
8
Welk deel van de maatbeker is gevuld?
… 4 van de maatbeker is gevuld. … 10
11
CIJFEREN: OPTELLEN MET 2 KEER ONTHOUDEN
LES 83 1
Weet je nog? Heb je het onthouden? 766 371 + 284 + 111 = ………
651 217 + 406 + 28 = ………
400 + ……… 300 + ……… 100 = ……… 800 ik schat: ………
200 + ……… 400 + ……… 0 = ……… 600 ik schat: ………
1
+
2
3
7
1
2
1
7
2
8
4
4
0
6
1
1
1
2
8
7
6
6
5
1
+ 6
429 213 + 63 + 72 + 81 = ………
648 429 + 219 = ………
200 + 100 + 100 + 100 = 500 ik schat: ……………………………………………………
400 + 200 = 600 ik schat: …………………………………………………
2
2
1
3
6
3
7
2
8
1
+
4
2
9
2
1
9
6
4
8
+ 4
12
1
2
9
2
Maak een onthoudbriefje.
3
Tel op door te cijferen. Let op: hier moet je 2 keer onthouden! 724 215 + 284 + 225 = ………
881 287 + 375 + 219 = ………
200 + 300 + 200 = 700 ik schat: …………………………………………………
300 + 400 + 200 = 900 ik schat: …………………………………………………
+
1
1
2
1
2 2 7
1
2
5
2
8
7
8
4
3
7
5
2
5
2
1
9
8
8
1
2
4
+
CIJFEREN: OPTELLEN MET 2 KEER ONTHOUDEN 4
LES 83
Cijfer netjes en onthoud goed. 772 484 + 288 = ………
871 537 + 56 + 278 = ………
500 + 300 = 800 ik schat: …………………………………………………
500 + 100 + 300 = 900 ik schat: …………………………………………………
1
1
4
8
4
2
8
8
7
7
2
1
2
5
3
7
5
6
2
7
8
8
7
1
+ +
805 112 + 98 + 324 + 271 = ………
925 66 + 284 + 258 + 317 = ………
100 + 100 + 300 + 300 = 800 ik schat: …………………………………………………
100 + 300 + 300 + 300 = 1 000 ik schat: …………………………………………………
2
1
2
1
1
2
9
8
3
2
4
2
7
1
+
2
6
6
2
8
4
2
5
8
3
1
7
9
2
5
+ 8
0
5
882 418 + 297 + 167 = ………
468 19 + 287 + 9 + 153 = ……...
400 + 300 + 200 = 900 ik schat: …………………………………………………
0 + 300 + 0 + 200 = 500 ik schat: …………………………………………………
1
2
1
4
1
8
2
9
7
1
6
7
8
8
2
2
2
1
9
8
7 9
+ 1
5
3
4
6
8
1
2
3
1
8
2
4
7
2
3
6
8
0
1
+
1
1
31 8 2 47 23 6 +
+
13
LES 84 1
CIJFEREN: AFTREKKEN ZONDER LENEN
Kun je nog cijferend optellen? 698 215 + 61 + 422 = ………
598 52 + 215 + 11 + 320 = ………
ik schat: ………………………………………………… 200 + 100 + 400 = 700
ik schat: ………………………………………………… 100 + 200 + 0 + 300 = 600
2
+
2
1
5
6
1
4
2
2
6
9
8
5
2
1
5
1
1
3
2
0
5
9
8
2
+
Hoofdrekenen is als hoogspringen! Reken uit. Begin onderaan.
351 568 – 217 = ………
61 361 – 300 = ………
552 572 – 20 = ………
500 700 – 200 = ………
3
Nu ook aftrekken met de abacus 304 758 – 454 = ………
321 387 – 66 = ………
800 – ……… 500 = ……… 300 ik schat: ………
400 – ……… 100 = ……… 300 ik schat: ………
Vul de juiste naam in. Kies uit: verschil, aftrekker, aftrektal.
–
14
7
5
8
g
aftrektal ………………………………………
g
3
8
7
4
5
4
g
aftrekker ………………………………………
g
.
6.
6.
3.
0.
4.
g
verschil ………………………………………
g
3.
2.
1.
LES 84
CIJFEREN: AFTREKKEN ZONDER LENEN 4
Cijfer nu zonder abacus! 202 526 – 324 = ………
233 784 – 551 = ………
500 – ……… 300 = ……… 200 ik schat: ………
800 – ……… 600 = ……… 200 ik schat: ………
5
2
6
3
2
4
– 0
2
4
5
5
1
2
3
3
Schik zelf netjes onder elkaar en cijfer. 215 648 – 433 = ………
211 618 – 407 = ………
600 – ……… 400 = ……… 200 ik schat: ………
600 – ……… 400 = ……… 200 ik schat: ………
6
4
8
4
3
3
–
6
1
8
4
0
7
2
1
1
– 2
1
5
521 578 – 57 = ………
172 284 – 112 = ………
600 – ……… 100 = ……… 500 ik schat: ………
300 – ……… 100 = ……… 200 ik schat: ………
5
7
8
5
7
–
2
8
4
1
1
2
1
7
2
– 5
6
8
– 2
5
7
2
1
Cijfer en controleer je resultaat met de omgekeerde bewerking. 541 963 – 422 = ………
152 689 – 537 = ………
000 – ……… 400 = ……… 600 ik schat: 1………
700 – ……… 500 = ……… 200 ik schat: ………
9
6
3
4
2
2
–
+
6
8
9
5
3
7
1
5
2
5
3
7
6
8
9
– 5
4
1
4
2
2
9
6
3
+
15
CIJFEREN: AFTREKKEN MET 1 KEER LENEN
LES 85 1
Schik zelf netjes onder elkaar en cijfer. 661 784 – 123 = ………
722 998 – 276 = ………
800 – 100 = 700 ik schat: …………………………………………………
1 000 – 300 = 700 ik schat: …………………………………………………
7
8
4
1
2
3
–
9
9
8
2
7
6
7
2
2
– 6
6
1
521 577 – 56 = ………
144 469 – 325 = ………
600 – 100 = 500 ik schat: …………………………………………………
500 – 300 = 200 ik schat: …………………………………………………
5
7
7
5
6
–
4
6
9
3
2
5
1
4
4
3
2
5
4
6
9
– 5
2
1 + Als het nodig is, leen ik.
2
Wibbel werkt door! 258 483 – 225 = ………
426 645 – 219 = ………
500 – 200 = 300 ik schat: …………………………………………………
600 – 200 = 400 ik schat: …………………………………………………
7
13
3
15
4
8
3
6
4
5
2
2
5
2
1
9
4
2
6
–
5
8
305 722 – 417 = ………
211 574 – 363 = ………
700 – 400 = 300 ik schat: …………………………………………………
600 – 400 = 200 ik schat: …………………………………………………
–
16
2
–
1
12
7
2
2
4
1
7
3
0
5
–
5
7
4
3
6
3
2
1
1
CIJFEREN: AFTREKKEN MET 1 KEER LENEN 3
Werk nu zelf door. 164 337 – 173 = ………
293 438 – 145 = ………
300 – 200 = 100 ik schat: …………………………………………………
400 – 100 = 300 ik schat: …………………………………………………
–
2
13
3
3
7
1
7
3
1
6
4
–
3
13
4
3
8
1
4
5
2
9
3
122 278 – 156 = ………
254 326 – 72 = ………
300 – 200 = 100 ik schat: …………………………………………………
300 – 100 = 200 ik schat: …………………………………………………
–
2
7
8
1
5
6
1
2
2
2
12
3
2
6
7
2
5
4
– 2
92 284 – 192 = ………
219 476 – 257 = ………
300 – 200 = 100 ik schat: …………………………………………………
500 – 300 = 200 ik schat: …………………………………………………
–
4
LES 85
1
18
2
8
4
1
9
2
9
2
–
6
16
4
7
6
2
5
7
2
1
9
In cijferoefeningen kom je de volgende aftrekkingen tegen. a Zul je moeten lenen of niet? Kruis aan.
b Moet je lenen of kun je de uitkomst meteen geven? Kruis aan of vul in.
dit gaat, ik leen niet
dit gaat niet, ik leen
4–2
X £
£
2–4
£
8–9
ik leen
uitkomst
6–2
£
4 …
X £
9–8
£
1 …
£
X £
4–6
X £
…
2–6
£
X £
9–2
£
7 …
8–4
X £
£
4–7
X £
…
1–2
£
X £
1–8
X £
…
5–6
£
X £
2–2
£
0 …
17
LES 86 1
ROUTES EN PLATTEGRONDEN
Speel Zeeslag tegen je buur. Je hebt elk een boot van 4 hokjes, een boot van 3 hokjes, een boot van 2 hokjes en een boot van 1 hokje. De boten mogen elkaar niet raken!
mijn boten A
meerdere oplossingen mogelijk
2
B
de boten van mijn buur C
D
A
E
1
1
2
2
3
3
4
4
5
5
B
C
D
Bekijk de plattegrond van de jeugdboekenbeurs en beantwoord de vragen. ingang
3 1
8 6
4
2
9
7 5
10
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
leesboeken strips gedichtenbundels tijdschriften voor kinderen de kinder- en jeugdjury informatieve boeken peuter- en kleuterboekjes vertelhoek een schrijver deelt handtekeningen uit een tekenaar aan het werk cafetaria
11
De vertelhoek is juist naast de stand waar de tekenaar staat.
£ juist £ fout Ik sta aan de stand van de strips. Ik kan het verhaal dat in de vertelhoek verteld wordt goed horen. £ juist £ fout
Ik sta met mijn rug naar stand nr. 4. Welke stand bevindt zich rechts van mij?
Ik sta met mijn gezicht naar stand nr. 9. Welke stand bevindt zich links van mij?
Ik loop van de ingang naar de cafetaria. Ik ga voorbij de stand met de tijdschriften. Die bevindt zich: £ links van mij. £ rechts van mij.
8 Stand nr. ………
18
Ik loop van de informatieve boeken naar het toilet. Ik moet voorbij de stand van de leesboeken. £ juist £ fout
3 Stand nr. ……
E
LES 86
ROUTES EN PLATTEGRONDEN 3
Waar kom ik terecht in het Rekensprongbos? Teken eerst de route op de kaart. Ik sta op het Tafelplein en neem de Wibbellaan. Daar neem ik de tweede straat rechts. Welke figuur staat op het einde van die straat? £ een cirkel £ een rechthoek £ een vierkant £ een driehoek £ een kubus Ik kom uit de Patroonlaan en sla de Wibbellaan in naar rechts. Ik neem de tweede straat links. Welke figuur kom ik tegen? £ een cirkel £ een rechthoek £ een vierkant £ een driehoek £ een kubus
4
5
Waar begint het woord? A
B
C
D
E
F
1
W
I
B
B
E
L
Ik lees horizontaal: A1 Mij zie je vaak in dit schrift. • ……
2
E
R
O
C3 Hiermee betaal je. • …… C5 De afkorting van kilogram. • ……
3
G
E
4
E
U
5
N
K
U
R
O N
G
Ik lees verticaal: A1 Dit doe je met een weegschaal. • …… 3 noem je een … C1 – • …… 4 F1 Als je werkt, krijg je dit elke maand. • ……
Dagmar en Melissa komen thuis … Teken in het blauw hoe Dagmar loopt. Dagmar zet haar fiets in de garage. Zij komt via de garage in de hal en kijkt even of Melissa op haar kamer is. Dan zet zij haar boekentas in haar kamer en neemt een flesje frisdrank uit de koelkast in de keuken. Zij gaat naar de woonkamer, ziet er Bas de hond en gaat ermee naar buiten via de voordeur.
Teken in het groen hoe Melissa loopt. Melissa komt de keuken binnen via de achterdeur. De frisdrank in de koelkast is op, dus haalt ze een fles uit de berging. Ze loopt even naar de woonkamer, waar mama aan het werk is. Ze neemt haar leesboek dat daar ligt en gaat ermee naar haar kamer.
19
LES 87 1
ECHTE BREUKEN
Vul in. – van 15 is … Zo doe ik het: 2 3
Wat is het geheel? 15 In hoeveel gelijke delen moet je het geheel verdelen? 3 Hoe groot is één deel? 5, want 15 : 3 = 5 Hoeveel delen moet je nemen? 2 Hoeveel is dat samen? 10, want 2 x 5 = 10
2
Omkring telkens wat elk dier krijgt en vul dan in. De ekster krijgt 1 van de eieren. 6 2 eieren. De ekster krijgt dus ……
De arend krijgt 2 van de eieren. 6 4 eieren. De arend krijgt dus ……
1 van 12 is …… 2 6 Aap Oki krijgt 1 van de bananen. 5 2 bananen. Aap Oki krijgt dus ……
2 van 12 is …… 4 6 Aap Iko krijgt 4 van de bananen. 5 8 bananen. Aap Iko krijgt dus ……
1 van 10 is …… 2 5
3
20
1 van 15 is 3 1 van 30 is 2 1 van 50 is 5 1 van 100 is 10 1 van 27 is 3
4 van 10 is …… 8 5
Kleur of omkring wat gevraagd wordt en vul aan. Kleur 1 van het geheel. 10
Kleur 4 van het geheel. 10
1 van …… 30 is …… 3 10
4 van …… 30 is …… 12 10
30 : …… 10 = …… 3 want ……
4 x …… 3 = …… 12 want ……
Omkring 1 van het geheel. 5
Omkring 2 van het geheel. 5
1 van …… 20 is …… 4 5
2 van …… 20 is …… 8 5
20 : …… 5 = …… 4 want ……
2 x …… 4 = …… 8 want ……
5 ……… 15 ……… 10 ……… ……… 10 9 ………
LES 87
ECHTE BREUKEN 4
Verdeel het lijnstuk. Meet het lijnstuk eerst. Duid dan het gevraagde deel aan met een boogje en noteer de breuk erboven.
1 van het lijnstuk 4
8 cm. Het lijnstuk meet …… 1 4
8 cm. Het lijnstuk meet …… 3 van het lijnstuk 4
1 van het lijnstuk 3
9 cm. Het lijnstuk meet …… 1 3
9 cm. Het lijnstuk meet …… 2 van het lijnstuk 3
5
6
3 4
2 3
Vul in. Gebruik de figuur als je ze nodig hebt.
1 van 20 is …… 5 4
1 van 18 is …… 3 6
3 van 20 is …… 15 4
4 van 18 is …… 12 6
1 van 15 is …… 3 5
1 van 21 is …… 3 7
2 van 15 is …… 6 5
5 van 21 is …… 15 7
Vul aan. Er zijn 40 noten te verdelen. 1 De hamster krijgt van de noten, 10 4 noten. dus …… 6 De eekhoorn krijgt van de noten, 10 24 noten. dus …… 3 12 noten, Ik hou van de noten, dus …… 10 voor mezelf.
Er zijn 36 druiven te verdelen. 1 De mus krijgt van de druiven, 9 4 druiven. dus …… 3 De vink krijgt van de druiven, 9 12 druiven. dus …… 5 Ik ben gek op druiven. Ik hou van de druiven, 9 20 druiven, voor mezelf. dus ……
21
LES 88
VEELHOEKEN: EIGENSCHAPPEN VAN ZIJDEN EN HOEKEN - DIAGONALEN
1
Overtrek in elke figuur alleen de diagonalen.
2
Zet een kruisje bij de vlaggen waar je diagonalen ziet.
£ Denemarken
£ Griekenland
x Papua-Nieuw-Guinea £ Seychellen £
3
Teken alle diagonalen van deze veelhoeken.
4
Wegen trekken
£ Guyana
x Jersey £
£ Marshall-eilanden
£ Zuid-Afrika
Elk dorp moet door een weg verbonden worden met alle andere. Teken deze wegen. Hoeveel zijn het er? 10 wegen ……
Apegem
Uilegem
22
Eendebeke
Ezelsdorp
Visseko
VEELHOEKEN: EIGENSCHAPPEN VAN ZIJDEN EN HOEKEN - DIAGONALEN 5
6
Teken een vierhoek en zijn diagonalen. meerdere oplossingen mogelijk
7
8
LES 88
Dit zijn de diagonalen. Teken de figuur.
Kruis aan wat juist is. Gebruik je lat en je geodriehoek.
x De figuur heeft juist één £
£ De figuur heeft geen
£ De figuur heeft juist één
paar evenwijdige zijden. £ De figuur heeft twee paar evenwijdige zijden. £ De overstaande zijden zijn even lang. x Er is maar één paar over£ staande zijden die even lang zijn.
rechte hoeken. £ De figuur heeft juist 2 rechte hoeken. x De figuur heeft 4 rechte £ hoeken. x De overstaande zijden zijn £ evenwijdig. x Alle zijden zijn even lang. £
paar evenwijdige zijden. x De figuur heeft twee paar £ evenwijdige zijden. x De overstaande zijden zijn £ even lang. £ Er is maar één paar overstaande zijden die even lang zijn.
Teken telkens twee verschillende figuren die passen. Je mag in je enveloppe kijken! een vierhoek met 4 rechte hoeken
meerdere oplossingen mogelijk een vierhoek met zeker 1 paar evenwijdige zijden
23
LES 89
HERHALING
G 1
Kleur het gevraagde deel of vul in welk deel van de letter gekleurd is. meerdere oplossingen mogelijk
3 van de letter K is gekleurd. • … 10 … • Kleur 7 van de letter O. 10 5 … • van de letter U is gekleurd. 9 …
2
2a
• Kleur 2 van de letter D. 9
3 van het uitroepteken is gekleurd. • … 5 … 2b
Omcirkel wat gevraagd wordt en vul aan. Omkring 1 van het geheel. 3
Omkring 2 van het geheel. 3
1 van 12 is …… 4 3 12 : …… 3 = …… 4 want ……
2 van 12 is …… 8 3 2 x …… 4 = …… 8 want ……
Omkring 1 van het geheel. 4
Omkring 3 van het geheel. 4
1 van 8 is …… 2 4 8 : …… 4 = …… 2 want ……
3 van 8 is …… 6 4 3 x …… 2 = …… 6 want ……
B 1
Dit gaat al heel vlot! 522 452 + 70 = ……………………………
24
3a
2
Weet je nog hoe dit moet? 20 + 5 x …… 3 …… + 5 x …… 5 x 123 = 5 x 100
740 800 – 60 = ……………………………
500 + 100 + 15 = 615 = ……………………………………………
152 275 – 123 = ……………………………
3 x 200 + 3 x 80 + 3 x 1 3 x 281 = ……………………………………………
58 85 – 27 = ……………………………
600 + 240 + 3 = 843 = ……………………………………………
360 400 – 40 = ……………………………
4 x 100 + 4 x 70 + 4 x 4 4 x 174 = ……………………………………………
398 275 + 123 = ……………………………
400 + 280 + 16 = 696 = ……………………………………………
712 800 – 88 = ……………………………
6 x 100 + 6 x 50 + 6 x 8 6 x 158 = ……………………………………………
39 87 – 48 = ……………………………
600 + 300 + 48 = 948 = ……………………………………………
175 250 – 75 = ……………………………
5b
LES 89
HERHALING 3
4
6b
Hoe ging dat delen ook alweer? 80 : 5 = 50 : 5 + 30 : 5 / \ 10 + 6 = 16 50 30 = …………………………………
30 : 3 + 12 : 3 42 : 3 = ………………………………… /\ 10 + 4 = 14 30 12 = …………………………………
60 : 6 + 18 : 6 78 : 6 = ………………………………… / \ 10 + 3 = 13 60 18 = …………………………………
40 : 4 + 12 : 4 52 : 4 = ………………………………… /\ 40 12
10 + 3 = 13 = …………………………………
3b,c 5b,6b
Let op: hier kun je handig rekenen. 100 – … 1 = ……………… 444 345 + 99 = 345 + ………
400 + 65 = 465 273 + 65 + 127 = …………………………………………
582 + 300 – 1 = 881 582 + 299 = …………………………………………
50 200 : 4 = …………………………………………
654 + 200 – 1 = 853 654 + 199 = …………………………………………
25 200 : 8 = …………………………………………
53 + 100 = 153 53 + 82 + 18 = …………………………………………
120 + 20 = 140 4 x 35 = …………………………………………
500 + 133 = 633 480 + 133 + 20 = …………………………………………
240 + 40 = 280 8 x 35 = ………………………………………… of = 2 x(2 x(2 x 35)) = 280
5
7
Cijferend optellen gaat al vlot! 980 432 + 327 + 221 = ………
820 247 + 387 + 186 = ……...
400 + 300 + 200 = 900 ik schat: …………………………………………………
200 + 400 + 200 = 800 ik schat: …………………………………………………
1
2
2
4
3
2
2
4
7
3
2
7
3
8
7
2
2
1
1
8
6
8
2
0
+
+ 9
8
0
771 198 + 316 + 257 = ………
804 159 + 538 + 107 = ……...
200 + 300 + 300 = 800 ik schat: …………………………………………………
200 + 500 + 100 = 800 ik schat: …………………………………………………
1
2
1
2
1
9
8
1
5
9
3
1
6
5
3
8
2
5
7
1
0
7
8
0
4
+
+ 7
7
1
25
LES 89 6
HERHALING
515 867 – 352 = ………
248 573 – 325 = ………
900 – 400 = 500 ik schat: …………………………………………
600 – 300 = 300 ik schat: …………………………………………
8
6
7
3
5
2
–
6
13
5
7
3
3
2
5
2
4
8
– 5
1
5
419 658 – 239 = ………
535 852 – 317 = ………
700 – 200 = 500 ik schat: …………………………………………
900 – 300 = 600 ik schat: …………………………………………
4
18
4
12
6
5
8
8
5
2
2
3
9
3
1
7
5
3
5
–
– 4
1
9
442 927 – 485 = ………
187 658 – 471 = ………
900 – 500 = 400 ik schat: …………………………………………
700 – 500 = 200 ik schat: …………………………………………
8
12
9
2
7
4
8
5
–
5
15
6
5
8
4
7
1
1
8
7
– 4
4
2
85 367 – 282 = ………
509 725 – 216 = ………
400 – 300 = 100 ik schat: …………………………………………
700 – 200 = 500 ik schat: …………………………………………
–
26
8
Maar we kunnen ook al cijferend aftrekken!
2
16
3
6
7
2
8
2
8
5
–
1
15
7
2
5
2
1
6
5
0
9
LES 89
HERHALING MMR
17d
Kloklezen a Lees de wijzerklok en vul de digitale klok aan. Het is telkens voor de middag. 11 12 10
1
11 12 2 3
9 8
7
6
11 12 10
7
2
6
5
20 voor 11 …………………………
10
1
3 7
4 6
5
4 over 4 …………………………
11 12 2 3
8
7
6
10
1
3
9 7
4 6
5
21 over 5 …………………………
2 3
8
7
4 6
5
28 voor 9 …………………………
11 12 2
1
9
5
10 voor 3 …………………………
8
10
4
11 12 2
1
9
5
9 8
10
4
11 12
4 6
2
2 voor 5 …………………………
3
9 7
8
5
1
11 12 3
9
4
12 over 8
8
10
1
10
1
2 3
9 8
7
4 6
5
16 over 7 …………………………
b Welk uur, halfuur of kwartier ligt het dichtstbij? Schrijf voluit.
kwart over 10 …………………………
kwart voor 12 …………………………
27
LES 89
HERHALING
MK 1
Sneeuwmannen op stap. Kijk op het stratenplan en beantwoord de vragen. a Wortel gaat naar links en neemt dan de eerste straat links. Koukleum Welke sneeuwman woont in het begin van deze straat? …………………………………… b Zakdoek gaat naar rechts, neemt de eerste straat links en stopt bij de laatste sneeuwman Hatsjie van de straat. Wie is dat ? …………………………………………
c Muts gaat naar links, slaat rechtsaf en bezoekt de laatste sneeuwman van de straat Brr aan zijn linkerhand. Wie is dat? ………………………………………… d Snot gaat naar links, slaat linksaf en bezoekt de tweede sneeuwman aan zijn linkerhand. Nies Wie is dat? …………………………………………
A
B
C
D
E
2
Wie woont waar?
1
2
3
4
5
6
7
28
vakje A4
Brr …………………………
vakje B7
Hatsjie …………………………
B4 vakje ………
Want
D7 vakje ………
Koukleum
E4 vakje ………
Snot
SPRONG
LES 92 1
OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 1 000
Dit kan ik nog uit het tweede leerjaar! 13 7 + 6 = ……
15 8 + 7 = ……
11 4 + 7 = ……
5 12 – 7 = ……
11 3 + 8 = ……
6 15 – 9 = ……
5 14 – 9 = ……
11 2 + 9 = ……
9 17 – 8 = ……
7 12 – 5 = ……
10 14 – 4 = ……
14 7 + 7 = ……
6 11 – 5 = ……
13 4 + 9 = ……
11 6 + 5 = ……
12 5 + 7 = ……
8 14 – 6 = ……
9 16 – 7 = ……
9 12 – 3 = ……
9 15 – 6 = ……
9 14 – 5 = ……
7 11 – 4 = ……
14 9 + 5 = ……
14 5 + 9 = ……
12 7 + 5 = ……
4 13 – 9 = ……
12 3 + 9 = ……
5 13 – 8 = ……
5 11 – 6 = ……
8 17 – 9 = ……
6 12 – 6 = ……
13 5 + 8 = ……
12 4 + 8 = ……
8 15 – 7 = ……
14 8 + 6 = ……
15 6 + 9 = ……
4 11 – 7 = ……
16 9 + 7 = ……
9 18 – 9 = ……
8 13 – 5 = ……
17 8 + 9 = ……
11 7 + 4 = ……
16 7 + 9 = ……
6 13 – 7 = ……
4 12 – 8 = ……
8 16 – 8 = ……
15 9 + 6 = ……
3 11 – 8 = ……
18 9 + 9 = ……
10 10 + 0 = ……
Ik had …… oefeningen juist in 3 minuten.
2
Op elke laatste dag van de maand telt Lien het geld dat in haar spaarpot zit. Tel mee!
31 januari
€ 40 31 maart
€ 60 31 mei
€ 72 31 juli
€ 18 30 september
€ 54
3
30
Schrijf de bewerking op de stippellijn en reken uit.
Vul aan.
25 euro naar de bank gebracht
64 euro gekregen voor mijn verjaardag
28 februari
40 – 25 = 15 ……………………………………
15 + 64 = 79 ……………………………………
15 euro verdiend met babysitten
34 euro betaald voor mijn rugzak
60 + 15 = 75 ……………………………………
75 – 34 = 41 ……………………………………
38 euro uitgegeven aan nieuwe jas
19 euro gekregen van mama
72 – 38 = 34 ……………………………………
34 + 19 = 53 ……………………………………
voor 47 euro verkocht op de rommelmarkt
19 euro geleend van Tim voor cadeau papa
18 + 47 = 65 ……………………………………
65 + 19 = 84 ……………………………………
voor 26 euro kleren gekocht
19 euro teruggegeven aan Tim
54 – 26 = 28 ……………………………………
28 – 19 = 9 ……………………………………
79 Lien heeft …… euro. 30 april 41 Lien heeft …… euro. 30 juni 53 Lien heeft …… euro. 31 augustus 84 Lien heeft …… euro. 31 oktober 9 Lien heeft …… euro.
Wibbel heeft juist 100 euro. Welke spaarpot is van hem? Kleur die.
84 + 17 – 28 =
46 – 18 + 62 =
34 + 58 + 7 =
37 – 2 8 + 91 = 28
73 …………………………
90 …………………………
99 …………………………
100 …………………………
LES 92
OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 1 000 4
5
Los dit op de handigste manier op. 73 –
Los op.
10 + ...... 1 = ...... 64 9 = 73 – ...... –
9
29
98
199
266 – 50 + 1 = 217 266 – 49 = ......................................
247
238
218
149
48
200 + ...... 1 = ......... 446 645 – 199 = 645 – ......
281
272
252
183
82
354
345
325
256
155
431
422
402
333
232
384
375
355
286
185
782
773
753
684
583
543
534
514
445
344
137 –
137 – 10 + 1 = 128 9 = ......................................
432 – 400 + 1 = 33 432 – 399 = ....................................... 516 – 300 + 1 = 217 516 – 299 = ....................................... 100 + ...... 2 = ......... 258 356 – 98 = 356 – ...... 845 – 500 + 2 = 347 845 – 498 = ....................................... 957 – 700 + 2 = 259 957 – 698 = .......................................
486 – 79 = …………………………………… 486 – 80 + 1 = 407 614 – 598 = …………………………………… 614 – 600 + 2 = 16
6
Lees en los op. Je mag de bewerking in de tweede kolom schrijven. Papa metselt een tuinhuis. Lien heeft 122 stenen klaargezet, Tim 99 en mama 78. Na 3 uur metselen roept papa dat zijn stenen allemaal op zijn. Hoeveel stenen heeft papa in die 3 uur gebruikt?
122 + 99 + 78 = 200 + 99 = 299
Papa heeft 299 stenen gebruikt. ………………………………………………………………………… Eén laag telt ongeveer 65 stenen. Papa moet zo 8 lagen metselen. Kan hij dat in 4 uur? ………………………………………………………………………… neen
7
in 1 uur: ongeveer 100 stenen 8 x 65 = 480 + 40 = 520
Kijk goed en los op. Schrijf zo nodig de lange rij op in je schrift. Of kan het makkelijker?
44 243 – 199 = ………
304 –
295 9 = ………
533 –
525 8 = ………
640 738 – 98 = ………
227 155 + 72 = ………
89 +
96 7 = ………
62 88 – 26 = ………
556 605 – 49 = ………
7 105 – 98 = ………
770 795 – 25 = ………
84 45 + 39 = ………
532 266 + 266 = ………
403 527 – 124 = ………
528 726 – 198 = ………
807 709 + 98 = ………
250 445 – 195 = ………
266 99 + 167 = ………
45 193 – 148 = ………
756 864 – 108 = ………
442 700 – 258 = ………
606 416 + 190 = ………
240 278 – 38 = ………
283 138 + 145 = ………
281 183 + 98 = ………
69 98 – 29 = ………
430 750 – 320 = ………
541 345 + 196 = ………
31
LES 93 1
SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE
Ontcijfer de boodschap. Tip: gebruik je spiegeltje!
Koekoek
2
Ik heb de hik
Wat ziet de tweeling in de spiegel? Kruis het spiegelbeeld aan.
x
3
Zet een kruisje bij die dominostenen waar de twee helften elkaars spiegelbeeld zijn.
X
X
4
Kleur de vlinders zo dat de delen links en rechts elkaars spiegelbeeld zijn.
meerdere oplossingen
32
mogelijk
5
Kleur de vakjes zo dat de ďŹ guren links en rechts elkaars spiegelbeeld zijn.
LES 93
SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE 6
Kun je deze verkeersborden in twee delen verdelen die elkaars spiegelbeeld zijn?
X ja £ £ nee
£ ja X nee £
X ja £ £ nee
£ ja X nee £
x ja £ £ nee
£ ja X nee £
X ja £ £ nee
X ja £ £ nee
£ ja X nee £
X ja £ £ nee
7
Teken een rechte die het verkeersbord in twee delen verdeelt die elkaars spiegelbeeld zijn.
8
Knipfiguren: wat krijg je na het openvouwen? Zet een kruisje bij de juiste figuur.
X
✁ ✁
X
33
HERHALING: VERMENIGVULDIGEN EN DELEN TOT 1 000 - SCHAKELEN
LES 94 1
Vul aan. 12 x 24 = 288
125 : 5 = 25
2
12 en 24 De factoren zijn ………………………………………………
Het product is 288 ……
vermenigvuldiging Deze bewerking is een ……………………………...……
12 De vermenigvuldiger is ……
125 Het deeltal is ………
25 Het quotiënt is ……
deling Deze bewerking is een ……………………………………
5 De deler is ……
Even herhalen 12 x 10 = 120 ……
2 x 100 = 200 ……
8 x 90 = 8 x 9T = 72 ……T = 720 ……
4 x 80 = 320 ……
56 x 10 = 560 ……
100 x 2 = 200 ……
6 x 5T = 30T = 300 6 x 50 = …………………… ……
630 7 x 90 = ……
8 x 12
8 x ……) 10 + (… 8 x ……) 2 = (…
4 x ......) 100 + (... 4 x ......) 60 + (... 4 x ......) 3 4 x 163 = (...
80 + …… 16 = …… 96 = …… 3 x 27
3
4
400 + ...…... 240 + ...…... 12 = ……… 652 = …......
(3 x 20) + (3 x 7) = ……………………………………
(3 x 200) + (3 x 90) + (3 x 5) 3 x 295 = ……………………………………………………
60 + 21 = 81 = ……………………………………
600 + 270 + 15 = 885 = ……………………………………………………
14 x 30 = (10 x 30) + (4 x 30)
x 40) + (7 x 40) 17 x 40 = (10 ……………………………………
= …………………..……… 300 + 120
= …………………………..……… 400 + 280
= …………………..……… 420
= …………………………………… 680
Reken uit.
80 (20 x 2) x 2 = ……
5 (40 : 4) : 2 = ……
40 (20 x 4) : 2 = ……
48 12 x (8 : 2) = ……
80 20 x (2 x 2) = ……
20 40 : (4 : 2) = ……
40 20 x (4 : 2) = ……
48 (12 x 8) : 2 = ……
Lees en los op. De kinderen gaan op schoolreis. Er staan 5 bussen klaar. In elke bus zijn er 58 zitplaatsen. Hoeveel leerlingen en leerkrachten zijn er ongeveer? Kruis het goede antwoord aan.
ô ongeveer 200
x ongeveer 300 ô
ô ongeveer 400
Rune koopt 60 flesjes water van een halve liter. Hoeveel liter water neemt hij mee? 30 liter ……
5
34
Vul aan.
x
10
100
30
47
80
20
60
54
142
4
40
400
120
188
320
80
240
216
568
7
70
700
210
329
560
140
420
378
994
12
120
960
240
720
360
DELINGEN VAN HET TYPE HTE : E, MET H DEELBAAR DOOR DE DELER 1
Even herhalen 100 700 : 7 = ……
70 140 : 2 = ……
100 600 : 6 = ……
70 420 : 6 = ……
100 300 : 3 = ……
90 630 : 7 = ……
100 500 : 5 = ……
70 210 : 3 = ……
100 800 : 8 = ……
50 450 : 9 = ……
Vul in. Kies uit: deelteken, deling, deler, deeltal, quotiënt.
2
3
LES 95
450 : 5 = 90
deling g …………………………………
450
deeltal g …………………………………
:
deelteken g …………………………………
5
deler g …………………………………
90
quotiënt g …………………………………
70 : ...... 7 + ...... 28 : ....... 7 = ....... 10 + ...... 4 = ...... 14 98 : 7 = ...... / \ 70 … 28 … 60 : ...... 6 + ...... 42 : ....... 6 = ....... 10 + ...... 7 = ...... 17 102 : 6 = ...... / \ 60 … 42 … 40 : ...... 4 + ...... 12 : ....... 4 = ....... 10 + ...... 3 = ...... 13 52 : 4 = ...... / \ 40 …
12 …
80 : ...... 8 + ...... 32 : ....... 8 = ....... 10 + ...... 4 = ...... 14 112 : 8 = ...... / \ 80 … 32 …
Kruis de bewerking(en) aan waarmee je het quotiënt NIET kunt vinden.
ô 48 : 4 = 40 : 4 + 8 : 4
x 66 : 6 = 66 : 3 + 66 : 3 ô
x 48 : 4 = 48 : 2 + 48 : 2 ô
ô 66 : 6 = 60 : 6 + 6 : 6
ô 48 : 4 = 48 : 2 : 2
x 66 : 6 = 6 : 6 + 6 : 6 ô
Los op door het deeltal te splitsen. 800 : …2 + …… 40 : … 2+… 2:… 2 842 : 2 = ……… / | \
=
400 + ………
Ik splits en ik verdeel verdeel! l!
20 + …… 1 = ……… 421 ……
800 2 … 40 … … 600 : 3 + 30 : 3 + 9 : 3 639 : 3 = …………………………………………… 200 + 10 + 3 = 213 = …………………………………………… 400 : 4 + 80 : 4 + 4 : 4 484 : 4 = …………………………………………… 100 + 20 + 1 = 121 = …………………………………………… 700 : … 7 + …… 42 : … 7 742 : 7 = ……… / \
=
100 + ………
6 = ……… 106 ……
700 … 42 …
700 : … 7 + …… 70 : … 7 + 14 7 784 : 7 = ……… …:… / | \
=
100 ………
+
10 ……
2 = ……… 112 + ……
700 … 70 … 14 …
600 : 6 + 36 : 6 636 : 6 = ………………………………………
800 : 8 + 80 : 8 + 16 : 8 896 : 8 = ………………………………………
100 + 6 = 106 = ………………………………………
100 + 10 + 2 = 112 = ………………………………………
800 : 8 + 16 : 8 816 : 8 = ………………………………………
900 : 3 + 30 : 3 + 15 : 3 945 : 3 = ………………………………………
100 + 2 = 102 = ………………………………………
300 + 10 + 5 = 315 = ………………………………………
35
LES 95 4
DELINGEN VAN HET TYPE HTE : E, MET H DEELBAAR DOOR DE DELER
Los op. Denk aan de deeltafels of splits het deeltal! 400 : 4 + 40 : 4 + 16 : 4 456 : 4 = ………………………………………
60 540 : 9 = ………………………………………
100 + 10 + 4 = 114 = ………………………………………
= ………………………………………
400 : 4 + 24 : 4 424 : 4 = ………………………………………
600 : 3 + 30 : 3 + 9 : 3 639 : 3 = ………………………………………
100 + 6 = 106 = ………………………………………
200 + 10 + 3 = 213 = ………………………………………
90 270 : 3 = ……………………………………… = ………………………………………
5
800 : 4 + 40 : 4 + 36 : 4 876 : 4 = ………………………………………
700 : 7 + 70 : 7 + 21 : 7 791 : 7 = ………………………………………
200 + 10 + 9 = 219 = ………………………………………
100 + 10 + 3 = 113 = ………………………………………
800 : 2 + 40 : 2 + 4 : 2 844 : 2 = ………………………………………
800 : 8 + 48 : 8 848 : 8 = ………………………………………
400 + 20 + 2 = 422 = ………………………………………
100 + 6 = 106 = ………………………………………
500 : 5 + 45 : 5 545 : 5 = ………………………………………
900 : 9 + 54 : 9 954 : 9 = ………………………………………
100 + 9 = 109 = ………………………………………
100 + 6 = 106 = ………………………………………
Ik kan delen door af te trekken! Bo ruimt haar kast op en wil al haar spullen mooi in pakjes of doosjes verdelen. Help je haar?
36
Bo wil 64 stickers verdelen in pakjes van 20. Hoeveel pakjes heeft ze?
Bo wil 45 sleutels verdelen in pakjes van 15. Hoeveel pakjes heeft ze?
Bo wil 100 kaarten verdelen in pakjes van 25. Hoeveel pakjes heeft ze?
3 ………
3 ………
4 ………
Hoeveel stickers zijn er over?
Hoeveel sleutels zijn er over?
Hoeveel kaarten zijn er over?
4 ………
0 ………
0 ………
20 = 44 64 – ...........................................
– 15 = 30 45 .............................................
– 25 = 75 100 ...........................................
44 – 20 = 24 ..................................................
30 – 15 = 15 ..................................................
75 – 25 = 50 ..................................................
24 – 20 = 4 ..................................................
15 – 15 = 0 ..................................................
50 – 25 = 25 ; 25 – 25 = 0 ..................................................
3 r… 4 dus 64 : 20 = q …
0 dus 45 : 15 = q …3 r …
4r… 0 dus 100 : 25 = q …
Bo wil 60 autootjes verdelen in doosjes van 12. Hoeveel doosjes heeft ze?
Bo wil 76 prentjes verdelen in pakjes van 25. Hoeveel pakjes heeft ze?
Bo wil 94 knikkers verdelen in doosjes van 20. Hoeveel doosjes heeft ze?
5 ………
3 ………
4 ………
Hoeveel autootjes zijn er over?
Hoeveel prentjes zijn er over?
Hoeveel knikkers zijn er over?
0 ………
1 ………
14 ………
– 12 = 48 ; 48 – 12 = 36 60 .............................................
76 – 25 = 51 ..................................................
94 – 20 = 74 ..................................................
36 – 12 = 24 ; 24 – 12 = 12 ..................................................
51 – 25 = 26 ..................................................
74 – 20 = 54 ; 54 – 20 = 34 ..................................................
12 – 12 = 0 ..................................................
26 – 25 = 1 ..................................................
34 – 20 = 14 ..................................................
5r… 0 dus 60 : 12 = q …
3 r… 1 dus 76 : 25 = q …
4 r 14 dus 94 : 20 = q … …
LES 96/97
GEWICHT: KG EN G 1
Kruis aan hoeveel het ongeveer weegt. ongeveer 100 g 500 g
ongeveer 1 kg
ongeveer 1 kg
meer dan
X
een klein potje yoghurt
X
een brik melk van 1 liter
X
een stapel telefoonboeken X
een klein brood
X
een grote poes
2
Lees de ingrediënten voor een chocoladecake af.
2 dl melk ………
0g 5 00 g 500
400
0g 100
5 00 g 500
200 0
400
300
100 g bloem ………
3
5 eieren
0g 100
5 00 g 500
200 0
400
300
210 g suiker ………
0g 100
5 00 g 500
200 0
400
300
100
200 0 300
200 g chocolade ………
100 g boter ………
Hoeveel gaan er in 1 kg?
3 WERKSCHRIF T
C
Dit werkschrift is van
4
1 potje yoghurt weegt 125 g.
1 krijtje weegt 10 gram.
1 werkschrift weegt 250 gram.
In 1 kg gaan …… 8 potjes.
In een doos van 1 kg gaan
Voor een stapel van 1 kg zijn
100 krijtjes. ………
4 schriften nodig. ……
Verbind wat bij elkaar hoort.
1 kg
3 kg 800 g
200 g
50 g
37
CIJFEREN: AFTREKKEN MET 2 KEER LENEN
LES 98 1
In cijferoefeningen staan de volgende aftrekkingen. a Moeten we lenen of niet? Kruis aan.
2
Dit gaat, ik leen niet.
Dit gaat niet, ik leen.
4–3
x ô
ô
6–2
x ô
7–8
Ik leen.
Uitkomst
5–8
x ô
…
ô
7–2
ô
5 …
ô
x ô
5–9
x ô
…
6–6
x ô
ô
9–3
ô
6 …
7–6
x ô
ô
7–4
ô
3 …
1–1
x ô
ô
4–7
x ô
…
Maak de volgende aftrekkingen door te cijferen. 448 674 – 226 = ………
341 824 – 483 = ………
316 483 – 167 = ………
700 – 200 = 500 ik schat: ……………………………
800 – 500 = 300 ik schat: ……………………………
500 – 200 = 300 ik schat: ……………………………
–
6
14
7
12
6
7
4
8
2
4
2
2
6
4
8
3
4
4
8
3
4
1
–
–
7
13
4
8
3
1
6
7
3
1
6
119 481 – 362 = ………
151 237 – 86 = ………
211 737 – 526 = ………
500 – 400 = 100 ik schat: ……………………………
200 – 100 = 100 ik schat: ……………………………
700 – 500 = 200 ik schat: ……………………………
–
7
11
1
13
4
8
1
2
3
7
3
6
2
8
6
1
1
9
–
1
5
1
318 443 – 125 = ………
459 745 – 286 = ………
ik schat: …………………………… 400 – 100 = 300
ik schat: …………………………… 700 – 300 = 400
–
38
b Moet je lenen of ken je de uitkomst? Kruis aan of vul in.
3
13
6
13
15
4
4
3
7
4
5
1
2
5
2
8
6
3
1
8
4
5
9
–
–
7
3
7
5
2
6
2
1
1
Ik leen alleen maar als hett nodig is!
CIJFEREN: AFTREKKEN MET 2 KEER LENEN 3
LES 98
Leen twee keer als het nodig is. 377 522 – 145 = ………
345 634 – 289 = ………
179 267 – 88 = ………
500 – 100 = 400 ik schat: ……………………………
600 – 300 = 300 ik schat: ……………………………
300 – 100 = 200 ik schat: ……………………………
4
11
12
5
12
14
1
15
17
5
2
2
6
3
4
2
6
7
1
4
5
2
8
9
8
8
7
9
–
– 3
7
7
– 3
4
5
1
413 – 255 = ……… 158
287 – 135 = ……… 152
666 – 279 = ……… 387
ik schat: …………………………… 400 – 300 = 100
ik schat: …………………………… 300 – 100 = 200
ik schat: …………………………… 700 – 300 = 400
3
10
13
4
1
3
2
5
5
–
8
7
1
3
5
– 1
4
2
5
8
5
15
16
6
6
6
2
7
9
3
8
7
– 1
5
2
Wibo is de hoogspringkampioen! Wibo springt, met een goede aanloop, over een hoogspringlat die 134 cm hoog ligt. Zijn vriendje springt over een lat die 46 cm minder hoog ligt. Hoe hoog springt het vriendje van Wibo?
…………………… = ……… 134 – 46 88 ik schat: ………………………………………………… 100 – 0 = 100
88 cm hoog. Het vriendje springt ……………… Controleer je resultaat door de omgekeerde bewerking te maken.
0
12
14
1
3
4
4
6
8
8
– …
1
+ … 1
1
8
8
4
6
3
4
39
LES 99 1
CIJFEREN: AFTREKKEN MET ‘NULLEN’
Wibbel draagt een nulbrilletje! 412 732 – 320 = ………
451 754 – 303 = ………
211 254 – 43 = ………
700 – 300 = 400 ik schat: ……………………………
800 – 300 = 500 ik schat: ……………………………
300 – 0 = 300 ik schat: ……………………………
7
3
2
3
2
0
–
5
4
3
0
3
– 4
1
2
2
5
4
4
3
1
1
– 4
5
1
2
150 277 – 127 = ………
202 432 – 230 = ………
80 782 – 702 = ………
300 – 100 = 200 ik schat: ……………………………
400 – 200 = 200 ik schat: ……………………………
800 – 700 = 100 ik schat: ……………………………
2
7
7
1
2
7
–
2
4
3
2
2
3
0
– 1
5
0
7
8
2
7
0
2
8
0
– 2
0
2
Ik heb 0, niks meer! Ik moet wel lenen! 419 640 – 221 = ………
217 830 – 613 = ………
306 430 – 124 = ………
600 – 200 = 400 ik schat: ……………………………
800 – 600 = 200 ik schat: ……………………………
400 – 100 = 300 ik schat: ……………………………
3
10
2
10
2
10
6
4
0
8
3
0
4
3
0
2
2
1
6
1
3
1
2
4
3
0
6
–
– 4
1
9
– 2
1
7
92 307 – 215 = ………
188 413 – 225 = ………
– 200 = 100 ik schat:300 ……………………………
– 200 = 200 ik schat:400 ……………………………
2
10
3
0
7
2
1
5
–
3
10
13
4
1
3
2
2
5
1
8
8
– 9
40
7
2
Nullen: geen probleem!
LES 99
CIJFEREN: AFTREKKEN MET ‘NULLEN’ 538 702 – 164 = ………
278 503 – 225 = ………
29 304 – 275 = ………
700 – 200 = 500 ik schat: ……………………………
500 – 200 = 300 ik schat: ……………………………
300 – 300 = 0 ik schat: ……………………………
–
6
9 10
12
4
9 10
13
2
9 10
14
7
0
2
5
0
3
3
0
4
1
6
4
2
2
5
2
7
5
5
3
8
2
7
8
2
9
–
–
167 400 – 233 = ………
293 900 – 607 = ………
278 607 – 329 = ………
400 – 200 = 200 ik schat: ……………………………
900 – 600 = 300 ik schat: ……………………………
600 – 300 = 300 ik schat: ……………………………
3
9 10
10
8
9 10
10
5
9 10
17
4
0
0
9
0
0
6
0
7
2
3
3
6
0
7
3
2
9
2
9
3
2
7
8
–
–
– 1
6
7
354 900 – 546 = ……… 900 – 500 = 400 ik schat: ……………………………
8
9 10
10
9
0
0
5
4
6
3
5
4
3
Wibbel telt de nullen! Hoeveel nullen zal Wibbel tellen in de volgende cijferles? Reken het uit en controleer met de omgekeerde bewerking. 76 nullen ……… In deze les telde ik al 202 nullen! In de volgende cijferles zullen het er 126 minder zijn.
–
202 – 126 = 76 518 803 – 285 = ……… 800 – 300 = 500 ik schat: ……………………………
ik schat : 200 – 100 = 100 9
7
9 10
13
8
0
3
2
8
5
5
1
8
–
1 10 12 2 0 2 1 2 6 7 6
– 1 1
controle:
1 2 6 7 6 + 2 0 2
41
LES 100 1
TEMPERATUUR
Noteer de temperatuur en kleur de thermometers. meerdere oplossingen mogelijk
2
40
40
40
30
30
30
20
20
20
10
10
10
0
0
0
–10
–10
–10
–20
–20
–20
–10
buiten:
lichaamstemperatuur:
…… °C
…… °C
…… °C
Vul aan.
19
6
23 22
8
18
5
0 20
3 12 °C hoogste temperatuur: …………
23 °C hoogste temperatuur: …………
3 °C laagste temperatuur: …………
18 °C laagste temperatuur: …………
9 °C temperatuurverschil: …………
5 °C temperatuurverschil: …………
Lees de temperatuur af.
In de koelkast
42
0
in de klas:
12
3
10
4 °C is het ………
20
20
20
10
10
10
0
0
0
–10
–10
–10
–20
–20
–20
In de diepvriezer is het –18 ………°C
Deze slaapzak houdt je warm, –9 °C is. zelfs als het buiten …………
LES 100
TEMPERATUUR 4
Kleur de thermometers in en vul de temperatuur aan. Bij mij was he t va an nnacht –5°C.
Bij mij was he t 3 graden koud er.
20
20
20
10
10
10
10
0
0
0
0
–10
–10
–10
–10
–20
–20
–20
–20
–3 ° C ……
–4 …… ° C
–7 ° C ……
Kleur de thermometers. Vul dan aan hoeveel de temperatuur gestegen is. maandagnacht
dinsdag
dinsdagnacht
woensdag
20
20
20
20
10
10
10
10
0
0
0
0
–10
–10
–10
–10
–20
–20
–20
–20
–5 °C
–1 °C
4 graden gestegen. De temperatuur is ……
6
Bij mij was he t vannacht –4°C .
20
–5 ° C ……
5
Bij mij was he t 2g graden warm er.
–2 °C
1 °C
3 graden gestegen. De temperatuur is ……
Kijk naar de thermometers in oefening 5. Kruis aan wat juist is. Wanneer was het het koudst?
Wanneer was het het warmst?
x ô ô ô ô
ô ô ô x ô
maandagnacht dinsdag dinsdagnacht woensdag
maandagnacht dinsdag dinsdagnacht woensdag
43
LES 101 1
CONSTRUCTIES
Kleur de aanzichten.
2
2
3
2
2
2 vooraanzicht voor
2
linkerzijaanzicht
rechterzijaanzicht
achteraanzicht
Zet een kruisje bij het rechterzijaanzicht van deze auto.
x
voor
3
44
Wat zul je zien op de monitor? Kleur de aanzichten en vul in. 1
2
3
4
1
2
3
4
Camera 1 toont het vooraanzicht.
rechterzijaanzicht Camera 2 toont het ………………………………
achteraanzicht Camera 3 toont het ………………………………
linkerzijaanzicht Camera 4 toont het ………………………………
LES 101
CONSTRUCTIES 4
Elk gebouw wordt van twee kanten bekeken. Welk van de vier zie je zo op de monitor?
A
B camera 1
C
camera 2
D
D Gebouw ……
5
Bij welk huis hoort dit rechterzijaanzicht? huis A
huis B
huis C
huis D
B en … D Bij de huizen …
6
Welk aanzicht is dit? Vul in. gebouw
aanzicht
linkerzijaanzicht ………………………………………………………
7
Van welk huisje is het vooraanzicht hetzelfde als het achteraanzicht? De pijl staat bij het vooraanzicht.
huis B ………………………………………………………
huis A
8
huis B
huis C
Hoeveel blokken heb je nodig om een huisje te bouwen met deze aanzichten? Probeer zo weinig mogelijk blokken te gebruiken!
vooraanzicht
rechterzijaanzicht
7 blokken nodig. Ik heb ………
45
LES 102
HERHALING
B 1
3,5,6
Reken uit. a Reken je mee? Soms kan het handig! 730 660 + 70 = ………
100 – …… 1 = ……… 552 453 + 99 = 453 + ………
760 930 – 170 = ………
78 + 100 – 1 = 177 78 + 99 = ………………………………………………
95 58 + 37 = ………
653 + 300 – 1 = 952 653 + 299 = ………………………………………………
48 85 – 37 = ………
56 + 20 – 1 = 75 56 + 19 = ………………………………………………
228 75 + 128 + 25 = ………
63 + 100 – 2 = 161 63 + 98 = ………………………………………………
477 426 + 37 + 14 = ………
225 + 50 – 1 = 274 225 + 49 = ………………………………………………
100 + …… 1 = ……… 354 453 – 99 = 453 – ………
200 + 4 x …… 30 + 4 x …… 7 4 x 237 = 4 x ………
178 – 100 + 1 = 79 178 – 99 = ………………………………………………
800 + 120 + 28 = 948 = ………………………………………………
653 – 300 + 1 = 354 653 – 299 = ………………………………………………
3 x 200 + 3 x 40 + 3 x 5 3 x 245 = ………………………………………………
263 – 100 + 2 = 165 263 – 98 = ………………………………………………
600 + 120 + 15 = 735 = ………………………………………………
275 – 50 + 1 = 226 275 – 49 = ………………………………………………
5 x 100 + 5 x 60 + 5 x 8 5 x 168 = ……………………………………………… 500 + 300 + 40 = 840 = ………………………………………………
75 x 10 75 x 5 x 2 = ………………………………………………… 750 = ………………………………………………… 100 x 6 25 x 6 x 4 = ………………………………………………… 600 = ………………………………………………… (500 : 2) : 2 500 : 4 = …………………………………………………
60 : 6 + …… 12 : 6 = ……… 12 72 : 6 = …… / \ 60 12 500 : 5 + 30 : 5 530 : 5 = ………………………………………………… / \ 100 + 6 = 106 500 30 = …………………………………………………
250 : 2 = 125 = …………………………………………………
800 : 8 + 64 : 8 864 : 8 = ………………………………………………… / \ 100 + 8 = 108 800 64 = …………………………………………………
((1 000 : 2) : 2) : 2 1 000 : 8 = …………………………………………………
300 : 3 + 30 : 3 + 12 : 3 342 : 3 = …………………………………………………
125 = …………………………………………………
100 + 10 + 4 = 114 = …………………………………………………
b Los op. 1 daarvan 4 is deze winter ziek geweest. Hoeveel kinderen zijn dat? In onze school zijn er 436 kinderen.
436 : 4 = (400 : 4) + (36 : 4) = 100 + 9 = 109
109 kinderen Antwoord: ………… Dokter Hatsjie vraagt voor een huisbezoek ……… euro. Hij legt vandaag 7 huisbezoeken af. Hoeveel ontvangt hij daarvoor?
46
Antwoord: Hij ontvangt ………… euro.
meerdere oplossingen mogelijk
LES 102
HERHALING 2
7,8
Vlot cijferen 770 135 + 279 + 356 = ………
346 728 – 382 = ………
233 604 – 371 = ………
+ 300 + 400 = 800 ik schat: 100 ………………………………
700 – 400 = 300 ik schat: ………………………………
600 – 400 = 200 ik schat: ………………………………
+
1
2
1
3
5
6
12
2
7
9
7
2
8
3
5
6
3
8
2
7
7
0
3
4
6
–
–
5
10
6
0
4
3
7
1
2
3
3
588 865 – 277 = ………
443 632 – 189 = ………
498 936 – 438 = ………
900 – 300 = 600 ik schat: ………………………………
600 – 200 = 400 ik schat: ………………………………
900 – 400 = 500 ik schat: ………………………………
–
7
15
15
5
12
12
8
12
16
8
6
5
6
3
2
9
3
6
2
7
7
1
8
9
4
3
8
5
8
8
4
4
3
4
9
8
–
–
369 604 – 235 = ………
235 803 – 568 = ………
274 800 – 526 = ………
600 – 200 = 400 ik schat: ………………………………
800 – 600 = 200 ik schat: ………………………………
800 – 500 = 300 ik schat: ………………………………
–
5
9 10
14
7
9 10
13
7
9 10
10
6
0
4
8
0
3
8
0
0
2
3
5
5
6
8
5
2
6
2
3
5
2
7
4
–
– 3
6
9
MMR 1
13
We wegen ... a Vul aan.
meerdere oplossingen mogelijk 000 g 1 kg = 1………
Dit heb ik gewogen: ………………………………… Gewicht: ………………
500 g een halve kg = ……… 250 g een kwart kg = ………
Ik heb het goed afgewogen.
ô ja
ô nee
Hierop moet ik een volgende keer letten bij het wegen: ……………………………………………………………………
10 keer 100 g 1 kg = ……
……………………………………………………………………
47
LES 102
HERHALING
b Kruis aan wat het best past. ongeveer 200 g een klein brikje vruchtensap een brik melk van 1 liter een volle boekentas 5 grote appels
2
ongeveer 500 g
meer dan 2 kg
X X X X
Lees de temperatuur af of kleur de thermometer in.
MK
14
1
40
40
40
30
30
30
20
20
20
10
10
10
0
0
0
–10
–10
–10
–20
–20
–20
Kleur de andere helft van de dominosteen zo dat beide helften elkaars spiegelbeeld zijn.
5 °C …………
–3 °C
2
ongeveer 1 kg
temperatuur in onze klas meerdere oplossingen
Bouw dit blokkenbouwsel na. Vul het grondplan aan en teken de aanzichten.
3
2
1
3
2
1
27
vooraanzicht
achteraanzicht
rechterzijaanzicht
linkerzijaanzicht
grondplan
48
SPRONG
LES 105 1
NEGATIEVE GETALLEN
Dit flatgebouw heeft vreemde bewoners … Kruis de juiste vakjes aan en beantwoord de vragen.
Ik stap in op de benedenverdieping en daal 3 verdiepingen. Ik kom bij …
x Eric de egel. £
£ Pietje Belhamel. £ Piet Precies.
2 ………
Ik vertrek bij Helga de Huismuis en stijg 4 verdiepingen. Ik kom bij …
£ het gezin Zottebende. x Sofietje Snotneus. £
Ik vertrek bij het gezin Zottebende en daal 2 verdiepingen.
£ Pietje Belhamel. x de garage. £
£ Helga de huismuis.
2
Ik ben bij Pietje Belhamel en wil naar de garage. Hoeveel verdiepingen moet ik dalen? 4 ………
£ Piet Precies. Ik kom bij …
Ik ben bij Helga de huismuis en wil naar de winkel. Hoeveel verdiepingen moet ik stijgen?
Ik ben bij het gezin Zottebende en moet naar de garage. Hoeveel verdiepingen moet ik dalen? 2 ………
De lift is defect! Hoeveel trappen moet je doen? Tussen twee verdiepingen zijn er telkens 25 trappen.
50
van de benedenverdieping naar de 2e verdieping onder de grond
50 trappen ………
van –1 naar de 2e verdieping boven de grond
75 trappen ………
van +1 naar –1
50 trappen ………
van helemaal boven naar helemaal beneden in het flatgebouw
175 trappen ………
LES 105
NEGATIEVE GETALLEN 3
Kleur de thermometers in en vul aan.
laagste temperatuur
hoogste temperatuur
hoogste temperatuur
20
20
20
20
10
10
10
10
0
0
0
0
–10
–10
–10
–10
–20
–20
–20
–20
–8 ……°C
4
laagste temperatuur
–1 ……°C
–3 ……°C
8 ……°C
het verschil tussen deze twee temperaturen:
het verschil tussen deze twee temperaturen:
7 °C ……
11 °C ……
Wat is het temperatuurverschil?
20
20
10
10
0
0
–10
–10
–20
–20
buiten
binnen
–7 °C ……
3 °C ……
10 °C temperatuurverschil: ………
5
blau bl auw au w en de twee hoogste rood. roo ood d Kleur in elk rooster de twee laagste temperaturen blauw –2 °C
0 °C
1 °C
–2 °C
0 °C °C
–1 °C
–3 °C
4 °C °C
2 °C
–3 °C
–4 °C
C 2 °°C
–8 °C
C 5 °°C
–5 °°C C
–8 °C
–5 °C
–10 °°C C –10
51
HOOFDREKENEN: OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 1 000
LES 106 1
2
3
Dit kan ik vlot!
000 250 + 750 =1……
620 1 000 – 380 = ……
340 + 560 = 900 ……
730 1 000 – 270 = ……
190 1 000 – 810 = ……
700 450 + 250 = ……
480 + 420 = 900 ……
460 800 – 340 = ……
900 640 + 260 = ……
520 700 – 180 = ……
000 650 + 350 =1……
390 1 000 – 610 = ……
620 1 000 – 380 = ……
750 1 000 – 250 = ……
230 + 670 = 900 ……
750 1 000 – 250 = ……
990 640 + 350 = ……
170 1 000 – 830 = ……
690 1 000 – 310 = ……
Even herhalen om niet te vergeten!
23 29 – 6 = ………
828 748 + 80 = ………
522 945 – 423 = ………
303 298 + 5 = ………
13 9 + 4 = ………
720 670 + 50 = ………
808 816 – 8 = ………
194 200 – 6 = ………
69 58 + 11 = ………
757 633 + 124 = ………
694 724 – 30 = ………
900 896 + 4 = ………
45 36 + 9 = ………
811 804 + 7 = ………
827 850 – 23 = ………
948 954 – 6 = ………
72 53 + 19 = ………
399 395 + 4 = ………
630 849 – 219 = ………
325 317 + 8 = ………
33 52 – 19 = ………
257 53 + 204 = ………
850 900 – 50 = ………
708 811 – 103 = ………
17 45 – 28 = ………
390 385 + 5 = ………
599 639 – 40 = ………
665 538 + 127 = ………
Vul aan. 500
4
000 590 + 410 =1……
250
125
1 000
30 meer
530 ………
de helft
125 ………
het dubbel
250 ………
de helft
500 ………
de helft
250 ………
125 meer
375 ………
125 meer
250 ………
500 minder
500 ………
500 meer
1 000 ………
het dubbel
500 ………
250 meer
375 ………
750 minder
250 ………
het dubbel
1 000 ………
125 minder
125 ………
875 meer
1 000 ………
555 minder
445 ………
10 minder
490 ………
250 meer
500 ………
25 minder
100 ………
0 meer
1 000 ………
Los op.
optelling In een ………………………………………… mag ik de haakjes verplaatsen, aftrekking in een ………………………………………… niet. 80 (50 + 10) + 20 = ……
40 + (30 + 70) = 140 ……
…… 60
100
80 50 + (10 + 20) = …… …… 30
700 1 000 500 + (200 + 300) = ………
70
500
80 50 + 10 + 20 = ……
40 + 30 + 70 = 140 ……
1 000 500 + 200 + 300 = ……...
30 (60 – 20) – 10 = ……
20 (100 – 50) – 30 = ……
0 (700 – 400) – 300 = ………
40 ……
52
(40 + 30) + 70 = 140 ……
1 000 (500 + 200) + 300 = ………
50
300
50 60 – (20 – 10) = ……
80 100 – (50 – 30) = ……
10 ……
20
30 60 – 20 – 10 = ……
20 100 – 50 – 30 = ……
600 700 – (400 – 300) = ……… 100 0 700 – 400 – 300 = ………
HOOFDREKENEN: OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 1 000 5
LES 106
Speel je mee domino? Vul de bewerkingstekens aan.
:3 21 …
3+0
–5 8…
2x2
16 x 2
:3 90 …
6x5
:9 81 …
3x3
:5 40 …
:4 100 …
22 + 5
9x …3
6x3
x9 2…
4x4
28 + 4
x2 25 …
36 + 14
+0 45 …
17 + 28
40 …: 10
4… x0
27 – 9
– 10 28 …
20 + 40
– 20 80 …
0x8
6
20 : 5
x4 8…
x
8…2
5x5
2x4
4x …8
–
6…2
4+3
Los dit op de handigste manier op.
+
8
198
9
49
499
–
9
49
99
499
198
14
22
212
23
63
513
800
791
751
701
301
602
126
134
324
135
175
625
658
649
609
559
159
460
245
253
443
254
294
744
571
562
522
472
72
373
322
330
520
331
371
821
764
755
715
665
265
566
445
453
643
454
494
944
957
948
908
858
458
759
74
83
272
83
123
573
900
891
851
801
401
702
146
154
344
155
195
645
688
679
639
589
189
490
437
445
635
446
486
936
752
743
703
653
253
554
256
264
454
265
305
755
974
965
925
875
475
776
285
293
483
294
334
784
706
697
657
607
207
508
53
DELINGEN VAN HET TYPE 490 : 2, 720 : 6, 700 : 2
LES 107 1
Even herhalen. Denk aan de deeltafels of splits het deeltal. 109 327 : 3 = ……………………………………………………
216 864 : 4 = ...................................................
……………………………………………………
...................................................
106 848 : 8 = ……………………………………………………
100 1 000 : 10 = ...................................................
……………………………………………………
...................................................
60 240 : 4 = …………………………………………………… ……………………………………………………
2
100 500 : 5 = ……………………………………………………
80 560 : 7 = ……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
80 160 : 2 = ……………………………………………………
124 372 : 3 = ……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
109 763 : 7 = ……………………………………………………
228 684 : 3 = ……………………………………………………
……………………………………………………
……………………………………………………
Los op door het deeltal te splitsen. 6 + …… 120 : …… 6 = ……… 120 720 : 6 = 600 …… : …… / \
100 ……
+
400 : 4 + 160 : 4 560 : 4 = ……………………………………………………
20 ……
= 100 + 40 = 140 …………………………………………………
600 120
3
800 : 8 + 160 : 8 960 : 8 = ……………………………………………………
700 : 7 + 280 : 7 980 : 7 = ……………………………………………………
= 100 + 20 = 120 ……………………………………………………
= 100 + 40 = 140 ……………………………………………………
600 : 3 + 120 : 3 720 : 3 = ……………………………………………………
500 : 5 + 250 : 5 750 : 5 = ……………………………………………………
= 200 + 40 = 240 ……………………………………………………
= 100 + 50 = 150 ……………………………………………………
Zoek het quotiënt en de rest. 57 : 4 = q …… 14 r … 1 / \ Ik splits:
40
17
Dit kan ik delen:
40 ……
16 ……
Ik heb gedeeld:
10 ……
4 ……
1 Dit is over: …
84 : 6 = q …… 14 r … 0 / \ Ik splits:
60 ……
24 ……
Dit kan ik delen:
60 ……
24 ……
Ik heb gedeeld:
10 ……
4 ……
15 r … 4 79 : 5 = q …… / \
54
Ik splits:
50 ……
29 ……
Dit kan ik delen:
50 ……
25 ……
ik heb gedeeld:
10 ……
5 ……
4 Dit is over: …
0 Dit is over: …
12 r … 4 100 : 8 = q …… / \ Ik splits:
80 ……
20 ……
Dit kan ik delen:
80 ……
16 ……
ik heb gedeeld:
10 ……
2 ……
4 Dit is over: …
DELINGEN VAN HET TYPE 490 : 2, 720 : 6, 700 : 2 4
LES 107
Lees en los op. Febe en Falke willen wat spullen verkopen op de rommelmarkt. Ze maken pakjes. Ze verdelen 80 stickers in pakjes van 20. Ze verdelen 75 speldjes in pakjes van 25. Ze verdelen 200 knikkers in zakjes van 50. Ze verdelen 1 000 zegels in pakjes van 100.
5
4 80 : 20 = ……
Hoeveel keer gaat 20 in 80?
4 pakjes. Ze hebben ……
Hoeveel pakjes hebben ze?
75 : …… 25 = …… 3 ……
25 in ……? 75 Hoeveel keer gaat ……
3 pakjes. Ze hebben ……
Hoeveel pakjes hebben ze?
…… : …… 200 50 = …… 4
Hoeveel keer gaat …… 50 in ……? 200
Ze hebben …… 4 pakjes. 1…… 000: 100 10 …… = ……
Hoeveel pakjes hebben ze? 000 Hoeveel keer gaat 100 …… in1……?
10 pakjes. Ze hebben ……
Los op en kleur je uitkomsten in het rooster. 1 000 : 4 = 250 ……
Hoeveel keer gaat 30 in 90?
3 ……
140 420 : 3 = ……
300 900 : 3 = ……
600 : 3 = 200 ……
Hoeveel keer gaat 50 in 250?
5 ……
70 280 : 4 = ……
17 85 : 5 = ……
500 : 5 = 100 ……
Hoeveel keer gaat 4 in 100?
25 ……
130 780 : 6 = ……
16 112 : 7 = ……
800 : 2 = 400 ……
Hoeveel keer gaat 25 in 100?
4 ……
190 760 : 4 = ……
150 300 : 2 = ……
1 000 : 2 = 500 ……
Hoeveel keer gaat 60 in 600?
10 ……
60 540 : 9 = ……
24 96 : 4 = ……
Hoeveel keer gaat 50 in 1 000?
20 ……
450 900 : 2 = ……
250 : 2 = 125 ……
6
Hoeveel pakjes hebben ze?
3
4
5
8
10 10
16
17 17
19
20 20
24
25 25
40
60
62
66
70 70
90
100 100
110
125 125
127
128
129
130 130
133
136
140 140
145
150 150
170
190 190
200 200
210
230
250 250
260
290
300 300
400 400
450 450
480
500 500
600
900
Lees en los op. Klaas en Tim willen van Oostende naar Hotton fietsen. De afstand bedraagt ongeveer 270 km. Ze zijn van plan iedere dag 6 uur te rijden. Zo kunnen ze ongeveer 90 km per dag afleggen. Hoeveel dagen zijn ze onderweg?
270 : 90 = 3 O
H
3 dagen van Oostende naar Hotton. Ze fietsen …… Hoeveel kampeerplaatsen moeten ze zoeken voor onderweg? 2 kampeerplaatsen zoeken. Ze moeten …… Mama haalt 250 euro van de bank in briefjes van 50 euro. Hoeveel biljetten krijgt ze?
250 : 50 = 5
5 biljetten. Mama krijgt ……
55
LES 108 1
KLOKLEZEN (HERHALING)
Noteer hoe laat het is en vul dan de digitale klok aan. 11 12 10
1
11 12 3
9 8
7
4 6
56
7
4 6
10
2 3
9 8
5
25 voor 6 ……………………………
11 12
7
8
5
10 voor 11 ……………………………
2 3
9
4 6
1
7
4 6
5
20 voor 3 ……………………………
7 over 9 ’s avonds
20 over 4 in de namiddag
5 voor 12 ’s middags
6 voor 10 in de voormiddag
Zet de tijd eerst op je klokje. Noteer daarna hoe laat het is.
25 voor 7 ……………………… (5 over half 7)
4
10
2 3
8
1
Vul de digitale klok aan.
25 voor 8 ’s morgens
3
11 12
9
5
20 over 3 ……………………………
2
10
2
1
4 voor 9 ………………………
6 over 4 ………………………
27 over 10 ……………………… (3 voor half 11)
Duid aan of ik te vroeg of te laat ben.
De bus vertrekt om 25 voor 11. x te vroeg. Ik ben ô ô te laat.
Het jeugdjournaal begint om 5 x te vroeg. voor 7. Ik ben ô ô te laat.
Ik moet om kwart voor 9 gaan slapen. Ik ben ô te vroeg. x te laat. ô
LES 108
KLOKLEZEN (HERHALING) 5
Teken de lange wijzer in de klokken.
28/2/05
1/4/05
28/3/05
31/3/05
BUSTICKET
PARKING
BETALING
BETALING
VRIJDAGSMARKT
SPEELGOEDWINKEL
SUPERMARKT
8:52
14:26
18:12
15:43
11 12 10
1
11 12 2 3
9 8
6
7
4 6
10
1
11 12 2 3
9 8
5
7
4 6
10
1
11 12 10
2 3
9 8
5
7
8
5
7
4 6
5
Schrijf de letter van de klok uit de etalage op de juiste plaats. Let op: je moet alle vakjes invullen!
A B
C
D
7
2 3
9
4 6
1
E
…… D
10 voor half 8
…… E
20 voor 4
A ……
2 voor half 9
B ……
5 over 12
D ……
19:20
B ……
00:05
E ……
15:40
D ……
20 over 7
C ……
22:10
A ……
20:28
Kijk naar de dienstregeling en beantwoord de vragen.
11:53
Oostende
Ik kom aan in het station. Wanneer vertrekt de volgende trein naar Oostende?
12:05
Antwerpen Centraal
12 : ……… 31 Om ………
12:16
Brussel Luchthaven
Ik wil naar Luik. Hoe lang moet ik nog wachten op de volgende trein?
12:31
Oostende
4 minuten ………
12:32
Luik
uur
12:35
bestemming
Antwerpen Centraal
Ik wil de trein van vijf over halfeen naar Antwerpen halen. Ik moet nog een kaartje kopen. Lukt dat?
ô ja
x neen ô
57
CIJFEREN: VERMENIGVULDIGEN MET HOOGSTENS 1 KEER ONTHOUDEN
LES 109 1
In de parkeergarage
Op elke verdieping kunnen 132 auto’s parkeren. Hoeveel parkeerplaatsen zijn er in totaal? 132 + 132 + 132 396 = ……… …………………………………
3 x 132 396 = ……… …………………………………
100 + 100 + 100 = 300 ≈ ……………………………………………
3 x 100 = 300 ≈ ……………………………………………
+
396 parkeerplaatsen. Er zijn ………
2
1
3
2
1
3
2
1
3
2
3
9
6
1
3
2 3
x …
3
9
6
Werk aan de winkel!
Een elektricien moet in dit nieuwe flatgebouw met 4 verdiepingen op elke verdieping 112 stopcontacten plaatsen. Hoeveel stopcontacten zijn dat in totaal? 112 + 112 + 112 + 112 = ……… 448 …………………………………
4 x 112 448 ………………………………… = ………
100 + 100 + 100 + 100 = 400 ≈ ……………………………………………
4 x 100 = 400 ≈ ……………………………………………
448 Er moeten ……… stopcontacten
1
2
1
1
2
1
1
2
1
1
2
4
4
8
+
geplaatst worden.
3
1
1
1
4
x … 4
4
8
Maak de vermenigvuldigingen door te cijferen. 426 2 x 213 = ………
369 3 x 123 = ………
2 x 200 = 400 ≈ ……………………………………………
3 x 100 = 300 ≈ ……………………………………………
2
1
3 2
x 4
2
1
2
3
x
6
3
3
6
9
2 x 431 = ……… 862
4 x 212 = ……… 848
2 x 400 = 800 ≈ ……………………………………………
4 x 200 = 800 ≈ ……………………………………………
4
3
1
2
1
2 x
58
2
2 4
x 8
6
2
8
4
8
CIJFEREN: VERMENIGVULDIGEN MET HOOGSTENS 1 KEER ONTHOUDEN 4
LES 109
Hoeveel flesjes frisdrank zitten er in 4 bakken?
2
4 4
x 9
6
1
96 In 4 bakken zitten …… flesjes frisdrank.
5
Vermenigvuldig. Vergeet niet te onthouden! 426 3 x 142 = ………
968 4 x 242 = ………
3 x 100 = 300 ≈ ……………………………………………………
4 x 200 = 800 ≈ ……………………………………………………
1
4
2
2
4
3 x
4
2
6
2 4
x 1
9
6
8
1
945 3 x 315 = ………
560 5 x 112 = ………
3 x 300 = 900 ≈ ……………………………………………………
5 x 100 = 500 ≈ ……………………………………………………
3
1
5
1
1
3 x
9
4
5
2 5
x 1
5
6
0
1
917 7 x 131 = ………
87 3 x 29 = ………
7 x 100 = 700 ≈ ……………………………………………………
3x0=0 ≈ ……………………………………………………
1
3
1
2
7 x
9
1
7
9 3
x
8
2
7
2
789 3 x 263 = ………
864 4 x 216 = ………
3 x 300 = 900 ≈ ……………………………………………………
4 x 200 = 800 ≈ ……………………………………………………
2
6
3
2
1
3 x
7
8
9
6 4
x 1
8
6
4
2
59
CIJFEREN: VERMENIGVULDIGEN MET 2 KEER ONTHOUDEN
LES 110 1
2
Opwarming: aan tafel! 16 4 x 4 = ……
28 4 x 7 = ……
18 6 x 3 = ……
0 0 x 3 = ……
8 8 x 1 = ……
24 3 x 8 = ……
42 6 x 7 = ……
4 2 x 2 = ……
5 1 x 5 = ……
1 1 x 1 = ……
30 5 x 6 = ……
56 7 x 8 = ……
4 4 x 1 = ……
21 3 x 7 = ……
0 0 x 5 = ……
18 9 x 2 = ……
45 9 x 5 = ……
16 2 x 8 = ……
0 4 x 0 = ……
12 4 x 3 = ……
Vermenigvuldig door te cijferen. 775 5 x 155 = ………
741 3 x 247 = ………
5 x 200 = 1 000 ≈ ………………………………………………………
3 x 200 = 600 ≈ ………………………………………………………
1
5
5
2
5
x 7
7
5
4
3
x 2
7
2
7
4
1
2
1
Let op, je moet 2 keer onthouden!
936 234 x 4 = ………
828 6 x 138 = ………
4 x 200 = 800 ≈ ………………………………………………………
6 x 100 = 600 ≈ ………………………………………………………
2
3
4
1
3
4
6
x
x 9
3
6
1
8
1
2
8
4
2
772 4 x 193 = ………
876 146 x 6 = ………
4 x 200 = 800 ≈ ………………………………………………………
6 x 100 = 600 ≈ ………………………………………………………
1
9
3
1
4
4
6 6
x
60
8
x 7
7
2
1
3
8
7
6
3
2
CIJFEREN: VERMENIGVULDIGEN MET 2 KEER ONTHOUDEN 3
LES 110
Telkens iets bijzonders! 435 5 x 87 = ………
592 8 x 74 = ………
5 x 100 = 500 ≈ ………………………………………………………
8 x 100 = 800 ≈ ………………………………………………………
8
7
7
5
4 8
x
x 4
3
5
5
3
9
2
3
170 34 x 5 = ………
640 5 x 128 = ………
5x0=0 ≈ ………………………………………………………
5 x 100 = 500 ≈ ………………………………………………………
3
4
1
2
5 x
1
7
0
8 5
x 2
6
4
0
4
1
832 4 x 208 = ………
818 2 x 409 = ………
4 x 200 = 800 ≈ ………………………………………………………
2 x 400 = 800 ≈ ………………………………………………………
2
0
8
4
0
4 x
8
3
2
9 2
x 3
8
1
8
1
612 153 x 4 = ………
815 5 x 163 = ………
4 x 200 = 800 ≈ ………………………………………………………
5 x 200 = 1 000 ≈ ………………………………………………………
1
5
3
1
6
4
3 5
x
x 6
1
2
1
8
2
1
5
1
3
904 4 x 226 = ………
801 267 x 3 = ………
4 x 200 = 800 ≈ ………………………………………………………
3 x 300 = 900 ≈ ………………………………………………………
2
2
6
2
6
4
7 3
x
x 9
0
4
2
1
8
0
1
2
2
61
LES 111 1
LENGTEMATEN: DE KILOMETER
Weet je het nog?
2
Wat betekenen deze borden? Kruis aan.
£ Tongeren is nog 20 minuten ver. £ Tongeren is nog 20 m ver. x Tongeren is nog 20 km ver. £ £ Hier moet je altijd 30 kilometer per uur rijden. x Hier mag je niet meer dan £ 1
100 cm m = ………
£
30 kilometer per uur rijden. Over 30 km kom je aan een speciale zone.
10 cm 1 d m = ……… 1
10 dm m = ………
1 000 m 1 k m = ………
3
4
Wanneer is er een rijstrook minder?
£ Na nog 500 kilometer rijden. £ Na nog 5 kilometer rijden. x Na nog een halve kilometer rijden. £
Vul aan. 400 cm
=
4 m ………
500 m een halve kilometer = ………
1 m 50 cm
=
150 cm ………
2 keer 1 000 m
2 km = ………
2 m 15 cm
=
215 cm ………
3 km
3 keer 1 000 m = ………
175 cm
=
1 m ……… 75 cm ………
3 m 25 cm
325 cm = ………
260 cm
=
2 m ……… 60 cm ………
142 cm
1 m ……… 42 cm = ………
Hoeveel heb je nodig voor 1 km? Kruis aan.
50 cm lang. Mijn lange lat is ………
1 rol folie: 60 m
Als ik 1 000 latten na elkaar leg, heb ik
Met tien rollen folie heb je:
£ juist één kilometer. £ meer dan één kilometer. x minder dan één kilometer. £
x ongeveer een halve kilometer. £ £ ongeveer een kilometer. £ ongeveer 6 kilometer.
000 cm of ……… 10 meter lang. 1 rol is 1 ……… 100 meter lang. 10 rollen zijn ……… 000 meter of ……… 1 km lang. 100 rollen zijn 1 ………
62
1 rol keukenpapier heeft 50 vellen. 1 vel is ongeveer 20 cm lang.
LES 112
VEELHOEKEN: HET VIERKANT 1
Teken een vierkant met het gegeven lijnstuk als zijde.
Het vierkant wordt Vierhoekenkampioen, want het heeft: 4 rechte hoeken • …………………………. 4 even lange zijden • …………………………. 2 paar evenwijdige • …………………………. zijden
2
Hoeveel vierkanten tel je?
5 vierkanten ………
6 vierkanten ………
3
Teken alle vierkanten waarvan dit een zijde is.
4
Kruis aan welke figuur het meeste vierkanten als zijvlakken heeft.
x
14 vierkanten ………
63
LES 112 5
VEELHOEKEN: HET VIERKANT
Zoek eerst een voorbeeld van de omschreven figuur in je enveloppe. Teken dan zo’n figuur. meerdere oplossingen mogelijk Ik ben een vierhoek met vier rechte hoeken. Ik ben geen vierkant.
Ik ben een vierhoek. Ik heb een paar overstaande zijden die evenwijdig zijn. Ik ben geen rechthoek.
6
Hier zitten 3 vierkanten verstopt. Zoek ze!
7
Origami Uit dit stuk papier wil ik vierkante origamiblaadjes met een zijde van 20 cm knippen. Hoeveel kan ik er knippen?
50 cm
1m 10 vierkante blaadjes …………
8
Vul het tweede magische vierkant aan.
16
3
2
13
5
10
11
8
8
1
6
3
5
7
9 …
6 …
7 …
12
4
9
2
4
15 …
14 …
1
34 15
64
LES 113
BREUKEN 1
Welk deel is gekleurd? Welk deel is wit?
gekleurd deel:
6 …
gekleurd deel:
16 … wit deel:
16 …
2
gekleurd deel:
7 …
10 …
wit deel:
3 …
8 …
4 …
wit deel:
7 …
8 …
1 van het geheel. 7
Kleur
1 14 is …… 2 van ……… 7 14 : …… 7 = …… 2 want ……… Omkring
4 van het geheel. 7
4 14 is …… 8 van ……… 7 4 x …… 2 = ……… 8 want ……
1 van het geheel. 8
Omkring
1 24 is …… 3 van ……… 8 24 : …… 8 = …… 3 want ………
5 van het geheel. 8
5 24 is …… 15 van ……… 8 5 x …… 3 = ……… 15 want ……
Vul aan.
1 10 van 60 is …… 6 5 50 van 60 is …… 6 2 20 van 60 is …… 6
4
4 …
Kleur het aangegeven deel en vul in. Kleur
3
4 …
1 2 van 18 is …… 9 5 10 van 18 is …… 9 7 14 van 18 is …… 9
1 40 van 200 is ……… 5 3 120 van 200 is ……… 5 4 160 van 200 is ……… 5
Breuken op de klok!
11 12 10
1
60 minuten. 1 uur is ………
2 3
9 8
7
4 6
5
30 minuten. De helft van 1 uur is ……… 15 minuten. Een kwart van 1 uur is ……… 1 6 minuten. van 1 uur is ……… 10 1 12 minuten. van 1 uur is ……… 5
3 4 1 12 1 3 1 6 5 12
45 minuten. van 1 uur is ……… 5 minuten. van 1 uur is ……… 20 minuten. van 1 uur is ……… 10 minuten. van 1 uur is ……… 25 minuten. van 1 uur is ………
65
LES 113 5
BREUKEN
Hoe ver springen ze? Reken uit en duid aan met een boogje. 5 6
3 4
2 3
6
Vul aan. a Om zijn zus te plagen, heeft Karim een aantal van haar 20 kleurpotloden verstopt. Vul aan hoeveel potloden hij op verschillende plaatsen heeft weggestopt. Gebruik de tekening als je dat nodig vindt. 1 van de potloden onder haar hoofdkussen 4 2 van de potloden in de bloempot 5 2 van de potloden in de koelkast 10
5 potloden ……… 8 potloden ……… 4 potloden ………
b Om zich te wreken op haar broer, verstopt Samar enkele van zijn 24 knikkers … 1 van de knikkers in zijn pantoffels 12 2 van de knikkers in de brievenbus 6 3 van de knikkers in de blokkendoos 8
7
2 knikkers ……… 8 knikkers ……… 9 knikkers ………
Vul aan en kleur je antwoord in het rooster lichtgroen. Welk cijfer verschijnt er? Als je juist gewerkt hebt, is dit het cijfer dat het meest voorkomt in je antwoorden.
66
3 75 van 100 is ……… 4 7 700 van 1 000 is ……… 10 4 20 van 25 is ……… 5 2 60 van 210 is ……… 7 5 625 van 1 000 is ……… 8
2 66 van 99 is ……… 3 1 60 van 360 is ……… 6 2 22 van 55 is ……… 5 9 81 van 90 is ……… 10 8 64 van 72 is ……… 9
64 64
66
75 75
59
11
60 60
700 70 0
22
60 60
24
6 625 25
81
2 20 0
6 Ik zie het cijfer ………
LES 114
GELDWAARDEN 1
Hoe heb ik dit betaald?
Leg het bedrag eerst met je euromateriaal en kruis dan aan welke muntstukken je nodig had. Je mag meer dan één kruisje in een hokje zetten. Ik betaal …
xx
30 cent met 4 stukken 1 euro met 4 stukken
xx x
xx
1 euro 50 cent met 3 stukken
xxx
xx
80 cent met 5 stukken 13 cent met 4 stukken
2
x
(x) xxx
(x)
(xx)
xxx
x
Op de rommelmarkt: betaal gepast met zo weinig mogelijk stukken.
Kruis de muntstukken aan die je nodig hebt. Je mag in één hokje verschillende kruisjes zetten.
Ik koop …
de blokkendoos
xx
xx x
de strip
x x
de speelgoedauto het knuffelkonijn de knuffelbeer
3
xx
x
x x
x
x
x x
Hoeveel kost de kinderfiets op de rommelmarkt?
19 euro ……… 50 cent ……… of € ……… 19 , ……… 50
67
LES 114
GELDWAARDEN
4
Verbind elk voorwerp uit de bovenste rij met een voorwerp uit de onderste zodat het totaal 10 euro is.
5
Hoeveel krijg ik terug? Leg het bedrag eerst met je euromateriaal. (Kijk bij oefening 2.)
6
Ik koop …
Dat/die kost …
Ik geef …
Dit krijg ik terug:
het knuffelkonijn
0,72 euro …………
€1
0 euro en ……… 28 cent ………
de auto
1,50 euro …………
€2
0 euro en ……… 50 cent ………
de gitaar
8,60 euro …………
€ 10
1 euro en ……… 40 cent ………
de trein
5,80 euro …………
€ 10
4 euro en ……… 20 cent ………
de auto
1,50 euro …………
€5
3 euro en ……… 50 cent ………
de knuffelbeer
1,15 euro …………
€2
0 euro en ……… 85 cent ………
Vul het prijskaartje aan.
27 euro en …… 0 cent …… Ik betaal met € 30. Ik krijg € 3 terug.
4 euro en …… 99 cent ……
68
Ik betaal met € 5. Ik krijg 1 cent terug.
1 euro en …… 50 cent …… Ik betaal met € 2. Ik krijg 50 cent terug.
0 euro en …… 80 cent …… Ik betaal met € 2. Ik krijg 1 euro en 20 cent terug.
LES 115
HERHALING G 1
Noteer de temperatuur of kleur de thermometer in.
2
14
2a
Vul aan.
3 … van de noten is grijs. … 5 20
20
20
20
10
10
10
10
0
0
0
0
–10
–10
–10
–10
–20
–20
–20
–20
–2 °C …………
3
0 °C …………
–3 °C
2 … van de noten is wit. … 5
6 … van de noten is grijs. … 7 1 … van de noten is wit. … 7
–7 °C
2b
Vul aan. 1 3 van 12 is …… 4 2 6 van 12 is …… 4 3 9 van 12 is …… 4
2 8 van 12 is …… 3 5 10 van 12 is …… 6 2 20 van 70 is …… 7
2 10 van 25 is …… 5 3 6 van 16 is …… 8 1 10 van 40 is …… 4
1 5 1 3 1 4 1 8
5 van 25 is …… 10 van 30 is …… 6 van 24 is …… 9 van 72 is ……
4 16 van 20 is …… 5 2 4 van 14 is …… 7
1 5 van 50 is …… 10 7 35 van 50 is …… 10 1 4 van 28 is …… 7 5 20 van 28 is …… 7
3 30 van 100 is …… 10 2 10 van 45 is …… 9
B 1
3, 6a,b
Een muzikale mix
107 82 + 25 = ……… 21 73 – 52 = ………
359 458 – 99 = ……… 686 487 + 199 = ………
84 47 + 37 = ………
559 758 – 199 = ………
64 90 – 26 = ………
657 22588 + 399 = ……… 25
98 27 + 58 + 13 = ……… 184 + 478 + 222 = 884 ……… 25 + 482 + 75 + 18 = 600 …………………
70 420 : 6 = ………
120 720 : 6 = ………
90 810 : 9 = ………
450 900 : 2 = ………
70 280 : 4 = ………
140 560 : 4 = ………
50 450 : 9 = ………
130 650 : 5 = ………
69
LES 115 2
HERHALING
Cijfer je mee? 7,8
a Optellen en aftrekken gaat al vlot. 945 485 + 274 + 186 = ……… 500 + 300 + 200 = 1000 ik schat: …………………………………
2
1
4
8
5
2
7
4
225 582 – 357 = ………
296 753 – 457 = ………
600 – 400 = 200 ik schat: …………………………………
800 – 500 = 300 ≈ ……………………………
7
12
6
14
13
5
8
2
7
5
3
3
5
7
4
5
7
2
2
5
2
9
6
–
– 1
8
6
9
4
5
+
487 705 – 218 = ………
594 812 – 218 = ………
604 – 486 = 118 ……
700 – 200 = 500 ik schat: …………………………………
800 – 200 = 600 ik schat: …………………………………
600 – 500 = 100 ≈ ……………………………
9
–
6
10
15
7
10
12
5
9 10
14
7
0
5
8
1
2
6
0
4
2
1
8
2
1
8
4
8
6
5
9
4
1
1
8
4
8
–
7
–
9
b Vermenigvuldigen is nieuw. 692 2 x 346 = ………
846 6 x 141 = ………
ik schat: …………………………………………… 2 x 300 = 600
ik schat: …………………………………………… 6 x 100 = 600
3
4
6
1
4
2
6
x
x 6
9
2
8
1
4
6
2
765 5 x 153 = ………
828 4 x 207 = ………
5 x 200 = 1 000 ik schat: ……………………………………………
4 x 200 = 800 ik schat: ……………………………………………
1
5
3
2
0
5
7 4
x
x 7
70
1
6
5
1
2
8
2
8
2
LES 115
HERHALING 920 5 x 184 = ………
882 3 x 294 = ………
5 x 200 = 1 000 ik schat: ……………………………………………
3 x 300 = 900 ik schat: ……………………………………………
1
8
4
2
9
5
4 3
x
x 9
2
0
2
8
4
8
2
1
2
MMR 1
15
Kassa, kassa ...
a Hoeveel halen de straatmuzikanten op?
8,67 € …………
2
b Hoeveel krijg je terug? Je moet ... betalen.
Je geeft …
10,13 € …………
Je krijgt ... terug.
17d
Kloklezen
a Noteer hoe laat het is en vul de klok aan. Het is na de middag.
€ 8,50
€ 10
1 euro …… 50 cent ……
€ 4,75
€5
0 euro …… 25 cent ……
€ 9,99
€ 10
0 euro …… 1 cent ……
€ 3,80
€5
1 euro …… 20 cent ……
11 12 10
€2
1 euro …… 30 cent ……
€ 0,35
€1
0 euro …… 65 cent ……
€ 17,25
€ 20
2 euro …… 75 cent ……
1
2 3
9 8
7
4 6
11 12
€ 0,70
5 voor 5 …………………………
10
5
1
20 voor 8 ………………………… 2 3
9 8
7
4 6
5
71
LES 115
HERHALING
b Vul de digitale klok aan. 11 12 10
Het is voor de middag. 1
10
2 3
9 8
3
11 12
7
8
5
2 3
9
4 6
Het is na de middag. 1
7
4 6
5
11
Lengtematen a Kruis aan wat het best past. De hoogte van een deur
ô ô x ô ô
2 dm 1m 2m 3m
In 1 uur kan ik ... wandelen.
ô ô x ô ô
1 km 2 km 5 km 20 km
De breedte van mijn duim
De lengte van een gewone auto
x ô ô ô ô
ô ô x ô ô
1 cm 3 cm 1 dm 10 dm
200 cm 2m 4m 10 m
b Vul aan. 100 cm 1 m = ……… 10 cm 1 dm = ……… 10 dm 1 m = ……… 000 m 1 km = 1………
1 m ……… 50 cm 150 cm = ……
3 m ……… 20 cm 320 cm = ………
20 cm 2 dm = ………
70 cm 7 dm = ………
220 cm 2 m 20 cm = ………
105 cm 1 m 5 cm = ………
5 dm 50 cm = ………
9 dm 90 cm = ………
5 keer 1 000 m 5 km is ………
250 m een vierde kilometer is ………
MK 24
Het vierkant a Onderzoek het vierkant.
b Teken wat gevraagd wordt. Teken een vierkant met zijde 2 cm.
Wat weet je over de hoeken? Er zijn 4 rechte hoeken. …………………………………………………… Wat weet je over de lengte van de zijden? Alle zijden zijn even lang. …………………………………………………… Wat weet je nog over de zijden? De overstaande zijden zijn evenwijdig. ……………………………………………………
72
Teken een vierkant waarvan dit de zijde is.
SPRONG
LES 118 1
VEELHOEKEN: DE RECHTHOEK
Teken een rechthoek. Noteer de afmetingen. In een rechthoek: recht • zijn de vier hoeken …………………… • zijn de overstaande zijden ………… even lang …………………………………………………… • zijn de overstaande zijden ………… evenwijdig …………………………………………………… meerdere oplossingen mogelijk
lengte: ……… cm
2
breedte: ……… cm
Teken telkens een rechthoek met de gegeven lijn als langste zijde. meerdere oplossingen mogelijk
3
4
Hoeveel vierkanten en rechthoeken hebben deze figuren als zijvlakken?
0 vierkanten ……
6 vierkanten ……
2 vierkanten ……
6 rechthoeken ……
0 rechthoeken ……
4 rechthoeken ……
Kruis aan wat past. 40 cm Ik vouw de keukenhanddoek dubbel zoals de pijl toont. Ik krijg:
60 cm
74
ô x ô ô ô ô
een rechthoek met zijden 20 cm en 30 cm. een rechthoek met zijden 30 cm en 40 cm. een rechthoek met zijden 20 cm en 60 cm. een vierkant met zijde 20 cm. een vierkant met zijde 30 cm.
LES 118
VEELHOEKEN: DE RECHTHOEK 5
De schaar erin … Rechthoek A en vierkant B werden volgens de diagonalen in stukken geknipt. Schrijf ‘A’ in de 4 stukken van de rechthoek, en ‘B’ in de 4 stukken van het vierkant. Tip: Teken eerst de diagonalen!
B A
B
A
B B A B
A A
6
Teken wat gevraagd wordt. Zoek eerst een dergelijke figuur in je enveloppe. meerdere oplossingen mogelijk
een vierhoek met zeker 1 rechte hoek, maar geen rechthoek of vierkant
7
een vierhoek met zeker 1 paar evenwijdige zijden, maar geen rechthoek of vierkant
Geloof je je ogen?
Ik denk: ô hier staat een vierkant. ô hier staat geen vierkant. Ik controleer: x hier staat een vierkant. ô ô hier staat geen vierkant.
Ik denk: ô het middelste zwarte vierkant is het grootst. ô het middelste witte vierkant is het grootst. ô beide vierkanten in het midden zijn even groot. Ik controleer: ô het middelste zwarte vierkant is het grootst. ô het middelste witte vierkant is het grootst. x beide vierkanten in het midden zijn even groot. ô
75
LES 119 1
76
2
Luister goed en noteer enkel de oplossing.
Kijk goed naar het bord en noteer enkel de oplossing.
200 (= 75 + 125) 1 ………………………………………
32 (= 4 x 8) 1 ………………………………………
9 (= 72 : 8) 2 ………………………………………
330 (= 450 – 120) 2 ………………………………………
40 (= 120 – 80) 3 ………………………………………
7 (= 42 : 6) 3 ………………………………………
81 (= 9 x 9) 4 ………………………………………
240 (= 500 – 260) 4 ………………………………………
36 (= 12 x 3) 5 ………………………………………
1 000 (= 480 + 520) 5 ………………………………………
3
4
BEWERKINGEN TOT 1 000: HERHALING
Even herhalen … +
70
330
125
499
–
70
330
125
499
300
370
630
425
799
600
530
270
475
101
470
540
800
595
969
720
650
390
595
221
285
355
615
410
784
885
815
555
760
386
491
561
821
616
990
1 000
930
670
875
501
256
326
586
381
755
910
840
580
785
411
418
488
748
543
917
500
430
170
375
1
x
8
5
3
7
:
10
5
8
2
4
32
20
12
28
1 000
100
200
125
500
10
80
50
30
70
40
4
8
5
20
45
360
225
135
315
320
32
64
40
160
125
1 000
625
375
875
800
80
160
100
400
30
240
150
90
210
160
16
32
20
80
113
904
565
339
791
200
20
40
25
100
:
200
50
100
20
500
25
250
1 000
5
20
10
50
2
40
4
Dit kan ik ook nog!
9 r ...... 1 19 : 2 = q ......
4 r ...... 7 43 : 9 = q ......
9 r ...... 2 65 : 7 = q ......
5 r ...... 3 33 : 6 = q ......
6 r ...... 1 37 : 6 = q ......
8 r ...... 2 26 : 3 = q ......
9 r ...... 3 39 : 4 = q ......
6 r ...... 3 27 : 4 = q ......
9 r ...... 0 45 : 5 = q ......
6 r ...... 6 54 : 8 = q ......
7 r ...... 5 47 : 6 = q ......
9 r ...... 7 79 : 8 = q ......
9 r ...... 5 77 : 8 = q ......
8 r ...... 0 32 : 4 = q ......
11 r ...... 3 58 : 5 = q ......
7 r ...... 1 50 : 7 = q ......
BEWERKINGEN TOT 1 000: HERHALING 5
LES 119
Zoek de oplossing op het staafdiagram.
1 Hoeveel hebben de leerlingen van het eerste leerjaar verzameld?
75 + 89 = 164
164 euro ………………………………………………………………………… 2 Welke klassen hebben evenveel verzameld? 2B en 4A ………………………………………………………………………… 3 Welke klassen verzamelden meer dan de 2 klassen van het eerste leerjaar samen? 3A en 3B ………………………………………………………………………… 4 Welke klas gaf 2 enveloppen af met 60 euro erin? 4B ………………………………………………………………………… 5 Welke klas verzamelde op één na het minste geld? 1B ………………………………………………………………………… 6 Zoek het verschil tussen de klas die het minst verzamelde en de klas die het meest verzamelde.
202 – 75 = 127
127 euro ………………………………………………………………………… 7 Welke klas heeft 2 euro te kort om 200 euro te hebben? 3B ………………………………………………………………………… 8 Tussen welke klassen is er maar 4 euro verschil? tussen 3A en 3B …………………………………………………………………………
9 Zoek het verschil tussen het bedrag van het derde leerjaar en het bedrag van het vierde leerjaar. Het verschil is 176 euro. ………………………………………………………………………… 10 Hoeveel heeft klas 3A te kort om het dubbel te hebben van klas 4A? 6 euro …………………………………………………………………………
(3e lj.) 202 + 198 = 400 (4e lj.) 104 + 120 = 224 400 – 224 = 176 2 x 104 = 208 208 – 202 = 6
77
LES 120 1
OMTREK
Overtrek de omtrek van deze figuren in een kleur. Gebruik je lat waar het kan.
3 WERKSCHRIF T
C
Dit werkschrift is van
Om de omtrek van een veelhoek te weten, maak ik de som van de lengtes van de zijden.
2
Bepaal de omtrek van deze figuren. 5 cm …… 4 cm …… 3 cm …… 2 cm …… 5 cm ……
5 cm ……
12 cm. De omtrek van de driehoek is ………
14 cm. De omtrek van de rechthoek is ………
3 cm ……
3 cm ……
5 cm ……
3 cm ……
3 cm …… 12 cm. De omtrek van het vierkant is ………
78
2 cm ……
3 cm ……
3 cm ……
2 cm …… 13 cm. De omtrek van deze vierhoek is ………
LES 120
OMTREK 3
Overtrek de omtrek van de letter in een kleur. Meet dan de omtrek.
De omtrek van de letter L is
De omtrek van de letter T is
De omtrek van de letter U is
14 cm. ………
14 cm. ………
20 cm. ………
4
Kijk goed naar de tekening en beantwoord de vraag. In het park zet men een haag rond een driehoekig perkje. Hoe lang is de haag?
5m
De zandbak in de speeltuin heeft de vorm van een vierkant. Papa had 12 m boordsteen nodig. Hoe lang is één zijde van de zandbak?
5m
4m 14 m. De haag is ………
3 m. Een zijde is ………
Dit is onze tuin. Papa wil er een omheining rond. Hij heeft uitgerekend dat daar 20 meter draad voor nodig is. Wat moet er op de plaats van het vraagteken komen? 7m
Hoe groot is de omtrek van deze weide?
10 m 5m
5m 25 m ?
3 m. De zijde met het vraagteken is ………
70 m. De omtrek is ………
79
LES 121 1
2
EIGENSCHAPPEN VAN VIERHOEKEN
Je ziet hier tegelvloeren van verschillende firma’s. Verbind de tegels met de juiste naam.
£
£
£
£
£
£
£
£
£
£
n o o z n e k e o H t h c e R Vier & Kant
Ruite
! r e e n h eer e n m
iu m & C o Trapez
llogram firma Paarralleell
Welke vierhoek is het?
Lees goed over welke vierhoek het gaat. Zoek er dan een paar in je enveloppe. Teken ten slotte twee voorbeelden van zo’n figuur. meerdere oplossingen mogelijk
Een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn. De vierhoek heeft geen rechte hoeken. meerdere oplossingen mogelijk
80
Een vierhoek met juist één paar overstaande zijden die evenwijdig zijn.
EIGENSCHAPPEN VAN VIERHOEKEN 3
LES 121
Teken alle rechten die de figuur verdelen in twee delen die elkaars spiegelbeeld zijn. In het vakje zie je hoeveel van die rechten er zijn.
4
2
1
2
1
Geef elke vierhoek de punten die hij verdient.
Vierhoekenkampioenschap Vierhoekenkampioenschap juist twee rechte hoeken vier rechte hoeken
1 punt 2 punten
juist één paar evenwijdige zijden 1 punt twee paar evenwijdige zijden 2 punten vier gelijke zijden
2 punten
Vierhoek A
IIII
Vierhoek B
I
1 punten ……
Vierhoek C
II
2 punten ……
Vierhoek D
II
2 punten ……
Vierhoek E
I
1 punten ……
Vierhoek F
IIII
4 punten ……
Vierhoek G
IIII
4 punten ……
Vierhoek H
I
6 punten ……
0 punten ……
81
LES 122 1
CIJFEREN: VERMENIGVULDIGEN
Samen met de trainer … 960 4 x 240 = ………
4 x 200 = 800 ik schat: …………………………………………… 2
4
x 9
2
6
Vul in. Kies uit: vermenigvuldiger, product, vermenigvuldigtal.
0
vermenigvuldigtal ……………………………
4
vermenigvuldiger ……………………………
0
1
700 4 x 175 = ……… 4 x 200 = 800 ik schat: …………………………………………… 1
7
4
x
product ……………………………
7
0
0
2
3
En nu zonder trainer! 669 3 x 223 = ………
834 2 x 417 = ………
3 x 200 = 600 ik schat: ……………………………………………
2 x 400 = 800 ik schat: ……………………………………………
2
2
3
4
3
cijferduivel
x 6
6
9
1
7 2
x 8
3
4
1
608 152 x 4 = ………
435 145 x 3 = ………
200 x 4 = 800 ik schat: ……………………………………………
100 x 3 = 300 ik schat: ……………………………………………
1
5
2
1
4
4
5 3
x
x 6
0
8
4
2
3
5
1
1
627 3 x 209 = ………
700 2 x 350 = ………
3 x 200 = 600 ik schat: ……………………………………………
2 x 400 = 800 ik schat: ……………………………………………
2
0
9
3
5
3 6
2
7
0 2
x 2
ik
x 7
0
0
1
600 120 x 5 = ………
783 9 x 87 = ………
100 x 5 = 500 ik schat: ……………………………………………
9 x 100 = 900 ik schat: ……………………………………………
1
2
0
8
5
7 9
x
x 6
82
5
0
0
1
7
8
3
6
LES 122
CIJFEREN: VERMENIGVULDIGEN 810 5 x 162 = ………
785 5 x 157 = ………
5 x 200 = 1 000 ik schat: ……………………………………………
5 x 200 = 1 000 ik schat: ……………………………………………
1
6
2
1
5
5
7 5
x
x 8
1
0
1
7
3
8
5
3
2
248 2 x 124 = ………
984 3 x 328 = ………
2 x 100 = 200 ik schat: ……………………………………………
3 x 300 = 900 ik schat: ……………………………………………
1
2
4
3
2
2
8 3
x
x 2
4
8
9
8
4
2
741 3 x 247 = ………
386 2 x 193 = ………
3 x 200 = 600 ik schat: ……………………………………………
2 x 200 = 400 ik schat: ……………………………………………
2
4
7
1
3
x 7
4
1
9
2
x 2
3
1
3
8
6
1
441 7 x 63 = ………
872 8 x 109 = ………
7 x 100 = 700 ik schat: ……………………………………………
8 x 100 = 800 ik schat: ……………………………………………
6
3
1
7
x 4
4
1
0
8
x 8
2
9
7
2
7
988 4 x 247 = ………
920 8 x 115 = ………
4 x 200 = 800 ik schat: ……………………………………………
8 x 100 = 800 ik schat: ……………………………………………
2
4
7
1
4
x 9
8
8
1
8
x 2
9
1
5
2
0
4
1
480 5 x 96 = ………
448 2 x 224 = ………
5 x 100 = 500 ik schat: ……………………………………………
2 x 200 = 400 ik schat: ……………………………………………
9
6
2
5
x 4
8
0
2
2
x 3
4
4
4
8
83
LES 123 1
CIJFEREN: OPTELLEN EN AFTREKKEN
Even opfrissen ... 292 476 – 184 = ………
216 405 – 189 = ………
500 – 200 = 300 ik schat: ……………………………………………
400 – 200 = 200 ik schat: ……………………………………………
– …
3
17
4
7
6
1
8
4
2
9
2
–
3
9 10
15
4
0
5
1
8
9
2
1
6
781 418 + 236 + 127 = ………
690 42 + 164 + 388 + 96 = ………
400 + 200 + 100 = 700 ik schat: ……………………………………………
0 + 200 + 400 + 100 = 700 ik schat: …………………………………………… 2
2
2
+ …
2
2
4
1
8
1
6
4
2
3
6
3
8
8
1
2
7
9
6
7
8
1
9
0
+ 6
Cijfer goed, dan krijg je de cijferduivel te pakken! 365 583 – 218 = ………
667 288 + 379 = ………
192 407 – 215 = ………
600 – 200 = 400 ≈ ………………………………………
300 + 400 = 700 ≈ ………………………………………
400 – 200 = 200 ≈ ………………………………………
– …
7
13
1
1
5
8
3
2
8
8
2
1
8
3
7
9
3
6
5
6
6
7
+ …
– …
3
10
4
0
7
2
1
5
1
9
2
779 218 + 73 + 488 = ………
354 72 + 83 + 94 + 105 = ………
200 + 100 + 500 = 800 ≈ ……………………………………………………
100 + 100 + 100 + 100 = 400 ≈ ……………………………………………………
+ …
1
1
2
1
8
7 4 7
2
cijferduivel
1
7
2
3
8
3
8
8
9
4
7
9
1
0
5
3
5
4
ik
84
4
+ …
LES 123
CIJFEREN: OPTELLEN EN AFTREKKEN 9 207 – 198 = ………
168 457 – 289 = ………
165 400 – 235 = ………
200 – 200 = 0 ≈ ………………………………………
500 – 300 = 200 ≈ ………………………………………
400 – 200 = 200 ≈ ………………………………………
– …
1
9 10
17
3
14
17
3
9 10
10
2
0
7
4
5
7
4
0
0
1
9
8
2
8
9
2
3
5
0
0
9
1
6
8
1
6
5
– …
– …
524 47 + 243 + 19 + 215 = ………
846 123 + 218 + 433 + 72 = ………
0 + 200 + 0 + 200 = 400 ≈ ……………………………………………………
100 + 200 + 400 + 100 = 800 ≈ ……………………………………………………
1
1
1
4
7
1
2
3
4
3
2
1
8
1
9
4
3
3
2
1
5
7
2
5
2
4
4
6
2
+ …
2
+ …
8
165 340 – 175 = ………
570 78 + 218 + 274 = ………
343 427 – 84 = ………
300 – 200 = 100 ≈ ………………………………………
100 + 200 + 300 = 600 ≈ ………………………………………
400 – 100 = 300 ≈ ………………………………………
1
–
2
13
10
3
4
0
1
7
5
1
6
5
+
2
7
8
2
1
8
2
7
4
5
7
0
3
12
4
2
7
8
4
4
3
– 3
290 932 – 642 = ………
179 412 – 233 = ………
231 487 – 256 = ………
900 – 600 = 300 ≈ ………………………………………
400 – 200 = 200 ≈ ………………………………………
500 – 300 = 200 ≈ ………………………………………
–
8
13
9
3
2
6
4
2
2
9
0
–
3
10
12
4
1
2
2
3
3
1
7
9
–
4
8
7
2
5
6
2
3
1
85
LES 124 1
SNELHEID
Niet te snel …
5 km/uur een wandelaar: ……… 15 km/uur een fietser: ……… een auto 120 km/uur op de snelweg: hoogstens ……… 50 km/uurr in de bebouwde kom: hoogstens ………
2
Lees de snelheidsmeter af. Kruis dan aan waar de auto zou kunnen rijden.
£ in de bebouwde kom x op een grote rijweg £ x op de autosnelweg £
3
£ in de bebouwde kom £ op een grote rijweg x op de autosnelweg £
Vul de tabel aan. Wij wandelen ongeveer 6 km/uur.
Ik fiets ongeveer 30 km/uur. ………
Wij fietsen ongeveer 10 km/uur.
86
x in de bebouwde kom £ £ op een grote rijweg £ op de autosnelweg
1 uur
2 uur
3 uur
6 km ………
12 km ………
18 km ………
1 uur
2 uur
3 uur
30 km ………
60 km
90 km ………
1 uur
2 uur
3 uur
10 km ………
20 km ………
30 km ………
LES 124
SNELHEID 4
Welke tocht maakten ze? Tip: kijk naar de tabellen van oefening 3.
We vertrokken om 9 uur en kwamen aan rond 12 uur.
De Gordel rond Cijfergem Wanneer? Paaszondag, inschrijven van 9.00 uur tot 15.00 uur
15 km tocht van ………
Waar? Vertrek en aankomst aan basisschool ‘De Lustige Cijferaar’
Ik vertrok om 1 uur na de middag en kwam aan om 5 uur ’s avonds.
Wat? Wandeltochten: 6 km – 10 km – 15 km Fietstochten: 25 km – 50 km – 100 km 100 km tocht van ………
We vertrokken om 10 uur. We picknickten onderweg in een speeltuin. We kwamen aan rond 14 uur.
25 km tocht van ………
5
Op weg naar zee …
Het is druk! We rijden j maar 80 km/uur.
De familie Zandtaart woont in Hasselt, op 200 km van Oostende. Hoe lang doen ze over de rit? een halfuur
1 uur
2 uur
3 uur
40 km ………
80 km ………
160 km ………
240 km ………
2 uur en een halfuur Antwoord: ……………………………………………………………… ………………………………………………………………
87
LES 125 1
CIJFEREN: DELEN (ELK CIJFER DEELBAAR)
Samen leren we juist schikken. Schik de opgaven bij de polsstoklatten. Vul bij de eerste opgave de juiste woorden in. Kies daarbij uit: quotiënt, deler, deeltal. Maak dan bij elke opgave een schatting. Los daarna de opgaven op.
312 936 : 3 = ……… 900 : 3 = 300 ik schat: ………………………………………
deeltal …………………………
9 –
3
6
3
deler …………………………
9 0 –
3
3
1
2
quotiënt …………………………
3 0 –
6 6 0
202 808 : 4 = ………
320 640 : 2 = ………
800 : 4 = 200 ik schat: ………………………………………
600 : 2 = 300 ik schat: ………………………………………
8 –
0
8
4
6
8 0 –
– 0
2
0
2
0 0 –
600 : 3 = 200 ik schat: ………………………………………
–
9
6 0 –
3
2
3 0 –
9 9 0
88
3
1
3
2
3
4 0 0 0
213 639 : 3 = ………
3
4
–
0
6
0
0
8
0
6
– 8
4
2
0
LES 125
CIJFEREN: DELEN (ELK CIJFER DEELBAAR) 2
En nu aan het werk! 112 448 : 4 = ………
413 826 : 2 = ………
400 : 4 = 100 ik schat: ………………………………………
800 : 2 = 400 ik schat: ………………………………………
4 –
4
8
4
8
4 0 –
– – 4
1
1
2
0 –
6
2
8 0
4
2
– – 8
2
1
3
2 0
8
4
– –
0
6 6 0
302 906 : 3 = ………
210 840 : 4 = ………
900 : 3 = 300 ik schat: ………………………………………
800 : 4 = 200 ik schat: ………………………………………
9 –
0
6
3
8
9 0 –
– 0
3
0
2
0 –
0
4
8 0
0
4
– 6
4
1 0
4 0
6
2
–
0
0 0 0
114 228 : 2 = ………
231 693 : 3 = ………
200 : 2 = 100 ik schat: ………………………………………
600 : 3 = 200 ik schat: ………………………………………
2 –
2
8
2
6
2 0 –
– 2
1
2 0 –
1
4
8 0
3
3
6 0 –
8
9
9
2
3 1
9 0 –
3 3 0
89
CIJFEREN: DELEN (T NIET DEELBAAR DOOR DE DELER)
LES 126 1
Eerst samen … dan alleen!
304 608 : 2 = ………
201 804 : 4 = ………
600 : 2 = 300 ik schat: ………………………………………
800 : 4 = 200 ik schat: ………………………………………
6 –
0
8
2
8
6 0 –
– 0
3
0
4
0 –
– 8
0
4
0
8
2
0
1
0
–
0
4 4 0
115 575 : 5 = ………
113 791 : 7 = ………
500 : 5 = 100 ik schat: ………………………………………
700 : 7 = 100 ik schat: ………………………………………
5 –
7
5
5
7
5 0 –
–
– 7
1
1
5
–
2
5
2
5
1
7
7 0
5
9
–
9
1
1
3
7 2
1
2
1
0
0
105 840 : 8 = ………
104 936 : 9 = ………
800 : 8 = 100 ik schat: ………………………………………
900 : 9 = 100 ik schat: ………………………………………
8 –
4
0
8
9
8 0 –
–
– 4
1
0
0
5
4
0
4
0
3
6
9
9 0 –
0
90
4
8 0
0
0
–
3
1
0 3
6
3
6 0
0
4
CIJFEREN: DELEN (T NIET DEELBAAR DOOR DE DELER) 2
LES 126
Deel vlot door te cijferen!
123 492 : 4 = ………
108 756 : 7 = ………
400 : 4 = 100 ik schat: ………………………………………
700 : 7 = 100 ik schat: ………………………………………
4 –
9
2
4
7
4 0 –
–
– 9
1
2
3
–
1
2
1
2
6
7
7 0
8
5
–
5
1
0
8
0 5
6
5
6
0
0
228 684 : 3 = ………
105 630 : 6 = ………
600 : 3 = 200 ik schat: ………………………………………
600 : 6 = 100 ik schat: ………………………………………
6 –
8
4
3
6
6 0 –
–
– 8
2
2
8
–
2
4
2
4
0
6
6 0
6
3
–
3
1
0
5
0 3
0
3
0
0
0
114 570 : 5 = ………
203 609 : 3 = ………
500 : 5 = 100 ik schat: ………………………………………
600 : 3 = 200 ik schat: ………………………………………
5 –
7
0
5
6
5 0 –
–
– 7
1
5
1
4
0
2
0 0
9
3
6 0 –
2
0
0
2
0
3
0 0 –
9 9 0
91
LES 127 1
BREUKEN
Vul aan wat er uit de breukenmachientjes komt.
UIT
IN
……
2 5
42
2
60
UIT
IN
40 ……
2 3
UIT
IN
35 ……
5 6
UIT
IN
100
25 ……
1 4
Vul aan.
1 van 36 is …… 12 3 2 van 50 is …… 20 5
3
2 van 28 is …… 8 7 8 van 27 is 24 …… 9
3 van 90 is …… 27 10 1 van 48 is …… 24 2
5 van 21 is …… 15 7 4 van 42 is …… 28 6
Welk deel is weg? Welk deel blijft over? 4 … 6 …
2 … 3 …
3 … 4 …
1 … 4 …
1 … 2 …
7 … 8 …
1 … 2 …
1 … 3 …
3 … 8 …
1 … 8 … 5 … 8 …
4
UIT
IN xxx xx
92
5
Wat ging er in het machientje?
2 5
X X
2 … 6 …
Omcirkel wat het meest is. 1 van de pizza 4 1 van de pizza 5 1 van de pizza 6 1 van de cake 10 1 van de cake 2 1 van de cake 8
LES 127
BREUKEN 6
Vul aan wat het breukenmachientje doet.
UIT
IN XXXXX XXXXX
XXX XXX
3 … 5
25
7
200
UIT
IN
20
1 … 10
UIT
IN
20
4 … 5
UIT
IN
100
75
3 … 4
Stel de gegevens in de beide diagrammen voor. Beantwoord dan de vragen.
leeftijd 0 – 19 jaar 20 – 39 jaar 40 – 59 jaar 60 – 79 jaar 80 of ouder
deel van de Belgische bevolking 4 20 6 20 5 20 4 20 1 20
kleur in diagram 1
diagram 2
geel ge ee oranje o ranj ra ne nj blauw b lauw la uw groen g roen ro en grijs grij gr ijjs ijs
0–19
20–39 40–59 60–79
80–…
diagram 1
1 Er zijn dubbel zoveel mensen tussen de 20 en de 39 jaar als er mensen zijn tussen de 60 en de 79 jaar.
ô juist x fout ô
2 Meer dan de helft van de bevolking bestaat uit mensen ouder dan 60 jaar.
ô juist x fout ô
93
LES 128
HERHALING
G 1
2a
Vul aan.
6 …
1 …
2 …
5 …
van de figuur is … 8 gekleurd.
van de eieren is … 6 gebroken.
van de figuur is … 8 wit.
2
Kleur
3 van de figuur. 4
2 Omkring van de 3 eieren.
van de eieren is … 6 heel.
2b
Vul aan.
1 van 18 is ……… 6 3
1 van 50 is ……… 25 2
2 van 33 is ……… 22 3
2 van 18 is ……… 12 3
2 van 28 is ……… 8 7
1 van 48 is ……… 12 4
3 van 20 is ……… 15 4
9 van 40 is ……… 36 10
7 van 64 is ……… 56 8
1 van 48 is ……… 8 6
1 van 500 is ……… 5 100
5 van 24 is ……… 20 6
3 van 25 is ……… 15 5
4 van 50 is ……… 40 5
3 van 40 is ……… 6 20
B 1
672 257 + 148 + 267 = ………
219 457 – 238 = ………
300 + 100 + 300 = 700 ≈ …………………………………………
500 – 200 = 300 ≈ …………………………………………
+ …
94
7-8
Vergeet niet te onthouden of te lenen!
1
2
2
5
7
1
4
8
2
6
7
6
7
2
– …
4
17
4
5
7
2
3
8
2
1
9
Oei, nog 2 eieren voor Janneman! Dat moet ik onthouden.
LES 128
HERHALING Oei, eieren te kort! Ik ga er 10 lenen bij mijn buur.
484 736 – 252 = ………
286 564 – 278 = ………
≈ ………………………………………… 700 – 300 = 400
≈ ………………………………………… 600 – 300 = 300
– …
6
13
7
3
6
2
5
2
4
8
4
15
14
5
6
4
2
7
8
2
8
6
218 704 – 486 = ………
358 505 – 147 = ………
151 809 – 658 = ………
700 – 500 = 200 ≈ …………………………………………
500 – 100 = 400 ≈ …………………………………………
800 – 700 = 100 ≈ …………………………………………
– …
2
6
9 10
14
4
9 10
15
7
10
7
0
4
5
0
5
8
0
9
4
8
6
1
4
7
6
5
8
2
1
8
3
5
8
1
5
1
– …
– …
9
Ook hier moet je onthouden. 852 4 x 213 = ………
534 3 x 178 = ………
810 6 x 135 = ………
4 x 200 = 800 ≈ …………………………………………
3 x 200 = 600 ≈ …………………………………………
6 x 100 = 600 ≈ …………………………………………
2
1
3
1
7
4
8
1
3
5
2
5 6
x 8
3
3
x
x 5
1
3
4
2
8
2
1
0
3
2
10
Delen is nieuw. 123 369 : 3 = ………
228 684 : 3 = ………
102 714 : 7 = ………
300 : 3 = 100 ≈ …………………………………………
600 : 3 = 200 ≈ …………………………………………
700 : 7 = 100 ≈ …………………………………………
3 –
– …
4
6
9
3
6
3 0 –
– 6
1
6 0 –
2
3
0
9
0
4
3
7
6
– 9
8
–
– 8
2
6
2
8
4
2
4 0
4
7
7 0 –
2
1
–
1
1
0
2
0 1
4
1
4 0
95
LES 128
HERHALING
MMR De eitjes zijn verstopt langs de rand van de tuin … Zoek telkens de omtrek. 15 m 40 m 20 m
29 m 32 m 20 + 40 + 29 + 32 = 121 Ik bereken: …………………………………………
4 x 15 = 60 Ik bereken: …………………………………………
De omtrek is …………… 121 m
De omtrek is …………… 60 m
Ik bereken: ………………………………………… (13 + 27) x 2 = 80
13 m
80 m De omtrek is ……………
27 m
MK 1
Onderzoek de rechthoek.
24
2
Teken wat gevraagd wordt.
24
Teken een rechthoek met lengte 3 cm en breedte 2 cm.
Wat weet je over de hoeken? Alle hoeken zijn recht. ………………………………………………………………………… Wat weet je over de lengte van de zijden?? De overstaande zijden zijn …………………………………………………………… even lang. Wat weet je nog over de zijden? De overstaande zijden …………………………………………………… zijn evenwijdig. Overtrek de lengte van de rechthoek in blauw.
96
Overtrek de breedte van de rechthoek in groen.
Teken een rechthoek met basis 5 cm en hoogte 1 cm.