Hoofdstuk 1 Je eerste les
Hoofdstuk 1 : je eerste les
‘Ik heb geweldig veel zin om mijn vakkennis en professionele ervaring over te brengen en te delen met aanstormend talent. Ik ben het gewoon om over mijn vak te praten met collega’s die er minstens evenveel van weten als ik.
Maar hoe begin ik eraan met studenten? wie zijn ze en wat kunnen ze al? Hoe verdeel ik mijn kennis, of beter … hoe bouw ik hun kennis op?
Is lesgeven vooral gepassioneerd vertellen over je expertise?’
Je eerste les geven? Misschien de eerste keer ooit? Het vraagt telkens ‘omdenk’werk om je expertise te delen met je studenten op een manier die hen in staat stelt om geleidelijk en vlot competenties te ontwikkelen. In dit hoofdstuk beschrijven we enerzijds hoe je de aandacht van studenten kan pakken via het ontwerp van je les. Anderzijds geven we tips over welke informatie typisch in ‘een eerste les’ van een opleidingsonderdeel aan bod komt.
1 Van vakexpert naar vakdocent: een reflectie
Elke instelling hoger onderwijs is blij met de expertise die jij binnenbrengt en met je enthousiasme om je vakkennis te delen met studenten. Jij bent een (ervaren) professional of academicus en precies daarom aangesteld om les te geven.
Als lesgever heb jij nu de opdracht om studenten vertrouwd te maken met wat ze moeten kennen en kunnen om als (startende) professional of academicus te functioneren bij hun afstuderen. Nadenken over hoe je studenten die inhouden en vaardigheden kunnen leren, om ze daarna effectief aan te leren, is je kernopdracht als docent.
Welke leeractiviteiten ga je aanbieden vanaf les één om die inhoud aan te leren? Richtvragen hierbij zijn:
✓ Wat is de essentie van het beroep of vakgebied waartoe we opleiden?
✓ Wat maakt dit zo interessant en relevant?
✓ Wat moet iemand die afstudeert, zeker kennen, kunnen en doen?
Die leerresultaten geven aan welke kennis, vaardigheden en attitudes studenten verwerven tijdens hun leertraject (zie het hoofdstuk ‘Een kwaliteitsvolle opleiding? Dat is teamwerk’).
Informeer je als starter over die inhoudelijke afbakening binnen je opleiding. Gebruik ze als leidraad voor je lesontwerpen vanaf les één. Leerresultaten bepalen namelijk je lesdoel(en), je lesopbouw en de keuze van je werkvormen. In een latere fase kan je inhoudelijk bijsturen vanuit jouw vakexpertise.
Je eerste les zet meteen ook de toon voor je verdere lessenreeks. Je hebt ongetwijfeld zelf herinneringen aan een leerkracht of docent die voor jou het verschil heeft gemaakt. Misschien was het die persoon die ervoor heeft gezorgd dat je nu een ‘krak in je vak’ bent.
Stel jezelf volgende vragen:
✓ Wie was deze docent?
✓ Wat maakte de impact voor mij zo groot?
✓ Was het zijn of haar vakkennis en/of de didactische aanpak? Wat kan ik me concreet herinneren?
✓ Herken ik een strategie, een actie of een attitude die ook ik kan toepassen of aannemen om het leren van mijn studenten mogelijk te maken of te versterken? Wat concreet? Hoe zou ik dat aanpakken?
Denk verder op hetzelfde elan over je eigen studietraject:
✓ Wat waren de thema’s en topics die mij het meest getriggerd hebben in mijn opleiding?
✓ Welke taken hebben mij tot bijzondere inzichten gebracht?
✓ Welke feedback heeft mij echt geholpen tijdens mijn studies?
✓ Wat maakte dat ik vlot kon studeren? Wie gaf mij duidelijke handvatten?
✓ Wat waren praktijken die niet werkten? Hoe kan ik die zelf vermijden?
Maar evenzeer over de expertise die je opbouwde:
✓ Wat zijn de actuele professionele of academische vraagstukken?
✓ Welke professionele of academische activiteiten en ervaring kan ik hiermee verbinden?
✓ Welke vragen, voorbeelden en casussen zijn interessant om de aandacht van studenten op te richten?
Deze vragen leveren allicht verschillende ideeën op over wat je zeker wél (of niet) in jouw lessen wil integreren. Maar waar en hoe start je?
2
Hoofdstuk 1 : je eerste les
Een gouden regel: ‘informeren, structureren, connecteren’
‘Ik werk al een tijdje als onderzoeker, maar kreeg gisteren de vraag om een zieke docent te vervangen voor twee maanden. Donderdagmorgen al staat de eerste les gepland. Lesgeven is nieuw voor mij. Wat is mijn eerste stap? Hoe kom ik aan het juiste materiaal en hoe pak ik die eerste les aan?’
Goed nieuws, want je hoeft niet te beginnen met een wit blad. Starten doe je best met je breed te informeren, vervolgens bereid je je eerste les voor en dan is het lesmoment daar.
2.1 Informeren
Wanneer je start met een onderwijsopdracht, is het waarschijnlijk dat er al een basis is.
– Het vak is mogelijk al eerder gegeven door collega’s die met pensioen of emeritaat gingen.
– Bij vervangingen ligt er mogelijk een volledig uitgewerkte cursus klaar.
– Bij nieuwe vakken zijn de krijtlijnen vaak al bepaald bij de oprichting ervan.
Die informatie te pakken krijgen, is je eerste opdracht. Informeer je. Welk lesmateriaal is beschikbaar? Is er een cursus of een te volgen handboek? Zijn de lesmaterialen en presentaties beschikbaar? Zijn er zaken die online ingeoefend moeten worden? Denk na over welke info je al hebt, wat je nog nodig hebt en bij wie je hiervoor terecht kan. Zo kan je inhoudelijk aan de slag.
Je onderwijs is natuurlijk ook ingebed in een of meerdere opleidingen. Informeer je grondig over die context. Welke afspraken zijn er binnen de opleiding(en)? Die afspraken kunnen gaan over klasafspraken of gedragscodes, maar ook over verwachtingen en verantwoordelijkheden, of over praktische zaken zoals het digitale platform en de tools waarmee gewerkt wordt binnen de opleiding(en).
Tot slot is er de fysieke omgeving. Ben je praktisch goed voorbereid? Concreet vergt dat vele en snelle stappen: Je kent je weg op de campus en naar je leslokaal. Je hebt je geïnformeerd over de technische mogelijkheden van je lokaal en hebt die liefst vooraf uitgetest. Je bent vertrouwd met het opleidingsniveau van de
studenten (graduaats-, bachelor-, masterstudenten) en weet hoeveel studenten voor dit vak ingeschreven zijn. Je weet of je vak een inleidend vak is, een verdiepend vak of een vak in de eindfase van de opleiding.
Je kan op basis van die informatie je eerste les uitwerken en geven.
2.2 Structureren: je eerste les(ontwerp)
Of je nu een starter bent of een ervaren docent, lessen ontwerpen verloopt volgens een duidelijk gestructureerde didactische cyclus, die de betrokkenheid van je studenten stimuleert:
– je lesbegin, met duidelijke doelen, verwachtingen en het peilen naar voorkennis, bedoeld om studenten te oriënteren en te motiveren voor de inhoud; – het aanbieden en verwerken van nieuwe inhoud, via aangepaste werkvormen en met mogelijkheid tot oefening, verdieping en reflectie; – de afsluiting van je les, waarbij je je richt op de belangrijkste inzichten en aftoetst of de leerdoelen bereikt zijn.
Voorafgaand aan de les maak je een plan op van deze verschillende fases, met oog voor een logische opbouw. Sommige collega’s doen dat expliciet in een onepager die ze meebrengen naar de les. Er zijn verschillende sjablonen voor een ‘lesplan’ online beschikbaar, als je daar graag gebruik van maakt. Andere collega’s werken dit impliciet uit in de presentatie die ze gebruiken tijdens de les.
2.3 Connecteren, terwijl je blijft structureren
En dan is het moment daar. Alle blikken zijn op jou gericht. De les start.
Wederzijds een goede indruk maken
In elke vorm van communicatie en relatie zijn de eerste indrukken belangrijk. Dit is ‘tweerichtingsverkeer’ tussen docent en studenten.
De indruk die je maakt als persoon
Stap je lokaal binnen met een glimlach. Hopelijk kreeg je de kans en technische ondersteuning om je les vooraf klaar te zetten. Zo kan je meteen je blik op je studenten richten. Connecteer: begroet je studenten en maak oogcontact, want studenten hebben nood aan die connectie. Start op het afgesproken tijdstip.
Hoofdstuk 1 : je eerste les
Studenten vormen snel een eerste indruk volgens het principe ‘ What you see Is what you get’. Na deze belangrijke fase van ‘contacting’ volgt de fase van ‘contracting’. Maak duidelijk wat studenten van jou mogen verwachten én wat jij van hen verwacht. Dit gaat zowel over inhoud en doelen als over vorm (afspraken, aanpak, vragen).
De indruk die je maakt als vakexpert
Je bent voorbereid, gestructureerd en doelgericht. Expliciteer meteen de doelen waarrond je deze les werkt. Een goede richtvraag is:
✓ Als de studenten ‘s avonds aan iemand vertellen wat ze in de eerste les van mij hebben geleerd, wat zou ik dan willen dat ze antwoorden?
Jouw eerste indruk van je studenten
Ongetwijfeld scan je je studentengroep bij het binnenkomen van je lokaal. Je voelt de sfeer aan van geladen stilte, gespannen verwachting of mogelijk lawaaierige chaos. Op een respectvolle en rustige manier kunnen werken is belangrijk vanaf de eerste minuut (zie het hoofdstuk ‘Klasmanagement: hoe leid je alles in goede banen?’). Heldere klasafspraken en goede wederzijdse indrukken ondersteunen een positief leerklimaat. Vraag vooraf na bij je team welke klasafspraken er eventueel gelden en denk na over wat je graag afspreekt met jouw studenten over laptop- en gsm-gebruik in de les, te laat komen, afspraken bij groepswerk, communicatie met de docent ... Expliciteer omgekeerd ook wat studenten van jou mogen verwachten (bv. op tijd beginnen, opnames, feedback) of vraag hun met welke afspraken je hun een plezier doet (bv. keuze in groepssamenstelling, PowerPointpresentatie vooraf beschikbaar …). Op deze manier gebeurt de ‘contracting’ evenzeer in twee richtingen. Dit zorgt voor herkenbaarheid, continuïteit en duidelijkheid bij de studenten over aanwezigheid, medewerking, materiaal en ondersteuning.
Doelen, aanpak en evaluatie expliciteren
‘Hoezo, er zijn geen leerplannen voor het hoger onderwijs? Hoe weet ik of studenten de juiste kennis en vaardigheden aanleren? Wie bepaalt dan de lesinhoud?’
Jij bepaalt de lesinhoud (in samenspraak met het team)
In het hoger onderwijs heb je als lesgever heel wat pedagogisch-didactische vrijheid om te beslissen hoe je als titularis je opleidingsonderdelen inricht. Dit is een grote vrijheid én een grote verantwoordelijkheid. Gekoppeld aan de afspraken en binnen de krijtlijnen van de opleiding bepaal je zelf wat je wil aanbieden, hoe je lesgeeft en hoe je evalueert. Leg daarom in je eerste les uit wat de doelen zijn én hoe je zal evalueren (zie het hoofdstuk ‘Navigeren in een digitaal landschap’). Die aanpak staat eveneens expliciet in de ECTS-fiche van het opleidingsonderdeel. De informatie in deze fiche is juridisch bindend (voor meer uitleg zie het hoofdstuk ‘Een kwaliteitsvolle opleiding? Dat is teamwerk’).
‘De lesinhouden bepalen is een grote verantwoordelijkheid en vraagt veel reflectie. Ik loop als nieuwe docent in de opleiding vaak maar één les voor op mijn studenten.’
Doelen structureren je aanpak en evaluatie
Doelen expliciteren, brengt structuur in je lessen en in je vak. Je geeft aan: dit is wat we gaan doen, dit is wat we samen gaan bereiken. Het doel dat je in een les ziet, is uiteraard gekoppeld aan de doelen die je binnen je opleidingsonderdeel moet realiseren.
✓ Hoe stel ik doelen op?
Daarbij zijn twee zaken belangrijk:
1 Doelen zijn uitdagend én realistisch: doelen formuleer je – volgens onderzoek – vanuit hoge verwachtingen voor elke student. Dat betekent dat je realistische en uitdagende doelen stelt en expliciteert, of je nu twintig studenten in je klas hebt of tweehonderd. Hoge verwachtingen hebben impact op het gedrag van je studenten en bijgevolg op hun leerprestaties.1 Studenten van wie je hoge verwachtingen hebt, presteren beter. Probeer dus hoge verwachtingen te hebben van elke student in jouw lessen, een rotsvast geloof in de mogelijkheden van de student om te leren. Op die manier schep je een positieve beginsituatie en een kansrijk leerklimaat waarin je elke student aanmoedigt om het eigen potentieel waar te maken. Niet elke student komt namelijk met dezelfde bagage aan de start.
2
Hoofdstuk 1 : je eerste les
Doelen zijn SMART geformuleerd. Het SMART-principe is een populaire methode om doelen helder en effectief te formuleren. SMART staat voor:
• Specifiek: het doel is duidelijk en concreet geformuleerd.
• Meetbaar: je kan achteraf nagaan of het doel bereikt is. Gebruik hiervoor bij voorkeur concrete en actieve werkwoorden in het doel.
• Acceptabel: het doel is haalbaar en relevant voor de studenten.
• Realistisch: het doel is uitvoerbaar binnen de beschikbare tijd en middelen.
• Tijdgebonden: er is een duidelijke tijdslimiet of deadline.
SPECIFIEK
MEETBAAR
AANVAARDBAAR
TIJDSGEBONDEN REALISTISCH
Wie, wat, waar, hoe? Wat wil ik zien, voelen, horen als dit doel bereikt is?
Wat wil ik niet zien, ervaren?
Kan ik het alleen?
Is dit haalbaar in overeenstemming met de rest van de agenda?
Deadline
Je eerste les is natuurlijk ook een eerste belangrijke bouwsteen binnen het opleidingsonderdeel. Let wel, je bent meer dan een metselaar die les na les stenen legt. Je bent ook de architect en kent het bouwplan van je vak door en door. Je hebt het ofwel grondig bestudeerd of je hebt het zelf ontworpen. Toon dit grotere bouwplan in de loop van de eerste les aan je studenten. Uiteraard beschrijf je niet elke kamer of les in detail, maar je laat je studenten al proeven van het eindproduct en het proces om dit grotere bouwplan tot uitvoering te brengen.
In de eerste les geef je studenten zicht op de doelen, de aanpak en de evaluatie van het opleidingsonderdeel. Deze info kan je ook presenteren in de les en/of verwerken in een studieleidraad of studiewijzer. Deze leidraad geeft bijvoorbeeld zicht op de planning met een les- en evaluatiekalender, waarbij je per lesdatum aangeeft welke inhoud of bouwstenen je voor de les voorziet, welke opdracht of evaluatie bij welke les hoort (met vermelding van praktische afspraken zoals de deadline, de indienwijze ...), of de les op de campus of online plaatsvindt …
Leg daarna opnieuw de link met je eerste les en het doel waarmee je wil starten. Verduidelijk meteen welke stappen jullie samen gaan zetten om de leerdoelen te bereiken. Je verduidelijkt met andere woorden het waarom, wat en hoe van je les.
‘Bij elk vak heb ik een vergelijkbare aanpak van de eerste les. Na een verwelkoming en korte kennismaking start ik met enkele “roezemoes”-vragen aan de studenten, waarbij ze mogen overleggen met een buur:
• “Aan welke inhouden denk je bij de titel van dit vak?”
• “Wat hoop je te leren?”
• “Op welke manier is dit vak relevant voor je werk als professional of als onderzoeker?”
• “Op welke manier heb je graag dat ik dat aanpak?”
• “Welke afspraken vind je zelf belangrijk?”
Nadat ik deze ideeën heb gesprokkeld, ga ik in op de doelen, opzet en evaluatie van het vak, conform de info in de ECTS-fiche. Ik leg, waar ik kan, ook expliciet de link naar de antwoorden die ik eerder kreeg, en omgekeerd krijgen studenten de kans om vragen te stellen. Als alles duidelijk is, gaan we actief aan de slag met de inhoud van het opleidingsonderdeel.
Het eerste thema wordt ingeleid met een triggerende vraag, een realistisch voorbeeld of een probleem dat de aandacht van de studenten trekt. Op dit moment wil ik dat iedereen denkt: oh, dat is interessant, om hen vervolgens stapsgewijs mee te nemen in de nieuwe leerstof.’
Voorkennis activeren en bewust hanteren
‘De meest invloedrijke factor voor leren is dat wat de lerende al weet’, schreef David Ausubel al in 1968. Nieuwe informatie wordt opgehangen aan bestaande kennisschema’s in ons hoofd. Zonder deze mentale ‘kapstokken’ kan de lerende de nieuwe kennis moeilijker verbinden met datgene waarop deze voortbouwt, en riskeer je als docent dat de leerstof niet of weinig wordt onthouden. Leren is op die manier een voortdurende wisselwerking tussen wat we al weten en wat we bijkomend leren. Die verbindingen zijn essentieel om duurzaam te leren. De voorkennis van je studenten activeren en bewust hanteren, is dus belangrijk om effectief les te geven.
Dé voorkennis bestaat niet
Jij komt als vakexpert aan de start en weet prima wat je kent en kan, maar wat kennen en kunnen je studenten? De kans is groot dat de beginsituaties van je studenten erg uiteenlopend zijn. Dé beginsituatie bestaat niet. Het gaat veeleer om een complexe combinatie van wat al die verschillende studenten van jou en je opleidingsonderdeel verwachten, hoe ze zichzelf en hun medestudenten inschatten, welke kennis en vaardigheden – ook digitale – ze meebrengen, hoe gemotiveerd ze zijn om deze opleiding te volgen, welke eerdere ervaringen ze hadden met onderwijs.
Als je nieuwe kennis wil aanbrengen of nieuwe vaardigheden wil aanleren, koppel je die kennis en vaardigheden aan wat de studenten al weten (kennis), kunnen (vaardigheden) of ervaren hebben. Die voorkennis bepaalt het leren van je studenten: het is de locomotief waaraan de wagons met ladingen nieuwe kennis en vaardigheden gekoppeld worden.
Voorkennis activeren
Afhankelijk van de grootte van je groep ga je de voorkennis van je studenten activeren door gerichte vragen te stellen, bijvoorbeeld via een ‘ingangsticket’, of door een digitale tool in te schakelen bij grote groepen (zie het hoofdstuk ‘Navigeren in een digitaal landschap’). Entrytickets of digitale tools zoals Wooclap of Padlet geven je een beeld van de voorkennis van je studenten en hoe groot de verschillen in voorkennis tussen hen zijn. Het zijn laagdrempelige tools en technieken die je toelaten in alle hoofden te kijken en de spreiding vrij snel in kaart te brengen. Beide aspecten zijn belangrijk.
Voorkennis kan:
– ontbreken (bv. in een les digitale marketing bespreekt de docent de customer-journey, maar de student is niet vertrouwd met het concept ‘persona’);
– ‘slapen’ (bv. wat weten studenten in praktijkonderzoek 2 nog over de onderzoekscyclus?);
– op een misvatting berusten (bv. Nederlandstalige studenten gebruiken in een Engelse tekst de ‘ have worked’-vorm met een woord als ‘yesterday’ omdat ze vertalen vanuit het Frans of Nederlands);
– ronduit fout zijn (bv. een eerstejaarsstudent Educatieve Bachelor Secundair Onderwijs Geschiedenis denkt dat de middeleeuwse mens niet ouder werd dan 35 jaar, of dat de Nijl in Europa ligt). Hoofdstuk
Voorkennis vóór (nieuwe) kennis
Door de voorkennis van je studenten te activeren en/of te corrigeren, faciliteer je als docent het verwerven van nieuwe kennis. Leg dus altijd de link met eerder geziene opleidingsonderdelen of eerder geziene leerinhouden binnen je eigen vak. Zo roep je de voorkennis van de groep op.
Voorkennis aanspreken is niet alleen een krachtige opstap naar leren, het verhoogt ook de betrokkenheid van je studenten als je als docent aansluit bij hun kennis, interesses en leefwereld. Als je nieuwe leerstof kan koppelen met gebeurtenissen, fenomenen of voorwerpen in de actualiteit, realiteit of in de leefwereld van studenten, creëer je de mentale kapstokken die studenten nodig hebben om duurzaam te leren.
– Werken met schalen in de opleiding Architectuur wordt in verband gebracht met de kindertekeningen die studenten zelf maakten.
– De schrijftechnieken die studenten nog herinneren uit eerdere schrijfopdrachten, worden verbonden met de kunst van het academisch schrijven.
– De docent vertrekt vanuit – voor studenten – eenvoudige, herkenbare voorbeelden met zakgeld, studentenjobs, aankoop smartphone, organisatie van een festival … om abstracte economische termen te introduceren.
– De stappen die studenten intuïtief zetten bij het oplossen van problemen, worden vertaald naar een systematische onderzoekscyclus.
Als je er eveneens in slaagt om te anticiperen op de verschillen in beginsituaties, wordt het des te makkelijker voor studenten om aansluiting te vinden.
–
Als er op basis van vooropleiding verschillen zijn tussen studenten, dan kan je studenten – voor wie bepaalde inhouden herhaling zouden zijn – aangeven dat ze die niet hoeven te volgen, tenzij ze die herhaling nuttig vinden. Of je kan studenten die bepaalde voorkennis missen, met behulp van een digitaal leerpad bijwerken.
– Als studenten uit verschillende opleidingen jouw vak volgen, kan je zoeken naar voorbeelden die aansluiten bij elk van de opleidingen. Dat zorgt voor herkenbaarheid en verhoogt de relevantie zoals ze ervaren wordt door studenten.
– Sommige studenten zijn onderlegd in bepaalde vaardigheden of in het gebruik van specifieke tools die anderen nog niet beheersen (en die soms zelfs jouw expertise overstijgen). Durf die expertise in de studentengroep traceren en benutten.
Ook vragen zoals: ‘Heeft iemand ervaring met x? Wie kent dit? Wie heeft er al gebruikgemaakt van x?’ maken expertise in een studentengroep makkelijk zichtbaar en helpen om actief in te spelen op verschillen in beginsituatie en voorkennis.
Leeractiviteiten die het denken stimuleren
Vervolgens ga je aan de slag met nieuwe leerstof, aansluitend bij de voorkennis van je studenten. Zowel de inhoudelijke keuzes als de didactische keuzes die je als docent maakt, hebben een grote impact op het leren van je studenten.
Welke inhouden je selecteert en hoe je die aanbrengt, die keuzes zijn afhankelijk van de doelstellingen van de opleiding.
In een masteropleiding kan je complexe en abstracte theorie aanbieden, in een graduaatsopleiding ga je sneller over tot inoefening en praktische uitvoering. Kies daarom bewust werkvormen waarmee jouw studenten de doelen van de opleiding bereiken.
Werkvormen zijn methodieken die je tijdens het lesgeven kan inzetten om het denken en leren van studenten te stimuleren. Voorbeelden zijn: presentaties, een vraag-antwoordgesprek voeren, groepswerk, projectwerk, werken met casussen … Welke keuze je ook maakt, belangrijk is om dit doel voor ogen te houden:
–
Kies je voor een meer aanbiedende werkvorm zoals een presentatie, ga dan na hoe je studenten tot denken kan aanzetten (bv. een video/demonstratie tonen en studenten vragen om aandachtig te kijken naar x, een provocatieve uitspraak gebruiken om reacties en debat uit te lokken, studenten de kans geven om een oefening te maken …).
– Kies je voor meer actieve werkvormen (soms ook activerende werkvormen genoemd), waarbij studenten actief met informatie aan de slag gaan, dan stimuleer je automatisch denkprocessen. Ook dan is het belangrijk om dit met de nodige zorg in te richten: een interessante taak, eenvoudige instructies en heldere afspraken maken dat studenten taakgericht kunnen werken. Terwijl je rondloopt in het lokaal of de aula, kan je ondersteuning bieden waar nodig. Je merkt op die manier meteen welke denk- en leerprocessen de werkvorm installeren bij studenten.
En dan nadert het einde van de les …
Na al dat denk- en leerwerk zit je eerste les er bijna op. Voorzie aan het einde van de les voldoende tijd en ruimte voor vastzetting (leerdoelen bereikt?), een opfrissing van het globale plan (waar staan we in ons bouwplan?) en eventuele vervolgopdrachten (wat verwacht je van de studenten tegen de volgende les?).
De leerstof vastzetten doe je door een element van formatieve evaluatie in te bouwen (zie ook het hoofdstuk ‘Hoe begeleid en beoordeel je je studenten?’). Zo krijgen alle betrokkenen zicht op waar de studenten staan in hun leerproces.
Laat je studenten een interactieve vraag invullen (bv. via WooClap) of een post-it schrijven op basis van een gerichte vraag:
– ‘Wat is de kernboodschap die jij meeneemt uit deze les?’
– ‘Benoem: (1) iets wat je al wist, (2) iets wat je nieuw leerde en (3) iets wat je verrast heeft.’
– ‘Geef in eigen woorden jouw samenvatting van de les.’
– ‘Wat is een vraag die je hebt na deze les en die je graag verder verduidelijkt ziet in een volgende les?’
Zo halen alle studenten de leerstof van de les op in hun geheugen en krijg jij als docent informatie over wie de leerdoelen heeft bereikt en in welke mate. Dat levert je meteen informatie voor de start van de volgende les.
Je moet trouwens niet tot het leseinde wachten om deze korte (formatieve) evaluatiemomenten in te bouwen: via een korte oefening of opdracht kan je ook tijdens de les toetsen of en hoe je als docent je les best bijstuurt (zie het hoofdstuk ‘Hoe begeleid en beoordeel je je studenten?’) voor meer uitleg en tips).
Aan het einde van de les de initiële doelen herhalen laat je toe het bouwplan van het opleidingsonderdeel opnieuw te verduidelijken en de nodige linken te leggen tussen deze les en de volgende lessen. ‘Daar willen we naartoe, hier staan we nu, en dus is dit onze volgende stap.’
Geef je afsluitend een taak of vervolgopdracht aan je studenten? Geef dan duidelijke instructies en zorg ervoor dat deze instructies terug te vinden zijn op het digitaal leerplatform.
Hoofdstuk 1 : je eerste les
Wat is de taak? Is ze vrijblijvend of verplicht?
– Wie dient in (bv. een groepswerk)?
– In welke vorm en via welk bij platform?
– Wat is de einddatum?
– Hoe wordt de opdracht geëvalueerd (wat zijn de specifieke indicatoren of criteria voor evaluatie)?
Zorg voor heldere communicatie zodat je opdracht en de vereisten op geen enkele manier verkeerd begrepen kunnen worden. Communiceer ook waar, wanneer en hoe jij als docent bereikbaar bent voor je studenten en geef richtlijnen over de communicatieprocedures.
En vergeet niet om je studenten te bedanken voor deze les en afscheid te nemen ‘tot de volgende les’.
3 Reflectie
Reflecteer zelf ook even over je eerste les, want een professionele vakexpert leert altijd bij.
✓ Wat liep goed? Wat waren de werkende elementen in mijn les? Waaraan merkte ik dat?
✓ Wat liep minder goed? Wat merkte ik toen? Welke verklaringen zie ik?
✓ Wat doe ik volgende keer zeker opnieuw en wat pak ik de volgende keer anders aan?
Je kan deze reflectie schriftelijk doen (bv. met een sjabloon voor reflectie), mentaal, of met een mentor, een peter/meter of een collega.
Wat je ook (mentaal) noteert hierbij, geef jezelf een schouderklopje of een dikke duim, want je gaf zonet je eerste les in het hoger onderwijs.