


Op een dag kreeg Eise nieuwe buren. De tuin van de buren werd vol gezet met hokken. In die hokken zaten dieren en al die dieren staarden sip voor zich uit.

Eise belde aan. Zijn nieuwe buurjongen deed open.
Hubert-Jan, heette hij.
‘Hallo,’ zei Eise. ‘Zijn die dieren van jou?’
‘Welke die … o ja, die,’ zei Hubert-Jan. ‘Ze zijn saai.’
‘Ik vind dieren nooit saai,’ zei Eise. ‘Zal ik voor ze zorgen?’
‘Niks ervan,’ zei Hubert-Jan. ‘Ze zijn toch niet van jou?’
En hij smeet de deur dicht.

De dieren keken Eise hoopvol aan. ‘Even volhouden nog,’ zei Eise. ‘Straks zijn jullie van mij.’


Thuis pakte Eise zijn Duizend
Dierenboek en keek bij de letter D.
Toen deed hij een warme trui aan, pakte zijn grootste rugzak en trok de kale berg op.
Drie dagen gingen voorbij.
Toen daalde Eise de kale berg af. Hij had geen trui meer aan en zijn rugzak puilde uit.