3
C70 M20 Y67
4 Spellingschrift Correctiesleutel
C16 M30 Y70
Coördinatie: Daan Debuysere Auteurs: Virginie Thielemans Bea Willems Rien Broere Daan Debuysere Met medewerking van: Pieter Van Biervliet
Bij TALENT voor het 4e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel – Te laat! Projectbundel – Goochelen Projectbundel – Dat klopt niet Werkwoordenblok 4 Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C, spellingschrift en projectbundels Voor de klas: Talentbib 4 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8245-5 978-90-306-8240-0 D/2019/0078/53 D/2019/0078/54 Art. 569659/01 569654/01 NUR 191
Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Eric Bouwens Tekeningen spellingweters: Eric Bouwens
les 5
Herhaling (1) Hallo!
1
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het over. ei of ij
spellingweter 13
ou of au
spellingweter 14
het eiland
eiland
het vrouwtje
vrouwtje
het meisje
meisje
bouwen
bouwen
verdwijnen
verdwijnen
de klauw
klauw
altijd
altijd
augustus
augustus
eeuw en ieuw
spellingweter 4
uw
spellingweter 10
zij schreeuwt
schreeuwt
hij duwt
duwt
het nieuws
nieuws
de schaduw
schaduw
zij geeuwen
geeuwen
de zenuw
zenuw
benieuwd
benieuwd
ruw
ruw
aai/ooi/oei
spellingweter 3
a/o/u op het einde
spellingweter 21
de prooi
prooi
de oma
oma
de moeite
moeite
achterna
achterna
ze zwaait
zwaait
hallo
hallo
Thema 1 - les 5
3
2
Vul aan met ei/ij of au/ou. Schrijf het woord over. alleb ei
allebei
de dolf ij n
dolfijn
de m ou wen
mouwen gauw
g au w
3
ze verdw ij nen
verdwijnen
autorijden
de wenkbr au wen
wenkbrauwen
de g ou dm ij n
goudmijn
au tor
Vul aan en schrijf elk woord in de juiste kolom.
papeg ged
aai
sl
sch
ieuw
eeuw
bl
oei
eeuw
man
sn en
ooi
net als haai, kooi of boei
net als leeuw of nieuw
sluw
bloeien
schreeuwen
geduw
papegaai
benieuwd
schuw
vogelkooien
sneeuwman
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
1 Aan zee zie ik (m)
vliegen.
meeuwen
2 Op 1 januari vieren we (N)
Nieuwjaar
.
3 De boer woont in een (b)
boerderij
.
Pinnemuts.
gaf.
4 In het bos woont (k)
kabouter
5 Ida viel omdat Alberte haar een (d) gooit
7 De kip legt elke dag drie (e) 8 Mijn zusje zit op de (d)
Thema 1 - les 5
en
uw
net als duw
6 Youri (g)
en
uw
d
vogelk
4
schr
uw
ben
4
den
ij
duw
de basketbal in de ring. eieren draaimolen
.
op de kermis.
Fout? Verbeter.
5
a Maak zinnen met de woordgroepen. Tip: let op de hoofdletter. b Nummer ze van 1 tot 4 en maak een verhaal.
naar een klein eiland. – op de bodem van de koude zee – Ik rijd 3
Ik rijd op de bodem van de koude zee naar een klein eiland.
Ik zie – voorbij zwemmen. – een papegaaivis 4
een autoduikboot. – en een auto – Ik bouw – van een boot 2
Ik bouw van een boot en een auto een autoduikboot. zonder lawaai. – en een reis – van een blauwe zee – Ik droom
1
6
Ik zie een papegaaivis voorbij zwemmen.
Ik droom van een blauwe zee en een reis zonder lawaai.
Vul het krantenartikel aan.
Trein gekaapt door dieren In het station van Antwerpen konden de reizigers de (t)
trein
niet op. Die zat namelijk vol dieren, zoals (t)
tijgers
(p)
papegaaien
(l)
leeuw
,
en een .
Volgens een dierenverzorger vonden de dieren het niet leuk om steeds in hun (k)
kooien
te zitten en
naar de mensen te (k) en gingen op (r) (f )
flauw
Gelukkig waren er (w) (b)
blij
kijken reis
. Daarom pakten ze hun koffers . Enkele mensen op het perron vielen
. weinig
gewonden. De dieren waren
dat ze eens op vakantie konden gaan.
Thema 1 - les 5
5
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Schrijf een vervolg op het verhaal uit oefening 5. Gebruik zoveel mogelijk woorden uit deze les. Terwijl ik over de zeebodem rijd, hoor ik opeens
6
Thema 1 - les 5
les 10
Herhaling (2) Het is oktober, de kachels branden en de bomen worden kaal. Het dochtertje van Els is aan het bibberen. Ze zit in een vliegtuig op het vliegveld. “Zullen we een spelletje spelen?” zegt haar knuffeltje. “Kun jij babbelen?” vraagt het meisje verbaasd. “Ja, om je aandacht af te leiden”, zegt de knuffel zacht. Het meisje krijgt een grote glimlach. “Het vliegtuig mag nu gerust vertrekken”, zegt ze.
1
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gt of cht
spellingweter 24
g of ch
spellingweter 15
de aandacht
aandacht
de kachels
kachels
hij vraagt
vraagt
de glimlach
glimlach
ze zegt
zegt
het vliegtuig
vliegtuig
zacht
zacht
de pech
pech
enen, elen of eren
spellingweter 7
tje
spellingweter 8
bibberen
bibberen
het dochtertje
dochtertje
babbelen
babbelen
het knuffeltje
knuffeltje
tekenen
tekenen
het koffertje
koffertje
woorden net als vissen
spellingweter 25
woorden net als apen
spellingweter 25
de knuffel
knuffel
spelen
spelen
het spelletje
spelletje
oktober
oktober
vertrekken
vertrekken
grote
grote
Thema 1 - les 10
7
2
a Hak de woorden in klankgroepen. Trek streepjes waar je hakt.
de p r o| f e| s s o r
de w a| t e r| v a| l l e n
de v o e t| b a l| w e d| s t r ij| d e n o| v e r| s t r o| m e n z a| t e r| d a g| a| v o n d
de a| p p e l| b o| m e n de w e| r e l d| k a m| p i| oe n
de b o e r| d e| r ij| d ie| r e n de o p| p a| s s e r
b Luister naar het einde van elke klankgroep en kleur: een korte klank aan het einde van de klankgroep. een lange klank aan het einde van de klankgroep.
3
a Kijk naar de tekening en schrijf het juiste woord in de zin. 1
2
1 Wij (b)
5 Hij (z)
is een big.
varkentje
4 De leerlingen (r)
5
.
middernacht
3 Een klein (v)
4
van de kou.
bibberen
2 Het is (m)
3
6
.
rekenen
een hoge boom om.
zaagt
6 Slaap jij met een (n)
nachtlamp(je)
aan?
b Kruis de spellingmoeilijkheden in het woord aan. verdubbelen
1
x
2
x
verenkelen
enen elen eren
cht
x x x
x
5 6
8
Thema 1 - les 10
gt
x
3 4
tje je
x (x)
x
4
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
1 Elke woensdag bakt oma lekkere (p) 2 (g)
Gisteren
was het vrijdag, vandaag is het zaterdag.
3 Niet links maar (r)
rechts
4 De kip ziet een (k)
kuikentje
5 Een vliegtuig (w)
5
.
pannenkoeken/pizza
weegt
.
Fout? Verbeter.
uit haar ei kruipen.
meer dan honderd ton.
Zet de blauwe woorden in het meervoud en schrijf de tekst over. Met een blij gezicht vertrek ik op reis. Ik neem de trein naar Brussel-Zaventem. In het station jaagt een kat op een muis.
In de trein babbelt een meneer met een mevrouw. Zij lacht. De conducteur knipt een kaartje.
Met een blij gezicht vertrekken we op reis. We nemen de trein naar Brussel-Zaventem. In het station jagen de katten op de muizen. In de trein babbelen de meneren met de mevrouwen. Zij lachen. De conducteur knipt de kaartjes.
6
Vul aan met g/ch of gt/cht. Schrijf het woord over. Op een mooie lenteda g
trekken we
lentedag
met de ru g zak naar zee.
rugzak
Er waait op de midda g
middag
pech
hoog
lucht
De vo g els vlie g en er snel heen.
vogels
vliegen
“Is er ook worst?” vraa gt een meeuw.
vraagt
“Hier is no g
wat!” antwoordt een spe cht .
nog
specht
heeft de leerkra cht geld bij zich.
gelukkig
leerkracht
mogen
een kra cht ige wind.
Wat een pe ch ! Onze lunch vliegt hoo g
Gelukki g
in de lu cht .
We mo g en frietjes eten!
krachtige
Thema 1 - les 10
9
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul het kruiswoordraadsel in. Van links naar rechts 1 In de zomer moet ik het gras ... 2 Als ik moe ben moet ik ... 3 Ik heb een euro voor een drankje uit de ...
7
b
5
Van boven naar beneden 4 Als jij naar Amerika reist, doe je dat met het ... 5 Op een zonnige dag zoek ik verkoeling in de ... onder een boom. 6 Op de boerderij zijn er bokken en ... 7 Niet aan die hond komen, hij kan je ...
2
g
4
v
1
m
s
6
ij
c
g
t
h
e
e
a
a
i
l
d
t
i
u
e
e
e
u
w
e
n
t
o
m
a
a
e
g t 3
a
u i g
10
Thema 1 - les 10
t
n
les 14
Woorden net als rustig(e) boom b=v m=r –o
hoed h=m
haar h=j –a
beren r=z – en
+ ig
trap t=g +p
kast k=h a = aa
ton t=z +n
schild i=u
+ ige
Spellingweter 11
1
Woorden met ig(e)
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. ik verkondig
Ik
moedig
Moedig
de schuldige
De
verdrietig
Ben je ook
haastige
De
rustige
Ik wens je een
zonnig
Marokko heeft een
grappige
Ik moet hard lachen om die
vorig
de jarige
De
stevige
De bokser deelde een
bezig
Ik ben nog steeds
aan iedereen dat ik een broertje krijg.
verkondig
redde de brandweerman de hond. moet gestraft worden.
schuldige
als je je knuffel niet vindt?
verdrietig
man vergat zijn jas aan de kapstok.
haastige
vakantie toe zonder stress.
rustige
klimaat.
zonnig
clown.
grappige
jaar heb ik mijn been gebroken.
Vorig jarige
blaast de kaarsjes uit. stevige bezig
klap uit. aan mijn huiswerk.
Thema 1 - les 14
11
2
3
12
Vul aan met ig of ige. Bedek het woord en schrijf het op. 1 pracht ig
een
cadeau
2 eeuw ig
3 hart ige
een
hartige
taart
4 kracht ige
een
krachtige
man
5 mist ige
een
mistige
dag
6 jeugd ige
de
7 hev ig
een
8 droev ig
9 zal ige
de
zalige
10 haast ige
een
haastige
prachtig eeuwig
leven
speler
jeugdige
onweer
hevig droevig
nieuws vakantie beslissing
Vul aan met een woord net als rustig(e). Let op: soms moet je ook verenkelen of verdubbelen. 1 schat
een
schattig
hondje
2 geluk
een
gelukkig
nieuwjaar
3 een
een
enig
kind
4 nut
een
nuttig
plan
5 ernst
een
ernstig
gesprek
6 verstand
de
7 vuur
een
8 hand
de
9 sap
een
sappige
peer
10 last
een
lastige
klant
Thema 1 - les 14
verstandige vurige handige
ig-bus
jongedame liefdesbrief klusjesman
ige-bus
4
Vul de zin aan met een woord net als rustig(e). 1 Brrr ... wat een (g)
3 De (h) 4 Yin is (t)
hongerige
en moet huilen.
te blijven.
rustig
.
koning van een groot land.
gelukkig
machtige
8 Nara geeuwt: ze is (s)
6 Ze leefden nog lang en (g) 7 Hij is een (m)
.
meeuw zoekt eten.
triestig
.
slaperig
Fout? Verbeter.
aandachtig
5 Bij brand probeer je (r)
5
verhaal!
griezelig
2 Levi let niet op: hij is niet (a)
Ik twijfel.
Vul het verhaal aan. Schrijf de woorden met ig(e) op de juiste plaats. Op een voorzicht punt rust
zaterdagochtend fiets ik naar de markt.
rustige
Ik heb mijn helm op want je moet
voorzichtig
Over het zebrapad wandelt een
eigenaardige
met een
puntige
zijn in het verkeer. vrouw
hoed.
eigenaard
Ze heeft een toevall schatt aard grapp
Dat ziet er best Naast haar loopt Zij begint een
schattig
poesje in een kinderwagen.
grappig toevallig aardig
uit. een vriendin van mij. praatje met de vrouw.
Ik stuur mijn vriendin een bericht. Ik wil weten wie die eigenaardige vrouw is!
Thema 1 - les 14
13
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
Schrijf het bericht voluit. TIP: lees eerst het tekstje van oefening 5 nog eens. Ik zag je net op straat aan het . Ik stond . Naast je liep een met een hoed. In haar lag een te slapen. Ze naar mij. Mag ik je iets ? Ken jij haar? Spreken we nog eens af? Ik heb wel zin om nog eens te
.
Bv. Ik zag je net op straat aan het zebrapad. Ik stond achter een vrachtwagen. Naast je liep een vrouw met een puntige hoed. In haar kinderwagen lag een poesje te slapen. Ze zwaaide naar mij. Mag ik je iets vragen? Ken je haar? Spreken we nog eens af? Ik heb wel zin om nog eens te babbelen.
14
Thema 1 - les 14
les 5
Woorden net als veilig Lieve kleindochter, Goed dat jullie eindelijk veilig zijn aangekomen! Het zijn mooie eilanden, maar ze zijn moeilijk te bereiken. Ik ken ze. Oma en ik zijn er beiden vroeger ook geweest. Ik had me heilig voorgenomen er ooit terug naartoe te gaan. Daar is tot nu toe weinig van terechtgekomen. Eigenlijk ben ik heel jaloers op je. Zal ik naar je toe komen? Liefs, Opa
Spellingweter 13
1
Woorden met ei of ij
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. eindelijk
Na lang wachten waren we
veilig
Via het zebrapad steek je de straat
de eilanden
De Caraïben bestaan uit verschillende
ze bereiken
Na twee uur fietsen
bereiken
de wielrenners de meet.
beiden
Warre en Olivia zijn
beiden
jarig op 1 mei.
heilig
Ben jij een
weinig
Er leven nog maar
eigenlijk
Ik moest
de leiding
De burgemeester heeft de
de scheidsrechter
De voetballer kreeg van de
de leider
Tijdens het groepswerk is Noa de
leider
geheimzinnig
Vond jij dat de man met de hoed
geheimzinnig
scheiden
Bij dat recept moet je het eiwit van de dooier
ze eindigen
De optredens
de kleindochter
Elke maandag brengt opa zijn
aan de beurt.
eindelijk
over.
veilig
.
eilanden
boontje en doe je niets verkeerd?
heilig
panda’s in het wild.
weinig eigenlijk
eindigen
naar school, maar lig ziek in bed. leiding
over de gemeente. een rode kaart.
scheidsrechter .
scheiden
deed? .
om 22 uur. kleindochter
naar school.
Thema 2 - les 5
15
2
Vul de woorden aan met ei of ij en schrijf ze in de juiste kolom. Tip: gebruik een woordenboek als je twijfelt. de l ei ding – het onderw ij s – v ei lig – geh ei mzinnige – de woest ij n – het pal ei s –
ei ndigen – de vr
ei ndelijk – h ei lig –
dag – paardr ij den –
ij
de aardb ei
3
onderwijs
leiding
veilig
woestijn
geheimzinnige
eindelijk
vrijdag
heilig
paleis
paardrijden
eindigen
aardbei
a Schrijf het juiste woord met ei of ij onder de tekening. b Kleur: de ei-woorden. Die woorden moet je onthouden.
16
drijven
zeilboot
scheidsrechter
ijsjesverkoper
eilanden
spiegelei
Thema 2 - les 5
4
Vul het woord aan met ei of ij. Gebruik het in de zin. 1 de l ei der
De
het ontb ij t Knijpt de
de boerder ij
De reiziger
geh ei mzinnige zijn
haar neus dicht op de
keizerin ?
boerderij
3 hij ber ei kt
bereikt
bestemming.
geheimzinnige
Vul de zin aan met een woord met ei of ij. 1 De (s)
scheidsrechter
2 In Parijs hangt het (s)
van Mona Lisa.
schilderij
3 Sint-Nicolaas is een (h)
heilig(e)
4 Het is gezond om (w)
weinig
6 In de (v)
Ik twijfel.
fluit bij een overtreding.
5 Mijn ouders zijn uit elkaar, ze zijn (g)
6
.
ontbijt
2 de k ei zerin
5
van de scouts maakt het
leider
man.
suiker te eten.
.
gescheiden
zwemmen vijf eenden.
vijver
Fout? Verbeter.
Vul het verhaal aan. Kies uit: genlijk – geh mzinnig – w nige – b – pal voorb – De spin ziet de Ze is
eigenlijk weinige
bij
jaloers. Ze start een
“Pas wel op, want Eindelijk leiding
lig –
ndelijk
voorbij
haar web vliegen.
geheimzinnig
materiaal op de zolder van het
Gelukt! Ze heeft haar doel beiden
l ding –
s – ber kt – b den – v
paleis
project met het .
. Nu kunnen ze
bereikt
vliegen! veilig
vliegen is belangrijk”, zegt de bij.
is de grote dag aangebroken en vliegt de spin, onder van de bij, vrolijk rond.
Thema 2 - les 5
17
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Teken het ontwerp dat ervoor zorgt dat de spin uit oefening 6 kan vliegen. b Beschrijf hoe het werkt. Tip: deze woorden kunnen je helpen: zij duwt – kanonnen – ballonnen – paraplu – vleugels – rugzak – touw – kauwgom – papier
18
Thema 2 - les 5
les 10
Woorden net als hersenen, leeftijd en lastig(e)
1
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als kinderen, meubelen, tekenen
spellingweter 7
de hersenen
De
giechelen
Achteraan in de klas begonnen ze te
de anderen
Erwin was te laat, de
we verbeteren
We
zijn een belangrijk onderdeel van je lichaam.
hersenen
.
giechelen
waren op tijd.
anderen
de fouten die we maakten in het dictee.
verbeteren
woorden net als ei of ijs
spellingweter 13
de leeftijd
Mijn oma ziet er jong uit voor haar
tevoorschijn
Hij haalde zijn gsm
het medelijden
Ik heb
allerlei
In mijn boekentas zit er
.
leeftijd
om een foto te maken.
tevoorschijn
met die zieke kinderen.
medelijden
schoolmateriaal.
allerlei
woorden net als rustig(e)
spellingweter 11
lastig
Die hond viel de man
angstig
Ik was
aardige
De
prettig
We wensen je een
geweldige
Dit
angstig aardige
geweldige
lastig
.
bij het zien van die cobra. buurvrouw geeft mij vaak een snoepje. prettig
feest toe. liedje kan iedereen meezingen.
Thema 2 - les 10
19
2
Schrijf onder de tekening het samengestelde woord met ei of ij.
krokodilleneieren
tijdschrift
kookeiland
+s
rugpijn
3
afscheidskus
De trainers
de ploegopstelling.
veranderen
2 toveren
Kun jij een konijn uit een hoed
3 tekenen
Een architect moet duidelijke plannen
4 eieren
De kip legt elke dag twee
5 giechelen
6 kinderen
20
konijnenhok
Vul het woord aan met enen, elen of eren en schrijf het juist in de zin. 1 veranderen
4
De meisjes in de klas Er zitten 21
?
toveren tekenen .
eieren giechelen
kinderen
.
vaak.
in het vierde leerjaar.
Schrijf de afleiding van het woord met ig(e) op de juiste plaats in de zin. 1
pracht macht
De
machtige
koning heeft
2
grap jeugd
De
jeugdige
auteur schrijft een
3
som reus
Thema 2 - les 10
Sommige
bomen hebben
prachtige
grappig
reusachtige
kleren.
boek.
kruinen.
5
Vul aan. Schrijf het woord in de zin. 1
6
Ik twijfel.
ndigen
Wij
eindigen
2 verbet eren
We
verbeteren
3 last
ig
De oefening is
4 rav
ij
n
Val niet in het
ei
5 rek enen
Wij
6 str
De leeuwen
ij
den
laatst.
de fouten.
.
lastig
rekenen
.
de som uit.
ravijn
.
strijden
Fout? Verbeter.
Vul de tekst aan. Kies uit: schr f – leeft
den – hev land – w
Schrijf
– maalt
den – vervoermidd – moed
n – zonn
ste –
– dond – reg
JE IN VOOR DE UITDAGING VAN JE LEVEN! In Expeditie Robinson gaan onbekende Vlamingen van verschillende
een
leeftijden
hevige
strijd aan met elkaar én de
natuur op een onbewoond
eiland
.
De weersomstandigheden kunnen verschillen: het kan
zijn, maar
zonnig
het kan ook
donderen/regenen
regenen/donderen Weinig
en
.
kandidaten kunnen wennen
aan een verblijf zonder maaltijden/vervoermiddelen vervoermiddelen/maaltijden
Wie kroont zich tot
,
en luxe.
moedigste
Robinson?
Thema 2 - les 10
21
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Bekijk de tekening en beschrijf de avonturentocht van het start- tot het eindpunt. Tip: gebruik de woorden uit dit thema.
START Bv. Ik ga op avonturentocht op een geheimzinnig eiland, wat spannend! Kinderen met een leeftijd vanaf acht jaar mogen mee op avontuur. Het is een lastige weg. Ik moet krokodillen ontwijken en het diepe ravijn oversteken via een smalle brug. Na de brug volgt een stuk woestijn. Tijdens mijn tocht door de woestijn, word ik gelukkig niet gebeten door giftige slangen. Eindelijk bereik ik veilig het eindpunt! Ik beklim de reusachtige bergen. Wanneer ik de top bereik, heb ik een prachtig uitzicht!
22
Thema 2 - les 10
les 14
Woorden net als beiden, doodsbang, ploeg en spannend
1
D
O
O
D
S
B
A
N
G
P
L
O
E
G
V
A
T
R
O
P
P
A
R
K
N
I
R
D
R
E
C
H
T
E
R
K
A
N
T
W
IJ
K
G
I
E
A
P
S
N
E
D
I
E
B
N
E
L
E
H
C
N
N
E
N
D
J
U
I
C
H
E
N
K
U
C
M
D
A
T
N
E
T
E
G
A
D
D
I
M
H
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als ei of ijs
spellingweter 13
beiden
Mijn ouders komen
de wijk
Ik woon wat verder in de
uit Italië.
beiden
.
wijk
woorden net als ring of bank
spellingweter 6
doodsbang
Ik ben
ik verdrink
Ik
de bevolking
De koning sprak de
voor bliksem en onweer.
doodsbang
niet als ik een reddingsvest draag.
verdrink
toe.
bevolking
woorden net als weg of lach
spellingweter 15
de ploeg
Papa gaat elke vrijdag voetballen met zijn
het middageten
We eten ons
de kuch
Met een
zij juichen
De supporters
giechelen
Tot ergernis van de meester blijven ze
middageten
.
ploeg
in de refter.
schraapte ze haar keel.
kuch juichen
bij elk doelpunt. giechelen
woorden net als hond of tent
.
spellingweter 23
spannend
Een
het rapport
Voor de vakantie krijgt elke leerling zijn
de achterkant
De korte inhoud van het boek staat op de
spannend
boek vind ik boeiend. rapport achterkant
. .
Thema 2 - les 14
23
Volg de slang en vul aan met ng of nk. Schrijf het woord op.
d a ?
i o
n
de
dankbaar
k
i ?
a
bemanning
n r
3
a
?
b e
de
a
m
n n i b
2
koningin
a Vul het meervoud aan met d/t of g/ch. b Vul de zin aan met het woord. 1 het midda eten
vijf midda g en
2 de fees ten veel fees drie ten
t
Ik heb zin in
en De
.
middageten
staat in een wei.
feesttent
en
t
3 de glimla
ze la ch en Zijn
4 duizen
vele duizen d en Het kost
5 het vlie vel ze vlie g en
is mooi.
glimlach duizend
Ze landen op het
euro. .
vliegveld
acht vel d en 6 ron lopen
4
drie ron d en
rondlopen
.
Zoek het juiste woord en vul het in. 1 Met een (k)
voetbalploeg
2 Misdadigers in de (g) (t) 3 Op de (p) (v)
Thema 2 - les 14
(hoest) groet de (s)
kuch
voetbalveld) de (v)
24
Je mag hier niet
tijdschrift parking veilig
gevangenis
scheidsrechter
(een team van voetballers). (cel) lezen ook wel eens graag een
(boekje met artikels). (plaats waar je je auto parkeert) kun je (niet gevaarlijk) je auto achterlaten.
(leider op het
5
Vul de zinnen aan.
Ik twijfel.
1 Zij betaalt niet met munten, maar met de (b) 2 Ze zijn samen geboren. Het is een (t) 3 De (i)
4 Onze koning woont in het (p)
.
boeiend
heeft delen: armen, benen, buik ...
lichaam
in Brussel.
paleis
5 Ik vind het niet saai, ik vind het (b)
6
.
tweeling
van een brik melk is één liter.
inhoud
6 Mijn (l)
.
bankkaart
Fout? Verbeter.
Vul het verhaal aan met woorden met ei/ij, ng/nk, g/ch of d/t. Kies uit: la
en – vlu
– we
str
– hoof
pr
ndmeet – ein De haas moet de
s – we pun
– schil
– la
pa
– voetbalvel
zaam
wanneer hij
lachen
ziet kruipen.
schildpad
“Ik begrijp niet waarom jij ergens naartoe gaat”, zegt hij pesterig. “Als jij eindelijk aankomt, is het altijd te laat en is alles voorbij.” De schildpad lacht. “
ben ik niet”, zegt hij,
Vlug
“maar ik wed, dat ik eerder aan het
voetbalveld
Zullen we een
houden? Dan kun je het zien.”
wedstrijd
ben dan jij.
“Goed!” roept de haas. Hij springt recht en gaat op overtuigd dat hij de
,
weg
wint.
hoofdprijs
Bij de laatste bocht blijft hij even staan om te zien waar het
eindpunt
ligt.
Daar! En nog geen halve meter ervoor kruipt de schildpad, langzaam
dichter en dichter naar de
maar zeker, stap voor stap, eindmeet
.
Thema 2 - les 14
25
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Bekijk de tekeningen en schrijf op wat er fout liep voor de haas uit oefening 6. Tip: gebruik de woorden uit dit thema.
Bv. De haas doet een dutje in de wei en droomt van een eiland. Bv. De haas kijkt hoe een meisje en een geitje lijkbleek worden wanneer een wolf tevoorschijn komt. Ze blijven stokstijf staan. Bv. De haas snuffelt aan een geheimzinnig pakje. Bv. De haas schrikt van een man die aan het paardrijden is en valt bijna in een ravijn.
26
Thema 2 - les 14
les 5
Woorden net als gevaarlijk(e) LIJK
VRES
VAAR
E
E
GE
E
LACH
DAD
DER
LIJK
E
LIJK
E
E
WON
Spellingweter 12
LIJK
VRO SCHUW
LIJK
EER
MAKK
VRIEND
E
LIJK
LIJK E
1
LIJK
E
GE
LIJK
TUUR
LIJK E
LE
LIJK NA
BE
E
ON
LIJK AF
E
Woorden met (e)lijk(e)
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gevaarlijke
Een cobra is een
vrolijke
Dat zijn twee
wonderlijke
Wat een
afschuwelijk
In mijn droom werd ik achtervolgd door een
oneerlijk
Hij speelt vals, dat is
belachelijk
De schoenen van de clown waren
gemakkelijk
Deze les is
gemakkelijk
dadelijk
Haast je,
dadelijk
lelijke
Ken je het sprookje ‘Het
vriendelijke
De
vreselijke
Op het nieuws zie je soms
natuurlijk
Jan heeft
slang!
gevaarlijke
vrienden.
vrolijke
man is die Evert toch.
wonderlijke
vriendelijke
natuurlijk
dier.
afschuwelijk !
oneerlijk
.
belachelijk .
komt de bus! lelijke
eendje’?
man hield de deur open. vreselijke
gebeurtenissen.
weer een tien op zijn toets.
Thema 3 - les 5
27
2
Vul aan met (e)lijk(e). Bedek het woord en schrijf het volledig op. 1 heerlijke
een
heerlijke
taart
2 duidelijke
een
duidelijke
beschrijving
3 moeilijke
een
moeilijke
oefening
een
verschrikkelijk
ongeluk
een
ongelooflijk
verhaal
een
mogelijke
4 verschrikkelijk
5 ongelooflijk 6 mogelijke 7 eigenlijk
3
Ze bedoelt
oplossing
eigenlijk
Vul het juiste woord met (e)lijk(e) in.
Let op: Soms moet je ook verenkelen of verdubbelen.
1
kost hart
2
ongeloof smaak
het
ongelooflijke
3
koning gemak
het
koninklijk
4
pijn schrift
de
pijnlijke
val
5
zuid tijd
de
tijdelijke
opvang
6
huis smaak
7
daad wonder
Hij komt
8
oneer avontuurlijk
de
nee.
hartelijke
smakelijk
groeten
verhaal
paleis
eten
dadelijk
avontuurlijke
.
spin
Dit is ongelooflijk!
28
Thema 3 - les 5
4
5
Maak een woord met (e)lijk(e) en schrijf er een zin mee. 1 koning
Ik droom van bv. een verblijf in het koninklijk paleis.
2 wonder
Ik droom van bv. wonderlijke dingen in Snoepjesland.
3 gemak
Ik droom van bv. een gemakkelijk dictee tijdens de volgende les.
4 oneer
Ik had een nachtmerrie over bv. een oneerlijke tennisspeler tijdens de match.
5 vrees
Ik had een nachtmerrie over bv. een vreselijke reis door Afrika.
Vul de zin aan met een woord op (e)lijk(e). 1 Dat is een (gevaar) 2 (hart)
kruispunt.
gevaarlijk
4 IJsberen leven op de (noord) 5 Opa schrijft (sier)
letters.
sierlijke kostelijk
7 Dit geloof ik niet, het is (ongeloof )
pool.
noordelijke
6 Dit is duur, het is een (kost)
.
schriftelijk
ongelooflijk
Fout? Verbeter.
gefeliciteerd met je prijs.
Hartelijk
3 De oefening is (schrift)
6
Ik twijfel.
cadeau.
.
Beschrijf de drie dromen of nachtmerries. Gebruik zoveel mogelijk woorden net als heerlijk(e). 1
2
3
Auw!
1 bv. Ik droom van een huwelijk, waar iedereen vrolijk is. Dan maakt een gast een pijnlijke val. 2 bv. Ik droom van een gevaarlijke oversteekplaats voor de school. De jongen wrijft over zijn pijnlijke knie. Voor de duif was het dodelijk. 3 bv. Ik droom van een oneerlijke leerling die spiekt bij een moeilijke toets.
Thema 3 - les 5
29
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Waarover droom jij soms? Gebruik minstens drie van deze heerlijke woorden. aantrekk – heer – wonder – dag s – vriend – eer – ongeloof – huw
30
Thema 3 - les 5
les 10
Werkwoorden (1) “Wat doet u?” vroeg ik de professor, die aan haar bureau zat. “Rennen”, mompelde ze, “duiken, vliegen, vallen, opstaan ... Ik onderzoek werkwoorden, maar hoe maak ik ze n doe overzichtelijk?” “Is dat niet te doen?” vroeg ik. “Dat is het: doen!” riep de professor uit. “Werkwoorden laten zien wat het onderwerp doet! Alleen zit ik dan nog met werkwoorden als hebben, kunnen en zullen, en zijn, worden en blijven. Die doen dat niet.” “Maar ze werken wel? Je kunt er zinnen mee maken?” vroeg ik. “Ja, natuurlijk!” lachte de professor. “Dan zijn het andere werkwoorden”, zei ik, om maar iets te zeggen. “Wacht eens, zo simpel is het! Er zijn werkwoorden die zeggen wat een onderwerp doet. En er zijn ... andere werkwoorden”, schaterde de professor. “Jij bent werkelijk geniaal!”
Taalweter 1 Taalweter 2 Taalweter 3 1
Waarom gebruik ik werkwoorden? Wat is een infinitief? Wat is een persoonsvorm?
Kleur: de werkwoorden. wij rusten
het zwembad jij komt
jij gaat de hond
ik antwoord
jullie vertellen de kip legt
ze willen de kinderen vragen ik schrijf
het nummer
blauw gelukkig
Jaap eet twintig
de zon schijnt Ella droomt
Thema 3 - les 10
31
2
Kleur: de infinitieven.
3
1
winnen
winnaar
won
wint
2
gehuil
huilen
huilt
huilde
3
missen
mist
gemis
misten
4
schreeuwt
schreeuwde
geschreeuw
schreeuwen
5
tovenaar
getover
toveren
tovert
6
giechel
giechelde
giechelen
gegiechel
7
ontmoette
ontmoeten
ontmoeting
ontmoet
a Maak een ja-neevraag. b Markeer: het onderwerp. c Onderstreep de persoonsvorm.
Jitte droomt van een nieuwe fiets.
Ja-neevraag: Droomt Jitte van een nieuwe fiets? 1 Dan rijden Jitte en papa naar het park. Ja-neevraag: Rijden Jitte en papa dan naar het park? 2 Jitte valt met haar fiets. Ja-neevraag: Valt Jitte met haar fiets? 3 Papa en mama brengen haar naar de dokter. Ja-neevraag: Brengen papa en mama haar naar de dokter? 4 De dokter verzorgt de wonden. Ja-neevraag: Verzorgt de dokter de wonden? 5 Hij kleeft een grote pleister op Jittes been. Ja-neevraag: Kleeft hij een grote pleister op Jittes been? 6 Gelukkig is het niet al te erg. Ja-neevraag: Is het gelukkig niet al te erg?
32
Thema 3 - les 10
4
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. Tip: stel een ja-neevraag. 1 Een kleine jongen kan niet slapen. 2 Hij roept zijn ouders die in de woonkamer zijn. 3 Zijn ouders willen hun zoon geen verhaal voorlezen. 4 Hij moet dan maar schaapjes tellen. 5 Al snel zitten de schapen rond zijn bed. 6 Hopelijk houden ze hem niet wakker!
5
a Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de infinitief. infinitief (Ik zal ...)
1 De scheidsrechter schorst die speler.
betekenis
schorsen
licht geven
gissen
tijdelijk iets verbieden
3 De sterren fonkelen aan de hemel.
fonkelen
klagen over iets
4 De meester sakkert over mijn twee op tien.
sakkeren
raden naar iets
2 Wout gist naar de uitkomst.
b Verbind de infinitief met de juiste betekenis.
6
Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de infinitief.
Ik twijfel.
infinitief (Ik zal ...)
1 Iman gaat op reis naar Spanje.
gaan
2 De hele familie reist mee.
reizen
zwemmen
4 Na de middag helpt Iman met de afwas.
helpen
5 Dat vindt ze niet zo leuk.
vinden
6 Samen wandelen ze ook in het bos.
wandelen
7 Daar geniet Iman van.
genieten
8 ’s Nachts droomt ze van haar reis.
dromen
3 Elke morgen zwemmen ze.
Fout? Verbeter.
Thema 3 - les 10
33
7
Luister goed. Noteer het onderwerp en de persoonsvorm.
onderwerp
Ik twijfel.
persoonsvorm
1
2
3
4
5
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Zoek het woord op (e)lijk(e) en vul de tekst aan. b Onderstreep de persoonsvormen. Een
aantrekkelijke
(erg mooie) vampier droomt van een lelijke
(niet mooi)
vrouw om mee te trouwen. Hij surft daarom naar de website “ Op die website kom je
Maar ze dromen wel van een
(niet gemakkelijk) mensen tegen.
moeilijke
Veel kandidaten wachten op een
(waaraan je dood kunt gaan) vampiers”.
dodelijke
afschuwelijk koninklijk
(met afschuw) aanzoek.
(als een koning)
huwelijk
(een trouw). c De vampier wordt op slag verliefd op de lelijke vrouw. Hij schrijft haar volgend bericht: Tip: de woorden kunnen je helpen. natuurlijk – eerlijk – onschadelijk – heerlijk – gevaarlijk – verschrikkelijk – eindelijk
34
Thema 3 - les 10
les 14
Werkwoorden (2) “Vroeger leerden we alles uit ons hoofd”, zei de professor. “Tegenwoordig vind je alles over werkwoorden op internet.” “Tijden veranderen”, zei ik eigenwijs. “Weer de spijker op de kop!” juichte de professor. “Werkwoorden kunnen van tijd veranderen. Ik kietel, wij kietelen onze neus: dat doen we nu. Ik kietelde, wij kietelden onze neus: dat is al gebeurd. Maar nu moet je me met rust laten. Ik moet dringend weer aan het werk met deze woorden.”
Taalweter 4 Taalweter 5 Taalweter 6
1
Wat is de tijd van een werkwoord? Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken: enkelvoud of meervoud? Wat is de stam?
a Onderstreep de persoonsvorm. b Omcirkel de juiste tijd: de tegenwoordige tijd (t.t.) of de verleden tijd (v.t.).
2
1 Elke avond droomde hij wel iets.
t.t./v.t.
2 Je droom duurt tien minuten.
t.t./v.t.
3 Hebben dromen een betekenis?
t.t./v.t.
4 De mensen raakten al snel geïnteresseerd in dromen.
t.t./v.t.
5 Vroeger dacht men dat het boodschappen waren.
t.t./v.t.
6 De betekenis blijft een groot mysterie.
t.t./v.t.
a Schrijf van elke infinitief de stam. Tip: denk aan de ik-vorm. b Kleur in de stam: de kijkletter. infinitief stam
infinitief stam
braden
braad
tekenen
teken
sluiten
sluit
trekken
trek
zwemmen
zwem
vinden
vind
spelen
speel
tennissen
tennis
Thema 3 - les 14
35
3
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Duid aan of de persoonsvorm in het enkelvoud of meervoud staat.
enkelvoud meervoud
1 De Droomfabriek was een populaire Vlaamse televisieshow.
x
2 De kijkers schreven brieven waarin ze hun droom beschreven.
3 Welke droom wil jij in vervulling zien gaan?
x
4 Ik ben blij als ik een poesje krijg.
x
5 Hopelijk vervullen mama en papa ook mijn droom.
4
x
x
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Schrijf de tijd van de persoonsvorm op (t.t. of v.t.).
5
Ik twijfel.
1 Daoud vertrekt naar de boerderij.
t.t.
2 Vannacht sliep hij niet door de zenuwen.
v.t.
3 Hij gaat met zijn vriend Yamin.
t.t.
4 Zijn ouders wensten hem een fijne tijd toe.
v.t.
5 Yamin en Daoud slapen samen op de kamer.
t.t.
Fout? Verbeter.
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Schrijf de infinitief en stam van de persoonsvorm op. 1 Janke hoort een vreemd geluid.
stam
horen
hoor
besluiten
beluit
3 Een hond zit vast in de bevroren vijver.
zitten
zit
4 Beeft het diertje van de schrik of de kou?
beven
beef
verwarmen
verwarm
2 Ze besluit de politie te verwittigen.
5 Gelukkig verwarmt Janke de hond.
36
infinitief
Thema 3 - les 14
6
Vul aan. Infinitief draaien 1
meppen
2
7
slapen
Stam
Persoonsvorm
draai
Ze
mep
Jullie mepten op de bal.
slaap
Ik
Tijd zich om.
draaien
v.t.
als een roos.
slaap
t.t.
t.t.
3
lezen
lees
Ik las een boek.
v.t.
4
studeren
studeer
We studeren elke avond.
t.t.
5
kijken
kijk
de politie rond.
Kijkt
Kruis aan of het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) is. Tip: stel een ja-neevraag.
Zo ziet de slaapcyclus eruit!
pv
geen pv
x
Tijdens je slaap doorloop je een paar stappen:
x
1 doezelen
Je bent nog wakker.
x
2 lichte slaap
Je droomt nog niet.
x
3 diepe slaap
Deze slaapfase duurt een uur.
x
4 remslaap
Er wordt in deze fase gedroomd.
Tijdens je slaap ga je vijf keer door die stadia.
x
Zo komt het dat je vijf dromen in een nacht hebt.
x
Je herinnert je niet altijd wat je droomde.
x
Met deze tips lukt het beter om je droom te onthouden:
x
1 Je moet je droom opschrijven van zodra je wakker wordt.
x
2 Ga in dezelfde houding liggen als wanneer je sliep.
x
x
3 Als je lang kunt uitslapen, dan duurt je droom ook langer
x
x
en heb je meer kans om hem te herinneren.
t.t.
Thema 3 - les 14
37
8
Luister goed. Schrijf de persoonsvorm, de infinitief en de stam op. persoonsvorm
infinitief
Ik twijfel.
stam
1
2
3
4
5
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw. Zitten
Infinitief
9
Stam
les 14
zitten
Speel het kwartetspel.
Werkwoordenkwartet stam:
Fietsen
Rennen
Spelregels kwartetspel
Infinitief
zit
zit
t.t.:
hij
v.t.:
wij
infinitief :
zit
t.t.:
hij
v.t.:
wij Stam
zaten
Infinitief
Stam Tege nwoo
zitten zit zaten
rdige tijd
1 Vul de kwartetkaarten aan.
Verleden
tijd
2 Knip de kaartjes uit. 3 Speel het spel. f ietsen – Maak groepjes van vier. les 14 – Verdeel alle kaarten. De kleinste speler begint. les 14 W er kw oo rd en kw – Als je aan de beurt bent, je aan iemand een kaart Werkwoordenkwartet artevraag t Rennen Rennen die je niet hebt: stam:
rennen f iets hi j zit
fiets
t.t.:
hij
v.t.:
wij
fietst
fietsten
stam:
infinitief: infiren nitief : fietsen
t.t.:
hij t.t.:
hij starent m:
v.t.:
wijv.t.:
wij v.trenden .: wij fietsten
Stam
stam: t.t.:
hij
v.t.:
wij
rent
t.t.:
hij
renden
v.t.:
wij
fietsen
stam:
ren
stam:
v.t.:
infinitief:
infinitief:
rent
t.t.:
hij
t.t.:
hij
rent
renden
v.t.:
wij
v.t.:
wij
renden
rennen rent
renden
Tegenwoordige tijd Tegenwoordige tijd
v.t.:
wij
fiets
wij
fietsten
f ietsten hijwij rent infin infinitief: itief: stam: stam:
v.t.: ren
infirent nitief : renden sta m:
infinitief:
v.t.:
rennen
infinitief: ren
wij
stam:
renden
v.t.:
wij
rennen infinitief: ren
renden t.t.:
infinitief:
rennen
2
L3 - Thema 3 - les
t.t.: hij wij
rennen fietsen renfiets renden fietst
hij
t.t.:
hij
rent
Thema 3 - les 14
- kopieerbl
ad 2
wij renden infinitief:
t.t.:
rennen ren
stam: hij
rent
L3 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 2
Verleden tijd
rennen
rent
L3 - Thema 3 - les
38
3 - les 14
14 - kopieerblad 2
ren
ren
zit
rennen
Verleden tijd
stam:
stam:
zitten
hij zit Verleden tijd
bv. Ik zoek de tegenwoordige tijd van het werkwoord rennen. Ik vraag: "Heb jij 'hij rent' voor mij?" – Als de speler die kaart heeft, geeft hij die aan jou. Je mag dan nog een kaart vragen aan hij ren dezelfde oft een andere speler. hij rent wij renden wij renden Als de speler de kaart niet heeft, is het de beurt aan de volgende speler. – Heb je een set van vier kaarten, dan roep je: “Kwartet!” Leg de vier kaarten op tafel. – Wie de meeste kwartetten heeft, wint het spel. stam:
wij zaten
L3 - Thema
ren
ren
hij
Stam
infinitief:
rennen
zit zaten
rennen
t.t.:
Tegenwoordige tijdden Verle tijd
hij f ietst
rennen
zitten
t.t.:
Tegenwoordige tijd
InfinitiefInfinitief
fietst
ren infinitief:
L3 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 2 14 - kopieerblad 2
1
1
1
3
les 5
Werkwoorden (3) “Hoeveel werkwoorden zijn er, denk je?” vroeg de professor. “Kijken, denken, schoppen, spreken ...,” begon ik, “eh ... veel.” “Precies! Te veel om op te noemen,” zei de professor, “maar ze zijn o zo belangrijk. Als ik zeg: Ik mijn neus, dan weet je niks. Snuit ik mijn neus, kietel ik mijn neus, verbrand ik mijn neus, verf ik mijn neus? En ze passen zich gemakkelijk aan: ik kietel, jij kietelt, wij kietelen of ik verf, jij verft, wij verven.” “Ze zijn onmisbaar”, zei ik voorzichtig. “Jij snapt het!” glunderde de professor. “Jij bent echt pienter!”
Spellingweter 31 Taalweter 6 Taalweter 7 Taalweter 8
1
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Wat is de stam? Wat is de uitgang? Wat betekenen 1e, 2e en 3de persoon van het werkwoord?
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 1 Ik kietel mijn neus.
4 Sara schopt tegen de bal.
2 Jij snapt het!
5 Verft hij je neus rood?
3 Wij kijken naar de professor.
6 Ze passen zich gemakkelijk aan.
c Vul de tabel aan. Onderwerp
Persoonsvorm
Stam
Uitgang
1
ik
kietel
kietel
2
jij
snapt
snap
+t
3
wij
kijken
kijk
+en
4
Sara
schopt
schop
+t
5
hij
verft
verf
+t
6
ze
passen
pas
+en
Thema 4 - les 5
39
2
a Kleur: de stam. de uitgang.
Frauke tekent jij droomt
we wensen Tom antwoordt
jullie vliegen
ik lig
ze logeert
ik slaap zij dansen
ik speel jij tovert
jij rekent
b Schrijf het onderwerp met de persoonsvorm in de juiste kolom. 1e persoon enkelvoud
2e persoon enkelvoud
3e persoon enkelvoud
1e/2e/3e persoon meervoud
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
MAAR ... jij/je na pv: STAM
3
ik lig
jij droomt
Frauke tekent
we wensen
ik slaap
jij rekent
Tom antwoordt
jullie vliegen
ik speel
jij tovert
zij dansen
ze logeert
a Markeer in elke zin: het juiste onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm.
40
1
Ik
Hij
Wij
2
Ik
Jij
Jullie
3
We
Ze
Lou en Jack
4
Ik
Ellie
We
5
Ik
Mama
Thema 4 - les 5
Ik twijfel.
springen op een springkasteel.
genieten van de zon.
schudt me wakker.
vraagt de oplossing aan mij.
Mama en papa bloos door die zoen.
Fout? Verbeter.
4
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 1 De meester vertelt de geschiedenis van de telefoon. 2 Kennen jullie die? 3 De telefoon wordt toegeschreven aan Alexander Graham Bell. 4 Maar Antonio Meucci is de echte uitvinder van de telefoon. 5 Vanaf 1980 werken uitvinders aan de gsm. c Schrijf het nummer van de zin in de juiste kolom. 1e persoon enkelvoud
2e persoon enkelvoud
3e persoon enkelvoud
1e/2e/3e persoon meervoud
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
MAAR ... jij/je na pv: STAM
5
1, 3, 4
2, 5
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. Ik breng de professor een bezoekje. Ook mijn vriend komt mee. De professor onderzoekt niet alleen werkwoorden. Ze bouwt ook machines zoals een tijdmachine. Dat vinden wij erg interessant! Ik droom van een uitstap naar de dino’s. c Vul het vervolg van het verhaal aan met een passend onderwerp. Kies uit: Noah en ik – ik – de professor – we – hij – ik – het Noah en ik/We
jaartal in. Ik vraag Noah of
stappen in de tijdmachine. hij
ik
mijn ogen toe. Plots lijkt
Ik
hoor een luide knal!
De professor
tikt het
het ook spannend vindt. Van angst knijp het We/Noah en ik
alsof de grond beeft. openen onze ogen en ...
Thema 4 - les 5
41
6
Luister goed. Schrijf onderwerp, persoonsvorm, stam en uitgang.
onderwerp + persoonsvorm
stam
uitgang
1
+
2
+
3
+
4
+
5
+
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
a Schrijf in zes zinnen een vervolg op het verhaal van oefening 5. We openen onze ogen en ... 1 2 3 4 5 6 b Markeer in elke zin: het onderwerp. c Onderstreep in elke zin de persoonsvorm.
42
Ik twijfel.
Thema 4 - les 5
les 10
Werkwoorden (4) “Hebbes!” roept de professor. “Ik ken een zin met zes keer hetzelfde woord na elkaar. Noem jij eens een vliegend dier.” “Een vogel”, zeg ik, want zoals je weet, ben ik de domste niet. “Goed geantwoord”, vindt de professor. “Noem een ander vliegend dier dat bekend is.” “Een vlinder”, verzin ik. “Prima”, constateert de professor. “Lees nu de volgende zin.” Ik lees: “Als achter vogels vlinders vliegen, vliegen vlinders vogels achterna.” “Juist,” knikt de professor, “maar wie ook kunnen vliegen, zijn ... vliegen. Nu verander ik ‘vogels’ in ‘vliegen’ en van ‘vlinders’ maak ik ook ‘vliegen’. Haha, lees jij de zin nu nog maar eens.” Ik moet even slikken: “Als achter vliegen vliegen vliegen, vliegen vliegen vliegen achterna.”
Spellingweter 31
1
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
a Markeer het onderwerp geel en vervoeg het werkwoord.
Is het een pv?
b Kruis de juiste plaats in het werkwoordschema aan. ja
nee
Zoek het onderwerp en de pv. Tegenwoordige tijd (t.t.) 1 kennen 2 verzinnen 3 antwoorden 4 zeggen
1
1e pers. enkelv.
2e pers. enkelv.
3e pers. enkelv.
1e/2e/3e pers. mv.
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
MAAR ... jij/je na pv: STAM
jullie
Kennen
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spelling weters niet. Hoor je d/t achteraan? Verleng.
x
een dier dat vliegt? 2 Ik dier.
een
verzin
x
3 Heb je juist geantwoord
x ?
4 Een andere leerling zegt
x
het
antwoord. Thema 4 - les 10
43
2
Kruis aan of het onderstreepte woord een persoonsvorm is of niet.
pv
1 In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit.
3
geen pv
x
2 Die oorlog heeft vier jaar geduurd.
x
3 Tijdens de wereldoorlog zijn veel mensen gevlucht.
x
4 Tien miljoen soldaten sterven door de oorlog.
x
5 In 1940 begint de Tweede Wereldoorlog.
x
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Omcirkel de juiste tijd: de tegenwoordige tijd (t.t.) of de verleden tijd (v.t.).
4
1 De wereldoorlogen waren verschrikkelijk.
t.t./v.t.
2 Het leven tijdens een oorlog is duur.
t.t./v.t.
3 Vaak lijden mensen honger.
t.t./v.t.
4 Soms werden de kinderen daarom elders grootgebracht.
t.t./v.t.
5 Ze kwamen dan in een pleeggezin terecht.
t.t./v.t.
a Markeer in elke zin:
Is het een pv?
b Onderstreep telkens de persoonsvorm.
ja
c Kruis de juiste plaats in het werkwoordschema aan.
Zoek het onderwerp en de pv.
het onderwerp.
1e pers. enkelv.
2e pers. enkelv.
3e pers. enkelv.
1e/2e/3e pers. mv.
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
MAAR ... jij/je na pv: STAM 1 Ik luister naar mijn overgrootmoeder.
x
2 Ze vertelt vaak over de oorlog. 3 Kinderen hebben nu meer dan toen.
x
4 We moeten eigenlijk blij zijn.
x
5 Vind jij dat ook?
44
x
Thema 4 - les 10
x
5
a Vervoeg het werkwoord en schrijf het in de zin. b Kruis de juiste plaats in het werkwoordschema aan. Tip: vervang bij twijfel het werkwoord door werken of spelen.
Is het een pv?
ja
nee
Zoek het onderwerp en de pv. Tegenwoordige tijd (t.t.) 1 2 3 4 5
kennen houden moeten vinden voelen
1e pers. enkelv.
2e pers. enkelv.
3e pers. enkelv.
1e/2e/3e pers. mv.
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
MAAR ... jij/je na pv: STAM
1
jij het verhaal van Anne Frank?
2
houdt Ze tijdens WO II een dagboek bij.
3
Zij en haar familie
Ken
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spelling weters niet. Hoor je d/t achteraan? Verleng.
x
x
x
moeten
onderduiken.
6
4
vind Ik dagboek droevig.
5
voel Hoe je daarbij?
haar
x
jij
x
Vul de tekst aan. Tip: gebruik het werkwoordschema. 1 zeggen
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
Mijn oma
2 worden “Het leven 3 kosten
Twee taarten
4 houden Ze 5 gaan
Maar ze
5 lopen
Papa en ik
6 hebben Nu
zegt
soms:
wordt
duurder.
kosten
van taarten.
houdt gaat lopen heb
bijna 30 euro.”
niet graag in de rij staan. naar de bakker. ik ook zin in taart!
Thema 4 - les 10
45
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Gooi met de dobbelsteen en lees het onderwerp. Trek een kaartje met een werkwoord. Vervoeg het werkwoord met het onderwerp. Schrijf op. 1 2 3 4 5 6
46
ik ... jij ... hij ... de leerling ... wij ... ... jij
worp 1
worp 2
worp 3
worp 4
worp 5
worp 6
Thema 4 - les 10
les 14
Werkwoorden (5) Ik bezoek de professor. “Mijn opa klaagt wel eens over de tegenwoordige tijd”, zeg ik. De professor houdt op met in de microscoop te turen en fronst haar voorhoofd. “Nou ja, zeg!” moppert ze boos. “Wat een onzin! De tegenwoordige tijd is enorm gemakkelijk, dat vind jij ook.” “Eh, professor ...”, probeer ik haar te onderbreken. “Na ‘ik’ komt de stam, bij ‘jij’ en ‘hij’ en ‘zij’ komt er een ‘t’ bij. En bij ‘wij’ en ‘jullie’ schrijf je het hele werkwoord.” “Maak u niet druk, professor”, zeg ik. “Met de tegenwoordige tijd bedoelt mijn opa de tijd waarin wij leven.”
Spellingweter 31
1
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
a Vul de zinnen aan. b Schrijf het nummer van de zin op de juiste plaats in het schema. 1 brengen
De postbode
brengt
elke dag de krant.
2 snijden
Maïté en Sam
snijden
het fruit.
3 rekenen
Jij
rekent
4 vinden
Ik
vind
5 schillen
6 ontdekken
Columbus heeft in 1492 Amerika
een beetje te vlug. dit een lekkere rijsttaart. jij de aardappelen?
Schil
.
ontdekt
Is het een pv?
ja
nee
Zoek het onderwerp en de pv.
Tegenwoordige tijd
Schrijf wat je hoort.
1e persoon enkelvoud
2e persoon enkelvoud
3e persoon enkelvoud
1e/2e/3e persoon meervoud
Vergeet de spelling weters niet.
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
MAAR ... jij/je na pv: STAM
4
3, 5
1
2
6
Thema 4 - les 14
47
2
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Schrijf het werkwoord in de zin. Gebruik het werkwoordschema. 1 leven
Hallo, ik
2 zullen
Zal over het leven op school?
ik wat meer vertellen
3 gaan
Op zaterdagvoormiddag naar school.
gaan
4 hebben
Wij
hebben
5 krijgen
Je
krijgt
6 zitten
In elke schoolbank
7 krijgen
De meisjes
8 turnen
Jongens
9 mogen
Je
antwoorden
11 zijn
Ik
12 werken
In de zomer
13 zijn goedkeuren
48
krijgen
straf verwachten
niet verplicht om naar school te gaan. werk
Wat
de wet van de leerplicht
is
goedgekeurd
15 hebben
ik mee op het veld en
ik dus niet naar school.
ga
Kinderen
.
geantwoord
jij liever de lessen van nu of van vroeger?
In 1914
lessen in breien en naaien. vaak op de speelplaats.
turnen
ben
een pot met inkt.
zit
Volg
14 moeten
Thema 4 - les 14
een griffel en een lei.
als je verkeerd hebt
de meeste leerlingen ook
geen pennen of schriften.
mag
10 volgen
gaan
in de twintigste eeuw.
leef
Let op: De werkwoorden hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen volgen het werkwoordschema niet. Bij die werkwoorden schrijf je wat je hoort.
moeten heb
.
nu van 6 tot 18 jaar verplicht leren. jij geluk!
3
Schrijf het werkwoord in de zin. Tip: gebruik het werkwoordschema.
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 straffen
Vroeger werd een leerling veel
2 hangen
Deze poster
3 luisteren
Tina
4 worden
Zij
5 peuteren
Els en Bart
6 belanden
Neuskurken
7 schrijven
Fouten
8 pletten
Dan word je achter het bord
9 spieken
Ik
spiek
bij mijn buur.
10 worden
Ik
word
aan de lamp gehangen.
11 bestaan
Gelukkig
die straffen niet.
12 vinden
vindt Je ze in De verschrikkelijke schoolmeester van Dolf Verroen.
13 gebruiken
In dat boek vreselijke straffen.
de schoolmeester
14 schrikken
Leerlingen
van de meester.
15 hopen
Ik
16 weten
Anders
gestraft
in de klas.
hangt
opgesloten in de kooi.
in hun neus.
belanden
bestaan
gebruikt
schrikken hoop weet
peuteren
schrijven
niet naar de meester.
luistert wordt
.
in hun neus.
mag niet. geplet
.
dat jouw meester liever is.
je wat er komt!
Uit: De verschrikkelijke schoolmeester, Dolf Verroen, Uitgeverij Leopold, 2003 Thema 4 - les 14
49
4
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
5
a Bedenk vijf kenmerken van de school van de toekomst.
1 De juf bv. vertelt een verhaal met een virtueel scherm. 2 De meester bv. geeft les in een klas met zwevende stoelen. 3 De leerlingen bv. vliegen in een bus naar het zwembad. 4 De directeur bv. bekijkt de school vanop zijn monitor. 5 De speelplaats bv. ligt er maar verlaten bij. b Onderstreep de persoonsvorm en markeer: het onderwerp.
50
Ik twijfel.
Thema 4 - les 14
les 5
Woorden net als apen kopen dure kleren
Spellingweter 25
1
Zo moet je verenkelen.
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de begrafenis
Tijdens een
geschreven
Ik heb geen enkele fout
opgegeten
De wolf heeft de zeven geitjes
de krokodil
De grootste
de vuurtoren
Kun jij de lichtflitsen van de
meegenomen
Heb jij je tandenborstel
ze veroveren
De ridders
het huwelijk
Het bruidspaar vierde na het
de juwelen
De bruid droeg dure
het publiek
Het
de supermarkt
Hoeveel keer per week ga jij naar de
het fototoestel
Gebruik jij nog een
staren
Door naar de bladzijde te
moet ik altijd huilen.
begrafenis
.
opgegeten
meet ongeveer 8,25 meter.
krokodil
zien?
vuurtoren ?
meegenomen
het kasteel.
veroveren
publiek
.
geschreven
nog lang feest.
huwelijk juwelen
van goud.
gaf de violist een warm applaus. supermarkt
fototoestel staren
?
of maak je foto’s met je gsm? , leer je weinig.
Thema 5 - les 5
51
2
Schrijf bij elke stam de infinitief. Tip: splits in klankgroepen en kleur de lange klank op het einde van een klankgroep rood. stam infinitief (ik ...) (ik zal ...)
stam infinitief (ik ...) (ik zal ...)
vergeet
vergeten
probeer
proberen
verraad
verraden
boetseer
boetseren
verkoop
verkopen
speel
betaal
3
spelen
antwoord
betalen
antwoorden
a Vul de ontbrekende letters in. Tip: splits in klankgroepen en kleur de lange klank op het einde van een klankgroep rood. a of aa
o of oo
e of ee
brut a le
de pr o fess o r
de juw e l e n
st a ren
het
de t e mp e ratuur
o
verstr oo mt
b Schrijf de woorden uit oefening 3a in de juiste zin. 1 Help! Loes heeft de kraan niet uitgedraaid. De badkamer overstroomt
.
2
Help! De
brutale
staren dieven naar mijn kostbare
Help! Door de stijgende temperatuur smelt mijn ijsje.
juwelen
4
3
Help! Het laboratorium van de
52
Thema 5 - les 5
professor is ontploft.
!
4
Vul de zin aan.
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 Aan de kassa moet ik 53 euro (b) 2 Voor oma maak ik een (t) 3 Mama (t)
telefoneert
4 In die (s)
slaapkamer
5 Een (d)
5
.
betalen tekening
dromedaris
met potlood.
naar school, want ik ben ziek.
staat een stapelbed.
heeft één bult, een kameel twee.
a Onderstreep de woorden waarin je moet verenkelen. b Kleur: de lange klank op het einde van een klankgroep. Help! Kun je spelling oefenen op een leuke manier? Dat is supereenvoudig! Schrijf de topwoorden met je wijsvinger op de rug van je partner. Die moet het woord raden en noteren op een blad. Probeer zoveel mogelijk woorden te zoeken en juist te schrijven. Wissel regelmatig. Dat vinden jullie zeker leuk!
6
Wat kun je doen tijdens de vakantie? Schrijf een of meer zinnen bij elke afbeelding. Denk aan verenkelen.
bv. Op een warme zomerdag kun je
bv. Je kunt een kamp van lakens
gaan zwemmen en een opblaasbare
bouwen in de slaapkamer.
krokodil meenemen.
bv. Je kunt brieven sturen.
bv. Je kunt je ook verkleden.
bv. Je kunt postzegels kleven of
bv. Je kunt een waterijsje eten.
verzamelen.
bv. Je kunt je vervelen. Thema 5 - les 5
53
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Los de raadsels op.
?? ?
1 Wat doe ik?
Dit doe ik met een cadeau als ik ongeduldig ben: ik scheur snel het inpakpapier eraf om te zien wat erin zit. Dit doe ik: O
P
2
?? ? In de tijd van de ridders zag je geen Wat zijn wij?
paleizen. De gebouwen die je zoekt, hebben zware muren en poorten om het volk te beschermen tegen vijanden. Dit zijn wij:
E
N
M
A
K
E
N
K
A
S
T
E
3 Wie zijn wij? We werken op een schip en zijn niet de kapitein. Aan boord moeten we allerlei klusjes opknappen om het schip netjes te houden. Vroeger herkende je ons aan onze blauw en wit gestreepte kleding. Dit zijn wij: M
54
A
Thema 5 - les 5
T
R
O
Z
E
N
L
E
N
?? ?
les 10
Woorden net als vette vissen zonnen tussen kwallen schro-kken-ge
ste
mmie-mu na
e t-rrie-m h c
-b n ne i-n
sto ffig-
le-aan-
n-wo
ge-nne
ggen
ge-a
an-v
der-on-ssen-tu
Spellingweter 25
1
a-lle
n
Zo moet je verdubbelen.
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. aangevallen
De zebra werd
verstoppertje
Op de speelplaats spelen we vaak
het rapport
Voor we naar huis gingen, gaf de meester het
aanleggen
De burgemeester wil nieuwe fietspaden
de bestemming
De
de nachtmerrie
Ik heb vreselijk geslapen door die
het binnenste
In het
geschrokken
Ik was
gewonnen
De Rode Duivels hebben de wedstrijd
stoffige
Op die
de raketten
De
de mummie
De archeologen ontdekken de
ondertussen
Hij keek tv tijdens het koken,
de sukkel
Die
door een tijger.
aangevallen
.
nachtmerrie
van die enorme spin.
geschrokken
sukkel
.
aanleggen
van een pruim vind je een pit.
binnenste
raketten
.
rapport
van die busreis is Parijs.
bestemming
stoffige
.
verstoppertje
gewonnen
.
zolder moet er eens goed gepoest worden. worden in de ruimte gelanceerd. mummie
van Toetanchamon.
ondertussen
brandde het eten aan.
laat steeds iets vallen.
Thema 5 - les 10
55
2
3
4
Schrijf in het meervoud. Tip: luister goed naar de laatste klank van elke klankgroep. 1 een prinses
twee
2 een matras
tien
3 een zeemeermin
vijf
4 een hangmat
tien
hangmatten
5 een schoolbord
twee
schoolborden
6 een spinnenweb
veel
7 een toestel
twintig
toestellen
8 een winkelkar
honderd
winkelkarren
prinsessen matrassen zeemeerminnen
spinnenwebben
Vul het woord aan en schrijf het over. 1 vriendi nn en
beste
2 verschi ll ende
verschillende
3 bi bb eren
4 ontsna pp en
de boeven
5 ma kk elijke
een
makkelijke
6 boodscha pp en
zware
boodschappen
7 insta pp en
de bus
8 zo nn ebloem
een grote
vriendinnen
van angst
bibberen
ontsnappen
opdracht
instappen zonnebloem
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
1 Een enge droom noem je een (n) 2 De boeren en (b)
4 De (d)
vertrekken
Thema 5 - les 10
om 7 uur.
dansen in een tutu.
5 Ik woon niet in een huis, maar in een (a)
7 Elke ochtend drink ik een kopje (k)
melken de koeien.
danseressen
6 Ons alfabet bestaat uit 26 (l)
.
nachtmerrie
boerinnen
3 Wees op tijd, de bussen (v)
56
kleuren
.
appartement
letters koffie
.
.
Fout? Verbeter.
5
De blauwe woorden staan in de verkeerde zin. a Schrijf het juiste woord achter de zin. b Maak van de zin een ja-neevraag. 1 De verschillende oppassers verliezen hun prijs.
winnaars
Verliezen de verschillende winnaars hun prijs? 2 De leeuwinnen en kikkers blussen het vuur.
brandweermannen
Blussen de brandweermannen het vuur? 3 De winnaars letten op de wilde dieren.
oppassers
Letten de oppassers op de wilde dieren? 4 De brandweermannen brullen in de dierentuin.
leeuwinnen en kikkers
Brullen de leeuwinnen en kikkers in de dierentuin?
6
Vul de tekst aan. Kies uit: de muntstu en – de pa enkoe en – de boodscha en – de broekza en – uitpa en – de su el – le er – de ke ing – ba en – de ka a – wa en – de re en Ik heb zin in Eerst moet ik de
met suiker. Ik vind dat heel
pannenkoeken
broekzakken
Wat ben ik toch een
en ga naar de
kassa
! De sukkel
.
doen. Ik haal bloem, eieren, suiker en melk uit
boodschappen rekken
lekker
muntstukken
. Oh help, gaten in mijn
rollen alle kanten op.
!
Ik kan eindelijk op weg naar huis. Oh nee, de ketting
valt van mijn fiets!
Met zwarte handen kom ik thuis aan. Eerst handen wassen uitpakken bakken
, dan de boodschappen
en dan ... pannenkoeken . Wat heb ik een honger!
Thema 5 - les 10
57
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Los het kruiswoordraadsel op. Van links naar rechts:
Van boven naar beneden:
1 2 3 4 5
8 De sterren schi... aan de hemel. 9 Mu... zijn vervelende insecten. 10 Met dit fo... maak je mooie foto’s.
Leven ijs... op de zuidpool? Een timmerman heeft spijkers en een ha... Het was lekker, ik heb alles opge... Een rekenraadsel opl... vind ik moeilijk. De brand... 8 blussen het vuur. 1 ij s b e 6 De deuren van 9 c de bus gaan open: inst... 2 h a m allemaal. i u 7 De over... halen de kluis van de t g bank leeg.
5
b
r
e
n
10
f e
r
3
o
4
o
g
t
e
e
o
a
n
g
e
g
e
t
e
p
l
o
s
s
e
n
r
m
a
n
n
e
n
a
p
p
e
n
l
e
r
s
t
t
r
p
d
w
e
e
e s
n
6
i
n
s
t e
7
58
Thema 5 - les 10
o
v
e
r
v
a
l
n
les 14
Woorden net als vissen en apen Dennis is met zijn ouders gezellig een dagje op stap, als hij een paar waterputten ziet. Eén put is ondiep. Dennis houdt van avonturen én van grapjes. “Help! Help!” horen zijn ouders, die hun telefoons staan te bestuderen. Ze zien hoe de vingers van Dennis zich nog net aan de rand van de put vastklampen. Ze snappen dat Dennis in de problemen zit en rennen naar de put. Daarin zien ze hun zoon met een supergrote glimlach op zijn hurken zitten. Zijn vader moppert en kapt dan zijn waterflesje uit op het hoofd van Dennis. “Hé!” roept Dennis. “Wat doe je nu?” “Ik dacht: ik vul dat ding”, grijnst zijn vader. “Het is tenslotte een waterput.”
Spellingweter 25
1
Verdubbelen of verenkelen?
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gezellig
Die zomeravond met de familie was
de waterputten
De
de avonturen
We beleefden tijdens de vakantie veel
de telefoon
Mijn mobiele
ze bestuderen
De professoren
de problemen
De
supergrote
Sultan Kösen is een
de pannenkoek
We aten deze middag een
zij moppert
De oude vrouw
het waterflesje
De kleuters drinken water uit een
tenslotte
Je vergissen is
ondersteboven
Het glas stond
de boterhammen
In mijn brooddoos zitten drie
boterhammen
de sterretjes
Duizenden
schitteren aan de hemel.
.
gezellig
staan droog door de hitte.
waterputten
.
avonturen
staat tijdens de film op stil.
telefoon
de dieren.
bestuderen
werden onmiddellijk opgelost.
problemen
man.
supergrote
elke dag over de buren.
moppert
waterflesje
.
menselijk.
tenslotte ondersteboven
sterretjes
met suiker.
pannenkoek
op tafel. .
Thema 5 - les 14
59
2
Kleur het vakje zodat je een juist woord krijgt. Schrijf het woord over. Tip: Verdeel het woord in klankgroepen. Luister naar de laatste klank: verenkel of verdubbel je? de
o
hij hu
oo verva p
de temp
pp e e
de badja de be
3
s
ll a
ers
overvallers
de
huppelde
aa tuur temperatuur
oo ven
ondersteboven
ss en ss te m
badjassen mm ing
bestemming
Schrijf het juiste woord onder de tekening.
4
s
ll
l
ee r o
ondersteb
l
spinnenwebben
krokodillen
Vul de zin aan.
4 De (o) 5 Het is een (v)
gestolen
.
op voor het feest.
ballonnen ontploffing
?
marsmannetjes
2 De dieven hebben mijn auto (g) 3 Ik blaas de (b)
boomstammen
Ik twijfel.
1 Heten ruimtewezens van Mars (m)
5
van die bom was heel luid.
. Ik maakte een fout.
vergissing
Schrijf de zin juist over zonder vlekken. 1 De d tum van vand g is vrijdag dertien okt ber. De datum van vandaag is vrijdag dertien oktober. 2 Nadat ze haar been ge r ken had, liep ze vier w ken met kru en. Nadat ze haar been gebroken had, liep ze vier weken met krukken.
60
Thema 5 - les 14
Fout? Verbeter.
6
Hoe kun je hulp bieden? Vul de tekst aan. de volwa e e – insch kelt – de noodge a en – de p litie – de t l foon – de onge a en – verte en Wat moet je doen bij een ongeluk? Zorg er steeds voor dat je hulp Waarschuw altijd een de
bij
inschakelt
of bel 112. Zeg eerst je naam aan
volwassene . Daarna kun je
telefoon
.
noodgevallen
of je de
vertellen
, de brandweer of een ziekenwagen nodig hebt.
politie
Wil je zelf hulp bieden, dan moet je een aantal zaken weten. Het Rode Kruis organiseert een cursus EHBO voor kinderen. EHBO staat voor ‘eerste hulp bij
7
ongevallen
Kijk goed naar de tekening en vul de tekst aan.
’.
Zo help jij bij (o)
ongevallen
Wat te doen bij een bloedneus? Buig het hoofd (v)
. Knijp
voorover
de neus vijf (m)
dicht.
minuten
Wat te doen bij een schaaf(w)wonde Was eerst je (h) met (w)
? . Spoel de wonde
handen
. Dek af met een pleister.
water
Wat te doen bij een brandwonde? Koel de wonde tien minuten onder lauw (w) Let op de (t)
water
.
: niet te warm, niet te koud!
temperatuur
Wat te doen bij een verstuiking? Laat het lichaamsdeel niet (b) Koel met een koelzakje of met (ij)
bewegen ijsblokjes
. .
Thema 5 - les 14
61
8
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
9
Er gebeuren verschillende ongelukken. Help het meisje telefoneren naar de hulpdiensten. Deze woorden kunnen je helpen: ge a en – opbe en – de zie enw gen – uitge l den – aange a en
bv. Hallo, ik ben Linn. Ik wil jullie opbellen omdat hier verschillende ongelukken gebeuren. De postbode wordt aangevallen door een hond. De schilder is van de ladder gevallen en een mevrouw is uitgegleden over een bananenschil. Kunnen jullie drie ziekenwagens sturen?
62
Thema 5 - les 14
les 5
Woorden net als handdoek, veearts, goochelaar en villa
1
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als handdoek
spellingweter 9
de handdoeken
Vergeet de
de bankkaart
Mama betaalt met de
de blinddoek
Moet je bij dat spelletje een
het vissersschip
Het
sneeuwwit
Zijn T-shirt is nu nog
niet mee te nemen naar het strand.
handdoeken
.
bankkaart
aandoen?
blinddoek
kwam om acht uur aan in de haven.
vissersschip
.
sneeuwwit
woorden net als meegaan
spellingweter 20
de veearts
De
de zeemeerminnen
Zwemmen er
onderzocht de geiten.
veearts
zeemeerminnen
in de zee?
woorden net als goochelen de goochelaar
De
ontgoocheld
Axel was erg
zij verloochenen
Zij
spellingweter 22 tovert een konijn uit zijn hoed
goochelaar ontgoocheld verloochenen
toen hij het cadeau uitpakte.
dat zij iets fout hebben gedaan.
woorden net als ga, zo of nu
spellingweter 21
de villa
Woon jij in een
het programma
Volgens het
de lotto
Heeft er iemand de hoofdprijs van de
villa programma
met een zwembad? is er een pauze om tien uur. lotto
gewonnen?
Thema 6 - les 5
63
2
Schrijf het juiste woord onder de tekening.
3
handdoek
foto
goochelhoed
Sneeuwwitje
a Kleur: de woorden op a, o of u. de woorden op ee. de woorden met ooch. de samenstellingen met een dubbele medeklinker. b Rangschik de woorden alfabetisch. papa
programma
nagellak
fietsslot
fietsslot
2
goochelen
3
nagellak
4
papa
5
programma
6
tweeling
goocheltruc
veearts
vannacht
goochelaar
vissersschip
1
goochelaar
2
goocheltruc
3
vannacht
4
veearts
5
villa
6
vissersschip
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
1 Voor het getal negentien komt (a)
3 Hip hip (h) 4 Afval moet je (w)
.
tweeling
weggelopen
meespelen
hoofddoek
in de vuilbak.
weggooien
6 Nadia is moslim, ze draagt een (h)
Thema 6 - les 5
, gefeliciteerd!
hoera
5 Help, mijn poes is (w)
7 Mag ik (m)
.
achttien
2 Mijn zus en ik zijn even oud, we zijn een (t)
64
tweeling
1
villa
4
goochelen
. Ze is vermist. .
met dat spelletje?
Fout? Verbeter.
5
Sommige letters zijn verstopt. Schrijf de zin juist op. 1 De g chelaar g chelt een dwer eitje uit zijn g chelhoed. De goochelaar goochelt een dwerggeitje uit zijn goochelhoed. 2 Va acht zag de z man een z meermin. Vannacht zag de zeeman een zeemeermin. 3 Het was mui til toen de turner een salt maakte. Het was muisstil toen de turner een salto maakte. 4 Het visser chip is teru evonden op de z bodem. Het vissersschip is teruggevonden op de zeebodem.
6
Vul de tekst aan. Kies uit: de ban aart – m doen – de spor as – de kass – m nemen – de tenni choenen – de mam – de g chelaar – het temp – tw de – tw – kleu ijke In 2017 stond het wereldrecord dubbelspel tennis op 62 uur. Kun jij het verbreken? Zoek drie vrienden die willen Wat moet je
?
meenemen
Een tennisracket, een paar
!
meedoen
en een flink gevulde
tennisschoenen
met drank en voeding. Een
sporttas
mama
die je
tussendoor helpt, komt ook van pas. Laat mensen een kaartje kopen aan de
en zorg voor
kassa
een drankenstand. Steun zo een goed doel. Voor het goede doel halen mensen graag hun
boven.
bankkaart
Kun je niet tennissen? Hier is een In 2015 brak een Doe vier
tweede
het wereldrecord dobbelstenen stapelen.
goochelaar kleurrijke
idee.
dobbelstenen in een beker. Draai die om op een spijker zodat de
dobbelstenen in een stapeltje op de spijker liggen. Doe dat wel in een hoog Twee
tempo
. Het wereldrecord is zes stapels in één minuut.
stapels maken, zou al een hele prestatie zijn!
Thema 6 - les 5
65
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Win het hordelopen!
Spelregels: – – – –
66
Schrijf bij elke horde een woord. De eindletter van elk woord is de beginletter van het volgende woord. Gebruik zoveel mogelijk woorden uit deze les. Wie het eerst zijn hordes vol schrijft, wint.
1
2
Thema 6 - les 5
les 10
Woorden net als kleding, bank, ontvangt en bedankt Mats heeft een belangrijke zwemwedstrijd gewonnen. Op de bank staat zijn beloning: een beker. Mats trekt zijn kleding weer aan. “Wat zwem jij goed”, zegt Kaat plotseling. “Bedankt!” zegt Mats. “Ik zwem al sinds mijn drie jaar.” “Jeetje”, zegt Kaat enkele tellen later. “Dan zul je nu wel moe zijn!”
Spellingweter 6
1
Woorden met ng of nk, ngt of nkt
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. belangrijke
Het is vandaag een
de bank
We zaten op een
de beloning
Wie Minoes de poes terugvindt, krijgt een
de kleding
Wat voor
plotseling
Die hond kwam
enkele
Morgen is er kans op
dank
gevangen
Hij heeft een vis
ze ontvangt
De burgemeester
hij blinkt uit
Mats
bedankt
de herinnering
Ik hou een mooie
dag.
belangrijke
in het park.
bank
.
beloning
draag jij op dat feestje?
kleding plotseling
uit de struiken gelopen. buien.
enkele
je wel voor alle hulp.
Dank
blinkt uit
Bedankt
gevangen ontvangt
.
de kampioen in haar kantoor.
in het zwemmen. voor het mooie cadeau! herinnering
over aan mijn laatste vakantie.
Thema 6 - les 10
67
2
3
Vul aan met ng, nk, ngt of nkt. Schrijf het woord over. het verspri
verspringt
de ladi
lading
de richti
richting
de zonsonderga
zonsondergang
do ergeel
donkergeel
a stige
angstige
de rechtba
rechtbank
hij bede
bedenkt
de spanni
spanning
de schoenwi el
schoenwinkel
Vul de trappen van vergelijking aan met een woord met ng of nk. 1
Juf Emma is het Juf Hilde is
strengst
.
.
strenger
Meester Wally is streng.
2
Mijn familie is het Mijn beste vriendin is
.
belangrijkst belangrijker
.
Mijn hond is belangrijk.
3
Mijn broer is het Tante is
slankst
.
.
slanker
Oma is slank.
4 Ella is dankbaar. Jinhane is
4
. Frauke is het
Vul aan met een woord met ng, nk, ngt of nkt. 1 Het is koud, zet jij de (v) 2 Frank, mijn (b)
Ik twijfel. aan?
verwarming buurjongen
.
bekeuring
4 Ken jij de (o)
van dat vraagstuk?
Thema 6 - les 10
oplossing springt
, woont naast mij.
3 Ik reed te snel en kreeg een (be)
5 Mats (s)
68
dankbaarder
elke ochtend in het zwembad.
dankbaarst
Fout? Verbeter.
.
5
Vul het woord aan met ng of nk. Schrijf de zin juist over. 1 Deze records doen de we brauwen fronsen. Deze records doen de wenkbrauwen fronsen. 2 Je kunt het zo gek niet bede en of het is een record. Je kunt het zo gek niet bedenken of het is een record. 3 In Brazilië spro en 245 mensen samen van een brug . In Brazilië sprongen 245 mensen samen van een brug. 4 Mel Sampson dro een frisdra met een rietje van 75,82 meter. Mel Sampson dronk een frisdrank met een rietje van 75,82 meter. 5 De grootste ha mat is 22 meter la . De grootste hangmat is 22 meter lang.
6
Vul de records aan. Kies uit: de ladi Dit is Carson, een
erbruine – de beloni hond. Hij kan een
donkerbruine
van wel vijftig koekjes op zijn neus dragen!
lading
De
– do
is groot: nadien mag hij de koekjes opeten.
beloning
la ste – de ri en – de bevolki
– la e – de ketti –
a stig – de bewonderi – de le te In Myanmar rekt een deel van de Dat doen ze niet met een steeds meer koperen Een
om hun nek te dragen.
ringen
nek is er een schoonheidsideaal. Het langste
nek staat op veertig centimeter.
Een nek is eigenlijk niet sterk genoeg om die angstig
hun nek uit. . Ze doen dat door
ketting
lange
record van de
bevolking
voelen. Of heb jij er toch
lengte
aan te kunnen. Ik zou me wat bewondering
voor?
Thema 6 - les 10
69
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Verzin een record. Tip: de tekening kan je helpen.
Record
DATUM
70
Thema 6 - les 10
WE
RELD
RECOR
DS
HANDTEKENING
les 14
Werkwoorden (6) “Wie is de baas van alle werkwoorden?” vraag ik de professor. “Wat heb je weer een leuke vraag bedacht”, luidt haar reactie. “Werkwoorden zijn van iedereen.” “Dus ik kan zeggen: ik ben de baas van de werkwoorden? En dus ook over alles wat erbij hoort, zoals ... de stam?” vraag ik. “Als jij dat belangrijk vindt, kun je dat zeggen”, antwoordt ze. “Mooi zo”, lach ik. “Dan ben ik dus het stamhoofd. En een stamhoofd heeft het voor het zeggen, zoals wij weten. Welnu, dit stamhoofd heeft besloten dat u nu op ijs moet trakteren.”
Spellingweter 31
1
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
Vervoeg het werkwoord. Zet een kruisje op de juiste plaats in het werkwoordschema.
Is het een pv?
ja
nee
Zoek het onderwerp en de pv.
Tegenwoordige tijd (t.t.) 1 vragen 2 luiden 3 vinden 4 antwoorden 5 weten 6 trakteren
1 Ik haar. 2 De klok 3
3e pers. enkelv.
1e/2e/3e pers. mv.
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
Vergeet de spelling weters niet. Hoor je d/t achteraan? Verleng.
x
.
luidt
x
jij dat
Vind
2e pers. enkelv.
MAAR ... jij/je na pv: STAM het
vraag
1e pers. enkelv.
Schrijf wat je hoort.
x
wijs? 4 Ze
antwoordt
niet.
x
weten 5 Wij dat stamhoofden de baas zijn.
6 Ze heeft
getrakteerd
x
.
x
Thema 6 - les 14
71
2
a Vul de zin aan met de juiste persoonsvorm. b Kleur: het onderwerp. de stam. de uitgang.
3
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 spelen
De voetballer
2 vinden
Mijn broer
3 veranderen
Ik
4 bijten
De hond
5 rennen
De speler
6 juichen
De supporters
7 springen
Ik
8 durven
9 houden
Hij
10 vliegen
De professor
op vrijdag.
speelt
twee euro.
vindt
wel eens van idee.
bijt
de bal stuk.
rent
het veld op.
verander
.
juichen
over het muurtje.
jij die mop vertellen?
van lekker eten.
spring Durf
houdt
in de lucht.
vliegt
Vul de juiste persoonsvorm in. Tip: gebruik het werkwoordschema als je twijfelt. (Komen)
de volgende personages in aanmerking voor het
Komen
Guinness Recordboek? Wat (denken)
misschien een gewone
lijkt
E 6 AVI E6 | AVI 8
James Hond
hond. Maar dat (zien) (bezitten)
bezit ruikt
het goed. Daarom (worden) Speurneus (noemen)
je verkeerd. Die hond
zie
72
Thema 6 - les 14
James Hond
Noëlla Elpers en Steven Dhondt
een magnifieke neus. Zijn neus (ruiken) problemen. Ja, je (lezen) wordt genoemd
undercoveragent. Zo’n hond (verdienen) Recordboek!
James Hond ziet er misschien uit als een gewone hond, maar hij is allesbehalve gewoon. Die hond heeft een juweel van een neus, een magnifiek exemplaar, bruin en glanzend als een wilde kastanje. Maar er is meer aan de hand met die neus: hij ruikt PROBLEMEN! Het is namelijk een echte speurneus. James Hond is een undercoveragent met een dubbelleven. Zo’n hond verdient toch een ster?
James Hond noëlla elpers
James Hond (lijken)
jij?
denk
leest Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
hij ook wel . Hij (werken) verdient
www.vanin.be
bibbox-covers.indb 124-126
27/01/16 12:25
werkt
als
een plaatsje in het Guinness
Bet (lijken)
M 6 AVI M6 | AVI 7
Bet is de jongste van vijf meisjes. Ze ziet eruit als een jongen, maar is op en top een meisje. Bet wil dierentemster worden. Elk weekend oefent ze met haar kuikens Patje en Pietje. Intussen is ze klaar voor het grotere werk. En zo eindigt een leuke klasuitstap naar de dierentuin bijna in het bassin van de zeeleeuwen. Gevaarlijk grappig!
Zilver MarIjke uMans
Zilver
Zilver
lijkt
op een jongen, maar ze is een meisje.
Marijke Umans en Riske Lemmens
Ze wil dierentemster worden. Elk weekend (oefenen)
oefent
ze met haar kuikens Pietje en Patje. Voor veel wereldrecords www.vanin.be
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
bibbox-covers.indb 187-189
27/01/16 12:25
(gebruiken)
gebruiken
(denken)
denk
dieren het leuk om kunstjes uit te voeren? (mogen)
mensen dieren. Wat jij? (Vinden)
Vinden
je dieren gebruiken
Mag
om records na te streven? rijdt
in een koets. Die (worden)
M 6 AVI M6 | AVI 7
De beste dief ter wereld krIstIen dIeltIens
Balder (rijden)
De beste dief ter wereld
wordt
getrokken door vier paarden. Wat (lopen)
lopen
ze hard! Balder (zien)
eruit als een echte edelman. Niemand (weten) Balder eigenlijk dingen (stelen)
steelt
Balder heeft het ver geschopt. Hij rijdt in een koets getrokken door vier paarden. Hij is rijk en hij ziet eruit als een echte edelman. Niemand weet dat hij zijn rijkdom verdient door te stelen. Maar op een dag is Balder het moe om een meesterdief te zijn. Hij besluit zijn leven te beteren. Maar dat gaat niet zomaar. Zijn peetoom, de graaf, haat misdadigers. Hij eist de doodstraf voor iedere dief die zijn landgoed betreedt. Ook voor Balder.
ziet weet
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
dat
stelen een kunst. (Vinden)
Vind
Kristien Dieltiens en Seppe Van den Berghe
www.vanin.be
bibbox-covers.indb 199-201
27/01/16 12:25
. Daardoor (bezitten)
hij veel geld. Sommige mensen (vinden)
bezit
De beste dief ter wereld
vinden
jij dat wereldrecords zoals stelen en liegen
een plaats in het Guinness Recordboek verdienen?
4
Vul de zinnen aan met de juiste persoonsvorm. Schrijf de zin over. Kies uit: Tip: markeer in de zinnen die je schrijft het onderwerp geel en onderstreep de pv. verzamelen – verbreken – kunnen – maken – hebben Ketnet een heel straf plan! Vandaag het in Antwerpen het wereldrecord koprollen. We een superlange koprolslinger. Daarvoor ze zo’n 1 303 Ketnetters! Tot slot je genieten van het optreden van de Ketnetband. Ketnet heeft een heel straf plan! Vandaag verbreekt het in Antwerpen het wereldrecord koprollen. We maken een superlange koprolslinger. Daarvoor verzamelen ze zo’n 1 303 Ketnetters! Tot slot kun/kan je genieten van het optreden van de Ketnetband. Thema 6 - les 14
73
5
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
6
Bedenk een record waarmee Silke Speurneus in het Guinness Recordboek komt. Gebruik deze woorden: de bangerik – dagenlang – vliegen – Frankrijk – drinken – de voeding Bv. Silke vliegt dagenlang in een luchtballon de wereld rond.
is beslist geen bangerik.
De opa van Silke heeft een geweldige verrassing: Silke mag met hem mee naar Namibië! Ze logeren bij zijn vriend Sem, die daar woont en werkt als gids. Onverwacht mogen ze met Sem mee met een groep toeristen op een avontuurlijke tocht door de woestijn
Of: In Frankrijk zijn er meer dan vierhonderd luchtballonnen en op de zee. Maar dan wordt Sem beschuldigd van diefstal. Silke zal al haar speurderstalent gebruiken om zijn onschuld te bewijzen!
Oelewapper vanOllivier de week | Karla Stoefs Silke Speurneus | Reina
Ze start in Frankrijk. Ze heeft wat drinken en voeding mee. Ze
Oelewapper van de week Silke Speurneus Karla Stoefs | Mark Borgions Reina Ollivier | Emilie Timmermans
opgestegen. Dat is een nieuw wereldrecord. Silke vliegt ook mee. Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
74
Thema 6 - les 14
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
4
30/05/17 11:59
les 5
Woorden net als alvast Ik zeg het alvast maar voor jij het zelf ontdekt: met taal maak ik het soms te bont. Dat komt doordat de woorden zorgen voor drukte in mijn hoofd. Ik heb eraan gewerkt, maar ik verspreek me nog minstens twintig keer per dag. Wat ik zeg klinkt knotsgek ... behalve als je het doorhebt. Ontdek je wat ik doe als ik mijn sneutnos in mijn zoekdak snuit? En raad je het fout, dan roep ik: “Moespis!”
Spellingweter 1
1
Woorden die je schrijft zoals je ze hoort.
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. alvast
We pakken
zij ontdekt
Door het onderzoek
het bont
De jas van oma is van
doordat
de drukte
Door de
gewerkt
Ik heb hard
minstens
Je moet
twintig
In het eerste leerjaar leer je rekenen tot
knotsgek
Ube gedraagt zich
behalve
Ik lust alle groenten,
behalve
spruitjes.
het internet
Bo zoekt iets op het
internet
voor zijn spreekbeurt.
de gasten
De
de burcht
De ridder woonde in een
de wiskunde
Breuken maken tijdens de les
onze koffers voor onze volgende reis.
alvast
de politie wie de dader is.
ontdekt
.
bont
de metro vertraging had, kwam ik te laat op school.
Doordat
op het strand ben ik mijn papa kwijt.
drukte
aan mijn spreekbeurt over de giraf.
gewerkt minstens
gasten
een liter water per dag drinken. twintig
.
op het podium.
knotsgek
voor het feest zijn allemaal aangekomen. burcht wiskunde
.
vindt Free niet leuk.
Thema 7 - les 5
75
2
a Rangschik de woorden alfabetisch. b Zeg de woorden hardop en kleur: de korte klinker. holte
macht 1
geritsel
3
2
burcht
gasten
vanaf 3
holte
terugweg
burcht 4
macht
totdat
gewerkt
vanaf
verderop
1
gasten
2
geritsel
3
gewerkt
4
terugweg
5
totdat
6
verderop
a Kleur: de korte klinker. b Zoek een rijmwoord.
4
bezet
bv. internet, verzet
belast
bv. last, alvast
verwacht
bv. gedacht, macht
de strafschop
bv. verderop
gezond
bv. bont, bestond
de vriendin
bv. erin, gezin
de vasten
bv. gasten, kasten
de lucht
bv. zucht, kucht
Kijk naar de tekening en schrijf een passend woord met een korte klinker. 1
3
2
1 Tante Wilma heeft een jas uit (b) 2 De ridder woont in een (b) 3 Zie je die (l) 4 Ik hou van de les (w)
76
Thema 7 - les 5
.
bont .
burcht
luchtbel
in het water? .
wiskunde
5 Ik vergat mijn paraplu, ik ben (n)
4
nat
.
5
5
Vul de zin aan met een samenstelling. 1 Tanden poets je met een (t)
rugzak
op mijn rug.
wacht ik op mijn bus.
bushalte
4 Ik schrijf mooi, ik heb een mooi (h)
6
.
tandenborstel
2 Ik wandel met een (r) 3 Aan de (b)
Ik twijfel.
handschrift
Fout? Verbeter.
.
Vul de woorden aan met korte klinkers. 1 Ik lig in een h?ngm?t te luieren. Ik lig in een hangmat te luieren. 2 De h?lte van je arm noem je je ?ksel. De holte van je arm noem je je oksel. 3 de dr?nkb?s
de drinkbus
4 de r?ngv?nger de ringvinger
7
Vul het gedicht aan. Kies uit: zonder – de zakdoek – mag – goeiedag – het land – de dag – de vingers – voetballen – onder – de step Mag niet! Ik ben Flipje,
!
goeiedag
En nu wil ik wel eens weten waarom ik zo weinig
.
mag
Mag niet met mijn
eten,
vingers
niet vergeten,
mag mijn
zakdoek
mag niet
voetballen
mag niet
onder
’t prikkeldraad,
mag niet
zonder
schoenen lopen,
mag mijn
step
Ik ga op een goeie naar een
op straat,
niet eens verkopen. dag
land
,
waar alles mag!
Naar: Mag niet! (Lea Smulders)
Thema 7 - les 5
77
8
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
9
Speel het spel ‘Spellingsom’. Maak vijf woorden met een korte klinker. Reken uit hoeveel punten je krijgt.
1
3
5
2
1
4
3
4
1
4
3
3
3
1
1
3
10
2
2
2
4
4
5
8
8
7
1
2
3
4
5
+
78
Thema 7 - les 5
Totaal:
les 10
Woorden net als kwartier
Spellingweter 1
1
Woorden die je schrijft zoals je ze hoort.
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de kampeerplaats
Indira overnacht op een
het kwartier
Binnen een
ze onderzoekt
Indira
de speurneus
Ze is een echte
de ontvoerders
Zijn het
de moordenaars
Zitten alle
ze bekeek
Indira
de weerwolf
Om middernacht verandert het hondje in een
vooraleer
Het kan nog een tijdje duren
verwoest
De kampeerplaats is helemaal
verwoest
de geesten
Geloof jij in
en spoken?
daarnet
Waar zijn de geesten?
is het twaalf uur.
kwartier
het geluid.
onderzoekt
.
speurneus
die Indira willen meenemen?
ontvoerders
wel in de gevangenis?
moordenaars bekeek
geesten
.
kampeerplaats
de struik heel goed.
de weerwolf weg is.
vooraleer
Daarnet
.
weerwolf
.
waren ze er nog.
Thema 7 - les 10
79
2
a Kleur in de woorden: de vrije klinker aa, oo, ee, uu, eu, oe of ie.
de hoofdp
meteen daarne aar t alsm
het bes
rijs
gekend ingevuld
de duikboot
vlug
tuur
b Schrijf de woorden met een vrije klinker juist over. daarnet, meteen, alsmaar, de duikboot, de hoofdprijs, het bestuur
3
Vul de woorden aan met aa, oo, uu, eu, oe of ie. Schrijf ze over in de zin. 1
het m uu rklimmen
Hopelijk heb je geen
de h oo gtevrees 2
tijdens het
de n eu sh oo rn
Mijn
de spr ee kb eu rt 3
het l ie fdesverdr ie t
De
van Boris heeft .
straathond
plast tegen de
2 0°C is het (v)
Ik twijfel.
vriespunt
3 Vijftien minuten noem je een (k) 4 In het (k)
kasteel
5 Papa bakt een taart voor mijn (v) 6 Net als geel en blauw is rood een (h)
Thema 7 - les 10
.
lantaarnpaal
Vul de zin aan. 1 Op het einde van de vraag schrijf je een (v)
80
.
buurjongen
De
de str aa thond
4
gaat over de
spreekbeurt
liefdesverdriet
de lant aa rnp aa l
.
muurklimmen
neushoorn
de b uu rjongen 4
hoogtevrees
.
vraagteken
.
kwartier
.
wonen ridders. verjaardag hoofdkleur
.
.
Fout? Verbeter.
5
Maak met elk woord een zin. Let op: denk aan de hoofdletters en leestekens. 1 verdwaald: 2 de stoomboot: 3 de atleet: 4 onbewoond: 5 de koorddanser en de speerwerper:
6
Vul het woord aan met aa, oo, ee, uu, oe of ie en schrijf het in de tekst. Kies uit: het gev l – ntrekkelijk – vr ndelijk – gew n
Jij bent
gewoon
geweldig:
vriendelijk/aantrekkelijk en met een
enorm
gevoel
dankb r – ged n – de st n – rdig
Mama, je bent zo
.
aardig
Ik kan altijd op jou rekenen, je bent mijn
voor
en toeverlaat.
steun
humor.
Ik ben
Je bent ook nog eens intelligent én
wat je al
dankbaar gedaan
voor alles hebt.
aantrekkelijk/vriendelijk . Wow!
Thema 7 - les 10
81
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Schrijf een bedankbriefje. Gebruik deze woorden: de vr ndschap – rlijk – zov l – g steren – allem l – onbet lb r – het kl rp tl d – ngep kt
Bv. Het was heel vriendelijk van jou om gisteren je kleurpotlood aan mij te lenen. Bedankt voor onze vriendschap. Je bent altijd eerlijk. Dat is onbetaalbaar. Je hebt me helemaal ingepakt.
82
Thema 7 - les 10
les 14
Werkwoorden (6) “U hebt lang gestudeerd, hè?” vraag ik de professor. “Zeker,” antwoordt de professor, “maar mensen raken nooit uitgeleerd.” “Zo’n geleerd iemand als u toch wel?” zeg ik. “U weet ondertussen alles over werkwoorden.” “Vind je dat?” zegt ze. “Nou ja, misschien is dat ook wel zo.” “Dan heb ik een vraag voor u: waarom verdwijnt de ‘t’ als ‘je’ achter de persoonsvorm staat?” De professor houdt even haar ogen stijf dicht, zo diep denkt ze na. “Verdorie!” bromt ze na een tijdje. “Ik geloof niet dat die vraag te beantwoorden is. Wat ben je toch pienter! Waarom geen ‘t’? Geen idee! Eh ... zal ik een kopje thee voor je zetten? Dat heb je wel verdiend.”
Spellingweter 31
1
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
Vul het werkwoord aan. Gebruik het werkwoordschema.
ja
Zoek het onderwerp en de pv.
Is het een pv? nee
Tegenwoordige tijd
Schrijf wat je hoort.
1e persoon enkelvoud
2e persoon enkelvoud
3e persoon enkelvoud
1e/2e/3e persoon meervoud
Vergeet de spellingweters niet.
ik STAM
jij STAM + t
hij / zij / het / ... STAM + t
wij / jullie / zij / ... STAM + en
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
MAAR ... jij/je na pv: STAM 1 worden
Christo
later piloot.
2 verliezen
Jij
verliest
3 geven
Ik
geef
4 schrikken
Tom en Jana
5 begrijpen
6 veroveren
Het leger heeft dat stuk land
7 worden
Hij is tien jaar
8 zullen
Ik
wordt
die badmintonwedstrijd. mijn mama elke ochtend een zoen. schrikken
van die donderslag.
jij er iets van?
Begrijp
veroverd
geworden zal
.
.
mijn kamer opruimen.
Thema 7 - les 14
83
2
Vul het werkwoord aan. Gebruik het werkwoordschema. 1 vluchten De reebokken De boef is 2 versieren Ik
weg van de tijger.
vluchten .
gevlucht
mijn kamer voor het feest.
versier
Wat is het prachtig 3 vinden Zijn buurmeisje heeft het Hij
.
versierd gevonden
zijn spellingschrift niet.
vindt
4 luisteren De kinderen hebben niet goed
!
gebeurd
Vul de persoonsvorm in.
Ik twijfel.
1 naaien
Jij
naait
een lap op de broek.
2 drinken
Ik
drink
elke dag water.
3 spuiten
de olifant jullie nat?
4 blijven
Mijn broer en ik
5 blazen
Fran
6 leren
De clown
7 beloven
8 aaien
De jongens
9 opruimen
Spuit
De kater
11 hebben
Loes
12 zijn rijden
Thema 7 - les 14
Joy jongleren.
leert
jij om te zwijgen?
de rommel
sokken
heeft .
.
!
tegen een boom
is gereden
op
omhoog.
klimt
het katje.
aaien
gekocht
Lia
op haar fluit.
blaast
Ruim
10 klimmen
logeren.
blijven
Beloof
kopen
84
niet vaak dat ik te laat kom.
gebeurt
Het is
3
naar de uitleg.
geluisterd
jij steeds naar je ouders?
Luister
5 gebeuren Het
.
Fout? Verbeter.
4
Vul de krantenartikels aan.
Korting voor beleefde studenten eten
Eet Wuhu in China?
moeten betalen
Dan
hebben leren
krijgen zijn
helpen
Het zeggen.
zijn starten
Ook andere universiteiten
je beleefd in de kantine van de universiteit je maar de helft van de prijs
moet .
betalen
De studenten manieren
.
geleerd
Je
extra korting als je vriendelijk
krijgt
tegen het personeel.
bent
ook om dankjewel en alsjeblieft te
helpt
met deze actie
zijn .
gestart
door de actie betere
hebben
Een zeeleeuw op de vismarkt hebben zijn
Een viskraam op het eiland Santa Cruz een vaste klant.
heeft
Het
is
een zeeleeuw.
moeten
moet Het dier niet ver kruipen om de vismarkt te bereiken.
liggen
ligt De zee maar twee meter verder. De zeeleeuw is erg beleefd.
laten staan
Hij
hebben wachten
krijgen
Daarna
waggelen
Met zijn buik vol
laat
hij recht, net zoals de andere klanten.
staat
Soms
alle mensen voorgaan. Meestal
heeft
hij wel een uur voor hij aan de beurt is.
gewacht
hij van de verkoper de restjes vis.
krijgt waggelt
de zeeleeuw dan terug.
Naar: www.wablieft.be
Thema 7 - les 14
85
5
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
6
Schrijf een krantenartikel met enkele van deze woorden: de opruimhond – zoeken – vullen – het afval – de hond van het jaar – schoonmaken
Bedankt Joy!
86
Thema 7 - les 14
les 5
Woorden net als verdriet, begin en gelijk Een halfuur geleden was de maaltijd begonnen, maar nu hadden ze alles opgegeten. “Ik heb besloten mijn geheim te verklappen”, zei mama opgewekt. “Ik ben eigenlijk een prinses.” “Ja, hoor, en dan ben ik een tovenaar”, schaterde papa stomverbaasd. “De geschiedenis leert dat prinsessen niet hoeven af te wassen”, vervolgde mama. “Vervelend voor je, want dan zul jij het moeten doen, Lotte”, lachte papa. Lotte was er met haar gedachten bij en zei: “De dochter van een prinses is ook een prinses. Maar gelukkig kan papa toveren.” En ze vertrok samen met mama uit de keuken. “Hé!” riep papa verschrikt, maar toen waren ze al verdwenen, net als zijn lach.
Spellingweter 5
1
Woorden met de woordstukjes ver, be of ge
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. geleden
Lang
begonnen
Sst, het optreden is al
opgegeten
Heb jij alles
verklappen
Je mag het geheim niet
opgewekt
“Het is bijna vakantie”, zei hij
stomverbaasd
Hij was
de geschiedenis
Op reis leer ik de
geschiedenis
ze vervolgde
Na een korte pauze
vervolgde
vervelend
Ik vind fruitvliegjes ontzettend
de gedachten
Soms kan ik de
gelukkig
we vertrokken
Gisteren
verschrikt
Ik kijk
verdwenen
Mijn
het geheim
Kun je een
leefden er dinosaurussen.
geleden
.
begonnen ?
opgegeten
.
verklappen
.
opgewekt
toen hij dat nieuws hoorde.
stomverbaasd
van Turkije. ze haar weg.
vervelend
gedachten
.
van mijn vriendin lezen.
heb je je bril teruggevonden.
Gelukkig
vertrokken verschrikt verdwenen geheim
we op reis. op bij het horen van die knal. fiets heb ik weer teruggevonden. bewaren? Thema 8 - les 5
87
2
Vul aan met ver, be of ge. Schrijf het woord in de juiste hoed. de be loning – ver velend – ver nietigen – de ge vangenis – het ge sprek – de be manning – op ge wekt – on ver wacht – on be langrijk net als gelijk
net als begin
3
beloning
bemanning
onbelangrijk
gevangenis
gesprek
opgewekt
net als verdriet
vervelend
vernietigen
onverwacht
Vul de zin aan met een woord met ver, be of ge. Kies uit: af sproken – mee daan – aan vallen – geten – het schil – on kend 1 Klas 4A heeft 2 Het
van 56 en 8 is 48.
verschil
3 Je hoeft je niet
aangevallen
te voelen.
4 Oké! Dat is dan
afgesproken
.
5 De oorzaak van de brand is 6 Ik ben mijn sporttas
4
.
onbekend .
vergeten
Pas de woorden aan de zin aan. Gebruik de woordstukjes ver, be en ge. 1 bijten
Het paard heeft in de arm van de prinses
2 flauwvallen Ze is daarna
88
aan een voorleeswedstrijd.
meegedaan
.
flauwgevallen
3 trouw
Die ridder is sluw, ik
4 blaffen
De hond heeft vannacht
5 kijken
Lotta heeft haar nieuwe feestjurk voor de spiegel
6 afspreken
Dat was helemaal zo niet
7 graven
Een heks werd vroeger nooit
Thema 8 - les 5
vertrouw
hem niet.
geblaft
aan de ophaalbrug. bekeken .
afgesproken begraven
.
gebeten
.
.
5
Vul de zin aan met een woord met ver, be of ge. 1 De finale is een (b)
wedstrijd.
belangrijke
2 Ik moet niezen, ik ben (v)
4 Billie houdt van hem, ze is (v) 6 Aan de kassa moet je (b)
.
.
bewusteloos
8 Warre heeft dat raadsel meteen (o)
.
betalen
7 Na het ongeluk raakte ze (b)
geheugen
verliefd
Fout? Verbeter.
.
verkouden
3 Alice onthoudt alles dankzij haar goed (g)
6
Ik twijfel.
.
.
opgelost
Vul de verhalen aan met woorden met ver, be of ge. Kies uit: schillende – kopen – stelt – af lopen – zelf maakte – taalt – betert – keerd – het drag
Daar
01-02-2018 11:3 2 rt €15 1 x chocolade cake €10
woensdag ging ze naar bakker Lekkerbek. ze
verkopen
taarten. Ze
zelfgemaakte
lekker vindt en
TOTAALBEDR AG €250
€25
wat ze
bestelt
DANK U WEL!
aan de kassa.
betaalt
Op het kassaticket staat een
verkeerd
. De bakker
bedrag
soorten
verschillende
ERBEK
1 x slagroomtaa
Prinses Pina houdt van slagroomtaart en chocoladecake. Afgelopen
BAKKERIJ LE KK Terminal# 1
het met rode balpen.
verbetert
zorgen – de pleegsters – wond – vallen – het band – nezen – heime – leden – lukkig Lang
waren er geen dokters of
geleden verpleegsters
.
Er waren tovenaars die je konden als je ziek,
snel zou
verzorgen
of van je paard
gewond
gevallen
was. Ze wikkelden een
verband
rond de wonde of zeiden
genezen
.
Gelukkig
geheime
toverspreuken zodat je
is dat nu anders.
Thema 8 - les 5
89
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
90
Wat betekent de spreuk? Schrijf op. Gebruik de gegeven woorden.
Proteus!
Evanesco!
Engorgio!
vervelend – veranderen
betoveren – verdwijnen
vergroten – gevaar
Thema 8 - les 5
les 10
Woorden net als misdaad en hoofdprijs
Spellingweter 23
1
Woorden die eindigen op d of t, b of p
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de misdaad
Een overval is een ernstige
misdaad
dringend
Ik moet
naar het toilet.
paardrijden
de boodschappen
Mijn papa doet online
felrood
De auto was
de superheld
Welke
razendsnel
Hij heeft
de linkerhand
Ik heb mijn
hardst
Het jachtluipaard loopt met 105 km/u het
de hoofdprijs
Zij heeft de
hoofdprijs
het raadsel
Het is een
raadsel
benieuwd
Ik ben
gepleegd
De dief heeft de misdaad
gepleegd
steeds
Ik ben
beleefd.
iemand
Er heeft
het voedsel
Gooi je beschimmeld
de gids
We kregen een rondleiding met een
dringend
.
is mijn hobby.
Paardrijden
.
boodschappen
, maar is nu wat verkleurd.
felrood
heeft jou gered?
superheld
een toren gebouwd.
razendsnel
verbrand.
linkerhand
benieuwd
steeds
.
hardst
behaald. wie de overval heeft gepleegd. of hij al verhuisd is. .
voor jou gebeld.
iemand
voedsel
beter weg? gids
.
Thema 8 - les 10
91
2
Vul het woord aan met d of t. Schrijf het in de juiste kolom.
de tan d arts de dirigen de soldaa de zeilboo
t
weerman de piraa
d
het verkeersbor
t
de broo
t
de bran
d
hoof
d
ten
t
net als tent
tandarts
brandweerman
dirigent
piraat
verkeersbord
hoofdrekenen
voetpijn
soldaat
broodmand
wedstrijd
zeilboot
feesttent
Vul aan met d of t. Bedek het woord en schrijf het op.
vannacht
het raa
sel
raadsel
de gi
het voe
sel
voedsel
nieman
1 ijskou d
de boo
schap s
In Rusland zijn de winters
2 de slagroomtaar
t
3 de lan d kaar
t
Oma gebruikt een
4 het stan d beel d
92
t
vannach
4
pijn
t
rekenen
d
man d de we d strij d de fees
net als hond
3
de voe
t
Op het feest eet ik een
boodschap
gids
niemand
.
ijskoud slagroomtaart
en geen gps.
landkaart
Manneken Pis is het bekendste
standbeeld
Vul de zin aan met de juiste vorm van het werkwoord. 1 vragen
Weet je wat de prinses heeft
2 versturen
Ik heb een e-mail
verstuurd
3 gebeuren
Weet jij wat er is
gebeurd
4 regenen
Vannacht heeft het hevig
5 vertellen
De tovenaar heeft het geheim
Thema 8 - les 10
?
gevraagd . ?
geregend verteld
.
. .
.
5
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
1 Brussel is de (h)
van België.
hoofdstad
2 Tijdens het carnavalsfeest ben ik (v) muzieknoot
4 Na eb komt (v)
vloed
5 De zeerover vindt een (s)
6
.
verkleed
3 Sol is een (m)
, net als do, re en mi. .
schatkist
Fout? Verbeter.
vol goud.
a Vul het interview aan. Kies uit: hoof rekenen – de leerkrach – de bla zij en – de avon – nieman – de raa sels – beroem Moeten prinsessen ook naar school? Niemand hoofdrekenen
ontsnapt daaraan. Ook prinsessen moeten en
raadsels
oplossen. En elke
avond
hebben we huiswerk, wel vijf
bladzijden
leerkracht
is extra streng omdat we later
beroemd
! Onze worden.
de we strij – de han – paar rij en – de hel – het speelvel – het zwemba – de spor Doen jullie ook aan We krijgen lessen zwembad
gooit de bal met één speelveld
sport paardrijden
?
en dansen. Elke week trekken we naar het
. We spelen ook vaak een hand
wedstrijd
netbal. Je
over het net. Als hij de grond raakt binnen het
, dan win je. Dan ben je de
held
.
b Bedenk nog andere vragen voor de prinses. Kies uit deze woorden: de be tij – stee s – benieuw – de leeftij – het voorbeel – de han schoen Thema 8 - les 10
93
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Wat zeggen de tovenaars op hun geheime vergadering? Vul aan. Kies uit: b toveren – g heime – v rtrekken – de paar en – de poor wach er Dit is ons
geheime
plan. We
dauw. We
betoveren
de
onze
paarden
vertrekken poortwachter
morgenvroeg voor dag en zodat hij ons niet opmerkt. Op
ontvluchten we het kasteel!
b Bekijk de tekening. Schrijf het vervolg van het plan.
Bv. ’s Morgens vroeg gaan we op pad. We verwoesten/vernielen de deur en een verbodsbord. Achter de deur is een gouden schat verstopt die we stelen.
94
Thema 8 - les 10
les 14
Woorden net als trouw, augustus, moedig en gevaarlijk(e) het oer
de g•dmijn r•e slape •gustus t maa
to de •
•derwets
w•d
de wenkbr•wen
ijver•e
de tuinkab•ter
grieze l
•
de m
evr
w tr •
•wen
afzonde
r•e
ar •
mo
a ev
ed
g 1
•
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als saus of kous
spellingweter 14
de goudmijn
In Zuid-Afrika vind je nog een
de tuinkabouter
In de tuin van oma staat een grote
de automaat
De
automaat
de mevrouwen
De
mevrouwen
de wenkbrauwen
Levi fronst zijn
ouderwets
Brede broekspijpen zijn
augustus
In
trouw
Door ‘ja’ te zeggen beloven ze elkaar
.
goudmijn
.
tuinkabouter
is stuk. hebben heel wat te vertellen. als hij nadenkt.
wenkbrauwen .
ouderwets
verhuizen we.
augustus
te blijven.
trouw
woorden net als rustig(e)
spellingweter 11
griezelig
Ik vond het spookhuis erg
ijverige
De
stekelig
Wees voorzichtig! Die plant is
slaperige
Ik kan niet staan op mijn
moedig
Wally neemt het op tegen pesters, wat
.
griezelig
jongen maakte dadelijk zijn huiswerk.
ijverige
.
stekelig
voet.
slaperige
woorden net als heerlijk(e) gevaarlijk
Pas op, die hond is
afzonderlijke
De konijnen zaten in
onduidelijk
Wat heb jij een
.
moedig
spellingweter 12 gevaarlijk
.
afzonderlijke onduidelijk
hokjes.
handschrift!
Thema 8 - les 14
95
2
Schrijf de woorden in de juiste kolom.
ijskoud
klautere
natuurlijk twintig
4
n
modderig
net als rustig(e)
net als kous
net als saus
afzonderlijk
twintig
ijskoud
klauteren
natuurlijk
modderig
inhoud
lichtblauw
tamelijk
overige
oerwoud
flauwvallen
pijnlijk
moedig
bouwden
kauwgom
Vul de zin aan met het aangepaste woord op ig(e) of (e)lijk(e). 1 griezel
De nachtwandeling was
2 feest
Er hing
3 toeval
Ze leerden elkaar
4 gemak
Ik vond die oefening niet
5 smaak
6 jaar
Ik ben morgen
.
griezelig
versiering op dat huwelijk.
feestelijke
kennen.
toevallig
.
jarig
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
3 We hebben vakantie in juli en (a) rommelige
5 Het was geen mooie maar een (l)
Thema 8 - les 14
is het mooi weer.
hopelijk
2 Ik heb lijm gemorst, wat een (p)
4 Ik moet mijn (r)
.
gemakkelijk
eten!
Smakelijk
1 We gaan kamperen, (h)
96
lauw
n valle w u d ou fla inh e d oud overige w r e to he gom n w e u d ka ouw b e z pijnlijk ig d oe m
tamelijk
net als heerlijk(e)
3
b licht
afzond erli jk
goedje.
.
kamer opruimen.
plakkerig augustus
lelijke
heks.
Fout? Verbeter.
5
a Doorstreep het foute woord in de zin. b Schrijf de zin over met een juist woord op ig(e) of (e)lijk(e). 1 Camille maakt veel rommel. Ze heeft een nette boekentas. Camille maakt veel rommel. Ze heeft een slordige/wanordelijke/rommelige boekentas. 2 Bram ging laat slapen en zit nu wakker in de klas. Bram ging laat slapen en zit nu slaperig in de klas. 3 Pas op, deze cactus is erg zacht! Pas op deze cactus is erg stekelig! 4 Vals duurt het langst! Eerlijk duurt het langst!
6
Vul de tekst aan met het tegengestelde van het doorstreepte woord. Kies uit: pracht – derwets – geb wd – heer e – gezell – griezel e – harte – de mevr w – afschuwe e – g w – n wkeur – akel e –feeste e
Er wordt dit jaar een splinternieuw kasteel afgebroken modern lelijk
hotel met onaangename
prachtig
slaapkamers en slechte
. Het is geen
kasteel zoals je vaak in films ziet. Het wordt een
ouderwets
Je wordt er slecht
gebouwd
gezellige
bedden.
heerlijke
ontvangen en verwend. Je vindt er geen
hartelijk
toffe akelige/afschuwelijke spinnen, aangename
griezelige
vleermuizen
of andere aantrekkelijke akelige/afschuwelijke beesten. Nee, meneer slordig
Julia poetst
mevrouw nauwkeurig
elk hoekje.
Reserveer je verblijf dus traag mis de sombere
feestelijke
gauw
en
opening niet!
Thema 8 - les 14
97
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Schrijf een kort verslag over de klasuitstap naar het kasteel van oefening 6. Kies uit: gebeten – behulpzaam – verschrikkelijk – het schoolhoofd – de hoofdprijs – razend – griezelig(e) – de mevrouw(en) – gezellig – verkleed Bv. Het kasteel bleek toch niet zo gezellig. In een griezelige kamer zat een hongerige reuzenspin. In de namiddag hielden we een verkleedwedstrijd en ik won de hoofdprijs. Mevrouw Julia was heel behulpzaam. Door mijn schuld is er wel een harnas gevallen. Het schoolhoofd was razend.
98
Thema 8 - les 14
les 5
Woorden net als pauze, vanavond, adem en woedend “Ik ben stomverbaasd over het gedrag van volwassenen”, zegt Niels. Hij praat in de pauze met Rida, die stiekem zijn wenkbrauwen fronst. “Het was gisterenavond rond bedtijd”, legt Niels in één adem uit. “Ik vroeg aan mijn moeder of ze mij vanavond naar de training wil brengen. Toen zei ze: ‘Nee, ik heb nauwelijks tijd voor mezelf. Ik móét er even tussenuit!’ Vanochtend gaf onze juf onverwacht een toets. Ik stond op en zei: ‘Juf, ik heb nauwelijks tijd voor mezelf. Ik móét er even tussenuit!’ En wat denk je ... de juf werd woedend en ik kreeg straf! Nee, voor volwassenen heb ik echt geen applaus over.
1
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als kous of saus
spellingweter 14
het applaus
Reya kreeg een luid
nauwelijks
De man sprak
de pauze
Na al dat werken ben ik toe aan een
de wenkbrauwen
De juf fronst haar
na de voorstelling.
applaus
Nederlands.
nauwelijks
.
pauze
wenkbrauwen
bij mijn antwoord.
woorden net als avond
spellingweter 17
vanavond
Vanavond
gisterenavond
Gisterenavond
kookt papa niet, we halen frietjes. was er een leuke film op de televisie.
woorden net als adem
spellingweter 19
de adem
Ik kan mijn
stiekem
Ik heb
adem stiekem
één minuut lang inhouden. een snoepje mee naar school.
woorden net als hond
spellingweter 23
de bedtijd
Tijdens de vakantie is mijn
stomverbaasd
woedend
Hij was
Stomverbaasd woedend
bedtijd
een uurtje later.
keek ik naar mijn toets: een 10 op 10! op het jongetje dat hem uitschold.
Thema 9 - les 5
99
2
a Kleur de doffe klinker: av on d
als je die met ond schrijft. nd
be
o eb
de
d
ta vo ntu u he
ze m
dem
r
o gez
de
als je die met em schrijft.
de
m ade
m ke
e sti
b Rangschik de woorden met een doffe klinker alfabetisch.
3
1
adem
2
avond
3
bezem
4
bodem
5
gezond
6
stiekem
Vul de woorden aan met d of t. Schrijf het woord op. Tip: verleng de woorden. 1 het plattelan d
op het
2 de gel d automaa
t
3 het ba d een d je 4 de weeken d kran 5 de straa 6 de pos
t t
t
hon d kaar
t
de
badeendje
weekendkrant
een
spelen
lezen straathond
zien
sturen
postkaart
halen
geldautomaat
een rondzwervende
7 bevrien d
4
twintig euro uit de met het gele
wonen
platteland
zijn met elkaar
bevriend
a Schrijf het juiste woord met au of ou in de zin. kl teren – n wkeurig – opv wen – de k wgom – de p ze Wil je er even tussenuit? Dit kun je doen! 1 In hoge bomen
klauteren
2 Grote bellen blazen met een 3 Alles
nauwkeurig
4 Even
pauze
5 De lakens
100
Thema 9 - les 5
opvouwen
. kauwgom
.
opruimen? Nee, veel rommel maken! nemen in de hangmat. ? Nee, er een kamp mee bouwen in de woonkamer!
b Schrijf je top drie van leukste activiteiten om er even tussenuit te zijn. 1 2 3
5
Vul de zin aan.
Ik twijfel.
1 Tennis speel je op een (t)
tennisveld
2 Het wrak ligt op de (b)
bodem
3 Door de mist ziet Elise (n) 4 Elke (a)
avond
van de zee.
iets.
nauwelijks
5 Vliegen heksen op (b)
leest mama een verhaal voor.
?
bezems
6 Tijdens de match scoort Adri een (d)
6
.
Fout? Verbeter.
.
doelpunt
Vul het verhaal aan. Kies uit: ron lopen – de pos zegels – de vrijdagav – het stran – de kameraa – bliks snel – de tobus – het weeken – het tij schrif – stiek – ijskou – het oerwou – het eilan – onbewoon – kl teren– de zondagav Er even tussenuit ... Op
fiets ik
vrijdagavond
naar huis. Het
begint! Wat zou ik doen?
weekend
Met de
naar de stad, met mijn beste
autobus kameraad
een
lezen op de bank,
verzamelen of een uitstap naar het Als ik meer tijd had, maakte ik een minitrip naar een
en zou ik over rotsen
Ach, voor ik het weet is het weer
postzegels ?
strand
onbewoond , dronk ik een
oerwoud klauteren
in het bos,
rondlopen
tijdschrift
zocht ik avontuur in het
bliksemsnel
of
zondagavond
stiekem
eiland ijskoud
,
drankje
chocolade snoepen!
Thema 9 - les 5
101
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Schrijf op de poster wat je zeker niet wilt op vakantie. Gebruik in elke zin een woord met au, ou, d, t of ond. Kies uit: hoof rekenen – de ders – derwetse – de av – het weeken – de p ze – geconcentreer – de groot ders – het huish den – de juffr w – huilen – de raa – het stan beel – het av eten
Ik wil
102
Thema 9 - les 5
les 10
Woorden net als jaagt en gezocht
Spellingweter 24
1
Woorden met gt of cht
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gebracht
Papa heeft me gisteren naar het station
.
gezocht
Ik heb de hele dag naar mijn brillendoos
gezocht
verkocht
Ik heb mijn oude fiets
via het internet.
middernacht
Ben jij al eens opgebleven tot
de zoektocht
In het bos hielden we een
opgelucht
We waren
terecht
De verdwaalde jongen is weer
de vacht
Een schaap heeft een warme wollen
de opdracht
De directeur gaf Levi een
de achterkant
Aan de
prachtige
Dat
zichtbaar
Met je fluohesje ben je goed
zichtbaar
de krachten
Die superheld heeft speciale
krachten
reusachtig
Een mammoet was een
het opsporingsbericht
Het
de rechterkant
Rijden de auto’s is Engeland ook aan de
hij jaagt
De leeuwin
gebracht
verkocht
.
?
middernacht
naar de vliegenzwam.
zoektocht
dat opa genezen was.
opgelucht
.
terecht
.
vacht
.
opdracht
van het huis was er een zwembad.
achterkant
kunstwerk is veel geld waard.
prachtige
reusachtig
opsporingsbericht
jaagt
in het verkeer. .
dier.
hangt aan de lantaarnpaal. rechterkant
?
op haar prooi.
Thema 9 - les 10
103
2
Schrijf de woorden die bij de tekening passen juist in de zin. 1
de lu ballon
De
vlie 2
tussen de wolken.
vliegt
li
1
luchtballon
De
2
scheidsrechter
de scheidsre er
op de grond.
ligt
3 3
vraa
De
rechter
de re er 4
3
4
het a erli
om stilte.
vraagt
Het
achterlicht
van mijn fiets is stuk.
Vul het woord aan met gt of cht en schrijf het in de zin. 1 kra ig
De minister sprak kort en
2 li
Het boek
3 voorzi ige
Mijn mama is een
voorzichtige
bestuurder.
4 re erhand
Ik schrijf met mijn
rechterhand
.
op het rek.
ligt
a Vul de woorden in de zin aan met gt of cht.
1 Het sprookjesboek li gt op mijn na cht kastje. Het sprookjesboek ligt op mijn nachtkastje. 2 Elke o cht end le gt de kip een ei. Elke ochtend legt de kip een ei. 3 De jager jaa gt op het gevlu cht e dier. De jager jaagt op het gevluchte dier. 4 Het geve cht start om midderna cht . Het gevecht start om middernacht. 5 Hij zaa gt de reusa cht ige boom om. Hij zaagt de reusachtige boom om.
Thema 9 - les 10
.
krachtig
b Schrijf de zin juist over.
104
4
5
Vul elke zin aan met een woord met gt of cht. 1 We (m)
mochten
2 Wees (v)
voorzichtig
3 Ik zweet omdat ik (z)
als je oversteekt!
ben.
naar de meester.
aandachtig
de klas met de borstel.
veegt
Fout? Verbeter.
sliep ik slecht.
nachtmerrie
6 De poetsvrouw (v)
6
een snoepje kiezen.
zenuwachtig
4 De leerling luistert (a) 5 Door die enge (n)
Ik twijfel.
a Maak goede samenstellingen. 1 kust
tocht
de
kustwacht
2 zoek
wacht
de
zoektocht
3 recht
vacht
de
rechtbank
4 vracht
vraagt
de
vrachtschepen
5 dieren
bank
de
dierenvacht
6 achter
schepen
de
achtervolgingen
7 onder
volgingen
hij
ondervraagt
b Gebruik de samenstellingen om de tekst aan te vullen. Schrik niet! Piraten varen nog altijd op zee. Een piraat draagt geen ooglapje meer, maar gebruikt speedboten en machinegeweren om (v)
te overvallen. Piraten handelen soms ook in
vrachtschepen
(d)
en verkopen het bont voor veel geld.
dierenvacht
Gelukkig is er de (k)
. Hun missie? Een
kustwacht
(z)
zoektocht
(a)
achtervolgingen
op zee om piraten in te rekenen. Na vaak spectaculaire
worden de piraten opgepakt en voor de (r) De rechter (o)
rechtbank ondervraagt
gebracht. ze
en stuurt ze naar de gevangenis.
Thema 9 - les 10
105
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Zoek acht woorden in de woordzoeker: g f i h De beginletter is gegeven. b Schrijf het woord op en kleur de spellingmoeilijkheid. c Maak een zin met het gevonden woord. K L S J I Z G G T F N W
X A C H T E R L I C H T
S T O M V E R B A A S D
D B E V R I E N D D A J
B H C A L S R S G M U I
G T E T U C X W R E G M
P G F K F J P K D V U D
W E N I P T E N S B S J
N L U L J T J B R M T G
M S K A B O U T E R U G
H O H Z I J K A N T S T
D D N O R G E T T A L P
1
achterlicht
:
bv. Het achterlicht van mijn fiets is stuk. 2
stomverbaasd
:
bv. Ik keek hem stomverbaasd aan. 3
bevriend
:
bv. Ik ben bevriend met mijn buurjongen. 4
augustus
:
bv. In augustus ga ik op kamp.
106
5
legt
: bv. De kip legt een ei.
6
kabouter
: bv. Leeft er een kabouter in het bos?
7
zijkant
: bv. De garage is aan de zijkant van het huis.
8
plattegrond
: bv. We tekenen de plattegrond van de klas.
Thema 9 - les 10
les 14
Woorden net als rusthuis, jarig(e) en gemakkelijk(e) on
ge
bui
put
ri
1
lijk
ke
ge
eeuw
huis
ge
wer
ge
kig
uit
rust weers
ja
lijk
ig luk
lijks ke
sma
e
da
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als uil
spellingweter 2
uitgeput
Ik ben
de onweersbui
Door die hevige
het rusthuis
De bejaarden worden verzorgd in het
het gemeentehuis
Voor een paspoort moet je op het
uitnodigen
Gaan jullie Yun en Mila ook
door de loopwedstrijd.
uitgeput
was er veel schade.
onweersbui
.
rusthuis
zijn.
gemeentehuis
voor het feestje?
uitnodigen
woorden net als rustig(e)
spellingweter 11
de jarige
De
krijgt een lekkere taart.
gelukkig
eeuwig
Je kunt niet
vijfentwintig
Er zitten
akelige
Vind je insecten ook zo’n
jarige
ben ik niet de enige die iets vergeten is.
Gelukkig
leven.
eeuwig
leerlingen in onze klas.
vijfentwintig akelige
beesten?
woorden net als heerlijk(e)
spellingweter 12
dagelijks
Je moet je tanden
smakelijk
De soep is erg
werkelijke
Hij noemt zich Leo maar dat is niet zijn
gemakkelijke
De
twee keer poetsen.
dagelijks smakelijk
gemakkelijke
. werkelijke
naam.
opdracht was snel klaar.
Thema 9 - les 14
107
2
Maak het woord volledig en schrijf het op de juiste plaats. Kies uit: de h∞sdieren – l∞steren – het besl∞t – het h∞swerk – de moest∞n – het spookh∞s – de kr∞ken – ∞tvinden 1 een 2 het foutloze
3
nemen
besluit huiswerk
5 de
moestuin
6 de
huisdieren
3 het griezelige
spookhuis
7 je oren zijn om te
4 een machine
uitvinden
8 de
onderhouden voederen luisteren
met water
kruiken
Vul de reclameposters aan. Gebruik bijvoeglijke naamwoorden met ig(e) of (e)lijk(e). Kies uit: knapper – dag s – dolgelukk – heer – smak
Andere koek!
Drink
dagelijks heerlijke smakelijke
4
Ze maken ieder kind
melk!
koekjes.
knapperige dolgelukkig
.
Zoek het juiste woord op ig(e) of (e)lijk(e) en vul in. 1 In die (r) gebouw.
rustige
2 Omdat hij (d) (a)
dertig
afschuwelijk
(kalm) straat, staat een (r)
reusachtig
(heel lelijk) cadeau.
slaperige
(moe) kat, krijg je (o)
onmogelijk
4 Het (a)
aantrekkelijke
(mooi) meisje gaf (j)
jaarlijks
zenuwachtige
Thema 9 - les 14
(heel groot)
(10 x 3) jaar werd, kreeg hij een
3 Die (s) wakker.
5 De
108
Ontdek onze
en
(nerveus) spreker was
keurig
(wat niet kan) (elk jaar) een feest. (net) gekleed.
5
Vul elke zin aan met een woord met ui, ig(e), (e)lijk(e) of lijk(s). 1 Pas op voor de (g)
slang.
giftige
2 Bananen groeien niet hier, maar in het (b) 3 Deze oefening maak je (z)
4 Let op bij het oversteken van die (g)
6 We doen (w)
6
weg.
gevaarlijke .
kwam alles goed.
uiteindelijk
onze boodschappen.
wekelijks
7 Er was ruzie, maar (u)
.
, zonder hulp.
tuinhuis
Fout? Verbeter.
buitenland
zelfstandig
5 De grasmachine staat in het (t)
Ik twijfel.
De juf neemt vakantie en stelt een automatisch mailbericht in. Maak een woord op ig(e) of (e)lijk(e) en vul het bericht aan. Kies uit: dag – vrees – geluk – stof – man – vrouw – ongeloof – droef – naam – tijd
Van: juf_saar@hotmail.com
Aan: klas4@gmail.com
CC: Onderwerp:
Vakantie!! – out-of-office
Hallo, Ik kan je mail
tijdelijk
niet beantwoorden. De grote vakantie is begonnen.
maar! Het was een
Gelukkig
klas. Ik ben
droevig
dagelijks
ongelofelijk
fijn schooljaar in onze
, want ik ga jullie de komende twee maanden missen. Ik plan
iets leuks te doen. Zo trek ik op safari met het WWF om op zoek te gaan
naar mannelijke/vrouwelijke en vrouwelijke/mannelijke orang-oetans. Ik ben dan ook een expert in het herkennen van schattige apen. Ik had er
namelijk
een schooljaar
lang heel wat in mijn klas Als ik jullie terugzie in september zal onze klas er nu al
vreselijk
stoffig
bij liggen, maar ik ben
benieuwd naar jullie vakantieverhalen.
Tot dan! Juf Saar
Thema 9 - les 14
109
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1
2
3
4
5
6
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Speel het spel ‘Er even tussenuit ...’ .
Er even tussenuit ... Maak afspraken 1 Wie begint er? 2 Wie leest de kaartjes voor? 3 Wie controleert of het woord juist is geschreven? 4 Wat is de speelvolgorde? Spelregels 1 De speler die de kaartjes voorleest, neemt een kaartje. In plaats van het onderstreepte woord, zegt hij: "Biep!". 2 De speler die begint, schrijft het woord dat ontbreekt op een kladpapier. 3 Controleer het woord. Is het juist? Dobbel en zet je pion vooruit. Een ladder is een binnenweg. Is het fout? Verbeter het woord. Zoek de passende spellingweter op. Weet je het woord niet? Vraag dan de eerste letter. 4 De volgende speler is aan de beurt. Leg het gebruikte kaartje onderaan de stapel. 5 Wie eerst uit is, wint.
110
Thema 9 - les 14
Spellingweters, taalweters, ei-brieven en spellingliedjes Spellingweter 1
Woorden die je schrijft zoals je ze hoort . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Spellingweter 2
Woorden met ui . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Spellingweter 3
Woorden met aai, ooi, oei . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Spellingweter 4
Woorden met eeuw of ieuw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Spellingweter 5
Woorden met de woordstukjes ver, be of ge . . . . . . . . . . . . . . 114
Spellingweter 6
Woorden met ng of nk, ngt of nkt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Spellingweter 7
Woorden met de woordstukjes enen, elen of eren . . . . . . 115
Spellingweter 8
Verkleinwoorden op je, tje, pje en etje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
Spellingweter 9
Samenstellingen met dubbele medeklinker . . . . . . . . . . . . . . . 116
Spellingweter 10
Woorden met uw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
Spellingweter 11
Woorden met ig(e) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117
Spellingweter 12
Woorden met (e)lijk(e) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117
Spellingweter 13
Woorden met ei of ij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118
Spellingweter 14
Woorden met au of ou . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118
Spellingweter 15
Woorden met g of ch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Spellingweter 16
Vreemde woorden met a . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Spellingweter 17
Woorden met ond of or
Spellingweter 18
Woorden met een bijzondere uitspraak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 120
Spellingweter 19
Woorden met em
Spellingweter 20
Woorden met ee op het einde van een woorddeel/
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
120 120
woord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Spellingweter 21
Woorden met a, o en u op het einde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Spellingweter 22
Woorden met oo voor ch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Spellingweter 23
Woorden die eindigen op d of t, b of p . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Spellingweter 24
Woorden met gt of cht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Spellingweter 25
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven . . . . . . . . . . . 123
L4 - Spellingweters
111
Spellingweter 26
De punt, het vraagteken, het uitroepteken . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Spellingweter 27
De komma en de dubbele punt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Spellingweter 28
Hoofdletter aan het begin van de zin en bij
persoonsnamen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Spellingweter 29
Hoofdletter bij namen van feestdagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Spellingweter 30
Hoofdletter bij aardrijkskundige namen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
Spellingweter 31
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Taalweter 1
Waarom gebruik ik werkwoorden? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Taalweter 2
Wat is een infinitief? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Taalweter 3
Wat is een persoonsvorm? Hoe vind ik de
126
persoonsvorm? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Taalweter 4
Wat is de tijd van een werkwoord? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Taalweter 5
Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken:
enkelvoud of meervoud? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
Taalweter 6
Wat is de stam?
Taalweter 7
Wat is de uitgang? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
Taalweter 8
Wat betekenen de 1e, 2e en 3e persoon van het
Ei-brief 2 Ei-lied
129
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
131
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
132
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Au-lied
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Spellied
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Verenkel- en verdubbellied Werkwoordenrap Ei-lijst
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
werkwoord? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Ei-brief 1
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Au-lijst
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Mijn moeilijke woorden 112
. . . .
L4 - Spellingweters
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
133 134 135 136 137 139 139 140
Woorden waarbij je schrijft wat je hoort Woorden die je schrijft zoals je ze hoort
Je schrijft wat je hoort. Luister goed, zeker als klanken op elkaar lijken.
Tip Lees en hak het woord in stukjes. Luister goed. Onthoud en herhaal de stukjes. Schrijf ze op. Controleer wat je schreef.
spellingweter 1
Woorden met ui 
Hoor je ui, schrijf dan ui. Bij de ui schrijf je eerst de u en dan de i. De ui schrijf je zonder j.
Woorden met ui schrijf je net als uil.
spellingweter 2
L4 - Spellingweters
113
Woorden met aai, ooi, oei
Hoor je aai, ooi of oei, schrijf dan aai, ooi of oei. Aai, ooi, oei schrijf je met i en niet met j.
Woorden met aai schrijf je net als haai. Woorden met ooi schrijf je net als kooi. Woorden met oei schrijf je net als boei.
Luister en zing het spellied! spellingweter 3
Woorden met eeuw of ieuw
Hoor je eeuw en ieuw, schrijf dan eeuw en ieuw. Eeuw en ieuw schrijf je met een u voor de w.
Woorden met eeuw schrijf je net als leeuw. Woorden met ieuw schrijf je net als nieuw.
Luister en zing het spellied! spellingweter 4
Woorden met de woordstukjes ver, be of ge
Veel woorden beginnen met ge, ver of be. Die stukjes worden met een e geschreven.
Woorden met ver schrijf je net als verdriet. Woorden met be schrijf je net als begin. Woorden met ge schrijf je net als gelijk. spellingweter 5
114
L4 - Spellingweters
Woorden met ng of nk, ngt of nkt
Het verschil tussen nk en ng kun je horen: >> ng schrijf je altijd met ng. >> nk schrijf je altijd met nk (zonder g).
Woorden met nk schrijf je net als bank. Woorden met ng schrijf je net als ring.
Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen! Bv. doodsbang doodsbange bank banken Tip Twijfel je tussen ngt of nkt? Doe de t weg en verleng. Bv. denkt, denken / mengt, mengen ...
Luister en zing het spellied! spellingweter 6
Woorden met de woordstukjes enen, elen of eren
In de woordstukjes eren, elen of enen hoor je twee doffe klinkers.
Woorden op eren schrijf je net als kinderen. Woorden op elen schrijf je net als meubelen. Woorden op enen schrijf je net als tekenen.
spellingweter 7
L4 - Spellingweters
115
Verkleinwoorden Verkleinwoorden op je
Bij verkleinwoorden op je schrijf je eerst het grondwoord en dan je. Bv. boekje = boek + je, hartje = hart + je
Let op! blad gat glas
blaadje gaatje glaasje
Je schrijft verkleinwoorden op je net als kindje (kind + je).
Verkleinwoorden op tje, pje en etje
Bij verkleinwoorden op tje schrijf je eerst het grondwoord en dan tje. Bv. haartje = haar + tje Bij verkleinwoorden op pje schrijf je eerst het grondwoord en dan pje. Bv. boompje = boom + pje Bij verkleinwoorden op etje schrijf je eerst het grondwoord en dan etje. Bv. kammetje = kam + metje
Let op! De laatste medeklinker van je grondwoord verdubbelt bijna altijd.
Je schrijft verkleinwoorden op tje net als boontje. Je schrijft verkleinwoorden op pje net als raampje. Je schrijft verkleinwoorden op etje net als balletje. spellingweter 8
Samenstellingen met dubbele medeklinker
Bij lange woorden moet je eerst hakken en dan plakken. >> hand + doek = handdoek >> oor + ring = oorring >> deur + slot = deurslot spellingweter 9
Woorden met uw
De lange u voor een w schrijf je altijd enkel (bv. duwt, schaduw).
Woorden met uw schrijf je net als duw. spellingweter 10
116
L4 - Spellingweters
Woorden met ig(e)
In sommige woorden hoor je een doffe e, maar schrijf je ig(e): rustig, bezig, machtige ... Je noemt ze rustig(e) woorden.
Woorden met ig(e) schrijf je net als rustig(e).
rustige woorden
spellingweter 11
Woorden met (e)lijk(e)
In sommige woorden hoor je een doffe e, maar schrijf je (e)lijk(e): heerlijk, moeilijk, duidelijke ... Je noemt ze heerlijk(e) woorden.
Woorden met (e)lijk(e) schrijf je net als heerlijk(e).
heerlijke woorden
spellingweter 12
L4 - Spellingweters
117
Woorden die je onthoudt Woorden met ei of ij  
Schrijf ik de ei van ei of de ij van rij? Dit moet je onthouden. We onthouden de ei-woorden, de andere woorden schrijf je met een ij. Als je een woord in het ei-lied hoort (of op de ei-plaat/ei-brief ziet), dan schrijf je het met ei. Hoor je het niet of zie je het niet, dan schrijf je het met ij.
Let op! Er zijn nog ei-woorden. Die woorden leer je later.
Woorden met ei schrijf je net als ei. Woorden met ij schrijf je net als ijs.
Luister en zing het ei-lied!
spellingweter 13
Woorden met au of ou
ls een woord in het au-lied of de au-strip komt, dan schrijf je het met een au. A Als je een woord niet in het au-lied hoort of op de au-strip ziet of niet van buiten hebt geleerd, dan schrijf je het met ou.
Let op! Er zijn nog au-woorden. Die woorden leer je later.
Woorden met au schrijf je net als saus. Woorden met ou schrijf je net als kous.
Luister en zing het au-lied! spellingweter 14
118
L4 - Spellingweters
Woorden met g of ch
Woorden met ch moet je onthouden.
Tip Meestal schrijf je g!
Woorden met g schrijf je net als weg. Woorden met ch schrijf je net als zich.
Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen: >> wegen >> lachen
 weg  lach
Je hoort dan het verschil tussen g en ch. spellingweter 15
Vreemde woorden met a
Bij sommige woorden van vreemde oorsprong mag je na de a, die soms kort wordt uitgesproken, de medeklinker niet verdubbelen. Die woorden noem je banaan-woorden. Je moet ze onthouden. Veel van die woorden staan op de banaanplaat.
De korte a in sommige woorden van vreemde oorsprong schrijf je net als banaan. spellingweter 16
L4 - Spellingweters
119
Woorden met ond of or
Sommige woorden worden met een doffe e uitgesproken, maar met ond of or geschreven. Die woorden moet je onthouden.
Woorden met ond schrijf je net als avond. Woorden met or schrijf je net als motor. spellingweter 17
Woorden met een bijzondere uitspraak
Sommige woorden spreek je op een bijzondere manier uit (bv. alsjeblieft). Die woorden moet je onthouden.
Het zijn woorden net als lichtje, zachtjes, lyceum, veertig, zakdoek, ontdekken, openlijk ... spellingweter 18
Woorden met em
In sommige woorden hoor je een doffe e en schrijf je em. Die woorden moet je onthouden.
Woorden met em schrijf je net als adem.
Ik adem!
spellingweter 19
120
L4 - Spellingweters
Woorden waarbij je een regel gebruikt Woorden met ee op het einde van een woorddeel/woord
Op het einde van een woord schrijf je ee dubbel. Dat moet je onthouden.
Woorden met ee op het einde schrijf je net als zee.
Let op! Hoor je een lange a, o, u op het einde van een woord? Dan schrijf je de klinker enkel. Bv. ga, zo, nu ... Tip
Als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je de ee ook dubbel.
Woorden met ee op het einde van een woorddeel schrijf je net als meegaan en tweede.
Let op! Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel. Bv. jawel, zozeer ... spellingweter 20
Woorden met a, o en u op het einde
Op het einde van een woord schrijf je a, o of u enkel.
Woorden met een lange a op het einde schrijf je net als ga. Woorden met een lange o op het einde schrijf je net als zo. Woorden met een lange u op het einde schrijf je net als nu.
Ga nu zo!
Tip Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel.
Bv. jawel, zozeer, ... spellingweter 21
Woorden met oo voor ch
Je schrijft de lange o voor ch altijd dubbel.
Woorden met oo voor ch schrijf je net als goochelen. spellingweter 22
L4 - Spellingweters
121
Woorden die eindigen op d of t, b of p
Verlengen!
Als je twijfelt, moet je verlengen.
Tip Verlengen doe je door aan het einde van een woord e, en of er toe te voegen: >> >> >> >>
hond tent heb pop
窶ドonden 窶フenten 窶ドebben 窶パoppen
Woorden die eindigen op d schrijf je net als hond. Woorden die eindigen op t schrijf je net als tent. Woorden die eindigen op b schrijf je net als heb. Woorden die eindigen op p schrijf je net als pop.
Let op! S oms zitten woorden op d of t in een ander woord verstopt (bv. brandweer). Denk na uit welke woorden de samenstelling bestaat. Verleng om te weten of je d of t moet schrijven. spellingweter 23
Woorden met gt of cht
Tok tok!
Na een korte klank schrijf je altijd cht, behalve in ligt, legt en zegt. ja
cht
Korte klank? nee gt Let op! De kip ligt in het hok, legt een ei en zegt tok tok. Ligt, legt en zegt komen van de werkwoorden liggen, leggen en zeggen. Je schrijft ze dus ook met g. Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen.
Woorden met gt schrijf je net als jaagt. Woorden met cht schrijf je net als gezicht.
Luister en zing het spellied! spellingweter 24
122
L4 - Spellingweters
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven Zo moet je verdubbelen (bv. vissen)
Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een korte klank, schrijf dan 1 klinker en 2Â medeklinkers. Ik luister naar het einde van de klankgroep.
Ik hoor een korte klank.
Ik schrijf 1 klinker en 2 medeklinkers.
vette vissen zonnen tussen kwallen
Zo moet je verenkelen (bv. apen)
Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een lange klank, schrijf dan 1 klinker en 1Â medeklinker. Ik luister naar het einde van de klankgroep.
Ik hoor een lange klank.
Ik schrijf 1 klinker en 1 medeklinker.
apen kopen dure kleren
Zo schrijf je gewoon
Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een andere klank, dan schrijf je gewoon. Ik luister naar het einde van de klankgroep.
Ik hoor een andere klank.
Ik schrijf gewoon.
jonge dieven worden meestal gepakt en krijgen flinke boetes
Tip Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan schrijf je ook gewoon.
Luister en zing het verenkel- en verdubbellied! spellingweter 25 L4 - Spellingweters
123
De punt, het vraagteken, het uitroepteken
De punt sluit een zin af. Het vraagteken sluit een vraagzin af. Het uitroepteken sluit een zin af met een kreet, wens, bevel of waarschuwing. spellingweter 26
De komma en de dubbele punt
De komma brengt een rustpauze in een opsomming aan. De dubbele punt kondigt een opsomming aan.
Bv. Jan verzamelt vlinders, bladeren, stenen en schelpen. Dit drinkt Jan graag: wijn, bier, melk en fruitsap. spellingweter 27
Hoofdletter aan het begin van de zin en bij persoonsnamen
Je schrijft een hoofdletter aan het begin van een zin. Ook de eerste letter van een persoonsnaam schrijf je met een hoofdletter (bv. Jan, Piet, Karel).
Bv. Gisteren gingen Jan en Piet naar de kermis.
Let op! Alle eigennamen schrijf je met een hoofdletter, uitgezonderd bij: >> >> >> >>
weekdagen (maandag, dinsdag ...) maanden (januari, februari ...) seizoenen (herfst, winter ...) windrichtingen (noordoosten ...) spellingweter 28
Hoofdletter bij namen van feestdagen
Feestdagen schrijf je met een hoofdletter.
Feestdagen schrijf je met een hoofdletter net als Kerstmis, Pasen, Suikerfeest, Moederdag ... spellingweter 29
124
L4 - Spellingweters
Hoofdletter bij aardrijkskundige namen
Aardrijkskundige namen (straten, steden, landen ...) schrijf je met een hoofdletter.
Aardrijkskundige namen (straten, steden, landen ...) schrijf je met een hoofdletter net als: >> >> >> >>
Jan woont in de Zeeweg in Rotterdam. Rotterdam is een grote stad in Nederland. Door Rotterdam stroomt de Rijn. De Rijn ontspringt in de Alpen. spellingweter 30
L4 - Spellingweters
125
126
L4 - Spellingweters
MAAR ... jij/je na pv: STAM
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
ik werk
ik speel
jij speelt speel jij jij werkt werk jij zij werkt
hij speelt jullie werken
wij spelen
Verleden tijd (v.t.)
STAM + de(n) STAM + te(n)
zij werkten
ik speelde
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.
1e persoon enkelvoud ik STAM
Tegenwoordige tijd (t.t.)
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd
d t
spellingweter 31
Bv. gespeeld, geplaatst
trilt trilt niet
Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
Taalweters Waarom gebruik ik werkwoorden? We gebruiken werkwoorden meestal om een toestand, een gebeurtenis of een handeling uit te drukken. De meeste werkwoorden zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt.
Is slapen ook een werkwoord, juf?
Bv. Ik schrijf nu deze moeilijke zin. Straks neem ik een pauze. Ik zal straks naar jou komen. Sommige werkwoorden zeggen wat of hoe het onderwerp is of wordt. Bv. Ik ben moe. Het is niet gemakkelijk. taalweter 1
Wat is een infinitief? De infinitief is een soort moedervorm van een werkwoord. Het is de vorm die je terugvindt in een woordenboek.
Ik moet werken. Is dat definitief?
Werken is de infinitief.
Bv. werken, slapen, eten, schrijven ... Je vindt de infinitief door een minizin te maken met ik zal. Bv. Ik zal slapen. Ik zal kopen.
taalweter 2
L4 - Taalweters
127
Wat is een persoonsvorm? De werkwoordsvorm die bij het onderwerp staat, noem je de persoonsvorm. Bv. Bij het onderwerp ik hoort de persoonsvorm kom. Bij het onderwerp jij hoort de persoonsvorm komt.
Ik kom graag naar school. Jij komt ook graag naar school.
De persoonsvorm staat graag in de buurt van het onderwerp.
Hoe vind ik de persoonsvorm? Je vindt de persoonsvorm door een ja-neevraag te stellen. De persoonsvorm komt dan vooraan te staan. Bv. Opa houdt van snorkelen.
Vind ik zo de persoonsvorm?
Houdt opa van snorkelen?
taalweter 3
Wat is de tijd van een werkwoord? Dat zie je aan de persoonsvorm. Heeft de spreker het over de tegenwoordige tijd (nu) of over de verleden tijd (vroeger)? Tegenwoordige tijd
Het regent. Dat is niet zo erg. Ik kan nu toch niet buiten.
Verleden tijd
Gisteren regende het. Dat was erg. Ik kon geen fietstocht maken. taalweter 4
128
L4 - Taalweters
Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken: enkelvoud of meervoud? Dat kun je zien aan het onderwerp. Het onderwerp en persoonsvorm komen altijd overeen. Als het onderwerp enkelvoud is, dan staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud. Bv. de aap loopt, ik lach, papa slaapt ... Als het onderwerp meervoud is, dan staat de persoonsvorm ook in het meervoud. Bv. de apen lopen, wij lachen, peuters slapen ... taalweter 5
Wat is de stam? De stam is een vorm van een werkwoord. Als je de verschillende vormen van een werkwoord naast elkaar zet, kom je telkens een gelijk deel tegen: het deel dat je overhoudt als je van de infinitief -(e)n wegneemt. Bv. drinken – ik drink – jij drinkt – wij drinken zien – ik zie – jij ziet – wij zien Dat gelijke deel noem je de stam. De stam eindigt op de kijkletter. Bv. infinitief: werken infinitief: antwoorden
de stam: werk de stam: antwoord
ik werk ik antwoord taalweter 6
Wat is de uitgang? Het deel dat je achteraan de stam toevoegt als je een werkwoord gebruikt, noem je de uitgang. Bv.
ik drink hij drinkt jij drinkt wij drinken jullie drinken zij drinken
ik zie hij ziet jij ziet wij zien jullie zien zij zien
Ik drink nooit thee.
taalweter 7
L4 - Taalweters
129
Wat betekenen de 1e, 2e en 3e persoon van het werkwoord? Ben ik de eerste persoon? Voor mij ben jij de tweede persoon en is hij de derde persoon.
1e persoon 2e persoon 3e persoon
Enkelvoud ik loop jij/u loopt hij/zij (ze)/het loopt
1e persoon 2e persoon 3e persoon
Meervoud wij lopen jullie lopen zij (ze) lopen taalweter 8
130
L4 - Taalweters
Ei-brief 1
Hoi lieve oma en opa, Ik ben er, hoor! En papa en mama ook. Op dit eiland vieren we vakantie. We hebben twee dagen moeten reizen. Papa en mama waren allebei moe toen we aankwamen. Nou, ik niet! Ik ben naar het zwembad gegaan. Daar kwam ik een aardig meisje tegen. “Hoi!” zei ze. “Ik ben de keizer van dit eiland.” Dat vond ik gek, maar toen begon ze te lachen. “Zo heet ik: Lieke de Keizer”, legde ze uit. Ze is iets ouder dan ik, maar wel de kleinste van ons twee. Je kunt heel erg met haar lachen. Ik ben nu haar vriendin. Ze praten hier ook in een vreemde taal. Daarnet moest ik prei en eieren gaan kopen. In de winkel lagen allerlei dingen, maar geen eieren. De eigenaar van de winkel begreep niet wat ik moest hebben. Toen deed ik een kip na. Ik deed net of ik een ei legde. De meneer moest keihard lachen, maar snapte me wel. Nu neem ik afscheid van jullie. Volgende maand ben ik weer thuis. Tsjie-aa-oo (zoiets zeggen ze hier), Drie dikke XXX
131
Ei-brief 2
Lieve kleindochter, Goed dat jullie eindelijk veilig zijn aangekomen! Het zijn mooie eilanden, maar moeilijk te bereiken. Ik ken ze. Oma en ik zijn er beiden vroeger ook geweest. Ik had me heilig voorgenomen er ooit terug naartoe te gaan. Daar is tot nu toe weinig van gekomen. Eigenlijk ben ik heel jaloers op je. Zullen we naar je toe komen? Ik kan je leiding geven als je het eiland wilt verkennen. Of scheidsrechter spelen als jij en oma niet weten waarheen eerst. Ik zie mezelf wel als de opa-leider. Ik wil niet geheimzinnig doen, maar er schijnt ergens op het eiland een kostbare schat te liggen ... Ik maak maar een grapje, hoor. Ik wil wel graag met oma komen. Anders zou ik voor een paar weken van je oma moeten scheiden. Dat nooit! Ik moet nu eindigen. Doe je papa en mama de groeten. Liefs, Opa
132
Ei-lied Refrein ’t Was op een dag in mei, dat het zielig kipje zei: “M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei? Ik had het nog maar net gelegd en nu is het dan zomaar weg. M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei?” Midden op de hei stond een geit op een grote kei. Kip vroeg: “Heb je misschien m’n schitterende ei gezien?” Geit heeft toen verklikt: “Jouw ei, dat is gepikt!” Refrein In de wei daar stond een koe. De kip liep naar haar toe. De koe zei: “Kipje lief, ’t is gestolen door een dief! Die bleef hier niet lang staan. Hij is op reis gegaan.” Refrein Het kipje ging toen vlug heel sip naar huis terug. Onder zeil stond kipjes hok. Daar zat iets op haar stok. Kip zag wie het had gedaan. De dief, dat was de ... haan! Refrein Van een klein stukje klei kneedde de kip een ei. Ze wierp het tegen de haan zijn oor, die ging er met de trein vandoor. ‘t Einde was niet top. De boer at ‘t eitje op! ’t Was op een dag in mei, dat het zielig kipje zei: “M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei? Ik had het nog maar net gelegd en nu is het zomaar weg. M’n ei, m’n ei, m’n ei! Dat was dus m’n ei!”
133
Au-lied Refrein Ik ben de au, de au van flauw. Ik zit in saus en ook in paus. Maar minder fijn: ik hoor bij pijn ... Au! Au! Au! Au! In het woordje auto zit ik ook. Ik kringel weg in blauwe rook. Ik sta graag op voor dag en dauw en eet mijn soep het liefste lauw. Refrein De otjes-ou dat is mijn broer. Als ik hem plaag, zegt hij heel stoer: “Stop daar nu mee, doe niet zo flauw, of ik mep je bont en blauw!” Refrein Ben jij gauw moe, omdat ’t snel gaat? Haal kauwgom uit een automaat. Kauw kalmpjes en naar hartenlust, tot je voelt: wauw! – ik ben uitgerust. Refrein Ik zit in woorden zoals pauw, augustus en een beer zijn klauw. Hoor je me snauwen en op deuren bonzen, dan mag je gerust je wenkbrauw fronsen.
134
Spellied Refrein Ik zal je vertellen, ik ben dol op spellen. p of een b? Hond met een d. Of moet dat met t? Ik zit er niet mee. Dat zijn geen zaken die mij kwellen, want ik ben dol ... op spellen. Simpele regels helpen mee, zoals bij aai en oei en ooi. Je schrijft een i, en dus geen j. Nooit meer een fout, is dat niet mooi? Refrein Met ieuw en eeuw zijn er woorden die last zouden kunnen geven. Schrijf uw waar je die hoorde, maar die worden steeds geschreven. Refrein Let goed op bij wat ik nu zing, je hoort en schrijft n en een g. In het geval van het woord ring maar in bank doet de g niet mee. Refrein Wil je deze puzzel kraken: schrijf je ng of toch nk? Dat hoor je bij het langer maken, mengen, denken, dus ga maar na. Refrein Nog een probleem waar ik aan dacht, is cht of g met t? Bij zucht en recht en dicht en lacht, is de klank kort dus ... cht. Refrein Het woord zegt komt van zeggen, vandaar dus de g, die je ziet. Zo ook met liggen en leggen. Hier gebruik je cht dus niet.
135
Verenkel- en verdubbellied Refrein Je ziet niet altijd wat je hoort. Je hoort niet altijd wat je ziet. Bij de juiste spelling van een woord, helpt misschien dit klankenlied. Zing maar mee en met z’n allen: vette vissen zonnen tussen kwallen. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde van de klankgroep kort, weet je vanzelf hoe het geschreven wordt. Onthoud dit en schrijf maar mee: van klinkers één, van medeklinkers twee. Refrein Zal ik eens iets geks beweren? Rare apen kopen dure kleren. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde van een klankgroep lang, ga bij het schrijven niet zomaar je gang. Onthoud dit en schrijf meteen: van de klinker en de medeklinker één. Refrein Nog een zin aan elkaar geplakt: jonge dieven worden meestal gepakt. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde niet lang of kort, weet je vanzelf hoe het geschreven wordt. Onthoud dan: bij dit soort van woord schrijf je gewoon de klank op die je hoort. Refrein
136
Werkwoordenrap Een werkwoord, ’t is ongehoord wat je daarmee kunt. Niet verkeerd dat deze rap jou de regels leert. De eerste stap die gaat rap: zoek het onderwerp. Zoek dan ook de pee vee, aan de slag ermee. Geen pee vee? Niks: “O, jee!” Schrijf op wat je hoort en bedenk: je hebt toch spellingweters nog. Dus het touw dat je knoopt: het geknoopte touw. En de vrouw die zich kleedt: de geklede vrouw. Gemaakt met dee, of met tee? Maak er gemaakte van. En de man die jij plaagt, is een geplaagde man. Wel pee vee? In tee tee? Ik gebruik de stam. Stam plus tee, plus ee - en: regels die ik ken.
137
vervolg Werkwoordenrap Speelt hij? Spelen wij? Ja, straks na de bel. Werkt hij? Werken wij? Nou, dat dacht ik wel! Maar let op, want met je is het stam plus tee. Maar staat je na pee vee: doet die tee niet mee. Ik rap rap een rappe rap met alle regels die ik heb. Werkwoorden moeilijk? Neen toch, dat is niet zo. Laat ze maar komen, ik zeg: “Yo!” Laat ze maar komen en ik zeg: “Yo!”
138
Ei-lijst
Au-lijst
139
Mijn moeilijke woorden
140