Skip to main content

Reken Maar! 5: werkschrift B - correctiesleutel

Page 1

Reken We r k s c h r i f t B Correctiesleutel

aar! 5


Reken Maar! 5 Auteurs: An Simons Inge Dupont Rein Trogh Corrector: Kristof Sas

= meerdere oplossingen mogelijk

Bij sommige oefeningen is meer dan één correcte oplossing mogelijk, of kun je op verschillende manieren tot de juiste oplossing komen. Bij dat soort oefeningen zie je dit icoontje staan en wordt er meestal een mogelijke oplossing en/of oplossingsweg gegeven. Dat geldt ook voor schattingen en tussenstappen bij hoofdrekenen. Als leerlingen dan een afwijkend antwoord hebben, kunnen ze dat het best even laten controleren.

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. Coverontwerp: Banananas Covertekening: Frieda Van Raevels Lay-outconcept: Michelangela, Utrecht Vormgeving en opmaak: PPMP Prepress Tekeningen: Jonas Van de Vyver Tekeningen bollobo’s: Frieda Van Raevels Eerste druk 2018 978-90-306-8165-6 ISBN 978-90-306-8164-9 D/2018/0078/21 D/2018/0078/27 568895/01 Art. 568894/01 NUR 192


BLOK 3


BLOK 3 1

INSTAPLES

Getallenkennis a

Welk getal ben ik?

b 73 021

7TD + 3D + 2T + 1E

5 000

de helft van tienduizend 4TD + 9D + 5T

49 050

9TD + 3D + 2E

93 002

c

Rond de getallen af.

d 1 460

1 457 tot op een T 64 632 tot op een D

65 000

9 428 tot op een H

9 400

2

5E

of

5

93 939

→

3D

of

3 000

12 300 → 3H

of

300

→ 4HD of 400 000

Zet de breuken om. 13 5 = 1 en 2. 1 en 5 = . 3. 3 8 8. 9 = 4 en 1. 2. 2

9 2 en 1 = . 4 4.

Zoek de fout in de rij met veelvouden. 0, 6, 12, 15, 18, 25, 30 0, 4, 8, 12, 16, 21, 24, 28, 32

0, 12, 24, 38, 48, 60 0, 7, 14, 22, 28, 35, 42, 49

Bewerkingen: hoofdrekenen a

Benoem correct.

b

c

Los op. 3 × 4 × 2 = 24

3 × 7 = 21

4

→

40 000

42 548 tot op een TD e

35 415

425 315

800 000

8 HD

Welke waarde heeft het vetgedrukte cijfer?

Dit is een vermenigvuldiging

.

8 × 5 × 2 × 4 = 320

3 is de vermenigvuldiger

.

6 × 8 × 5 × 2 = 480

7 is het vermenigvuldigtal

.

21 is het product

.

Tel op en vereenvoudig als het kan. 4 + 3 = 7 = 1 7 7 7

2 × 6 × 10 × 0 = 0 7 × 1 × 5 × 4 = 140 d

Trek af en vereenvoudig als het kan. 6 − 2 = 4 = 1 8 8 8 2

1 + 3 = 4 = 2 6 6 6 3

9 − 5 = 4 = 2 10 10 10 5

3 + 5 = 8 = 4 10 10 10 5 3 + 3 + 3 = 9 = 3 6 6 6 6 2

1 − 4 = 7 – 4 = 3 7 7 7 7 of 1 en 1 2

14 − 2 − 1 = 11 4 4 4 4

of 2 en 3 4


3

Bewerkingen: cijferen a

Cijfer op een blaadje.

b

Zoek en verbeter de fout in de cijferoefeningen.

Noteer hier de uitkomst.

4

789 × 4 =

3 156

354 × 8 =

2 832

1 364 × 3 =

4 092

2 547 × 5 =

12 735

5 482 × 6 =

32 892

9 7 4 4 × 3 9 8 6 8 9

8 2 1 5 3 × 2 4 5 4 5 6

6 2 5 7 × 4 3 5 8 7 5

Meetkunde a

Kleur de veelhoeken.

c

Rara, wie ben ik?

b

Kleur de diagonalen die juist getekend zijn.

• Ik ben een vierhoek met 2 paar evenwijdige zijden en 4 rechte hoeken. vierkant

Mijn 4 zijden zijn gelijk. Ik ben een

.

• Ik ben een vierhoek met 2 paar evenwijdige zijden. Mijn overstaande hoeken zijn gelijk. Ook mijn 4 zijden zijn gelijk.

Ik ben een

ruit of een vierkant

.

• Ik heb altijd 1 paar evenwijdige zijden, maar verder geen speciale kenmerken. Ik ben een d

trapezium

.

Waar of niet waar? Probeer het uit! • In een ruit staan de diagonalen loodrecht op elkaar.

waar

• In een rechthoek snijden de diagonalen elkaar middendoor.

waar

• In een parallellogram snijden de diagonalen elkaar middendoor.

waar

• In een vierkant zijn de diagonalen even lang.

waar

• In een rechthoek staan de diagonalen loodrecht op elkaar.

niet waar

5


LES 25 1

Getallen tot 1 000 000 ontdekken en inoefenen

2

Noteer de kijkcijfers in de tabel. Deze week Vorige week

2

M

HD

TD

D

H

T

E

Jeugdjournaal

462 511

4

3

7

8

6

9

De Stem

740 903

7

6

5

0

0

4

De Sportshow

157 186

7

5

1

3

0

Dance Battle

988 334

9

9

9

9

9

Smakelijke Kost

806 540

7

0

0

0

2

9

Getallendictee a

b

c

300 324

410 238

d

276 150

e

759 086

968 517

3

Noteer de waarde van de aangeduide cijfers zoals in het voorbeeld. a

b

435 162  6T

352 088  2D

913 814  8H

944 237  4D

60

500 000

2 000

800

4 000

148 796  700

934 865  9HD

244 173  4TD

430 872  3TD

800 130  0E

7H 6

568 971  5HD

900 000

40 000

30 000

0


BLOK 3

4

Vorm het getal.

Vergeet de nullen niet!

a 8HD + 6TD + 3D + 2H + 0T + 1E =

863 201

4HD + 9D + 2T + 5E =

409 025

1M =

5

b 3H + 8TD + 0E + 2D + 5T + 2HD =

282 350

5T + 7HD + 3H =

700 350

Rangschik de getallen zoals gevraagd. Kijk naar het vergelijkingsteken. a

425 173 425 137

b

800 800 808 808

6

1 000 000

471 325 <

425 173

808 000 >

452 731

808 000

<

452 731

800 008 >

800 800

457 231 <

457 231

808 808 800 008

>

425 137 <

471 325

800 000 >

800 000

Vul de getallenassen aan. Verbind de getallen met de juiste plaats op de getallenas. a

450 000      325 000      575 000      550 000

300 000

b

400 000

500 000

600 000

940 000      890 000      760 000      820 000

750 000

800 000

850 000

900 000

950 000

1 000 000

7


7

8

Bereken de sprong en zet de rij verder. a   750 000

800 000

850 000

900 000

950 000

1 000 000

397 500

398 500

399 500

400 500

401 500

402 500

816 000

806 000

796 000

786 000

776 000

766 000

b   310 000

420 000

530 000

640 000

750 000

860 000

448 000

449 200

450 400

451 600

452 800

454 000

1 000 000

909 000

818 000

727 000

636 000

545 000

Welk getal is het? Lees en vul in. a De helft van 1 000 000 is

500 000

.

Net voor 1 000 000 komt

999 999

.

502 000

2D meer dan 500 000 is 9TD minder dan 600 000 is

.

510 000

275 000

9

8

7

6

4

Ik ben het grootste getal met 6 verschillende .

cijfers. Het cijfer van de HD, TD en D is

.

en E. Ik ben het dubbel van Ik kom net voor Als je

12 346

1 miljoen.

8

5

telkens 3 meer dan het cijfer van de H, T

Net in het midden tussen 250 000 en 300 000 ligt het getal

b

493 827

987 655

.

.

bij me optelt, word ik


BLOK 3

LES 26 1

5, 15

Hoeveelheden schatten en getallen afronden

Schat hoeveel het er zijn. Schrijf erbij hoe je dat gevonden hebt. a Hoeveel mensen in de zaal?

Ik schat

mensen.

Ik tel één rij horizontaal en één rij verticaal en vermenigvuldig ze. 7 × 5 = 35

b Een boek van 642 bladzijden. Hoeveel bladzijden al gelezen?

Ik schat bladzijden. 1 van 630 = 210 3

2

Rond de natuurlijke getallen af zoals gevraagd. a

tot op een T tot op een H tot op een D   1 632

1 630

1 600

2 000

22 455

22 460

22 500

22 000

64 821

64 820

64 800

65 000

9 549

9 550

9 500

10 000

b

tot op een T tot op een H tot op een D   6 487

6 490

6 500

6 000

13 529

13 530

13 500

14 000

94 153

94 150

94 200

94 000

210 885

210 890

210 900

211 000

9


3

Rond de kommagetallen af zoals gevraagd. a

tot op een h tot op een t tot op een E 4,342

4,34

4,3

4

2,587

2,59

2,6

3

45,153

45,15

45,2

45

0,715

0,72

0,7

1

9,809

9,81

9,8

10

b

4

3,125

3,13

3,1

3

67,489

67,49

67,5

67

1,658

1,66

1,7

2

0,461

0,46

0,5

0

81,508

81,51

81,5

82

Schat met ronde getallen en kleur de schatting die daarbij past.

4 096,78 − 1 486,39 2,9 × 4,18 196 × 4 587

≈ 4 000 − 1 500 ≈3×4 × 4 500 ≈ 200

≈ 2 000 ≈ 15 ≈ 1 000 000

≈5 000 : 50

≈ 100

209,65 − 43,91

− 45 ≈ 210

≈ 160

6 104,6 + 821,3

≈6 100 + 800

4 676 : 49

5,7 × 16,3 1 905 : 3

10

tot op een h tot op een t tot op een E

≈ 6 800

≈6 × 15

≈ 120

≈1 800 : 3

≈ 700

≈ 2 500 ≈8 ≈ 920 000 ≈ 90 ≈ 165 ≈ 6 900 ≈ 100 ≈ 600

≈ 3 000 ≈ 12 ≈ 900 000 ≈ 80 ≈ 170 ≈ 7 000 ≈ 90 ≈ 500


BLOK 3

5

6

Kan het of kan het niet? Reken met ronde getallen en doorstreep wat niet past. Basisschool ‘De vrolijke bende’ heeft 670 leerlingen. Ze zijn verdeeld over 11 klassen. Kan dat?

Dat zijn ± 60

In de lift hangt een plaatje: max. 250 kg. Papa weegt 79 kg, mama en de drie kinderen wegen samen 158 kg. De hond weegt 19 kg. Kunnen ze samen naar boven?

Dat is in totaal ±

Yousra koopt een cd van € 24,50 en een T-shirt van € 14,95. Ze heeft € 40 op zak. Kan ze daarmee alles betalen?

Dat is in totaal ±

leerlingen per klas.

Dat kan / kan niet. 260

kg.

Dat kan / kan niet. 40

euro.

Dat kan / kan niet.

Goed of fout geschat? Bij fout schrijf je erbij waarom er fout geschat is. a De directeur moet bussen bestellen voor de schooluitstap. Een bus heeft 50 plaatsen. Er gaan 306 leerlingen en leerkrachten mee. De directeur schat: 300 : 50 = 6. Hij bestelt 6 bussen. b Mama stuurt Sander naar het postkantoor om 2 velletjes van 10 postzegels te kopen. 1 zegel kost 70 cent. Mama schat 20 × 1 = 20 en geeft hem 20 euro mee. “Daar kom je zeker mee toe”, zegt ze.

c Mehdi wil zijn kamer verven. Hij leest op het internet dat 1 liter verf goed is voor 5 m². Hij moet 23 m² verven. Hij schat 20 : 5 = 4 en bestelt 4 liter verf.

Dat is goed geschat.   Dat is fout geschat, want dan zijn er 6 plaatsen te kort

.

Dat is goed geschat.   Dat is fout geschat, want

.

Dat is goed geschat.   Dat is fout geschat, want hij zal verf te kort hebben voor minstens 3 m2

.

11


LES 27 1

11c

Hoofdrekenen: vermenigvuldigen

Los op. Denk aan de maaltafels. a     8 × 7 = 56

b

9 × 30 = 270 300 × 9 = 2 700

↓ × 10 ↓ × 10    8 × 70 = 560

4 × 8 000 = 32 000 800 × 4 = 3 200 60 × 5 = 300

5 × 4 = 20

5 × 6 000 = 30 000

↓ × 100 ↓ × 100   5 × 400 = 2 000

c

7 × 30 = 210 70 × 30 = 2 100

7 × 2 = 14    ↓ × 1 000 ↓× 1 000 7 × 2 000 = 14 000

2

50 × 80 = 4 000 400 × 40 = 16 000 600 × 200 = 120 000

Reken handig uit. Splitsen en verdelen 4 × 35

7 × 213

= ( 4 × 30 ) + ( 4 × 5 )

= (7 × 200) + (7 × 10) + (7 × 3)

= 120 + 20

=1 400 + 70 + 21

= 140

= 1 491

6 × 48

3 × 528

= (6 × 40) + (6 × 8)

= (3 × 500) + (3 × 20) + (3 × 8)

+ 48 = 240

=1 500 + 60 + 24

= 288

= 1 584

Zo lukt het altijd, maar soms kan het handiger.

12


BLOK 3

Schakelen 7×6×5

8 × 5 × 40

5 × 60 × 30

= 7 ×( 6 × 5 )

= (8 × 5) × 40

= (5 × 60) × 30

= 7 × 30

= 40 × 40

= 300 × 30

= 210

= 1 600

= 9 000

Van plaats wisselen en schakelen 6 × 25 × 3 × 4

5 × 170 × 20

3 × 40 × 80 × 5

= ( 25 × 4 ) × ( 6 × 3 )

= (5 × 20) × 170

= (3 × 80) × (40 × 5)

= 100 × 170

= 240 × 200

= 17 000

= 48 000

8 × 49

6 × 95

38 × 4

= 8 × (50 − 1 )

= 6 × (100 − 5)

= (40 − 2) × 4

= ( 8 × 50 ) − ( 8 × 1 )

= (6 × 100) − (6 × 5)

= (40 × 4) − (2 × 4)

= 400 − 8

= 600 − 30

= 160 − 8

= 392

= 570

= 152

=

100

=

1 800

×

18

Met ‘mooie’ getallen werken

Eén factor vermenigvuldigen met en de andere factor delen door hetzelfde getal 25 × 12

25 × 12

= (25 × 4 ) × (12 : 4 )

= (25 : 5 ) × (12 × 5 )

= 100 × 3

=

= 300

= 300

48 × 25

12 × 75

16 × 125

= (48 : 4) × (25 × 4)

= (12 : 2) × (75 × 2)

= (16 : 4) × (125 × 4)

= 12 × 100

= 6 × 150

= 4 × 500

= 1 200

= 900

= 2 000

5

Zo had ik het nog niet bekeken!

× 60

13


3

Kies hoe je rekent. Noteer tussenstappen als je dat nodig vindt. a 60 × 900 = 54 000

840

8 × 250 =

2 000

14 × 68 =

952

6 × 125 × 4 =

3 000

9 × 2 360 =

21 240

4

b 5 × 7 × 24 =

80 × 12 =

960

29 × 202 =

5 858

39 × 15 =

585

56 × 25 =

1 400

Ik reken lekker hoe ik wil!

Lees en los op. Noteer tussenstappen als je dat nodig vindt. a Op schoolreis krijgen de 25 leerlingen van het vijfde leerjaar een lunch van 12 euro. Hoeveel moet de juf betalen? Bewerking: 25 × 12 = 300 Antwoord: De juf moet 300 euro betalen.

b Dit jaar zijn 235 volwassenen en 73 kinderen lid van sportclub ‘Gezond en Fit’. Een volwassene betaalt 19 euro lidgeld en een kind 9 euro. Hoeveel lidgeld zal de sportclub dit jaar ontvangen? Bewerkingen: (235 × 20) − (235 × 1) = 4 700 − 235 = 4 465 (73 × 10) − (73 × 1) = 730 − 73 = 657 4 465 + 657 = 5 122 Antwoord: De sportclub zal 5 122 euro ontvangen. 14


BLOK 3

LES 28 1

Hoofdrekenen: natuurlijke getallen ­vermenigvuldigen met kommagetallen

12c

Los op. Denk aan de maaltafels. 6 × 7 = 42

a

b

↓ : 10 ↓ : 10 6 × 0,7 = 4,2 6 × 6 = 36 :100    ↓

↓ :100

6 × 0,06 = 0,36

5 × 3 = 15 :1 000 ↓ :1 000    ↓

9 × 0,4 =

3,6

0,04 × 9 =

0,36

3 × 0,007 =

0,021

7 × 0,3 =

2,1

6 × 0,08 =

0,48

0,006 × 8 =

0,048

0,4 × 4 =

1,6

7 × 0,05 =

0,35

9 × 0,002 =

0,018

0,03 × 6 =

0,18

5 × 0,003 = 0,015

2

Los op.

Vermenigvuldigen met 0,1 − 0,01 − 0,001 is hetzelfde als delen door 10 − 100 − 1 000.

7 000 × 1 = 7 000

a

7 000 × 0,1 = 7 000 : 10

= 700

7 000 × 0,01 = 7 000 : 100 =

70

7 000 × 0,001 = 7 000 : 1 000 =

7

b 8 × 0,5 =

Vermenigvuldigen met 0,5 is hetzelfde als delen door 2.

4

Dat is hetzelfde als 8 : 2 = 4 . 12 × 0,5 is hetzelfde als

12 : 2 = 6

.

c Kies de manier die jij het makkelijkst vindt.

0,1 × 800 = 800 : 10 = 80 6 × 0,5 = 6 : 2 = 3

4 000 × 0,001 = 4 000 : 1 000 = 4 0,01 × 2 500 = 2 500 : 100 = 25 3 600 × 0,1 = 3 600 : 10 = 360

0,5 × 24 = 24 : 2 = 12 15


3

Lukt altijd, maar let op: zijn de cijfers na de komma t, h of d?

Reken handig uit.

Splitsen en verdelen 3 × 6,2 = 3 × ( 6 + 0,2 )

8 × 5,003 = 8 × ( 5 + 0,003 )

= ( 3 × 6 ) + ( 3 × 0,2 )

= (8 × 5) + (8 × 0,003)

= 18

+ 0,6

= 40 + 0,024 = 40,024

= 18,6

7 × 4,21 = 7 × ( 4 +

0,20

+ 0,01 )

5 × 4,09 = 5 × ( 4 +

= (7 × 4) + (7 × 0,20) + (7 × 0,01)

= (5 × 4) + (5 × 0,09)

= 28 + 1,40 + 0,07

= 20 + 0,45

= 29,47

= 20,45

0,09 )

Van plaats wisselen en schakelen 5 × 2,5 × 7 × 4

8 × 0,2 × 4 × 5

4 × 6 × 1,25

= ( 5 × 7 ) × ( 2,5 × 4 )

= (8 × 4) × (0,2 ×5)

= (4 × 1,25) × 6

= 32 × 1

=5 ×6

= 32

= 30

4 × 3,9

7 × 2,8

9,95 × 6

= 4 × (4 − 0,1 )

= 7 × (3 − 0,2)

= (10 − 0,05) × 6

= ( 4 × 4 ) − ( 4 × 0,1 )

= (7 × 3) − (7 × 0,2)

= (10 × 6) − (0,05 × 6)

= 16

= 21 − 1,4

= 60 − 0,30

= 19,6

= 59,70

=

35 × 10

= 350

Met ‘mooie’ getallen werken

= 15,6 16

− 0,4


BLOK 3

Eén factor vermenigvuldigen met en de andere factor delen door hetzelfde getal

4

2,5 × 24

8 × 1,25

35 × 1,2

= (2,5 × 4 ) × (24 : 4 )

= (8 : 4 ) × (1,25 × 4 )

= (35 : 5) × (1,2 × 5)

=2 ×5

=7 ×6

= 10

= 42

=

10

=

60

6

Kies hoe je rekent. Noteer tussenstappen als je dat nodig vindt. a

5

×

9 × 0,06 =

0,54

b 5 × 3 × 2,4 =

36

c

12 × 7,9 =

94,8

6 × 1,2 × 5 =

36

14 × 3,8 =

53,2

8,95 × 3 =

26,85

120 × 0,1 =

12

0,5 × 136 =

68

7,5 × 44 =

330

4,8 × 25 =

120

12,5 × 12 =

150

6 × 7 × 1,5 =

63

Lees en los op. a Papa wil bij de bakker 4 eclairs kopen. Die kosten 1,60 euro per stuk. Hij heeft 10 euro in zijn portefeuille. Kan hij ook nog een brood van € 2,20 kopen?

b Waar zit het meest in? In 7 kleine flesjes van 0,25 l of in een grote fles van anderhalve liter?

Bewerkingen: 4 × 1,60 = 6,40

Bewerkingen: 7 × 0,25 = 1,75

10 − 6,40 = 3,60

Antwoord: Ja, hij kan nog een brood van

In Antwoord: de 7 kleine flesjes van

€ 2,20 kopen.

0,25 l zit het meest. 17


LES 29 1

Cijferen: vermenigvuldigen

18a, 18d

Schat en reken uit. a ≈

120 × 10 = 1 200

1 2 1 × 3 7 1 2 4 + 1 6 1 c

4 3 2 0 2

e

4 1 4 0 4

×

1 2 1 2 + 1 5 g

2 2 1 8 0 9

4 9 6 0 0 6

≈

× 5 7 0 + 7 5

1 4 0 2 4 6

7 3 0 8 0 8

6 0 0 0 0 0

4 6 2 × 2 8 1 9 3 8 + 1 2 1 9

9 6 4 0 4

5 4 1 1

316 × 245 = ≈

300 × 250 = 75 000

×

1 1 2 6 3 + 7 7

3 2

h

3 2 5 6 2 4

1 4 8 4 0 2

6 5 0 0 0 0

3 2 1

408 × 236 = ≈

400 × 250 = 100 000

×

1 2 2 3

3 1

500 × 30 = 15 000

f

200 × 400 = 80 000

4 8 2 0 2

469 × 26 =

1 1

176 × 430 = ≈

1 2 1 × 9 9 1 2 4 + 2 2 3

100 × 130 = 13 000 1 1 1 4 4 9

120 × 20 = 2 400

d

124 × 129 = ≈

≈

230 × 30 = 6 900

2 3 3 × 2 3 7 0 2 + 7 2 5

124 × 18 =

1

234 × 31 = ≈

18

b

124 × 13 =

2 1 2 8 1 + 9 6

4 2 4 2 6 2

0 3 4 4 0 8

8 6 8 0 0 8

4 2 1


BLOK 3

2

Lees de opgave en noteer de bewerking. Vergeet niet te schatten en controleer je uitkomst ook met je zakrekenmachine. Noteer dan hier je antwoord. a De bekende kok Sjokke La heeft een nieuw boek uit. Het kost 24 euro. Er zijn al 318 exemplaren verkocht. Hoeveel euro heeft dat opgeleverd?

≈ 300 × 25 = 7 500 3 1 2 × 1 2 7 6 3 6 + 7 6 3

8 4 2 0 2

Bewerking: 318 × 24 Antwoord: Dat heeft al 7 632 euro opgeleverd. b De broodjeszaak dicht bij de school verkocht vorig jaar gemiddeld voor 432 euro per dag. De zaak was 215 dagen open. Hoeveel euro ontvingen ze in totaal dat jaar?

≈ 430 × 200 = 86 000

×

2 4 8 6 + 9 2

4 2 1 3 4 8

3 1 6 2 0 8

2 5 0 0 0 0

Bewerking: 432 × 215 Antwoord: Ze ontvingen dat jaar in totaal

92 880 euro 19


≈ 80 × 3 = 240

c Opa gaat driemaal per week fietsen. Hij maakt dan tochten van gemiddeld 84 km. Hoeveel kilometer fietst hij per jaar?

8 4 3 × 2 5 2 ≈ 250 × 50 = 12 500 2 5 5 × 5 0 1 2 6 0 + 1 3 1 0

2 2 4 0 4

Bewerking: 84 ×3

252 × 52

Antwoord: Hij fietst 13 104 km per jaar. ≈ 250 × 400 = 100 000

d Griet is buschauffeur. Per dag rijdt ze gemiddeld 412 km. Ze werkt niet op zondag en op woensdag en ze neemt 4 weken vakantie. Hoeveel kilometer rijdt Griet op een jaar?

× 2 9 6 + 9 8

2 4 4 4 0 8

4 1 8 0 0 8

0 2 0 0 0 0

Bewerking: 52 − 4 = 48

48 × 5 = 240

240 × 412

Antwoord: Griet rijdt 98 880 km op een jaar.

3

Welke getallen zitten er onder de vlekken? Vul in. a

b 2 1 3 × 4 2 6 3 0 + 6 7 2

20

0 2 0 0 0

c 4 1 × 9 3 1 2 4 6 3 + 7 0 3

6 5 2 5 0 7

3 2 6 0 0 6

×

1 2 3 + 6 7 9 2

3 2 6 4 0 1

3 7 7 5 0 2

5 5 5 0 0 5


BLOK 3

LES 30 1

43, 44, 45a, 46a

De eigenschappen van vierhoeken onderzoeken

Noteer de naam. Kruis dan de correcte eigenschappen aan. Naam: vierkant

Naam: rechthoek

juist 1 paar evenwijdige zijden

juist 1 paar evenwijdige zijden

2 paar evenwijdige zijden

2 paar evenwijdige zijden

4 gelijke zijden

4 gelijke zijden

gelijke overstaande zijden

gelijke overstaande zijden

4 rechte hoeken

4 rechte hoeken

gelijke overstaande hoeken

gelijke overstaande hoeken

Naam: ruit

Naam: parallellogram

juist 1 paar evenwijdige zijden

juist 1 paar evenwijdige zijden

2 paar evenwijdige zijden

2 paar evenwijdige zijden

4 gelijke zijden

4 gelijke zijden

gelijke overstaande zijden

gelijke overstaande zijden

4 rechte hoeken

4 rechte hoeken

gelijke overstaande hoeken

gelijke overstaande hoeken 21


Naam: trapezium

2

3

Naam: vierhoek

juist 1 paar evenwijdige zijden

juist 1 paar evenwijdige zijden

2 paar evenwijdige zijden

2 paar evenwijdige zijden

4 gelijke zijden

4 gelijke zijden

gelijke overstaande zijden

gelijke overstaande zijden

4 rechte hoeken

4 rechte hoeken

gelijke overstaande hoeken

gelijke overstaande hoeken

Waar of niet waar? Kleur het rondje groen (waar) of rood (niet waar). a

Een vierkant heeft 4 gelijke hoeken.

b

Bij een parallellogram zijn de overstaande zijden gelijk.

c

Een trapezium heeft 2 paar evenwijdige zijden.

d

Een ruit kan 4 even grote hoeken hebben.

e

Je mag een vierkant ook een rechthoek noemen.

Welke vierhoek kan de gele figuur onder het doekje zijn? een vierkant, een rechthoek, een trapezium

22


BLOK 3

4

Zet een kruisje in de kolom als de eigenschap geldt voor de figuur. trapezium

parallellogram

ruit

rechthoek

vierkant

1 paar evenwijdige zijden 2 paar evenwijdige zijden 4 gelijke zijden gelijke overstaande zijden 4 rechte hoeken gelijke overstaande hoeken

5

Wie ben ik? Vul mijn naam in op de lijntjes. a Ik heb 4 gelijke zijden maar geen rechte hoeken. Mijn overstaande zijden zijn evenwijdig aan elkaar. Ik ben een ruit

.

b Mijn zijden zijn twee aan twee gelijk en evenwijdig. Ik heb 2 scherpe en 2 stompe hoeken. Ik ben een parallellogram

.

c Ik heb 4 rechte hoeken en 2 paar evenwijdige zijden. Mijn zijden zijn niet allemaal gelijk. Ik ben een rechthoek

.

d Ik heb 1 paar evenwijdige zijden en kan hoogstens 2 rechte hoeken hebben. Ik ben een trapezium

.

23


LES 31 1

24

44, 46b-c

De diagonalen in vierhoeken onderzoeken en tekenen

Noteer eerst de naam. Onderzoek dan de diagonalen van de vierhoeken en kruis de passende eigenschappen aan. Naam: vierhoek

Naam: ruit

De diagonalen zijn even lang.

De diagonalen zijn even lang.

De diagonalen snijden elkaar middendoor.

De diagonalen snijden elkaar middendoor.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar.

Naam: parallellogram

Naam: vierkant

De diagonalen zijn even lang.

De diagonalen zijn even lang.

De diagonalen snijden elkaar middendoor.

De diagonalen snijden elkaar middendoor.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar.

Naam: rechthoek

Naam: trapezium

De diagonalen zijn even lang.

De diagonalen zijn even lang.

De diagonalen snijden elkaar middendoor.

De diagonalen snijden elkaar middendoor.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar.


BLOK 3

2

3

Waar of niet waar? Kleur het rondje groen (waar) of rood (niet waar). a

In een parallellogram snijden de diagonalen elkaar loodrecht.

b

De diagonalen van een ruit halveren elkaar.

c

In een rechthoek zijn de diagonalen gelijk van lengte.

d

In een trapezium halveren de diagonalen elkaar altijd.

Teken de diagonalen. Verbind de vierhoeken met de juiste eigenschappen en naam. De diagonalen zijn even lang. Ze snijden elkaar middendoor, maar staan niet loodrecht op elkaar.

De diagonalen snijden elkaar middendoor. Ze staan niet loodrecht op elkaar en zijn niet even lang.

Naam: rechthoek

Naam: parallellogram

De diagonalen zijn niet even lang. Ze halveren elkaar niet en staan ook niet loodrecht op elkaar.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar. Ze snijden elkaar middendoor en zijn even lang.

Naam: trapezium

Naam: vierkant

• Welke vierhoek blijft over? ruit • Wat weet je over de diagonalen van die vierhoek? Ze snijden elkaar middendoor, staan loodrecht op elkaar en zijn niet even lang. 25


4

Wie ben ik? Vul mijn naam in op de lijntjes. a Mijn diagonalen zijn even lang en snijden elkaar middendoor. Ze staan niet loodrecht op elkaar. Ik ben een rechthoek

.

b Mijn diagonalen snijden elkaar loodrecht en middendoor. Ze zijn niet even lang. Ik ben een ruit

.

c Mijn diagonalen kunnen even lang zijn. Ze kunnen elkaar loodrecht snijden, maar ze snijden elkaar nooit middendoor. Ik ben een trapezium

5

.

Teken de vierhoeken en benoem ze. a Een vierhoek met gelijke diagonalen die niet loodrecht op elkaar staan en elkaar halveren.

Naam: rechthoek b Een vierhoek met diagonalen die elkaar middendoor en loodrecht snijden, maar niet even lang zijn.

Naam: ruit 26


BLOK 3

43, 44, 46, 47

LES 32 1

Vierhoeken ordenen en tekenen

Noteer het nummer en de meest passende naam van elke vierhoek op de juiste plaats in het schema. vierkant 4 2 paar evenwijdige zijden 4 gelijke zijden 4 rechte hoeken rechthoek 2

ruit 6

2 paar evenwijdige zijden gelijke overstaande zijden 4 rechte hoeken

2 paar evenwijdige zijden 4 gelijke zijden gelijke overstaande hoeken

parallellogram 1 2 paar evenwijdige zijden gelijke overstaande zijden gelijke overstaande hoeken trapezium 5 minstens 1 paar evenwijdige zijden vierhoek 3 vlakke figuur met 4 zijden en 4 hoeken

3 1

4

2

5

6

27


2

Duid in elke figuur de basis aan met blauw en de hoogte met groen.

3

Teken de vierhoeken. a

28

Teken een vierkant met zijde 4 cm.

b Teken een rechthoek met een basis van 5 cm en een hoogte van 3 cm.

c Teken een parallellogram met basis 5 cm en hoogte 4 cm.

d Teken een ruit met een grote diagonaal van 6 cm en een kleine diagonaal van 4 cm.

e Teken een vierhoek met minstens 1 rechte hoek die geen trapezium is.

f

Teken een vierkant met een omtrek van 12 cm.


BLOK 3

4

Vorm met deze diagonalen een vierhoek. Schrijf er de best passende naam bij. a

b

ruit

c

d

rechthoek

5

vierkant

trapezium

Vorm de vierhoeken. Verbind de juiste punten en vorm zo een vierkant, een rechthoek, een ruit, een parallellogram en een trapezium. Gebruik elk punt juist ĂŠĂŠn keer. Opgelet: de vierhoeken kunnen door elkaar lopen.

29


LES 33 1

3d-h, 13a-b

De gehelen uit breuken halen

Kleur de breuk en schrijf ze als gemengd getal. a

b

7 = 1 en 3. 4. 4

2

13 = 2 en 3. 5. 5

Zet de breuken om in een gemengd getal. Vereenvoudig als het kan. a

11 2

b

4 = 1 en 1. 3. 3 12 = 2 en 2. 5. 5

10 + 1. of 5 gehelen en 1. 2. 2 2

18 = 1 en 8. of 1 en 10 10 . 14 = 2 en 2 of 2 en 6 6

15 4

4. 5. 1 3

24 = 3 8

12 . + 3. of 3 gehelen en 3. 4. 4 4

18 = 4 en 2 of 4 en 1 4 2 4 17 = 2 en 3 7 7

15 6 12 . + 3. of 2 gehelen en 3. of 2 en 1. 6. 2. 6 6

3

Welk deel is gekleurd? Schrijf het als gemengd getal en als breuk. a

b

. 2 en 3. = 11 4. 4.

30

. 3 en 2. = 11 3. 3.


BLOK 3

4

Zet de gemengde getallen om in een breuk. a

3 en 3 5

b

6 5 11 1 en 5 = . + . = . 6. 6. 6 6. 25 + 1 = 26 5 en 1 = 5 5 5 5 9 + 2 = 11 3 en 2 = 3 3 3 3

15 3 18 . + . = . 5. 5 5 5 en 2 3

16 + 3 = 19 4 en 3 = 4 4 4 4

15 2 17 . + . = . 3. 3. 3. c

5

5 2 en 1 = . 2 2.

19 6 en 1 = . 3 3.

. 3 en 3 = 18 5 5.

. 8 en 1 = 49 6 6.

53 5 en 3 = . 10 10 .

35 4 en 3 = . 8 8.

Verbind de kaartjes met de juiste plaats op de getallenas. a

2 5

0

8 5

1

0

7 6

5 3

1 2

4

7 4

1

5

18 6

15 6

22 6

5 6

3

2

2 4

1 5

4

3

1

0

12 5

10 6

1 3

c

22 5

2 2 6

b

10 5

3

4

3 4

8 4

1 4

4 4

2 4

6 8

2

2 8

1

4 8

2

3

31


6

Reken uit. Zet de uitkomst om in een gemengd getal. Vereenvoudig als het kan. 5 + 6 = 11 = 1 en 4 7 7 7 7 14 − 3 = 11 = 2 en 1 5 5 5 5 11 − 1 = 11 − 2 = 9 = 1 en 1 8 4 8 8 8 8 8 + 2 = 4 + 2 = 6 = 1 en 1 10 5 5 5 5 5 3 + 7 = 6 + 7 = 13 = 1 en 1 6 12 12 12 12 12 9 − 2 = 27 − 4 = 23 = 3 en 5 2 3 6 6 6 6 4 + 3 = 16 + 15 = 31 = 1 en 11 5 4 20 20 20 20 5 + 5 = 20 + 15 = 35 = 1 en 11 6 8 24 24 24 24 7 − 1 = 21 − 4 = 17 = 1 en 5 4 3 12 12 12 12 15 − 4 = 75 − 16 = 59 = 2 en 19 4 5 20 20 20 20

7

Los op. Noteer de uitkomst zo eenvoudig mogelijk. 4 2 6 (1 en 1 ) + 2 = + = = 2 3 3 3 3 3 13 + 19 = 32 = 6 en 2 (2 en 3 ) + (3 en 4 ) = 5 5 5 5 5 5 12 7 19 = 9 en 1 6+ 7 = + = 2 2 2 2 2 20 − 3 = 20 − 9 = 11 = 3 en 2 3 3 3 3 3 50 + 11 = 61 = 12 en 1 10 + (2 en 1 ) = 5 5 5 5 5 12 + 4 = 12 + 20 = 32 = 6 en 2 5 5 5 5 5 9 13 = 45 − 26 = 19 = 1 en 9 (4 en 1 ) − (2 en 3 ) = − 2 5 10 2 5 10 10 10 30 18 = 12 = 2 en 2 6 − (3 en 3 ) = − 5 5 5 5 5

32

Vraagje over optellen of aftrekken met breuken? Kijk in je Rekenwijzer bij nr. 13a-b.


LES 34 â&#x20AC;&#x201C; HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 3?

Getallenkennis Ik kan:

les nr.

rekenwijzer herhaling nr. nr.

natuurlijke getallen tot 1 000 000 lezen en schrijven en de waarde van de cijfers in een getal bepalen.

25

2a

1

natuurlijke getallen tot 1 000 000 ordenen en op een getallenas plaatsen.

25

2b-c

2

natuurlijke getallen en kommagetallen afronden.

26

5

3

hoeveelheden handig schatten.

26

15a

4

breuken vereenvoudigen.

33

3e

5

breuken > 1 en gemengde getallen naar elkaar omzetten en ze op een getallenas plaatsen.

33

3d, 3g-h

6

Bewerkingen Ik kan:

les nr.

rekenwijzer herhaling nr. nr.

natuurlijke getallen handig met elkaar vermenigvuldigen.

27

11c

7

natuurlijke getallen en kommagetallen handig met elkaar vermenigvuldigen.

28

12c

8, 9

natuurlijke getallen cijferend met elkaar vermenigvuldigen; het product vooraf schatten en controleren met de ZRM.

29

18a

10

Meetkunde Ik kan:

les nr.

rekenwijzer herhaling nr. nr.

de eigenschappen van zijden en hoeken van vierkant, rechthoek, parallellogram, ruit en trapezium onderzoeken en verwoorden.

30

46a

11

diagonalen in veelhoeken herkennen, benoemen en tekenen en de eigenschappen ervan onderzoeken en verwoorden.

31

46b

12

vierhoeken benoemen en ordenen volgens de eigenschappen van hoeken en zijden.

32

47a-f

13

Ik kan in een opgave de belangrijke gegevens aanduiden. Ik kan andere leerlingen helpen om eenvoudige problemen op te lossen. Ik controleer mijn werk als ik klaar ben en verbeter foutjes die ik nog vind.

33


1

Getallen tot 1 000 000 a Luister goed en noteer de getallen.

206 000

80 988

730 037

500 500

1 000 000

b Vorm de getallen. 4HD + 8TD + 3D + 9H + 6T + 1E

=

483 961

3HD + 2TD + 6D + 5H

=

326 500

7HD + 9TD + 9D + 2H + 4T +0E

=

799 240

5D + 7E + 2T + 8HD + 9H + 1TD

=

815 927

6E + 2HD + 8H

=

200 806

Laat je niet vangen!

c Noteer de waarde van het vetgedrukte cijfer, met een symbool en in cijfers. 723 615

2

270 549

89 430

1T

9D

10

9 000

2HD

200 000

513 876

673 408

980 213

3D

3E

4H

3 000

3

400

Getallen ordenen en op de getallenas plaatsen a Rangschik het aantal inwoners van deze 5 gemeenten van groot naar klein. Mortsel

25 551

Overijse

24 959

Ronse

25 925

Maaseik

25 133

Zwevegem

24 353

25 925

>

25 551

>

25 133

>

24 959

>

24 353

b Verbind deze getallen met de juiste plaats op de getallenas. 591 000      579 000      597 000

575 000 34

585 000

595 000


3

4

5

6

Rond de getallen af zoals gevraagd. tot op een T

tot op een H

tot op een D

tot op een h

tot op een t

tot op een E

1 234

1 230

1 200

1 000

23,120

23,12

23,1

23

33 647

33 650

33 600

34 000

12,683

12,68

12,7

13

89 885

89 890

89 900

90 000

6,935

6,94

6,9

7

Hoeveel zijn het er? Schat.

Hoeveel containers staan er op het schip?

Mijn boek telt 150 bladzijden. Hoeveel bladzijden heb ik al gelezen?

Ik schat 180 containers.

Ik schat 120 bladzijden.

Schrijf de breuken zo eenvoudig mogelijk. 4 = 2. 6 3.

8 = 1. 16 2.

6 = 1. 30 5.

9 = 3. 12 4.

3 = 1. 9 3.

8 = 4. 10 5.

5 = 5. 7 7.

6 = 2. 15 5.

Gemengde getallen a Zet de breuken om naar een gemengd getal en plaats ze op de getallenas. 3 = 1 en 1.       13 = 3 en 1.       20 = 2 en 1. 2 4 8 2. 4. 2.

0

1

3 2

2

20 8

3

13 4

4

b Zet deze gemengde getallen om naar een breuk.

8 1 en 3 = . 5 5

2 en 1 = 7. 3 3.

. 3 en 3 = 15 4 4.

35


7

Reken handig uit.   800 × 70 = 56 000     59 × 4 = (60 × 4) − (1 × 4) = 240 − 4 = 236 15 × 9 × 6 = 15 × 54 = (10 × 54) + (5 × 54) = 540 + 270 = 810    15 × 32 = (10 × 32) + (5 × 32) = 320 + 160 = 480     26 × 8 = (20 × 8) + (6 × 8) = 160 + 48 = 208

8

Los op.

0,1 × 90 = 90 : 10 = 9

6 200 × 0,01 = 6 200 : 100 = 62

0,5 × 14 = 14 :2=7

0,001 × 1 000 = 1 000 : 1 000 = 1 5 200 × 0,1 = 5 200 : 10 = 520

9

Reken handig uit.   9 × 0,3 = 2,7   1,4 × 6 = (1 ×6) + (0,4 × 6) = 6 + 2,4 = 8,4 8 × 3,75 = (8 × 4) − (8 × 0,25) = 32 − 2 = 30 16,7 × 3 = (16 × 3) + (0,7 × 3) = 48 + 2,1 = 50,1 × 10) + (2,6 × 2) = 26 + 5,2 = 31,2 2,6 × 12 = (2,6 4 × 9,25 = (4 × 9) + (4 × 0,25) = 36 + 1 = 37

36

Denk aan de rekenregels.


10

Cijferend vermenigvuldigen a Omkring de meest nauwkeurige schatting.

40 000

90 000

406 × 199 ≈

80 000

955 × 101 ≈   95 000

( 400 × 200 )

90 000

( 950 × 100 )

100 000

80 000

100 000

99 × 753 ≈

70 000

148 × 602 ≈   90 000

( 100 × 750 )

75 000

( 150 × 600 )   60 000

75 000

60 000

267 × 296 ≈

60 000

254 × 289 ≈   90 000

( 250 × 300 )

90 000

( 250 × 300 )   75 000

Vergeet de schatting niet!

b Reken cijferend uit. 206 × 325 = ≈

200 × 325 = 65 000

×

1 4 6 1 + 6 6

2 3 0 1 8 9

0 2 3 2 0 5

284 × 269 = ≈

6 5 0 0 0 0

×

2 1 7 5 6 + 7 6

308 × 247 = ≈

300 × 250 = 75 000

×

2 1 2 6 1 + 7 6

3 2 1 3 6 0

0 4 5 2 0 7

8 7 6 0 0 6

300 × 250 = 75 000 2 2 5 0 8 3

8 6 5 4 0 9

4 9 6 0 0 6

136 × 734 = ≈

100 × 700 = 70 000

× 4 9 5 + 9 9

1 7 5 0 2 8

3 3 4 8 0 2

6 4 4 0 0 4 37


c Lees en los cijferend op. Controleer het resultaat met de zakrekenmachine. De derde graad van ‘De Springplank’ zwemt voor het goede doel. De 82 leerlingen zwemmen gemiddeld 17 baantjes van 25 meter. Hoeveel meter hebben ze in totaal gezwommen?

≈ 20 × 20 = 400 2 1 × 1 7 2 5 + 4 2

5 7 5 0 5

≈ 400 × 100 = 40 000 4 2 8 × 8 5 3 4 0 0 + 3 4 8 5

Antwoord: In totaal hebben ze 34 850 meter

5 2 0 0 0

gezwommen. De spelers van de basketbalploeg trainen 3 keer per week. Voor elke training moeten ze 4 toertjes rond het veld lopen. Hoeveel meter hebben ze dan afgelegd?

3 × 4 = 12 (25 + 18) × 2 = 86 18 m

25 m

Antwoord: Ze hebben dan 1 032 meter afgelegd.

11

Onderzoek de vierhoeken en verbind ze met hun eigenschappen. 2 paar evenwijdige zijden

4 gelijke zijden

gelijke overstaande zijden

4 gelijke hoeken

gelijke overstaande hoeken

38

8 1 × 1 7 8 6 + 1 0 3

6 2 2 0 2


12

Teken de diagonalen en onderzoek en noteer hun eigenschappen. a

De diagonalen van dit trapezium: zijn • even lang; snijden elkaar niet middendoor; • staan loodrecht op elkaar. •

De diagonalen van een vierkant: zijn • even lang; snijden elkaar middendoor; • staan loodrecht op elkaar. •

b Welke figuren kun je tekenen met deze diagonalen? Teken en vul in.

Dit is een vierhoek

.

Dit is een parallellogram

.

39


13

Vul aan wat ontbreekt in het schema van de vierhoeken.

vierkant

(naam)

2 paar evenwijdige zijden 4

gelijke

zijden

4

rechte

hoeken

rechthoek

ruit

2 paar evenwijdige zijden gelijke 4

rechte

2 paar evenwijdige zijden

overstaande zijden

4

gelijke

zijden

gelijke overstaande hoeken

hoeken

parallellogram 2 paar evenwijdige zijden gelijke

overstaande zijden

gelijke overstaande hoeken

trapezium minstens 1 paar

evenwijdige

vierhoek 40

zijden


1

Orden de getallen en zoek de code. Elke maand verandert papa de code van zijn smartphone. Orden de 5 laatste codes die hij heeft gebruikt van klein naar groot en probeer zijn systeem te ontdekken.

225 418   225 394   225 450   225 402   225 390 +4 +8 + 16 + 32   225 390      225 394      225 402      225 418      225 450 225 514

De volgende twee codes die papa zal gebruiken zijn

2

.

Maak 110. Vul de getallen op de juiste plaats in en doe de bewerking kloppen. 3

3

225 642

en

12

4

10

5

35

(88 : 4) × ( 10 : 2) = 110

(10 ×

(65 +

35 ) + (20 − 10) = 110

(5 ×

( 25

× 8) − (30 ×

3

22

22 ) : (

25

4

12 ) + (45 +

: 2) = 110 5

) = 110

) = 110

Vul de rekendriehoeken aan. a

Noteer de getallen 20 − 40 − 60 − 80 – 100 − 120 − 140 − 160 − 180 zodat de som van de 4 getallen aan elke zijde 340 is.

b

Noteer de getallen 0,9 − 1,8 − 2,7 − 3,6 – 4,5 − 5,4 − 6,3 − 7,2 − 8,1 zodat de som van de 4 getallen aan elke zijde 15,3 is.

60 140

2 ,7

120

20

6,3

160 5,4

80

100

180

7,2

40

0,9

3,6

4,5

8,1

1,8 41


4

Spelen met diagonalen Hier zie je twee diagonalen:â&#x20AC;&#x201A; Teken ze drie keer telkens in een andere stand, zodat je drie verschillende vierhoeken krijgt. Je mag de afmetingen van de diagonalen niet veranderen.

5

Verdeel de vierkanten. Verdeel deze vierkanten telkens op een andere manier in twee. De twee delen moeten exact dezelfde vorm en grootte hebben.

Makkelijk zat? Je mag geen schuine lijnen tekenen!

42


BLOK 4

28 16

12 4 1

8 3

8 5

25

3 12 6 3 2

6 3

1

13 7 3

2

4 1

3

17

7

3

3

Onze groep verdiende blokjes.


BLOK 4 1

2

INSTAPLES

Schrijf de breuken zo eenvoudig mogelijk. 7 = 1. 56 8.

12 = 3 4

8 = 2. 12 3.

1 en 7 =2 3 3

9 = 3. 21 7.

3 en 18 = 3 5 5

6

Zet kommagetal en breuken naar elkaar om. a Zet het kommagetal om in een zo eenvoudig mogelijke breuk.

b Zet de breuk om in een kommagetal.

0,4 =  4.   of   2. 10 5. .

7 = 0,7 10

25 1   0,25 =  .   of   . 100 4 . .

2 = 4 = 0,4 5 10

125 1 0,125 =  .   of   . 1 000 8 . .

3

6

12 = 24 = 0,24 50 100

Reken uit. × 10) : 2 = 1 800 : 2 = 900    5 × 180 = (180 × 100) : 4 = 12 400 : 4 = 3 100   124 × 25 = (124 586 × 100 = 58 600 × 2 × 2 = 436 × 2 = 872    218 × 4 = 218    60 × 70 = 4 200    86 × 50 = (86 × 100) : 2 = 8 600 : 2 = 4 300

8

× 100) : 4 = 32 000 : 4 = 8 000   25 × 320 = (320   800 × 90 = 72 000

4

Maak de cijferoefeningen. Schat eerst. 325 × 17 ≈ 300 × 20 = 6 000 3 2 1 × 2 2 7 3 2 5 + 5 5 2

44

5 7 5 0 5

3 1

412 × 35 ≈ 400 × 40 = 16 000 4 1 3 × 2 0 6 1 2 3 6 + 1 4 4 2

2 5 0 0 0

2 1


5

Bereken de omtrek van deze vierhoeken op de kortst mogelijke manier. 6 cm

2

3,6 cm 4 cm Berekening:

6

Berekening:

( 6 cm + 3,6 cm) × 2 = 19,2 cm

4 cm × 4 = 16 cm

Je krijgt een plattegrond en een tekening van een klas. Beantwoord de vragen. a Wat hoort bij het vraagteken op de windroos? Omkring. NO − NW − ZO − ZW ? b Kijk goed naar de plattegrond op het kopieerblad. Lees de wegbeschrijving. de ster

Bij welk symbool kom je uit?

3

c Kijk goed naar de tekening op het kopieerblad. Waar stond de fotograaf? Geef de juiste letter: C

7

.

Voer de opdrachten bij de blokkenbouwsels uit. a Welke afbeelding toont het zijaanzicht rechts van dit bouwsel? Omkring de letter. A

B

C

b Maak het grondplan en kleur het achteraanzicht van dit bouwsel. 2

3

3

2

2

1

1

2

2

1

1

2

grondplan

3 achteraanzicht 45


LES 37 1

3d-e, 13c

Hoofdrekenen: vermenigvuldigen met breuken

Welk deel is het? Kleur het. Vul dan in. a

b

1 + 1 = 2. 3 3 3. 2 2× 1 = . 3 3. d

1 + 1 + 1 + 1 = 4. 5 5 5 5 5. 4 × 1 = 4. 5 5. e

2 × 1 = 2. = 1. 4 4. 2

2

2 + 2 + 2 = 6. 16 16 16 16 . 3 × 2 = 6. = 3. 16 16 8 f

4 × 1 = 4. = 2. 3. 6 6.

6 × 1 = 6. = 3. 5. 10 10 .

Reken uit. Vereenvoudig waar het kan. a

3= 1 3× 1 = 9 9 3 4 2× 2 = 5 5 6 = 3 2× 3 = 10 10 5

b

4 × 2 = 8. = 1 8 8. 6 × 1 = 6. = 1 en 1. 5. 5 5. 18 = 3 9× 2 = 6 6

6 3× 2 = 7 7

6 = 3 = 1 en 1 2× 3 = 4 2 4 2

5 5× 1 = 8 8

12 = 2 en 2 3× 4 = 5 5 5

4= 2 4× 1 = 6 6 3

10 = 5 = 1 en 2 2× 5 = 6 3 6 3

5 5× 1 = 12 12 46

c

24 = 12 = 2 en 2 8× 3 = 10 10 5 5

Je vermenigvuldigt de teller. De noemer blijft hetzelfde.


BLOK 4

3

Waarmee is de breuk vermenigvuldigd? Los op. Vereenvoudig waar het kan. 1× 3=3 5 5 1 3 × 3 = 9 = 2 en 4 4 4 2 × 6 = 12 = 4 3 3 7 × 2 = 14 = 2 7 7 4 6 × 4 = 24 = 4 en 5 5 5

4

Noteer eerst als vermenigvuldiging. Los dan op en vereenvoudig. 3 van 12 → 3 × 12 = 36 = 9 4 4 4 1 van 5 → 1 × 5 = 5 = 1 5 5 5 2 van 9 → 2 × 9 = 18 = 6 3 3 3 6 van 3 → 6 × 3 = 18 = 2 9 9 9 5 van 24 → 5 × 24 = 120 = 20 6 6 6

5

Reken uit. Vergeet niet te vereenvoudigen waar het kan. 72 = 9 a 1 van 72 = 8 8

Wat vind jij het makkelijkst: × of van?

180 = 30 1 × 180 = 6 6 810 = 90 1 van 810 = 9 9 420 = 70 420 × 1 = 6 6

14 = 2 b 7 keer 2 = 7 7

3 × 20 = 60 = 15 4 4

40 = 8 10 keer 4 = 5 5 16 = 5 en 1 2 van 8 = 3 3 3 47


6

Los op. a Xander maakt een kruidentuintje. Hij heeft 4 keer 3 kg bladgrond nodig om 4 zijn bakjes te vullen. Hoeveel kg is dat in totaal?

Bewerking: 4 ×

3 = 12 = 3 4 4

Antwoord: Dat is in totaal 3 kg.

b Na haar feestje ruimt Safia op. Ze telt 5 lege flessen cola van 1 liter, 6 flesjes water 2 1 van liter en 8 brikjes fruitsap van 1 liter. 4 5 Hoeveel liter werd er op het feestje gedronken?

Bewerkingen: 5 ×

1 = 5   6 × 1 = 6 = 3   8 × 1 = 8 2 2 4 4 2 5 5

5 + 3 + 8 = 25 + 15 + 16 = 56 = 5 en 6 10 2 2 5 10 10 10 10

Antwoord: Er werd 5,6 liter gedronken op het feestje.

7

48

Waarmee is de breuk vermenigvuldigd? . 5 × 2 = 10 =2 5 5.

2 × 4 = 8. = 2 en 2 3 3. 3

1 × 16 = 16 . =4 4 4.

3 × 8 = 24 . = 3 en 3 7 7 7.

5 × 9 = 45 . =5 9 9.

. 8 × 5 = 40 = 3 en 1 12 12 3 .

Een tip? Werk van achter naar voor.


BLOK 4

LES 38

3e-f, 4b-c

Breuken en kommagetallen naar elkaar omzetten

Van kommagetal naar breuk? Van het kommagetal maak ik eerst een breuk met noemer 10, 100 of 1 000. Die breuk vereenvoudig ik als ik kan.

0,25 =

1

25 1 . = . 100 4.

Zet de kommagetallen om in een breuk. Vereenvoudig als je kunt. a   0,9 = 9. 10 . 0,125 = 125 = 1 1 000 8 75 = 3   0,75 = 100 4

b   0,45 =

45 = 9 100 20

0,8 =

8 = 4 10 5

4,25 =

425 = 4 en 25 = 4 en 1 100 100 4

0,6 =

6 = 3 10 5

0,05 =

5 = 1 100 20

0,4 =

4 = 2 10 5

0,875 =

875 = 7 1 000 8

1,2 =

12 = 6 = 1 en 1 5 10 5

1,25 =

125 = 1 en 25 = 1 en 1 100 100 4

49


Van breuk naar kommagetal? Ik zoek een gelijkwaardige breuk met noemer 10, 100 of 1 000. Dan is het eenvoudig!

1 = 25 . = 0 , 25 4 100

2

Zet de breuken om in kommagetallen. Gebruik een tussenstap als dat nodig is. a

7 = 0, 7 10 1 = 2. = 0 , 2 5 10 1 = 4. = 0 , 04 25 100 1 = 125 . = 0 , 125 8 1 000 3 = 6 = 0,06 50 100 3 = 15 = 1,5 2 10

3

50

b

5 = 625 = 0,625 8 1 000 5 = 125 = 1,25 4 100 55 = 0,55 100 11 = 55 = 0,55 20 100 12 = 0,012 1 000 60 = 480 = 0,48 125 1 000

Geef de dozen met dezelfde waarde dezelfde kleur.


BLOK 4

4

Kleur zoals gevraagd. a

4 3 blauw: 2 = . =0,4     geel: 0,3 = . 10 5 10 . . b

c

75 3 groen: 0,75 = . = . 4. 100 . 1 rood: 25 = . 100 4.

5

375 3 groen: 0,375 = . = . 8. 1 000 . 5 1 rood: 0,5 = . = . 10 2. .

Rangschik van klein naar groot. Kies zelf of je eerst omzet naar breuken of naar kommagetallen. 0,250 0,500 0,375 0,200 a 500 200 1 ( 250 ) 3 ( 375 ) ) ) 0,5 ( 0,20 ( 4 1 000 8 1 000 1 000 1 000             1 3 0,20 0,5 < < < 4 8 0,600 0,700 0,650 0,625 b 3 ( 600 ) 5 ( 625 ) 0,7 ( 700 ) 0,65 ( 650 ) 5 1 000 1 000 1 000     8 1 000         3 5 0,7 < < 0,65 < 5 8

6

Los op. Papa bakt pannenkoeken. Hij heeft 3 kg bloem in een pak. 8 Hij doet er nog 250 g uit een ander pak bij. Hoeveel bloem gebruikt hij? 3 kg = 375 kg = 375 g 1 000 8 375 g + 250 g = 625 g

Bewerking:

Antwoord: Hij gebruikt 625 g bloem. 51


LES 39 1

30a, 31a-c

Omtrek en oppervlakte van een rechthoek en ­vierkant berekenen

Bereken de omtrek en de oppervlakte van deze vierhoeken. Beantwoord dan de vragen. Duid eerst in elke vierhoek de basis aan met blauw en de hoogte met groen. a

b

Omtrek

Omtrek

2 × ( 4 cm + 3 cm) = 14 cm

4 × 4 cm = 16 cm

Oppervlakte

Oppervlakte

formule: b × h

formule: b × h

4 cm × 3 cm = 12 cm²

4 cm × 4 cm = 16 cm²

c

d

Omtrek

Omtrek 4 × 2 cm

=

8 cm

2 × (6 cm + 2 cm)

Oppervlakte

Oppervlakte

formule: b × h

formule: b × h

2 cm × 2 cm

=

4 cm2

6 cm × 2 cm

= 16 cm

= 12 cm2

• Welke figuren hebben dezelfde omtrek? b en d • Welke figuren hebben dezelfde oppervlakte? a en d met eenzelfde omtrek of eenzelfde oppervlakte kunnen toch een andere vorm • Figuren Wat valt je op? 52

hebben.


BLOK 4

2

Bereken de werkelijke omtrek en oppervlakte van de perkjes in de schooltuin. schaal 1 cm = 1 m E

a Gebruik de juiste maateenheid. A Omtrek: 2 × (5 m + 3 m) = 2 × 8 m = 16 m Oppervlakte: 5 m × 3 m = 15 m2 B Omtrek: 2 × (2 m + 4 m) = 2 × 6 m = 12 m Oppervlakte: 2 m × 4 m = 8 m2 C Omtrek: 4 × 4 m = 16 m Oppervlakte: 4 m × 4 m = 16 m2 D Omtrek: 2 × (6 m + 2 m) = 2 × 8 m = 16 m Oppervlakte: 6 m × 2 m = 12 m2 b Teken in de illustratie bovenaan nu zelf een perk E met dezelfde oppervlakte als perk D, maar met een andere omtrek. Denk aan de schaal. Maak je berekeningen op het kladblaadje.

2 × (4 m + 3 m) = 2 × 7 m = 14 m E Omtrek: Oppervlakte: 4 m × 3 m = 12 m2

53


3

Beantwoord de vragen. a Wat is de omtrek van het voetbalveld? 2 × (18 m + 8 m) = 2 × 26 m = 52 m b Wat is de oppervlakte van het voetbalveld? 18 m × 8 m = 144 m2 c De directeur wil nieuwe grastegels van 0,5 m bij 0,5 m op het veld laten leggen. Hoeveel tegels zijn er nodig?

18 m

tegel: 0,5 m × 0,5 m = 0,25 m² Bewerking: Oppervlakte 144 m² : 0,25 m² = 14 400 dm² : 25 dm²= 576

Antwoord: Er zijn 576 tegels nodig. 8m

4

Ontwerp zelf een schooltuin. Teken het ontwerp voor een tuin van 300 m² met 4 perken. Bv. 20 m × 15 m • Perk A en B moeten dezelfde oppervlakte hebben, maar een andere omtrek. • Perk C en D moeten dezelfde omtrek hebben, maar een verschillende oppervlakte. • 1 cm op het ontwerp is 2 m in het echt. • Vergeet niet dat er rond de perken paadjes moeten komen. Perk A: 8 m × 6 m = 48 m2 2 × (8 m + 6 m) = 28 m

Perk B: 12 m × 4 m = 48 m2 2 × (12 m + 4 m) = 32 m

A

B C

4 cm × 3 cm

5 cm D 4 cm

Perk C: 2 × (10 m + 4 m) = 28 m 4 m × 10 m = 40 m2 54

6 cm × 2 cm

3 cm 2 cm

Perk D: 2 × (8 m + 6 m) = 28 m 8 m × 6 m = 48 m2


BLOK 4

LES 40 1

30a, 31a-d

Omtrek en oppervlakte van een parallellogram ­berekenen

Duid in elke figuur de basis aan met blauw en teken de hoogte met groen. b

a

h

h b

b

Denk erom: de hoogte staat altijd loodrecht op de basis!

c

h

b

2

Bereken de omtrek en de oppervlakte van de parallellogrammen. Duid eerst de basis aan met blauw en de hoogte met groen. a

b=

4 cm   h =

3 cm

Schuine zijde = 3,5 cm h

Omtrek:  2 × ( 2×

b

4

cm + 3,5 cm) =

7,5

Oppervlakte: 4

15

cm = cm ×

3

cm cm =

12

cm²

Omtrek parallellogram: Som van de lengtes van alle 2×(

basis

+

zijden schuine zijde

of )

Oppervlakte parallellogram: basis

×

hoogte

55


b

b=

5 cm

3,5 cm

h=

Schuine zijde =

3,7 cm

2 Omtrek: × (5 cm + 3,7 cm) =

h

2 × 8,7 cm = 17,4 cm b

5

cm × 3,5

h=

4,5 cm

Oppervlakte:

cm = 17,5 cm²

c b=

2 cm

Schuine zijde =

5,2 cm

Omtrek: 2 × (2 cm + 5,2 cm) =

h

2 × 7,2 cm = 14,4 cm b

3

Lees en los op. a

56

Oppervlakte: 2 cm × 4,5 cm = 9 cm2

Dit gebouw vind je in Hamburg, een grote stad in Duitsland. De basis van de gevel is 86 m en de hoogte is 40 m. Bereken de oppervlakte van de gevel.

b

Een kunstenaar ontwerpt een beeld in de vorm van een parallellogram. De basis is 3 maal langer dan de schuine zijde. Bereken de omtrek van het kunstwerk als je weet dat de basis 6 meter is.

Bewerking:

Bewerking:

86 m × 40 m = 3 440 m2

2 × (6 m + 2 m) = 2 × 8 m = 16 m

De oppervlakte van de gevel is

De omtrek van het beeld is

3 440 m2

16 m

.

.


BLOK 4

4

Bereken de omtrek en de oppervlakte van deze vierhoeken. a Omtrek: 2 × (5 cm + 4 cm) = 18 cm 4 cm Oppervlakte: 5 cm × 4 cm = 20 cm2 5 cm b Omtrek: 4 × 3,5 cm = 14 cm Oppervlakte: 3,5 cm × 3,5 cm = 12,25 cm2 3,5 cm c

Omtrek: 2 × (2 cm + 4,1 cm) = 12,2 cm 4,1 cm

4 cm

Oppervlakte: 2 cm × 4 cm = 8 cm2

2 cm

5

Reken en teken.

3 cm

12 cm • Teken een parallellogram A met dezelfde omtrek als dit vierkant. • Teken een parallellogram B met dezelfde oppervlakte als het vierkant. 9 cm2

A

B

57


LES 41 1

Maak de opgaven eenvoudiger. Vul in.

40  ×  35 =

28  ×  25 =

↓ :2 ↓ ×2

↓ :4 ↓ ×4

20 =

2

Hoofdrekenen: handig vermenigvuldigen met bijzondere getallen

11c

× 70

7

1 400

=

100 × 80 =

8 000

10 × 125 =

1 250

1 000 × 19 =

19 000

82 × 100 =

8 200

• Vermenigvuldigen met 5 is eerst ×

72  ×  125 =

280 × 10

700

70

↓ :2 ↓ ×2

× 100

Vul aan. Reken dan handig uit. a      7 × 10 =

560  ×  5 =

=

2 800

↓ :8 ↓ ×8 9

=

× 1 000 9 000

× 10 (100 of 1 000) is één (twee of drie) nullen toevoegen.

10 en dan : 2 .

• Vermenigvuldigen met 50 is eerst × 100 en dan : 2 . • Vermenigvuldigen met 25: eerst × 100 en dan : 4 . • Vermenigvuldigen met 4: eerst × 2 en dan nog eens × 2 . • Vermenigvuldigen met 8: eerst × 2 , dan nog eens × 2 , en nog eens × 2 . × 25? b   310 × 5 = (310 × 10) : 2 = 1 550 50 × 820 = (100 × 820) : 2 = 41 000 25 × 120 = (100 × 120) : 4 = 3 000   37 × 50 = (37 × 100) : 2 = 1 850   84 × 25 = (84 × 100) : 4 = 2 100 c   4 × 145 = (145 × 2) × 2 = 580    54 × 8 = (54 × 2) × 2 × 2 = 108 × 2 × 2 = 432   532 × 4 = (532 × 2) × 2 = 1 064 × 2 = 2 128   8 × 325 = (325 × 2) × 2 × 2 = 650 × 2 × 2 = 2 600 58

× 5, 50?

× 4, 8?


BLOK 4

3

Alles door elkaar. Reken handig uit.    50 × 36 = (100 × 36) : 2 = 1 800   45 × 100 = 4 500    332 × 5 = (332 × 10) : 2 = 3 320 : 2 = 1 660    61 × 25 = (61 × 100) : 4 = 6 100 : 4 = 1 525     540 × 4 = (540 × 2) × 2 = 1 080 × 2 = 2 160   845 × 10 = 8 450   25 × 640 = (100 × 640) : 4 = 64 000 : 4 = 16 000    38 × 50 = (38 × 100) : 2 = 3 800 : 2 = 1 900    4 × 630 = (630 × 2) × 2 = 1 260 × 2 = 2 520 25 × 1 200 = (100 × 1 200) : 4 = 120 000 : 4 = 30 000     82 × 8 = (82 × 2) × 2 × 2 = 164 × 2 × 2 = 656

4

Lees en los op. a In onze klas zitten 25 leerlingen die elk een woordenboek nodig hebben van 28 euro. Hoeveel kost dat in totaal? Bewerking: 28 × 25 = (28 × 100) : 4 = 2 800 : 4 = 700 Antwoord: Dat kost 700 euro in totaal.

b Juf Tinne gaat met 3 vriendinnen op citytrip naar Barcelona. Dat kost per persoon 426 euro. Hoeveel moeten ze samen betalen? Bewerking: 426 × 4 = (426 × 2) × 2 = 1 704 Antwoord: Ze moeten samen 1 704 euro betalen.

59


c De oma van Layla geeft een groot feest voor haar verjaardag. Samen zijn ze met 50 familieleden. Per persoon kost een feestmaal 38 euro. Hoeveel zal het verjaardagsfeest van oma kosten?

Bewerking: 38 × 50 = (38 × 100) : 2 = 3 800 : 2 = 1 900 Antwoord: Het verjaardagsfeest van oma zal 1 900 euro kosten.

d De 25 koeien van boer Jan eten elk gemiddeld zo’n 80 kg gras per dag. Hoeveel gras zullen de koeien samen gegeten hebben in de maand april?

Bewerkingen: 25 x 80 = (100 x 80) : 4 = 8 000 : 4 = 2 000 en 2 000 x 30 = 60 000 Antwoord: De koeien zullen 60 000 kg gras gegeten hebben in april.

5

Even herhalen. Reken uit op de manier die jij het makkelijkst vindt. Je mag meer tussenstappen noteren op een blaadje.

49 × 12 = (50 × 12) − 12 = 600 − 12 = 588

× 32) : 2 = 3 200 : 2 = 1 600 50 × 32 = (100

40 × 80 = 3 200

× 2) × 2 = 624 × 2 = 1 248 312 × 4 = (312

× 15 = 1 500 25 × 5 × 4 × 3 = 100

15 × 220 = (10 × 220) + (5 × 220) = 2 200 + 1 100 = 3 300

16 × 125 = 4 × 500 = 2 000

× 45) : 4 = 4 500 : 4 = 1 125 25 × 45 = (100

8 × 700 = 5 600

12 × 8 × 125 = 12 × 1 000 = 12 000 60

× 20) − (140 × 2) = 2 800 − 280 = 2 520 140 × 18 = (140 32 × 75 = 8 × 300 = 2 400


BLOK 4

LES 42 1

Reken uit. 10 × 5,95 =

2

Hoofdrekenen: kommagetallen handig ­vermenigvuldigen met bijzondere getallen

12c

59,5

Als je een kommagetal

100 × 4,235 =

423,5

vermenigvuldigt met 10, 100 of

1 000 × 9,56 =

9 560

1 000 schuift de komma 1, 2 of 3

25,4 × 10 =

254

14,5 × 100 =

1 450

36,63 × 1 000 =

36 630

100 × 48,004 =

4 800,4

plaatsen naar

rechts

.

Als de cijfers in het kommagetal ‘op’ zijn, voeg je

nullen

toe.

Reken uit zoals in het voorbeeld.    5 × 4,4 = (10 × 4,4) : 2 =

44

8,44 × 50 = (8,44 × 100 ) : 2 = 25 × 1,24 = ( 100 × 1,24) : 4 =   6,18 × 4 = (6,18 × 2 ) × 2 =

: 2 = 22 844

: 2 =

124

12,36

:4 = × 2 =

422 31 24,72

× 6,66) : 2 = 666 : 2 = 333 50 × 6,66 = (100 × 2,16) : 4 = 216 : 4 = 54 25 × 2,16 = (100   5 × 0,64 = (10 × 0,64) : 2 = 6,4 : 2 = 3,2

× 2) × 2 = 16,04 × 2 = 32,08   4 × 8,02 = (8,02 × 2) × 2 = 25,2 × 2 = 50,4   12,6 × 4 = (12,6

61


3

Geef vermenigvuldigingen met hetzelfde product dezelfde kleur.

50 × 0,8 40

25 × 1,6 40

20 × 4,11 82,2

100 × 0,4 40

10 × 47,2 472

100 × 4,72 472

10 × 8,22 82,2

160 : 4 40

5 × 25,05 125,25

250,5 : 2 125,25

Hier kun je uitrekenen.

4

5

Is de uitkomst juist of fout? Controleer en omkring. 0,25 × 50 = 1,25

juist / fout

25 × 48,48 = 121,2

juist / fout

juist / fout

5 × 84 = 420

12,12 × 10 = 1 212

juist / fout

24,8 × 4 = 99,2

juist / fout

100 × 0,42 = 42

juist / fout

Los op. Kies de manier die jij het makkelijkst vindt.

3 × 0,06 = 0,18 4,9 × 7 = (5 × 7) − (0,1 × 7) = 35 − 0,7 = 34,3

× 4) × (12 × 2) = 10 × 24 = 240 2,5 × 12 × 4 × 2 = (2,5 62

6 × 9,8 = (6 × 10) − (6 × 0,2) = 60 − 1,2 = 58,8 × 2) × 2 × 2 = (6,5 × 2) × 2 = 13 × 2 = 26 3,25 × 8 = (3,25


BLOK 4

6

Lees en los op.

a Meester Tim en juf Dunja willen een boomhut in de schooltuin bouwen. Ze hebben 25 planken van 2,48 euro gekocht. Hoeveel hebben ze in totaal betaald?

Bewerking: 25 × 2,48 = (100 × 2,48) : 4 = 248 : 4 = 62 Antwoord: Ze hebben in totaal 62 euro betaald.

b

Na het winkelen trakteert juf Dunja zichzelf, haar 3 kinderen en haar collega op een cornetto. Ze koopt die in de buurtwinkel voor € 0,87 per stuk. Hoeveel heeft ze betaald?

Bewerking: 5 × 0,87 = (10 × 0,87) : 2 = 8,7 : 2 = 4,35 Antwoord: Ze heeft 4,35 euro betaald.

c Voor de inrichting van de boomhut bestellen ze in een webshop 8 krukjes van 5,99 euro en 4 grote kussens van 12,65 euro. Hoeveel betalen ze daarvoor?

Bewerking: 8 × 5,99 = (8 × 6) − (8 × 0,01) = 48 − 0,08 = 47,92

4 × 12,65 = 2 × (2 × 12,65) = 2 × 25,30 = 50,60

47,92 + 50,60 = 98,52

Antwoord: Ze betalen daarvoor 98,52 euro.

63


LES 43 1

Een plaats- of routebeschrijving geven of volgen

57

Vul de windstreken en de tussenwindstreken aan. N NW

NO

W

O ZW

ZO Z

2

Kijk op de plattegrond van het dierenpark op blz. 65 en vul in. Ik kom binnen in het dierenpark en haal eerst een plannetje aan het infopunt. de tijgers

Ten noorden van mij zie ik

Ten noordoosten van hun verblijf zie ik staat

het aquarium

. Daar ga ik eerst op bezoek. de kangoeroes

en ten noordwesten

.

Dan wandel ik naar de zeehonden. Ten zuiden van hun vijver zie ik Ik ga nog bij de olifanten langs voor ik ga eten. Het restaurant ligt dan ten

de giraffen zuiden

. van mij.

Na de middag wandel ik naar de uiterste noordoostelijke hoek van het park. Daar rust ik uit onder een boom. Zet daar een kruisje bij.

3

64

Zet de letters op de juiste plaats op de plattegrond. A Ik rust uit op een bankje. Voor mij kan ik genieten van de kuren van de zeehonden. Rechts van mij zie ik af en toe de lange nek van een giraf.

B Voor mij zie ik de ingang van het aquarium. Rechts van mij vang ik nog een glimp op van de pinguĂŻns en links van mij brullen de tijgers.

C

D


BLOK 4

A

D

B

C

65


4

Duid de weg aan op de kaart. Het parcours van een wielerwedstrijd wordt afgesloten voor alle verkeer. Jij komt met de fiets en je wilt op een goed plekje naar de renners gaan kijken. Lees aandachtig en duid de weg die je moet volgen aan op de kaart. Je komt Koksijde binnen langs de N8. Aan de eerste rotonde die je tegenkomt, kun je niet Jaak van Buggenhoutlaan

naar rechts, want de

is afgesloten.

Je moet dus rechtdoor. Aan de volgende rotonde mag je wel naar rechts. Dat is de

Tulpenlaan

.

Die volg je tot het einde en dan sla je linksaf. Op het eerstvolgende kruispunt draai je naar rechts en je rijdt door tot de volgende rotonde. Daar neem je de tweede afslag. Je bent dan in de Dat is de

Zeelaan Panoramalaan

De naam zegt het al: die leidt naar de beste plek om de renners te zien.

66

. Draai daar de vierde straat aan je linkerkant in. . Hoge Blekker/ Hoge Blekkerlaan

en dat is de


BLOK 4

LES 44 1

60, 61

Een standpunt in de ruimte bepalen Blokkenbouwsels onderzoeken en bouwen

Waar stond de fotograaf? Schrijf de juiste letter bij de fotoâ&#x20AC;&#x2122;s.

A D

B

C

1

De fotograaf stond bij letter C .

2

De fotograaf stond bij letter D .

3

De fotograaf stond bij letter A .

4

De fotograaf stond bij letter B . 67


2

Welke plattegrond past bij elk gebouw? Schrijf de juiste letter bij de nummers. 1

A

2

B

3

C

4

D

5

E

1= D

68

2= C

3= A

4= E

5= B


BLOK 4

3

Vul het grondplan in en kleur de aanzichten van dit blokkenbouwsel. Op de tekening zie je in vier stappen hoe het blokkenbouwsel gebouwd werd. 4 3 2

1

grondplan

4

vooraanzicht

0

1

3

1

1

2

2

0

1

2

1

0

zijaanzicht rechts

zijaanzicht links

Maak de bouwsels en kleur de aanzichten.

4

0

3

2

1

2

0

4

3

grondplan

3

0

0

2

4

0

1

5

2

grondplan

vooraanzicht

zijaanzicht rechts

zijaanzicht links

achteraanzicht

69


LES 45 1

Cijferen: vermenigvuldigen met een kommagetal

18a-b, 18d

Hoe schat jij? Maak een schatting met mooie getallen.

Je bent een schat!

a   9 × 19,75 ≈ 10 × 20 = 200   6,02 × 11 ≈ 6 × 10 = 60   78 × 0,99 ≈ 80 × 1 = 80 32,2 × 485 ≈ 30 × 500 = 15 000 b   146 × 8,5 ≈ 150 × 10 = 1 500 286 × 14,7 ≈ 300 × 15 = 4 500   9,9 × 691 ≈ 10 × 700 = 7 000   79 × 81,6 ≈ 80 × 80 = 6 400

2

Noteer je schatting. Plaats de komma dan op de juiste plaats in het product.

9 × 21,4 = 1 9 2,6

Ik schat: ≈ 1 × 8 = 8

0,65 × 8 = 5,2 0 0

Ik schat: ≈ 1 × 130 = 130

1,01 × 126 = 1 2 7,2 6

Ik schat: ≈ 20 × 230 = 4 600

18 × 233,79 = 4 2 0 8,2 2

a Ik schat: ≈ 10 × 20 = 200

8,005 × 36 = 2 8 8 ,1 8

b Ik schat: ≈ 8 × 40 = 320

3

16 × 101,1 = 1 6 1 7,6

Ik schat: ≈ 7 × 30 = 210

7,345 × 29 = 2 1 3,0 0 5

Kleur zonder te rekenen het juiste product. a

70

Ik schat: ≈ 16 × 100 = 1 600

0,8 × 292 =

233,6

526 × 32,17 =

16 921,42

9,975 × 85 =

8 478,75

b 0,75 × 9 825 =

73 687,5

19 × 800,1 =

15 201,9

36,07 × 162 =

58 433,4

23,36 1 692,142 84 787,5 736,875 1 520,19 5 843,34

2 336 169 214,2 847,875 7 368,75 152 019 584,334

Tel de cijfers na de komma!

Maar vergeet niet te schatten!


BLOK 4

4

Reken uit. Zoek de letter die bij de uitkomst hoort en vorm de naam van de groep. a

b

721 × 3,4 = ≈

700 × 3 = 2 100 7 2 3, × 2 8 8 2 1 6 3 + 2 4 5 1,

c

1 4 4 0 4

×

4 5 4 2 7 2 + 3 3 1

d

500 × 30 = 15 000

×

4 0 1 6 2 + 1 6 7

5 3 8 0 6 4

4 0, 7 0 0 7,

4 × 900 = 3 600

≈

542 × 30,9 = ≈

3,65 × 908 =

2 9 8 0 0 8

0, 3 6 2 × 1 8 2 0 7 3 0 + 0 9, 1 2

1

B

b

8 5 0 0 0 0

4 4 2

0,5 × 20 = 10

1 3

a

0 6 4 8 0 2

0,365 × 25 = ≈

Naam van de groep:

9 3, 5 4 4 4,

I

c

N

d

5 5 5 0 5

2 3 1 1

K 71


5

Los op. Vergeet niet te schatten! a De buren vertrekken op skivakantie, maar eerst moeten ze nog tanken. 1 liter benzine kost € 1,209. Buurvrouw Lut tankt 52 l. Hoeveel moet ze betalen? × 52 Bewerking: 1,209 ≈ 1 × 50 = 50 1, 2 0 5 × 2 4 1 6 0 4 5 + 6 2, 8 6

9 2 8 0 8

1 4

Om te betalen, rond je 62,868 af naar 62,87. Antwoord: Ze moet 62,87 euro betalen. b Chauffeur Paul vertrekt met twee klassen van het vijfde leerjaar op sneeuwklassen. Hij tankt de bus vol. In de tank kan 345 liter. De prijs aan de pomp is € 0,980/l. Hoeveel kost de tankbeurt? × 0,980 Bewerking: 345 ≈ 345 × 1 = 345

× 3 2 9 + 3 3

0, 9 3 4 9 9 2 4 0 8, 1

8 4 0 0 0 0

0 5 0 0 0 0

4 3 2

Antwoord: De tankbeurt kost 338,10 euro.

72


LES 46 – HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 4?

Getallenkennis Ik kan: breuken en kommagetallen naar elkaar omzetten.

Bewerkingen Ik kan: breuken vermenigvuldigen met een natuurlijk getal.

les nr. 38

les nr. 37

natuurlijke getallen en kommagetallen handig vermenigvuldigen 41, 42 met bijzondere getallen als 5, 50, 25 en 10, 100.

rekenwijzer herhaling nr. nr. 3e-f, 4b-c

1

rekenwijzer herhaling nr. nr. 3d-e, 13c

2

11c, 12c

3

de komma juist in een product plaatsen zonder te rekenen, op basis van het aantal cijfers na de komma in de factoren of op basis van een schatting.

45

18b

4

kommagetallen cijferend vermenigvuldigen met natuurlijke getallen.

45

18b

5

Meten en metend rekenen Ik kan: de omtrek en de oppervlakte van vierkant, rechthoek en parallellogram berekenen met de formule ‘b × h’.

Meetkunde Ik kan:

les nr. 39, 40

les nr.

rekenwijzer herhaling nr. nr. 30a, 31a-d

6, 7, 8

rekenwijzer herhaling nr. nr.

de windroos hanteren en de (tussen)windstreken benoemen.

43

57

9

een plaats- of routebeschrijving volgen of geven.

43

57

9, 11

een standpunt in de ruimte bepalen.

44

60

10

blokkenbouwsels onderzoeken en bouwen met een grondplan als model en een grondplan van een bouwsel maken.

44

61

10

Ik durf mijn mening zeggen en initiatief nemen bij een groepswerk. Ik kan enkele regeltjes onthouden om handig te rekenen. Ik werk rustig en zelfstandig aan een opdracht.

73


1

Breuken en kommagetallen a Noteer het kommagetal als tiendelige breuk. Schrijf die breuk dan zo eenvoudig mogelijk.   0,8 =

4 8. = . 5. 10 .

1,6 =

8 16 . = . 10 5. .

(= 1 en 3 ) 5

25 1   0,25 = . = . 4. 100 .

204 51 2,04 = . = . (= 2 en 1 ) 100 25 25 . .

125 1 0,125 = . = . 8. 1 000 .

175 7 1,75 = . = . 100 4. .

1 5   0,05 = . = . 20 100 . .

1,2 =

6 12 . = . 10 5. .

(= 1 en 3 ) 4 (= 1 en 1 ) 5

375 3 0,375 = . = . 8. 1 000 .

2,5 =

5 25 . = . 10 2. .

(= 2 en 1 ) 2

b Noteer de breuk als een kommagetal. 3 = 10

0,3

3 = 75 . = 0,75 4 100 .

11 = 55 . = 20 100 .

0,55

7 = 14 . = 5 10 .

1,4

30 =120 . = 1,20 = 1,2 25 100 . 10 =1 250 . = 1,250 = 1,25 8 1 000 .

c Noteer wat gekleurd is als breuk en als kommagetal.

3. of 10 .

0,3

2. 4 = . of 5. 10 .

0,4

26 . of 100 .

0,26

12 6 . = . of 20 10 . .

0,6

6. 24 = . of 25 100 . .

0,24

4. 8 = . of 5. 10 . 74

0,8


2

Los op. Vereenvoudig het product als dat kan. 1 ×4= 4 5 5

3 3 keer 1 = . 7 7.

6 =1 3× 2 = 6 6 2 ×3= 6 = 3 8 8 4

1× 4 =4 5 5 2. ×3= 6 7. 7 12 3 1 2 maal 6 = . = . = 1 en . 2. 2. 8 8.

3 ×3= 9 = 3 15 15 5

3

Reken handig uit. 27 × 5 = (27 × 10) : 2 = 270 : 2 = 135 215 × 4 = (215 × 2) × 2 = 430 × 2 = 860 Je mag tussenstappen schrijven als je dat makkelijk vindt.

1,6 × 1 000 = 1 600 30 × 60 = 1 800 25 × 2,48 = (100 × 2,48) : 4 = 248 : 4 = 62 50 × 15 = (100 × 15) : 2 = 1 500 : 2 = 750 18 × 25 = (18 × 100) : 4 = 1 800 : 4 = 450 4,68 × 50 = (4,68 × 100) : 2 = 468 : 2 = 234 0,123 × 100 = 12,3 14,8 × 5 = (14,8 × 10) : 2 = 148 : 2 = 74 8 × 1,25 = (1,25 × 2) × 2 × 2 = 2,5 × 2 × 2 = 10 70 × 20 = 1 400

4

Zet de komma op de juiste plaats in het product zonder te rekenen. a Omkring de cijfers na de komma in de factoren en plaats dan de komma correct in het product. 1 , 2 6 × 7 0 8 = 8 9 2,0 8

2 1 × 2 4 , 7 = 5 1 8,7

b Noteer je schatting. Plaats daarna de komma op de juiste plaats in het product. 5,31 × 12 ≈

5 × 10 = 50 5,31 × 12 = 6 3,7 2

74 × 8,24 ≈

70 × 8 = 560 74 × 8,24 = 6 0 9,7 6

75


5

Reken uit door te cijferen. Vergeet de schatting niet! Voor het verjaardagsfeestje van Arne koopt zijn papa 15 snoepzakjes van € 1,69 per stuk. Hoeveel moet hij betalen?

3,15 × 24 = ≈

3 × 25 = 75

3, 1 2 × 1 2 6 6 3 0 + 7 5, 6

5 4 0 0 0

15

×

1,69 =

15 × 2 = 30

≈ 2 1

1, 6 1 × 8 4 1 6 9 + 2 5, 3

9 5 5 0 5

4

Vergeet de komma in het product niet! De papa van Arne moet € 25,35 betalen.

6

Bereken de omtrek en de oppervlakte van deze vierhoeken.

5 cm

4,5 cm

5 cm

76

6 cm

Omtrek: 4 × 5 cm = 20 cm

Omtrek: 2 × (6 cm + 4,5 cm) = 21 cm

Oppervlakte: 5 cm × 5 cm = 25 cm2

Oppervlakte: 6 cm × 4,5 cm = 27 cm2


7

Bereken de omtrek en de oppervlakte van de parallellogrammen.

h = 1,5 cm

h = 3 cm

2,5 cm

b = 6 cm

8

b = 5 cm

3,5 cm

Omtrek: 2 × (6 cm + 3,5 cm) = 19 cm

Omtrek: 2 × (5 cm + 2,5 cm) = 15 cm

Oppervlakte: 6 cm × 3 cm = 18 cm2

Oppervlakte: 5 cm × 1,5 cm = 7,5 cm2

Voer de opdrachten uit. a De omtrek van een vierkant tuintje is 24 m. • Bereken de lengte van één zijde.

24 m : 4 = 6 m

• Bereken de oppervlakte van het tuintje.

6 m × 6 m = 36 m2

b Teken een rechthoek met dezelfde omtrek als het vierkant.

Omtrek vierkant:

4 × 4 cm = 16 cm

Afmetingen rechthoek: b = Omtrek rechthoek:

5 cm

h=

3 cm

2 × (5 cm + 3 cm) = 16 cm 77


c Bereken de oppervlakte van deze rechthoek. Teken dan een vierkant met dezelfde oppervlakte.

h = 2 cm b = 4,5 cm Oppervlakte rechthoek:

Zijde vierkant:

4,5 cm × 2 cm = 9 cm2

d In twee kamers wordt het plafond geschilderd. Eén kamer meet 4 m bij 3 m, de andere kamer meet 5 m bij 2 m.

3 cm

• 4 m × 3 m = 12 m2 5 m × 2 m = 10 m2

• Hebben de plafonds dezelfde oppervlakte? O ja / O nee

Om de muren te beschermen wordt er rondom tape gekleefd.

• 2 × (4 m + 3 m) = 14 m 2 × (5 m + 2 m) = 14 m

• Hebben de plafonds dezelfde omtrek? O ja / O nee Hiernaast kun je rekenen.

9

De windstreken: lees en vul in.

N

a Zet deze windstreken en tussenwindstreken op de juiste plaats. • westen (W)

W

• noorden (N) • zuidoosten (ZO) 78

ZO


b Kijk en vul in.

• In het

zuidwesten

van de speeltuin spelen kinderen in een zandbak. noorden

• De schommels vind je ten • Uit het

noordoosten

• Het klimrek staat ten

10

van de glijbaan.

komen een mama en haar zoontje aangelopen. zuidoosten

van de schommels.

Blokkenbouwsels en gezichtspunten a Wat zie je in de tweede kolom? Omkring. het vooraanzicht het linkerzijaanzicht het achteraanzicht het rechterzijaanzicht

het vooraanzicht het linkerzijaanzicht het achteraanzicht het rechterzijaanzicht

79


b Teken nu zelf. vooraanzicht

zijaanzicht links

grondplan 5

3

2

2

1

4

1

2

1

0

2

1

1

0

0

1

0

0

0

0

c Waar stond de fotograaf? Schrijf het juiste cijfer bij de tekeningen.

5 80

2

1


11

Lees, duid aan op de kaart en vul in. Je start op de hoek Vismarkt, aan de kant van de IJzerenleen. De rivier ligt links van je. Stap rechtdoor en neem de tweede straat rechts. Aan het einde sla je linksaf, de

Sint-Katelijne

Neem daarna weer de tweede straat rechts. Dat is de Aan het kruispunt ga je naar links. Zo kom je uit op de

straat in. Zelestraat Tinellaan

. .

81


1

Zet de breuken en kommagetallen correct om naar elkaar. a Kleur de kralen die je nodig hebt en schrijf het kommagetal op.

3 2

15 = 1,5 10

8 10

0,8

125 100

1,25

27 10

2,7

3 8

375 = 0,375 1 000

b Schrijf het kommagetal in het hartje als vier verschillende breuken in de bloemblaadjes. 4 20

20 100

82

2 10 1 5

50 1 000

10 200

5 100

1 20

28 20

14 10

140 100

7 5


2

Reken uit en kleur in elke rij de vakjes die een correcte oplossing bevatten. 125 × 4 =

2 × 250

4 keer 2 = 7

7× 2 4

43 × 50 =

(43 × 100) × 2

3× 2 = 3

3

2×1

10 × 0,15 =

15 : 10

8,32 × 25 =

16,64 × 50

6× 2 = 9

1+ 1 7

5 × 430

3 ×2 3

3 2

1,33

50 × 100

832 : 4

4 3

62,5 × 8

2× 4 7

21,5 × 100

3 6

15 × 1

(83,2 × 2) × 2

6+ 1 3

1 000 × 1 2

2− 6 7

4 300 : 2

1 2

150 : 100

8 320 : 4

2− 1 9

Cijferend vermenigvuldigen a Omkring en verbeter de fouten.

3 1 7 × 1 5 5 + 6 3 0 7 8 5, 7

5 1 2 5 9 3 8 9,7

9 5 5 0 5

b Vul de ontbrekende cijfers aan.

3 1 3 3 7 × 2 1 9 1 9 3 9 0 + 1 1 5 8,1

83


4

Omtrek en oppervlakte a Kleur wat bij de bewerkingen hoort. • groen

3 cm × 3 cm

• blauw

2 × (5 cm + 3,5 cm)

• oranje

4 cm × 3 cm

• geel

2 cm × 5 cm

• rood

2 × (4 cm + 2,5 cm)

• paars

4 × 4 cm

2,5 cm

1

3 cm

2

4 cm

3

4

5 cm

3 cm

4 cm

4 cm 2 cm 3,5 cm

3 cm

3 cm

5

5 cm

6

4 cm

b Noteer de bewerkingen in de tabel. Vul aan wat ontbreekt en reken uit.

84

Omtrek

Oppervlakte

1

4 × 3 cm = 12 cm

3 cm × 3 cm = 9 cm2

2

4 × 4 cm = 16 cm

4 cm × 4 cm = 16 cm2

3

2 × (2 cm + 5 cm) = 14 cm

5 cm × 2 cm = 10cm2

4

2 × (4 cm + 2,5 cm) = 13 cm

4 cm × 2,5 cm = 10 cm2

5

2 × (5 cm + 3,5 cm) = 17 cm

5 cm × 3 cm = 15 cm2

6

2 × (4 cm + 3,5 cm) = 15 cm

4 cm × 3 cm = 12 cm2

3,5 cm


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Reken Maar! 5: werkschrift B - correctiesleutel by VAN IN - Issuu