Skip to main content

Reken Maar! 2: werkschrift C - correctiesleutel

Page 1

Reken

aar! 2

22/06: tussentijdse correcties uitgevoerd bij zetter ifv digitale update opgelet: HiRespdf nog op te vragen

We r k s c h r i f t C Correctiesleutel


Reken Maar! 2 Auteur: Leen Bresseleers Corrector: Kristof Sas

= meerdere oplossingen mogelijk

Bij sommige oefeningen is meer dan één correcte oplossing mogelijk, of kun je op verschillende manieren tot de juiste oplossing komen. Bij dat soort oefeningen zie je dit icoontje staan en wordt er meestal een mogelijke oplossing en/of oplossingsweg gegeven. Als leerlingen dan een afwijkend antwoord hebben, kunnen ze dat het best even laten controleren.

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. ­Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De ­vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming ­kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet ­bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2017 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. Coverontwerp: Banananas Covertekening: Frieda Van Raevels Lay-outconcept: Michelangela, Utrecht Vormgeving en opmaak: PPMP Prepress Tekeningen: Aimée de Jongh Tekeningen bollobo’s: Frieda Van Raevels Eerste druk, eerste bijdruk 2018 978-90-306-8139-7 ISBN 978-90-306-8138-0 D/2017/0078/99 D/2017/0078/105 568869/02 Art. 568868/02 NUR 192


BLOK 5


BLOK 5

INSTAPLES

Hier zie je de 10 hoofdverdachten. Verzamel tips en zoek de dader. Maak eerst je spionnenboekje klaar voor gebruik. Kleur na elke tip het balkje rood bij de personen die niet langer verdacht zijn.

1

2

4

de burgemeester

de agent

de bakker

de dokter

de meester

de kapper

de bankdirecteur

de landbouwer

de postbode

de boef

Verdien hier de tip van maandag. Noteer het product of het quotiënt. 4×2= 8

5 × 10 = 50

100 : 10 = 10

30 : 10 = 3

70 : 10 = 7

16 : 2 = 8

90 : 10 = 9

7 × 2 = 14

3×2= 6

6 × 10 = 60

12 : 2 = 6

2 × 10 = 20

10 : 2 = 5

10 × 2 = 20

0 : 10 = 0

40 : 10 = 4

8 × 10 = 80

12 : 2 = 6

Verdien hier de tip van dinsdag. Noteer de som of het verschil. 20 + 40 = 60

70 − 10 = 60

60 + 20 = 80

60 + 30 = 90

50 − 30 = 20

30 − 20 = 10

50 + 10 = 60

90 − 40 = 50

10 + 70 = 80

30 + 40 = 70

80 − 80 = 0

60 − 40 = 20

80 + 10 = 90

50 − 20 = 30

30 + 60 = 90

20 + 50 = 70

60 − 50 = 10

50 − 10 = 40


3

Verdien hier de tip van woensdag. Hoe laat is het? 11

12

1

11 2

10

8 6

5

6

1

11 2

8

5

Het is 11 uur.

6

1 2 3

9 8

4 7

12

10 3

9

4 7

12

10 3

8

5

Het is 3 uur.

4

11 2

9

4 7

1

10 3

9

12

5

4 7

Het is half 8 .

6

5

Het is 7 uur.

Verdien hier de tip van donderdag. Noteer de som of het verschil. 30 + 5 = 35

7 + 60 = 67

26 − 10 = 16

33 − 20 = 13

90 + 1 = 91

4 + 40 = 44

59 − 40 = 19

84 − 50 = 34

50 + 8 = 58

2 + 10 = 12

45 − 30 = 15

62 − 30 = 32

20 + 4 = 24

8 + 90 = 98

98 − 60 = 38

57 − 10 = 47

60 + 3 = 63

6 + 70 = 76

75 − 70 = 5

95 − 40 = 55

Verdien hier de tip van vrijdag. Zoek het antwoord op de weekkalender. M

D

maandag

dinsdag

W

D

woensdag donderdag

V

Z

Z

vrijdag

zaterdag

zondag

Mia eet een appel. Wat at ze gisteren als tienuurtje?

koekjes

Wat eet ze morgen?

een ananas

Als het vandaag woensdag is, welke dag is het dan morgen? donderdag Als het gisteren zondag was, welke dag is het dan vandaag? maandag

6

Verdien hier de tip van zaterdag. Hoeveel keer slapen nog? Vandaag is het maandag. Nog 3 keer slapen tot Mia een koek eet als tienuurtje. Nog 5 keer slapen tot ze ananas eet als tienuurtje. Nog 4 keer slapen tot het vrijdag is. Nog 7 keer slapen tot het weer maandag is. 5


LES 49 1

2

De maaltafel van 5 ontdekken en inoefenen

Even opfrissen. Los op. 9 × 10 = 90

7 × 10 = 70

20 : 10 = 2

80 : 10 = 8

100 : 10 = 10

3 × 10 = 30

4 × 10 = 40

50 : 10 = 5

0 × 10 = 0

6 × 10 = 60

�� haal��  Dat i� kna p!   Bijna g�ed.

�ep�! Jam� er.

Kijk en vul in. b

a

5 + 5 + 5 + 5 + 5 + 5 + 5 = 35

5 + 5 + 5 + 5 + 5 + 5 = 30

7 keer 5 is 35 .

6 keer 5 is 30 .

7 maal 5 is 35 .

6 maal 5 is 30 .

7 × 5 = 35 c

6

/ 10.

6 × 5 = 30 d

5 + 5 + 5 = 15

5 + 5 + 5 + 5 = 20

3 keer 5 is 15 .

4 keer 5 is 20 .

3 maal 5 is 15 .

4 maal 5 is 20 .

3 × 5 = 15

4 × 5 = 20


BLOK 5

3

Kijk of kleur de handschoenen en vul in. 9 × 5 = 45

5 × 5 = 25

8 × 5 = 40

4

De maaltafel van 5. Vul in. a

0×5= 0

6 × 5 = 30

3 × 5 = 15

4 × 5 = 20

1×5= 5

7 × 5 = 35

1×5= 5

8 × 5 = 40

2 × 5 = 10

8 × 5 = 40

10 × 5 = 50

6 × 5 = 30

3 × 5 = 15

9 × 5 = 45

0×5= 0

5 × 5 = 25

4 × 5 = 20

10 × 5 = 50

9 × 5 = 45

2 × 5 = 10

b

7 × 5 = 35

5 × 5 = 25

5

Tel met sprongen van 5. 0

6

5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

Los op. 6 × 10 = 60

1×5= 5

8 × 10 = 80

7 × 2 = 14

6 × 5 = 30

7 × 10 = 70

3 × 5 = 15

0×5= 0

2 × 10 = 20

0×2= 0

2×2= 4

4 × 10 = 40

2 × 5 = 10

9 × 5 = 45

10 × 10 = 100

8 × 2 = 16

5 × 10 = 50

1 × 10 = 10

2 × 5 = 10

4 × 5 = 20

5 × 5 = 25

3×2= 6

9 × 2 = 18

3 × 10 = 30 7


7

Lees en los op. a De papa van Mo bakt pannenkoeken voor de hele klas. Mo koopt 4 dozen met 10 eitjes. Hoeveel eitjes zijn dat? Bewerking: 4 × 10 = 40 Dat zijn 40 eitjes.

Mil spaart dierenkaarten. Hij krijgt van opa 8 pakjes met 5 kaarten. Hoeveel kaarten zijn dat samen? Bewerking: 8 × 5 = 40 Dat zijn samen 40 kaarten.

b Elke dag leest Alice 5 minuten in haar leesboek. Hoeveel minuten leest ze elke week? Bewerking: 7 × 5 = 35 Ze leest elke week 35 minuten.

Op zeeklassen telt elke kamer 4 stapelbedden. Hoeveel kindjes kunnen er in één kamer slapen? Bewerking: 4 × 2 = 8 Er kunnen 8 kindjes in één kamer slapen. 8


BLOK 5

LES 50 1

2

De deeltafel van 5 ontdekken en inoefenen

Ken je de maaltafel goed? Los op. 7 × 5 = 35

6 × 5 = 30

8 × 5 = 40

2 × 5 = 10

10 × 5 = 50

3 × 5 = 15

5 × 5 = 25

9 × 5 = 45

1×5= 5

4 × 5 = 20

�� haal��

/ 10.

Dat i� kna p!   Bijna g�ed.   �ep�! Jam� er.

Verdeel. Omkring en vul in.

10 : 5 = 2 10 gedeeld door 5 is 2 .

20 : 5 = 4 20 gedeeld door 5 is 4 .

25 : 5 = 5 25 gedeeld door 5 is 5 .

35 : 5 = 7 35 gedeeld door 5 is 7 .

9


3

De deeltafel van 5. Noteer het quotiënt.

a

4

10

0:5= 0

b 20 : 5 = 4

5:5= 1

30 : 5 = 6

10 : 5 = 2

0:5= 0

15 : 5 = 3

35 : 5 = 7

20 : 5 = 4

45 : 5 = 9

25 : 5 = 5

5:5= 1

30 : 5 = 6

15 : 5 = 3

35 : 5 = 7

50 : 5 = 10

40 : 5 = 8

40 : 5 = 8

45 : 5 = 9

25 : 5 = 5

50 : 5 = 10

10 : 5 = 2

De maal- en deeltafel van 5. Los op. 15 : 5 = 3

45 : 5 = 9

6 × 5 = 30

30 : 5 = 6

7 × 5 = 35

0×5= 0

5 × 5 = 25

40 : 5 = 8

25 : 5 = 5

2 × 5 = 10

3 × 5 = 15

10 × 5 = 50

35 : 5 = 7

5:5= 1

1×5= 5

0:5= 0

50 : 5 = 10

10 : 5 = 2


BLOK 5

5

6

7

Alle maaltafels door elkaar. Los op. 9 × 10 = 90

0×5= 0

3 × 5 = 15

8 × 5 = 40

7 × 2 = 14

4×2= 8

2×2= 4

10 × 10 = 100

7 × 10 = 70

4 × 10 = 40

3 × 5 = 15

10 × 5 = 50

9 × 5 = 45

9 × 2 = 18

8 × 2 = 16

1×2= 2

1 × 10 = 10

0 × 10 = 0

Alle deeltafels door elkaar. Los op. 90 : 10 = 9

5:5= 1

15 : 5 = 3

40 : 5 = 8

14 : 2 = 7

8:2= 4

4:2= 2

100 : 10 = 10

70 : 10 = 7

40 : 10 = 4

15 : 5 = 3

50 : 5 = 10

0:2= 0

18 : 2 = 9

0 : 10 = 0

45 : 5 = 9

10 : 10 = 1

16 : 2 = 8

Lees en los op. a 10 vrienden spelen samen voetbal. Ze maken 2 gelijke ploegen. Hoeveel spelers telt elke ploeg? :2=5 Bewerking: 10

Elke ploeg telt 5 spelers.

b Papa doet de was. Hij sorteert 18 sokken mooi per paar. Hoeveel paar sokken zijn dat? :2=9 Bewerking: 18

Dat zijn 9 paar sokken. 11


LES 51 1

Betalen met euro en cent

Kruis de juiste waarde aan. Nummer elke rij van meer naar minder waarde. • Wat de meeste waarde heeft, krijgt nummer 1. • Wat de minste waarde heeft, krijgt nummer 4. a

5 euro   5 cent

2

50 euro   50 cent

3

10 euro   10 cent

1

20 euro   20 cent

4

2 euro   2 cent

3

50 euro   50 cent

1

20 euro   20 cent

2

10 euro   10 cent

4

b

2

Hoeveel gespaard? Vul het bedrag in. a

b

32 euro 60 cent

c

d

75 euro 75 cent 12

0 euro 87 cent

1 euro 0 cent


BLOK 5

3

Maak je keuze uit de speelgoedwinkel en betaal. • Kijk naar het winkeltje. Kies twee dingen. • Betaal gepast. Omkring de briefjes en de munten die je nodig hebt.  • Tel nog eens na. Helemaal juist? • Ruil dan je werkschrift met je buur. a

4

b

Tel na wat je buur betaald heeft en vul in. • Welkom in het werkschrift van je buur. Tel het geld in oefening 3. Welk bedrag ligt er? Schrijf het hier op. a

b euro en

cent

euro en

cent

• Kijk terug naar de speelgoedwinkel. Wat heeft je buur gekocht? Schrijf het hier op. a

b

• Dit werkschrift mist zijn baasje! Geef het terug aan je buur.

13


LES 52 1

2

Tellen met sprongen van 1, 2, 5 en 10

Even opfrissen. Maak de rijtjes af. tafel van 2

0

2

4

6

8

10

12

14

16

18

20

tafel van 5

0

5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

tafel van 10

0

10

20

30

40

50

60

70

80

90

100

Help de kikker naar de overkant. Spring van steen naar steen. • Zet een stip in sprongen van 1. Begin bij 40. • Zet een kruisje in sprongen van 2. Begin bij 30. • Teken een bloempje in sprongen van 5. Begin bij 15. • Kleur sprongen van 10 groen. Begin bij 20.

42 41

44

52

✿ 45

43

51

46 48

✿ 40

36 38

47

✿ 50

49

✿ 55

34

60 ✿

✿ 35

65 ✿ 32 ✿

30

70 ✿ 25 ✿

20 ✿ 15 ✿

14

75 ✿ 80 ✿


BLOK 5

3

4

Eerst samen. Tel verder of tel terug. Noteer de getallen op de vlaggetjes.

80

70

60

50

40

30

42

44

46

48

50

52

65

70

75

80

85

90

92

91

90

89

88

87

Nu alleen! Tel verder of tel terug. Vul de rijtjes aan. a

b

78

76

74

72

70

68

66

64

62

60

65

70

75

80

85

90

95

100

46

47

48

49

50

51

52

53

54

100

90

80

70

60

50

40

30

20

85

75

65

55

45

35

25

15

5

53

55

57

59

61

63

65

67

69

45

40

35

30

25

20

15

10

5 15


5

Kleur de hokjes zoals gevraagd. Met de letters die je niet kleurde vorm je (van klein naar groot) dit woord:

P

S R D

L

A

k! prachtwer

E C

M

H W

T

L

E

U E

O R

?

I

K B

16

D

Kleur hokje 10 groen. Spring en kleur per 10 verder tot 50.

Kleur hokje 75 oranje. Spring en kleur per 5 verder tot 100.

Kleur hokje 62 blauw. Spring en kleur per 2 verder tot 70.

Kleur hokje 82 paars. Spring en kleur per 2 verder tot 88.

Kleur hokje 55 geel. Spring en kleur per 1 verder tot 60.

Kleur hokje 22 rood. Spring en kleur per 1 verder tot 27.

S !


BLOK 5

LES 53 1

Werken met een kalender

Zoek de antwoorden op de jaarkalender.

M

januari D W D V

M

mei D W D V

Z 1 3 4 5 6 7 8 10 11 12 13 14 15 17 18 19 20 21 22 24 25 26 27 28 29 31

Z 2 9 16 23 30

Z 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31

M 5 12 19 26

september D W D V 1 2 6 7 8 9 13 14 15 16 20 21 22 23 27 28 29 30

Z

Z 3 10 17 24

Z 4 11 18 25

M

D 1 7 8 14 15 21 22 28

februari W D V 2 3 4 9 10 11 16 17 18 23 24 25

M

D W 1 6 7 8 13 14 15 20 21 22 27 28 29

M 3 10 17 24 31

juni D 2 9 16 23 30

V 3 10 17 24

oktober D W D V 4 11 18 25

5 12 19 26

6 13 20 27

7 14 21 28

Z 5 12 19 26

Z 6 13 20 27

D 1 7 8 14 15 21 22 28 29

Z 4 11 18 25

Z 5 12 19 26

M

Z 1 8 15 22 29

Z 2 9 16 23 30

a Wat is de eerste maand van het jaar?

M

4 11 18 25

M 7 14 21 28

W 2 9 16 23 30

maart D V 3 4 10 11 17 18 24 25 31

juli D W D V 1 5 6 7 8 12 13 14 15 19 20 21 22 26 27 28 29

D 1 8 15 22 29

november W D V 2 3 4 9 10 11 16 17 18 23 24 25 30

Z 5 12 19 26

Z 6 13 20 27

april D W D V 1 4 5 6 7 8 11 12 13 14 15 18 19 20 21 22 25 26 27 28 29

Z 2 9 16 23 30

Z 3 10 17 24 31

M 1 8 15 22 29

Z 5 12 19 26

Z 6 13 20 27

M

M

5 12 19 26

D 2 9 16 23 30

augustus W D V 3 4 5 10 11 12 17 18 19 24 25 26 31

december D W D V 1 2 6 7 8 9 13 14 15 16 20 21 22 23 27 28 29 30

Z 2 9 16 23 30

Z 3 10 17 24

Z 6 13 20 27

Z 7 14 21 28

Z 3 10 17 24 31

Z 4 11 18 25

b Wat is de laatste maand van het jaar?

januari

december

In welke maand zijn we nu?

Welke maand komt net na juli?

augustus

Welke maand is net voorbij?

Welke maand komt na augustus?

september

Welke maand komt eraan?

In welke maand ben jij jarig?

17


2

3

4

Zoek en kleur deze datums op de jaarkalender. • Het begin van de lente:

maan dag 21 maart.

• Het begin van de zomer:

dins dag 21 juni.

• Het begin van de herfst:

woens dag 21 september.

• Het begin van de winter:

woens dag 21 december.

Zoek deze datums op de jaarkalender. Noteer ze voluit.

dinsdag

4 oktober

20 xx

vrijdag

1 april

20xx

maandag

14 februari

20xx

vrijdag

1 juli

20xx

Kijk op de jaarkalender van oefening 1. Vul de juiste datum in. a Vandaag is het maandag 4 juli. Welke dag was het gisteren?

18

b Vandaag is het zondag 20 maart. Welke dag is het overmorgen?

zondag 3 juli

dinsdag 22 maart

Vandaag is het zaterdag 19 november. Welke dag is het overmorgen?

Gisteren was het donderdag 14 april. Welke dag is het overmorgen?

maandag 21 november

zondag 17 april

Vandaag is het maandag 9 mei. Welke datum is het volgende maandag?

Vandaag is het vrijdag 11 november. Welke datum was het vorige vrijdag?

maandag 16 mei

vrijdag 4 november


BLOK 5

5

Hoelang nog? Zoek het op de maandkalender en vul aan. augustus M

D

W

D

V

Z

Z

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

Vandaag is het zondag 3 augustus. Nog 4 keer slapen tot de voetbalwedstrijd. Nog 8 keer slapen en ik mag naar oma. Nog 11 keer slapen tot Cas komt spelen.

Vandaag is het dinsdag 19 augustus. Nog 5 keer slapen tot mijn verjaardag. Nog 11 keer slapen en ik ga naar zee. Nog 13 keer slapen tot de school begint.

Er zitten 18 dagen tussen het feestje bij oma en de uitstap naar zee. Er zitten 16 dagen tussen de voetbalwedstrijd en mijn verjaardag.

19


LES 54

De wijzerklok aflezen tot op een halfuur Tijdsduur bepalen

uur 11

12

1 2

2

8

3

9 3

9

8

4 7

4 6

1

10

10

7

12

11

5

6

5

half

Dit is een wijzerklok. uur

De kleine wijzer duidt het

aan.

Als de grote wijzer op 12 staat, geeft de klok een heel uur aan. Als de grote wijzer op 6 staat, geeft de klok een halfuur aan.

1

De dag van Aadi. Hoe laat is het? Vul aan. 11

12

1

11 2

10

3

9 8 6

20

11 2

.

Het is

6

2 3

8

5

8 uur

1

9

4 7

12

10 3

8

5

Het is half 8

1

9

4 7

12

10

4 7

.

6

5

Het is half 9

.


BLOK 5

12

11

1

11 2

10

3

9 8 6

12

1

11

3

9 8

2

3

Het is

.

11

3

12

2 3

8

4 7

.

.

1

9

5

Het is half 7

.

5

10

4 6

6

Het is half 2

1

8

5 uur

.

2

7

3 4 7

9

5

6

12

2

9

5

10

4 7

4 uur

Het is

11 2

1

8

Het is 12 uur

.

1

8

5

3

6

12

10

4 7

9

4 6

12

11 2

9

5

10

1

8

Het is half 11

.

2

7

3

6

12

10

4 7

Het is 10 uur 11

11 2

8

5

10

1

9

4 7

12

10

6

5

Het is half 8

.

Hoelang duurt het? Reken uit en schrijf op. Gebruik je klokje, als je dat handig vindt. a 11

12

1

11 2

10

8 6

2 uur

3 8

5

4 7

De film start om

2

9

4 7

1

10 3

9

12

6

5

De film eindigt om .

4 uur

De film duurt .

2 uur

.

21


11

12

1

11 2

10

8 6

3 8

5

4 7

Koekjes in de oven om 3 uur

2

9

4 7

1

10 3

9

12

.

6

5

Koekjes uit de oven om half 4

.

Koekjes bakken duurt

een halfuur

.

b 11

12

1

11 2

10

8 6

3 8

5

4 7

De speeltijd start om 10 uur

2

9

4 7

1

10 3

9

12

6

5

De speeltijd eindigt om .

half 11

.

De speeltijd duurt

een halfuur

.

11

12

1

11 2

10

8 6

22

half 5

3 8

5

4 7

De training start om

2

9

4 7

1

10 3

9

12

6

5

De training eindigt om .

half 6

.

De training duurt

1 uur

.


BLOK 5

LES 55 1

2

Optellen tot 100

Even opfrissen. Los snel op. 30 + 50 = 80

80 + 4 = 84

6 + 30 = 36

20 + 60 = 80

60 + 5 = 65

20 + 70 = 90

10 + 90 = 100

3 + 40 = 43

30 + 4 = 34

40 + 30 = 70

1 + 70 = 71

7 + 50 = 57

Teken de optellingen. Noteer de som. a

b

27 + 2 = 29

3

4

43 + 7 = 50

31 + 5 = 36

92 + 8 = 100

Noteer de som. Maak eerst de ‘kleine optelling’ als je dat nodig vindt. 3+2= 5

6+3= 9

1 + 9 = 10

43 + 2 = 45

56 + 3 = 59

61 + 9 = 70

6 + 4 = 10

8 + 2 = 10

3+5= 8

96 + 4 = 100

28 + 2 = 30

83 + 5 = 88

Zo lukt het ook. Noteer de som. a 72 + 6 = 78

35 + 5 = 40

51 + 4 = 55

64 + 3 = 67

54 + 2 = 56

66 + 2 = 68

28 + 1 = 29

92 + 7 = 99

83 + 6 = 89

46 + 4 = 50

14 + 3 = 17

97 + 3 = 100

23


5

b 5 + 42 = 47

8 + 92 = 100

2 + 64 = 66

3 + 26 = 29

5 + 43 = 48

7 + 71 = 78

1 + 59 = 60

4 + 35 = 39

6 + 54 = 60

c 63 + 7 = 70

3 + 73 = 76

1 + 97 = 98

3 + 73 = 76

4 + 64 = 68

47 + 0 = 47

4 + 64 = 68

78 + 2 = 80

42 + 8 = 50

78 + 2 = 80

51 + 3 = 54

2 + 73 = 75

51 + 3 = 54

5 + 31 = 36

84 + 4 = 88

Alles door elkaar. Noteer de som. 30 + 70 =

100

5 + 84 =

89

54 + 2 =

56

37 + 3 =

40

80 + 8 =

88

2 + 46 =

48

9 + 21 =

30

1 + 50 =

51

7 + 70 =

77

9 + 91 =

100

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!   Goed hoor!   Nog even oefenen!

24


BLOK 5

6

Lees en los op. a Eli is 8 jaar. Zijn opa is precies 60 jaar ouder. Hoe oud is de opa van Eli? Bewerking: 8 + 60 = 68 De opa van Eli is 68 jaar.

b Op de trein zitten 32 passagiers. Er stappen nog 7 passagiers op. Hoeveel mensen zitten er nu op de trein? Bewerking: 32 + 7 = 39 Er zitten nu 39 mensen op de trein.

c Vandaag is het 23 januari. Over een week ben ik jarig. Welke datum is het dan? Bewerking: 23 + 7 = 30 Dan is het 30 januari.

7

Ga jij de uitdaging aan? Los op. 4 + 41 + 2 = 47

34 + 6 + 10 = 50

55 + 2 + 1 = 58

10 + 60 + 7 = 77

8 + 42 + 50 = 100

9 + 40 + 1 = 50

20 + 7 + 30 = 57

4 + 32 + 3 = 39

5 + 50 + 5 = 60

7 + 70 + 20 = 97

25


LES 56 1

2

Optellen tot 100

Even opfrissen. Los op. 60 + 20 = 80

7 + 50 = 57

6 + 51 = 57

30 + 70 = 100

5 + 40 = 45

9 + 41 = 50

50 + 10 = 60

9 + 60 = 69

7 + 23 = 30

90 + 8 = 98

52 + 8 = 60

70 + 6 = 76

35 + 4 = 39

40 + 8 = 48

76 + 2 = 78

Teken de optellingen. Noteer de som a

b

44 + 20 = 64

3

26

50 + 18 = 68

21 + 50 = 71

Zo lukt het ook. Noteer de som. a 37 + 50 = 87

23 + 60 = 83

51 + 40 = 91

18 + 30 = 48

81 + 10 = 91

26 + 60 = 86

52 + 10 = 62

33 + 20 = 53

63 + 30 = 93

46 + 40 = 86

16 + 50 = 66

79 + 10 = 89

25 + 20 = 45

44 + 30 = 74

47 + 50 = 97

30 + 35 = 65


BLOK 5

4

b 50 + 41 = 91

80 + 12 = 92

30 + 26 = 56

50 + 43 = 93

20 + 34 = 54

10 + 59 = 69

70 + 11 = 81

40 + 35 = 75

10 + 57 = 67

60 + 24 = 84

Hoeveel samen? 20

5

10

42

1

20

30

10

15

20

32

10

2

30

1

10

4

3

20

5

20

6

10

2

= 68

5

6

= 80

= 100

= 80

Alles door elkaar. Noteer de som. 64 + 30 =

94

6 + 70 =

76

20 + 80 =

100

30 + 21 =

51

7 + 43 =

50

42 + 6 =

48

50 + 2 =

52

55 + 30 =

85

11 + 70 =

81

6 + 94 =

100

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!   Goed hoor!   Nog even oefenen!

Lees en los op. a Er hangen nog 30 appels in de appelboom. Onder de boom liggen er 23. Hoeveel appels zijn dat in totaal? Bewerking: 30 + 23 = 53 Dat zijn in totaal 53 appels. 27


b Gisteren maakte Oscar 25 optellingen op bingel. Vandaag maakte hij 20 optellingen. Hoeveel optellingen zijn dat samen? Bewerking: 25 + 20 = 45 Dat zijn samen 45 optellingen.

c Naila plukt 25 madeliefjes. Rienske plukt er 5 meer. Hoeveel madeliefjes hebben ze samen? Bewerking: 25 + 30 = 55 Ze hebben samen 55 madeliefjes.

7

Vul de vlaggenlijn aan. Noteer de sommen.

+9

+ 13

11

+ 51 7

28

+7 33

20

+ 20 58

+ 60 40

+ 20 78

100

+2 98

100


BLOK 5

LES 57 1

2

Aftrekken tot 100

Even opfrissen. Los snel op. 80 − 20 = 60

57 − 30 = 27

100 − 20 = 80

100 − 70 = 30

66 − 60 = 6

38 − 30 = 8

90 − 10 = 80

81 − 40 = 41

94 − 70 = 24

50 − 40 = 10

75 − 50 = 25

80 − 80 = 0

Teken de aftrekkingen. Noteer het verschil. a

b

45 − 4 = 41

3

4

38 − 8 = 30

56 − 1 = 55

29 − 5 = 24

Noteer het verschil. Maak eerst de ‘kleine aftrekking’ als je dat nodig vindt. 7−6= 1

5−2= 3

8−2= 6

87 − 6 = 81

75 − 2 = 73

98 − 2 = 96

9−9= 0

6−5= 1

3−3= 0

59 − 9 = 50

66 − 5 = 61

43 − 3 = 40

Zo lukt het ook. Noteer het verschil. a 34 − 3 = 31

65 − 4 = 61

b 46 − 2 = 44

86 − 2 = 84

24 − 1 = 23

75 − 5 = 70

58 − 1 = 57

96 − 5 = 91

87 − 4 = 83

79 − 8 = 71

33 − 3 = 30

58 − 7 = 51

47 − 7 = 40

59 − 6 = 53

96 − 0 = 96 29


5

Teken de aftrekkingen. Noteer het verschil. a

b

40 − 7 = 33

6

7

30

30 − 4 = 26

100 − 1 = 99

Los op. 10 − 5 = 5

10 − 9 = 1

10 − 2 = 8

10 − 6 = 4

20 − 5 = 15

20 − 9 = 11

20 − 2 = 18

20 − 6 = 14

50 − 5 = 45

60 − 9 = 51

40 − 2 = 38

30 − 6 = 24

100 − 5 = 95

80 − 9 = 71

70 − 2 = 68

90 − 6 = 84

Zo lukt het ook. Noteer het verschil. a

8

100 − 3 = 97

70 − 3 = 67

100 − 7 = 93

b 60 − 3 = 57

90 − 4 = 86

50 − 6 = 44

30 − 8 = 22

100 − 9 = 91

30 − 5 = 25

80 − 6 = 74

80 − 8 = 72

60 − 3 = 57

100 − 1 = 99

Alles door elkaar. Noteer het verschil. 70 − 60 = 10

38 − 20 = 18

46 − 3 = 43

75 − 5 = 70

59 − 50 = 9

100 − 3 = 97

60 − 1 = 59

67 − 4 = 63

83 − 20 = 63

80 − 70 = 10

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!   Goed hoor!   Nog even oefenen!


BLOK 5

9

Lees en los op. a 40 leerlingen gaan op bosklassen. 9 van die leerlingen eten vegetarisch. Hoeveel leerlingen mogen vlees eten? Bewerking: 40 − 9 = 31 31 leerlingen mogen vlees eten.

b In de spaarpot van Sander zit 55 euro. Hij koopt een stripverhaal voor 4 euro. Hoeveel euro houdt hij over? Bewerking: 55 − 4 = 51

Sander houdt 51 euro over.

c De koning schrijft 100 brieven. Hij heeft 8 enveloppen te veel, maar 7 postzegels te kort. Hoeveel brieven kan hij versturen? − 7 = 93 Bewerking: 100

De koning kan 93 brieven versturen.

31


LES 58 – HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 5?

Getallenkennis les nr.

herhaling nr.

52

1

les nr.

herhaling nr.

de maal- en deeltafels van 5, 2 en 10 oplossen.

49, 50

2

optellen tot 100.

55, 56

3, 5

aftrekken tot 100.

57

4, 5

55, 56, 57

6

les nr.

herhaling nr.

de juiste waarde van munten en biljetten aanduiden en ze rangschikken van meer naar minder waarde.

51

7

het juiste bedrag noteren of inkleuren.

51

7

de maanden van het jaar benoemen.

53

8

een kalender gebruiken om te bepalen hoeveel dagen iets duurt.

53

9

de begrippen ‘vandaag, gisteren, morgen’ juist gebruiken.

53

9

de wijzerklok aflezen tot op een halfuur.

54

10

berekenen hoelang iets duurt in uren en halfuren.

54

10

Ik kan: tellen met sprongen van 1, 2, 5 of 10.

Bewerkingen Ik kan:

eenvoudige vraagstukken over optellen en aftrekken oplossen.

Meten en metend rekenen Ik kan:

Ik geloof in mezelf en ben niet bang om foutjes te maken. Ik durf al eens een uitdaging aangaan. Ik werk goed mee tijdens een groepsopdracht.

32


1

2

3

Welke sprong wordt er gemaakt? Tel verder of tel terug. 34

36

38

40

42

44

46

48

50

85

80

75

70

65

60

55

50

45

92

93

94

95

96

97

98

99

100

20

30

40

50

60

70

80

90

100

94

92

90

88

86

84

82

80

78

5

10

15

20

25

30

35

40

45

Noteer het product of het quotiënt. a 2 × 5 = 10

5:5= 1

b 5 × 10 = 50

4 × 10 = 40

8 × 5 = 40

35 : 5 = 7

18 : 2 = 9

14 : 2 = 7

7 × 5 = 35

0:5= 0

0 × 10 = 0

9 × 10 = 90

5 × 5 = 25

45 : 5 = 9

6:2= 3

8:2= 4

3 × 5 = 15

50 : 5 = 10

70 : 10 = 7

100 : 10 = 10

6 × 5 = 30

40 : 5 = 8

6 × 2 = 12

2×2= 4

9 × 5 = 45

15 : 5 = 3

10 : 10 = 1

30 : 10 = 3

4 × 5 = 20

20 : 5 = 4

5 × 2 = 10

8 × 2 = 16

Reken uit. Noteer de som. 45 + 3 =

48

40 + 21 =

61

7 + 21 =

28

36 + 50 =

86

63 + 7 =

70

20 + 19 =

39

1 + 38 =

39

44 + 30 =

74

56 + 2 =

58

50 + 25 =

75 33


4

5

6

Reken uit. Noteer het verschil. 78 – 6 = 72

60 – 2 = 58

99 – 2 = 97

19 – 8 = 11

90 – 5 = 85

50 – 7 = 43

53 – 3 = 50

100 – 4 = 96

36 – 6 = 30

44 – 1 = 43

20 – 3 = 17

80 – 9 = 71

Door elkaar. Los op. 50 + 40 =

90

33 – 30 =

3

70 – 60 =

10

10 + 90 =

100

20 + 7 =

27

100 – 50 =

50

68 – 40 =

28

3 + 60 =

63

1 + 90 =

91

92 – 40 =

52

40 – 10 =

30

90 + 6 =

96

80 + 20 =

100

100 – 20 =

80

Lees en los op. a Pol oefent op bingel. Hij maakt 6 oefeningen. Met elke oefening verdient hij 10 pingping. Hoeveel pingping verdient Pol? Bewerking: 6 × 10 = 60

Bewerking: 50 − 3 = 47

Pol verdient 60 pingping.

Er blijven 47 pannenkoeken over.

c Simon heeft 16 euro gespaard. Pablo heeft 60 euro meer. Hoeveel euro heeft Pablo?

34

b Papa bakt 50 pannenkoeken. Fran eet er 3 op. Hoeveel pannenkoeken blijven er over?

d Er hangen 12 sokken aan de wasdraad. Noortje legt ze per twee. Hoeveel paar sokken zijn dat?

Bewerking: 16 + 60 = 76

Bewerking: 12 :2=6

Pablo heeft 76 euro.

Dat zijn 6 paar sokken.


7

Voer de opdrachten uit. Kruis eerst de juiste waarde van de munten en biljetten aan. Nummer ze dan van meer naar minder waarde. • Wat de meeste waarde heeft, krijgt nummer 1. • Wat de minste waarde heeft, krijgt nummer 4.

5 euro   5 cent

4

50 euro   50 cent

1

5 euro   5 cent

2

50 euro   50 cent

3

Noteer of kleur het juiste bedrag. a

b

70 euro 70 cent

60 euro 50 cent

50 euro 55 cent

18 euro 50 cent

35


8

9

Vul in. Je mag naar de jaarkalender op blz. 19 kijken. Welke maand komt voor december?

Welke maand komt na juli?

november

augustus

Wat is de eerste maand?

Wat is de laatste maand van het jaar?

januari

december

Welke maand komt als vierde?

Welke maand komt voor juni?

april

mei

Zoek het op de kalender. maart M

D

W

D

V

Z

Z

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

a Vandaag is het woensdag 9 maart. Nog 3 keer slapen en ik ga naar de kapper. Nog 10 keer slapen tot de tenniswedstrijd. Er zijn 2 dagen tussen de tenniswedstrijd en het bezoek aan de tandarts. Er zijn 6 dagen tussen de kapper en de tenniswedstrijd. b Als het vandaag maandag 21 maart is, welke dag was het dan gisteren? zondag 20 maart

Als het eergisteren donderdag 17 maart was, welke dag is het dan vandaag? zaterdag 19 maart

Als het vandaag zaterdag 12 maart is, welke dag is het dan overmorgen? maandag 14 maart

c Een week telt 7 dagen.

36

Een jaar telt 12 maanden.


10

Kloklezen a Schrijf hoe laat het is. 12

11

1

11 2

10

8 6

12

11

.

11 2

8 7

6

11 2

.

6

12

.

1 2 3

9 8

5

4 7

half 12

Het is

5

10

4 7

6

1 uur

Het is

3

5

half 8

Het is

.

1

8

4 7

9

4

3

5

10 3

9

12

2

8

6 uur

Het is

1

6

1

9

4 7

12

10 3

5

10

2

8

half 3

Het is

11

9

4 7

1

10 3

9

12

.

Het is

6

5

9 uur

.

b Vul in. 11

12

1

11 2

10

8 6

half 6

3 8

5

4 7

De dansles start om

2

9

4 7

1

10 3

9

12

6

5

De dansles eindigt om .

6 uur

.

De dansles duurt

een halfuur

.

37


1

Maak zelf een tekening bij deze maal- en deeltafels.

8 × 2 = 16

2

20 : 10 = 2

Maak de kaartjes op de juiste plaats vast aan de getallenas. 20 + 2

21 + 5 100 – 70

20

3

9 + 30 38 – 10

80 – 30 48 – 8

30

68 – 8 40 + 9

40

50

60

Is de oefening juist of fout opgelost? Kleur het rondje. 49 + 1 = 50

20 : 2 = 18

95 + 3 = 100

48 – 40 = 18

12 : 2 = 4

20 : 5 = 4

50 – 4 = 54

8 × 10 = 18

3×2=5

6 + 44 = 40

4

3 × 5 = 15

4 × 5 = 15

3 + 62 = 65

Hoeveel euro zit er nog in de spaarpot? Noteer het bedrag. Totaal gespaard:

Uitgegeven:

1 euro

Totaal gespaard:

20 cent

Uitgegeven: 5 euro

25 euro 50 cent

38

30 cent


BLOK 6


BLOK 6

INSTAPLES

DIT IS MIJN STAM: Mijn indianennaam:

De namen van mijn vrienden:

1

Ken je de tafels? Noteer het product of het quotiënt. 3 × 10 = 30

14 : 2 = 7

4 × 5 = 20

60 : 10 = 6

8:2= 4

1 × 10 = 10

18 : 2 = 9

8 × 5 = 40

7 × 5 = 35

50 : 5 = 10

7 × 10 = 70

2:2= 1

100 : 10 = 10

2×2= 4

25 : 5 = 5

8 × 10 = 80

5 × 2 = 10

20 : 10 = 2

3×2= 6

45 : 5 = 9

30 : 5 = 6

3 × 5 = 15

50 : 10 = 5

8 × 2 = 16

2

Welke sporen horen samen? Geef ze dezelfde kleur.

3

Ook indianen moeten getallen kunnen vergelijken! a Vul in : < of >.

b Schik deze getallen zoals gevraagd.

49  <  75

94  <  100

31  >  13

56  <  65

56  <  76

28  >  21

59, 15, 39 15 < 39 < 59

100, 11, 98 100 > 98 > 11 40

46, 64, 44 64 > 46 > 44

81, 71, 91 71 < 81 < 91


4

Hoe heten deze indianen? Gebruik je spiegeltje en noteer de namen.

onaK ednevjirD Drijvende Kano

5

6

7

naaM ellitS

rednilV ettoZ Zotte Vlinder

Stille Maan

Noteer de som of het verschil. 30 + 60 = 90

90 − 40 = 50

20 + 80 = 100

80 + 5 = 85

100 − 90 = 10

90 − 3 = 87

7 + 50 = 75

100 − 30 = 70

60 + 12 = 72

38 + 2 = 40

58 − 20 = 38

97 − 80 = 17

4 + 54 = 58

48 − 5 = 43

3 + 40 = 43

66 + 20 = 86

70 − 6 = 64

11 + 60 = 71

10 + 73 = 83

50 − 1 = 49

100 − 8 = 92

Zoek samen in de klas twee dingen met deze vorm. Schrijf ze hier op. een bol

een kubus

een balk

voetbal

dobbelsteen

brooddoos

knikker

rekenblokje

tafeldoosje

Kleur zoals gevraagd. twee vierkanten

twee cirkels

twee driehoeken

twee rechthoeken

41


LES 61 1

2

De maaltafel van 4 ontdekken en inoefenen

Even opfrissen. Los op. 15 : 5 = 3

0:5= 0

7 × 5 = 35

30 : 5 = 6

4 × 5 = 20

1×5= 5

50 : 5 = 10

5 × 5 = 25

9 × 5 = 45

40 : 5 = 8

�� haal��  Dat i� kna p!   Bijna g�ed.

�ep�! Jam� er.

Kijk en vul in. b

a

4 + 4 + 4 + 4 + 4 = 20

4 + 4 + 4 + 4 + 4 + 4 + 4 + 4 = 32

5 keer 4 is 20 .

8 keer 4 is 32 . 8 maal 4 is 32 .

5 maal 4 is 20 . 5 × 4 = 20 c

42

/ 10.

8 × 4 = 32 d

4 + 4 + 4 + 4 + 4 + 4 = 24

4 + 4 + 4 = 12

6 keer 4 is 24 .

3 keer 4 is 12 .

6 maal 4 is 24 .

3 maal 4 is 12 .

6 × 4 = 24

3 × 4 = 12


BLOK 6

3

Kijk of kleur de kikkers en vul in.

7 × 4 = 28

10 × 4 = 40

9 × 4 = 36

4

De maaltafel van 4. Vul in. a

0×4= 0

6 × 4 = 24

4 × 4 = 16

10 × 4 = 40

1×4= 4

7 × 4 = 28

6 × 4 = 24

7 × 4 = 28

2×4= 8

8 × 4 = 32

2×4= 8

9 × 4 = 36

3 × 4 = 12

9 × 4 = 36

5 × 4 = 20

0×4= 0

4 × 4 = 16

10 × 4 = 40

3 × 4 = 12

8 × 4 = 32

b

5 × 4 = 20

5

1×4= 4

Tel met sprongen van 4. 0

4

8

12

16

20

24

28

32

36

40

43


6

Los op. 4 × 10 = 40

1×2= 2

10 × 4 = 40

2 × 5 = 10

4×2= 8

0×4= 0

2×4= 8

5 × 10 = 50

4 × 5 = 20

5 × 5 = 25

5 × 4 = 20

7 × 4 = 28 3 × 10 = 30

7

6 × 5 = 30

4 × 10 = 40

2×2= 4

9 × 2 = 18

8 × 4 = 32

3 × 4 = 12

9 × 5 = 45

1×5= 5

6 × 10 = 60

0 × 10 = 0

3×2= 6

5 × 4 = 20

2×4= 8

10 × 10 = 100

Reken uit. a Lou heeft 9 kwartetten. Eén kwartet telt 4 kaarten. Hoeveel kaarten heeft Lou? Bewerking: 9 × 4 = 36 Lou heeft 36 kaarten.

b Hoeveel handen hebben acht kinderen samen? Bewerking: 8 × 2 = 16 Acht kinderen hebben samen 16 handen. 44


BLOK 6

LES 62 1

2

De deeltafel van 4 ontdekken en inoefenen

Ken je de maaltafel goed? Los op. 5 × 4 = 20

1×4= 4

8 × 4 = 32

6 × 4 = 24

3 × 4 = 12

9 × 4 = 36

10 × 4 = 40

4 × 4 = 16

2×4= 8

7 × 4 = 28

�� haal��

/ 10.

Dat i� kna p!   Bijna g�ed.   �ep�! Jam� er.

Verdeel. Omkring en vul in.

12 : 4 = 3 12 gedeeld door 4 is 3 .

36 : 4 = 9 36 gedeeld door 4 is 9 .

4:4= 1 4 gedeeld door 4 is 1 .

20 : 4 = 5 20 gedeeld door 4 is 5 .

0:4= 0 0 gedeeld door 4 is 0 .

28 : 4 = 7 28 gedeeld door 4 is 7 .

45


3

De deeltafel van 4. Noteer het quotiënt. a

4

46

0:4= 0

b 40 : 4 = 10

4:4= 1

16 : 4 = 4

8:4= 2

24 : 4 = 6

12 : 4 = 3

28 : 4 = 7

16 : 4 = 4

0:4= 0

20 : 4 = 5

36 : 4 = 9

24 : 4 = 6

4:4= 1

28 : 4 = 7

32 : 4 = 8

32 : 4 = 8

20 : 4 = 5

36 : 4 = 9

12 : 4 = 3

40 : 4 = 10

8:4= 2

De maal- en deeltafel van 4. Los op. 36 : 4 = 9

5 × 4 = 20

6 × 4 = 24

7 × 4 = 28

12 : 4 = 3

20 : 4 = 5

32 : 4 = 8

9 × 4 = 36

10 × 4 = 40

3 × 4 = 12

24 : 4 = 6

0:4= 0

40 : 4 = 10

2×4= 8

1×4= 4

0×4= 0

28 : 4 = 7

8:4= 2


BLOK 6

5

6

Alle tafels door elkaar. Los op. 10 : 2 = 5

60 : 10 = 6

4 × 4 = 16

2 × 10 = 20

32 : 4 = 8

4:2= 2

0:4= 0

9 × 2 = 18

28 : 4 = 7

20 : 5 = 4

15 : 5 = 3

6 × 5 = 30

1×4= 4

7 × 10 = 70

0 × 10 = 0

45 : 5 = 9

30 : 5 = 6

7 × 2 = 14

Lees en los op. a Vijf kinderen maken een toets. Meester Piet moet 40 blaadjes verbeteren. Hoeveel blaadjes telt elke toets? :5=8 Bewerking: 40

Elke toets telt 8 blaadjes.

b Eindelijk hoekenwerk! Meester Mo verdeelt 20 kinderen in groepjes van 4. Hoeveel groepjes zijn er dan? :4=5 Bewerking: 20

Er zijn dan 5 groepjes.

c Er zitten 18 kindjes op balletles. Er zijn evenveel meisjes als jongens. Hoeveel meisjes zijn er? :2=9 Bewerking: 18

Er zijn 9 meisjes. 47


LES 63 1

De getallen tot 100 herhalen

Teken de 6 getallen die je getrokken hebt. Schrijf elk getal onderaan in een tabel en stel het voor met

2

en

H

T

E

H

T

E

H

T

E

H

T

E

H

T

E

H

T

E

Rangschik je 6 getallen van klein naar groot.

<

48

en

<

<

<

<


BLOK 6

3

Lees en los op. a Schrijf je 6 getallen in het juiste hokje van het honderdveld.

b Snel klaar?

4

Stap 1   Kleur op het honderdveld van je buur nog 6 hokjes.

Stap 2   Wissel van werkschrift. Noteer het juiste getal in elk hokje dat je buur gekleurd heeft.

Stap 3   Controleer samen of alle getallen juist zijn.

Kies 3 van je 6 getallen en dicteer ze aan je buur. Noteer de getallen die je buur dicteert en splits ze in tientallen en eenheden. a

b

c

T

E

T

E

T

E

49


5

Bedenk een raadsel bij de getallen van oefening 4. Wissel dan van werkschrift en los de raadsels van je buur op. a b c

6

Plaats elk getal uit oefening 1 op een andere getallenas. Vul dan de andere getallen aan. Let op de richting van de pijl. Werk eerst met potlood.

50


BLOK 6

LES 64 1

De getallen tot 100 herhalen

Luister en vul de geheime code aan. Ontcijfer dan de boodschap. Zoek het antwoord in de tabel rechts en schrijf de letters in de hokjes.

A

5

vlak voor 46

K

1 plaats voorbij 22

E

B

14

precies tussen 30 en 40

I

onder 56 in het honderdveld

N

C

15

boven 46 in het honderdveld

J

D

16

4T en 5E

K

E

23

F

24

G

25

H

26

I

35

J

36

7T plus 6E

S

precies tussen 64 en 68

N

2T + 3E

E

vlak na 54

L

het dubbel van 7

B

boven 45 in het honderdveld

I

vlak na 35

J

3 plaatsen voor 70 boven 33 in het honderdveld

O E

net na 24

G

3 meer dan 2

A

precies tussen 64 en 66

M

drieĂŤntwintig

E

onder 13 in het honderdveld

E

3 plaatsen voor 70

O

K

45

onder 58 in het honderdveld

P

L

55

M

65

7T en 6E

S

N

66

5 meer dan 0

A

O

67

boven 34 in het honderdveld

F

P

68

vlak voor 6

A

Q

69

precies tussen 70 en 80

R

R

75

onder 25 in het honderdveld

I

S

76

2T plus 4E

F

vlak voor 24

E

juist na 65

N

vijfendertig

I

T

77

4 plaatsen voor 70

N

U

78

precies tussen 20 en 30

G

V

80

Deze krijg je cadeau! ď &#x160;

3

W

85

X

88

Y

95

Z

98

51


2

3

Bedenk nu zelf een 5-letterwoord met nieuwe raadsels voor je buur!

Schrijf de getallen van oefening 1 in het honderdveld. Geef de hokjes waar de getallen staan de juiste kleur. Wat komt er tevoorschijn? 1

52

5

11

12

21

22

31 41

14

15

16

24

25

26

32

35

36

42

45

23

18

51

55

61

65

66

67

68

71

75

76

77

78

81

85

88

91

95

98

9

10

19

20

29

30

69 80


BLOK 6

4

Vul aan in het honderdveld van oefening 3. a Schrijf het juiste getal in de hokjes met de stippen.

• Kleur de hokjes met getallen < 50 groen.

• Kleur de hokjes met getallen > 50 bruin.

b Schrijf deze getallen in het honderdveld en kleur die hokjes blauw:

• het getal dat bestaat uit 3 staafjes;

• het getal dat precies boven 20 staat;

• de getallen tussen 17 en 21;

• het getal dat juist voor 30 staat;

• het getal dat eentje voor 10 staat.

53


LES 65 1

Ruimtefiguren en vlakke figuren herkennen en benoemen

Knip de prenten uit en kleef ze in het juiste vak.

KUBUS

BALK

54


BLOK 6

BOL

2

Kleur de vlakke figuren juist. • Kleur de vierkanten blauw.

• Kleur de driehoeken geel.

• Kleur de rechthoeken groen.

• Kleur de cirkels rood.

55


3

Schrijf de juiste naam erbij. Voer de opdracht uit. Dit is een

vierkant

Kleur één zijde blauw.

4

56

Teken na.

Dit is een .

cirkel

Kleur de omtrek rood.

Dit is een .

driehoek

Zet een groen kruisje in de hoeken.

.


BLOK 6

LES 66 1

Spiegelen Gelijkheid van vorm en grootte ontdekken

Trek een kring rond het juiste spiegelbeeld. Gebruik je spiegel om te controleren.

57


de spiegeling

het echte potlood

2

het spiegelbeeld

Zet een kruisje in de figuur die gelijk is van vorm en grootte. Gebruik het hoesje om te controleren.

58

de spiegelas


BLOK 6

Gelijke figuren zijn even groot en hebben dezelfde vorm. Gelijke figuren bedekken elkaar helemaal.

59


LES 67 1

Optellen tot 100

Even opfrissen. Los snel op. a 48 + 30 = 78

31 + 60 = 91

72 + 20 = 92

59 + 20 = 79

15 + 40 = 55

37 + 30 = 67

66 + 10 = 76

28 + 50 = 78

49 + 50 = 99

48 + 1 = 49

91 + 9 = 100

57 + 2 = 59

57 + 3 = 60

42 + 8 = 50

33 + 5 = 38

32 + 6 = 38

66 + 4 = 70

25 + 75 = 100

b

c

46 + 20 = 66

28 + 2 = 30 40 + 17 = 57

32 + 7 = 39 32 + 50 = 82

45 + 20 = 65 6 + 74 = 80

56 + 0 = 56

2

Teken de optellingen. Noteer de som. a

b

17 + 21 = 38

60

41 + 29 = 70

23 + 33 = 56

36 + 64 = 100


BLOK 6

3

Zo lukt het ook. Los op.

= 58

25 + 33

47 + 52

55

30

3

= 100

56 + 44 40

4

= 69

18 + 51

50

41 + 29

4

= 70

= 97

= 76

75 40 1

55 + 25

92 60 5

= 100

98 70 2

35 + 41

61 20 9

32 + 65

1

= 77

73 10 4

28 + 72

68

97 50 2

63 + 14

96

= 99

= 80

75 20 5

Alles door elkaar. Noteer de som. 26 + 50 = 76

92 + 8 = 100

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!

8 + 32 = 40

60 + 21 = 81 80 20 1

56 + 43 = 99 96 40 3

30 + 27 = 57

25 + 75 = 100

Goed hoor!   Nog even oefenen!

95 70 5

4 + 61 = 65

50 20 7

41 + 16 = 57 51 10 6

42 + 32 = 74 72 30 2 61


5

Lees en los op. a Ella fietst met papa naar oma. Oma woont 23 kilometer verderop. Na de middag fietsen ze weer naar huis. Hoeveel kilometer hebben ze gefietst? Bewerking: 23 + 23 = 46 43 20 3

Ze hebben 46 kilometer gefietst. b Rifka en haar broer verzamelen strips. Rifka heeft er 44. Dat zijn er 10 meer dan haar broer. Hoeveel strips hebben ze samen? Bewerking: 44 + 34 = 78 74 30 4

Ze hebben samen 78 strips.

6

Hoeveel samen? Reken uit en tel op.

3×5

3×5

6×5 7×5

= 15 + 30 + 35 = 80

62

4×5

5×5

= 20 + 15 + 25 = 60

1×5 3×5 9×5

5×5

= 45 + 5 + 25 + 15 = 90


BLOK 6

LES 68 1

Aftrekken tot 100

Even opfrissen. Los snel op. a 72 − 30 = 42

92 − 80 = 12

43 − 40 = 3

54 − 10 = 44

67 − 20 = 47

95 − 50 = 45

89 − 80 = 9

74 − 60 = 14

81 − 70 = 11

b 59 − 7 = 52

67 − 5 = 62

35 − 1 = 34

98 − 2 = 96

89 − 8 = 81

48 − 7 = 41

44 − 4 = 40

76 − 3 = 73

29 − 9 = 20

c

66 − 20 = 46

88 − 8 = 80 55 − 4 = 51

70 − 7 = 63 72 − 50 = 22

90 − 5 = 85 100 − 70 = 30

56 − 30 = 26

2

Teken de aftrekkingen. Noteer het verschil. a

b

27 − 11 = 16

43 − 33 = 10

36 − 34 = 2

51 − 31 = 20

63


3

Zo lukt het ook. Los op.

= 62

98 − 36

99 − 25

68

30

6

=4

45 − 41

5

40

1

= 50

74 − 24

20

85 − 84

4

=1

= 14

= 22

26 30 4

94 − 52

16 50 2

= 30

39 10 9

56 − 34

5 80 4

66 − 52

4

=3

6 80 3

49 − 19

54

79 20 5

86 − 83

= 74

= 42

44 50 2

Alles door elkaar. Noteer het verschil. 85 − 30 = 55

93 − 50 = 43

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!

77 − 46 = 31

100 − 4 = 96

37 40 6

60 − 2 = 58

86 − 26 = 60 66 20 6

59 − 10 = 49

90 − 60 = 30

46 − 25 = 21

74 − 33 = 41

26 20 5 64

44 30 3

Goed hoor!   Nog even oefenen!


BLOK 6

5

Lees en los op. a Er hangen 75 ballonnen in de feestzaal. Op het feestje knallen er 12 stuk. Hoeveel ballonnen blijven er over? Bewerking: 75 − 12 = 63 65 10 2

Er blijven 63 ballonnen over.

b Het boek van Imane telt 56 bladzijden. Ze is bij bladzijde 25. Hoeveel bladzijden moet ze nog lezen? Bewerking: 56 − 25 = 31 36 20 5

Imane moet nog 31 bladzijden lezen.

c Raf deelt 23 koekjes uit. Hij had er 45 gebakken. Hoeveel koekjes houdt hij over? Bewerking: 45 − 23 = 22 25 20 3

Raf houdt 22 koekjes over.

6

Vul in. −

54

37

66

−

36

23

65

89

35

52

23

76

40

53

11

97

43

60

31

68

32

45

3

65


LES 69 1

Aftrekken tot 100

Even opfrissen. Los snel op. 60 − 40 = 20

90 − 70 = 20

40 − 40 = 0

100 − 50 = 50

100 − 20 = 80

70 − 20 = 50

80 − 10 = 70

50 − 30 = 20

80 − 50 = 30

b    50 − 4 = 46

60 − 6 = 54

70 − 5 = 65

90 − 3 = 87

80 − 1 = 79

100 − 9 = 91

40 − 8 = 32

100 − 2 = 98

30 − 7 = 23

a

c

30 − 20 = 10

70 − 8 = 62 40 − 4 = 36

100 − 70 = 30 90 − 50 = 40

80 − 9 = 71 100 − 2 = 98

50 − 30 = 20

2

Teken de aftrekkingen. Noteer het verschil. a

b

50 − 33 = 17

66

100 − 27 = 73

60 − 41 = 19

100 − 14 = 86


BLOK 6

3

Zo lukt het ook. Los op.

= 17

50 − 33

60 − 46

20

30

3

= 82

100 − 18

10

90

8

=9

70 − 61

60

90 − 24

4

= 66

= 25

= 64

70   30  6

70 − 31

30 50 5

=3

10 70 7

100 − 36

70 20 4

80 − 55

1

= 68

70 20 2

80 − 77

10

20 40 6

90 − 22

= 14

= 39

40 30 1

Alles door elkaar. Noteer het verschil. 74 − 50 = 24

100 − 75 = 25 30 70 5

80 − 42 = 38 40 40 2

59 − 41 = 18 19 40 1

50 − 6 = 44

62 − 60 = 2

88 − 7 = 81

77 − 7 = 70

47 − 15 = 32

70 − 34 = 36

37 10 5

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!   Goed hoor!   Nog even oefenen!

40 30 4 67


5

Lees en los op.

a Op de verjaardagstaart van oma Marthe staan 100 kaarsjes. 12 kaarsjes branden nog. Hoeveel kaarsjes heeft oma al uitgeblazen? Bewerking: 100 − 12 = 88 90 10 2

Oma heeft al 88 kaarsjes uitgeblazen.

b Suzanne spaart voor een spel van 80 euro. Ze heeft 38 euro in haar spaarpot. Hoeveel euro komt ze nog te kort? Bewerking: 80 − 38 = 42 50 30 8

Ze komt nog 42 euro te kort.

6

Los op.

80

– 18

62

74

+ 26

– 30 10

– 22

32

+ 57 67

68

100

– 47 41

– 12

53

+ 29 + 33

100

70

– 65

5


LES 70 – HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 6?

Getallenkennis les nr.

herhaling nr.

getallen tot 100 lezen, schrijven en voorstellen met rekenblokjes.

63, 64

1

getallen tot 100 splitsen en weer samenstellen.

63, 64

2

getallen tot 100 aanduiden op een honderdveld.

63, 64

3

getallen tot 100 op een getallenas plaatsen.

63

4

getallen tot 100 vergelijken en ordenen.

63

5

les nr.

herhaling nr.

61, 62

6

optellen tot 100.

67

7, 9

aftrekken tot 100.

68, 69

8, 9

61, 62, 67, 68, 69

10

les nr.

herhaling nr.

vlakke figuren vergelijken door ze op elkaar te leggen.

66

11

spiegelen met een spiegeltje.

66

12

ruimtefiguren herkennen en benoemen.

65

13

vlakke figuren herkennen, benoemen en tekenen.

65

14

de woorden ‘zijde, omtrek, (opper)vlak, rond, onderkant, bol, balk …’ juist gebruiken.

65

13, 14

Ik kan:

Bewerkingen Ik kan: de maal- en deeltafels van 4, 2, 5 en 10 oplossen.

eenvoudige vraagstukken oplossen.

Meetkunde Ik kan:

Ik kan op een fijne manier per twee samenwerken. Ik kan nieuwe manieren bedenken om een probleem op te lossen. Ik durf een rekentoets te maken, zonder angst voor foutjes.

69


1

Noteer of teken het getal. H

T

E

H

T

32

H

T

E

H

E

100

T

E

H

56

T

E

60

74

b

62

50 + 1 = 51 4T + 3E = 43

70

4

6 T

16

76 = 7 T + 6 E 84 = 80 + 4

2 E

60 + 6 = 66

11 = 1 T + 1 E

98

3T + 8E = 38 10 6

9T 8E

90 + 5 = 95

56 = 50 + 6 32 = 3 T + 2 E

Welke getallen horen in de gekleurde hokjes? Schrijf ze erin. 4 13

20

22 36 47 55

58 68

71 89 94 70

T

Splits of stel weer samen. a

3

H

40

43

2

E

95

100

Schrijf daarna ook deze getallen op de juiste plaats in het honderdveld:


4

5

Vul de getallenassen aan. 84

85

86

87

88

89

90

91

92

93

94

81

80

79

78

77

76

75

74

73

72

71

46

47

48

49

50

51

52

53

54

55

56

Vergelijk de getallen. a Vul in: < of >.

6

b Rangschik de getallen zoals gevraagd.

27

<

54

34

>

31

57, 14, 41

14 < 41 < 57

95

>

90

88

>

77

71, 79, 75

79 > 75 > 71

55

>

45

94

<

100

67, 76, 66

66 < 67 < 76

Noteer het product of het quotiënt. a 6 × 4 = 24

32 : 4 = 8

8 × 2 = 16

6 × 10 = 60

9 × 4 = 36

12 : 4 = 3

35 : 5 = 7

0:2= 0

7 × 4 = 28

36 : 4 = 9

3 × 10 = 30

50 : 5 = 10

0×4= 0

4:4= 1

16 : 2 = 8

9 × 5 = 45

3 × 4 = 12

28 : 4 = 7

4 × 5 = 20

7 × 2 = 14

5 × 4 = 20

24 : 4 = 6

90 : 10 = 9

5:5= 1

4 × 4 = 16

40 : 4 = 10

1×2= 2

1 × 10 = 10

8 × 4 = 32

16 : 4 = 4

10 × 10 = 100

20 : 10 = 2

b

71


7

Reken uit. Noteer de som. 47 + 23 = 70

71 + 29

67 20 3

91 20 9

13 + 81 = 94

25 + 31

93 80 1

18 + 62

96 40 2

Reken uit. Noteer het verschil. 80 – 31

35 40 2

= 49

50 30 1

100 – 68 = 32

99 – 75

= 24

29 70 5

40   60  8

67 – 54 = 13

40 – 33

17 50 4

72

= 80

78 60 2

75 – 42 = 33

9

= 56

55 30 1

56 + 42 = 98

8

= 100

10 30 3

Door elkaar. Reken uit. 60 – 30 =

30

4 + 46 =

50

2 + 40 =

42

100 – 20 =

80

100 – 1 =

99

10 + 90 =

100

67 + 3 =

70

88 – 30 =

58

45 – 40 =

5

60 + 8 =

68

50 + 24 =

74

80 – 4 =

76

38 – 8 =

30

51 + 7 =

58

= 7


10

Lees en los op. a De 23 kinderen van klas 2A gaan naar de zoo. Er gaan ook 24 kinderen van klas 2B mee. Hoeveel kinderen zijn dat samen? Bewerking: 23 + 24 = 47 43 20 4

Dat zijn samen 47 kinderen.

b Er staan 50 flessen op een rij. Rani schiet er 18 stuk met haar katapult. Hoeveel flessen blijven er over? Bewerking: 50 − 18 = 32 40 10 8

Er blijven 32 flessen over.

c Robbe speelt met de legoblokken. Met 36 blokken bouwt hij 4 gelijke torens. Hoeveel blokken heeft elke toren? Bewerking: 36 :4=9

Elke toren heeft 9 blokken.

d Rafik houdt van voetballen. Hij koopt 5 paar voetbalsokken. Hoeveel sokken heeft Rafik dan? Bewerking: 5 × 2 = 10

Rafik heeft dan 10 voetbalsokken.

73


11

Trek een kring rond het juiste spiegelbeeld. Gebruik je spiegel om te controleren.

12

Zoek figuren met dezelfde vorm en grootte. Vraag een kopieerblad en een hoesje bij je juf of meester. Kleur de figuren met dezelfde vorm en grootte als de vlakke figuren uit oefening 14a.

13

Hoe goed ken je deze vormen? Voer de opdrachten uit. Schrijf bij elke vorm de juiste naam. Kies uit: kubus, balk en bol. a

bol

kubus

b • Omkring het voorwerp met een gebogen oppervlak. • Maak de bovenkant van de balk zwart. • Teken een pijl naar een hoek van de kubus.

74

balk


14

Hoe goed ken je deze figuren? Voer de opdrachten uit. a Schrijf bij elke figuur de juiste naam. Kies uit: vierkant, rechthoek, driehoek en cirkel.

rechthoek

driehoek

vierkant

b • Overtrek de omtrek van de eerste figuur met groen. • Overtrek een zijde van de tweede figuur met blauw. • Teken een pijl naar een hoek van de derde figuur. c Teken nu zelf met een lat. een driehoek

1

een vierkant

een rechthoek

Hoeveel euro kost het? samen 10 euro

samen 15 euro

samen 20 euro

samen 8 euro

samen 20 euro

samen 15 euro

75


2

3

Vul de roosters in. +

30

13

21

5

35

â&#x2C6;&#x2019;

70

34

7

15

21

20

50

33

41

25

55

70

0

36

63

55

49

15

45

28

36

20

50

89

19

55

82

74

68

3

33

16

24

8

38

100

30

66

93

85

79

44

74

57

65

49

79

97

27

63

90

82

76

Zoek de vijf fouten in elk spiegelbeeld. Omkring ze. Je mag een spiegeltje gebruiken. a

b

76


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Reken Maar! 2: werkschrift C - correctiesleutel by VAN IN - Issuu