Loebas

![]()


Bang voor de wolf?

Bij de school ligt een bos.
Diep in dat bos is het donker.
Heel erg donker.
Als je goed kijkt, zie je iets …
Twee ogen.
Gele ogen. Wolfsogen.
Brr!
Seppe steekt zijn neus in de lucht.
Hij rent het bos voorbij. Zijn hart bonst … een beetje.
Ach ... zo’n wolf in een donker bos … valt wel mee.
Vampier hier!
Pap vertelt:
‘Naast het bos ligt een kerkhof.
Bij volle maan staan de vampiers op!
Ze gaan op zoek naar bloed.
Vers bloed.
Ze lokken je.
Vam-pier hier! Vam-pier hier!
En dan boren ze hun tanden in je hals!’
‘Stop met die onzin, pap!’ bitst mam.
‘Je maakt Seppe bang.
Straks durft hij niet alleen naar school.
Vampiers bestaan niet.’
Seppe is geen watje.
Hij durft wél alleen naar school.
En hij weet dat mam gelijk heeft.
Vampiers bestaan niet.
Spoken wel.
Laatst zat er eentje onder zijn bed.
Mam en Seppe hebben het spook verjaagd.
Ach …
spoken of vampiers vallen wel mee.

Een heks op een bezem
Naast het kerkhof
staat een oud huis.
In het huis woont een heks.
Ze staat achter het gordijn.
Lange grijze haren nooit gekamd.
Rode ogen.
Op haar neus een wrat.
Een kin zo scherp als haar punthoed.
’s Nachts klimt de heks op haar bezem.
Ze scheert over daken en langs gevels.
Ze is op zoek naar vlees.
Kindervlees.
Mmmmm…
Een sappig hapje kind.
Maar Seppe is niet bang.
Ach …
zo’n heks op een bezem
valt wel mee.
