HOOFDSTUK 5
ANALYSE VAN DE JAARREKENING 1
WAAROM HEBBEN STAKEHOLDERS INTERESSE IN DE JAARREKENING? De jaarrekening van een onderneming bevat een schat aan informatie. Een onderneming zal deze informatie goed analyseren en gebruiken om haar ondernemingsbeleid te voeren. De analyse van de jaarrekening wordt verderop in dit hoofdstuk dan ook uitgebreid besproken. Maar niet alleen de onderneming heeft interesse in de cijfers van haar jaarrekening. Er zijn heel wat stakeholders of belanghebbenden die de onderneming met argusogen volgen.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
139
groepswerk Bespreek in groepjes van twee of drie leerlingen om welke redenen onderstaande stakeholders interesse hebben in de jaarrekening van een onderneming. Noteer je antwoorden in de bijhorende tekstballonnen.
aandeelhouders overheid
werknemers /vakbonden leveranciers
onderneming concurrenten klanten
financiĂŤle instellingen
140
2 2. 1
EXTERNE EN INTERNE JAARREKENING EXTERNE JAARREKENING De externe jaarrekening wordt volgens een wettelijk voorgeschreven schema neergelegd bij de balanscentrale van de NBB. Iedere geïnteresseerde kan die raadplegen. Zoals in het vorige hoofdstuk besproken zijn drie standaardmodellen van toepassing in functie van de grootte van de onderneming: • volledig model voor de grote vennootschappen en al de beursgenoteerde vennootschappen (VOL); • verkort model voor de kleine vennootschappen (VKT); • micromodel voor microvennootschappen (MIC). Deze modellen kan je raadplegen op de website van de NBB. Surf naar www.nbb.be/nl/balanscentrale/opmaken/modellen/modellen-ondernemingen.
2.2
INTERNE JAARREKENING Iedere onderneming is verplicht om een interne jaarrekening op te stellen. Deze jaarrekening wordt enkel door het bedrijf gebruikt en dient voor interne beleidsvoering. Een interne jaarrekening heeft dezelfde structuur als de externe jaarrekening, maar is daarnaast gedetailleerd tot op het niveau van iedere individuele rekening. Op die manier kan een onderneming meer details zien en haar beleid beter bijsturen waar nodig.
Geef aan welke afbeelding een onderdeel uit de interne jaarrekening en welke een onderdeel uit de externe jaarrekening weergeeft. VASTE ACTIVA I. Immateriële vaste activa 211000 Concessies, octrooien, licenties, knowhow, merken 211090 Afschrijvingen en waardeverminderingen II. Materiële vaste activa A. Terreinen en gebouwen 221000 Gebouwen 221090 Afschrijving op gebouwen B. Installaties, machines en uitrusting C. Meubilair en rollend materieel 240000 Meubilair 240090 Afschrijvingen op meubilair 240100 Kantoormachines 240190 Afschrijvingen op kantoormachines 241000 Rollend materieel 241090 Afschrijvingen op rollend materieel D. Leasing en soortgelijke rechten E. Overige materiële vaste activa F. Activa in aanbouw en vooruitbetalingen III. Financiële vaste activa A. Verbonden ondernemingen 1. Deelnemingen
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
21/28 21 21 21 22/27 22 22 22 23 24 24 24 24 24 24 24 25 26 27 28 280/1 280
ACTIVA
Toel.
Oprichtingskosten VASTE ACTIVA
..............................................
6.1
.......................................................
20 21/28
.....................................
6.2
21
........................................
6.3
22/27 22 23 24 25 26 27
Immateriële vaste activa Materiële vaste activa
Codes
Terreinen en gebouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Installaties, machines en uitrusting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Meubilair en rollend materieel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Leasing en soortgelijke rechten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Overige materiële vaste activa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Activa in aanbouw en vooruitbetalingen . . . . . . . . . . . . . Financiële vaste activa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Verbonden ondernemingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Deelnemingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Vorderingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
6.4/6.5.1 28 6.15 280/1 280 281
Ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
6.15
Deelnemingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Vorderingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Andere financiële vaste activa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Aandelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Vorderingen en borgtochten in contanten . . . . .
282/3 282 283 284/8 284 285/8
141
3
DE ONDERDELEN VAN EEN JAARREKENING Een jaarrekening bestaat uit een balans, resultatenrekening en toelichting. Iedereen kent de lekkere boterkoekjes van Jules Destrooper. Wil je meer weten over de activiteiten van Jules Destrooper, surf dan naar www.jules-destrooper.com. We bekijken in dit hoofdstuk de jaarrekening van Jules Destrooper. Die jaarrekening kan je terugvinden bij het onlinelesmateriaal.
3.1
DE BALANS De balans is een foto van de vermogenstoestand van een onderneming op een bepaald ogenblik. Aan de ene kant van een balans heb je de activa of werkmiddelen van de onderneming en aan de andere kant heb je de wijze waarop deze werkmiddelen werden geďŹ nancierd. Dit noemt men de passiva of ďŹ nancieringsbronnen.
Open bij het onlinelesmateriaal de jaarrekening van Jules Destrooper en vul het onderstaande schema van de balans aan.
142
ACTIEF
BALANS
PASSIEF
Oprichtingskosten
Uitgiftepremies Herwaarderingsmeerwaarden Financiële vaste activa Kapitaalsubsidies
VOORZIENINGEN EN UITGESTELDE BELASTINGEN Vorderingen op meer dan één jaar
Overlopende rekeningen
TOTAAL VAN DE ACTIVA
Overlopende rekeningen
TOTAAL VAN DE PASSIVA
Wat stel je vast betreffende het totaal actief en het totaal passief?
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
143
Test je kennis over de balans aan de hand van de volgende stellingen. Antwoord met juist of fout en noteer bij een foute stelling het juiste antwoord. In de tekst op de volgende bladzijden vind je meer uitleg over de verschillende onderdelen van de balans. Die kan je helpen om de vragen te beantwoorden of wanneer je verderop in het hoofdstuk een ratioanalyse maakt. 1
Licenties en octrooien zijn voorbeelden van materiële vaste activa.
2 In een balans staan de activa die het snelst omzetbaar zijn in geld onderaan.
3 Vlottende activa zijn activa die lange tijd in de onderneming blijven. 4 Goodwill is de prijs die iemand bij de overname van een zaak betaalt bovenop de waarde van de
onderneming volgens de boekhouding. 5 Oprichtingskosten zijn geen echte activa en horen in principe niet thuis op een balans.
6 Reserves zijn winsten die een onderneming de vorige jaren heeft behaald. 7 Een ondernemer is bereid goodwill te betalen omwille van de naam, de reputatie en het klanten-
bestand van een onderneming. 8 De aanschaffingswaarde van een machine is gelijk aan de aankoopprijs van het actief + de bijko-
mende kosten zoals bijvoorbeeld installatiekosten. 9 Aandelen die een onderneming koopt, behoren altijd tot de financieel vaste activa.
10 ‘Verworven opbrengsten’ is een overlopende rekening van het passief. 11 Het passief van de balans bestaat uit het eigen vermogen en het vreemd vermogen (inclusief voorzie-
ningen). 12 Kapitaal vormt een schuld op lange termijn aan de ondernemer. 13 De rubrieken van het passief zijn gerangschikt volgens opeisbaarheid, waarbij diegene die het
snelst opeisbaar zijn, onderaan staan. 14 Een onderneming die in de toekomst een kost heeft voor herstellingswerken aan het gebouw
kan hiervoor een herwaarderingswaarde boeken.
144
3.1.1
ACTIVA VASTE ACTIVA 1 Oprichtingskosten Tot deze kosten behoren: • kosten van oprichting en kapitaalverhoging, bv. registratierechten, erelonen notaris, emissiekosten van aandelen …; • kosten bij uitgifte van leningen, bv. dossierkosten. Voor de boekhoudkundige verwerking van deze elementen kan de onderneming ervoor kiezen: • deze bedragen als een kost te boeken en ze dus op een rekening van klasse 6 te registreren. Op die manier worden de bedragen volledig ten laste genomen van het resultaat van het boekjaar waarin ze gemaakt werden; • deze kosten te activeren (men beschouwt ze als een ‘actiefbestanddeel’) en op te nemen in de balans. Net als andere activa worden ze dan jaarlijks afgeschreven. Op die manier legt de onderneming gedurende enkele jaren een kleiner bedrag ten laste van het resultaat. De oprichtingskosten moeten op maximaal vijf jaar volledig afgeschreven zijn. De onderneming schrijft dus minstens 20 % per jaar af. 2 Immateriële vaste activa Immateriële vaste activa zijn ondernemingsmiddelen van niet-lichamelijke aard die gebruikt worden voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten. Ze vertegenwoordigen een ‘recht op …’ en worden: • gekocht bij of verwezenlijkt door derden; • verwezenlijkt door de onderneming zelf. Tot deze activabestanddelen behoren: • kosten van onderzoek en ontwikkeling; De onderneming maakt kosten voor het maken van prototypes, nieuwe producten die gebruikt kunnen worden bij toekomstige activiteiten van de onderneming. • concessies, octrooien, licenties, knowhow, merken; Een concessie is een overeenkomst waarmee een overheidsinstantie de gehele (of gedeeltelijke) exploitatie van een economische activiteit aan een derde uitbesteedt en waarvoor deze derde het exploitatierisico draagt. Een voorbeeld is een contract voor een bedrijf om in een bepaald gebied een grondstof te mogen delven. Een octrooi is het recht om een uitvinding op het gebied van nijverheid te mogen exploiteren. Eventueel kan men dit recht tegen een financiële of materiële vergoeding overdragen aan een ander, die daardoor een licentie bemachtigt. Een licentie is het recht om een product of dienst waar een andere rechtspersoon een octrooi of eigendomsrechten op heeft, commercieel te gebruiken op basis van een financiële of materiële vergoeding. Knowhow is kennis nodig om iets te doen functioneren of te vervaardigen. Een merk heeft als doel om een product of dienst te onderscheiden, een eigen karakter te geven en een reputatie te vestigen. Een merk kan zijn: • een naam • vorm • tekening
• afdruk • stempel • geur
• kleur • slagzin
Bron: www.fons-vernooij.nl (bedrijfseconomische begrippen), www.encyclo.nl
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
145
• goodwill Goodwill vertegenwoordigt de prijs die betaald moet worden voor de verwerving van een onderneming voor zover die hoger is dan de waarde van de actief minus passief-bestanddelen van de verworven onderneming. Of ook: “Het bedrag dat een onderneming bij fusie of overname heeft betaald om gebruik te mogen maken van de activa, de naam en de reputatie van een ander bedrijf.” Bron: www.encyclo.nl
Voorbeeld ACTIEF
Balans RDT op 20../../..
PASSIEF
Gebouwen
50 000,00
Kapitaal
55 000,00
Voorraad handelsgoederen
15 000,00
Leveranciers
12 500,00
Handelsdebiteuren
2 500,00 67 500,00
67 500,00
Voor de overname van deze onderneming moet SMITIS nv 75 000,00 euro betalen. De nettowaarde van RDT bedraagt 67 500,00 euro – 12 500,00 euro = 55 000,00 euro. SMITIS betaalt 75 000,00 euro of 20 000,00 euro meer. Dit bedrag vertegenwoordigt de goodwill. 3 Materiële vaste activa Materiële vaste activa zijn ondernemingsmiddelen van lichamelijke aard die beperkt (indien langer dan één jaar) of onbeperkt gebruikt worden voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten. Voorbeelden hiervan zijn terreinen, installaties, meubilair, machines en zo meer. De aanschaffingswaarde van een vast actief is gelijk aan de aankoopprijs + de bijkomende kosten (bv. registratierechten). Ze wordt in de boekhouding geboekt op een rekening uit klasse 2. In tegenstelling tot de aankoop van handelsgoederen, diensten en diverse goederen beïnvloedt de aankoop van investeringsgoederen niet rechtstreeks het resultaat van de onderneming. Via de afschrijvingen op het einde van het boekjaar worden de investeringsgoederen in het resultaat opgenomen. 4 Financiële vaste activa Wanneer een onderneming controle (medezeggenschap) in een andere onderneming wenst te verwerven; zal ze dit kunnen door aandelen te kopen. Aandelen zijn immers een eigendomsbewijs. In het volledige schema van de jaarrekening vinden we onderstaande uitsplitsing: • verbonden ondernemingen (onderneming A bezit 50 % of meer van de aandelen van onderneming B); • ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat (onderneming A bezit tussen de 10 % en 49 % van onderneming B); • andere financiële vaste activa (onderneming A bezit minder dan 10 % van onderneming B).
146
VLOTTENDE ACTIVA 1 Vorderingen op meer dan één jaar: • uitstel van betaling aan klanten wegens geleverde goederen of diensten; • de klanten krijgen meer dan een jaar uitstel van betaling. 2 Voorraden en bestellingen in uitvoering Voorraden worden ingedeeld naar verschillende soorten. De goederen kunnen aangekocht zijn, of door de onderneming vervaardigd. Soorten voorraden: • Grondstoffen worden in het productieproces verwerkt tot afgewerkte producten. • Hulpstoffen (bv. oliën, smeermiddelen…) worden ingezet om het productieproces vlot te laten verlopen. • Goederen in bewerking zijn nog niet volledig afgewerkt. • Gereed product is volledig afgewerkt. • Handelsgoederen werden door de onderneming aangekocht en zullen zonder of na lichte bewerking (bv. herverpakking) worden verkocht. • Onroerende goederen bestemd voor de verkoop werden aangekocht of zelf gebouwd om ze daarna door te verkopen. Voorraden worden in de balans opgenomen tegen aanschaffingswaarde. De onderneming kan verschillende methodes gebruiken om de waarde van de voorraad te bepalen: • FIFO; • LIFO; • gewogen gemiddelde methode. Bestellingen in uitvoering zijn ‘werken die worden uitgevoerd’ en ‘goederen die worden geproduceerd op bestelling’. Bron: www.pouseele.be
3 Vorderingen op ten hoogste één jaar Deze rubriek omvat vorderingen met een looptijd van ten hoogste een jaar of vorderingen die binnen het jaar vervallen. Deze vorderingen worden verder opgesplitst in: • handelsvorderingen: vorderingen op debiteuren, wegens levering van goederen en diensten; • overige vorderingen: bv. opgevraagd, niet gestort kapitaal, terug te vorderen btw van de fiscus. 4 Geldbeleggingen De onderneming heeft middelen belegd. Bedoeling is deze middelen te laten renderen (opbrengen). 5 Liquide middelen Omvatten: • de kasmiddelen; • tegoeden op zicht bij financiële instellingen.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
147
6 Overlopende rekeningen Overlopende rekeningen maken de overgang tussen twee boekjaren mogelijk. Tot de overlopende rekeningen van de actiefzijde behoren: • over te dragen kosten: kosten die in het huidige boekjaar werden geregistreerd, maar die (gedeeltelijk) ten laste van het volgende boekjaar gelegd zullen worden. Schematisch kan je dat voorstellen als volgt: Huidig boekjaar Registreren van een kost
Volgend boekjaar Balansdatum Gedeelte van de kost is niet verbruikt
UITSTELLEN van de kost
Voorbeeld Op 15 oktober werd voor 3 000,00 euro stookolie aangekocht. Op balansdatum is slechts 2 000,00 euro verbruikt. De overige 1 000.00 euro worden overgebracht naar het volgende boekjaar. • verworven opbrengsten: opbrengsten die pas tijdens het volgende boekjaar geïnd zullen worden, maar die betrekking hebben op het huidige boekjaar. Schematisch kan je dat voorstellen als volgt: Huidig boekjaar
Volgend boekjaar Balansdatum
Registreren van een opbrengst
ANTICIPEREN op de opbrengst Voorbeeld Tijdens het huidige boekjaar presteerde de onderneming bepaalde diensten. De commissie (vergoeding) hiervoor zal ze pas ontvangen eind januari. De onderneming zal deze opbrengst op balansdatum opnemen in het resultaat van het huidige boekjaar.
3.1.2
PASSIVA Passiva omvatten de financieringsbronnen van de onderneming. Daaronder verstaan we bijvoorbeeld het door de aandeelhouders ingebrachte kapitaal, de schulden bij kredietinstellingen, leveranciers, voorzieningen die worden aangelegd met het oog op te verwachten uitgaven. Bron: www.nbb.be
EIGEN VERMOGEN 1 Kapitaal De ondernemer of aandeelhouders hebben bij de start van de onderneming middelen blijvend ter beschikking gesteld.
148
2 Herwaarderingsmeerwaarden Wanneer de waarde van bepaalde vaste activa (materiële en financiële vaste activa) “op vaststaande en blijvende wijze uitstijgt boven de boekwaarde”, kan de onderneming een herwaarderingsmeerwaarde registreren. Deze meerwaarde vormt: • een toename van de waarde van het actiefbestanddeel (debiteren van actiefrekening); • een niet gerealiseerd vermogen. Dat vormt zeker (nog) geen opbrengst en zal aanleiding geven tot het crediteren van een passiefrekening, in dit geval een rekening uit de groep 12. Voorbeeld Ten gevolge van een aanpassing van de bestemmingsplannen wijzigt een terrein waarover de onderneming beschikt van landbouwgrond in bouwgrond. De waarde van het perceel stijgt daardoor aanzienlijk. 3 Reserves De winsten die de onderneming maakt, zullen niet worden uitgekeerd, maar blijven behouden binnen het bedrijf. Soorten: • wettelijke reserves: 5 % van de winst van het boekjaar zal worden gereserveerd (bij wet bepaald) tot de reserve 10 % van het geplaatste kapitaal bedraagt. • onbeschikbare reserves: De reserves kunnen niet worden gebruikt bij gewone meerderheid op de algemene vergadering van de aandeelhouders. • beschikbare reserves: worden gevormd door: • statutaire bepalingen; • beslissingen bij gewone meerderheid op de algemene vergadering van de aandeelhouders. 4 Overgedragen resultaat Naar aanleiding van de resultaatverdeling geeft de onderneming nog geen definitieve bestemming aan deze bedragen. Bij de winstverdeling van het volgende boekjaar zal: • de overgedragen winst bij het resultaat van dat boekjaar worden gevoegd; • het overgedragen verlies in mindering worden gebracht van het resultaat van dat boekjaar. Overgedragen winst vormt een toename van het eigen vermogen, overgedragen verlies een vermindering van het eigen vermogen. 5 Voorzieningen en uitgestelde belastingen Voorzieningen voor risico’s en kosten hebben als doel “het dekken van verliezen of kosten die op de balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, maar waarvan het bedrag niet vaststaat”(art. 50 KB 30-01-01) Voorzieningen kunnen worden gevormd voor: • verplichtingen wegens rust- en overlevingspensioenen; • kosten voor grote herstellings- en onderhoudswerken; • kosten voortvloeiend uit onder andere technische waarborgen verbonden aan verrichte verkopen of diensten.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
149
VREEMD VERMOGEN 1 Schulden op meer dan een jaar Omvat schulden met een looptijd van meer dan een jaar. Onderverdeeld in: • financiële schulden: onder meer verplichtingen die de onderneming is aangegaan naar aanleiding van leningen; • handelsschulden: wegens aankopen in het kader van de bedrijfsvoering; • overige schulden: alle schulden die niet in de andere categorieën kunnen worden opgenomen. 2 Schulden op ten hoogste een jaar Omvat: • schulden op meer dan een jaar die binnen het boekjaar vervallen, bv. een deel van een lening op meer dan één jaar moet in de loop van het boekjaar aan de financiële instelling worden terugbetaald. • schulden met een looptijd van ten hoogste een jaar. Belangrijke elementen hierbij zijn: • handelsschulden; • schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten, bv.: • ingehouden voorheffingen; • rsz; • bezoldigingen. 3 Overlopende rekeningen Tot de overlopende rekeningen van de passiefzijde behoren: • toe te rekenen kosten: kosten die pas in het volgende boekjaar betaald zullen worden, maar die betrekking hebben op het huidige boekjaar. Schematisch kan je dat als volgt voorstellen: Huidig boekjaar
Volgend boekjaar Balansdatum
Betalen van een kost
ANTICIPEREN op een kost
Voorbeeld De intresten op een aangegane lening moeten pas in de loop van het volgende jaar worden betaald. De intresten voor de in het huidige boekjaar verlopen maanden moeten ten laste worden gelegd van het huidige boekjaar.
150
• over te dragen opbrengsten: opbrengsten die in de loop van het huidige boekjaar werden geïnd. Ze hebben (gedeeltelijk) betrekking op het volgende boekjaar. Schematisch kan je dat als volgt voorstellen: Huidig boekjaar
Volgend boekjaar
Registreren van een opbrengst
Balansdatum
Opbrengst heeft (gedeeltelijk) betrekking op volgend boekjaar
UITSTELLEN van een opbrengst
Voorbeeld Een onderneming verhuurt een magazijn. De huurder betaalde de huurgelden (opbrengst) vooruit. De huuropbrengsten die betrekking hebben op het volgende boekjaar moeten worden ‘uitgesteld’ (bij het resultaat van volgend boekjaar worden gevoegd).
3.2
RESULTATENREKENING EN RESULTAATVERWERKING De resultatenrekening geeft een overzicht van de kosten en opbrengsten van een onderneming gedurende een boekjaar. We maken hierbij een onderscheid tussen bedrijfskosten/opbrengsten en financiële kosten/opbrengsten.
3.2.1
DE RESULTATENREKENING
Bedrijfsopbrengsten — Bedrijfskosten ______________________ = Bedrijfswinst (-verlies) + Financiële opbrengsten — Financiële kosten ______________________ = Winst/verlies van het boekjaar voor belastingen +/— onttrekking of overboeking aan/naar uitgestelde belastingen — belastingen op het resultaat ______________________ =
Hoofdstuk 5
Winst (verlies) van het boekjaar
Analyse van de jaarrekening
151
1 Bedrijfsopbrengsten Tot de bedrijfsopbrengsten behoren alle opbrengsten die een onderneming haalt uit de normale bedrijfsvoering. De belangrijkste bedrijfsopbrengsten vormen de verkopen of de omzet. De rubriek andere bedrijfsopbrengsten zijn opbrengsten die een onderneming haalt uit bijvoorbeeld een meerwaarde op de verkoop van een vast actief, of subsidies die de onderneming van de overheid ontvangt. In de toelichting (zie 3.3) kan je meer informatie over deze rubriek terugvinden. De niet-recurrente bedrijfsopbrengsten zijn opbrengsten die eenmalig zijn en dus niet regelmatig voorkomen. 2 Bedrijfskosten Dit zijn de kosten die kaderen binnen de gewone bedrijfsuitvoering. • Handelsgoederen, grond- en hulpstoffen: niet alleen de kosten wegens aankopen worden ingebracht, de wijzigingen in de voorraad hebben ook een effect op de geregistreerde kosten; • Diensten en diverse goederen: kosten zoals elektriciteit, water, telefoon, drukwerken worden onder deze post opgenomen; • Bezoldigingen en sociale lasten: kosten in verband met personeel (lonen en werkgeversbijdragen); • Afschrijvingen, waardeverminderingen op vaste activa: de jaarlijkse afschrijvingen op activa vormen voor de onderneming een kost; • Waardeverminderingen op voorraden en handelsvorderingen: voorraden kunnen in waarde verminderen (bv. wegens veroudering of beschadiging) of klanten kunnen in betalingsmoeilijkheden komen, waardoor de onderneming haar vordering in waarde ziet dalen; • Voorzieningen voor risico’s en kosten: een onderneming kan een bedrag opzijzetten voor een kost die zij in de toekomst zal maken, bijvoorbeeld grote herstellingswerken aan een gebouw of machine; • Andere bedrijfskosten: kosten die niet in de vorige posten kunnen worden opgenomen. Bv. bedrijfstaksen en belastingen; • Niet-recurrente bedrijfskosten: kosten die eenmalig zijn en dus niet regelmatig voorkomen. 3 Financiële opbrengsten Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen recurrente en niet-recurrente financiële opbrengsten. Recurrente financiële opbrengsten zijn opbrengsten die regelmatig voorkomen: • opbrengsten uit financiële vlottende activa, zoals intresten op een spaarrekening of dividenden van aandelen; • andere financiële opbrengsten: opbrengsten uit wisselresultaten van vreemde valuta. Niet-recurrente financiële opbrengsten zijn opbrengsten die eenmalig zijn en dus niet regelmatig voorkomen. Bv. te veel geld in de kassa op het einde van de dag. 4 Financiële kosten Financiële kosten bestaan uit recurrente financiële kosten en niet-recurrente financiële kosten. Recurrente financiële kosten zijn kosten die regelmatig terugkeren zoals: • intresten op leningen die je moet betalen; • kosten die voortvloeien uit wisselresultaten van vreemde valuta. Niet-recurrente financiële kosten zijn financiële kosten die eenmalig zijn en dus niet regelmatig voorkomen. Bv. een kastekort op het einde van de dag. In de toelichting (zie 3.3) vind je telkens meer informatie over de financiële kosten en opbrengsten.
152
OPMERKING +/- onttrekking of overboeking aan/naar uitgestelde belastingen In bepaalde gevallen kan een onderneming een uitstel van belastingen krijgen. Bij een verkoop van een vast actief (bv. gebouw) kan men de meerwaarde die de onderneming hierop realiseert, gespreid in de tijd laten belasten in plaats van in één keer het volledige bedrag te moeten betalen. Daarvoor moet men dan een overboeking naar de uitgestelde belastingen boeken. We gaan hier niet verder op in omdat dit leerstof is voor het hoger onderwijs.
3.2.2
RESULTAATVERWERKING In de resultaatverwerking kan je zien wat een onderneming met haar winst of verlies doet. In principe zijn er twee mogelijkheden: • Er kan worden beslist om de winst in het bedrijf te houden voor latere investeringen; • of om de winst uit te keren aan de rechthebbenden zoals bv. de aandeelhouders. Indien een onderneming de winst in het bedrijf houdt kan ze dit doen door reserves aan te leggen of de winst over te dragen naar een volgend boekjaar. RESULTAATVERWERKING Codes Te bestemmen winst (verlies) (+)/(-) Te bestemmen winst (verlies) van het boekjaar (+)/(-) Overgedragen winst (verlies) van het vorige boekjaar (+)/(-)
9906 9905 14P
Onttrekking aan het eigen vermogen Aan het kapitaal en de uitgiftepremies Aan de reserves
791/2 791 792
Toevoeging aan het eigen vermogen Aan het kapitaal en de uitgiftepremies Aan de wettelijke reserve Aan de overige reserves
691/2 691 6920 6921
Over te dragen winst (verlies)
(+)/(-)
Boekjaar
Vorig boekjaar
419 333 419 333
568 530 568 530
419 333
268 530
419 333
268 530
14
Tussenkomst van de vennoten in het verlies
794
Uit te keren winst Vergoeding van het kapitaal Bestuurders of zaakvoerders Werknemers Andere rechthebbenden
694/7 694 695 696 697
300 000 300 000
Beantwoord onderstaande vragen: 1
Hoeveel bedraagt de winst of het verlies? • In het huidige boekjaar • In het vorige boekjaar
2 Ga na in de jaarrekening of er overgedragen winst was in het vorige boekjaar. Wat stel je vast?
Indien een onderneming een deel van het resultaat heeft overgedragen naar het volgende boekjaar (code 14p), kan de algemene vergadering in dat volgende boekjaar beslissen wat ze met de winst gaat doen. Ze kan die opnieuw overdragen, toevoegen aan de reserves of uitkeren.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
153
3 Wat heeft de onderneming met het resultaat gedaan? Leg je antwoord uit.
• In het huidige boekjaar
.
• In het vorige boekjaar
4 Wat is de wettelijke reserve?
5 Verklaar aan de hand van cijfers uit de jaarrekening waarom Jules Destrooper geen deel van de
winst toevoegt aan de wettelijke reserve in het huidige en vorige boekjaar.
6 Wat is de betekenis van ‘vergoeding van het kapitaal’?
OPMERKING Tussenkomst van de vennoten in het verlies: Een bedrijfsleider kan de verliezen van een vennootschap ten laste nemen. Hij moet dan het ten laste genomen bedrag effectief storten aan de vennootschap en de vennootschap moet met deze liquide middelen haar verliezen effectief aanzuiveren. Voor een bedrijfsleider vormen de ten laste genomen verliezen dan een aftrekbare beroepskost in de personenbelasting.
3.3
DE TOELICHTING In de toelichting van de jaarrekening vind je meer informatie over de bedragen van de balans en resultatenrekening. We leggen dit uit aan de hand van het meubilair en het rollend materieel van Jules Destrooper. Open opnieuw de jaarrekening van Jules Destrooper. 1
Hoeveel bedraagt de waarde van het meubilair en rollend materieel in het huidige boekjaar?
In de toelichting kan je nu nagaan hoe men aan dit bedrag komt. 2 Hoeveel bedraagt de aanschaffingswaarde op het einde van het vorige boekjaar?
154
3 Welke veranderingen (mutaties) zijn er in het huidige boekjaar gebeurd? 4 Hoeveel bedraagt dan de aanschaffingswaarde op het einde van het huidige boekjaar? 5 Zijn er meerwaarden gerealiseerd op de verkoop van bepaalde activa? 6 Voor welk bedrag is het meubilair en rollend materieel tot eind vorig boekjaar al afgeschreven? 7 Welke afschrijvingen zijn er dit boekjaar gebeurd? 8 Het totale bedrag aan afschrijvingen en waardeverminderingen bedraagt …
De nettoboekwaarde is het bedrag dat in de eindbalans wordt opgenomen. Je kan dat in dit voorbeeld berekenen door de aanschaffingswaarde per einde van het boekjaar te verminderen met de afschrijvingen en waardeverminderingen per einde van het boekjaar. In cijfers krijg je dan:
Codes
Boekjaar
8193P
xxxxxxxxx
8163 8173 8183
109 378
Aanschaffingswaarde per einde van het boekjaar Meerwaarden per einde van het boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar Geboekt
8193 8253P
1 853 687 xxxxxxxxx
Verworven van derden Afgeboekt Overgeboekt van een post naar een andere Meerwaarden per einde van het boekjaar Afschrijvingen en waardeverminderingen per einde van het boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar Geboekt Teruggenomen Verworven van derden Afgeboekt na overdrachten en buitengebruikstellingen Overgeboekt van een post naar een andere Afschrijvingen en waardeverminderingen per einde van het boekjaar
8223 8233 8243 8253
Vorig boekjaar
MEUBILAIR EN ROLLEND MATERIEEL Aanschaffingswaarde per einde van het boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar Aanschaffingen, met inbegrip van de geproduceerde vaste activa Overdrachten en buitengebruikstellingen Overboekingen van een post naar een andere (+)/(-)
NETTOBOEKWAARDE PER EINDE VAN HET BOEKJAAR
1 744 308
8213
(+)/(-)
8323P
(+)/(-)
8273 8283 8293 8303 8313 8323 24
xxxxxxxxx
1 639 988
72 194
1 712 182 141 505
Bron: Jaarrekening Jules Destrooper
In de toelichting over de schulden vind je meer informatie over de looptijd van de schulden. Welk deel van het bedrag van de “schulden op meer dan 1 jaar” loopt over een looptijd van hoogstens vijf jaar en welk deel over een looptijd van meer dan vijf jaar?
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
155
1
In de resultatenrekening van Jules Destrooper vind je voor 510 543 euro aan andere bedrijfsopbrengsten. Zoek in de toelichting op wat hiermee wordt bedoeld.
2 Waaruit bestaan de recurrente financiële opbrengsten van Jules Destrooper? 3 Hoeveel werkgeversbijdragen aan de RSZ heeft Jules Destrooper betaald?
De sociale balans wordt (vanaf 2016) als een afzonderlijk document neergelegd bij de NBB. De sociale balans is het document waarmee ondernemingen rapporteren over hun werkgelegenheid en hun inspanningen op het vlak van opleiding. Voortaan maakt de sociale balans geen deel meer uit van de toelichting van de jaarrekening. In de sociale balans vind je drie onderdelen terug: • staat van de tewerkgestelde personen; • tabel van het personeelsverloop tijdens het boekjaar; • inlichtingen over de opleidingen voor de werknemers tijdens het boekjaar.
Beantwoord volgende vragen aan de hand van de sociale balans van Jules Destrooper. 1
Hoeveel bedraagt het gemiddeld aantal VTE bij Jules Destrooper?
2 Hoeveel arbeiders en hoeveel bedienden werken bij Jules Destrooper? 3 Wat is het gemiddelde opleidingsniveau bij de mannen? 4 Wat is het gemiddelde opleidingsniveau bij de vrouwen? 5 Welke kosten heeft Jules Destrooper besteed aan uitzendkrachten? 6 Hoeveel personen zijn er aangeworven en hoeveel personen hebben het bedrijf verlaten? 7 Welk bedrag heeft de onderneming besteed aan opleiding voor de werknemers? 8 Hoeveel werknemers zijn er bij de opleiding betrokken? 9 Volgens de nieuwe wetgeving moeten bedrijven in de toekomst jaarlijks gemiddeld vijf dagen op-
leiding voorzien voor ieder voltijds equivalent. Voldoet Jules Destrooper aan deze verplichting?
156
synthese 1 STAKEHOLDERS Stakeholders of belanghebbenden van een onderneming kunnen interesse vertonen in de jaarrekening van de onderneming: • Aandeelhouders Aandeelhouders hebben recht op een dividend. Ze zullen de winst en de uitkering ervan nauwlettend in de gaten houden. Bovendien wil een aandeelhouder op de hoogte blijven van de financiële toestand van de onderneming. Wanneer de financiële toestand verslechtert, zal een aandeelhouder overwegen om zijn aandelen al dan niet te verkopen. • Financiële instellingen Kredietverstrekkers, zoals banken, zullen via de jaarrekening de kredietwaardigheid (solvabiliteit) van de onderneming onderzoeken. Als een bank oordeelt dat de onderneming niet in staat is om haar schulden terug te betalen, zal zij geen krediet aan de onderneming verstrekken. • Leveranciers Vooraleer een leverancier beslist om goederen te leveren, wil hij er zeker van zijn dat de onderneming in staat is haar verplichtingen na te komen en facturen tijdig te betalen. • Concurrenten Concurrenten kunnen op basis van de jaarrekening hun activiteiten met die van een ander bedrijf vergelijken. Bij een overname van een bedrijf zal de overnemer de jaarrekeningen grondig bestuderen om een overnameprijs te bepalen. • Werknemers/vakbonden Werknemers/vakbonden kunnen zich door middel van de jaarrekening van hun bedrijf een beeld vormen van de richting die het bedrijf uitgaat en de mogelijke gevolgen daarvan voor de werkzekerheid van het personeel. • Klanten Klanten zullen maar bereid zijn om goederen en diensten van een bedrijf te kopen als het bedrijf gezond is en ook in de toekomst de levering van goederen en diensten kan verzekeren. Op deze manier kunnen zij een duurzame relatie ontwikkelen met het bedrijf. • Overheid De overheid zal voor haar controle op de belastingen en het verwerven van statistische informatie ook belangstelling hebben in de jaarrekening van een onderneming.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
157
synthese 2 EXTERNE EN INTERNE JAARREKENING De externe jaarrekening wordt volgens een wettelijk voorgeschreven schema neergelegd bij de balanscentrale van de NBB. Ze kan door iedere geïnteresseerde geraadpleegd worden. Een interne jaarrekening heeft dezelfde structuur als de externe jaarrekening, maar wordt enkel door het bedrijf gebruikt en dient voor interne beleidsvoering. Een jaarrekening bestaat uit: • de balans: alle bezittingen (activa of werkmiddelen) en schulden (passiva of financieringsbronnen) van de ondernemingen; • de resultatenrekening: alle kosten en opbrengsten van de onderneming; • de toelichting: informatie over de bedragen in de balans en resultatenrekening. In de resultaatverwerking kun je nagaan wat de onderneming met haar winst gedaan heeft. 3 SOCIALE BALANS De sociale balans is het document waarmee ondernemingen rapporteren over hun werkgelegenheid en hun inspanningen betreffende opleiding. De sociale balans wordt als afzonderlijk document neergelegd bij de NBB. In de sociale balans vind je drie onderdelen terug: • staat van de tewerkgestelde personen; • tabel van het personeelsverloop tijdens het boekjaar; • inlichtingen over de opleidingen voor de werknemers tijdens het boekjaar.
158
4
HORIZONTALE ANALYSE VAN DE BALANS EN RESULTATENREKENING. Aan de hand van verschillende jaarrekeningen kan een bedrijf een verticale en horizontale analyse maken. Op die manier krijgt een onderneming inzicht in: • het belang van de verschillende rubrieken in de jaarrekening (= verticale analyse); • de evolutie van de rubrieken uit de balans en resultatenrekening (= horizontale analyse).
4.1
HORIZONTALE ANALYSE VAN DE BALANS Via de horizontale analyse bestuderen we de evolutie in de tijd van de verschillende rubrieken van de balans en resultatenrekening. Hiervoor nemen we het eerste boekjaar als basisjaar en stellen we de bedragen van het eerste boekjaar gelijk aan 100 % . De evolutie van iedere rubriek uit boekjaar 2 en 3 drukken we uit in procent ten opzichte van het basisjaar.
Formule
Cijfer lopend boekjaar
x 100
Cijfer basisjaar Voorbeeld ACTIVA
Codes
VASTE ACTIVA
21/28
Boekjaar 1 2.648.708,00
Boekjaar 2 2.649.537,00
Boekjaar 3 2.700.012,00
De evolutie van de vaste activa van boekjaar 2 ten opzichte van boekjaar 1 (basisjaar) kunnen we als volgt berekenen. 2 649 537
x 100 = 100,03 %
2 648 708 Betekenis: in vergelijking met boekjaar 1 is de waarde van de vaste activa met slechts 0,03 % toegenomen. Open het bestand JulesDS.xslx bij het onlinelesmateriaal. Hierin vind je de jaarrekening van onderneming Jules Destrooper. De boekjaren staan in oplopende volgorde. Boekjaar 3 is dus het meest recente boekjaar.
3 Plaats de cursor in cel D5 van het werkblad Horizontale analyse balans en geef het =-teken in. Iedere formule in Excel begint met dit teken. Selecteer vervolgens cel D5 in het werkblad Balans. In de cel verschijnt =Balans!D5. Typ het deelteken / in en selecteer cel C5 in het werkblad Balans. De formule wordt dan =Balans!D5/Balans!C5 Als je nu op enter klikt, verschijnt het cijfer 1,0003. Maak van dit cijfer een percentage door in het tabblad Start op het procentteken te klikken.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
159
1
Noteer hieronder de Excelformule om de evolutie van boekjaar 3 ten opzichte van het basisjaar te berekenen.
2 Pas de formule in de cel D5 in boekjaar 2 aan zodat bij het kopiëren naar cel E5 de juiste formule
verschijnt. Kopieer vervolgens de formule voor alle vaste activa. ACTIVA
Codes
Boekjaar 1
Oprichtingskosten
20
100,00 %
VASTE ACTIVA
21/28
100,00 %
Boekjaar 2
Boekjaar 3
100,03 %
101,94 %
Immateriële vaste activa
21
100,00 %
0,00 %
68 069,05 %
Materiële vaste activa
22/27
100,00 %
100,03 %
99,78 %
Terreinen en gebouwen
22
100,00 %
91,25 %
85,38 %
Installaties, machines en uitrusting
23
100,00 %
134,95 %
146,87 %
Meubilair en rollend materieel
24
100,00 %
75,98 %
103,06 %
Leasing en soortgelijke rechten
25
100,00 %
100,00 %
100,05 %
100,00 %
100,05 %
100,00 %
100,05 %
Overige materiële vaste activa
26
100,00 %
Activa in aanbouw en vooruitbetalingen
27
100,00 %
Financiële vaste activa
28
100,00 %
Verbonden ondernemingen
280/1
100,00 %
Deelnemingen
280
100,00 %
Vorderingen
281
100,00 %
Ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat
282/3
100,00 %
Deelnemingen
282
100,00 %
Vorderingen
283
100,00 %
Andere financiële vaste activa
284/8
100,00 %
Aandelen
284
100,00 %
Vorderingen en borgtochten in contanten
285/8
100,00 %
5
3 Hoe komt het dat er in bepaalde cellen #DEEL/0! verschijnt?
Dit probleem kan je oplossen door gebruik te maken van een Als-functie. Om je kennis hierover op te frissen kan je Excelfiche 5 uit het handboek ICT-integratie raadplegen. We gaan er nu voor zorgen dat als in het basisjaar de waarde 0 bedraagt, er een leeg veld verschijnt in plaats van #DEEL/0!: • Pas de formule in cel D5 aan als volgt: =ALS(Balans!$C5=0;””;Balans!D5/Balans!$C5) • Kopieer de formule opnieuw voor de volledige balans.
160
4.2
HORIZONTALE ANALYSE VAN DE RESULTATENREKENING Ga naar het werkblad ‘Horizontale analyse resrek’ en stel, zoals bij de balans, een passende formule op die je kan kopiëren voor alle boekjaren. Noteer hieronder je formule:
Je resultaat moet eruitzien zoals hieronder weergegeven: RESULTATENREKENING Codes Bedrijfsopbrengsten
Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
70/76A
100,00 %
107,84 %
113,06 %
Omzet
70
100,00 %
107,01 %
114,02 %
Wijziging in de voorraad goederen in bewerking en gereed product en in de bestellingen in uitvoering (toename +, afname -)
71
100,00 %
-61,56 %
358,54 %
Geproduceerde vaste activa
72
100,00 %
Andere bedrijfsopbrengsten
74
100,00 %
94,44 %
140,04 %
Niet-recurrente bedrijfsopbrengsten
76A
100,00 %
Bedrijfskosten ( - )
60/66A
100,00 %
111,49 %
121,59 %
Handelsgoederen, grond- en hulpstoffen
60
100,00 %
109,30 %
113,47 %
1 Aankopen
600/8
100,00 %
110,67 %
118,39 %
2 Wijzigingen in de voorraad (toename -, afname +)
609
100,00 %
438,35 %
1 293,91 %
Diensten en diverse goederen
61
100,00 %
116,89 %
129,44 %
Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen
62
100,00 %
102,12 %
105,98 %
Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op IVA en MVA
630
100,00 %
82,94 %
94,84 %
Waardeverminderingen op voorraden, biu en handels- (+) toevoeging (-)terugneming vorderingen
631/4
100,00 %
1 083,65 %
-747,98 %
Voorzieningen voor risico's en kosten
635/8
100,00 %
0,00 %
-12,30 %
Andere bedrijfskosten
640/8
100,00 %
115,53 %
126,22 %
Niet-recurrente bedrijfskosten
66/A
100,00 %
177,97 %
315,50 %
9901
100,00 %
67,50 %
18,78 %
75/76B
100,00 %
47,94 %
131,73 %
47,94 %
131,73 %
Bedrijfswinst ( + ) Financiële opbrengsten Recurrente financiële opbrengsten
75
100,00 %
Opbrengsten uit financiële vaste activa
750
100,00 %
Opbrengsten uit vlottende activa
751
100,00 %
112,78 %
92,69 %
Andere financiële opbrengsten
752/9
100,00 %
30,29 %
142,35 %
Niet-recurrente financiële opbrengsten
76B
100,00 %
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
161
RESULTATENREKENING (vervolg) Codes Financiële kosten ( - )
65/66B
Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
100,00 %
66,12 %
56,93 %
Recurrente financiële kosten
65
100,00 %
66,12 %
56,93 %
Kosten van schulden
650
100,00 %
48,84 %
23,86 %
Waardeverminderingen op vlottende activa andere dan voorraden en biu en handelsvord
651
100,00 %
Andere financiële kosten
652/9
100,00 %
87,92 %
98,64 %
Niet-recurrente financiële kosten
66B
100,00 % 100,00 %
65,75 %
22,58 %
72,31 %
36,08 %
Winst/verlies van het boekjaar voor belasting
9903
Onttrekking aan de uitgestelde belastingen
780
100,00 %
Overboeking naar de uitgestelde belastingen
680
100,00 %
Belastingen op het resultaat ( - ) ( + )
67/77
100,00 %
63,41 %
27,09 %
Belastingen ( - )
670/3
100,00 %
63,17 %
26,99 %
Regularisatie van belastingen en terugneming van voorzieningen van belastingen
77
100,00 %
0,29 %
0,00 %
100,00 %
66,83 %
20,91 %
72,31 %
33,99 %
28,89 %
21,31 %
Winst van het boekjaar ( + )
9904
Onttrekking aan de belastingvrije reserves
789
100,00 %
Overboeking naar de belastingvrije reserves
689
100,00 %
Te bestemmen winst van het boekjaar
9905
100,00 %
Conclusies uit de horizontale analyse: Uit de horizontale analyse van de balans en resultatenrekening kan een onderneming besluiten trekken over de evolutie van bepaalde posten. We geven hieronder enkele belangrijke mogelijkheden voor de balans. Vaste activa • Een toename van de vaste activa kan wijzen op: • een toename van investeringen in vaste activa; • een herwaardering van activa. • Een afname van vaste activa kan wijzen op een daling van investeringen. Voorraden • Een toename van de voorraden bij een stijging van de omzet kan betekenen dat: • het een normale aanpassing van de productie aan de marktevolutie is; • de onderneming anticipeert op een stijging van de vraag indien de voorraad sneller groeit dan de omzet. • Een toename van de voorraden bij een daling van de omzet kan betekenen dat: • er slecht beheer van de voorraad is, bv. door verouderde voorraad die moeilijk verkoopbaar is. • Een afname van de voorraad bij een stijging van de omzet kan betekenen dat: • er onvoldoende investeringen van het bedrijf zijn, waardoor er niet voldoende kan worden geproduceerd; • een bedrijf een gebrek aan opslagmogelijkheden heeft. • Een afname van de voorraad bij een daling van de omzet kan betekenen dat: • er een normale aanpassing van de productie aan de evolutie van de markt gebeurt.
162
Handelsdebiteuren • Een toename van de handelsvorderingen bij een stijging van de omzet kan betekenen dat: • als de handelsvorderingen sneller stijgen dan de omzet, er meer betalingsuitstel aan de klanten gegeven wordt; • het een aanpassing aan een normale marktevolutie is. • Een toename van de handelsvorderingen bij een daling van de omzet kan betekenen dat: • er een aantal moeilijk te innen handelsvorderingen zijn; • er problemen zijn op de afdeling van de klantenadministratie. • Een afname van de handelsvorderingen bij een stijging van de omzet kan betekenen dat: • er een snellere inning van de handelsvorderingen is. • Een afname van de handelsvorderingen bij een daling van de omzet kan betekenen dat: • er een aanpassing is aan de marktevolutie; • als de handelsvorderingen sneller dalen dan de omzet, er een betere inning is van de handelsvorderingen. Eigen vermogen • Een stijging van het eigen vermogen kan betekenen dat: • er een kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden; • er een stijging is van overgedragen winst; • er een stijging is van de reserves. • Een daling van het eigen vermogen kan betekenen dat: • er een afname van het kapitaal is door een terugbetaling van het kapitaal; • er een toename is van de overgedragen verliezen. Leveranciers • Een stijging van de leveranciersschulden kan betekenen dat: • er bij een daling van de aankopen een langer betalingsuitstel door de leverancier gegeven wordt; • bij een stijging van de aankopen kan dit een normale marktevolutie zijn. • Een daling van de leveranciersschulden kan betekenen dat: • bij een stijging van de aankopen het bedrijf schulden sneller terugbetaalt; • bij een daling van de aankopen er een normale aanpassing is aan de marktevolutie.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
163
5
VERTICALE ANALYSE VAN DE BALANS EN RESULTATENREKENING
5.1
VERTICALE ANALYSE VAN DE BALANS Bij een verticale analyse van de balans stellen we het balanstotaal gelijk aan 100 %. Elk onderdeel van de balans wordt dan uitgedrukt in een procent van het balanstotaal. Op deze manier krijg je inzicht in de procentuele samenstelling van de werkmiddelen en financieringsbronnen van een onderneming. In het werkblad ’Verticale analyse balans’ maken we de verticale analyse van de balans. We starten met boekjaar 1. Als eerste stellen we in cellen C47 en C102 het totaal actief en het totaal passief gelijk aan 100 %. Om vervolgens te weten hoeveel procent een rubriek of post uitmaakt van de totale activa of passiva delen we het bedrag van de rubriek door het totaalbedrag van het actief of passief. We typen deze bedragen niet zelf in, maar verwijzen naar de juiste cellen in het werkblad balans.
3 Plaats de cursor in cel C5 van het werkblad Verticale analyse van de balans en geef het =-teken in. Iedere formule in Excel begint met dit teken. Selecteer vervolgens cel C5 in het werkblad Balans. In de cel verschijnt =Balans!C5. Typ het deelteken / en selecteer cel C47 in het werkblad balans. Als je nu op enter klikt, verschijnt het cijfer 0,1288. Maak van dit cijfer een percentage door in het tabblad Start op het procentteken te klikken.
1
Verklaar de betekenis van het cijfer 12,88 %.
2 Pas de formule aan zodat die in één keer gekopieerd kan worden voor alle rubrieken van alle
boekjaren.
164
Je resultaat moet er als volgt uitzien: ACTIVA
Hoofdstuk 5
Codes
Boekjaar 1
Oprichtingskosten
20
VASTE ACTIVA
21/28
Immateriële vaste activa
21
Materiële vaste activa
22/27
Terreinen en gebouwen
22
9,35 %
Installaties, machines en uitrusting
23
2,81 %
Meubilair en rollend materieel
24
0,67 %
Leasing en soortgelijke rechten
25
Overige materiële vaste activa
26
Activa in aanbouw en vooruitbetalingen
27
Financiële vaste activa
28
Verbonden ondernemingen
280/1
Deelnemingen
280
Vorderingen
281
Ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat
282/3
Deelnemingen
282
Vorderingen
283
Andere financiële vaste activa
284/8
Aandelen
284
12,88 % 0,00 % 12,83 %
0,05 %
0,05 %
Vorderingen en borgtochten in contanten
285/8
0,05 %
VLOTTENDE ACTIVA
29/58
87,12 %
Vorderingen op meer dan één jaar
29
Handelsvorderingen
290
Overige vorderingen
291
Voorraden en bestellingen in uitvoering
3
8,95 %
Voorraden
30/36
8,95 %
Grond- en hulpstoffen
30/31
6,96 %
Goederen in bewerking
32
0,88 %
Gereed product
33
1,11 %
Handelsgoederen
34
Onroerende goederen bestemd voor verkoop
35
Vooruitbetalingen
36
Bestellingen in uitvoering
37
Vorderingen op ten hoogste één jaar
40/41
75,68 %
Handelsvorderingen
40
39,70 %
Overige vorderingen
41
35,98 %
Geldbeleggingen
50/53
Eigen aandelen
50
Overige beleggingen
51/53
Liquide middelen
54/58
1,44 %
Overlopende rekeningen
490/1
1,05 %
TOTAAL VAN DE ACTIVA
20/58
100 %
Analyse van de jaarrekening
165
OPMERKING Je kan vaststellen dat als de waarde nul is, er geen cijfer wordt weergegeven. Deze optie kan je gemakkelijk instellen in je rekenblad. Klik op het menu Bestand, selecteer Opties en klik vervolgens op Geavanceerd. Je kan nu kiezen om voor het betreffende werkblad een cijfer nul weer te geven of het veld leeg te laten indien de waarde nul is.
3 Maak onderstaande taartdiagrammen van de balans voor boekjaar 1
OPMERKING Boekhoudkundig gezien horen voorzieningen bij de schulden.
4 Bekijk het procentuele aandeel van de schulden in boekjaar 1 en vergelijk dit met het procentu-
ele aandeel van de schulden in boekjaar 3. Wat stel je vast?
Mag je daaruit besluiten dat de schulden in absolute cijfers gedaald zijn? Verklaar je antwoord.
5 Bekijk het procentuele aandeel van het geplaatste kapitaal in boekjaar 1 en vergelijk dat met het
procentuele aandeel van het geplaatste kapitaal in boekjaar 3. Wat stel je vast?
166
Mag je hieruit besluiten dat het geplaatst kapitaal van de onderneming verminderd is? Verklaar je antwoord.
6 Welke rubriek vormt de grootste post binnen de activa? Zoek in de toelichting meer informatie
op over dit bedrag.
7 Welke rubriek vormt de grootste post binnen de passiva? Een financiële instelling eist in het alge-
meen een eigen vermogen van minstens 1/3 van het totale vermogen om bijkomende kredieten toe te kennen. Voldoet Jules Destrooper aan deze vereiste?
5.2
3
VERTICALE ANALYSE VAN DE RESULTATENREKENING Bij een verticale analyse van de resultatenrekening wordt de omzet gelijkgesteld aan 100 % en drukt men iedere rubriek of post procentueel uit ten opzichte van de omzet. Een bedrijf verwerft op die manier inzicht in het belang van iedere rubriek ten opzichte van de omzet. Ga naar het werkblad ‘verticale analyse resrek’.
1
Ontwerp een formule om de verticale analyse van de resultatenrekening te maken. Je resultaat moet eruitzien zoals hieronder weergegeven.
2 Noteer de drie belangrijkste posten in boekjaar 1 ten opzichte van de omzet.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
167
RESULTATENREKENING Codes Bedrijfsopbrengsten
70/76A
100,47 %
Omzet
70
100,00 %
Wijziging in de voorraad goederen in bewerking en gereed product en in de bestellingen in uitvoering (toename +, afname -)
71
-0,56 %
Geproduceerde vaste activa
72
Andere bedrijfsopbrengsten
74
Niet-recurrente bedrijfsopbrengsten
76A
Bedrijfskosten ( - )
60/66A
92,14 %
Handelsgoederen, grond- en hulpstoffen
60
37,15 %
1 Aankopen
600/8
37,30 %
2 Wijzigingen in de voorraad (toename -, afname +)
609
-0,16 %
Diensten en diverse goederen
61
33,92 %
Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen
62
19,15 %
Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op IVA en MVA
630
2,04 %
Waardeverminderingen op voorraden, biu en handels- (+) toevoeging (-)terugneming vorderingen
631/4
-0,06 %
Voorzieningen voor risico's en kosten
635/8
-1,28 %
1,03 %
Andere bedrijfskosten
640/8
0,40 %
Niet-recurrente bedrijfskosten
66/A
0,82 %
Bedrijfswinst ( + ) Financiële opbrengsten
9901
8,33 %
75/76B
0,79 %
Recurrente financiële opbrengsten
75
Opbrengsten uit financiële vaste activa
750
Opbrengsten uit vlottende activa
751
0,17 %
Andere financiële opbrengsten
752/9
0,62 %
Niet-recurrente financiële opbrengsten
76B
Financiële kosten ( - )
0,79 %
65/66B
1,58 %
Recurrente financiële kosten
65
1,58 %
Kosten van schulden
650
0,88 %
Waardeverminderingen op vlottende activa andere dan voorraden en biu en handelsvord
651
Andere financiële kosten
652/9
Niet-recurrente financiële kosten
66B
Winst/verlies van het boekjaar voor belasting
9903
0,70 % 7,54 %
Onttrekking aan de uitgestelde belastingen
780
Overboeking naar de uitgestelde belastingen
680
Belastingen op het resultaat ( - ) ( + )
67/77
2,24 %
Belastingen ( - )
670/3
2,25 %
Regularisatie van belastingen en terugneming van voorzieningen van belastingen
77
0,01 %
Winst van het boekjaar ( + )
9904
Onttrekking aan de belastingvrije reserves
789
Overboeking naar de belastingvrije reserves
689
Te bestemmen winst van het boekjaar
168
Boekjaar 1
9905
0,09 %
5,38 % 0,17 % 5,55 %
synthese HORIZONTALE EN VERTICALE ANALYSE Horizontale en verticale analyse Inzicht verwerven in: • de evolutie in de tijd; • het belang van balans en resultatenrekeningposten.
1 HORIZONTALE ANALYSE VAN DE BALANS EN RESULTATENREKENING • Horizontale analyse van de balans Bestuderen van evolutie in de tijd van rubrieken of posten. Eerste (oudste) boekjaar gelijkstellen aan 100 %. Waarden overige boekjaren procentueel uitdrukken ten opzichte van het basisjaar.
Formule
Cijfer lopend boekjaar
x 100
Cijfer basisjaar
• Horizontale analyse van de resultatenrekening
Conclusies Zie pagina 24-25.
2 VERTICALE ANALYSE VAN DE BALANS EN RESULTATENREKENING • Verticale analyse van de balans Balanstotaal gelijk stellen aan 100 %. Ieder balansonderdeel procentueel uitdrukken in functie van balanstotaal. Inzicht verwerven in procentuele samenstelling van werkmiddelen en financieringsbronnen. • Verticale analyse van de resultatenrekening Omzet gelijkstellen aan 100 %. Iedere rubriek/post procentueel uitdrukken ten opzichte van de omzet. Inzicht verwerven in belang van elk onderdeel van de resultatenrekening.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
169
6
RATIOANALYSE Ratio betekent letterlijk ‘evenredige verhouding’. Bij een ratioanalyse kijken we hoe cijfers uit de jaarrekening zich verhouden ten opzichte van andere cijfers. Op basis van deze ratio’s zal een ondernemer meer inzicht verwerven in de financiële toestand van de onderneming en kunnen er maatregelen worden uitgewerkt om het bedrijf in de gewenste richting te laten evolueren. Een ratioanalyse beperkt zich niet tot één jaarrekening. Gebruik minstens drie jaarrekeningen om je analyse te maken.
6.1
SOLVABILITEIT Via de solvabiliteit van een onderneming gaat men na of de onderneming in staat is haar schulden (zowel op korte als op lange termijn) te betalen. Hierdoor verwerft een ondernemer inzicht in de financieringspolitiek van de onderneming. Hoe meer activa gefinancierd worden met vreemd vermogen, hoe groter de aflossingsverplichtingen van de onderneming. Externe geldschieters zoals financiële instellingen hechten veel belang aan deze ratio. Zij willen immers zekerheid dat de onderneming in staat is om alle leningen (en bijhorende intresten) terug te betalen. Solvabiliteit kan je op twee manieren berekenen: • door de verhouding van het eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen te bekijken. Hoe hoger deze ratio, hoe groter de kredietwaardigheid van de onderneming. Voor productieondernemingen is er een minimumgrens van 33 % eigen vermogen. Voor dienstenondernemingen is 25 % aanvaardbaar.
Formule
Eigen vermogen
x 100
Totaal vermogen Open het bestand JulesDS.xlsx bij het onlinelesmateriaal. Ga naar het werkblad Solvabiliteit. We berekenen de solvabiliteit voor boekjaar 1.
In cel B2 verwijs je naar het eigen vermogen via de formule =Balans!C52. In cel B3 verwijs je op dezelfde manier naar het totaalvermogen =Balans!C102. In cel B4 berekenen we de solvabiliteit door B2/B3.
Klik nadien op het procentteken in het tabblad Start.
170
1
7
Bereken de solvabiliteit voor boekjaar 2 en 3 door de formules te kopiëren. Noteer hieronder je resultaten.
2 Geef de solvabiliteit van de verschillende boekjaren grafisch weer. Pas de grafiek aan zoals hier-
onder weergegeven. SOLVABILITEIT
49,50 %
48,95 %
SOLVABILITEIT
49,00 % 48,50 % 48,00 % 47,50 % 47,00 %
46,38 %
46,50 % 46,00 %
46,02 %
45,50 % 45,00 % 44,50 %
Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
JAREN
3 Schrijf een beoordeling over de solvabiliteit van Jules Destrooper. Is dit deze onderneming solvabel?
Een tweede manier om de solvabiliteit te berekenen, is door te kijken naar het spiegelbeeld van de solvabiliteit. Dit doe je door het vreemd vermogen te delen door het totale vermogen. Je berekent dan de schuldgraad van de onderneming en kijkt hoeveel van het passief uit vreemd vermogen bestaat. Opgelet! Voorzieningen en uitgestelde belastingen behoren boekhoudkundig tot het vreemd vermogen.
Formule
Vreemd vermogen
x 100
Totaal vermogen 4 Bereken de solvabiliteit volgens deze manier in het werkblad Solvabiliteit. Noteer hieronder je
resultaten. Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
Solvabiliteit
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
171
Voor de beoordeling hanteren we dezelfde regel dat voor een productieonderneming minstens 33 % uit eigen vermogen moet bestaan, of met andere woorden: het vreemd vermogen mag maximaal 67 % van het totale vermogen bedragen. Bij een dienstenonderneming is een schuldgraad van 75 % nog aanvaardbaar.
6.2
RENTABILITEIT VAN HET EIGEN VERMOGEN Een synoniem voor rentabiliteit is winstgevendheid. Een aandeelhouder die investeert in een onderneming wil een goed rendement ontvangen voor zijn geïnvesteerde middelen. Een investeerder vergelijkt zijn rendement met het rendement dat hij zou ontvangen op een risicovrije belegging, zoals een spaarrekening of termijnrekening. Hij zal een hoger rendement vereisen omwille van het risico dat hij loopt als het fout gaat met de onderneming. Dit noemen we de risicopremie. Daarbij gaan we ervan uit dat hoe hoger het risico van de investering is, hoe hoger de risicopremie moet zijn. Het is niet eenvoudig om een algemeen percentage op de risicopremie te plakken, omdat die kan variëren naargelang de investering. De laatste jaren zien we wel dat de risicopremie steeds lager ligt, omdat beleggers bijna geen rente meer ontvangen op een risicovrije investering en daardoor steeds meer risico’s willen nemen om toch maar een beetje rendement te halen. Een vuistregel die sommige investeerders hanteren, is dat het rendement minstens 1/3 hoger moet zijn dan bij een risicovrije belegging. Als een risicovrije belegging 3 % oplevert, zal een aandeelhouder dus minstens 3 % plus een derde van 3 % of in totaal 4 % rendement willen. Door het rendement op het eigen vermogen te berekenen, kan een aandeelhouder bekijken welk rendement zijn investering oplevert.
Formule
Winst van het boekjaar na belastingen
x 100
Eigen vermogen De berekening voor Jules Destrooper in boekjaar 1 vind je terug in het werkblad REV.
1
Verklaar de betekenis van een REV van 20,80 %.
2 Bereken het REV voor boekjaar 2 en 3 en noteer je resultaat hieronder Boekjaar 2
172
Boekjaar 3
3
3 Geef het resultaat van de verschillende boekjaren graďŹ sch weer en schrijf een beoordeling van het REV.
REV 25,00 % 20,00 %
20,80 %
REV
15,00 % 10,00% 5,00 %
5,45% 3,87%
0,00% Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
JAREN
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
173
6.3
CASHFLOW Een ander woord voor cashflow is kasstroom. Dit is het verschil tussen inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode (bijvoorbeeld een jaar) of met andere woorden het geld dat een onderneming werkelijk heeft verdiend. Cashflow is dus niet hetzelfde als boekhoudkundige winst. Om de boekhoudkundige winst te berekenen, tel je alle opbrengsten samen en trek je alle kosten van deze opbrengsten af. Er zijn echter boekhoudkundige kosten die voor een onderneming geen uitgave vormen. Het meest gekende voorbeeld zijn afschrijvingen. De meest eenvoudige formule om cashflow te berekenen, is dan ook door de afschrijvingen opnieuw op te tellen bij de winst. Er zijn naast afschrijvingen nog andere kosten die geen uitgave vormen. Een voorbeeld hiervan zijn waardeverminderingen op bijvoorbeeld voorraad. Al deze kosten die geen uitgave vormen voor de onderneming noemen we Niet-kaskosten. De definitie van (operationele) cashflow wordt dan: Winst na belastingen + niet-kaskosten
Voorbeeld Een onderneming verkoopt in boekjaar 5 voor 50 000,00 euro goederen en heeft voor 32 500,00 euro kosten gemaakt. Dit betekent dat de boekhoudkundige winst voor boekjaar euro bedraagt. Boekjaar 5 Omzet
50 000,00
Kosten
32 500,00
– Aankopen handelsgoederen
5 000,00
– Diensten en diverse goederen
3 000,00
– Lonen
12 000,00
– Afschrijvingen
7 500,00
– Waardevermindering voorraad
5 000,00
Boekhoudkundige winst voor
17 500,00
belastingen
5 950,00
Winst na belastingen
11 550,00
Als we naar de kosten van de onderneming kijken, stellen we vast dat de onderneming voor 7 500,00 euro aan afschrijvingen heeft geboekt. Deze afschrijvingen vormen een kost, maar vertegenwoordigen geen (kas)uitgave. Ook de waardevermindering op de voorraad (5 000,00 euro) is wel een boekhoudkundige kost; maar geen uitgave. De (operationele) kasstroom of de kasstroom uit de gewone bedrijfsuitoefening kunnen we dus berekenen door: Winst na belastingen 11 550,00 EUR + Afschrijvingen 7 500,00 EUR + Waardeverminderingen 5 000,00 EUR ____________________________________________ Operationele kasstroom
174
24 050,00 EUR
Met de cashflow betaalt een onderneming haar uitgaven, zoals lonen, leveranciers en intresten op leningen. Een positieve cashflow betekent dat er voldoende inkomsten zijn om de uitgaven mee te betalen. Bedrijven volgen nauwgezet de toestand van hun cashflow op om te weten welke inkomsten en uitgaven aan veranderingen onderhevig zijn en om het beleid waar nodig bij te sturen. In het volgende onderdeel bespreek je de EBITDA , wat een vorm van cashflow is.
6.4 6.4.1
EBIT EN EBITDA EBIT EBIT is de Engelse afkorting voor Earnings Before Interest en Tax. In het Nederlands staat dit voor: winst voor intresten en belastingen. Men spreekt ook wel over het: • courant resultaat; • bedrijfsresultaat; • operationeel resultaat. Deze maatstaf houdt geen rekening met: • de effecten van de kapitaalstructuur van de onderneming; • diverse fiscale aspecten die worden opgenomen in de resultatenrekening. Met de effecten van de kapitaalstructuur bedoelen we de verhouding tussen wat een onderneming met eigen vermogen en wat ze met vreemd vermogen heeft gefinancierd. De berekeningswijze van de EBIT volgens het Belgische jaarrekeningrecht die de CBN (Commissie voor Boekhoudkundige Normen) voorstelt, start vanaf het begrip Winst (Verlies) van het boekjaar vóór belasting. Dit komt overeen met code 9903 (= Winst in het VOL-schema) in het volledige jaarrekeningschema en moet nog worden gecorrigeerd met het financieel resultaat.
Schematische berekening EBIT: Winst (verlies) van het boekjaar voor belasting (code 9903) - Opbrengsten uit financieel vaste activa (750) - Opbrengsten uit vlottende activa (code 751) - Andere financiële opbrengsten (code 752/9) + Kosten van schulden (code 650) + Andere financiële kosten (code 652/9) - Niet recurrente financiële opbrengsten (769) + Niet recurrente financiële kosten (668) _________________________________________________ = EBIT Bron: Commissie voor Boekhoudkundige Normen
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
175
Open het bestand JulesDS.xlsx bij het onlinelesmateriaal. We berekenen de EBIT voor Jules Destrooper in boekjaar 1 in het werkblad EBIT:
Bereken de EBIT voor Jules Destrooper in boekjaar 2 en 3. Noteer hieronder je resultaten. Boekjaar 2
6.4.2
Boekjaar 3
EBITDA EBITDA staat voor Earnings Before Interest, Tax, Depreciation en Amortization of in het Nederlands winst voor intresten, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen. Ebitda kan je omschrijven als de brutowinst vóór de betaling van intresten, belastingen en de verrekening van afschrijvingen en waardeverminderingen. Het zijn de kasstromen die de schuldeisers en de aandeelhouders onder elkaar moeten verdelen. EBITDA wordt ook de operationele cashflow genoemd. Om de financiële gezondheid te meten wordt de EBITDA vaak vergeleken met de nettoschulden van de onderneming. De nettoschuld van een onderneming is gelijk aan de totale financiële schuld (KT+LT) verminderd met de cashmiddelen (geldbeleggingen en liquide middelen).
Formule
Nettoschulden
x 100
EDITDA Deze ratio geeft een idee over hoeveel jaar een bedrijf nodig heeft om zijn schulden terug te betalen met de gemaakte winst. Financiële instellingen houden deze ratio goed in het hoog. Hoe lager de ratio, hoe beter de financiële gezondheid en hoe kleiner het risico op een faillissement. Een schuld/EBITDA-ratio van minder dan 3 is voor de meeste bedrijven aanvaardbaar. Schuld/EBITDA-ratio’s hoger dan 5 zijn zeer riskant. Er bestaat dan een hoge kans dat de onderneming de schuld niet kan terugbetalen. Bovendien zal het bedrijf moeilijkheden ondervinden om nieuw kapitaal aan te trekken voor de financiering van haar groei.
176
Om de EBITDA te berekenen vertrek je vanuit de EBIT, rekening houdend met de afschrijvingen en waardverminderingen.
= EBIT _________________________________________________ + Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa (code 630) + Waardeverminderingen op voorraden, bestellingen in uitvoering en op handelsvorderingen: toevoegingen (terugnemingen) (code 631/4) + Uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa (code 660) zie toelichting — Terugneming van afschrijvingen en van waardeverminderingen op immateriële en materiële vaste activa (code 760) zie toelichting + Waardevermindering op vlottende activa (code 651) + Waardevermindering op financieel vaste activa (code 661) zie toelichting — Terugneming van waardevermindering op financieel vaste activa (code 761) zie toelichting _________________________________________________ = EBITDA (Bedrijfscashflow)
1
Bereken de EBITDA voor Jules Destrooper.
2 Bereken de verhouding nettoschuld/EBITDA. Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
= EBITDA (Bedrijfscashflow) Nettoschuld Nettoschuld / EBITDA
3 Schrijf een beoordeling over de EBITDA.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
177
6.5
LIQUIDITEIT VAN DE ONDERNEMING De liquiditeit is de mate waarin een onderneming in staat is om haar vreemd vermogen op korte termijn terug te betalen. De liquiditeit van een onderneming is van groot belang. Een onderneming die niet in staat is haar betalingen op korte termijn na te komen of geen krediet(en) meer kan aangaan, kan afstevenen op een faillissement. De liquiditeitspositie van een onderneming wordt gemeten aan de hand van twee ratio’s: • de liquiditeit in ruime zin of de current ratio; • de liquiditeit in enge zin of de quick ratio (= de acid test ratio).
6.5.1
LIQUIDITEIT IN RUIME ZIN OF CURRENT RATIO De liquiditeit in ruime zin kunnen we meten door de vlottende activa te delen door het vreemd vermogen op korte termijn. De vorderingen op meer dan een jaar worden NIET tot de vlottende activa gerekend. Tot het vreemd vermogen op korte termijn worden gerekend: • schulden op ten hoogste één jaar; • overlopende rekeningen.
Formule
Liquiditeit in ruime zin =
(aangepaste) vlottende activa Vreemd vermogen op korte termijn
Als een onderneming over voldoende vlottende activa beschikt om het vreemd vermogen op korte termijn terug te betalen, zal het resultaat van de ratio groter zijn dan één. We spreken dan van een liquide onderneming. Open het bestand JulesDS.xlsx bij het onlinelesmateriaal. We berekenen de liquiditeit in ruime zin van Jules Destrooper in boekjaar 1 in het werkblad Liquiditeit. Plaats de cursor in cel B6 en verwijs naar het bedrag in het werkblad Balans via de formule =Balans!C30 Herhaal dit voor alle andere rubrieken van de vlottende activa en het vreemd vermogen op korte termijn.
De liquiditeit in ruime zin kan je nu berekenen door in cel B3 het totaal van de vlottende activa te delen door het totaal van het vreemd vermogen op korte termijn. =B11/B16
178
Conclusie: De vlottende activa bedragen in het eerste boekjaar 2,68 keer het vreemd vermogen op korte termijn. Jules Destrooper is dus in staat om de schulden op korte termijn terug te betalen en kent geen liquiditeitsproblemen. Bereken de liquiditeit in ruime zin voor boekjaar 2 en 3 en noteer je resultaten hieronder. Boekjaar 2
Boekjaar 3
Liquiditeit in ruime zin
6.5.2
LIQUIDITEIT IN ENGE ZIN OF QUICK RATIO Bij de current ratio houden we rekening met de voorraden die een bedrijf opgebouwd heeft. De voorraden moeten wel eerst omgezet worden in vorderingen. Pas later worden deze vorderingen in liquide vorm beschikbaar. Bovendien kan de voorraad verouderd of beschadigd zijn, waardoor hij slechts gedeeltelijk liquide gemaakt kan worden. Om een goed beeld te kunnen geven van de liquiditeit van de onderneming, zal de quick ratio geen rekening houden met de voorraden van de onderneming.
Formule
Liquiditeit in enge zin =
(Aangepaste) vlottende activa - voorraden Vreemd vermogen op korte termijn
1
Bereken de liquiditeit in enge zin voor boekjaar 1.
2 Kopieer nadien de formules voor boekjaar 2 en 3 en noteer je resultaten hieronder. Boekjaar 2
Boekjaar 3
Liquiditeit in enge zin
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
179
Liquiditeit in ruime en enge zin Jules Destrooper 3 Maak een grafiek van de
3,00
liquiditeit in ruime en in enge zin zoals hiernaast weergegeven.
2,50
LIQUIDITEIT
2,68 2,40 2,00
2,60
2,55
2,28
2,21
1,50 1,00 Liquiditeit in ruime zin
0,50 Liquiditeit in enge zin
0,00
Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
JAREN
4 Bekijk de evolutie van de liquiditeit en noteer je bevindingen.
6.5.3
NETTOBEDRIJFSKAPITAAL De liquiditeit van een onderneming kan je ook uitdrukken via de berekening van het bedrijfskapitaal. Het nettobedrijfskapitaal stelt de onderneming in staat om onvoorziene omstandigheden op te vangen, zoals bijvoorbeeld betalingsachterstanden van klanten of verlies van voorraad. Het is dus een waarborg voor de terugbetaling van schulden op korte termijn. Het nettobedrijfskapitaal kan je op twee manieren berekenen. •
Methode 1
De eerste manier legt de nadruk op de aanwending van het bedrijfskapitaal en sluit het meeste aan bij de berekening van de liquiditeitsratio in ruime zin. Hieronder vinden jullie de berekeningen voor het eerste boekjaar: Formule
Vlottende activa – Vreemd vermogen op korte termijn
Vlottende activa
Boekjaar 1
Voorraden en bestellingen in uitvoering
1 840 625,00
Vorderingen op ten hoogste één jaar
15 561 035,00
Geldbeleggingen
0,00
Liquide middelen
296 312,00
Overlopende rekeningen
215 944,00 Totaal
17 913 916,00
Vreemd vermogen op KT
Boekjaar 1
Schulden op ten hoogste één jaar
6 590 453,00
Overlopende rekeningen
97 703,00 Totaal
Netto bedrijfskapitaal
6 688 156,00 11 225 760,00
Bereken het netto bedrijfskapitaal voor boekjaar 2 en 3 en noteer hieronder je resultaten. Boekjaar 2
Netto bedrijfskapitaal
180
Boekjaar 3
•
Methode 2
De tweede manier om het nettobedrijfskapitaal te berekenen, legt de nadruk op de oorsprong van het nettobedrijfskapitaal. Hier omschrijft men het bedrijfskapitaal als dat gedeelte van het permanent vermogen dat ter beschikking blijft van de onderneming na de financiering van de vaste activa. Dit wordt als volgt berekend: Formule
Permanent vermogen – Vaste activa
Onder het permanent vermogen verstaan we het eigen vermogen + het vreemd vermogen op lange termijn. OPMERKINGEN De vlottende activa op meer dan een jaar worden bij de vaste activa gerekend. De voorzieningen en uitgestelde belastingen worden bij het vreemd vermogen gerekend. Schematisch kan je deze berekeningswijze als volgt voorstellen: ACTIVA Vaste activa
PASSIVA Eigen vermogen Permanent vermogen
Vreemd vermogen lange termijn (LT)
Het nettobedrijfskapitaal is dus positief als het permanent vermogen groter is dan de vaste activa (investeringen die op lange termijn worden gebruikt in de onderneming). Hieronder vind je de berekeningen voor het eerste boekjaar: Boekjaar 1 Eigen vermogen
9 463 427,00
Kapitaal
1 952 000,00
Uitgiftepremies
0,00
Herwaarderingsmeerwaarden
252 368,00
Reserves
7 259 059,00
Overgedragen winst/verlies
0,00
Kapitaalsubsidies
0,00
Vreemd vermogen op LT (inclusief voorzieningen) Permanent vermogen
4 411 044,00 13 874 471,00
Vaste activa (inclusief vorderingen > 1 jaar) Netto bedrijfskapitaal
2 648 708,00 11 225 763,00
Bereken het nettobedrijfskapitaal voor boekjaar 2 en 3 en noteer hieronder je resultaten. Boekjaar 2
Boekjaar 3
Netto bedrijfskapitaal
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
181
6.5.4
BEHOEFTE AAN BEDRIJFSKAPITAAL Het nettobedrijfskapitaal alleen berekenen is onvoldoende. Om te weten hoe groot het nettobedrijfskapitaal moet zijn, berekenen we de behoefte aan het nettobedrijfskapitaal, met andere woorden: hoeveel geld hebben we nodig om optimaal te werken? Voor iedere onderneming is dit anders. Dat hangt af van zaken zoals de betalingstermijnen van klanten en leveranciers, de activiteit van het bedrijf, hoe gemakkelijk verkoopbaar de voorraden zijn, de grootte van de ondernemingen … Je kan dat berekenen door het verschil te nemen tussen de vlottende bedrijfsactiva min het vreemd vermogen op korte termijn, exclusief financiële schulden. Cyclische behoeften: Voorraden en bestellingen in uitvoering, + vorderingen op ten hoogste 1 jaar, + overlopende actiefrekeningen. Cyclische middelen: Schulden op meer dan een jaar die binnen het jaar vervallen, + handelsschulden op ten hoogste één jaar, + ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen, + schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten, + overige schulden, + overlopende passiefrekeningen.
We berekenen hieronder de behoefte aan bedrijfskapitaal voor Jules Destrooper voor boekjaar 1. Boekjaar 1 Behoefte aan bedrijfskapitaal
10 929 448,00
Voorraden en bestellingen in uitvoering (code 3)
1 840 625,00
+ Vorderingen op ten hoogste 1 Jaar (code 40/41)
15 561 035,00
+ Overlopende actiefrekeningen (code 490/1)
215 944,00
- Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen (code 42) - Handelsschulden op ten hoogste 1 Jaar (code 44)
32 875,00 4 600 849,00
- Ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen (code 46) - Schulden m.b.t. belastingen, bezoldigingen en soc lasten (Code 45) - Overige schulden (code 47/48)
133 432,00 1 380 738,00 442 559,00
- Overlopende passiefrekeningen (code 492/3)
97 703,00
Bereken in het werkblad Nettobedrijfskapitaal de behoefte aan bedrijfskapitaal voor boekjaar 2 en 3 en noteer hieronder je bevindingen. Boekjaar 2
Behoefte aan bedrijfskapitaal
182
Boekjaar 3
6.5.5
DE NETTOKASPOSITIE Het verschil tussen het nettobedrijfskapitaal en de behoefte aan bedrijfskapitaal vormt de kaspositie van de onderneming en geeft een zicht op de liquiditeitspositie. Wanneer het nettobedrijfskapitaal groter is dan de behoefte aan bedrijfskapitaal, is de liquiditeitspositie van de onderneming goed. Is het nettobedrijfskapitaal kleiner dan de behoefte aan bedrijfskapitaal, dan heeft de onderneming nood aan bijkomende leningen. Bereken en beoordeel de netto kaspositie voor Jules Destrooper en noteer je resultaten hieronder. Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
Nettokaspositie
6.5.6
HET VERBAND TUSSEN LIQUIDITEIT, RENTABILITEIT EN SOLVABILITEIT LIQUIDITEIT EN RENTABILITEIT Om de continuïteit van een onderneming te verzekeren, moet er aan twee voorwaarden voldaan zijn. De onderneming moet over een minimum aan rentabiliteit of winstgevendheid beschikken en over voldoende liquiditeiten beschikken om haar schulden op korte termijn te kunnen aflossen. Op basis van deze twee criteria kan je een indeling maken van ondernemingen.
RENTABILITEIT Positief
LIQUIDITEIT
Negatief
Positief
Gezond Een onderneming zonder financiële problemen
Chronisch ziek Op dit ogenblik zijn er nog geen financiële problemen, maar door de slechte resultaten zullen er in de toekomst problemen ontstaan.
Negatief
Tijdelijk ziek De onderneming heeft liquiditeitsproblemen, wat kan leiden tot betalingsmoeilijkheden. Door haar positieve rentabiliteit zal ze bijkomende middelen voor financiering kunnen aantrekken.
Stervend De onderneming zit in financiële moeilijkheden, maar zal door de negatieve winstgevendheid geen bijkomende middelen voor financiering vinden.
Er is ook een verband tussen liquiditeit en solvabiliteit enerzijds en rentabiliteit en solvabiliteit anderzijds. LIQUIDITEIT EN SOLVABILITEIT De liquiditeit moet voldoende groot zijn om rentelasten en schuldaflossingen van leningen te betalen. Bij een hoge liquiditeit zijn er voldoende cashmiddelen en vermindert de kans dat bovenstaande verplichtingen niet worden nagekomen. Een onderneming met een hoge liquiditeit zal bovendien vlotter vreemd vermogen kunnen aantrekken.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
183
SOLVABILITEIT EN RENTABILITEIT Via de financiële hefboom kan de rentabiliteit van het eigen vermogen worden verbeterd. Hier gaan we in deze cursus niet dieper op in.
Bespreek voor Jules Destrooper het verband tussen: 1
Liquiditeit en rentabiliteit
2 Liquiditeit en solvabiliteit
6.6
AANTAL DAGEN KLANTENKREDIET
Terwijl in het vierde trimester van 2015 nog 71,37 % van de aan de bedrijven en overheden gerichte facturen correct werden betaald, daalde dit gestaag. Sinds het tweede kwartaal van 2017 gaat het nog maar om 68,3 % van die facturen. Maar vooral de vaststelling dat het aantal facturen dat veel te laat betaald wordt (méér dan 90 dagen na vervaldatum) opnieuw sterk stijgt, is zonder meer onrustwekkend. Waar het in de periode 2015-2016 ging om 8 à 9 % van de facturen, stijgt dit abrupt sedert het vierde kwartaal van 2016 en klommen we het afgelopen trimester zelfs opnieuw naar 11,41 %. Vergelijken we bijvoorbeeld het percentage van al te laat betaalde facturen van het derde trimester van 2016 (8,41 %) met het afgelopen derde trimester van 2017 (11,41 %) dan stijgt het aantal al te laat betaalde facturen met maar liefst 35,6 %. Dat een op de acht facturen veel te laat of niet wordt betaald, weegt sterk door op de cashpositie van de ondernemingen. Betalingen met zoveel vertraging zorgen ervoor dat de transacties te weinig rendabel en in zo goed als alle gevallen zelfs verlieslatend worden. Bovendien kan het niet anders dat deze situatie leidt tot een verhoging van het aantal ondernemingen dat in moeilijkheden komt en zelfs het faillissement moeten aanvragen, enkel en alleen als gevolg van de wanbetalingen van hun klanten. Bedrijfsleiders blijven dus best meer dan ooit bijzonder attent: bijna een factuur per acht met wanbetaling betekent een aanslag op de liquiditeit van een onderneming. Het blijft voor ondernemingen belangrijk om het betalingsgedrag en de financiële situatie van hun zakenpartners te blijven doorlichten. Zo vermijden ze dat ze zelf in de problemen komen. Bovendien genereren late betalingen extra financieringskosten, waardoor mogelijke investerings- of aanwervingsplannen kunnen worden gefnuikt. Bron: graydon.be
184
1
Hoeveel procent van de facturen werden in het derde kwartaal van 2017 veel te laat betaald?
2 Welke gevolgen heeft de veel te laattijdige betaling van facturen voor bedrijven?
De omlooptijd van de handelsvorderingen of het aantal dagen klantenkrediet geeft de tijd weer tussen het ontstaan van de handelsvordering en de inning ervan. Deze ratio geeft aan na hoeveel dagen de klant gemiddeld een openstaande vordering betaalt. Op deze manier krijgt de onderneming zicht op de accuraatheid van de opvolging van inning van de vorderingen. In België geven bedrijven aan elkaar vaak een betalingstermijn tussen de 30 en 60 dagen. Hoe kleiner het aantal dagen klantenkrediet, hoe sneller de vorderingen worden geïnd en omgezet in liquide middelen. Maar een te klein aantal dagen klantenkrediet kan duiden op een (te) strenge kredietpolitiek, waardoor men klanten kan verliezen. Een te lange inningperiode kan dan weer wijzen op een te losse kredietpolitiek van de onderneming of een slechte opvolging van de handelsdebiteuren. Het aantal dagen klantenkrediet kan worden berekend via onderstaande formule:
Handelsvorderingen (code 40)
Formule
x 365
Omzet (code70) inclusief btw (code 9146 uit de toelichting)
We berekenen nu in het werkblad KlantLevKrediet het aantal dagen klantenkrediet voor boekjaar 1.
OPMERKING Informatie omtrent code 9146 kan je terugvinden in het werkblad Gegevens uit de toelichting. In boekjaar 1 betalen de klanten na 81,62 dagen wat een heel eind boven de termijn van 30 tot 60 dagen ligt.
1
Bereken het klantenkrediet in het werkblad ‘KlantLevkrediet’ voor boekjaar 2 en 3 en noteer hieronder je resultaten. Boekjaar 2
Boekjaar 3
Klantenkrediet
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
185
2 Welke aanbevelingen zou je Jules Destrooper doen om de termijn van het klantenkrediet te
verbeteren?
6.7
AANTAL DAGEN LEVERANCIERSKREDIET Het aantal dagen leverancierskrediet (of de omlooptijd) is het aantal dagen tussen het aankopen van handelsgoederen, grond- en hulpstoffen en diensten en diverse goederen en de betaling ervan door de onderneming. Een groot aantal dagen leverancierskrediet kan twee dingen betekenen: • dat leveranciers een soepele kredietpolitiek voeren omdat ze vertrouwen hebben in de klant; • dat de onderneming betalingsmoeilijkheden heeft en weinig of geen middelen ter beschikking heeft om de leveranciers binnen de afgesproken termijn te betalen. Een klein aantal dagen leverancierskrediet kan erop wijzen dat: • leveranciers kortingen voor contante betaling geven waar de klant op ingaat; • leveranciers weinig vertrouwen hebben in de klanten en daarom een strenge kredietpolitiek hanteren. Ondernemingen zullen proberen om het aantal dagen klantenkrediet kleiner te houden dan het aantal dagen leverancierskrediet. Op die manier kunnen ze hun leveranciersschulden betalen met de middelen die ze van de klanten ontvangen en moeten ze die schulden niet voorfinancieren. Hierop zullen we later in dit deel verder ingaan. Het aantal dagen leverancierskrediet bereken je via volgende formule:
Formule
Handelsschulden (code 44)
x 365
Aankopen handelsgoederen, grond- en hulpstoffen (code 600/8) + Diensten en diverse goederen (code61) + btw op aankopen (code 9145)
We berekenen nu het leverancierskrediet van Jules Destrooper voor boekjaar 1 in het werkblad ‘KlantLevkrediet’.
186
1
Bereken het leverancierskrediet voor boekjaar 2 en 3 en noteer hieronder je resultaten. Boekjaar 2
Boekjaar 3
Klantenkrediet 2 Noteer je bevindingen en eventuele aanbevelingen voor Jules Destrooper over het leveranciers-
krediet.
6.8
OMLOOPTIJD VAN DE VOORRAAD Naast het aantal dagen klanten- en leverancierskrediet heeft ook de omlooptijd van de voorraad een invloed op de cashpositie van de onderneming. Het is voor een onderneming belangrijk om te weten hoe liquide de voorraden zijn. Om dit te analyseren kan je de omloopsnelheid of voorraadrotatie berekenen. Dit is het aantal keer dat de voorraad op jaarbasis verkocht wordt. Voor het berekenen van de voorraadrotatie vergelijken we de omvang van de voorraad met de omzet aan kostprijs. Formule voorraadrotatie of omloopsnelheid
Formule
Omzet aan kostprijs (code 60) Voorraden en bestellingen in uitvoeringen (code 3)
1
Bereken in het werkblad ‘voorraad’ de omloopsnelheid van de voorraad en noteer je resultaten hieronder. Boekjaar 1
Boekjaar 2
Boekjaar 3
Omloopsnelheid
2 Leg de betekenis van het cijfer uit voor boekjaar 3
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
187
Als je weet dat de voorraad op jaarbasis 5,71 keer verkocht wordt, kan je daaruit aeiden hoeveel dagen het duurt vooraleer de voorraad de onderneming verlaat. Dit noemen we de omlooptijd van de voorraad. Formule omlooptijd 365
Formule
Voorraadrotatie of Formule
Voorraden en bestellingen in uitvoering (code 3)
x 365
Omzet aan kostprijs (code 60)
3 Bereken de omlooptijd voor Jules Destrooper voor de verschillende boekjaren. Je resultaat moet
eruitzien zoals hieronder weergegeven.
Eindconclusie 1
Vul de verschillende omlooptijden aan voor boekjaar 1. Aantal dagen voorraad: Aantal dagen verleend klantenkrediet: Aantal dagen verleend leverancierskrediet:
2 Vervolledig onderstaande schematische voorstelling
Aantal dagen:
Aantal dagen:
=
=
Verkoop van de goederen
Uitstel van betaling
Inning van de vordering
Aankoop van de goederen
Aantal dagen:
= 188
Betaling van de schulden
3 Vergelijk het aantal dagen voorraad + aantal dagen verleend klantenkrediet met het aantal da-
gen verleend leverancierskrediet. Welke van beide is het grootst?
4 Wat betekent dit voor Jules Destrooper?
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
189
synthese RATIOANALYSE Ratio: evenredige verhouding. Hoe verhouden cijfers uit de jaarrekening zich ten opzichte van elkaar? Drie belangrijke pijlers: liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit.
1 SOLVABILITEIT Als een onderneming in staat is haar schulden (zowel op korte als op lange termijn) te betalen.
Formule
Eigen vermogen
x 100
Totaal vermogen of Voor productieondernemingen is er een minimumgrens van 33 % eigen vermogen. Voor dienstenondernemingen is 25 % aanvaardbaar. of Berekening via de schuldgraad Formule
Vreemd vermogen
x 100
Totaal vermogen
2 RENTABILITEIT VAN HET EIGEN VERMOGEN Een aandeelhouder die investeert in een onderneming wil een goed rendement ontvangen voor zijn geĂŻnvesteerde middelen. Een investeerder vergelijkt zijn rendement met het rendement dat hij zou ontvangen op een risicovrije belegging zoals een spaarrekening of een termijnrekening. Hij zal een hoger rendement eisen omwille van het risico dat hij loopt als het fout gaat met de onderneming. Dit noemen we de risicopremie.
Formule
Winst van het boekjaar na belastingen Eigen vermogen
190
x 100
synthese 3 CASHFLOW Cashflow is het verschil tussen inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode (bijvoorbeeld een jaar) of met andere woorden het geld dat een onderneming werkelijk heeft verdiend. Met de cashflow betaalt een onderneming haar uitgaven, zoals lonen, leveranciers en intresten op leningen.
Formule
Winst na belastingen + niet-kaskosten.
4 EBIT EN EBITDA EBIT is de winst voor intresten en belastingen, houdt geen rekening met: • de effecten van de kapitaalstructuur van de onderneming; • diverse fiscale aspecten die worden opgenomen in de resultatenrekening. Winst (verlies) van het boekjaar voor belasting (code 9903) -
Opbrengsten uit financieel vaste activa (750)
-
Opbrengsten uit vlottende activa (code 751)
-
Andere financiële opbrengsten (code 752/9)
+
Kosten van schulden (code 650)
+
Andere financiële kosten (code 652/9)
-
Niet recurrente financiële opbrengsten (769)
+ Niet recurrente financiële kosten (668) _________________________________________________ =
EBIT
EBITDA: • winst voor intresten, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen; • wordt ook de operationele cashflow genoemd; • kasstromen die de schuldeisers en de aandeelhouders onder elkaar moeten verdelen. Om de financiële gezondheid te meten wordt de EBITDA vaak vergeleken met de nettoschulden van de onderneming.
Formule
Netto schulden EDITDA
EBITDA geeft een idee over hoeveel jaar een bedrijf nodig heeft om zijn schulden terug te betalen met de gemaakte winst. Financiële instellingen houden deze ratio goed in het hoog. Om de EBITDA te berekenen vertrek je vanuit de EBIT, rekening houdend met de afschrijvingen en waardverminderingen.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
191
synthese 5 LIQUIDITEIT De liquiditeit is de mate waarin een onderneming in staat is om haar vreemd vermogen op korte termijn terug te betalen.
Formule
Liquiditeit in ruime zin =
(Aangepaste) vlottende activa Vreemd vermogen op korte termijn
Liquiditeit in enge zin =
(Aangepaste) vlottende activa - voorraden Vreemd vermogen op korte termijn
Een liquiditeit > 1 wijst op een liquide onderneming. Nettobedrijfskapitaal en behoefte aan nettobedrijfskapitaal: de liquiditeit van een onderneming kan je ook uitdrukken via de berekening van het bedrijfskapitaal.
Methode 1 Formule
Vlottende activa – Vreemd vermogen op korte termijn
Methode 2 Formule
Permanent vermogen – Vaste activa
Om te weten hoe groot het nettobedrijfskapitaal moet zijn, berekenen we de behoefte aan het netto bedrijfskapitaal. Met andere woorden: hoeveel geld hebben we nodig om optimaal te werken?
Cyclische behoeften: Voorraden en bestellingen in uitvoering, + vorderingen op ten hoogste 1 jaar, + overlopende actiefrekeningen. Cyclische middelen: Schulden op meer dan een jaar die binnen het jaar vervallen, + handelsschulden op ten hoogste één jaar, + ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen, + schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten, + overige schulden, + overlopende passiefrekeningen.
192
synthese Het verschil tussen het nettobedrijfskapitaal en de behoefte aan bedrijfskapitaal vormt de kaspositie van de onderneming en geeft een zicht op de liquiditeitspositie. Wanneer het nettobedrijfskapitaal groter is dan de behoefte aan bedrijfskapitaal, is de liquiditeitspositie van de onderneming goed. 6 KLANTENKREDIET In BelgiĂŤ geven bedrijven aan elkaar vaak een betalingstermijn tussen 30 en 60 dagen.
Formule
Handelsvorderingen (code 40)
x 365
Omzet (code70) inclusief btw (code 9146 uit de toelichting)
7 LEVERANCIERSKREDIET
Formule
Handelsschulden (code 44)
x 365
Aankopen handelsgoederen, grond- en hulpstoffen (code 600/8) + Diensten en diverse goederen (code61) + btw op aankopen (code 9145)
8 OMLOOPTIJD VAN DE VOORRAAD De omloopsnelheid of voorraadrotatie is het aantal keer dat de voorraad op jaarbasis verkocht wordt.
Formule
Omzet aan kostprijs (code 60) Voorraden en bestellingen in uitvoeringen (code 3)
Het aantal dagen dat het duurt vooraleer de voorraad de onderneming verlaat, noemen we de omlooptijd van de voorraad.
Formule
365 Voorraadrotatie
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
193
7
SECTORANALYSE Door de behandelde ratio’s te berekenen, krijg je een beeld van de financiële situatie van de eigen onderneming. Maar hoe presteert de onderneming in vergelijking met haar sectorgenoten? Het antwoord vind je in het ondernemingsdossier van jouw onderneming. Het ondernemingsdossier laat toe om, op basis van meerdere jaarrekeningen, de financiële situatie van een onderneming te analyseren en te vergelijken met de situatie in de economische sector waartoe de onderneming behoort.
Het ondernemingsdossier bestaat uit vijf delen: 1 de kenmerkende gegevens van de onderneming; 2 de synthese van de voornaamste bestanddelen van de jaarrekening: balans, resultatenrekening, activa en sociale balans; 3 de tabel van middelen en bestedingen (kasstroomoverzicht); 4 de vergelijking van de voornaamste financiële ratio’s van de onderneming met die van de economische sector naar keuze; 5 de positionering van de onderneming in een financiële gezondheidsklasse waaraan een waarschijnlijkheid van faillissement binnen drie jaar is gekoppeld. Bron: www.nbb.be
Je kan het ondernemingsdossier van jouw onderneming tegen betaling opvragen via de balanscentrale van de nbb.
Beantwoord onderstaande vragen aan de hand van het ondernemingsdossier van Jules Destrooper dat je terugvindt bij het onlinelesmateriaal. 1
Welke rechtsvorm heeft Jules Destrooper?
2 Zoek op het internet wat een NACE-BEL code weergeeft.
194
3 Zoek op hoeveel procent het nettobedrijfskapitaal van de activa uitmaakt. Controleer dit aan de
hand van jouw berekeningen. 90 80 70 60
1,30
3,40
1,60
50
Nettobedrijfskapitaal
40
Nettokas
30
Nettobedrijfskapitaalbehoefte 53,30 54,60
50,90 54,20
51,80 53,40
2014
2015
2016
20 10 0 - 10
Dit komt overeen met de berekeningen die je zelf hebt gemaakt.
4 Vergelijk de liquiditeit, solvabiliteit en REV van Jules Destrooper met de mediaan. Wat stel je
vast? Noteer hieronder je conclusies.
Om de financiële risico’s van ondernemingen te vergelijken met ondernemingen uit dezelfde sector heeft de NBB een intern model ontwikkeld waarmee ze de kans op faillissement voor een onderneming voorspelt. Voor ieder boekjaar berekent de NBB een financiële gezondheidsindicator die de kans op faling binnen de drie jaar weergeeft. De gezondheidsindicator wordt niet gepubliceerd, maar aan de hand van deze indicator wordt de onderneming ingedeeld in een gezondheidsklasse waarin ondernemingen met een verglijkbaar risicoprofiel op faling binnen de drie jaar zitten. Er bestaan tien gezondheidsklassen: • De eerste vier klassen komen overeen met faillissementsgraden onder het gemiddelde en duiden op een gunstige financiële situatie. Zo is het gemiddeld percentage ondernemingen dat in faling gaat in klasse 1 gelijk aan 0,09 %. Dit betekent dat er minder dan één onderneming op duizend failliet gaat. • In klasse 5 is de kans op faillissement gelijk aan het gemiddelde. Deze klasse houdt dus een neutrale interpretatie in. • In de gezondheidsklassen 6 tot en met 10 is de kans op faillissement groter dan het gemiddelde. De laatste vijf klassen stemmen overeen met faillissementsgraden die boven het gemiddelde liggen en wijzen op een ongunstige situatie.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
195
Bron: Ondernemingsdossier NBB
1
Hoeveel ondernemingen op duizend gaan er in klasse 10 in faling (op een termijn van drie jaar)?
2 In welke gezondheidsklasse bevond Jules Destrooper zich in 2016?
3 Hoeveel procent van de ondernemingen uit dezelfde sector bevinden zich in die gezondheids-
klasse?
4 In welke gezondheidsklasse bevinden zich de meeste bedrijven uit dezelfde sector?
196
8
BESLUITEN VERWERKEN IN EEN RAPPORT In dit onderdeel schrijf je een samenvattend rapport van jouw ratioanalyse en voeg je grafieken en tabellen vanuit Excel op verschillende manieren in een word-document. Tot slot maak je een automatische inhoudstafel voor jouw rapport en een lijst van tabellen en grafieken.
8
26
1
Open een leeg word-document en voeg volgende titels in het rapport: • Solvabiliteit • Rentabiliteit van het eigen vermogen • EBIT en EBITDA • Liquiditeit van de onderneming • Aantal dagen klanten- en leverancierskrediet • Omlooptijd en omloopsnelheid van de voorraad
Bewaar het document onder de naam RapportJulesDestrooper.docx. Om later op een snelle manier een inhoudstafel te genereren, geef je iedere titel een stijl. Kies voor de stijl kop1. Selecteer een titel en kies in het tabblad Start bij stijlen voor de stijl ‘kop1.’ Wil je meer over stijlen weten, bekijk dan in het handboek ICT-integratie wordfiche 8. 2 Onder iedere titel voeg je nu vanuit het excelbestand JulesDS.xlsx telkens de tabel met bereke-
ningen en grafiek van de betreffende ratio toe. Bij het overbrengen van een tabel of grafiek vanuit Excel naar Word moet je kiezen of je dit statisch of dynamisch doet. Daarna beslis je om de tabel of grafiek in te plakken of in te sluiten. Statisch: na het overbrengen verdwijnt de band tussen het brondocument en het doeldocument. Wanneer je wijzigingen in het brondocument aanbrengt, heeft dit geen enkel effect op het doeldocument. • Inplakken: het formaat van de gegevens van het brondocument wordt omgezet in het formaat van de doeltoepassing (conversie). Na overdracht kan je niet meer zien dat de gegevens oorspronkelijk uit een ander document komen. • Insluiten: van de kopie is de brontoepassing bekend. Een ingesloten object kan daardoor rechtstreeks worden bewerkt met de functies van de brontoepassing. Dit neemt wel veel ruimte in op de schijf. Dynamisch: er blijft een band tussen het bron- en doeldocument. Alles wat in de bron wordt aangepast, zal ook in het doelbestand gewijzigd worden. • Inplakken: het formaat van de gegevens van het brondocument wordt omgezet in het formaat van de doeltoepassing (conversie). Na overdracht kan je niet meer zien dat de gegevens oorspronkelijk uit een ander document komen. • Insluiten: van de kopie is de brontoepassing bekend. Een ingesloten object kan daardoor rechtstreeks worden bewerkt met de functies van de brontoepassing. Dit neemt wel veel ruimte in op de schijf.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
197
Kies je eenvoudigweg voor plakken, dan gebeurt het statisch.
Statisch en insluiten
Statisch en inplakken
Statisch Dynamisch: er is een koppeling met het bronbetand. en insluiten Insluiten
Inplakken
Tussen inplakken en insluiten
Dynamisch
Voeg de tabel en graďŹ ek van solvabiliteit dynamisch toe en kies voor insluiten. Leg uit hoe je dit doet.
OPMERKING Wanneer je een document naar iemand verzendt waarin je objecten dynamisch hebt ingevoegd, moet je steeds ook het brondocument meesturen.
198
3 Plaats je cursor onder je tabel en Kies in het tabblad verwijzingen bij de groep bijschriften voor
bijschrift invoegen.
Typ de gewenste naam in. Kies (of typ) tabel.
Doe nu hetzelfde voor de grafiek. Je resultaat moet eruitzien zoals hieronder weergegeven. Achter het woord ‘bespreking‘ kan je je besluiten schrijven over de solvabiliteit van Jules Destrooper.
Voeg ook voor alle andere ratio’s de tabel en grafiek toe. Plaats onder de tabel en grafiek telkens een bijschrift.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
199
4 De inhoudsopgave plaats je aan het begin van je rapport.
Plaats je cursor bovenaan in het worddocument. Kies in het tabblad Verwijzingen voor Inhoudsopgave en kies Automatische inhoudsopgave 1.
OPMERKING Wanneer je andere stijlen gebruikt dan kop 1, kop 2 en kop 3 kies je voor Aangepaste inhoudsopgave en vervolgens voor Opties om je gebruikte stijlen (en niveaus) aan te geven. Als je achteraf wijzigingen aan het rapport aanbrengt, kan je de inhoudsopgave bijwerken zonder dat je die opnieuw moet maken. Selecteer de inhoudstafel en kies bovenaan voor Bijwerken.
200
5 Achteraan je rapport voeg je een lijst toe van je gebruikte tabellen en graďŹ eken. Kies hiervoor in
het tabblad Verwijzingen voor Lijst met afbeeldingen invoegen.
Hoofdstuk 5
Analyse van de jaarrekening
201
groepswerk Deel de klas in groepen van twee of drie personen. Kies een onderneming en download de jaarrekeningen bij de Balanscentrale van de NBB. Surf hiervoor naar www.nbb.be. 1
Noteer de sector van je gekozen onderneming.
2 Voeg je cijfers van de jaarrekeningen in een excelbestand in. 3 Analyseer deze onderneming door volgende ratio’s te berekenen:
• • • • • • • •
solvabiliteit; liquiditeit; nettobedrijfskapitaal, behoefte aan nettobedrijfskaptaal en de nettokaspositie; rentabiliteit; EBIT en EBITDA; klantenkrediet; leverancierskrediet; omlooptijd van de voorraad.
4 Bestel via de NBB indien mogelijk het ondernemingsdossier van je gekozen onderneming. 5 Noteer je conclusies in een word-rapport zoals aangeleerd in dit hoofdstuk.
202