Reken We r k s c h r i f t E Correctiesleutel
aar! 2
Reken Maar! 2 Auteur: Leen Bresseleers Corrector: Kristof Sas
= meerdere oplossingen mogelijk
Bij sommige oefeningen is meer dan één correcte oplossing mogelijk, of kun je op verschillende manieren tot de juiste oplossing komen. Bij dat soort oefeningen zie je dit icoontje staan en wordt er meestal een mogelijke oplossing en/of oplossingsweg gegeven. Als leerlingen dan een afwijkend antwoord hebben, kunnen ze dat het best even laten controleren.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2017 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. Coverontwerp: Banananas Covertekening: Frieda Van Raevels Lay-outconcept: Michelangela, Utrecht Vormgeving en opmaak: PPMP Prepress Tekeningen: Aimée de Jongh Tekeningen bollobo’s: Frieda Van Raevels Eerste druk 2017 978-90-306-8293-6 ISBN 978-90-306-8292-9 D/2017/0078/101 D/2017/0078/107 569931/01 Art. 569930/01 NUR 192
BLOK 9
··· / ––– / ··· S
O
··· / ––– / ···
S
S
O
·–· / ·– / –·· / ·· / ––– R
A
D
I
S
··· / – /··– / – ·–
O
S
T
U
K
––·/ · / · / –· –– / ··– / ––·· / ·· / · / –·– –– / · / · / ·–· G
E
E
N
M
U
Z
––·· / ·· / –·/––· / · / –· Z
I
N
G
· / · / –· E
E
N
E
I
E
K
M
E
R
·––– / ··– / ·–·· / ·– ·· / ·· / ·
N
J
U
L
L
·– ·· / ·· / · / –·· / ·––– / · L
E
I
E
D
J
E
I
?
E
BLOK 9 a
b
INSTAPLES Noteer het product of het quotiënt. 5 × 8 = 40
8 × 2 = 16
35 : 5 =
7
27 : 3 =
9
7 × 3 = 21
7 × 8 = 56
60 : 10 =
6
15 : 5 =
3
6 × 4 = 24
4 × 4 = 16
18 : 2 =
9
28 : 4 =
7
5 × 5 = 25
9 × 5 = 45
64 : 8 =
8
20 : 2 = 10
9 × 10 = 90
4 × 3 = 12
36 : 4 =
9
18 : 3 =
6
Zet de rijtjes verder.
■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ♥▲ ■ ◆■◆■◆■◆■ ◆■◆■ ◆■◆■ ◆■◆■ ◆■◆■ ◆ DDTDDT DDTDDTDDTDDTDDTDDTDDTDDT c
Noteer de som. = 71
63 + 8 70
7
1
47 + 6 50
60
d
4
= 53
1 3
2
5
64 − 5 60
= 63
= 75
82 − 7 80
3 3
59 + 4
Noteer het verschil.
4 1
71 − 9 70
= 59
1 8
Weeg. Omkring wat ongeveer 1 kilogram zwaar is.
= 62
e
f
Zet de informatie uit de turftabel om in een blokgrafiek. Hoeveel ballen trappen ze in het doel? Mo
Mo
Sam
Sam
Sid
Sid
Noor
Noor
Teken wat gevraagd wordt. • • • • • •
g
een vis in de kom, onder water een glas rechts naast de kom een lepel in het glas een vlieg boven de kom een boek links naast de kom een bril op het boek
Noteer de som. 25 + 13
= 38
35 10 3
66 + 34
= 100
= 19
94 − 74
= 20
24 70 4
= 77
72 40 5
h
60 − 41 20 40 1
96 30 4
32 + 45
Noteer het verschil.
Teken of noteer het dubbel.
66 − 35
= 31
36 30 5
Kleur of noteer de helft.
✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰ ✰
Het dubbel van 9 is 18 .
De helft van 20 is 10 .
Verdubbel 3. Dat is 6 .
Halveer 16. Dat is 8 .
Het dubbel van 0 is 0 .
De helft van 2 is 1 .
5
LES 97 1
De maaltafel van 6 ontdekken en inoefenen
Even opfrissen. Los op. 3 × 8 = 24 56 : 8 =
7
5 × 8 = 40
10 × 8 = 80
2
32 : 8 =
4
6×8=
48
Je haalde
9
72 : 8 =
Dat is knap !
0
0:8=
Bijna goed.
2 × 8 = 16
Oeps! Jammer .
8
64 : 8 =
Kijk en vul in. a
b
6 + 6 + 6 + 6 + 6 + 6 = 36
6 + 6 + 6 + 6 = 24
6 keer 6 is 36 .
4 keer 6 is 24 .
6 maal 6 is 36 .
4 maal 6 is
6 × 6 = 36
24
.
4 × 6 = 24
c
d
6 + 6 + 6 + 6 + 6 + 6 + 6 + 6 = 48 8 keer 6 is 48 . 8 maal 6 is 8 × 6 =
6
/ 10.
48 48
6 + 6 + 6 = 3 keer 6
.
18
is 18 .
3 maal 6 is 3 × 6 =
18 18
.
BLOK 9
3
Kijk of kleur de langpootmuggen en vul in.
9 × 6 =
54
5 × 6 = 30
7 × 6 =
4
De maaltafel van 6. Vul in. a
5
42
0×6=
0
1×6=
6
b
6 × 6 = 36 2 × 6 = 12
2 × 6 = 12
1×6=
6
3 × 6 = 18
3 × 6 = 18
4 × 6 = 24
7 × 6 = 42
5 × 6 = 30
0×6=
6 × 6 = 36
5 × 6 = 30
7 × 6 = 42
10 × 6 = 60
8 × 6 = 48
9 × 6 = 54
9 × 6 = 54
8 × 6 = 48
10 × 6 = 60
4 × 6 = 24
0
Tel met sprongen van 6. 0
6
12
18
24
30
36
42
48
54
60
7
6
Alle maaltafels door elkaar. Los op. 7 × 3 = 21
3×3=
9×4=
36
9 × 2 = 18
6 × 6 = 36
8 × 5 = 40
6×8=
48
4 × 5 = 20
8 × 8 = 64
6 × 10 = 60
0 × 10 =
0
3 × 6 = 18
4 × 4 = 16
8 × 4 = 32
7×6=
42
5 × 4 = 20
5 × 5 = 25
5 × 3 = 15
1 × 10 =
10
10 × 10 = 100
7 × 2 = 14
10 × 6 = 60
9×5=
45
2 × 8 = 16
3 × 10 = 30
4 × 8 = 32
4×6=
24
8 × 6 = 48
9 × 3 = 27
8×2=
16
7 × 8 = 56
10 × 8 = 80
8 × 3 = 24
7×5=
35
3 × 4 = 12
6×3=
18
0×2=
7
0
1×5=
9
5
2×2=
1×6=
4
6
Lees en reken uit. a We gaan op uitstap. 5 kinderen betalen 8 euro aan de juf. Hoeveel euro heeft de juf dan? Bewerking: 5 × 8 = 40 De juf heeft dan 40 euro.
b In onze klas zitten 6 meisjes en 11 jongens. De meisjes kiezen elk 5 boeken in de bibliotheek. Hoeveel boeken zijn dat samen? Bewerking: 6 × 5 = 30 Dat zijn samen 30 boeken.
8
BLOK 9
LES 98 1
2
De deeltafel van 6 ontdekken en inoefenen
De maaltafel van 6. Los op. 2 × 6 = 12
3 × 6 = 18
7 × 6 = 42
6 × 6 = 36
4 × 6 = 24
9 × 6 = 54
1×6= 6
5 × 6 = 30
10 × 6 = 60
8 × 6 = 48
Je haalde
/ 10.
Dat is knap ! Bijna goed. Oeps! Jammer .
Verdeel. Omkring en vul in. a
18 : 6 = 3 18 gedeeld door 6 is 3 .
30 : 6 = 5 30 gedeeld door 6 is 5 .
b
24 : 6 = 4 24 gedeeld door 6 is 4 .
12 : 6 = 2 12 gedeeld door 6 is 2 .
9
3
De deeltafel van 6. Noteer het quotiënt. a
0:6=
0
b 30 : 6 =
5
6:6=
1
54 : 6 =
9
12 : 6 =
2
12 : 6 =
2
18 : 6 =
3
24 : 6 =
4
24 : 6 =
4
0:6=
0
30 : 6 =
5
36 : 6 =
6
36 : 6 =
6
60 : 6 = 10
42 : 6 =
7
18 : 6 =
3
48 : 6 =
8
48 : 6 =
8
54 : 6 =
9
6:6=
1
42 : 6 =
7
60 : 6 = 10
4
De maal- en deeltafel van 6. Los op. 9 × 6 = 54 30 : 6 =
5
48 : 6 =
8
6:6=
5
6
18 : 6 =
3
7 × 6 = 42 54 : 6 =
9
2 × 6 = 12
3 × 6 = 18
60 : 6 = 10
12 : 6 =
2
Alle deeltafels door elkaar. Reken uit. 90 : 10 =
9
24 : 8 =
3
40 : 10 =
4
30 : 6 =
5
70 : 10 =
7
10 : 5 =
2
12 : 2 =
6
30 : 5 =
6
8:4=
2
0:3=
0
12 : 3 =
4
3:3=
1
15 : 5 =
3
10 : 2 =
5
6:2=
3
30 : 3 = 10
20 : 10 =
2
8:8=
1
24 : 4 =
6
40 : 8 =
5
0:5=
0
72 : 8 =
9
28 : 4 =
7
21 : 3 =
7
50 : 10 =
5
56 : 8 =
7
12 : 6 =
2
32 : 4 =
8
40 : 4 = 10 54 : 6 = 10
1
10 × 6 = 60
8 × 6 = 48 36 : 6 =
6 × 6 = 36
9
BLOK 9
6
Lees en los op.
a 30 kinderen zitten op gymles. De meester zegt: ‘Vorm zes gelijke groepen’. Hoeveel kinderen zitten er in elke groep? Bewerking: 30 ; 6 = 5 In elke groep zitten er 5 kinderen.
b Opa bakt 20 pannenkoeken. Elk kleinkind krijgt er 4. Hoeveel kleinkinderen heeft opa? Bewerking: 20 : 4 = 5 Opa heeft 5 kleinkinderen.
c Dit jaar telt februari 28 dagen. Hoeveel weken zijn dat? Bewerking: 28 : 7 = 4 Dat zijn 4 weken.
11
LES 99 1
Gewicht meten met kilogram (kg) en gram (g)
Vul de identiteitskaarten aan.
kg
2
g
voluit:
voluit:
kilogram
gram
even zwaar als:
even zwaar als:
• een pak suiker
• twee paperclips
• een pak zout
• een spijker
• 5 appels
• ėėn cent
Kilogram (kg) of gram (g)? Vul in. Controleer daarna met de weegschaal. Kies samen met welke weegschaal of balans dat het handigst lukt. Zorg ervoor dat iedereen eens met de weegschaal of balans kan werken.
12
Dit kind van het derde leerjaar weegt
Een fluostift weegt
zowat 35 kg .
zowat 20 g .
BLOK 9
3
Een munt van 2 euro weegt
Deze boekentas weegt
ongeveer 8 g .
bijna 5 kg .
Mijn balpen weegt
Deze bril weegt
ongeveer 10 g .
ongeveer 30 g .
Schat en controleer het gewicht van jullie boekentassen.
? kg
naam
geschat
gewogen
±
kg
±
kg
±
kg
±
kg
±
kg
±
kg
±
kg
±
kg
13
4
Maak 100 gram. Hoeveel heb je er nodig? geschat
100 g
=±
balpennen
=±
balpennen
=±
paperclips
=±
paperclips
=±
munten van € 1
=±
rekenblokjes
=±
5
gewogen
gommen
=±
munten van € 1
=±
rekenblokjes
=±
gommen
Weeg (af ) wat gevraagd wordt. Kies eerst samen met welke weegschaal of balans dat het handigst lukt. Laat controleren door je juf of meester. Zet dan een
14
of
.
1 kg zand
50 g zand
schaar =
100 g zand
2 kg zand
plak van 100 =
BLOK 9
LES 100 Een beelddiagram maken en aflezen 1
Turf eerst. Zet de aantallen dan om in een beelddiagram. Turf hier het aantal meisjes in je klas.
Turf hier het aantal jongens in je klas.
meisjes in je klas
LEGENDA = 1 meisje
jongens in je klas
2
= 1 jongen
Zoek het antwoord in de beelddiagrammen. Fruitbomen bij boer Tiebe appelbomen perenbomen kerselaars
LEGENDA = 1 appelboom = 1 perenboom = 1 kerselaar
Hoeveel kerselaars heeft boer Tiebe in zijn tuin?
5 kerselaars
Welke bomen heeft hij het meest?
appelbomen
Van welke bomen heeft hij er precies 6?
perenbomen
Heeft Tiebe meer kerselaars of meer appelbomen? meer appelbomen 15
Dieren bij boer Tiebe koeien paarden varkens kippen
LEGENDA = 10 dieren = 1 dier
a Hoeveel kippen heeft boer Tiebe? Zijn er meer koeien of meer varkens?
meer koeien
Welke dieren heeft boer Tiebe het minst?
paarden
b Hoeveel dieren heeft hij in totaal?
3
40 kippen
100 dieren
Kijk goed naar de legenda en stel het beelddiagram samen. Sorteer en tel de boeken die je krijgt van je meester of juf. LEGENDA = 1 strip
A BC A BC = 1 leesboek A A BC BC
ii ii
= 1 weetjesboek = 1 prentenboek
strips 16
leesboeken
weetjesboeken
prentenboeken
BLOK 9
4
Stel de aantallen van de turftabel voor in een beelddiagram. Wat doen deze kinderen in hun vrije tijd?
muziekschool sporten tekenen dansen
muziekschool
sporten
tekenen
dansen
LEGENDA = 5 kinderen = 1 kind
5
Zet de informatie uit oefening 4 om in een blokdiagram. muziekschool sporten tekenen dansen
17
LES 101 Patronen ontdekken en voortzetten 1
Feest! Maak de fruitsatĂŠs of slingers volledig. a
b
c
18
BLOK 9
2
Maak de rijtjes af. a
b
3
Luister goed. Teken en ga verder.
19
4
Bedenk nu zelf patronen. a Een patroon met 2 verschillende vormen in 1 kleur.
b Een patroon met 1 vorm en 3 verschillende kleuren.
c Een patroon met 1 vorm in verschillende standen.
d Een patroon met 3 verschillende vormen en 2 verschillende kleuren ‌ Als je durft!
20
BLOK 9
LES 102 Bewegingen juist uitvoeren en verwoorden Aan de slag! Kies een opdracht en voer ze uit. • • • • •
Wandel door de klas en zoek een vriend. Kies samen een opdracht en voer ze uit. Juist uitgevoerd? Kleur het vinkje groen. Zoek een nieuwe vriend en kies een nieuwe opdracht. Werk zo door tot je alle vinkjes gekleurd hebt (of tot de tijd om is). Ga met je rug naar elkaar staan. Loop dan van elkaar weg.
Zet 10 stappen vooruit en spring omhoog.
Leg je rechterhand op je hoofd. Zet 3 passen naar links.
Wandel naar de deur. Ga langs het raam.
Leg je linkerhand op je hoofd. Maak een halve draai.
Zet 10 stappen achteruit en buig door de knieën.
Wandel naar je juf of meester toe en buig voor hem of haar.
Vertrek allebei in een andere hoek van de klas. Wandel naar elkaar toe.
Doe allebei 3 stappen in de richting van het raam.
21
Wandel achteruit door de klas terwijl je een liedje zingt.
Maak een hele draai, met je armen boven je hoofd, als een balletdanser(es).
Til je linkerbeen omhoog. Kijk naar omlaag.
Ga met de benen gespreid staan en kruip onder elkaar door.
Steek je handen omhoog, omlaag en weer omhoog.
Verschuif je rechterbeen in de richting van het raam.
‘Zoef’ met een potlood als een vliegtuigje over het hoofd van je vriend.
Breng je linkerhand naar je neus toe. Houd ze dan ver van je weg.
Laat een potlood over een bank springen.
22
Wandel naar het bord. Ga langs je eigen plekje.
BLOK 9
Draai een stoel een kwartdraai naar links.
Ga van elkaar weg. Kom dan weer naar elkaar toe.
Zet 5 stappen buiten de klas. Keer dan weer terug.
Leg jullie handen op elkaar. Leg jouw handen tussen die van je vriend.
Ga dicht bij elkaar staan, vlak naast het bord.
Ga tegenover elkaar staan. Lach naar elkaar met je liefste glimlach.
Breng je rechterwijsvinger naar je linkeroor.
Vind je een plant? Wandel daar dan achteruit naar toe.
Kruip onder een bank. Zit flink met je armen over elkaar.
Maak een kwartdraai naar links. Wuif naar de persoon die je daar ziet.
Nu jij!
23
LES 103 Optellen tot 100 1
2
Los op. Doe het snel. 59 + 20 = 79
45 + 5 = 50
30 + 7 = 37
34 + 6 = 40
34 + 60 = 94
22 + 8 = 30
60 + 1 = 61
67 + 3 = 70
28 + 40 = 68
46 + 4 = 50
90 + 8 = 98
79 + 1 = 80
71 + 10 = 81
91 + 9 = 100
70 + 2 = 72
83 + 7 = 90
Even opfrissen. Tel op. Wissel de getallen van plaats, als dat nodig is. a 84 + 7 = 91 90
b 78 + 3 = 81
6 1
80
6 + 59 = 59 + 6 = 65 60
39 + 9 = 48 40
1 5
75 + 8 = 83 80
3
1 8
8 + 66 = 66 + 8 = 74 70
5 3
Teken de optellingen. Noteer de som. a
27 + 14 = 41
15 + 36 = 51
38 + 18 = 56
26 + 27 = 53
b
24
2 1
4 4
BLOK 9
4
Eerst samen. Los mee op. = 74 + 9 = 83
54 + 29 74
20
9
40
19 + 56 69 50 6
76 + 18 86 10 8
5
6
3
= 77 + 5 = 82
37 + 45 77
80
5
80
3
2
= 69 + 6 = 75 70
1 5
= 86 + 8 = 94 90
4 4
Nu alleen. Los op. a 64 + 18 74 10 8
= 74 + 8 = 82 80
6 2
b Lukt het uit het hoofd? 59 + 23 = 82 13 + 68 = 81 46 + 25 = 71
33 + 39 63 30 9
= 63 + 9 = 72
38 + 44 = 82
70
25 + 36 = 61
7 2
74 + 19 = 93 67 + 27 = 94 57 + 27 77 20 7
16 + 45 56 40 5
= 77 + 7 = 84 80
52 + 39 = 91
3 4
= 56 + 5 = 61 60
4 1
25
6
Alles door elkaar. Noteer de som. Noteer de stapjes, als je dat nodig vindt.
7
60 + 34 = 94
27 + 54 = 81
59 + 21 = 80
5 + 86 = 91
9 + 43 = 52
48 + 30 = 78
40 + 8 = 48
72 + 13 = 85
76 + 5 = 81
44 + 28 = 72
Je haalde
/ 10.
Wow! Zonder foutjes! Goed hoor! Nog even oe fenen!
Lees en los op. a De kinderen van klas 2A en klas 2B gaan samen op uitstap. In elke klas zitten precies 26 leerlingen. Hoeveel leerlingen gaan er op uitstap? Bewerking: 26 + 26 = 46 + 6 = 52 46 20 6 50 4 2
Er gaan 52 leerlingen op uitstap.
b Soufiane en Maya sparen voetbalstickers. Maya heeft er 37. Soufiane heeft er 8 meer. Hoeveel stickers hebben ze samen? Bewerking: 37 + 37 + 8 = 82
Ze hebben samen 82 stickers. 26
BLOK 9
LES 104 Aftrekken tot 100 1
2
Los op. Doe het snel. 89 − 50 = 39
31 − 1 = 30
49 − 9 = 40
50 − 5 = 45
74 − 20 = 54
55 − 5 = 50
38 − 8 = 30
70 − 3 = 67
96 − 90 = 6
68 − 8 = 60
81 − 1 = 80
20 − 6 = 14
43 − 30 = 13
27 − 7 = 20
64 − 4 = 60
90 − 2 = 88
Even opfrissen. Noteer het verschil. a 78 − 9 = 69
b 44 − 8 = 36 40 4 4
70 8 1
82 − 6 = 76
56 − 7 = 49
80 2 4
50 6 1
63 − 7 = 56
91 − 4 = 87
60 3 4
3
90 1 3
Teken de aftrekkingen. Noteer het verschil. a
41 − 14 = 27
33 − 25 = 8
25 − 17 = 8
52 − 33 = 19
b
27
4
Eerst samen. Los mee op. = 26 − 8 = 18
56 − 38 26
30
8
40
82 − 56 32 50 6
44 − 27 24 20 7
5
6
2
= 51 − 5 = 46
91 − 45 51
20
5
50
1
4
= 32 − 6 = 26 30
2 4
= 24 − 7 = 17 20
4 3
Nu alleen. Los op. a 73 − 49 33 40 9
= 33 − 9 = 24 30
3 6
b Lukt het uit het hoofd? 56 − 28 = 28 91 − 53 = 38 85 − 46 = 39
65 − 18 55 10 8
= 55 − 8 = 47
67 − 59 =
50
74 − 35 = 39
5 3
21 − 12 =
8
9
42 − 27 = 15 34 − 25 14 20 5
97 − 68 37 60 8
28
= 14 − 5 = 9 10
4 1
= 37 − 8 = 29 30
7 1
33 − 14 = 19
BLOK 9
6
Alles door elkaar. Noteer het verschil. Noteer de stapjes, als je dat nodig vindt. 70 − 6 = 64
54 − 26 = 28
100 − 20 = 80
70 − 13 = 57
58 − 3 = 55
95 − 41 = 54
46 − 8 = 38
83 − 9 = 74
77 − 50 = 27
7
Je haalde
/ 10.
Wow! Zonder foutjes! Goed hoor! Nog even oe fenen!
8
66 − 58 =
Lees en los op. a De burgemeester kreeg vandaag 45 mailtjes. Daarvan heeft ze er 28 beantwoord. Hoeveel mailtjes moet ze nog beantwoorden? Bewerking: 45 − 28 = 25 − 8 = 17 25 20 8
20 5 3
Ze moet nog 17 mailtjes beantwoorden.
b Eliza plukt 52 madeliefjes. Ze geeft er 15 aan haar papa. De vriendin van papa kreeg er 18. Hoeveel madeliefjes houdt Eliza over? Bewerking: 52 − 15 − 18 = 19
Eliza houdt 19 madeliefjes over. 29
LES 105 De helft, een kwart en het dubbel nemen 1
2
Halveer of neem een kwart. a Kleur de helft.
b Kleur een kwart.
c Omkring een vierde.
d Kleur een tweede.
e Omkring de helft.
f Kleur de helft geel. Kleur dan nog een vierde blauw.
Vul in. Je mag de rekenblokjes gebruiken. a De helft van 68 is 34 . b Halveer 30. Dat is 15 .
30
c
13 is een kwart van 52.
Een vierde van 16 is 4 .
De helft van 54 is 27 .
25 is de helft van 50 .
Halveer 70. Dat is 35 .
Een kwart van 80 is 20 .
50 is de helft van 100.
Een kwart van 40 is 10 .
Een vierde van 36 is 9 .
22 is een kwart van 88 .
BLOK 9
3
Los op. a Kleur de kadertjes met rest rood, die zonder rest groen. de helft van 25
een vierde van 18
50 gehalveerd
een tweede van 34
een kwart van 60
een kwart van 42
b Waar of niet waar? Kruis aan. waar
niet waar
In de groene vakjes staan enkel even getallen. In de rode vakjes staan enkel oneven getallen. Als je een getal kunt halveren, kun je er ook altijd een kwart van nemen. Als je van een getal een kwart kunt nemen, kun je er ook altijd de helft van nemen.
4
Teken het getal met − en • Verdubbel met je spiegeltje.
Het dubbel van
Het dubbel van
25 is 50 .
31 is 62 .
Het dubbel van
Het dubbel van
16 is 32 .
43 is 86 . 31
5
Zo lukt het ook. Reken uit. Maak eerst de dubbelsom als je dat nodig vindt. Het dubbel van 21 is 42 . 21 + 21 = 42
Het dubbel van 37 is 74 . 37 + 37 = 74
6
Het dubbel van 45 is 90 .
Het dubbel van 34 is 68 .
45 + 45 = 90
34 + 34 = 68
Het dubbel van 19 is 38 .
Het dubbel van 28 is 56 .
19 + 19 = 38
28 + 28 = 56
Koopjes! Reken de nieuwe prijs uit. Je mag rekenblokjes gebruiken. a Alles aan halve prijs.
van
€ 64
€ 38
€ 54
€ 86
nu voor
€ 32
€ 19
€ 27
€ 43
b Superkoopjes! Alles aan een kwart van de prijs.
32
van
€ 80
€ 32
€ 100
€ 28
nu voor
€ 20
€ 8
€ 25
€ 7
LES 106 − HERHALING
Wat heb ik geleerd in blok 9?
Getallenkennis les nr.
herhaling nr.
de helft of een kwart nemen van een hoeveelheid of een vlakke figuur.
105
1
de helft, een kwart of het dubbel nemen van een getal.
105
2
informatie aflezen van en weergeven in een beelddiagram.
100
3
les nr.
herhaling nr.
97, 98
4
optellen tot 100, ook met brug.
103
5
aftrekken tot 100, ook met brug.
104
6
97, 98, 103, 104
7
les nr.
herhaling nr.
een passende inhoudsmaat kiezen: kg of g.
99
8
een gewicht aflezen of afmeten.
99
8
les nr.
herhaling nr.
patronen herkennen en voortzetten.
101
9
aan de slag met woorden als ‘vooruit, omhoog, kwartdraai, daarheen, links, rechts, in, tussen, dichtbij’.
102
10
Ik kan:
Bewerkingen Ik kan: de uitkomsten van de maal- en deeltafels van 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 10 geven.
eenvoudige vraagstukjes oplossen.
Meten en metend rekenen Ik kan:
Meetkunde Ik kan:
Ik ben goed in het uitvoeren van bewegingsopdrachten. Ik denk zélf na, zonder de anderen zomaar na te apen. Ik houd me aan de afspraken bij een groepswerk. 33
1
2
Halveer of neem een kwart. Kleur een kwart.
Omkring de helft.
Omkring een vierde.
Omkring een tweede.
Kleur de helft.
Kleur een kwart.
Vul in. Je mag de rekenblokjes gebruiken als je dat wilt. a De helft van 40 is 20 .
b Een tweede van 24 is 12 .
Een kwart van 16 is 4 .
Het dubbel van 17 is 34 .
Het dubbel van 30 is 60 .
Een kwart van 100 is 25 .
Neem een kwart van 80. Dat is 20 .
Halveer 30. Dat is 15 .
Halveer 66. Dat is 33 .
Neem een vierde van 48. Dat is 12 .
Verdubbel 35. Dat is 70 .
Neem de helft van 70. Dat is 35 .
Een kwart? Dat is de helft van de helft!
34
3
Vul het beelddiagram aan en beantwoord de vragen. Aantal kindjes in de opvang na school. LEGENDA maandag = 10 kindjes = 1 kindje
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
a Op maandag bleven 24 kindjes na en op donderdag 15 kindjes. Vul dat aan in het beelddiagram. b Los op.
4
•
Op welke dag bleven de meeste kindjes na?
op woensdag
•
Hoeveel kindjes bleven na op dinsdag?
21 kindjes
•
Op welke dag bleven de minste kindjes na?
op vrijdag
•
Op welke dag bleven er 21 kindjes na?
op dinsdag
Noteer het product of het quotiënt. a 4 × 6 = 24
0×6= 0
36 : 6 = 6
60 : 6 = 10
5 × 6 = 30
6 × 6 = 36
24 : 6 = 4
12 : 6 = 2
3 × 6 = 18
10 × 6 = 60
42 : 6 = 7
48 : 6 = 8
9 × 6 = 54
7 × 6 = 42
54 : 6 = 9
18 : 6 = 3
1×6= 6
8 × 6 = 48
30 : 6 = 5
6:6= 1
35
5
b 2×3= 6
18 : 3 = 6
3×2= 6
32 : 4 = 8
56 : 8 = 7
10 × 2 = 20
4 × 4 = 16
7 × 2 = 14
9 × 4 = 36
5:5= 1
80 : 8 = 10
24 : 3 = 8
24 : 6 = 4
8 × 6 = 48
4 × 10 = 40
6 × 8 = 48
3 × 8 = 24
25 : 5 = 5
0:2= 0
12 : 4 = 3
Reken uit en noteer de som. = 77 + 8 = 85
67 + 18 77
10
8
20
3
5
= 63 + 9 = 72
43 + 29 63
80
9
70
7
2
Ga maar door! Reken uit op een kladblad. 36 + 36 = 72 28 + 55 = 83 47 + 14 = 61 59 + 22 = 81
= 86 + 7 = 93
56 + 37
90
86 30 7
65 + 27 = 92 = 64 + 8 = 72
44 + 28
70
64 20 8
6
16 + 78 = 94
4 3
6 2
Reken uit en noteer het verschil. = 11 − 6 = 5
51 − 46 11
40
6
10
1
5
= 53 − 4 = 49
63 − 14 53
10
4
50
3
1
Ga maar door! Reken uit op een kladblad. 34 − 18 = 16 95 − 87 =
86 − 39 = 47 21 − 14 =
72 − 28 52 20 8
45 − 39 15 30 9
36
= 52 − 8 = 44 50
2 6
8
7
66 − 48 = 18 74 − 55 = 19
= 15 − 9 = 6 10
5 4
7
Lees en los op. a In de auto van juf Loes kan 75 liter benzine. Ze tankt 36 liter. Nu is de tank vol. Hoeveel liter zat er nog in de tank? Bewerking: 75 − 36 = 45 − 6 = 39
b In het hele tweede leerjaar zitten 26 meisjes en 28 jongens. Hoeveel leerlingen telt het tweede leerjaar? Bewerking: 26 + 28 = 46 + 8 = 54
45 30 6 40 5 1
46 20 8 50 4 4
Er zat nog 39 liter in de tank.
Het tweede leerjaar telt 54 leerlingen.
c Juf Loes trakteert met ijsjes. Ze koopt 9 dozen met elk 6 stuks. Hoeveel ijsjes zijn dat samen? Bewerking: 9 × 6 = 54
Dat zijn samen 54 ijsjes.
8
Vul in. Kies uit kg, g of een getal. 1 kilogram = 10 × 100 gram
a
b
Een pak suiker weegt precies 1 kg .
2 paperclips wegen samen zowat 1 g .
Deze meester weegt zowat 80 kg .
Deze pennenzak weegt ongeveer 200 g .
Klaar? Ga een weegopdracht uitvoeren bij je juf of meester. Teken hier hoe het ging.
5 appels wegen samen ongeveer 1 kg .
opdracht 1
opdracht 2
37
9
Zet de rijtjes voort. a Kijk goed. Zet dan het rijtje voort.
b Luister goed. Teken dan het rijtje voort.
♥
■ ■ ♥
■ ■ ♥
■ ■ ♥
■ ■ ♥
■ ■
BAOZBAOZBAOZBAOZBAOZBAOZBAOZ
10
Voer de opdrachten uit. •
Werk per twee. Spreek af wie begint.
•
Kies om de beurt een opdracht en voer ze uit.
•
Wie niet uitvoert, controleert.
•
Duid aan hoe je vriend(in) het doet door het bolletje groen of rood te kleuren.
Til je pennenzak omhoog en leg hem op je hoofd.
38
Maak een halve draai en gooi een kushandje naar het kind links van je.
Ga 3 stappen achteruit en wuif in de richting van de juf of meester.
Leg je handen op je oren en kruip onder je bank.
Zet je voeten op elkaar en spring 2 sprongen vooruit.
Maak een kwartdraai naar rechts en hurk omlaag.
1
Vul in. 15 is een kwart van 60 . 28
12
24 is de helft van 48 .
is het dubbel van 14.
25 is de helft van 50 . 20
2
48
Kleur de juiste getallen. 19
37
55
11
24
36
23
75
47
15
18
37
2 getallen vormen samen 51.
19
28
35
28
17
47
11
18
36
25
32
44
3 getallen vormen samen 75.
4
is het dubbel van 24.
24 is een kwart van 96 .
is een vierde van 80.
2 getallen vormen samen 84.
3
is de helft van 24.
3 getallen vormen samen 100.
Bedenk zelf een oefening. De uitkomst staat er al! 40 + 7 = 47
70 − 3 = 67
30 − 5 = 25
50 + 3 = 53
90 + 3 = 93
50 − 1 = 49
38 − 7 = 31
70 + 2 = 72
Vul de tafelroosters in. a
3
4
10
2
6
8
20
7
21
28
6
18
24
×
b
5
8
4
8
40
64
32
70
3
15
24
12
60
9
45
72
36
×
39
5
Hoeveel wegen deze vruchten?
De citroen weegt 90 gram.
6
Maak zelf een vlaggenlijn met een patroon erin. Je moet alle vlaggetjes gebruiken.
40
De kiwi weegt 80 gram.
BLOK 10
BLOK 10
1
INSTAPLES
Kleur de hokjes bij de klokjes. •
uur
•
kwart voor
•
halfuur
•
kwart over
11
12
1
11 2
10
8 6
11 2
8
5
Het is half 9
11
12
11
8
8
4 7
6
5
12
3
.
1 2 3
9 8
4 6
12
10
5
4 7
Het is kwart over 1
.
5
. 11
2
7
Het is half 2
6
Het is kwart over 4
1
8
5
6
4 7
9
4 7
Het is 11 uur
5
10 3
9
3
. 11
2
2
9
Het is kwart voor 7
1
10 3
9
12
1
8
.
1
10
6
12
10
4 7
Het is kwart over 10
2
2
8
.
11
3
5
6
1
9
4 7
12
10 3
9
4 7
1
10 3
9
12
6
5
Het is kwart voor 5 .
.
Wil je een extra kans verdienen? Schrijf dan bij elk klokje hoe laat het is.
2
42
Los op. Noteer het product. 2×2=
4
8 × 8 = 64
9 × 3 = 27
3 × 5 = 15
3×3=
9
10 × 10 = 100
7 × 8 = 56
5 × 10 = 50
4 × 4 = 16
7 × 4 = 28
6 × 3 = 18
7 × 6 = 42
5 × 5 = 25
3 × 8 = 24
8 × 5 = 40
8 × 2 = 16
6 × 6 = 36
0×6=
9 × 4 = 36
7 × 3 = 21
0
3
4
Los op. Noteer het quotiënt. 12 : 6 = 2
15 : 3 = 5
30 : 5 = 6
70 : 10 = 7
30 : 6 = 5
54 : 6 = 9
24 : 4 = 6
32 : 4 = 8
10 : 10 = 1
0:5= 0
18 : 2 = 9
48 : 8 = 6
3:3= 1
16 : 8 = 2
10 : 2 = 5
5
Noteer de som. 48 + 7 = 55
94 − 82 = 12 14 80 2
50 2 5
17 + 64 = 77 + 4 = 81
47 − 8 = 39
77 60 4 80 3 1
40 7
9 + 56 = 56 + 9 = 65
1
73 − 7 = 66
60 4 5
6
Noteer het verschil.
70 3
4
Vul in. Kies uit: meter (m), centimeter (cm), liter (l), centiliter (cl), kilogram (kg) of gram (g).
Eén zijde meet
In dit brik kan
precies 1 cm .
precies 1 l
.
Deze paperclips
Dit pak weegt
wegen samen
precies 1 kg .
ongeveer 1 g .
In deze lepel kan
Deze lat meet
zowat 1 cl .
precies 1 m .
Wil je een extra kans verdienen? Kleur dan de vakjes met lengtematen blauw, inhoudsmaten groen, en gewichten geel.
43
LES 109 De maaltafel van 9 ontdekken en inoefenen 1
Even opfrissen. Los op. 4 × 6 = 24 42 : 6 =
7
0
Bijna goed.
9 × 6 = 54
5 × 6 = 30
2
6
36 : 6 =
Oeps! Jammer .
8
48 : 6 =
Kijk en vul in. a
b
9 + 9 + 9 + 9 + 9 = 45
9 + 9 + 9 + 9 = 36
5 keer 9 is 45 .
4 keer 9 is 36 .
5 maal 9 is 45 .
4 maal 9 is
5 × 9 = 45
36
.
4 × 9 = 36
c
d
9 + 9 = 18
9 + 9 + 9 = 27
2 keer 9 is 18 . 2 maal 9 is 2 × 9 =
44
/ 10.
Dat is knap !
10 × 6 = 60
3 × 6 = 18 0:6=
Je haalde
2
12 : 6 =
18 18
.
3 keer 9 is
27
.
3 maal 9 is
27
.
3 × 9 = 27
BLOK 10
3
Kijk of kleur de negenogen en vul in.
6 × 9 =
54
8 × 9 = 72
7 × 9 =
4
De maaltafel van 9. Vul de producten in. a
0×9=
0
1×9=
9
b
5 × 9 = 45 10 × 9 = 90
2 × 9 = 18
6 × 9 = 54
3 × 9 = 27
3 × 9 = 27
4 × 9 = 36
9 × 9 = 81
5 × 9 = 45
2 × 9 = 18
6 × 9 = 54
0×9=
7 × 9 = 63
4 × 9 = 36
8 × 9 = 72
8 × 9 = 72
9 × 9 = 81
1×9=
10 × 9 = 90
5
63
0
9
7 × 9 = 63
Tel met sprongen van 9. 0
9
18
27
36
45
54
63
72
81
90
45
6
Alle maaltafels door elkaar. Los op. 8 × 4 = 32
6
8
2 × 5 = 10
0×2=
0
4 × 9 = 36
10 × 2 = 20
5 × 6 = 30
7 × 6 = 42
6 × 9 = 54
1 × 10 = 10
6 × 3 = 18
9 × 9 = 81
8 × 5 = 40
7 × 4 = 28
4 × 8 = 32
4 × 4 = 16
3 × 4 = 12
10 × 3 = 30
9 × 5 = 45
10 × 6 = 60
5 × 3 = 15
7 × 8 = 56
8 × 2 = 16
10 × 8 = 80
0
1×5=
5
9 × 6 = 54
5 × 4 = 20
9 × 3 = 27
1×3=
3 × 6 = 18
6 × 5 = 30
7 × 2 = 14
3
Lees en reken uit. a
46
1×8=
2 × 9 = 18
0 × 10 =
7
2×3=
b
Onze kleuterschool heeft drie klassen. Elke klas heeft 9 loopfietsen. Hoeveel loopfietsen zijn dat samen?
Elke weekdag maakt Yin 9 moeilijke sommen. Hoeveel sommen zijn dat op een week?
Bewerking: 3 × 9 = 27
Bewerking: 5 × 9 = 45
Dat zijn samen 27 loopfietsen.
Dat zijn 45 sommen op een week.
BLOK 10
LES 110 De deeltafel van 9 ontdekken en inoefenen 1
De maaltafel van 9. Los op. 5 × 9 = 45
2 × 9 = 18
8 × 9 = 72
Dat is knap !
6 × 9 = 54
7 × 9 = 63
Bijna goed.
4 × 9 = 36
10 × 9 = 90
1×9=
2
Je haalde
3 × 9 = 27
9
9 × 9 = 81
/ 10.
Oeps! Jammer .
Verdeel. Omkring en vul in.
36 : 9 = 4 36 gedeeld door 9 is 4 .
45 : 9 = 5 45 gedeeld door 9 is 5 .
27 : 9 = 3 27 gedeeld door 9 is 3 .
18 : 9 = 2 18 gedeeld door 9 is 2 . 47
3
De deeltafel van 9. Noteer het quotiënt. a
4
0:9= 0
b 27 : 9 = 3
9:9= 1
45 : 9 = 5
18 : 9 = 2
18 : 9 = 2
27 : 9 = 3
36 : 9 = 4
36 : 9 = 4
90 : 9 = 10
45 : 9 = 5
81 : 9 = 9
54 : 9 = 6
0:9= 0
63 : 9 = 7
72 : 9 = 8
72 : 9 = 8
9:9= 1
81 : 9 = 9
63 : 9 = 7
90 : 9 = 10
54 : 9 = 6
De maal- en deeltafel van 9. Los op. 5 × 9 = 45 72 : 9 =
8
3 × 9 = 27
5
48
18 : 9 =
2
6 × 9 = 54
4 × 9 = 36 63 : 9 =
7
81 : 9 =
9
8 × 9 = 72
0
54 : 9 =
36 : 9 =
4
0×9=
1×9=
9
90 : 9 = 10
6
9 × 9 = 81
Alle deeltafels door elkaar. Los op. 16 : 4 = 4
25 : 5 = 5
70 : 10 = 7
0:3= 0
45 : 5 = 9
16 : 8 = 2
24 : 3 = 8
18 : 6 = 3
81 : 9 = 9
36 : 4 = 9
0:2= 0
64 : 8 = 8
18 : 3 = 6
32 : 8 = 4
10 : 5 = 2
80 : 8 = 10
35 : 5 = 7
40 : 10 = 4
18 : 2 = 9
27 : 9 = 3
28 : 4 = 7
48 : 6 = 8
42 : 6 = 7
45 : 9 = 5
10 : 10 = 1
BLOK 10
6
Lees en los op. a 36 kinderen gaan naar de zoo. De juf zegt: ‘Maak groepjes van 9’. Hoeveel groepjes zijn er dan? Bewerking: 36 ; 9 = 4
Er zijn dan
4
groepjes.
b Meester Finn ruimt op. Hij verdeelt 24 mappen gelijk over 4 schappen. Hoeveel mappen zet hij op elk schap? Bewerking: 24 : 4 = 6
Hij zet op elk schap
6
mappen.
c Kapitein Landrot vindt een schat met 40 goudstaven! Die verdeelt hij eerlijk onder zichzelf en z’n vier vrienden. Hoeveel goudstaven krijgt ieder? Bewerking: 40 : 5 = 8
Ieder krijgt
8
goudstaven.
49
Lengte, gewicht en inhoud meten
LES 111 Zelf meetinstrumenten maken
LENGTE 1
2
Vul in. Kies uit: meter (m) of centimeter (cm).
Deze baby is
Deze toren is
bijna 10 cm lang.
ruim 50 cm groot.
meer dan 15 m hoog.
Schat eerst. Meet dan en vul in. a
3
Dit pakje kauwgom is
de lengte van de speelplaats
b
de lengte van de gang
Ik schat:
meter.
Ik schat:
meter.
Ik meet:
meter.
Ik meet:
meter.
Meet of teken de lijnstukken. A
B
Dit lijnstuk meet 11 cm. Dit lijnstuk meet 7 cm.
C
D
Teken een lijnstuk van 10 cm. E
F
Teken een lijnstuk van 14 cm. 50
G
H
BLOK 10
GEWICHT 4
5
Vul in. Kies uit: kilogram (kg) of gram (g).
Dit pakje kauwgom weegt
Deze tros bananen weegt
Deze man weegt
bijna 50 g .
zowat 1 kg .
ruim 100 kg .
Weeg en vul in.
= 2/4 pakje(s) koffie = 1 pak(ken) suiker = 8 builtje(s) rijst = 2 pak(ken) pasta
6
Teken en vul in. a
Teken hier wat je weegt:
=
kg en
Ă— 100 g
b
Teken hier wat je weegt:
=
kg en
Weeg eerst met kilogram. Vul dan aan met 100 gram.
Ă— 100 g 51
INHOUD 7
Vul in. Kies uit: liter (l) of centiliter (cl).
In deze vaas kan zowat 1
8
l
water.
Dit glas bevat
In dit spuitje kan
ruim 10 cl wijn
ruim 2 cl water.
Schat eerst. Vul dan in. a
b
Ik schat:
centiliter.
Ik meet: 75 centiliter.
c
Ik schat:
centiliter.
Ik meet: 33 centiliter.
52
Ik schat:
centiliter.
Ik meet: 20 centiliter.
BLOK 10
LES 112 Hoeveelheden handig schatten 1
2
Hoeveel potloden zie je? •
Ik gok:
•
Ik schat:
•
Ik controleer:
potloden. potloden. potloden.
Aan de slag! Maak een schatting. a
Hoeveel blokjes?
Ik maak een groepje (bv. van 10). → Dan schat ik hoeveel groepjes er zijn. Ik verdeel de blokjes in groepen. → Ik tel het aantal in 1 groep en vermenigvuldig dat met het aantal groepen of tel op. Ik verdeel de blokjes in rijen. → Ik tel het aantal in 1 rij en vermenigvuldig dat met het aantal rijen of ik tel op.
Ik schat:
b
blokjes.
Hoeveel gommen?
Ik maak een groepje (bv. van 10). → Dan schat ik hoeveel groepjes er zijn. Ik verdeel de gommen in groepen. → Ik tel het aantal in 1 groep en vermenigvuldig dat met het aantal groepen of tel op. Ik verdeel de gommen in rijen. → Ik tel het aantal in 1 rij en vermenigvuldig dat met het aantal rijen of ik tel op.
Ik schat:
gommen. 53
c
Hoeveel paperclips?
Ik maak een groepje (bv. van 10). → Dan schat ik hoeveel groepjes er zijn. Ik verdeel de paperclips in groepen. → Ik tel het aantal in 1 groep en vermenigvuldig dat met het aantal groepen of tel op. Ik verdeel de paperclips in rijen. → Ik tel het aantal in 1 rij en vermenigvuldig dat met het aantal rijen of ik tel op.
Ik schat:
3
paperclips.
Hoeveel ballen op dit veld? Maak een schatting. Ik schat: 30 ballen.
Ik maak een groepje (bv. van 10). → Dan schat ik hoeveel groepjes er zijn. Ik verdeel de tekening in vakken. → Ik tel het aantal in 1 vak en vermenigvuldig dat met het aantal vakken of tel op. Ik tel de ballen in één ‘rij’. → Dat getal vermenigvuldig ik met het aantal rijen of ik tel op.
54
BLOK 10
4
Hoeveel kinderen in dit zwembad? Maak een schatting. Ik schat: 60 kinderen.
Ik maak een groepje (bv. van 10). → Dan schat ik hoeveel groepjes er zijn. Ik verdeel de tekening in vakken. → Ik tel het aantal in 1 vak en vermenigvuldig dat met het aantal vakken of tel op. Ik tel de kinderen in één ‘rij’. → Dat getal vermenigvuldig ik met het aantal rijen of ik tel op.
55
LES 113 Vermenigvuldigen met 1 en 0, delen door 1 1
Noteer het product. Wissel in je hoofd van plaats, als je dat handig vindt. a
6×0=
0
0×0=
0
5×1=
5
8×1=
8
16 × 1 = 16
3×1=
3
4×0=
0
25 × 0 =
0
9×0=
0
7×0=
0
49 × 0 =
0
6×1=
6
67 × 1 = 67
10 × 1 = 10
2
0
Nu alle maaltafels door elkaar. Los op. Doe het snel. Laat je niet foppen!
7×1=
7
9 × 5 = 45
10 × 4 = 40
2×3=
6
7 × 4 = 28
5 × 8 = 40
6 × 6 = 36
10 × 8 = 80
4 × 5 = 20
0 × 10 =
3 × 9 = 27 0×3=
3
b 31 × 0 =
0
0
8 × 9 = 72 6×1=
6
6
1×6=
6 × 9 = 54 4×0=
0
7 × 8 = 56
Delen door 1. Omkring en vul in. a
56
4:1= 4
7:1= 7
4 gedeeld door 1 is 4 .
7 gedeeld door 1 is 7 .
b 8:1= 8
6:1= 6
c 34 : 1 = 34
25 : 1 = 25
0:1= 0
2:1= 2
18 : 1 = 18
47 : 1 = 47
3:1= 3
10 : 1 = 10
63 : 1 = 63
92 : 1 = 92
BLOK 10
4
5
6
Nu alle deeltafels door elkaar. Los op. Doe het snel. 2:2= 1
0:2= 0
5:1= 5
27 : 9 = 3
35 : 5 = 7
42 : 6 = 7
10 : 10 = 1
1:1= 1
3:3= 1
0:6= 0
9:1= 9
6:2= 3
28 : 4 = 7
4:2= 2
0:1= 0
8:2= 4
10 : 5 = 2
8:8= 1
Laat je niet vangen!
Dit lukt ook. Vermenigvuldig of deel. ×
1
6
7
0
:
1
4
2
8
3
3
18
21
0
8
8
2
4
1
2
2
12
14
0
0
0
0
0
0
8
8
48
56
0
4
4
1
2
Lees en los op. a Papa speelt samen met 3 vrienden op de lotto. Deze week winnen ze niets. Hoeveel euro krijgt ieder? Bewerking: 0 : 4 = 0 Ieder krijgt
0
euro.
b Veronica heeft 7 zussen Die geeft ze elk één zoentje op de wang. Hoeveel zoentjes geeft Veronica? Bewerking: 7 × 1 = 7 Veronica geeft
7
zoentjes.
57
c Om 8 uur heeft agent Buster vier boeven gevat. Hij zet ze allemaal apart in een cel. Hoeveel cellen heeft hij nodig? Bewerking: 4 : 1 = 4 Hij heeft
4
cellen nodig.
d Met welke bewerking kun je snel berekenen hoeveel oefeningen hieronder staan? Bewerking: 10 × 5 = 50 Vul het antwoord hier in:
7
Race tegen de tijd. Los snel op. 6 × 8 = 48 0:3=
0
5 × 4 = 20 18 : 6 =
3
7 × 5 = 35
3
5 × 10 = 50 2:1=
2
0×6=
0
30 : 3 = 10
0
9 × 3 = 27
12 : 2 =
6
16 : 8 =
10 × 5 = 50 63 : 9 =
7
1×1=
1
8:4=
2 0
0
4×1=
20 : 10 =
2
3 × 8 = 24
7×0=
10 : 1 = 10
90 : 9 = 10
25 : 5 =
5
6 × 4 = 24
4
8×0=
10 × 0 =
9 × 8 = 72
1×5=
5
4 × 8 = 32
36 : 9 =
4
16 : 4 =
4
0×5=
0
3×2=
6
8
21 : 3 =
7
81 : 9 =
9
8×1=
8
32 : 4 =
64 : 8 =
8
7 × 2 = 14
9 × 6 = 54 0:4=
58
9:3=
0
9:9=
1
8 × 10 = 80
6 × 9 = 54
2
5 × 6 = 30 0:9=
0
4 × 3 = 12
Je haalde Dat is knap !
42 : 6 =
7
Bijna goed.
0×1=
0
Ooh, jammer !
/ 50 .
BLOK 10
LES 114 De wijzerklok lezen tot op een kwartier 1
Hoe laat is het? Noteer het. a Kleur eerst de hokjes bij de klokjes:
11
12
1 2
10
3
9
•
uur
•
halfuur
•
kwart voor
•
kwart over
8
11
4 7
12
1
10
11
8
12
1
8
5
.
6
1 2 3
8
5
4 7
Het is kwart over 1
.
9
4 7
12
10 3
9
4
Het is 11 uur
11 2
10 3
9
6
5
Het is kwart voor 12
2
7
6
.
6
5
Het is half 8
.
b Kijk en schrijf hoe laat het is. Het is
.
Het is
.
Het is
.
Het is
.
Het is
. Ik heb er
c
11
12
1
11 2
10
8
Het is half 11
6
11 2
8
5
.
6
2 3
8
5
Het is kwart over 6
1
9
4 7
12
10 3
9
4 7
1
10 3
9
12
juist!
4 7
.
Het is 2 uur
6
5
. 59
d
11
12
1
11 2
10
8 6
e
11
12
1
10
11
8
2
3 4 6
5
Het is half 1
.
.
Eerlijk of liegbeest? Kleur het juiste vakje. 11
12
1
11 2
10
8
4 7
6
12
1
5
11 2
10 3
9
60
2
7
Het is kwart voor 4
.
1
8
5
6
12
.
9
4 7
5
10 3
5
Het is kwart over 10
11 2
8
6
Het is kwart voor 1
1
9
4 6
12
4 7
.
10 3
9
8
Het is 8 uur
.
2 3
5
6
1
9
4 7
12
10 3
5
2
7
2
8
Het is kwart voor 9
11
9
4 7
1
10 3
9
12
8
4 7
6
1
5
11 2
10 3
9
12
8
4 7
6
1 2
10 3
9
12
5
3
9 8
4 7
6
5
Om half 6 maak ik mijn huiswerk.
Om kwart voor 6 vertrekken we met de auto naar de kermis.
Om half 7 kopen we daar een pakje friet.
Om kwart over 8 gaan we in het reuzenrad.
eerlijk liegbeest
eerlijk liegbeest
eerlijk liegbeest
eerlijk liegbeest
BLOK 10
3
Naar de kermis! Kijk in de tabel en beantwoord de vragen. tijd 11
12
attractie het reuzenrad
1 2
10
3
9 8
4 7
11
6
12
5
eendjes vissen
1 2
10
3
9 8
4 7
11
6
12
5
het frietkraam
1 2
10
3
9 8
4 7
11
6
12
5
ballen gooien
1 2
10
3
9 8
4 7
11
6
12
5
de draaimolen
1 2
10
3
9 8
4 7
6
5
Om hoe laat opent het frietkraam?
om kwart over 4
•
Welke attractie opent als eerste?
eendjes vissen
•
Welke attractie opent om half 5?
het reuzenrad
•
Welke attractie opent om kwart over 4? het frietkraam
•
Welke attractie opent als laatste?
a •
ballen gooien
b Kan het wel of niet? Kleur het hokje groen of rood. op het reuzenrad
ballen gooien
eendjes vissen
op de draaimolen
friet eten
naar huis
61
LES 115 Blokkenbouwsels maken 1
Kies 2 foto’s en 2 tekeningen en bouw de bouwsels na. •
Kruis je keuze aan in het rondje bovenaan.
•
Maak het bouwsel en noteer hoeveel blokjes je ervoor nodig hebt.
•
Klaar? Controleer zelf en laat dan ook je juf of meester controleren: goed of fout?
a
b
Dit bouwsel telt
Dit bouwsel telt
11 blokjes.
11 blokjes.
8 blokjes.
Ik controleer:
Ik controleer:
Ik controleer:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
d
62
c
e
Dit bouwsel telt
Dit bouwsel telt
20 blokjes.
20 blokjes.
Ik controleer:
Ik controleer:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
Dit bouwsel telt
BLOK 10
f
g
h
Dit bouwsel telt
Dit bouwsel telt
Dit bouwsel telt
7 blokjes.
16 blokjes.
9 blokjes.
Ik controleer:
Ik controleer:
Ik controleer:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
i
j
Dit bouwsel telt
Dit bouwsel telt
13 blokjes.
17 blokjes.
Ik controleer:
Ik controleer:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
63
2
Kruis 2 beschrijvingen naar keuze aan. Voer de opdrachten uit. Klaar? Controleer je werk door de beschrijving opnieuw te lezen. Kleur het bolletje groen (goed) of rood (fout). a
• • • •
Maak een toren van 3 blokjes. Links en rechts ernaast zet je 2 blokjes op elkaar. Voor de hoogste toren stapel je 3 blokjes op elkaar. Links daarvan zet je 1 blokje. Dit bouwsel telt 11 blokjes.
b
•
•
Stapel 5 blokjes op elkaar, met daarvoor 4 blokjes, en daarvoor weer 5 blokjes. Links en rechts naast de toren van 4 plaats je een toren van 3 blokjes. Dit bouwsel telt 20 blokjes.
Ik controleer: c
• •
•
Ik controleer:
Maak 4 torens van 2 blokjes naast elkaar. Achter de meest linkse en de meest rechtse toren maak je een toren van 3 blokjes. Voor de 2 middelste torens van 2 blokjes plaats je telkens 1 blokje.
Stapelen maar!
Dit bouwsel telt 16 blokjes. Ik controleer:
Diploma Naam:
uit klas: kan bouwsels nabouwen van een foto, kan bouwsels nabouwen van een tekening, kan bouwsels nabouwen van een beschrijving, kan fijn samenwerken, durft al eens een uitdaging aangaan.
64
BLOK 10
LES 116 Optellen tot 100 1
Los juist op. Kleur het vinkje als je alles juist hebt. 48 + 30 = 78
a
2
16 + 80 = 96
92 + 8 = 100
34 + 50 = 84
63 + 7 = 70
51 + 40 = 91
41 + 9 = 50
63 + 20 = 83
84 + 6 = 90
30 + 6 = 36
c
56 + 4 = 60
b
32 + 8 = 40
d
20 + 1 = 21
47 + 3 = 50
90 + 4 = 94
96 + 4 = 100
60 + 5 = 65
11 + 9 = 20
50 + 6 = 56
85 + 5 = 90
Los juist op en stuur een kaartje. Alles juist? Zet je naam op het kaartje, kleur de postzegel en kies opnieuw. a 58 + 4 = 62 60
2 2
79 + 5 = 84 80
1 4
37 + 8 = 45 40
3 5
56 + 9 = 65 60
4 5
65
b 6 + 27 = 27 + 6 = 33 30
3 3
8 + 63 = 63 + 8 = 71 70 7 1
c 46 + 19 = 56 + 9 = 65 56 10 9
60 4 5
28 + 68 = 88 + 8 = 96 88 60 8
90 2 6
35 + 57 = 85 + 7 = 92 85 50 7
66
90 5 2
3 + 39 = 39 + 3 = 42 40 1 2
7 + 55 = 55 + 7 = 62 60 5 2
54 + 37 = 84 + 7 = 91 84 30 7 90 6 1
15 + 66 = 75 + 6 = 81 75 60 6 80 5 1
69 + 13 = 79 + 3 = 82 79 10 3 80 1 2
BLOK 10
d •
Flavia reist naar Turkije. Ze betaalt 58 euro voor een vliegtuigticket en 25 euro toegang voor de Blauwe Moskee. Hoeveel euro is dat samen? Bewerking: 25 + 58 = 75 + 8 = 83 75 50 8 80 5 3
Dat is samen 83 euro. •
Flavia bezoekt een museum. In zaal 1 hangen 46 schilderijen. In zaal 2 hangen er 15 meer. Hoeveel schilderijen hangen er in zaal 2? Bewerking: 46 + 15 = 56 + 5 = 61 56 10 5 60 4 1
In zaal 2 hangen 61 schilderijen.
e In Rome maakt meester Bas 25 foto’s, in Parijs 36 foto’s en in Brussel 19 foto’s. Hoeveel foto’s zijn dat samen? Bewerking: 25 + 36 + 19 = 80
Dat zijn samen 80 foto’s.
67
LES 117 Aftrekken tot 100 1
Los op. Kleur het vinkje als je alles juist hebt. a
c
79 − 20 = 59
b
46 − 6 = 40
62 − 30 = 32
81 − 1 = 80
84 − 40 = 44
97 − 7 = 90
95 − 70 = 25
58 − 8 = 50
53 − 10 = 43
73 − 3 = 70
49 − 9 = 40
d
80 − 7 = 73
72 − 2 = 70
60 − 1 = 59
96 − 6 = 90
70 − 4 = 66
88 − 8 = 80
90 − 8 = 82
34 − 4 = 30
40 − 5 = 35
Alle klusjes achter de rug? Dan mag je nu ‘je eigen zin’ doen!
2
Kies wat jij het liefst doet om je te ontspannen en los de opgaven op. Alles juist? Kleur het vinkje en kies opnieuw. a
62 − 8 = 54 60
2 6
37 − 9 = 28 30
7 2
84 − 5 = 79 80
4 1
91 − 3 = 88 90 68
1 2
LEZEN
BLOK 10
b
SPELEN
51 − 48 = 11 − 8 = 3 11 40 8
86 − 27 = 66 20 7
10 1 7 66 − 7 = 59 60 6 1
42 − 35 = 12 − 5 = 7 12 30 5
10 2 3
74 − 16 = 64 − 6 = 58 64 10 6
c
63 − 54 = 13 50 4
82 − 19 = 72 10 9
76 − 48 = 36 40 8
91 − 33 = 61 30 3
d
13 − 4 = 9
60 4 2
TV-KIJKEN
10 3 1 72 − 9 = 63 70 2 7 36 − 8 = 28 30 6 2 61 − 3 = 58 60 1 2
Het boek van Marie telt 55 blaadjes. Marie moet nog 18 blaadjes lezen. Bij welke bladzijde is ze nu?
Lou was 32 dagen met vakantie. 28 dagen daarvan regende het. Hoeveel dagen scheen de zon?
Bewerking: 55 − 18 = 45 − 8 = 37
Bewerking: 32 − 28 = 12 − 8 = 4
45 10 8 40 5 3
Marie is bij bladzijde 37 .
12 20 8 10 2 6
De zon scheen
4
dagen.
LUIEREN
69
e
Ali heeft net 25 punten gescoord op zijn computerspel. Nu heeft hij 92 punten. Hoeveel punten had Ali eerst?
Lin maakt een peperkoeken huisje. Van de 51 snoepjes, heeft ze er 7 over. Hoeveel snoepjes heeft Lin gebruikt?
Bewerking: 92 − 25 = 72 − 5 = 67
Bewerking: 51 − 7 = 44
72 20 5
70 2 3
50 1 6
Eerst had Ali 67 punten.
Lin heeft 44 snoepjes gebruikt. KNUTSELEN
f
Pol kijkt tv. Hij ziet eerst een tekenfilm van 28 minuten, dan een show van 25 minuten en daarna een dierenfilm van 22 minuten. Hoeveel minuten zit Pol voor de tv?
Femke ligt al 45 minuten in de hangmat. Na 18 minuten viel ze in slaap. Hoeveel minuten was Femke wakker?
Bewerking: 28 + 25 + 22 = 75
Bewerking: 45 − 18 = 35 − 8 = 27 35 10 8
Pol zit 75 minuten voor de tv.
Femke was 27 minuten wakker.
Kies nu zelf hoe je je vrije tijd wilt doorbrengen.
70
30 5 3
LES 118 − HERHALING
Wat heb ik geleerd in blok 10?
Getallenkennis les nr.
herhaling nr.
112
1
les nr.
herhaling nr.
de maal- en deeltafels van 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 oplossen.
109, 110
2
de maal- en deeltafel van 1 en de maaltafel van 0 oplossen.
113
2
vermenigvuldigen met 1 en 0 en delen door 1.
113
2
optellen tot 100 met brug.
116
3
aftrekken tot 100 met brug.
117
4
109, 110, 113, 116, 117
5
les nr.
herhaling nr.
de wijzerklok aflezen tot op een kwartier nauwkeurig.
114
6
een geschikt meetinstrument uitkiezen om een lengte, inhoud of gewicht mee te meten.
111
7
een passende maat kiezen om een lengte, inhoud of gewicht mee uit te drukken.
111
7
de lengte van lijnstukken meten en lijnstukken met een bepaalde lengte tekenen.
111
8
les nr.
herhaling nr.
115
9
Ik kan: hoeveelheden handig schatten. Bewerkingen Ik kan:
eenvoudige vraagstukken oplossen.
Meten en metend rekenen Ik kan:
Meetkunde Ik kan: blokkenbouwsels nabouwen van een foto, tekening of beschrijving.
Ik bedenk verschillende manieren om handig te schatten en test ze uit. Ik geloof in mezelf en leer uit mijn foutjes. Ik houd me aan de afspraken wanneer ik met de blokjes werk. 71
1
Hoeveel vogels in de lucht? Maak een schatting. Ik schat: 50 vogels.
Ik maak een groepje (bv. van 10). → Dan schat ik hoeveel groepjes er zijn. Ik verdeel de tekening in vakken. → Ik tel het aantal in 1 vak en vermenigvuldig dat met het aantal vakken of tel op. Ik tel de vogels in 1 ‘rij’. → Dat getal vermenigvuldig ik met het aantal rijen of ik tel op.
2
Noteer het product of het quotiënt. a 7 × 9 = 63
10 × 9 = 90
18 : 9 =
2
36 : 9 =
4
9 × 9 = 81
81 : 9 =
9
54 : 9 =
6
5 × 9 = 45
6 × 9 = 54
63 : 9 =
7
72 : 9 =
8
3 × 9 = 27
4 × 9 = 36
0:9=
0
45 : 9 =
5
8 × 9 = 72
0×9=
9:9=
1
27 : 9 =
3
1×9=
72
9
0
b 8×0=
0
5:1=
5
10 × 0 =
0
42 : 1 = 42
4×0=
0
1:1=
1
38 × 1 = 38
7×1=
7
5×1=
5
15 : 1 = 15
18 : 3 =
6
2×3=
6
90 : 10 =
9
c
6 × 6 = 36 20 : 5 =
4
9 × 3 = 27 72 : 9 =
8
2 × 9 = 18
3
10 : 1 = 10
5 × 8 = 40 27 : 9 =
3
8 × 4 = 32 5:5=
1
25 × 1 = 25
2 × 8 = 16
72 : 8 =
9
10 × 6 = 60 0 : 10 =
0
5:1=
5
8 × 2 = 16
0×4=
0
12 : 4 =
3
Reken uit. Noteer de som. 9 + 66 = 75 15 + 47 = 62 84 + 9 = 93 6 + 35 = 41 78 + 18 = 96 27 + 26 = 53
4
Reken uit. Noteer het verschil. 62 − 5 = 57 48 − 39 =
9
91 − 3 = 88 75 − 18 = 57 54 − 6 = 48 83 − 38 = 45
73
5
Lees en los op. a Timo bakt 100 koekjes. Hij stopt ze per 10 in een zakje. Hoeveel zakjes kan hij vullen? Bewerking: 100 ; 10 = 10
b Indra koopt een spel voor 43 euro. Mama legt 15 euro bij. Hoeveel euro moet ze zelf betalen?
Bewerking: 43 − 15 = 33 − 5 = 28 33 10 5 30 3 2
Timo kan 10 zakjes vullen.
c Daan koopt een wereldbol. Hij betaalt met 6 biljetten van 5 euro. Hoeveel euro betaalt hij?
euro zelf betalen.
d Meester Ali verdeelt 18 kinderen in 6 gelijke groepen. Hoeveel kinderen zijn er in elke groep?
Bewerking: 6 × 5 = 30
Bewerking: 18 : 6 = 3
Daan betaalt 30 euro.
In elke groep zijn er
e Lander spaart knikkers: rode en blauwe. Hij heeft er 85. 38 daarvan zijn rood. Hoeveel blauwe knikkers heeft hij?
Bewerking: 85 − 38 = 55 − 8 = 47 55 30 8 50 5 3
Hij heeft 47 blauwe knikkers.
74
Indra moet 28
3
kinderen.
f Doaa heeft 75 euro. Dat is 17 euro te weinig om een gitaar mee te kopen. Hoeveel euro kost de gitaar?
Bewerking: 75 + 17 = 85 + 7 = 92 85 10 7 90 5 2
De gitaar kost 92 euro.
6
Hoe laat is het? Noteer het. Kleur eerst de hokjes bij de klokjes.
•
uur
•
kwart voor
•
halfuur
•
kwart over
11
12
1
11 2
10
8 6
11 2
8
5
6
12
10
11
8
7
6
11 2 3
5
6
12
5
2
10
8 7
6
.
3 4 7
Het is 9 uur
5
2
8
5
6
1
9
4
4
Het is kwart over 3
10 3
9
12
3
7
.
11
2
8
Het is half 7
1
1
9
4 7
12
10
.
11
5
.
1
8
Het is kwart over 1
6
Het is half 11
9
4 7
12
10 3
9
4
.
1 2
3
5
.
11
2
8
Het is kwart voor 5
Het is 10 uur
1
9
4 7
12
10 3
9
4 7
1
10 3
9
12
6
5
Het is kwart voor 12 .
.
75
7
Een lengte, inhoud of gewicht meten a Waarmee meet je? Noteer de passende letter.
A
B
C
D
E
•
Ik heb 75 gram boter nodig om koekjes te bakken. → Ik meet met E .
•
Ik meet de breedte van dit werkschrift.
→ Ik meet met D .
•
Ik wil weten hoeveel sap er in 1 appelsien zit.
→ Ik meet met A .
b Vul in. Kies uit: meter (m), centimeter (cm), liter (l), centiliter (cl), kilogram (kg), gram (g).
Deze lat meet precies 1
76
m
Dit sneetje brood .
weegt 35
g
.
Deze fles bevat anderhalve
l
.
Deze kaars is 20 cm
In dit brikje kan
hoog.
20
Deze tros weegt een halve
8
kg
cl
Deze boekentas weegt
sap.
3
kg
.
In deze pollepel .
kan 15
cl
soep.
Meet of teken de lijnstukken. Dit lijnstuk meet A
10
B
cm.
Dit lijnstuk meet C
13
D
cm.
Teken een lijnstuk van 6 cm.
E
F
Teken een lijnstuk van 15 cm. G
H
77
9
Bouw deze blokkenbouwsels na. •
Noteer hoeveel blokjes je nodig hebt om het bouwsel te maken.
•
Klaar? Controleer zelf en laat dan ook je juf of meester controleren: goed of fout? b
a
c •
Dit bouwsel telt 24 blokjes.
Dit bouwsel telt 12 blokjes.
Ik controleer:
Ik controleer:
Juf/meester controleert:
Juf/meester controleert:
Maak een toren van 2 blokjes.
•
Links ernaast zet je 3 blokjes op elkaar.
•
Links daarvan maak je weer een toren van 2.
•
Voor de hoogste toren stapel je 2 blokjes op elkaar.
•
Rechts daarvan zet je 2 blokjes.
•
Voor de twee voorste torentjes van twee hoog, plaats je elk nog een blokje. Dit bouwsel telt 13 blokjes. Ik controleer: Juf/meester controleert:
78
1
Noteer bij elke prent het juiste getal. Bedenk dan een oefening die dat getal als product of quotiënt heeft.
→
6 = 3×2
→ 56 = 7 × 8
→ 18 = 6 × 3
→ 63 = 7 × 9
→ 25 = 5 × 5
→ 80 = 8 × 10
→ 40 = 5 × 8
→ 81 = 9 × 9
→ 42 = 7 × 6
→ 100 = 10 × 10
79
2
Kleur de weg naar school. Fiets enkel langs juiste antwoorden.
3
Meet of teken deze gebroken lijnen. Deze gebroken lijn meet 20 cm.
Deze gebroken lijn meet 15 cm.
Teken nu zelf een gebroken lijn van 18 cm.
80