Skip to main content

TALENT 4: spellingschrift - correctiesleutel

Page 1

3

C70 M20 Y67

4 Spellingschrift Correctiesleutel

C16 M30 Y70


Coördinatie: Daan Debuysere Auteurs: Virginie Thielemans Bea Willems Rien Broere Daan Debuysere Met medewerking van: Pieter Van Biervliet

Bij TALENT voor het 4e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel – Te laat! Projectbundel – Goochelen Projectbundel – Dat klopt niet Werkwoordenblok 4 Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C, spellingschrift en projectbundels Voor de klas: Talentbib 4 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8245-5 978-90-306-8240-0 D/2019/0078/53 D/2019/0078/54 Art. 569659/01 569654/01 NUR 191

Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Eric Bouwens Tekeningen spellingweters: Eric Bouwens


les 5

Herhaling (1) Hallo!

1

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het over. ei of ij

spellingweter 13

ou of au

spellingweter 14

het eiland

eiland

het vrouwtje

vrouwtje

het meisje

meisje

bouwen

bouwen

verdwijnen

verdwijnen

de klauw

klauw

altijd

altijd

augustus

augustus

eeuw en ieuw

spellingweter 4

uw

spellingweter 10

zij schreeuwt

schreeuwt

hij duwt

duwt

het nieuws

nieuws

de schaduw

schaduw

zij geeuwen

geeuwen

de zenuw

zenuw

benieuwd

benieuwd

ruw

ruw

aai/ooi/oei

spellingweter 3

a/o/u op het einde

spellingweter 21

de prooi

prooi

de oma

oma

de moeite

moeite

achterna

achterna

ze zwaait

zwaait

hallo

hallo

Thema 1 - les 5

3


2

Vul aan met ei/ij of au/ou. Schrijf het woord over. alleb ei

allebei

de dolf ij n

dolfijn

de m ou wen

mouwen gauw

g au w

3

ze verdw ij nen

verdwijnen

autorijden

de wenkbr au wen

wenkbrauwen

de g ou dm ij n

goudmijn

au tor

Vul aan en schrijf elk woord in de juiste kolom.

papeg ged

aai

sl

sch

ieuw

eeuw

bl

oei

eeuw

man

sn en

ooi

net als haai, kooi of boei

net als leeuw of nieuw

sluw

bloeien

schreeuwen

geduw

papegaai

benieuwd

schuw

vogelkooien

sneeuwman

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

1 Aan zee zie ik (m)

vliegen.

meeuwen

2 Op 1 januari vieren we (N)

Nieuwjaar

.

3 De boer woont in een (b)

boerderij

.

Pinnemuts.

gaf.

4 In het bos woont (k)

kabouter

5 Ida viel omdat Alberte haar een (d) gooit

7 De kip legt elke dag drie (e) 8 Mijn zusje zit op de (d)

Thema 1 - les 5

en

uw

net als duw

6 Youri (g)

en

uw

d

vogelk

4

schr

uw

ben

4

den

ij

duw

de basketbal in de ring. eieren draaimolen

.

op de kermis.

Fout? Verbeter.


5

a Maak zinnen met de woordgroepen. Tip: let op de hoofdletter. b Nummer ze van 1 tot 4 en maak een verhaal.

naar een klein eiland. – op de bodem van de koude zee – Ik rijd 3

Ik rijd op de bodem van de koude zee naar een klein eiland.

Ik zie – voorbij zwemmen. – een papegaaivis 4

een autoduikboot. – en een auto – Ik bouw – van een boot 2

Ik bouw van een boot en een auto een autoduikboot. zonder lawaai. – en een reis – van een blauwe zee – Ik droom

1

6

Ik zie een papegaaivis voorbij zwemmen.

Ik droom van een blauwe zee en een reis zonder lawaai.

Vul het krantenartikel aan.

Trein gekaapt door dieren In het station van Antwerpen konden de reizigers de (t)

trein

niet op. Die zat namelijk vol dieren, zoals (t)

tijgers

(p)

papegaaien

(l)

leeuw

,

en een  .

Volgens een dierenverzorger vonden de dieren het niet leuk om steeds in hun (k)

kooien

te zitten en

naar de mensen te (k) en gingen op (r) (f )

flauw

Gelukkig waren er (w) (b)

blij

kijken reis

. Daarom pakten ze hun koffers  . Enkele mensen op het perron vielen

. weinig

gewonden. De dieren waren

dat ze eens op vakantie konden gaan.

Thema 1 - les 5

5


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Schrijf een vervolg op het verhaal uit oefening 5. Gebruik zoveel mogelijk woorden uit deze les. Terwijl ik over de zeebodem rijd, hoor ik opeens

6

Thema 1 - les 5


les 10

Herhaling (2) Het is oktober, de kachels branden en de bomen worden kaal. Het dochtertje van Els is aan het bibberen. Ze zit in een vliegtuig op het vliegveld. “Zullen we een spelletje spelen?” zegt haar knuffeltje. “Kun jij babbelen?” vraagt het meisje verbaasd. “Ja, om je aandacht af te leiden”, zegt de knuffel zacht. Het meisje krijgt een grote glimlach. “Het vliegtuig mag nu gerust vertrekken”, zegt ze.

1

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gt of cht

spellingweter 24

g of ch

spellingweter 15

de aandacht

aandacht

de kachels

kachels

hij vraagt

vraagt

de glimlach

glimlach

ze zegt

zegt

het vliegtuig

vliegtuig

zacht

zacht

de pech

pech

enen, elen of eren

spellingweter 7

tje

spellingweter 8

bibberen

bibberen

het dochtertje

dochtertje

babbelen

babbelen

het knuffeltje

knuffeltje

tekenen

tekenen

het koffertje

koffertje

woorden net als vissen

spellingweter 25

woorden net als apen

spellingweter 25

de knuffel

knuffel

spelen

spelen

het spelletje

spelletje

oktober

oktober

vertrekken

vertrekken

grote

grote

Thema 1 - les 10

7


2

a Hak de woorden in klankgroepen. Trek streepjes waar je hakt.

de  p  r  o| f  e| s  s  o  r

de  w  a| t  e  r| v  a| l  l  e  n

de  v  o  e  t| b  a  l| w  e  d| s  t  r  ij| d  e  n o| v  e  r| s  t  r  o| m  e  n z  a| t  e  r| d  a  g| a| v  o  n  d

de  a| p  p  e  l| b  o| m  e  n de  w  e| r  e  l  d| k  a  m| p  i| oe  n

de  b  o  e  r| d  e| r  ij| d  ie| r  e  n de  o  p| p  a| s  s  e  r

b Luister naar het einde van elke klankgroep en kleur: een korte klank aan het einde van de klankgroep. een lange klank aan het einde van de klankgroep.

3

a Kijk naar de tekening en schrijf het juiste woord in de zin. 1

2

1 Wij (b)

5 Hij (z)

is een big.

varkentje

4 De leerlingen (r)

5

.

middernacht

3 Een klein (v)

4

van de kou.

bibberen

2 Het is (m)

3

6

.

rekenen

een hoge boom om.

zaagt

6 Slaap jij met een (n)

nachtlamp(je)

aan?

b Kruis de spellingmoeilijkheden in het woord aan. verdubbelen

1

x

2

x

verenkelen

enen elen eren

cht

x x x

x

5 6

8

Thema 1 - les 10

gt

x

3 4

tje je

x (x)

x


4

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

1 Elke woensdag bakt oma lekkere (p) 2 (g)

Gisteren

was het vrijdag, vandaag is het zaterdag.

3 Niet links maar (r)

rechts

4 De kip ziet een (k)

kuikentje

5 Een vliegtuig (w)

5

.

pannenkoeken/pizza

weegt

.

Fout? Verbeter.

uit haar ei kruipen.

meer dan honderd ton.

Zet de blauwe woorden in het meervoud en schrijf de tekst over. Met een blij gezicht vertrek ik op reis. Ik neem de trein naar Brussel-Zaventem. In het station jaagt een kat op een muis.

In de trein babbelt een meneer met een mevrouw. Zij lacht. De conducteur knipt een kaartje.

Met een blij gezicht vertrekken we op reis. We nemen de trein naar Brussel-Zaventem. In het station jagen de katten op de muizen. In de trein babbelen de meneren met de mevrouwen. Zij lachen. De conducteur knipt de kaartjes.

6

Vul aan met g/ch of gt/cht. Schrijf het woord over. Op een mooie lenteda g

trekken we

lentedag

met de ru g zak naar zee.

rugzak

Er waait op de midda g

middag

pech

hoog

lucht

De vo g els vlie g en er snel heen.

vogels

vliegen

“Is er ook worst?” vraa gt een meeuw.

vraagt

“Hier is no g

wat!” antwoordt een spe cht  .

nog

specht

heeft de leerkra cht geld bij zich.

gelukkig

leerkracht

mogen

een kra cht ige wind.

Wat een pe ch  ! Onze lunch vliegt hoo g

Gelukki g

in de lu cht  .

We mo g en frietjes eten!

krachtige

Thema 1 - les 10

9


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Vul het kruiswoordraadsel in. Van links naar rechts 1 In de zomer moet ik het gras ... 2 Als ik moe ben moet ik ... 3 Ik heb een euro voor een drankje uit de ...

7

b

5

Van boven naar beneden 4 Als jij naar Amerika reist, doe je dat met het ... 5 Op een zonnige dag zoek ik verkoeling in de ... onder een boom. 6 Op de boerderij zijn er bokken en ... 7 Niet aan die hond komen, hij kan je ...

2

g

4

v

1

m

s

6

ij

c

g

t

h

e

e

a

a

i

l

d

t

i

u

e

e

e

u

w

e

n

t

o

m

a

a

e

g t 3

a

u i g

10

Thema 1 - les 10

t

n


les 14

Woorden net als rustig(e) boom b=v m=r –o

hoed h=m

haar h=j –a

beren r=z – en

+ ig

trap t=g +p

kast k=h a = aa

ton t=z +n

schild i=u

+ ige

Spellingweter 11

1

Woorden met ig(e)

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. ik verkondig

Ik

moedig

Moedig

de schuldige

De

verdrietig

Ben je ook

haastige

De

rustige

Ik wens je een

zonnig

Marokko heeft een

grappige

Ik moet hard lachen om die

vorig

de jarige

De

stevige

De bokser deelde een

bezig

Ik ben nog steeds

aan iedereen dat ik een broertje krijg.

verkondig

redde de brandweerman de hond. moet gestraft worden.

schuldige

als je je knuffel niet vindt?

verdrietig

man vergat zijn jas aan de kapstok.

haastige

vakantie toe zonder stress.

rustige

klimaat.

zonnig

clown.

grappige

jaar heb ik mijn been gebroken.

Vorig jarige

blaast de kaarsjes uit. stevige bezig

klap uit. aan mijn huiswerk.

Thema 1 - les 14

11


2

3

12

Vul aan met ig of ige. Bedek het woord en schrijf het op. 1 pracht ig

een

cadeau

2 eeuw ig

3 hart ige

een

hartige

taart

4 kracht ige

een

krachtige

man

5 mist ige

een

mistige

dag

6 jeugd ige

de

7 hev ig

een

8 droev ig

9 zal ige

de

zalige

10 haast ige

een

haastige

prachtig eeuwig

leven

speler

jeugdige

onweer

hevig droevig

nieuws vakantie beslissing

Vul aan met een woord net als rustig(e). Let op: soms moet je ook verenkelen of verdubbelen. 1 schat

een

schattig

hondje

2 geluk

een

gelukkig

nieuwjaar

3 een

een

enig

kind

4 nut

een

nuttig

plan

5 ernst

een

ernstig

gesprek

6 verstand

de

7 vuur

een

8 hand

de

9 sap

een

sappige

peer

10 last

een

lastige

klant

Thema 1 - les 14

verstandige vurige handige

ig-bus

jongedame liefdesbrief klusjesman

ige-bus


4

Vul de zin aan met een woord net als rustig(e). 1 Brrr ... wat een (g)

3 De (h) 4 Yin is (t)

hongerige

en moet huilen.

te blijven.

rustig

.

koning van een groot land.

gelukkig

machtige

8 Nara geeuwt: ze is (s)

6 Ze leefden nog lang en (g) 7 Hij is een (m)

.

meeuw zoekt eten.

triestig

.

slaperig

Fout? Verbeter.

aandachtig

5 Bij brand probeer je (r)

5

verhaal!

griezelig

2 Levi let niet op: hij is niet (a)

Ik twijfel.

Vul het verhaal aan. Schrijf de woorden met ig(e) op de juiste plaats. Op een voorzicht punt rust

zaterdagochtend fiets ik naar de markt.

rustige

Ik heb mijn helm op want je moet

voorzichtig

Over het zebrapad wandelt een

eigenaardige

met een

puntige

zijn in het verkeer. vrouw

hoed.

eigenaard

Ze heeft een toevall schatt aard grapp

Dat ziet er best Naast haar loopt Zij begint een

schattig

poesje in een kinderwagen.

grappig toevallig aardig

uit. een vriendin van mij. praatje met de vrouw.

Ik stuur mijn vriendin een bericht. Ik wil weten wie die eigenaardige vrouw is!

Thema 1 - les 14

13


6

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

7

Schrijf het bericht voluit.  TIP: lees eerst het tekstje van oefening 5 nog eens. Ik zag je net op straat aan het  . Ik stond . Naast je liep een met een hoed. In haar lag een te slapen. Ze naar mij. Mag ik je iets ? Ken jij haar? Spreken we nog eens af? Ik heb wel zin om nog eens te

.

Bv. Ik zag je net op straat aan het zebrapad. Ik stond achter een vrachtwagen. Naast je liep een vrouw met een puntige hoed. In haar kinderwagen lag een poesje te slapen. Ze zwaaide naar mij. Mag ik je iets vragen? Ken je haar? Spreken we nog eens af? Ik heb wel zin om nog eens te babbelen.

14

Thema 1 - les 14


les 5

Woorden net als veilig Lieve kleindochter, Goed dat jullie eindelijk veilig zijn aangekomen! Het zijn mooie eilanden, maar ze zijn moeilijk te bereiken. Ik ken ze. Oma en ik zijn er beiden vroeger ook geweest. Ik had me heilig voorgenomen er ooit terug naartoe te gaan. Daar is tot nu toe weinig van terechtgekomen. Eigenlijk ben ik heel jaloers op je. Zal ik naar je toe komen? Liefs, Opa

Spellingweter 13

1

Woorden met ei of ij

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. eindelijk

Na lang wachten waren we

veilig

Via het zebrapad steek je de straat

de eilanden

De Caraïben bestaan uit verschillende

ze bereiken

Na twee uur fietsen

bereiken

de wielrenners de meet.

beiden

Warre en Olivia zijn

beiden

jarig op 1 mei.

heilig

Ben jij een

weinig

Er leven nog maar

eigenlijk

Ik moest

de leiding

De burgemeester heeft de

de scheidsrechter

De voetballer kreeg van de

de leider

Tijdens het groepswerk is Noa de

leider

geheimzinnig

Vond jij dat de man met de hoed

geheimzinnig

scheiden

Bij dat recept moet je het eiwit van de dooier

ze eindigen

De optredens

de kleindochter

Elke maandag brengt opa zijn

aan de beurt.

eindelijk

over.

veilig

.

eilanden

boontje en doe je niets verkeerd?

heilig

panda’s in het wild.

weinig eigenlijk

eindigen

naar school, maar lig ziek in bed. leiding

over de gemeente. een rode kaart.

scheidsrechter  .

scheiden

deed?  .

om 22 uur. kleindochter

naar school.

Thema 2 - les 5

15


2

Vul de woorden aan met ei of ij en schrijf ze in de juiste kolom. Tip: gebruik een woordenboek als je twijfelt. de l ei ding – het onderw ij s – v ei lig – geh ei mzinnige – de woest ij n – het pal ei s –

ei ndigen – de vr

ei ndelijk – h ei lig –

dag – paardr ij den –

ij

de aardb ei

3

onderwijs

leiding

veilig

woestijn

geheimzinnige

eindelijk

vrijdag

heilig

paleis

paardrijden

eindigen

aardbei

a Schrijf het juiste woord met ei of ij onder de tekening. b Kleur: de ei-woorden. Die woorden moet je onthouden.

16

drijven

zeilboot

scheidsrechter

ijsjesverkoper

eilanden

spiegelei

Thema 2 - les 5


4

Vul het woord aan met ei of ij. Gebruik het in de zin. 1 de l ei der

De

het ontb ij t   Knijpt de

de boerder ij

De reiziger

geh ei mzinnige zijn

haar neus dicht op de

keizerin  ?

boerderij

3 hij ber ei kt

bereikt

bestemming.

geheimzinnige

Vul de zin aan met een woord met ei of ij. 1 De (s)

scheidsrechter

2 In Parijs hangt het (s)

van Mona Lisa.

schilderij

3 Sint-Nicolaas is een (h)

heilig(e)

4 Het is gezond om (w)

weinig

6 In de (v)

Ik twijfel.

fluit bij een overtreding.

5 Mijn ouders zijn uit elkaar, ze zijn (g)

6

.

ontbijt

2 de k ei zerin

5

van de scouts maakt het

leider

man.

suiker te eten.

.

gescheiden

zwemmen vijf eenden.

vijver

Fout? Verbeter.

Vul het verhaal aan. Kies uit:   genlijk – geh   mzinnig – w  nige – b  – pal  voorb   – De spin ziet de Ze is

eigenlijk weinige

bij

jaloers. Ze start een

“Pas wel op, want Eindelijk leiding

lig –

ndelijk

voorbij

haar web vliegen.

geheimzinnig

materiaal op de zolder van het

Gelukt! Ze heeft haar doel beiden

l   ding –

s – ber   kt – b  den – v

paleis

project met het  .

. Nu kunnen ze

bereikt

vliegen! veilig

vliegen is belangrijk”, zegt de bij.

is de grote dag aangebroken en vliegt de spin, onder van de bij, vrolijk rond.

Thema 2 - les 5

17


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

a Teken het ontwerp dat ervoor zorgt dat de spin uit oefening 6 kan vliegen. b Beschrijf hoe het werkt. Tip: deze woorden kunnen je helpen: zij duwt – kanonnen – ballonnen – paraplu – vleugels – rugzak – touw – kauwgom – papier

18

Thema 2 - les 5


les 10

Woorden net als hersenen, leeftijd en lastig(e)

1

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als kinderen, meubelen, tekenen

spellingweter 7

de hersenen

De

giechelen

Achteraan in de klas begonnen ze te

de anderen

Erwin was te laat, de

we verbeteren

We

zijn een belangrijk onderdeel van je lichaam.

hersenen

.

giechelen

waren op tijd.

anderen

de fouten die we maakten in het dictee.

verbeteren

woorden net als ei of ijs

spellingweter 13

de leeftijd

Mijn oma ziet er jong uit voor haar

tevoorschijn

Hij haalde zijn gsm

het medelijden

Ik heb

allerlei

In mijn boekentas zit er

.

leeftijd

om een foto te maken.

tevoorschijn

met die zieke kinderen.

medelijden

schoolmateriaal.

allerlei

woorden net als rustig(e)

spellingweter 11

lastig

Die hond viel de man

angstig

Ik was

aardige

De

prettig

We wensen je een

geweldige

Dit

angstig aardige

geweldige

lastig

.

bij het zien van die cobra. buurvrouw geeft mij vaak een snoepje. prettig

feest toe. liedje kan iedereen meezingen.

Thema 2 - les 10

19


2

Schrijf onder de tekening het samengestelde woord met ei of ij.

krokodilleneieren

tijdschrift

kookeiland

+s

rugpijn

3

afscheidskus

De trainers

de ploegopstelling.

veranderen

2 toveren

Kun jij een konijn uit een hoed

3 tekenen

Een architect moet duidelijke plannen

4 eieren

De kip legt elke dag twee

5 giechelen

6 kinderen

20

konijnenhok

Vul het woord aan met enen, elen of eren en schrijf het juist in de zin. 1 veranderen

4

De meisjes in de klas   Er zitten 21

?

toveren tekenen  .

eieren giechelen

kinderen

.

vaak.

in het vierde leerjaar.

Schrijf de afleiding van het woord met ig(e) op de juiste plaats in de zin. 1

pracht macht

De

machtige

koning heeft

2

grap jeugd

De

jeugdige

auteur schrijft een

3

som reus

Thema 2 - les 10

Sommige

bomen hebben

prachtige

grappig

reusachtige

kleren.

boek.

kruinen.


5

Vul aan. Schrijf het woord in de zin. 1

6

Ik twijfel.

ndigen

Wij

eindigen

2 verbet eren

We

verbeteren

3 last

ig

De oefening is

4 rav

ij

n

Val niet in het

ei

5 rek enen

Wij

6 str

De leeuwen

ij

den

laatst.

de fouten.

.

lastig

rekenen

.

de som uit.

ravijn

.

strijden

Fout? Verbeter.

Vul de tekst aan. Kies uit: schr  f – leeft

den – hev    land – w

Schrijf

– maalt

den – vervoermidd  – moed

n  – zonn

ste –

– dond  – reg

JE IN VOOR DE UITDAGING VAN JE LEVEN! In Expeditie Robinson gaan onbekende Vlamingen van verschillende

een

leeftijden

hevige

strijd aan met elkaar én de

natuur op een onbewoond

eiland

.

De weersomstandigheden kunnen verschillen: het kan

zijn, maar

zonnig

het kan ook

donderen/regenen

regenen/donderen Weinig

en

.

kandidaten kunnen wennen

aan een verblijf zonder maaltijden/vervoermiddelen vervoermiddelen/maaltijden

Wie kroont zich tot

,

en luxe.

moedigste

Robinson?

Thema 2 - les 10

21


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Bekijk de tekening en beschrijf de avonturentocht van het start- tot het eindpunt. Tip: gebruik de woorden uit dit thema.

START Bv. Ik ga op avonturentocht op een geheimzinnig eiland, wat spannend! Kinderen met een leeftijd vanaf acht jaar mogen mee op avontuur. Het is een lastige weg. Ik moet krokodillen ontwijken en het diepe ravijn oversteken via een smalle brug. Na de brug volgt een stuk woestijn. Tijdens mijn tocht door de woestijn, word ik gelukkig niet gebeten door giftige slangen. Eindelijk bereik ik veilig het eindpunt! Ik beklim de reusachtige bergen. Wanneer ik de top bereik, heb ik een prachtig uitzicht!

22

Thema 2 - les 10


les 14

Woorden net als beiden, doodsbang, ploeg en spannend

1

D

O

O

D

S

B

A

N

G

P

L

O

E

G

V

A

T

R

O

P

P

A

R

K

N

I

R

D

R

E

C

H

T

E

R

K

A

N

T

W

IJ

K

G

I

E

A

P

S

N

E

D

I

E

B

N

E

L

E

H

C

N

N

E

N

D

J

U

I

C

H

E

N

K

U

C

M

D

A

T

N

E

T

E

G

A

D

D

I

M

H

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als ei of ijs

spellingweter 13

beiden

Mijn ouders komen

de wijk

Ik woon wat verder in de

uit Italië.

beiden

.

wijk

woorden net als ring of bank

spellingweter 6

doodsbang

Ik ben

ik verdrink

Ik

de bevolking

De koning sprak de

voor bliksem en onweer.

doodsbang

niet als ik een reddingsvest draag.

verdrink

toe.

bevolking

woorden net als weg of lach

spellingweter 15

de ploeg

Papa gaat elke vrijdag voetballen met zijn

het middageten

We eten ons

de kuch

Met een

zij juichen

De supporters

giechelen

Tot ergernis van de meester blijven ze

middageten

.

ploeg

in de refter.

schraapte ze haar keel.

kuch juichen

bij elk doelpunt. giechelen

woorden net als hond of tent

.

spellingweter 23

spannend

Een

het rapport

Voor de vakantie krijgt elke leerling zijn

de achterkant

De korte inhoud van het boek staat op de

spannend

boek vind ik boeiend. rapport achterkant

.  .

Thema 2 - les 14

23


Volg de slang en vul aan met ng of nk. Schrijf het woord op.

d a ?

i o

n

de

dankbaar

k

i ?

a

bemanning

n r

3

a

?

b e

de

a

m

n n i b

2

koningin

a Vul het meervoud aan met d/t of g/ch. b Vul de zin aan met het woord. 1 het midda  eten

vijf midda g en

2 de fees  ten     veel fees   drie ten

t

Ik heb zin in

en De

.

middageten

staat in een wei.

feesttent

en

t

3 de glimla

ze la ch en Zijn

4 duizen

vele duizen d en Het kost

5 het vlie  vel     ze vlie g en

is mooi.

glimlach duizend

Ze landen op het

euro.  .

vliegveld

acht vel d en 6 ron  lopen

4

drie ron d en

rondlopen

.

Zoek het juiste woord en vul het in. 1 Met een (k)

voetbalploeg

2 Misdadigers in de (g) (t) 3 Op de (p) (v)

Thema 2 - les 14

(hoest) groet de (s)

kuch

voetbalveld) de (v)

24

Je mag hier niet

tijdschrift parking veilig

gevangenis

scheidsrechter

(een team van voetballers). (cel) lezen ook wel eens graag een

(boekje met artikels). (plaats waar je je auto parkeert) kun je (niet gevaarlijk) je auto achterlaten.

(leider op het


5

Vul de zinnen aan.

Ik twijfel.

1 Zij betaalt niet met munten, maar met de (b) 2 Ze zijn samen geboren. Het is een (t) 3 De (i)

4 Onze koning woont in het (p)

.

boeiend

heeft delen: armen, benen, buik ...

lichaam

in Brussel.

paleis

5 Ik vind het niet saai, ik vind het (b)

6

.

tweeling

van een brik melk is één liter.

inhoud

6 Mijn (l)

.

bankkaart

Fout? Verbeter.

Vul het verhaal aan met woorden met ei/ij, ng/nk, g/ch of d/t. Kies uit: la

en – vlu

– we

str

– hoof

pr

ndmeet – ein De haas moet de

s – we pun

– schil

– la

pa

– voetbalvel

zaam

wanneer hij

lachen

ziet kruipen.

schildpad

“Ik begrijp niet waarom jij ergens naartoe gaat”, zegt hij pesterig. “Als jij eindelijk aankomt, is het altijd te laat en is alles voorbij.” De schildpad lacht. “

ben ik niet”, zegt hij,

Vlug

“maar ik wed, dat ik eerder aan het

voetbalveld

Zullen we een

houden? Dan kun je het zien.”

wedstrijd

ben dan jij.

“Goed!” roept de haas. Hij springt recht en gaat op overtuigd dat hij de

,

weg

wint.

hoofdprijs

Bij de laatste bocht blijft hij even staan om te zien waar het

eindpunt

ligt.

Daar! En nog geen halve meter ervoor kruipt de schildpad, langzaam

dichter en dichter naar de

maar zeker, stap voor stap, eindmeet

.

Thema 2 - les 14

25


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Bekijk de tekeningen en schrijf op wat er fout liep voor de haas uit oefening 6. Tip: gebruik de woorden uit dit thema.

Bv. De haas doet een dutje in de wei en droomt van een eiland. Bv. De haas kijkt hoe een meisje en een geitje lijkbleek worden wanneer een wolf tevoorschijn komt. Ze blijven stokstijf staan. Bv. De haas snuffelt aan een geheimzinnig pakje. Bv. De haas schrikt van een man die aan het paardrijden is en valt bijna in een ravijn.

26

Thema 2 - les 14


les 5

Woorden net als gevaarlijk(e) LIJK

VRES

VAAR

E

E

GE

E

LACH

DAD

DER

LIJK

E

LIJK

E

E

WON

Spellingweter 12

LIJK

VRO SCHUW

LIJK

EER

MAKK

VRIEND

E

LIJK

LIJK E

1

LIJK

E

GE

LIJK

TUUR

LIJK E

LE

LIJK NA

BE

E

ON

LIJK AF

E

Woorden met (e)lijk(e)

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gevaarlijke

Een cobra is een

vrolijke

Dat zijn twee

wonderlijke

Wat een

afschuwelijk

In mijn droom werd ik achtervolgd door een

oneerlijk

Hij speelt vals, dat is

belachelijk

De schoenen van de clown waren

gemakkelijk

Deze les is

gemakkelijk

dadelijk

Haast je,

dadelijk

lelijke

Ken je het sprookje ‘Het

vriendelijke

De

vreselijke

Op het nieuws zie je soms

natuurlijk

Jan heeft

slang!

gevaarlijke

vrienden.

vrolijke

man is die Evert toch.

wonderlijke

vriendelijke

natuurlijk

dier.

afschuwelijk  !

oneerlijk

.

belachelijk  .

komt de bus! lelijke

eendje’?

man hield de deur open. vreselijke

gebeurtenissen.

weer een tien op zijn toets.

Thema 3 - les 5

27


2

Vul aan met (e)lijk(e). Bedek het woord en schrijf het volledig op.   1 heerlijke

een

heerlijke

taart

2 duidelijke

een

duidelijke

beschrijving

3 moeilijke

een

moeilijke

oefening

een

verschrikkelijk

ongeluk

een

ongelooflijk

verhaal

een

mogelijke

4 verschrikkelijk

5 ongelooflijk 6 mogelijke 7 eigenlijk

3

Ze bedoelt

oplossing

eigenlijk

Vul het juiste woord met (e)lijk(e) in.

Let op: Soms moet je ook verenkelen of verdubbelen.

1

kost hart

2

ongeloof smaak

het

ongelooflijke

3

koning gemak

het

koninklijk

4

pijn schrift

de

pijnlijke

val

5

zuid tijd

de

tijdelijke

opvang

6

huis smaak

7

daad wonder

Hij komt

8

oneer avontuurlijk

de

nee.

hartelijke

smakelijk

groeten

verhaal

paleis

eten

dadelijk

avontuurlijke

.

spin

Dit is ongelooflijk!

28

Thema 3 - les 5


4

5

Maak een woord met (e)lijk(e) en schrijf er een zin mee. 1 koning

Ik droom van bv. een verblijf in het koninklijk paleis.

2 wonder

Ik droom van bv. wonderlijke dingen in Snoepjesland.

3 gemak

Ik droom van bv. een gemakkelijk dictee tijdens de volgende les.

4 oneer

Ik had een nachtmerrie over bv. een oneerlijke tennisspeler tijdens de match.

5 vrees

Ik had een nachtmerrie over bv. een vreselijke reis door Afrika.

Vul de zin aan met een woord op (e)lijk(e). 1 Dat is een (gevaar) 2 (hart)

kruispunt.

gevaarlijk

4 IJsberen leven op de (noord) 5 Opa schrijft (sier)

letters.

sierlijke kostelijk

7 Dit geloof ik niet, het is (ongeloof )

pool.

noordelijke

6 Dit is duur, het is een (kost)

.

schriftelijk

ongelooflijk

Fout? Verbeter.

gefeliciteerd met je prijs.

Hartelijk

3 De oefening is (schrift)

6

Ik twijfel.

cadeau.

.

Beschrijf de drie dromen of nachtmerries. Gebruik zoveel mogelijk woorden net als heerlijk(e). 1

2

3

Auw!

1 bv. Ik droom van een huwelijk, waar iedereen vrolijk is. Dan maakt een gast een pijnlijke val. 2 bv. Ik droom van een gevaarlijke oversteekplaats voor de school. De jongen wrijft over zijn pijnlijke knie. Voor de duif was het dodelijk. 3 bv. Ik droom van een oneerlijke leerling die spiekt bij een moeilijke toets.

Thema 3 - les 5

29


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Waarover droom jij soms? Gebruik minstens drie van deze heerlijke woorden. aantrekk   – heer   – wonder   – dag   s – vriend   – eer   – ongeloof   – huw

30

Thema 3 - les 5


les 10

Werkwoorden (1) “Wat doet u?” vroeg ik de professor, die aan haar bureau zat. “Rennen”, mompelde ze, “duiken, vliegen, vallen, opstaan ... Ik onderzoek werkwoorden, maar hoe maak ik ze n doe overzichtelijk?” “Is dat niet te doen?” vroeg ik. “Dat is het: doen!” riep de professor uit. “Werkwoorden laten zien wat het onderwerp doet! Alleen zit ik dan nog met werkwoorden als hebben, kunnen en zullen, en zijn, worden en blijven. Die doen dat niet.” “Maar ze werken wel? Je kunt er zinnen mee maken?” vroeg ik. “Ja, natuurlijk!” lachte de professor. “Dan zijn het andere werkwoorden”, zei ik, om maar iets te zeggen. “Wacht eens, zo simpel is het! Er zijn werkwoorden die zeggen wat een onderwerp doet. En er zijn ... andere werkwoorden”, schaterde de professor. “Jij bent werkelijk geniaal!”

Taalweter 1 Taalweter 2 Taalweter 3 1

Waarom gebruik ik werkwoorden? Wat is een infinitief? Wat is een persoonsvorm?

Kleur: de werkwoorden. wij rusten

het zwembad jij komt

jij gaat de hond

ik antwoord

jullie vertellen de kip legt

ze willen de kinderen vragen ik schrijf

het nummer

blauw gelukkig

Jaap eet twintig

de zon schijnt Ella droomt

Thema 3 - les 10

31


2

Kleur: de infinitieven.

3

1

winnen

winnaar

won

wint

2

gehuil

huilen

huilt

huilde

3

missen

mist

gemis

misten

4

schreeuwt

schreeuwde

geschreeuw

schreeuwen

5

tovenaar

getover

toveren

tovert

6

giechel

giechelde

giechelen

gegiechel

7

ontmoette

ontmoeten

ontmoeting

ontmoet

a Maak een ja-neevraag. b Markeer: het onderwerp. c Onderstreep de persoonsvorm.

Jitte droomt van een nieuwe fiets.

Ja-neevraag: Droomt Jitte van een nieuwe fiets? 1 Dan rijden Jitte en papa naar het park. Ja-neevraag: Rijden Jitte en papa dan naar het park? 2 Jitte valt met haar fiets. Ja-neevraag: Valt Jitte met haar fiets? 3 Papa en mama brengen haar naar de dokter. Ja-neevraag: Brengen papa en mama haar naar de dokter? 4 De dokter verzorgt de wonden. Ja-neevraag: Verzorgt de dokter de wonden? 5 Hij kleeft een grote pleister op Jittes been. Ja-neevraag: Kleeft hij een grote pleister op Jittes been? 6 Gelukkig is het niet al te erg. Ja-neevraag: Is het gelukkig niet al te erg?

32

Thema 3 - les 10


4

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. Tip: stel een ja-neevraag. 1 Een kleine jongen kan niet slapen. 2 Hij roept zijn ouders die in de woonkamer zijn. 3 Zijn ouders willen hun zoon geen verhaal voorlezen. 4 Hij moet dan maar schaapjes tellen. 5 Al snel zitten de schapen rond zijn bed. 6 Hopelijk houden ze hem niet wakker!

5

a Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de infinitief. infinitief (Ik zal ...)

1 De scheidsrechter schorst die speler.

betekenis

schorsen

licht geven

gissen

tijdelijk iets verbieden

3 De sterren fonkelen aan de hemel.

fonkelen

klagen over iets

4 De meester sakkert over mijn twee op tien.

sakkeren

raden naar iets

2 Wout gist naar de uitkomst.

b Verbind de infinitief met de juiste betekenis.

6

Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de infinitief.

Ik twijfel.

infinitief (Ik zal ...)

1 Iman gaat op reis naar Spanje.

gaan

2 De hele familie reist mee.

reizen

zwemmen

4 Na de middag helpt Iman met de afwas.

helpen

5 Dat vindt ze niet zo leuk.

vinden

6 Samen wandelen ze ook in het bos.

wandelen

7 Daar geniet Iman van.

genieten

8 ’s Nachts droomt ze van haar reis.

dromen

3 Elke morgen zwemmen ze.

Fout? Verbeter.

Thema 3 - les 10

33


7

Luister goed. Noteer het onderwerp en de persoonsvorm.

onderwerp

Ik twijfel.

persoonsvorm

1

2

3

4

5

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

a Zoek het woord op (e)lijk(e) en vul de tekst aan. b Onderstreep de persoonsvormen. Een

aantrekkelijke

(erg mooie) vampier droomt van een lelijke

(niet mooi)

vrouw om mee te trouwen. Hij surft daarom naar de website “ Op die website kom je

Maar ze dromen wel van een

(niet gemakkelijk) mensen tegen.

moeilijke

Veel kandidaten wachten op een

(waaraan je dood kunt gaan) vampiers”.

dodelijke

afschuwelijk koninklijk

(met afschuw) aanzoek.

(als een koning)

huwelijk

(een trouw). c De vampier wordt op slag verliefd op de lelijke vrouw. Hij schrijft haar volgend bericht: Tip: de woorden kunnen je helpen. natuurlijk – eerlijk – onschadelijk – heerlijk – gevaarlijk – verschrikkelijk – eindelijk

34

Thema 3 - les 10


les 14

Werkwoorden (2) “Vroeger leerden we alles uit ons hoofd”, zei de professor. “Tegenwoordig vind je alles over werkwoorden op internet.” “Tijden veranderen”, zei ik eigenwijs. “Weer de spijker op de kop!” juichte de professor. “Werkwoorden kunnen van tijd veranderen. Ik kietel, wij kietelen onze neus: dat doen we nu. Ik kietelde, wij kietelden onze neus: dat is al gebeurd. Maar nu moet je me met rust laten. Ik moet dringend weer aan het werk met deze woorden.”

Taalweter 4 Taalweter 5 Taalweter 6

1

Wat is de tijd van een werkwoord? Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken: enkelvoud of meervoud? Wat is de stam?

a Onderstreep de persoonsvorm. b Omcirkel de juiste tijd: de tegenwoordige tijd (t.t.) of de verleden tijd (v.t.).

2

1 Elke avond droomde hij wel iets.

t.t./v.t.

2 Je droom duurt tien minuten.

t.t./v.t.

3 Hebben dromen een betekenis?

t.t./v.t.

4 De mensen raakten al snel geïnteresseerd in dromen.

t.t./v.t.

5 Vroeger dacht men dat het boodschappen waren.

t.t./v.t.

6 De betekenis blijft een groot mysterie.

t.t./v.t.

a Schrijf van elke infinitief de stam. Tip: denk aan de ik-vorm. b Kleur in de stam: de kijkletter. infinitief stam

infinitief stam

braden

braad

tekenen

teken

sluiten

sluit

trekken

trek

zwemmen

zwem

vinden

vind

spelen

speel

tennissen

tennis

Thema 3 - les 14

35


3

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Duid aan of de persoonsvorm in het enkelvoud of meervoud staat.

enkelvoud meervoud

1 De Droomfabriek was een populaire Vlaamse televisieshow.

x

2 De kijkers schreven brieven waarin ze hun droom beschreven.

3 Welke droom wil jij in vervulling zien gaan?

x

4 Ik ben blij als ik een poesje krijg.

x

5 Hopelijk vervullen mama en papa ook mijn droom.

4

x

x

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Schrijf de tijd van de persoonsvorm op (t.t. of v.t.).

5

Ik twijfel.

1 Daoud vertrekt naar de boerderij.

t.t.

2 Vannacht sliep hij niet door de zenuwen.

v.t.

3 Hij gaat met zijn vriend Yamin.

t.t.

4 Zijn ouders wensten hem een fijne tijd toe.

v.t.

5 Yamin en Daoud slapen samen op de kamer.

t.t.

Fout? Verbeter.

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Schrijf de infinitief en stam van de persoonsvorm op. 1 Janke hoort een vreemd geluid.

stam

horen

hoor

besluiten

beluit

3 Een hond zit vast in de bevroren vijver.

zitten

zit

4 Beeft het diertje van de schrik of de kou?

beven

beef

verwarmen

verwarm

2 Ze besluit de politie te verwittigen.

5 Gelukkig verwarmt Janke de hond.

36

infinitief

Thema 3 - les 14


6

Vul aan. Infinitief draaien 1

meppen

2

7

slapen

Stam

Persoonsvorm

draai

Ze

mep

Jullie mepten op de bal.

slaap

Ik

Tijd zich om.

draaien

v.t.

als een roos.

slaap

t.t.

t.t.

3

lezen

lees

Ik las een boek.

v.t.

4

studeren

studeer

We studeren elke avond.

t.t.

5

kijken

kijk

de politie rond.

Kijkt

Kruis aan of het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) is. Tip: stel een ja-neevraag.

Zo ziet de slaapcyclus eruit!

pv

geen pv

x

Tijdens je slaap doorloop je een paar stappen:

x

1 doezelen

Je bent nog wakker.

x

2 lichte slaap

Je droomt nog niet.

x

3 diepe slaap

Deze slaapfase duurt een uur.

x

4 remslaap

Er wordt in deze fase gedroomd.

Tijdens je slaap ga je vijf keer door die stadia.

x

Zo komt het dat je vijf dromen in een nacht hebt.

x

Je herinnert je niet altijd wat je droomde.

x

Met deze tips lukt het beter om je droom te onthouden:

x

1 Je moet je droom opschrijven van zodra je wakker wordt.

x

2 Ga in dezelfde houding liggen als wanneer je sliep.

x

x

3 Als je lang kunt uitslapen, dan duurt je droom ook langer

x

x

en heb je meer kans om hem te herinneren.

t.t.

Thema 3 - les 14

37


8

Luister goed. Schrijf de persoonsvorm, de infinitief en de stam op. persoonsvorm

infinitief

Ik twijfel.

stam

1

2

3

4

5

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw. Zitten

Infinitief

9

Stam

les 14

zitten

Speel het kwartetspel.

Werkwoordenkwartet stam:

Fietsen

Rennen

Spelregels kwartetspel

Infinitief

zit

zit

t.t.:

hij

v.t.:

wij

infinitief :

zit

t.t.:

hij

v.t.:

wij Stam

zaten

Infinitief

Stam Tege nwoo

zitten zit zaten

rdige tijd

1 Vul de kwartetkaarten aan.

Verleden

tijd

2 Knip de kaartjes uit. 3 Speel het spel. f ietsen – Maak groepjes van vier. les 14 – Verdeel alle kaarten. De kleinste speler begint. les 14 W er kw oo rd en kw – Als je aan de beurt bent, je aan iemand een kaart Werkwoordenkwartet artevraag t Rennen Rennen die je niet hebt: stam:

rennen f iets hi j zit

fiets

t.t.:

hij

v.t.:

wij

fietst

fietsten

stam:

infinitief: infiren nitief : fietsen

t.t.:

hij t.t.:

hij starent m:

v.t.:

wijv.t.:

wij v.trenden .: wij fietsten

Stam

stam: t.t.:

hij

v.t.:

wij

rent

t.t.:

hij

renden

v.t.:

wij

fietsen

stam:

ren

stam:

v.t.:

infinitief:

infinitief:

rent

t.t.:

hij

t.t.:

hij

rent

renden

v.t.:

wij

v.t.:

wij

renden

rennen rent

renden

Tegenwoordige tijd Tegenwoordige tijd

v.t.:

wij

fiets

wij

fietsten

f ietsten hijwij rent infin infinitief: itief: stam: stam:

v.t.: ren

infirent nitief : renden sta m:

infinitief:

v.t.:

rennen

infinitief: ren

wij

stam:

renden

v.t.:

wij

rennen infinitief: ren

renden t.t.:

infinitief:

rennen

2

L3 - Thema 3 - les

t.t.: hij wij

rennen fietsen renfiets renden fietst

hij

t.t.:

hij

rent

Thema 3 - les 14

- kopieerbl

ad 2

wij renden infinitief:

t.t.:

rennen ren

stam: hij

rent

L3 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 2

Verleden tijd

rennen

rent

L3 - Thema 3 - les

38

3 - les 14

14 - kopieerblad 2

ren

ren

zit

rennen

Verleden tijd

stam:

stam:

zitten

hij zit Verleden tijd

bv. Ik zoek de tegenwoordige tijd van het werkwoord rennen. Ik vraag: "Heb jij 'hij rent' voor mij?" – Als de speler die kaart heeft, geeft hij die aan jou. Je mag dan nog een kaart vragen aan hij ren dezelfde oft een andere speler. hij rent wij renden wij renden Als de speler de kaart niet heeft, is het de beurt aan de volgende speler. – Heb je een set van vier kaarten, dan roep je: “Kwartet!” Leg de vier kaarten op tafel. – Wie de meeste kwartetten heeft, wint het spel. stam:

wij zaten

L3 - Thema

ren

ren

hij

Stam

infinitief:

rennen

zit zaten

rennen

t.t.:

Tegenwoordige tijdden Verle tijd

hij f ietst

rennen

zitten

t.t.:

Tegenwoordige tijd

InfinitiefInfinitief

fietst

ren infinitief:

L3 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 2 14 - kopieerblad 2

1

1

1

3


les 5

Werkwoorden (3) “Hoeveel werkwoorden zijn er, denk je?” vroeg de professor. “Kijken, denken, schoppen, spreken ...,” begon ik, “eh ... veel.” “Precies! Te veel om op te noemen,” zei de professor, “maar ze zijn o zo belangrijk. Als ik zeg: Ik mijn neus, dan weet je niks. Snuit ik mijn neus, kietel ik mijn neus, verbrand ik mijn neus, verf ik mijn neus? En ze passen zich gemakkelijk aan: ik kietel, jij kietelt, wij kietelen of ik verf, jij verft, wij verven.” “Ze zijn onmisbaar”, zei ik voorzichtig. “Jij snapt het!” glunderde de professor. “Jij bent echt pienter!”

Spellingweter 31 Taalweter 6 Taalweter 7 Taalweter 8

1

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Wat is de stam? Wat is de uitgang? Wat betekenen 1e, 2e en 3de persoon van het werkwoord?

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 1 Ik kietel mijn neus.

4 Sara schopt tegen de bal.

2 Jij snapt het!

5 Verft hij je neus rood?

3 Wij kijken naar de professor.

6 Ze passen zich gemakkelijk aan.

c Vul de tabel aan. Onderwerp

Persoonsvorm

Stam

Uitgang

1

ik

kietel

kietel

2

jij

snapt

snap

+t

3

wij

kijken

kijk

+en

4

Sara

schopt

schop

+t

5

hij

verft

verf

+t

6

ze

passen

pas

+en

Thema 4 - les 5

39


2

a Kleur: de stam. de uitgang.

Frauke tekent jij droomt

we wensen Tom antwoordt

jullie vliegen

ik lig

ze logeert

ik slaap zij dansen

ik speel jij tovert

jij rekent

b Schrijf het onderwerp met de persoonsvorm in de juiste kolom. 1e persoon enkelvoud

2e persoon enkelvoud

3e persoon enkelvoud

1e/2e/3e persoon meervoud

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

MAAR ... jij/je na pv: STAM

3

ik lig

jij droomt

Frauke tekent

we wensen

ik slaap

jij rekent

Tom antwoordt

jullie vliegen

ik speel

jij tovert

zij dansen

ze logeert

a Markeer in elke zin: het juiste onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm.

40

1

Ik

Hij

Wij

2

Ik

Jij

Jullie

3

We

Ze

Lou en Jack

4

Ik

Ellie

We

5

Ik

Mama

Thema 4 - les 5

Ik twijfel.

springen op een springkasteel.

genieten van de zon.

schudt me wakker.

vraagt de oplossing aan mij.

Mama en papa bloos door die zoen.

Fout? Verbeter.


4

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 1 De meester vertelt de geschiedenis van de telefoon. 2 Kennen jullie die? 3 De telefoon wordt toegeschreven aan Alexander Graham Bell. 4 Maar Antonio Meucci is de echte uitvinder van de telefoon. 5 Vanaf 1980 werken uitvinders aan de gsm. c Schrijf het nummer van de zin in de juiste kolom. 1e persoon enkelvoud

2e persoon enkelvoud

3e persoon enkelvoud

1e/2e/3e persoon meervoud

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

MAAR ... jij/je na pv: STAM

5

1, 3, 4

2, 5

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. Ik breng de professor een bezoekje. Ook mijn vriend komt mee. De professor onderzoekt niet alleen werkwoorden. Ze bouwt ook machines zoals een tijdmachine. Dat vinden wij erg interessant! Ik droom van een uitstap naar de dino’s. c Vul het vervolg van het verhaal aan met een passend onderwerp. Kies uit: Noah en ik – ik – de professor – we – hij – ik – het Noah en ik/We

jaartal in. Ik vraag Noah of

stappen in de tijdmachine. hij

ik

mijn ogen toe. Plots lijkt

Ik

hoor een luide knal!

De professor

tikt het

het ook spannend vindt. Van angst knijp het We/Noah en ik

alsof de grond beeft. openen onze ogen en ...

Thema 4 - les 5

41


6

Luister goed. Schrijf onderwerp, persoonsvorm, stam en uitgang.

onderwerp + persoonsvorm

stam

uitgang

1

+

2

+

3

+

4

+

5

+

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

7

a Schrijf in zes zinnen een vervolg op het verhaal van oefening 5. We openen onze ogen en ... 1 2 3 4 5 6 b Markeer in elke zin: het onderwerp. c Onderstreep in elke zin de persoonsvorm.

42

Ik twijfel.

Thema 4 - les 5


les 10

Werkwoorden (4) “Hebbes!” roept de professor. “Ik ken een zin met zes keer hetzelfde woord na elkaar. Noem jij eens een vliegend dier.” “Een vogel”, zeg ik, want zoals je weet, ben ik de domste niet. “Goed geantwoord”, vindt de professor. “Noem een ander vliegend dier dat bekend is.” “Een vlinder”, verzin ik. “Prima”, constateert de professor. “Lees nu de volgende zin.” Ik lees: “Als achter vogels vlinders vliegen, vliegen vlinders vogels achterna.” “Juist,” knikt de professor, “maar wie ook kunnen vliegen, zijn ... vliegen. Nu verander ik ‘vogels’ in ‘vliegen’ en van ‘vlinders’ maak ik ook ‘vliegen’. Haha, lees jij de zin nu nog maar eens.” Ik moet even slikken: “Als achter vliegen vliegen vliegen, vliegen vliegen vliegen achterna.”

Spellingweter 31

1

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.

a Markeer het onderwerp geel en vervoeg het werkwoord.

Is het een pv?

b Kruis de juiste plaats in het werkwoordschema aan. ja

nee

Zoek het onderwerp en de pv. Tegenwoordige tijd (t.t.) 1 kennen 2 verzinnen 3 antwoorden 4 zeggen

1

1e pers. enkelv.

2e pers. enkelv.

3e pers. enkelv.

1e/2e/3e pers. mv.

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

MAAR ... jij/je na pv: STAM

jullie

Kennen

Schrijf wat je hoort. Vergeet de spelling­ weters niet. Hoor je d/t achteraan? Verleng.

x

een dier dat vliegt? 2 Ik dier.

een

verzin

x

3 Heb je juist geantwoord

x  ?

4 Een andere leerling zegt

x

het

antwoord. Thema 4 - les 10

43


2

Kruis aan of het onderstreepte woord een persoonsvorm is of niet.

pv

1 In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit.

3

geen pv

x

2 Die oorlog heeft vier jaar geduurd.

x

3 Tijdens de wereldoorlog zijn veel mensen gevlucht.

x

4 Tien miljoen soldaten sterven door de oorlog.

x

5 In 1940 begint de Tweede Wereldoorlog.

x

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. c Omcirkel de juiste tijd: de tegenwoordige tijd (t.t.) of de verleden tijd (v.t.).

4

1 De wereldoorlogen waren verschrikkelijk.

t.t./v.t.

2 Het leven tijdens een oorlog is duur.

t.t./v.t.

3 Vaak lijden mensen honger.

t.t./v.t.

4 Soms werden de kinderen daarom elders grootgebracht.

t.t./v.t.

5 Ze kwamen dan in een pleeggezin terecht.

t.t./v.t.

a Markeer in elke zin:

Is het een pv?

b Onderstreep telkens de persoonsvorm.

ja

c Kruis de juiste plaats in het werkwoordschema aan.

Zoek het onderwerp en de pv.

het onderwerp.

1e pers. enkelv.

2e pers. enkelv.

3e pers. enkelv.

1e/2e/3e pers. mv.

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

MAAR ... jij/je na pv: STAM 1 Ik luister naar mijn overgrootmoeder.

x

2 Ze vertelt vaak over de oorlog. 3 Kinderen hebben nu meer dan toen.

x

4 We moeten eigenlijk blij zijn.

x

5 Vind jij dat ook?

44

x

Thema 4 - les 10

x


5

a Vervoeg het werkwoord en schrijf het in de zin. b Kruis de juiste plaats in het werkwoordschema aan. Tip: vervang bij twijfel het werkwoord door werken of spelen.

Is het een pv?

ja

nee

Zoek het onderwerp en de pv. Tegenwoordige tijd (t.t.) 1 2 3 4 5

kennen houden moeten vinden voelen

1e pers. enkelv.

2e pers. enkelv.

3e pers. enkelv.

1e/2e/3e pers. mv.

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

MAAR ... jij/je na pv: STAM

1

jij het verhaal van Anne Frank?

2

houdt Ze tijdens WO II een dagboek bij.

3

Zij en haar familie

Ken

Schrijf wat je hoort. Vergeet de spelling­­ weters niet. Hoor je d/t achteraan? Verleng.

x

x

x

moeten

onderduiken.

6

4

vind Ik dagboek droevig.

5

voel Hoe je daarbij?

haar

x

jij

x

Vul de tekst aan. Tip: gebruik het werkwoordschema. 1 zeggen

Ik twijfel. Fout? Verbeter.

Mijn oma

2 worden   “Het leven 3 kosten

Twee taarten

4 houden  Ze 5 gaan

Maar ze

5 lopen

Papa en ik

6 hebben  Nu

zegt

soms:

wordt

duurder.

kosten

van taarten.

houdt gaat lopen heb

bijna 30 euro.”

niet graag in de rij staan. naar de bakker. ik ook zin in taart!

Thema 4 - les 10

45


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Gooi met de dobbelsteen en lees het onderwerp. Trek een kaartje met een werkwoord. Vervoeg het werkwoord met het onderwerp. Schrijf op. 1 2 3 4 5 6

46

ik ... jij ... hij ... de leerling ... wij ... ... jij

worp 1

worp 2

worp 3

worp 4

worp 5

worp 6

Thema 4 - les 10


les 14

Werkwoorden (5) Ik bezoek de professor. “Mijn opa klaagt wel eens over de tegenwoordige tijd”, zeg ik. De professor houdt op met in de microscoop te turen en fronst haar voorhoofd. “Nou ja, zeg!” moppert ze boos. “Wat een onzin! De tegenwoordige tijd is enorm gemakkelijk, dat vind jij ook.” “Eh, professor ...”, probeer ik haar te onderbreken. “Na ‘ik’ komt de stam, bij ‘jij’ en ‘hij’ en ‘zij’ komt er een ‘t’ bij. En bij ‘wij’ en ‘jullie’ schrijf je het hele werkwoord.” “Maak u niet druk, professor”, zeg ik. “Met de tegenwoordige tijd bedoelt mijn opa de tijd waarin wij leven.”

Spellingweter 31

1

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.

a Vul de zinnen aan. b Schrijf het nummer van de zin op de juiste plaats in het schema. 1 brengen

De postbode

brengt

elke dag de krant.

2 snijden

Maïté en Sam

snijden

het fruit.

3 rekenen

Jij

rekent

4 vinden

Ik

vind

5 schillen

6 ontdekken

Columbus heeft in 1492 Amerika

een beetje te vlug. dit een lekkere rijsttaart. jij de aardappelen?

Schil

.

ontdekt

Is het een pv?

ja

nee

Zoek het onderwerp en de pv.

Tegenwoordige tijd

Schrijf wat je hoort.

1e persoon enkelvoud

2e persoon enkelvoud

3e persoon enkelvoud

1e/2e/3e persoon meervoud

Vergeet de spelling­ weters niet.

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

Hoor je d/t achteraan? Verleng.

MAAR ... jij/je na pv: STAM

4

3, 5

1

2

6

Thema 4 - les 14

47


2

a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Schrijf het werkwoord in de zin. Gebruik het werkwoordschema. 1 leven

Hallo, ik

2 zullen

Zal over het leven op school?

ik wat meer vertellen

3 gaan

Op zaterdagvoormiddag naar school.

gaan

4 hebben

Wij

hebben

5 krijgen

Je

krijgt

6 zitten

In elke schoolbank

7 krijgen

De meisjes

8 turnen

Jongens

9 mogen

Je

antwoorden

11 zijn

Ik

12 werken

In de zomer

13 zijn goedkeuren

48

krijgen

straf verwachten

niet verplicht om naar school te gaan. werk

Wat

de wet van de leerplicht

is

goedgekeurd

15 hebben

ik mee op het veld en

ik dus niet naar school.

ga

Kinderen

.

geantwoord

jij liever de lessen van nu of van vroeger?

In 1914

lessen in breien en naaien. vaak op de speelplaats.

turnen

ben

een pot met inkt.

zit

Volg

14 moeten

Thema 4 - les 14

een griffel en een lei.

als je verkeerd hebt

de meeste leerlingen ook

geen pennen of schriften.

mag

10 volgen

gaan

in de twintigste eeuw.

leef

Let op: De werkwoorden hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen volgen het werkwoordschema niet. Bij die werkwoorden schrijf je wat je hoort.

moeten heb

.

nu van 6 tot 18 jaar verplicht leren. jij geluk!


3

Schrijf het werkwoord in de zin. Tip: gebruik het werkwoordschema.

Ik twijfel. Fout? Verbeter.

1 straffen

Vroeger werd een leerling veel

2 hangen

Deze poster

3 luisteren

Tina

4 worden

Zij

5 peuteren

Els en Bart

6 belanden

Neuskurken

7 schrijven

Fouten

8 pletten

Dan word je achter het bord

9 spieken

Ik

spiek

bij mijn buur.

10 worden

Ik

word

aan de lamp gehangen.

11 bestaan

Gelukkig

die straffen niet.

12 vinden

vindt   Je ze in De verschrikkelijke schoolmeester van Dolf Verroen.

13 gebruiken

In dat boek vreselijke straffen.

de schoolmeester

14 schrikken

Leerlingen

van de meester.

15 hopen

Ik

16 weten

Anders

gestraft

in de klas.

hangt

opgesloten in de kooi.

in hun neus.

belanden

bestaan

gebruikt

schrikken hoop weet

peuteren

schrijven

niet naar de meester.

luistert wordt

.

in hun neus.

mag niet. geplet

.

dat jouw meester liever is.

je wat er komt!

Uit: De verschrikkelijke schoolmeester, Dolf Verroen, Uitgeverij Leopold, 2003 Thema 4 - les 14

49


4

Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

5

a Bedenk vijf kenmerken van de school van de toekomst.

1 De juf bv. vertelt een verhaal met een virtueel scherm. 2 De meester bv. geeft les in een klas met zwevende stoelen. 3 De leerlingen bv. vliegen in een bus naar het zwembad. 4 De directeur bv. bekijkt de school vanop zijn monitor. 5 De speelplaats bv. ligt er maar verlaten bij. b Onderstreep de persoonsvorm en markeer: het onderwerp.

50

Ik twijfel.

Thema 4 - les 14


les 5

Woorden net als apen kopen dure kleren

Spellingweter 25

1

Zo moet je verenkelen.

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de begrafenis

Tijdens een

geschreven

Ik heb geen enkele fout

opgegeten

De wolf heeft de zeven geitjes

de krokodil

De grootste

de vuurtoren

Kun jij de lichtflitsen van de

meegenomen

Heb jij je tandenborstel

ze veroveren

De ridders

het huwelijk

Het bruidspaar vierde na het

de juwelen

De bruid droeg dure

het publiek

Het

de supermarkt

Hoeveel keer per week ga jij naar de

het fototoestel

Gebruik jij nog een

staren

Door naar de bladzijde te

moet ik altijd huilen.

begrafenis

.

opgegeten

meet ongeveer 8,25 meter.

krokodil

zien?

vuurtoren  ?

meegenomen

het kasteel.

veroveren

publiek

.

geschreven

nog lang feest.

huwelijk juwelen

van goud.

gaf de violist een warm applaus. supermarkt

fototoestel staren

?

of maak je foto’s met je gsm?  , leer je weinig.

Thema 5 - les 5

51


2

Schrijf bij elke stam de infinitief. Tip: splits in klankgroepen en kleur de lange klank op het einde van een klankgroep rood. stam infinitief (ik ...) (ik zal ...)

stam infinitief (ik ...) (ik zal ...)

vergeet

vergeten

probeer

proberen

verraad

verraden

boetseer

boetseren

verkoop

verkopen

speel

betaal

3

spelen

antwoord

betalen

antwoorden

a Vul de ontbrekende letters in. Tip: splits in klankgroepen en kleur de lange klank op het einde van een klankgroep rood. a of aa

o of oo

e of ee

brut a le

de pr o fess o r

de juw e l e n

st a ren

het

de t e mp e ratuur

o

verstr oo mt

b Schrijf de woorden uit oefening 3a in de juiste zin. 1 Help! Loes heeft de kraan niet uitgedraaid. De badkamer overstroomt

.

2

Help! De

brutale

staren dieven naar mijn kostbare

Help! Door de stijgende temperatuur smelt mijn ijsje.

juwelen

4

3

Help! Het laboratorium van de

52

Thema 5 - les 5

professor is ontploft.

!


4

Vul de zin aan.

Ik twijfel. Fout? Verbeter.

1 Aan de kassa moet ik 53 euro (b) 2 Voor oma maak ik een (t) 3 Mama (t)

telefoneert

4 In die (s)

slaapkamer

5 Een (d)

5

.

betalen tekening

dromedaris

met potlood.

naar school, want ik ben ziek.

staat een stapelbed.

heeft één bult, een kameel twee.

a Onderstreep de woorden waarin je moet verenkelen. b Kleur: de lange klank op het einde van een klankgroep. Help! Kun je spelling oefenen op een leuke manier? Dat is supereenvoudig! Schrijf de topwoorden met je wijsvinger op de rug van je partner. Die moet het woord raden en noteren op een blad. Probeer zoveel mogelijk woorden te zoeken en juist te schrijven. Wissel regelmatig. Dat vinden jullie zeker leuk!

6

Wat kun je doen tijdens de vakantie? Schrijf een of meer zinnen bij elke afbeelding. Denk aan verenkelen.

bv. Op een warme zomerdag kun je

bv. Je kunt een kamp van lakens

gaan zwemmen en een opblaasbare

bouwen in de slaapkamer.

krokodil meenemen.

bv. Je kunt brieven sturen.

bv. Je kunt je ook verkleden.

bv. Je kunt postzegels kleven of

bv. Je kunt een waterijsje eten.

verzamelen.

bv. Je kunt je vervelen. Thema 5 - les 5

53


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Los de raadsels op.

?? ?

1 Wat doe ik?

Dit doe ik met een cadeau als ik ongeduldig ben: ik scheur snel het inpakpapier eraf om te zien wat erin zit. Dit doe ik: O

P

2

?? ? In de tijd van de ridders zag je geen Wat zijn wij?

paleizen. De gebouwen die je zoekt, hebben zware muren en poorten om het volk te beschermen tegen vijanden. Dit zijn wij:

E

N

M

A

K

E

N

K

A

S

T

E

3 Wie zijn wij? We werken op een schip en zijn niet de kapitein. Aan boord moeten we allerlei klusjes opknappen om het schip netjes te houden. Vroeger herkende je ons aan onze blauw en wit gestreepte kleding. Dit zijn wij: M

54

A

Thema 5 - les 5

T

R

O

Z

E

N

L

E

N

?? ?


les 10

Woorden net als vette vissen zonnen tussen kwallen schro-kken-ge

ste

mmie-mu na

e t-rrie-m h c

-b n ne i-n

sto ffig-

le-aan-

n-wo

ge-nne

ggen

ge-a

an-v

der-on-ssen-tu

Spellingweter 25

1

a-lle

n

Zo moet je verdubbelen.

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. aangevallen

De zebra werd

verstoppertje

Op de speelplaats spelen we vaak

het rapport

Voor we naar huis gingen, gaf de meester het

aanleggen

De burgemeester wil nieuwe fietspaden

de bestemming

De

de nachtmerrie

Ik heb vreselijk geslapen door die

het binnenste

In het

geschrokken

Ik was

gewonnen

De Rode Duivels hebben de wedstrijd

stoffige

Op die

de raketten

De

de mummie

De archeologen ontdekken de

ondertussen

Hij keek tv tijdens het koken,

de sukkel

Die

door een tijger.

aangevallen

.

nachtmerrie

van die enorme spin.

geschrokken

sukkel

.

aanleggen

van een pruim vind je een pit.

binnenste

raketten

.

rapport

van die busreis is Parijs.

bestemming

stoffige

.

verstoppertje

gewonnen

.

zolder moet er eens goed gepoest worden. worden in de ruimte gelanceerd. mummie

van Toetanchamon.

ondertussen

brandde het eten aan.

laat steeds iets vallen.

Thema 5 - les 10

55


2

3

4

Schrijf in het meervoud. Tip: luister goed naar de laatste klank van elke klankgroep. 1 een prinses

twee

2 een matras

tien

3 een zeemeermin

vijf

4 een hangmat

tien

hangmatten

5 een schoolbord

twee

schoolborden

6 een spinnenweb

veel

7 een toestel

twintig

toestellen

8 een winkelkar

honderd

winkelkarren

prinsessen matrassen zeemeerminnen

spinnenwebben

Vul het woord aan en schrijf het over. 1 vriendi nn en

beste

2 verschi ll ende

verschillende

3 bi bb eren

4 ontsna pp en

de boeven

5 ma kk elijke

een

makkelijke

6 boodscha pp en

zware

boodschappen

7 insta pp en

de bus

8 zo nn ebloem

een grote

vriendinnen

van angst

bibberen

ontsnappen

opdracht

instappen zonnebloem

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

1 Een enge droom noem je een (n) 2 De boeren en (b)

4 De (d)

vertrekken

Thema 5 - les 10

om 7 uur.

dansen in een tutu.

5 Ik woon niet in een huis, maar in een (a)

7 Elke ochtend drink ik een kopje (k)

melken de koeien.

danseressen

6 Ons alfabet bestaat uit 26 (l)

.

nachtmerrie

boerinnen

3 Wees op tijd, de bussen (v)

56

kleuren

.

appartement

letters koffie

.

.

Fout? Verbeter.


5

De blauwe woorden staan in de verkeerde zin. a Schrijf het juiste woord achter de zin. b Maak van de zin een ja-neevraag. 1 De verschillende oppassers verliezen hun prijs.

winnaars

Verliezen de verschillende winnaars hun prijs? 2 De leeuwinnen en kikkers blussen het vuur.

brandweermannen

Blussen de brandweermannen het vuur? 3 De winnaars letten op de wilde dieren.

oppassers

Letten de oppassers op de wilde dieren? 4 De brandweermannen brullen in de dierentuin.

leeuwinnen en kikkers

Brullen de leeuwinnen en kikkers in de dierentuin?

6

Vul de tekst aan. Kies uit: de muntstu   en – de pa   enkoe   en – de boodscha   en – de broekza   en – uitpa   en – de su   el – le   er – de ke   ing – ba   en – de ka   a – wa   en – de re   en Ik heb zin in Eerst moet ik de

met suiker. Ik vind dat heel

pannenkoeken

broekzakken

Wat ben ik toch een

en ga naar de

kassa

! De sukkel

.

doen. Ik haal bloem, eieren, suiker en melk uit

boodschappen rekken

lekker

muntstukken

. Oh help, gaten in mijn

rollen alle kanten op.

!

Ik kan eindelijk op weg naar huis. Oh nee, de ketting

valt van mijn fiets!

Met zwarte handen kom ik thuis aan. Eerst handen wassen uitpakken bakken

, dan de boodschappen

en dan ... pannenkoeken  . Wat heb ik een honger!

Thema 5 - les 10

57


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Los het kruiswoordraadsel op. Van links naar rechts:

Van boven naar beneden:

1 2 3 4 5

8 De sterren schi... aan de hemel. 9 Mu... zijn vervelende insecten. 10 Met dit fo... maak je mooie foto’s.

Leven ijs... op de zuidpool? Een timmerman heeft spijkers en een ha... Het was lekker, ik heb alles opge... Een rekenraadsel opl... vind ik moeilijk. De brand... 8 blussen het vuur. 1 ij s b e 6 De deuren van 9 c de bus gaan open: inst... 2 h a m allemaal. i u 7 De over... halen de kluis van de t g bank leeg.

5

b

r

e

n

10

f e

r

3

o

4

o

g

t

e

e

o

a

n

g

e

g

e

t

e

p

l

o

s

s

e

n

r

m

a

n

n

e

n

a

p

p

e

n

l

e

r

s

t

t

r

p

d

w

e

e

e s

n

6

i

n

s

t e

7

58

Thema 5 - les 10

o

v

e

r

v

a

l

n


les 14

Woorden net als vissen en apen Dennis is met zijn ouders gezellig een dagje op stap, als hij een paar waterputten ziet. Eén put is ondiep. Dennis houdt van avonturen én van grapjes. “Help! Help!” horen zijn ouders, die hun telefoons staan te bestuderen. Ze zien hoe de vingers van Dennis zich nog net aan de rand van de put vastklampen. Ze snappen dat Dennis in de problemen zit en rennen naar de put. Daarin zien ze hun zoon met een supergrote glimlach op zijn hurken zitten. Zijn vader moppert en kapt dan zijn waterflesje uit op het hoofd van Dennis. “Hé!” roept Dennis. “Wat doe je nu?” “Ik dacht: ik vul dat ding”, grijnst zijn vader. “Het is tenslotte een waterput.”

Spellingweter 25

1

Verdubbelen of verenkelen?

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gezellig

Die zomeravond met de familie was

de waterputten

De

de avonturen

We beleefden tijdens de vakantie veel

de telefoon

Mijn mobiele

ze bestuderen

De professoren

de problemen

De

supergrote

Sultan Kösen is een

de pannenkoek

We aten deze middag een

zij moppert

De oude vrouw

het waterflesje

De kleuters drinken water uit een

tenslotte

Je vergissen is

ondersteboven

Het glas stond

de boterhammen

In mijn brooddoos zitten drie

boterhammen

de sterretjes

Duizenden

schitteren aan de hemel.

.

gezellig

staan droog door de hitte.

waterputten

.

avonturen

staat tijdens de film op stil.

telefoon

de dieren.

bestuderen

werden onmiddellijk opgelost.

problemen

man.

supergrote

elke dag over de buren.

moppert

waterflesje

.

menselijk.

tenslotte ondersteboven

sterretjes

met suiker.

pannenkoek

op tafel.  .

Thema 5 - les 14

59


2

Kleur het vakje zodat je een juist woord krijgt. Schrijf het woord over. Tip: Verdeel het woord in klankgroepen. Luister naar de laatste klank: verenkel of verdubbel je? de

o

hij hu

oo verva p

de temp

pp e e

de badja de be

3

s

ll a

ers

overvallers

de

huppelde

aa tuur temperatuur

oo ven

ondersteboven

ss en ss te m

badjassen mm ing

bestemming

Schrijf het juiste woord onder de tekening.

4

s

ll

l

ee r o

ondersteb

l

spinnenwebben

krokodillen

Vul de zin aan.

4 De (o) 5 Het is een (v)

gestolen

.

op voor het feest.

ballonnen ontploffing

?

marsmannetjes

2 De dieven hebben mijn auto (g) 3 Ik blaas de (b)

boomstammen

Ik twijfel.

1 Heten ruimtewezens van Mars (m)

5

van die bom was heel luid.

. Ik maakte een fout.

vergissing

Schrijf de zin juist over zonder vlekken. 1 De d   tum van vand   g is vrijdag dertien okt  ber. De datum van vandaag is vrijdag dertien oktober. 2 Nadat ze haar been ge   r    ken had, liep ze vier w   ken met kru  en. Nadat ze haar been gebroken had, liep ze vier weken met krukken.

60

Thema 5 - les 14

Fout? Verbeter.


6

Hoe kun je hulp bieden? Vul de tekst aan. de volwa  e   e – insch   kelt – de noodge  a   en – de p   litie – de t  l   foon – de onge  a   en – verte  en Wat moet je doen bij een ongeluk? Zorg er steeds voor dat je hulp Waarschuw altijd een de

bij

inschakelt

of bel 112. Zeg eerst je naam aan

volwassene  . Daarna kun je

telefoon

.

noodgevallen

of je de

vertellen

, de brandweer of een ziekenwagen nodig hebt.

politie

Wil je zelf hulp bieden, dan moet je een aantal zaken weten. Het Rode Kruis organiseert een cursus EHBO voor kinderen. EHBO staat voor ‘eerste hulp bij

7

ongevallen

Kijk goed naar de tekening en vul de tekst aan.

’.

Zo help jij bij (o)

ongevallen

Wat te doen bij een bloedneus? Buig het hoofd (v)

. Knijp

voorover

de neus vijf (m)

dicht.

minuten

Wat te doen bij een schaaf(w)wonde Was eerst je (h) met (w)

?  . Spoel de wonde

handen

. Dek af met een pleister.

water

Wat te doen bij een brandwonde? Koel de wonde tien minuten onder lauw (w) Let op de (t)

water

.

: niet te warm, niet te koud!

temperatuur

Wat te doen bij een verstuiking? Laat het lichaamsdeel niet (b) Koel met een koelzakje of met (ij)

bewegen ijsblokjes

.  .

Thema 5 - les 14

61


8

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

9

Er gebeuren verschillende ongelukken. Help het meisje telefoneren naar de hulpdiensten. Deze woorden kunnen je helpen: ge  a   en – opbe  en – de zie  enw   gen – uitge  l   den – aange  a  en

bv. Hallo, ik ben Linn. Ik wil jullie opbellen omdat hier verschillende ongelukken gebeuren. De postbode wordt aangevallen door een hond. De schilder is van de ladder gevallen en een mevrouw is uitgegleden over een bananenschil. Kunnen jullie drie ziekenwagens sturen?

62

Thema 5 - les 14


les 5

Woorden net als handdoek, veearts, goochelaar en villa

1

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als handdoek

spellingweter 9

de handdoeken

Vergeet de

de bankkaart

Mama betaalt met de

de blinddoek

Moet je bij dat spelletje een

het vissersschip

Het

sneeuwwit

Zijn T-shirt is nu nog

niet mee te nemen naar het strand.

handdoeken

.

bankkaart

aandoen?

blinddoek

kwam om acht uur aan in de haven.

vissersschip

.

sneeuwwit

woorden net als meegaan

spellingweter 20

de veearts

De

de zeemeerminnen

Zwemmen er

onderzocht de geiten.

veearts

zeemeerminnen

in de zee?

woorden net als goochelen de goochelaar

De

ontgoocheld

Axel was erg

zij verloochenen

Zij

spellingweter 22 tovert een konijn uit zijn hoed

goochelaar ontgoocheld verloochenen

toen hij het cadeau uitpakte.

dat zij iets fout hebben gedaan.

woorden net als ga, zo of nu

spellingweter 21

de villa

Woon jij in een

het programma

Volgens het

de lotto

Heeft er iemand de hoofdprijs van de

villa programma

met een zwembad? is er een pauze om tien uur. lotto

gewonnen?

Thema 6 - les 5

63


2

Schrijf het juiste woord onder de tekening.

3

handdoek

foto

goochelhoed

Sneeuwwitje

a Kleur: de woorden op a, o of u. de woorden op ee. de woorden met ooch. de samenstellingen met een dubbele medeklinker. b Rangschik de woorden alfabetisch. papa

programma

nagellak

fietsslot

fietsslot

2

goochelen

3

nagellak

4

papa

5

programma

6

tweeling

goocheltruc

veearts

vannacht

goochelaar

vissersschip

1

goochelaar

2

goocheltruc

3

vannacht

4

veearts

5

villa

6

vissersschip

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

1 Voor het getal negentien komt (a)

3 Hip hip (h) 4 Afval moet je (w)

.

tweeling

weggelopen

meespelen

hoofddoek

in de vuilbak.

weggooien

6 Nadia is moslim, ze draagt een (h)

Thema 6 - les 5

, gefeliciteerd!

hoera

5 Help, mijn poes is (w)

7 Mag ik (m)

.

achttien

2 Mijn zus en ik zijn even oud, we zijn een (t)

64

tweeling

1

villa

4

goochelen

. Ze is vermist.  .

met dat spelletje?

Fout? Verbeter.


5

Sommige letters zijn verstopt. Schrijf de zin juist op. 1 De g  chelaar g  chelt een dwer  eitje uit zijn g  chelhoed. De goochelaar goochelt een dwerggeitje uit zijn goochelhoed. 2 Va  acht zag de z  man een z  meermin. Vannacht zag de zeeman een zeemeermin. 3 Het was mui  til toen de turner een salt  maakte. Het was muisstil toen de turner een salto maakte. 4 Het visser  chip is teru  evonden op de z  bodem. Het vissersschip is teruggevonden op de zeebodem.

6

Vul de tekst aan. Kies uit: de ban   aart – m   doen – de spor   as – de kass   – m   nemen – de tenni   choenen – de mam   –   de g   chelaar – het temp   – tw   de – tw   – kleu   ijke In 2017 stond het wereldrecord dubbelspel tennis op 62 uur. Kun jij het verbreken? Zoek drie vrienden die willen Wat moet je

?

meenemen

Een tennisracket, een paar

!

meedoen

en een flink gevulde

tennisschoenen

met drank en voeding. Een

sporttas

mama

die je

tussendoor helpt, komt ook van pas. Laat mensen een kaartje kopen aan de

en zorg voor

kassa

een drankenstand. Steun zo een goed doel. Voor het goede doel halen mensen graag hun

boven.

bankkaart

Kun je niet tennissen? Hier is een In 2015 brak een Doe vier

tweede

het wereldrecord dobbelstenen stapelen.

goochelaar kleurrijke

idee.

dobbelstenen in een beker. Draai die om op een spijker zodat de

dobbelstenen in een stapeltje op de spijker liggen. Doe dat wel in een hoog Twee

tempo

. Het wereldrecord is zes stapels in één minuut.

stapels maken, zou al een hele prestatie zijn!

Thema 6 - les 5

65


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Win het hordelopen!

Spelregels: – – – –

66

Schrijf bij elke horde een woord. De eindletter van elk woord is de beginletter van het volgende woord. Gebruik zoveel mogelijk woorden uit deze les. Wie het eerst zijn hordes vol schrijft, wint.

1

2

Thema 6 - les 5


les 10

Woorden net als kleding, bank, ontvangt en bedankt Mats heeft een belangrijke zwemwedstrijd gewonnen. Op de bank staat zijn beloning: een beker. Mats trekt zijn kleding weer aan. “Wat zwem jij goed”, zegt Kaat plotseling. “Bedankt!” zegt Mats. “Ik zwem al sinds mijn drie jaar.” “Jeetje”, zegt Kaat enkele tellen later. “Dan zul je nu wel moe zijn!”

Spellingweter 6

1

Woorden met ng of nk, ngt of nkt

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. belangrijke

Het is vandaag een

de bank

We zaten op een

de beloning

Wie Minoes de poes terugvindt, krijgt een

de kleding

Wat voor

plotseling

Die hond kwam

enkele

Morgen is er kans op

dank

gevangen

Hij heeft een vis

ze ontvangt

De burgemeester

hij blinkt uit

Mats

bedankt

de herinnering

Ik hou een mooie

dag.

belangrijke

in het park.

bank

.

beloning

draag jij op dat feestje?

kleding plotseling

uit de struiken gelopen. buien.

enkele

je wel voor alle hulp.

Dank

blinkt uit

Bedankt

gevangen ontvangt

.

de kampioen in haar kantoor.

in het zwemmen. voor het mooie cadeau! herinnering

over aan mijn laatste vakantie.

Thema 6 - les 10

67


2

3

Vul aan met ng, nk, ngt of nkt. Schrijf het woord over. het verspri

verspringt

de ladi

lading

de richti

richting

de zonsonderga

zonsondergang

do ergeel

donkergeel

a stige

angstige

de rechtba

rechtbank

hij bede

bedenkt

de spanni

spanning

de schoenwi el

schoenwinkel

Vul de trappen van vergelijking aan met een woord met ng of nk. 1

Juf Emma is het Juf Hilde is

strengst

.

.

strenger

Meester Wally is streng.

2

Mijn familie is het Mijn beste vriendin is

.

belangrijkst belangrijker

.

Mijn hond is belangrijk.

3

Mijn broer is het Tante is

slankst

.

.

slanker

Oma is slank.

4 Ella is dankbaar.  Jinhane is

4

.  Frauke is het

Vul aan met een woord met ng, nk, ngt of nkt. 1 Het is koud, zet jij de (v) 2 Frank, mijn (b)

Ik twijfel. aan?

verwarming buurjongen

.

bekeuring

4 Ken jij de (o)

van dat vraagstuk?

Thema 6 - les 10

oplossing springt

, woont naast mij.

3 Ik reed te snel en kreeg een (be)

5 Mats (s)

68

dankbaarder

elke ochtend in het zwembad.

dankbaarst

Fout? Verbeter.

.


5

Vul het woord aan met ng of nk. Schrijf de zin juist over. 1 Deze records doen de we brauwen fronsen. Deze records doen de wenkbrauwen fronsen. 2 Je kunt het zo gek niet bede en of het is een record. Je kunt het zo gek niet bedenken of het is een record. 3 In Brazilië spro en 245 mensen samen van een brug . In Brazilië sprongen 245 mensen samen van een brug. 4 Mel Sampson dro een frisdra met een rietje van 75,82 meter. Mel Sampson dronk een frisdrank met een rietje van 75,82 meter. 5 De grootste ha mat is 22 meter la  . De grootste hangmat is 22 meter lang.

6

Vul de records aan. Kies uit: de ladi  Dit is Carson, een

erbruine – de beloni  hond. Hij kan een

donkerbruine

van wel vijftig koekjes op zijn neus dragen!

lading

De

– do

is groot: nadien mag hij de koekjes opeten.

beloning

la  ste – de ri  en – de bevolki

– la  e – de ketti   –

a  stig – de bewonderi   – de le  te In Myanmar rekt een deel van de Dat doen ze niet met een steeds meer koperen Een

om hun nek te dragen.

ringen

nek is er een schoonheidsideaal. Het langste

nek staat op veertig centimeter.

Een nek is eigenlijk niet sterk genoeg om die angstig

hun nek uit.  . Ze doen dat door

ketting

lange

record van de

bevolking

voelen. Of heb jij er toch

lengte

aan te kunnen. Ik zou me wat bewondering

voor?

Thema 6 - les 10

69


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Verzin een record. Tip: de tekening kan je helpen.

Record

DATUM

70

Thema 6 - les 10

WE

RELD

RECOR

DS

HANDTEKENING


les 14

Werkwoorden (6) “Wie is de baas van alle werkwoorden?” vraag ik de professor. “Wat heb je weer een leuke vraag bedacht”, luidt haar reactie. “Werkwoorden zijn van iedereen.” “Dus ik kan zeggen: ik ben de baas van de werkwoorden? En dus ook over alles wat erbij hoort, zoals ... de stam?” vraag ik. “Als jij dat belangrijk vindt, kun je dat zeggen”, antwoordt ze. “Mooi zo”, lach ik. “Dan ben ik dus het stamhoofd. En een stamhoofd heeft het voor het zeggen, zoals wij weten. Welnu, dit stamhoofd heeft besloten dat u nu op ijs moet trakteren.”

Spellingweter 31

1

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.

Vervoeg het werkwoord. Zet een kruisje op de juiste plaats in het werkwoordschema.

Is het een pv?

ja

nee

Zoek het onderwerp en de pv.

Tegenwoordige tijd (t.t.) 1 vragen 2 luiden 3 vinden 4 antwoorden 5 weten 6 trakteren

1 Ik haar. 2 De klok 3

3e pers. enkelv.

1e/2e/3e pers. mv.

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

Vergeet de spelling­ weters niet. Hoor je d/t achteraan? Verleng.

x

.

luidt

x

jij dat

Vind

2e pers. enkelv.

MAAR ... jij/je na pv: STAM het

vraag

1e pers. enkelv.

Schrijf wat je hoort.

x

wijs? 4 Ze

antwoordt

niet.

x

weten 5 Wij dat stamhoofden de baas zijn.

6 Ze heeft

getrakteerd

x

.

x

Thema 6 - les 14

71


2

a Vul de zin aan met de juiste persoonsvorm. b Kleur: het onderwerp. de stam. de uitgang.

3

Ik twijfel. Fout? Verbeter.

1 spelen

De voetballer

2 vinden

Mijn broer

3 veranderen

Ik

4 bijten

De hond

5 rennen

De speler

6 juichen

De supporters

7 springen

Ik

8 durven

9 houden

Hij

10 vliegen

De professor

op vrijdag.

speelt

twee euro.

vindt

wel eens van idee.

bijt

de bal stuk.

rent

het veld op.

verander

.

juichen

over het muurtje.

jij die mop vertellen?

van lekker eten.

spring Durf

houdt

in de lucht.

vliegt

Vul de juiste persoonsvorm in. Tip: gebruik het werkwoordschema als je twijfelt. (Komen)

de volgende personages in aanmerking voor het

Komen

Guinness Recordboek? Wat (denken)

misschien een gewone

lijkt

E 6 AVI E6 | AVI 8

James Hond

hond. Maar dat (zien) (bezitten)

bezit ruikt

het goed. Daarom (worden) Speurneus (noemen)

je verkeerd. Die hond

zie

72

Thema 6 - les 14

James Hond

Noëlla Elpers en Steven Dhondt

een magnifieke neus. Zijn neus (ruiken) problemen. Ja, je (lezen) wordt genoemd

undercoveragent. Zo’n hond (verdienen) Recordboek!

James Hond ziet er misschien uit als een gewone hond, maar hij is allesbehalve gewoon. Die hond heeft een juweel van een neus, een magnifiek exemplaar, bruin en glanzend als een wilde kastanje. Maar er is meer aan de hand met die neus: hij ruikt PROBLEMEN! Het is namelijk een echte speurneus. James Hond is een undercoveragent met een dubbelleven. Zo’n hond verdient toch een ster?

James Hond noëlla elpers

James Hond (lijken)

jij?

denk

leest Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

hij ook wel  . Hij (werken) verdient

www.vanin.be

bibbox-covers.indb 124-126

27/01/16 12:25

werkt

als

een plaatsje in het Guinness


Bet (lijken)

M 6 AVI M6 | AVI 7

Bet is de jongste van vijf meisjes. Ze ziet eruit als een jongen, maar is op en top een meisje. Bet wil dierentemster worden. Elk weekend oefent ze met haar kuikens Patje en Pietje. Intussen is ze klaar voor het grotere werk. En zo eindigt een leuke klasuitstap naar de dierentuin bijna in het bassin van de zeeleeuwen. Gevaarlijk grappig!

Zilver MarIjke uMans

Zilver

Zilver

lijkt

op een jongen, maar ze is een meisje.

Marijke Umans en Riske Lemmens

Ze wil dierentemster worden. Elk weekend (oefenen)

oefent

ze met haar kuikens Pietje en Patje. Voor veel wereldrecords www.vanin.be

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

bibbox-covers.indb 187-189

27/01/16 12:25

(gebruiken)

gebruiken

(denken)

denk

dieren het leuk om kunstjes uit te voeren? (mogen)

mensen dieren. Wat jij? (Vinden)

Vinden

je dieren gebruiken

Mag

om records na te streven? rijdt

in een koets. Die (worden)

M 6 AVI M6 | AVI 7

De beste dief ter wereld krIstIen dIeltIens

Balder (rijden)

De beste dief ter wereld

wordt

getrokken door vier paarden. Wat (lopen)

lopen

ze hard! Balder (zien)

eruit als een echte edelman. Niemand (weten) Balder eigenlijk dingen (stelen)

steelt

Balder heeft het ver geschopt. Hij rijdt in een koets getrokken door vier paarden. Hij is rijk en hij ziet eruit als een echte edelman. Niemand weet dat hij zijn rijkdom verdient door te stelen. Maar op een dag is Balder het moe om een meesterdief te zijn. Hij besluit zijn leven te beteren. Maar dat gaat niet zomaar. Zijn peetoom, de graaf, haat misdadigers. Hij eist de doodstraf voor iedere dief die zijn landgoed betreedt. Ook voor Balder.

ziet weet

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

dat

stelen een kunst. (Vinden)

Vind

Kristien Dieltiens en Seppe Van den Berghe

www.vanin.be

bibbox-covers.indb 199-201

27/01/16 12:25

. Daardoor (bezitten)

hij veel geld. Sommige mensen (vinden)

bezit

De beste dief ter wereld

vinden

jij dat wereldrecords zoals stelen en liegen

een plaats in het Guinness Recordboek verdienen?

4

Vul de zinnen aan met de juiste persoonsvorm. Schrijf de zin over. Kies uit: Tip: markeer in de zinnen die je schrijft het onderwerp geel en onderstreep de pv. verzamelen – verbreken – kunnen – maken – hebben Ketnet       een heel straf plan! Vandaag       het in Antwerpen het wereldrecord koprollen. We       een superlange koprolslinger. Daarvoor       ze zo’n 1 303 Ketnetters! Tot slot       je genieten van het optreden van de Ketnetband. Ketnet heeft een heel straf plan! Vandaag verbreekt het in Antwerpen het wereldrecord koprollen. We maken een superlange koprolslinger. Daarvoor verzamelen ze zo’n 1 303 Ketnetters! Tot slot kun/kan je genieten van het optreden van de Ketnetband. Thema 6 - les 14

73


5

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

6

Bedenk een record waarmee Silke Speurneus in het Guinness Recordboek komt. Gebruik deze woorden: de bangerik – dagenlang – vliegen – Frankrijk – drinken – de voeding Bv. Silke vliegt dagenlang in een luchtballon de wereld rond.

is beslist geen bangerik.

De opa van Silke heeft een geweldige verrassing: Silke mag met hem mee naar Namibië! Ze logeren bij zijn vriend Sem, die daar woont en werkt als gids. Onverwacht mogen ze met Sem mee met een groep toeristen op een avontuurlijke tocht door de woestijn

Of: In Frankrijk zijn er meer dan vierhonderd luchtballonnen en op de zee. Maar dan wordt Sem beschuldigd van diefstal. Silke zal al haar speurderstalent gebruiken om zijn onschuld te bewijzen!

Oelewapper vanOllivier de week | Karla Stoefs Silke Speurneus | Reina

Ze start in Frankrijk. Ze heeft wat drinken en voeding mee. Ze

Oelewapper van de week Silke Speurneus Karla Stoefs | Mark Borgions Reina Ollivier | Emilie Timmermans

opgestegen. Dat is een nieuw wereldrecord. Silke vliegt ook mee. Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

74

Thema 6 - les 14

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

4

30/05/17 11:59


les 5

Woorden net als alvast Ik zeg het alvast maar voor jij het zelf ontdekt: met taal maak ik het soms te bont. Dat komt doordat de woorden zorgen voor drukte in mijn hoofd. Ik heb eraan gewerkt, maar ik verspreek me nog minstens twintig keer per dag. Wat ik zeg klinkt knotsgek ... behalve als je het doorhebt. Ontdek je wat ik doe als ik mijn sneutnos in mijn zoekdak snuit? En raad je het fout, dan roep ik: “Moespis!”

Spellingweter 1

1

Woorden die je schrijft zoals je ze hoort.

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. alvast

We pakken

zij ontdekt

Door het onderzoek

het bont

De jas van oma is van

doordat

de drukte

Door de

gewerkt

Ik heb hard

minstens

Je moet

twintig

In het eerste leerjaar leer je rekenen tot

knotsgek

Ube gedraagt zich

behalve

Ik lust alle groenten,

behalve

spruitjes.

het internet

Bo zoekt iets op het

internet

voor zijn spreekbeurt.

de gasten

De

de burcht

De ridder woonde in een

de wiskunde

Breuken maken tijdens de les

onze koffers voor onze volgende reis.

alvast

de politie wie de dader is.

ontdekt

.

bont

de metro vertraging had, kwam ik te laat op school.

Doordat

op het strand ben ik mijn papa kwijt.

drukte

aan mijn spreekbeurt over de giraf.

gewerkt minstens

gasten

een liter water per dag drinken. twintig

.

op het podium.

knotsgek

voor het feest zijn allemaal aangekomen. burcht wiskunde

.

vindt Free niet leuk.

Thema 7 - les 5

75


2

a Rangschik de woorden alfabetisch. b Zeg de woorden hardop en kleur: de korte klinker. holte

macht 1

geritsel

3

2

burcht

gasten

vanaf 3

holte

terugweg

burcht 4

macht

totdat

gewerkt

vanaf

verderop

1

gasten

2

geritsel

3

gewerkt

4

terugweg

5

totdat

6

verderop

a Kleur: de korte klinker. b Zoek een rijmwoord.

4

bezet

bv. internet, verzet

belast

bv. last, alvast

verwacht

bv. gedacht, macht

de strafschop

bv. verderop

gezond

bv. bont, bestond

de vriendin

bv. erin, gezin

de vasten

bv. gasten, kasten

de lucht

bv. zucht, kucht

Kijk naar de tekening en schrijf een passend woord met een korte klinker. 1

3

2

1 Tante Wilma heeft een jas uit (b) 2 De ridder woont in een (b) 3 Zie je die (l) 4 Ik hou van de les (w)

76

Thema 7 - les 5

.

bont  .

burcht

luchtbel

in het water?  .

wiskunde

5 Ik vergat mijn paraplu, ik ben (n)

4

nat

.

5


5

Vul de zin aan met een samenstelling. 1 Tanden poets je met een (t)

rugzak

op mijn rug.

wacht ik op mijn bus.

bushalte

4 Ik schrijf mooi, ik heb een mooi (h)

6

.

tandenborstel

2 Ik wandel met een (r) 3 Aan de (b)

Ik twijfel.

handschrift

Fout? Verbeter.

.

Vul de woorden aan met korte klinkers. 1 Ik lig in een h?ngm?t te luieren. Ik lig in een hangmat te luieren. 2 De h?lte van je arm noem je je ?ksel. De holte van je arm noem je je oksel. 3 de dr?nkb?s

de drinkbus

4 de r?ngv?nger de ringvinger

7

Vul het gedicht aan. Kies uit: zonder – de zakdoek – mag – goeiedag – het land – de dag – de vingers – voetballen – onder – de step Mag niet! Ik ben Flipje,

!

goeiedag

En nu wil ik wel eens weten waarom ik zo weinig

.

mag

Mag niet met mijn

eten,

vingers

niet vergeten,

mag mijn

zakdoek

mag niet

voetballen

mag niet

onder

’t prikkeldraad,

mag niet

zonder

schoenen lopen,

mag mijn

step

Ik ga op een goeie naar een

op straat,

niet eens verkopen. dag

land

,

waar alles mag!

Naar: Mag niet! (Lea Smulders)

Thema 7 - les 5

77


8

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

9

Speel het spel ‘Spellingsom’. Maak vijf woorden met een korte klinker. Reken uit hoeveel punten je krijgt.

1

3

5

2

1

4

3

4

1

4

3

3

3

1

1

3

10

2

2

2

4

4

5

8

8

7

1

2

3

4

5

+

78

Thema 7 - les 5

Totaal:


les 10

Woorden net als kwartier

Spellingweter 1

1

Woorden die je schrijft zoals je ze hoort.

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de kampeerplaats

Indira overnacht op een

het kwartier

Binnen een

ze onderzoekt

Indira

de speurneus

Ze is een echte

de ontvoerders

Zijn het

de moordenaars

Zitten alle

ze bekeek

Indira

de weerwolf

Om middernacht verandert het hondje in een

vooraleer

Het kan nog een tijdje duren

verwoest

De kampeerplaats is helemaal

verwoest

de geesten

Geloof jij in

en spoken?

daarnet

Waar zijn de geesten?

is het twaalf uur.

kwartier

het geluid.

onderzoekt

.

speurneus

die Indira willen meenemen?

ontvoerders

wel in de gevangenis?

moordenaars bekeek

geesten

.

kampeerplaats

de struik heel goed.

de weerwolf weg is.

vooraleer

Daarnet

.

weerwolf

.

waren ze er nog.

Thema 7 - les 10

79


2

a Kleur in de woorden: de vrije klinker aa, oo, ee, uu, eu, oe of ie.

de hoofdp

meteen daarne aar t alsm

het bes

rijs

gekend ingevuld

de duikboot

vlug

tuur

b Schrijf de woorden met een vrije klinker juist over. daarnet, meteen, alsmaar, de duikboot, de hoofdprijs, het bestuur

3

Vul de woorden aan met aa, oo, uu, eu, oe of ie. Schrijf ze over in de zin. 1

het m uu rklimmen

Hopelijk heb je geen

de h oo gtevrees 2

tijdens het

de n eu sh oo rn

Mijn

de spr ee kb eu rt 3

het l ie fdesverdr ie t

De

van Boris heeft  .

straathond

plast tegen de

2 0°C is het (v)

Ik twijfel.

vriespunt

3 Vijftien minuten noem je een (k) 4 In het (k)

kasteel

5 Papa bakt een taart voor mijn (v) 6 Net als geel en blauw is rood een (h)

Thema 7 - les 10

.

lantaarnpaal

Vul de zin aan. 1 Op het einde van de vraag schrijf je een (v)

80

.

buurjongen

De

de str aa thond

4

gaat over de

spreekbeurt

liefdesverdriet

de lant aa rnp aa l

.

muurklimmen

neushoorn

de b uu rjongen 4

hoogtevrees

.

vraagteken

.

kwartier

.

wonen ridders. verjaardag hoofdkleur

.

.

Fout? Verbeter.


5

Maak met elk woord een zin. Let op: denk aan de hoofdletters en leestekens. 1 verdwaald: 2 de stoomboot: 3 de atleet: 4 onbewoond: 5 de koorddanser en de speerwerper:

6

Vul het woord aan met aa, oo, ee, uu, oe of ie en schrijf het in de tekst. Kies uit: het gev  l –   ntrekkelijk – vr  ndelijk – gew  n

Jij bent

gewoon

geweldig:

vriendelijk/aantrekkelijk en met een

enorm

gevoel

dankb  r – ged  n – de st  n –   rdig

Mama, je bent zo

.

aardig

Ik kan altijd op jou rekenen, je bent mijn

voor

en toeverlaat.

steun

humor.

Ik ben

Je bent ook nog eens intelligent én

wat je al

dankbaar gedaan

voor alles hebt.

aantrekkelijk/vriendelijk  . Wow!

Thema 7 - les 10

81


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Schrijf een bedankbriefje. Gebruik deze woorden: de vr  ndschap –   rlijk – zov  l – g  steren – allem  l – onbet  lb  r – het kl  rp  tl  d –   ngep  kt

Bv. Het was heel vriendelijk van jou om gisteren je kleurpotlood aan mij te lenen. Bedankt voor onze vriendschap. Je bent altijd eerlijk. Dat is onbetaalbaar. Je hebt me helemaal ingepakt.

82

Thema 7 - les 10


les 14

Werkwoorden (6) “U hebt lang gestudeerd, hè?” vraag ik de professor. “Zeker,” antwoordt de professor, “maar mensen raken nooit uitgeleerd.” “Zo’n geleerd iemand als u toch wel?” zeg ik. “U weet ondertussen alles over werkwoorden.” “Vind je dat?” zegt ze. “Nou ja, misschien is dat ook wel zo.” “Dan heb ik een vraag voor u: waarom verdwijnt de ‘t’ als ‘je’ achter de persoonsvorm staat?” De professor houdt even haar ogen stijf dicht, zo diep denkt ze na. “Verdorie!” bromt ze na een tijdje. “Ik geloof niet dat die vraag te beantwoorden is. Wat ben je toch pienter! Waarom geen ‘t’? Geen idee! Eh ... zal ik een kopje thee voor je zetten? Dat heb je wel verdiend.”

Spellingweter 31

1

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd.

Vul het werkwoord aan. Gebruik het werkwoordschema.

ja

Zoek het onderwerp en de pv.

Is het een pv? nee

Tegenwoordige tijd

Schrijf wat je hoort.

1e persoon enkelvoud

2e persoon enkelvoud

3e persoon enkelvoud

1e/2e/3e persoon meervoud

Vergeet de spelling­weters niet.

ik STAM

jij STAM + t

hij / zij / het / ... STAM + t

wij / jullie / zij / ... STAM + en

Hoor je d/t achteraan? Verleng.

MAAR ... jij/je na pv: STAM 1 worden

Christo

later piloot.

2 verliezen

Jij

verliest

3 geven

Ik

geef

4 schrikken

Tom en Jana

5 begrijpen

6 veroveren

Het leger heeft dat stuk land

7 worden

Hij is tien jaar

8 zullen

Ik

wordt

die badmintonwedstrijd. mijn mama elke ochtend een zoen. schrikken

van die donderslag.

jij er iets van?

Begrijp

veroverd

geworden zal

.

.

mijn kamer opruimen.

Thema 7 - les 14

83


2

Vul het werkwoord aan. Gebruik het werkwoordschema. 1 vluchten   De reebokken   De boef is 2 versieren  Ik

weg van de tijger.

vluchten  .

gevlucht

mijn kamer voor het feest.

versier

Wat is het prachtig 3 vinden   Zijn buurmeisje heeft het  Hij

.

versierd gevonden

zijn spellingschrift niet.

vindt

4 luisteren   De kinderen hebben niet goed

!

gebeurd

Vul de persoonsvorm in.

Ik twijfel.

1 naaien

Jij

naait

een lap op de broek.

2 drinken

Ik

drink

elke dag water.

3 spuiten

de olifant jullie nat?

4 blijven

Mijn broer en ik

5 blazen

Fran

6 leren

De clown

7 beloven

8 aaien

De jongens

9 opruimen

Spuit

De kater

11 hebben

Loes

12 zijn rijden

Thema 7 - les 14

Joy jongleren.

leert

jij om te zwijgen?

de rommel

sokken

heeft  .

.

!

tegen een boom

is gereden

op

omhoog.

klimt

het katje.

aaien

gekocht

Lia

op haar fluit.

blaast

Ruim

10 klimmen

logeren.

blijven

Beloof

kopen

84

niet vaak dat ik te laat kom.

gebeurt

Het is

3

naar de uitleg.

geluisterd

jij steeds naar je ouders?

Luister

5 gebeuren  Het

.

Fout? Verbeter.


4

Vul de krantenartikels aan.

Korting voor beleefde studenten eten

Eet Wuhu in China?

moeten betalen

Dan

hebben leren

krijgen zijn

helpen

Het zeggen.

zijn starten

Ook andere universiteiten

je beleefd in de kantine van de universiteit je maar de helft van de prijs

moet  .

betalen

De studenten manieren

.

geleerd

Je

extra korting als je vriendelijk

krijgt

tegen het personeel.

bent

ook om dankjewel en alsjeblieft te

helpt

met deze actie

zijn  .

gestart

door de actie betere

hebben

Een zeeleeuw op de vismarkt hebben zijn

Een viskraam op het eiland Santa Cruz een vaste klant.

heeft

Het

is

een zeeleeuw.

moeten

moet     Het dier niet ver kruipen om de vismarkt te bereiken.

liggen

ligt     De zee maar twee meter verder. De zeeleeuw is erg beleefd.

laten staan

Hij

hebben wachten

krijgen

Daarna

waggelen

Met zijn buik vol

laat

hij recht, net zoals de andere klanten.

staat

Soms

alle mensen voorgaan. Meestal

heeft

hij wel een uur voor hij aan de beurt is.

gewacht

hij van de verkoper de restjes vis.

krijgt waggelt

de zeeleeuw dan terug.

Naar: www.wablieft.be

Thema 7 - les 14

85


5

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

6

Schrijf een krantenartikel met enkele van deze woorden: de opruimhond – zoeken – vullen – het afval – de hond van het jaar – schoonmaken

Bedankt Joy!

86

Thema 7 - les 14


les 5

Woorden net als verdriet, begin en gelijk Een halfuur geleden was de maaltijd begonnen, maar nu hadden ze alles opgegeten. “Ik heb besloten mijn geheim te verklappen”, zei mama opgewekt. “Ik ben eigenlijk een prinses.” “Ja, hoor, en dan ben ik een tovenaar”, schaterde papa stomverbaasd. “De geschiedenis leert dat prinsessen niet hoeven af te wassen”, vervolgde mama. “Vervelend voor je, want dan zul jij het moeten doen, Lotte”, lachte papa. Lotte was er met haar gedachten bij en zei: “De dochter van een prinses is ook een prinses. Maar gelukkig kan papa toveren.” En ze vertrok samen met mama uit de keuken. “Hé!” riep papa verschrikt, maar toen waren ze al verdwenen, net als zijn lach.

Spellingweter 5

1

Woorden met de woordstukjes ver, be of ge

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. geleden

Lang

begonnen

Sst, het optreden is al

opgegeten

Heb jij alles

verklappen

Je mag het geheim niet

opgewekt

“Het is bijna vakantie”, zei hij

stomverbaasd

Hij was

de geschiedenis

Op reis leer ik de

geschiedenis

ze vervolgde

Na een korte pauze

vervolgde

vervelend

Ik vind fruitvliegjes ontzettend

de gedachten

Soms kan ik de

gelukkig

we vertrokken

Gisteren

verschrikt

Ik kijk

verdwenen

Mijn

het geheim

Kun je een

leefden er dinosaurussen.

geleden

.

begonnen  ?

opgegeten

.

verklappen

.

opgewekt

toen hij dat nieuws hoorde.

stomverbaasd

van Turkije. ze haar weg.

vervelend

gedachten

.

van mijn vriendin lezen.

heb je je bril teruggevonden.

Gelukkig

vertrokken verschrikt verdwenen geheim

we op reis. op bij het horen van die knal. fiets heb ik weer teruggevonden. bewaren? Thema 8 - les 5

87


2

Vul aan met ver, be of ge. Schrijf het woord in de juiste hoed. de be loning – ver velend – ver nietigen – de ge vangenis – het ge sprek – de be manning – op ge wekt – on ver wacht – on be langrijk net als gelijk

net als begin

3

beloning

bemanning

onbelangrijk

gevangenis

gesprek

opgewekt

net als verdriet

vervelend

vernietigen

onverwacht

Vul de zin aan met een woord met ver, be of ge. Kies uit: af   sproken – mee   daan – aan   vallen –    geten – het    schil – on   kend 1 Klas 4A heeft 2 Het

van 56 en 8 is 48.

verschil

3 Je hoeft je niet

aangevallen

te voelen.

4 Oké! Dat is dan

afgesproken

.

5 De oorzaak van de brand is 6 Ik ben mijn sporttas

4

.

onbekend  .

vergeten

Pas de woorden aan de zin aan. Gebruik de woordstukjes ver, be en ge. 1 bijten

Het paard heeft in de arm van de prinses

2 flauwvallen   Ze is daarna

88

aan een voorleeswedstrijd.

meegedaan

.

flauwgevallen

3 trouw

Die ridder is sluw, ik

4 blaffen

De hond heeft vannacht

5 kijken

Lotta heeft haar nieuwe feestjurk voor de spiegel

6 afspreken

Dat was helemaal zo niet

7 graven

Een heks werd vroeger nooit

Thema 8 - les 5

vertrouw

hem niet.

geblaft

aan de ophaalbrug. bekeken  .

afgesproken begraven

.

gebeten

.

.


5

Vul de zin aan met een woord met ver, be of ge. 1 De finale is een (b)

wedstrijd.

belangrijke

2 Ik moet niezen, ik ben (v)

4 Billie houdt van hem, ze is (v) 6 Aan de kassa moet je (b)

.

.

bewusteloos

8 Warre heeft dat raadsel meteen (o)

.

betalen

7 Na het ongeluk raakte ze (b)

geheugen

verliefd

Fout? Verbeter.

.

verkouden

3 Alice onthoudt alles dankzij haar goed (g)

6

Ik twijfel.

.

.

opgelost

Vul de verhalen aan met woorden met ver, be of ge. Kies uit:    schillende –    kopen –    stelt – af   lopen – zelf   maakte –   taalt –       betert –    keerd – het   drag

Daar

01-02-2018 11:3 2 rt €15 1 x chocolade cake €10

woensdag ging ze naar bakker Lekkerbek. ze

verkopen

taarten. Ze

zelfgemaakte

lekker vindt en

TOTAALBEDR AG €250

€25

wat ze

bestelt

DANK U WEL!

aan de kassa.

betaalt

Op het kassaticket staat een

verkeerd

. De bakker

bedrag

soorten

verschillende

ERBEK

1 x slagroomtaa

Prinses Pina houdt van slagroomtaart en chocoladecake. Afgelopen

BAKKERIJ LE KK Terminal# 1

het met rode balpen.

verbetert

zorgen – de    pleegsters –    wond –    vallen – het    band –    nezen –    heime –    leden –   lukkig Lang

waren er geen dokters of

geleden verpleegsters

.

Er waren tovenaars die je konden als je ziek,

snel zou

verzorgen

of van je paard

gewond

gevallen

was. Ze wikkelden een

verband

rond de wonde of zeiden

genezen

.

Gelukkig

geheime

toverspreuken zodat je

is dat nu anders.

Thema 8 - les 5

89


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

90

Wat betekent de spreuk? Schrijf op. Gebruik de gegeven woorden.

Proteus!

Evanesco!

Engorgio!

vervelend – veranderen

betoveren – verdwijnen

vergroten – gevaar

Thema 8 - les 5


les 10

Woorden net als misdaad en hoofdprijs

Spellingweter 23

1

Woorden die eindigen op d of t, b of p

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de misdaad

Een overval is een ernstige

misdaad

dringend

Ik moet

naar het toilet.

paardrijden

de boodschappen

Mijn papa doet online

felrood

De auto was

de superheld

Welke

razendsnel

Hij heeft

de linkerhand

Ik heb mijn

hardst

Het jachtluipaard loopt met 105 km/u het

de hoofdprijs

Zij heeft de

hoofdprijs

het raadsel

Het is een

raadsel

benieuwd

Ik ben

gepleegd

De dief heeft de misdaad

gepleegd

steeds

Ik ben

beleefd.

iemand

Er heeft

het voedsel

Gooi je beschimmeld

de gids

We kregen een rondleiding met een

dringend

.

is mijn hobby.

Paardrijden

.

boodschappen

, maar is nu wat verkleurd.

felrood

heeft jou gered?

superheld

een toren gebouwd.

razendsnel

verbrand.

linkerhand

benieuwd

steeds

.

hardst

behaald. wie de overval heeft gepleegd. of hij al verhuisd is.  .

voor jou gebeld.

iemand

voedsel

beter weg? gids

.

Thema 8 - les 10

91


2

Vul het woord aan met d of t. Schrijf het in de juiste kolom.

de tan d arts  de dirigen de soldaa de zeilboo

t

weerman  de piraa

d

het verkeersbor

t

de broo

t

de bran

d

hoof

d

ten

t

net als tent

tandarts

brandweerman

dirigent

piraat

verkeersbord

hoofdrekenen

voetpijn

soldaat

broodmand

wedstrijd

zeilboot

feesttent

Vul aan met d of t. Bedek het woord en schrijf het op.

vannacht

het raa

sel

raadsel

de gi

het voe

sel

voedsel

nieman

1 ijskou d

de boo

schap s

In Rusland zijn de winters

2 de slagroomtaar

t

3 de lan d kaar

t

Oma gebruikt een

4 het stan d beel d

92

t

vannach

4

pijn

t

rekenen

d

man d   de we d strij d   de fees

net als hond

3

de voe

t

Op het feest eet ik een

boodschap

gids

niemand

.

ijskoud slagroomtaart

en geen gps.

landkaart

Manneken Pis is het bekendste

standbeeld

Vul de zin aan met de juiste vorm van het werkwoord. 1 vragen

Weet je wat de prinses heeft

2 versturen

Ik heb een e-mail

verstuurd

3 gebeuren

Weet jij wat er is

gebeurd

4 regenen

Vannacht heeft het hevig

5 vertellen

De tovenaar heeft het geheim

Thema 8 - les 10

?

gevraagd  .  ?

geregend verteld

.

.  .

.


5

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

1 Brussel is de (h)

van België.

hoofdstad

2 Tijdens het carnavalsfeest ben ik (v) muzieknoot

4 Na eb komt (v)

vloed

5 De zeerover vindt een (s)

6

.

verkleed

3 Sol is een (m)

, net als do, re en mi.  .

schatkist

Fout? Verbeter.

vol goud.

a Vul het interview aan. Kies uit: hoof   rekenen – de leerkrach  – de bla   zij  en – de avon   – nieman   – de raa  sels – beroem     Moeten prinsessen ook naar school? Niemand hoofdrekenen

ontsnapt daaraan. Ook prinsessen moeten en

raadsels

oplossen. En elke

avond

hebben we huiswerk, wel vijf

bladzijden

leerkracht

is extra streng omdat we later

beroemd

! Onze worden.

de we  strij   – de han   – paar  rij  en – de hel  – het speelvel    – het zwemba  – de spor      Doen jullie ook aan We krijgen lessen zwembad

gooit de bal met één speelveld

sport paardrijden

?

en dansen. Elke week trekken we naar het

. We spelen ook vaak een hand

wedstrijd

netbal. Je

over het net. Als hij de grond raakt binnen het

, dan win je. Dan ben je de

held

.

b Bedenk nog andere vragen voor de prinses. Kies uit deze woorden: de be  tij   – stee   s – benieuw   – de leeftij  – het voorbeel   – de han   schoen   Thema 8 - les 10

93


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

a Wat zeggen de tovenaars op hun geheime vergadering? Vul aan. Kies uit: b  toveren – g  heime – v  rtrekken – de paar  en – de poor  wach  er Dit is ons

geheime

plan. We

dauw. We

betoveren

de

onze

paarden

vertrekken poortwachter

morgenvroeg voor dag en zodat hij ons niet opmerkt. Op

ontvluchten we het kasteel!

b Bekijk de tekening. Schrijf het vervolg van het plan.

Bv. ’s Morgens vroeg gaan we op pad. We verwoesten/vernielen de deur en een verbodsbord. Achter de deur is een gouden schat verstopt die we stelen.

94

Thema 8 - les 10


les 14

Woorden net als trouw, augustus, moedig en gevaarlijk(e) het oer

de g•dmijn r•e slape •gustus t maa

to de •

•derwets

w•d

de wenkbr•wen

ijver•e

de tuinkab•ter

grieze l

•

de m

evr

w tr •

•wen

afzonde

r•e

ar •

mo

a ev

ed

g 1

•

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als saus of kous

spellingweter 14

de goudmijn

In Zuid-Afrika vind je nog een

de tuinkabouter

In de tuin van oma staat een grote

de automaat

De

automaat

de mevrouwen

De

mevrouwen

de wenkbrauwen

Levi fronst zijn

ouderwets

Brede broekspijpen zijn

augustus

In

trouw

Door ‘ja’ te zeggen beloven ze elkaar

.

goudmijn

.

tuinkabouter

is stuk. hebben heel wat te vertellen. als hij nadenkt.

wenkbrauwen  .

ouderwets

verhuizen we.

augustus

te blijven.

trouw

woorden net als rustig(e)

spellingweter 11

griezelig

Ik vond het spookhuis erg

ijverige

De

stekelig

Wees voorzichtig! Die plant is

slaperige

Ik kan niet staan op mijn

moedig

Wally neemt het op tegen pesters, wat

.

griezelig

jongen maakte dadelijk zijn huiswerk.

ijverige

.

stekelig

voet.

slaperige

woorden net als heerlijk(e) gevaarlijk

Pas op, die hond is

afzonderlijke

De konijnen zaten in

onduidelijk

Wat heb jij een

.

moedig

spellingweter 12 gevaarlijk

.

afzonderlijke onduidelijk

hokjes.

handschrift!

Thema 8 - les 14

95


2

Schrijf de woorden in de juiste kolom.

ijskoud

klautere

natuurlijk twintig

4

n

modderig

net als rustig(e)

net als kous

net als saus

afzonderlijk

twintig

ijskoud

klauteren

natuurlijk

modderig

inhoud

lichtblauw

tamelijk

overige

oerwoud

flauwvallen

pijnlijk

moedig

bouwden

kauwgom

Vul de zin aan met het aangepaste woord op ig(e) of (e)lijk(e). 1 griezel

De nachtwandeling was

2 feest

Er hing

3 toeval

Ze leerden elkaar

4 gemak

Ik vond die oefening niet

5 smaak

6 jaar

Ik ben morgen

.

griezelig

versiering op dat huwelijk.

feestelijke

kennen.

toevallig

.

jarig

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

3 We hebben vakantie in juli en (a) rommelige

5 Het was geen mooie maar een (l)

Thema 8 - les 14

is het mooi weer.

hopelijk

2 Ik heb lijm gemorst, wat een (p)

4 Ik moet mijn (r)

.

gemakkelijk

eten!

Smakelijk

1 We gaan kamperen, (h)

96

lauw

n valle w u d ou fla inh e d oud overige w r e to he gom n w e u d ka ouw b e z pijnlijk ig d oe m

tamelijk

net als heerlijk(e)

3

b licht

afzond erli jk

goedje.

.

kamer opruimen.

plakkerig augustus

lelijke

heks.

Fout? Verbeter.


5

a Doorstreep het foute woord in de zin. b Schrijf de zin over met een juist woord op ig(e) of (e)lijk(e). 1 Camille maakt veel rommel. Ze heeft een nette boekentas. Camille maakt veel rommel. Ze heeft een slordige/wanordelijke/rommelige boekentas. 2 Bram ging laat slapen en zit nu wakker in de klas. Bram ging laat slapen en zit nu slaperig in de klas. 3 Pas op, deze cactus is erg zacht! Pas op deze cactus is erg stekelig! 4 Vals duurt het langst! Eerlijk duurt het langst!

6

Vul de tekst aan met het tegengestelde van het doorstreepte woord. Kies uit: pracht   –   derwets – geb  wd – heer  e – gezell   –   griezel  e – harte   – de mevr  w – afschuwe  e – g  w – n  wkeur   – akel  e –feeste  e

Er wordt dit jaar een splinternieuw kasteel afgebroken modern lelijk

hotel met onaangename

prachtig

slaapkamers en slechte

. Het is geen

kasteel zoals je vaak in films ziet. Het wordt een

ouderwets

Je wordt er slecht

gebouwd

gezellige

bedden.

heerlijke

ontvangen en verwend. Je vindt er geen

hartelijk

toffe akelige/afschuwelijke spinnen, aangename

griezelige

vleermuizen

of andere aantrekkelijke akelige/afschuwelijke beesten. Nee, meneer slordig

Julia poetst

mevrouw nauwkeurig

elk hoekje.

Reserveer je verblijf dus traag mis de sombere

feestelijke

gauw

en

opening niet!

Thema 8 - les 14

97


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Schrijf een kort verslag over de klasuitstap naar het kasteel van oefening 6. Kies uit: gebeten – behulpzaam – verschrikkelijk – het schoolhoofd – de hoofdprijs – razend – griezelig(e) – de mevrouw(en) – gezellig – verkleed Bv. Het kasteel bleek toch niet zo gezellig. In een griezelige kamer zat een hongerige reuzenspin. In de namiddag hielden we een verkleedwedstrijd en ik won de hoofdprijs. Mevrouw Julia was heel behulpzaam. Door mijn schuld is er wel een harnas gevallen. Het schoolhoofd was razend.

98

Thema 8 - les 14


les 5

Woorden net als pauze, vanavond, adem en woedend “Ik ben stomverbaasd over het gedrag van volwassenen”, zegt Niels. Hij praat in de pauze met Rida, die stiekem zijn wenkbrauwen fronst. “Het was gisterenavond rond bedtijd”, legt Niels in één adem uit. “Ik vroeg aan mijn moeder of ze mij vanavond naar de training wil brengen. Toen zei ze: ‘Nee, ik heb nauwelijks tijd voor mezelf. Ik móét er even tussenuit!’ Vanochtend gaf onze juf onverwacht een toets. Ik stond op en zei: ‘Juf, ik heb nauwelijks tijd voor mezelf. Ik móét er even tussenuit!’ En wat denk je ... de juf werd woedend en ik kreeg straf! Nee, voor volwassenen heb ik echt geen applaus over.

1

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als kous of saus

spellingweter 14

het applaus

Reya kreeg een luid

nauwelijks

De man sprak

de pauze

Na al dat werken ben ik toe aan een

de wenkbrauwen

De juf fronst haar

na de voorstelling.

applaus

Nederlands.

nauwelijks

.

pauze

wenkbrauwen

bij mijn antwoord.

woorden net als avond

spellingweter 17

vanavond

Vanavond

gisterenavond

Gisterenavond

kookt papa niet, we halen frietjes. was er een leuke film op de televisie.

woorden net als adem

spellingweter 19

de adem

Ik kan mijn

stiekem

Ik heb

adem stiekem

één minuut lang inhouden. een snoepje mee naar school.

woorden net als hond

spellingweter 23

de bedtijd

Tijdens de vakantie is mijn

stomverbaasd

woedend

Hij was

Stomverbaasd woedend

bedtijd

een uurtje later.

keek ik naar mijn toets: een 10 op 10! op het jongetje dat hem uitschold.

Thema 9 - les 5

99


2

a Kleur de doffe klinker: av on d

als je die met ond schrijft. nd

be

o eb

de

d

ta vo ntu u he

ze m

dem

r

o gez

de

als je die met em schrijft.

de

m ade

m ke

e sti

b Rangschik de woorden met een doffe klinker alfabetisch.

3

1

adem

2

avond

3

bezem

4

bodem

5

gezond

6

stiekem

Vul de woorden aan met d of t. Schrijf het woord op. Tip: verleng de woorden. 1 het plattelan d

op het

2 de gel d automaa

t

3 het ba d een d je 4 de weeken d kran 5 de straa 6 de pos

t t

t

hon d kaar

t

de

badeendje

weekendkrant

een

spelen

lezen straathond

zien

sturen

postkaart

halen

geldautomaat

een rondzwervende

7 bevrien d

4

twintig euro uit de   met het gele

wonen

platteland

zijn met elkaar

bevriend

a Schrijf het juiste woord met au of ou in de zin. kl   teren – n   wkeurig – opv   wen – de k   wgom – de p   ze Wil je er even tussenuit? Dit kun je doen! 1 In hoge bomen

klauteren

2 Grote bellen blazen met een 3 Alles

nauwkeurig

4 Even

pauze

5 De lakens

100

Thema 9 - les 5

opvouwen

. kauwgom

.

opruimen? Nee, veel rommel maken! nemen in de hangmat.  ? Nee, er een kamp mee bouwen in de woonkamer!


b Schrijf je top drie van leukste activiteiten om er even tussenuit te zijn. 1 2 3

5

Vul de zin aan.

Ik twijfel.

1 Tennis speel je op een (t)

tennisveld

2 Het wrak ligt op de (b)

bodem

3 Door de mist ziet Elise (n) 4 Elke (a)

avond

van de zee.

iets.

nauwelijks

5 Vliegen heksen op (b)

leest mama een verhaal voor.

?

bezems

6 Tijdens de match scoort Adri een (d)

6

.

Fout? Verbeter.

.

doelpunt

Vul het verhaal aan. Kies uit: ron   lopen – de pos   zegels – de vrijdagav   – het stran   – de kameraa   – bliks   snel – de    tobus – het weeken   – het tij   schrif   –    stiek   – ijskou   – het oerwou   – het eilan   – onbewoon   – kl   teren– de zondagav    Er even tussenuit ... Op

fiets ik

vrijdagavond

naar huis. Het

begint! Wat zou ik doen?

weekend

Met de

naar de stad, met mijn beste

autobus kameraad

een

lezen op de bank,

verzamelen of een uitstap naar het Als ik meer tijd had, maakte ik een minitrip naar een

en zou ik over rotsen

Ach, voor ik het weet is het weer

postzegels  ?

strand

onbewoond  , dronk ik een

oerwoud klauteren

in het bos,

rondlopen

tijdschrift

zocht ik avontuur in het

bliksemsnel

of

zondagavond

stiekem

eiland ijskoud

,

drankje

chocolade snoepen!

Thema 9 - les 5

101


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Schrijf op de poster wat je zeker niet wilt op vakantie. Gebruik in elke zin een woord met au, ou, d, t of ond. Kies uit: hoof   rekenen – de    ders –    derwetse – de av   – het weeken   – de p   ze – geconcentreer   – de groot   ders – het huish   den – de juffr   w – huilen   – de raa   – het stan   beel   – het av   eten

Ik wil

102

Thema 9 - les 5


les 10

Woorden net als jaagt en gezocht

Spellingweter 24

1

Woorden met gt of cht

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gebracht

Papa heeft me gisteren naar het station

.

gezocht

Ik heb de hele dag naar mijn brillendoos

gezocht

verkocht

Ik heb mijn oude fiets

via het internet.

middernacht

Ben jij al eens opgebleven tot

de zoektocht

In het bos hielden we een

opgelucht

We waren

terecht

De verdwaalde jongen is weer

de vacht

Een schaap heeft een warme wollen

de opdracht

De directeur gaf Levi een

de achterkant

Aan de

prachtige

Dat

zichtbaar

Met je fluohesje ben je goed

zichtbaar

de krachten

Die superheld heeft speciale

krachten

reusachtig

Een mammoet was een

het opsporingsbericht

Het

de rechterkant

Rijden de auto’s is Engeland ook aan de

hij jaagt

De leeuwin

gebracht

verkocht

.

?

middernacht

naar de vliegenzwam.

zoektocht

dat opa genezen was.

opgelucht

.

terecht

.

vacht

.

opdracht

van het huis was er een zwembad.

achterkant

kunstwerk is veel geld waard.

prachtige

reusachtig

opsporingsbericht

jaagt

in het verkeer.  .

dier.

hangt aan de lantaarnpaal. rechterkant

?

op haar prooi.

Thema 9 - les 10

103


2

Schrijf de woorden die bij de tekening passen juist in de zin. 1

de lu    ballon

De

vlie 2

tussen de wolken.

vliegt

li

1

luchtballon

De

2

scheidsrechter

de scheidsre    er

op de grond.

ligt

3 3

vraa

De

rechter

de re    er 4

3

4

het a   erli

om stilte.

vraagt

Het

achterlicht

van mijn fiets is stuk.

Vul het woord aan met gt of cht en schrijf het in de zin. 1 kra ig

De minister sprak kort en

2 li

Het boek

3 voorzi ige

Mijn mama is een

voorzichtige

bestuurder.

4 re erhand

Ik schrijf met mijn

rechterhand

.

op het rek.

ligt

a Vul de woorden in de zin aan met gt of cht.

1 Het sprookjesboek li gt op mijn na cht kastje. Het sprookjesboek ligt op mijn nachtkastje. 2 Elke o cht end le gt de kip een ei. Elke ochtend legt de kip een ei. 3 De jager jaa gt op het gevlu cht e dier. De jager jaagt op het gevluchte dier. 4 Het geve cht start om midderna cht  . Het gevecht start om middernacht. 5 Hij zaa gt de reusa cht ige boom om. Hij zaagt de reusachtige boom om.

Thema 9 - les 10

.

krachtig

b Schrijf de zin juist over.

104

4


5

Vul elke zin aan met een woord met gt of cht. 1 We (m)

mochten

2 Wees (v)

voorzichtig

3 Ik zweet omdat ik (z)

als je oversteekt!

ben.

naar de meester.

aandachtig

de klas met de borstel.

veegt

Fout? Verbeter.

sliep ik slecht.

nachtmerrie

6 De poetsvrouw (v)

6

een snoepje kiezen.

zenuwachtig

4 De leerling luistert (a) 5 Door die enge (n)

Ik twijfel.

a Maak goede samenstellingen. 1 kust

tocht

de

kustwacht

2 zoek

wacht

de

zoektocht

3 recht

vacht

de

rechtbank

4 vracht

vraagt

de

vrachtschepen

5 dieren

bank

de

dierenvacht

6 achter

schepen

de

achtervolgingen

7 onder

volgingen

hij

ondervraagt

b Gebruik de samenstellingen om de tekst aan te vullen. Schrik niet! Piraten varen nog altijd op zee. Een piraat draagt geen ooglapje meer, maar gebruikt speedboten en machinegeweren om (v)

te overvallen. Piraten handelen soms ook in

vrachtschepen

(d)

en verkopen het bont voor veel geld.

dierenvacht

Gelukkig is er de (k)

. Hun missie? Een

kustwacht

(z)

zoektocht

(a)

achtervolgingen

op zee om piraten in te rekenen. Na vaak spectaculaire

worden de piraten opgepakt en voor de (r) De rechter (o)

rechtbank ondervraagt

gebracht. ze

en stuurt ze naar de gevangenis.

Thema 9 - les 10

105


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

a Zoek acht woorden in de woordzoeker: g  f  i  h  De beginletter is gegeven. b Schrijf het woord op en kleur de spellingmoeilijkheid. c Maak een zin met het gevonden woord. K L S J I Z G G T F N W

X A C H T E R L I C H T

S T O M V E R B A A S D

D B E V R I E N D D A J

B H C A L S R S G M U I

G T E T U C X W R E G M

P G F K F J P K D V U D

W E N I P T E N S B S J

N L U L J T J B R M T G

M S K A B O U T E R U G

H O H Z I J K A N T S T

D D N O R G E T T A L P

1

achterlicht

:

bv. Het achterlicht van mijn fiets is stuk. 2

stomverbaasd

:

bv. Ik keek hem stomverbaasd aan. 3

bevriend

:

bv. Ik ben bevriend met mijn buurjongen. 4

augustus

:

bv. In augustus ga ik op kamp.

106

5

legt

: bv. De kip legt een ei.

6

kabouter

: bv. Leeft er een kabouter in het bos?

7

zijkant

: bv. De garage is aan de zijkant van het huis.

8

plattegrond

: bv. We tekenen de plattegrond van de klas.

Thema 9 - les 10


les 14

Woorden net als rusthuis, jarig(e) en gemakkelijk(e) on

ge

bui

put

ri

1

lijk

ke

ge

eeuw

huis

ge

wer

ge

kig

uit

rust weers

ja

lijk

ig luk

lijks ke

sma

e

da

Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. woorden net als uil

spellingweter 2

uitgeput

Ik ben

de onweersbui

Door die hevige

het rusthuis

De bejaarden worden verzorgd in het

het gemeentehuis

Voor een paspoort moet je op het

uitnodigen

Gaan jullie Yun en Mila ook

door de loopwedstrijd.

uitgeput

was er veel schade.

onweersbui

.

rusthuis

zijn.

gemeentehuis

voor het feestje?

uitnodigen

woorden net als rustig(e)

spellingweter 11

de jarige

De

krijgt een lekkere taart.

gelukkig

eeuwig

Je kunt niet

vijfentwintig

Er zitten

akelige

Vind je insecten ook zo’n

jarige

ben ik niet de enige die iets vergeten is.

Gelukkig

leven.

eeuwig

leerlingen in onze klas.

vijfentwintig akelige

beesten?

woorden net als heerlijk(e)

spellingweter 12

dagelijks

Je moet je tanden

smakelijk

De soep is erg

werkelijke

Hij noemt zich Leo maar dat is niet zijn

gemakkelijke

De

twee keer poetsen.

dagelijks smakelijk

gemakkelijke

. werkelijke

naam.

opdracht was snel klaar.

Thema 9 - les 14

107


2

Maak het woord volledig en schrijf het op de juiste plaats. Kies uit: de h∞sdieren – l∞steren – het besl∞t – het h∞swerk – de moest∞n – het spookh∞s – de kr∞ken – ∞tvinden 1 een 2 het foutloze

3

nemen

besluit huiswerk

5 de

moestuin

6 de

huisdieren

3 het griezelige

spookhuis

7 je oren zijn om te

4 een machine

uitvinden

8 de

onderhouden voederen luisteren

met water

kruiken

Vul de reclameposters aan. Gebruik bijvoeglijke naamwoorden met ig(e) of (e)lijk(e). Kies uit: knapper    – dag   s – dolgelukk    – heer    – smak

Andere koek!

Drink

dagelijks heerlijke smakelijke

4

Ze maken ieder kind

melk!

koekjes.

knapperige dolgelukkig

.

Zoek het juiste woord op ig(e) of (e)lijk(e) en vul in. 1 In die (r) gebouw.

rustige

2 Omdat hij (d) (a)

dertig

afschuwelijk

(kalm) straat, staat een (r)

reusachtig

(heel lelijk) cadeau.

slaperige

(moe) kat, krijg je (o)

onmogelijk

4 Het (a)

aantrekkelijke

(mooi) meisje gaf (j)

jaarlijks

zenuwachtige

Thema 9 - les 14

(heel groot)

(10 x 3) jaar werd, kreeg hij een

3 Die (s) wakker.

5 De

108

Ontdek onze

en

(nerveus) spreker was

keurig

(wat niet kan) (elk jaar) een feest. (net) gekleed.


5

Vul elke zin aan met een woord met ui, ig(e), (e)lijk(e) of lijk(s). 1 Pas op voor de (g)

slang.

giftige

2 Bananen groeien niet hier, maar in het (b) 3 Deze oefening maak je (z)

4 Let op bij het oversteken van die (g)

6 We doen (w)

6

weg.

gevaarlijke  .

kwam alles goed.

uiteindelijk

onze boodschappen.

wekelijks

7 Er was ruzie, maar (u)

.

, zonder hulp.

tuinhuis

Fout? Verbeter.

buitenland

zelfstandig

5 De grasmachine staat in het (t)

Ik twijfel.

De juf neemt vakantie en stelt een automatisch mailbericht in. Maak een woord op ig(e) of (e)lijk(e) en vul het bericht aan. Kies uit: dag – vrees – geluk – stof – man – vrouw – ongeloof – droef – naam – tijd

Van: juf_saar@hotmail.com

Aan: klas4@gmail.com

CC: Onderwerp:

Vakantie!! – out-of-office

Hallo, Ik kan je mail

tijdelijk

niet beantwoorden. De grote vakantie is begonnen.

maar! Het was een

Gelukkig

klas. Ik ben

droevig

dagelijks

ongelofelijk

fijn schooljaar in onze

, want ik ga jullie de komende twee maanden missen. Ik plan

iets leuks te doen. Zo trek ik op safari met het WWF om op zoek te gaan

naar mannelijke/vrouwelijke en vrouwelijke/mannelijke orang-oetans. Ik ben dan ook een expert in het herkennen van schattige apen. Ik had er

namelijk

een schooljaar

lang heel wat in mijn klas Als ik jullie terugzie in september zal onze klas er nu al

vreselijk

stoffig

bij liggen, maar ik ben

benieuwd naar jullie vakantieverhalen.

Tot dan! Juf Saar

Thema 9 - les 14

109


7

Luister goed. Schrijf op wat je hoort.

Ik twijfel.

1

2

3

4

5

6

Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.

8

Speel het spel ‘Er even tussenuit ...’ .

Er even tussenuit ... Maak afspraken 1 Wie begint er? 2 Wie leest de kaartjes voor? 3 Wie controleert of het woord juist is geschreven? 4 Wat is de speelvolgorde? Spelregels 1 De speler die de kaartjes voorleest, neemt een kaartje. In plaats van het onderstreepte woord, zegt hij: "Biep!". 2 De speler die begint, schrijft het woord dat ontbreekt op een kladpapier. 3 Controleer het woord. Is het juist? Dobbel en zet je pion vooruit. Een ladder is een binnenweg. Is het fout? Verbeter het woord. Zoek de passende spellingweter op. Weet je het woord niet? Vraag dan de eerste letter. 4 De volgende speler is aan de beurt. Leg het gebruikte kaartje onderaan de stapel. 5 Wie eerst uit is, wint.

110

Thema 9 - les 14


Spellingweters, taalweters, ei-brieven en spellingliedjes Spellingweter 1

Woorden die je schrijft zoals je ze hoort . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113

Spellingweter 2

Woorden met ui . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113

Spellingweter 3

Woorden met aai, ooi, oei . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114

Spellingweter 4

Woorden met eeuw of ieuw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114

Spellingweter 5

Woorden met de woordstukjes ver, be of ge . . . . . . . . . . . . . . 114

Spellingweter 6

Woorden met ng of nk, ngt of nkt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115

Spellingweter 7

Woorden met de woordstukjes enen, elen of eren . . . . . . 115

Spellingweter 8

Verkleinwoorden op je, tje, pje en etje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116

Spellingweter 9

Samenstellingen met dubbele medeklinker . . . . . . . . . . . . . . . 116

Spellingweter 10

Woorden met uw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116

Spellingweter 11

Woorden met ig(e) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117

Spellingweter 12

Woorden met (e)lijk(e) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117

Spellingweter 13

Woorden met ei of ij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118

Spellingweter 14

Woorden met au of ou . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118

Spellingweter 15

Woorden met g of ch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119

Spellingweter 16

Vreemde woorden met a . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119

Spellingweter 17

Woorden met ond of or

Spellingweter 18

Woorden met een bijzondere uitspraak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 120

Spellingweter 19

Woorden met em

Spellingweter 20

Woorden met ee op het einde van een woorddeel/

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

120 120

woord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121

Spellingweter 21

Woorden met a, o en u op het einde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121

Spellingweter 22

Woorden met oo voor ch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121

Spellingweter 23

Woorden die eindigen op d of t, b of p . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122

Spellingweter 24

Woorden met gt of cht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122

Spellingweter 25

Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven . . . . . . . . . . . 123

L4 - Spellingweters

111


Spellingweter 26

De punt, het vraagteken, het uitroepteken . . . . . . . . . . . . . . . . 124

Spellingweter 27

De komma en de dubbele punt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124

Spellingweter 28

Hoofdletter aan het begin van de zin en bij

persoonsnamen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124

Spellingweter 29

Hoofdletter bij namen van feestdagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124

Spellingweter 30

Hoofdletter bij aardrijkskundige namen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125

Spellingweter 31

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Taalweter 1

Waarom gebruik ik werkwoorden? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127

Taalweter 2

Wat is een infinitief? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127

Taalweter 3

Wat is een persoonsvorm? Hoe vind ik de

126

persoonsvorm? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128

Taalweter 4

Wat is de tijd van een werkwoord? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128

Taalweter 5

Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken:

enkelvoud of meervoud? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129

Taalweter 6

Wat is de stam?

Taalweter 7

Wat is de uitgang? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129

Taalweter 8

Wat betekenen de 1e, 2e en 3e persoon van het

Ei-brief 2 Ei-lied

129

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

131

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

132

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Au-lied

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Spellied

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Verenkel- en verdubbellied Werkwoordenrap Ei-lijst

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

werkwoord? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130

Ei-brief 1

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Au-lijst

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Mijn moeilijke woorden 112

. . . .

L4 - Spellingweters

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

133 134 135 136 137 139 139 140


Woorden waarbij je schrijft wat je hoort Woorden die je schrijft zoals je ze hoort

Je schrijft wat je hoort. Luister goed, zeker als klanken op elkaar lijken.

Tip Lees en hak het woord in stukjes. Luister goed. Onthoud en herhaal de stukjes. Schrijf ze op. Controleer wat je schreef.

spellingweter 1

Woorden met ui 

Hoor je ui, schrijf dan ui. Bij de ui schrijf je eerst de u en dan de i. De ui schrijf je zonder j.

Woorden met ui schrijf je net als uil.

spellingweter 2

L4 - Spellingweters

113


Woorden met aai, ooi, oei

Hoor je aai, ooi of oei, schrijf dan aai, ooi of oei. Aai, ooi, oei schrijf je met i en niet met j.

Woorden met aai schrijf je net als haai. Woorden met ooi schrijf je net als kooi. Woorden met oei schrijf je net als boei.

Luister en zing het spellied! spellingweter 3

Woorden met eeuw of ieuw

Hoor je eeuw en ieuw, schrijf dan eeuw en ieuw. Eeuw en ieuw schrijf je met een u voor de w.

Woorden met eeuw schrijf je net als leeuw. Woorden met ieuw schrijf je net als nieuw.

Luister en zing het spellied! spellingweter 4

Woorden met de woordstukjes ver, be of ge

Veel woorden beginnen met ge, ver of be. Die stukjes worden met een e geschreven.

Woorden met ver schrijf je net als verdriet. Woorden met be schrijf je net als begin. Woorden met ge schrijf je net als gelijk. spellingweter 5

114

L4 - Spellingweters


Woorden met ng of nk, ngt of nkt

Het verschil tussen nk en ng kun je horen: >> ng schrijf je altijd met ng. >> nk schrijf je altijd met nk (zonder g).

Woorden met nk schrijf je net als bank. Woorden met ng schrijf je net als ring.

Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen! Bv.  doodsbang  doodsbange bank  banken Tip Twijfel je tussen ngt of nkt? Doe de t weg en verleng. Bv.  denkt, denken / mengt, mengen ...

Luister en zing het spellied! spellingweter 6

Woorden met de woordstukjes enen, elen of eren

In de woordstukjes eren, elen of enen hoor je twee doffe klinkers.

Woorden op eren schrijf je net als kinderen. Woorden op elen schrijf je net als meubelen. Woorden op enen schrijf je net als tekenen.

spellingweter 7

L4 - Spellingweters

115


Verkleinwoorden Verkleinwoorden op je

Bij verkleinwoorden op je schrijf je eerst het grondwoord en dan je. Bv.  boekje = boek + je, hartje = hart + je

Let op! blad gat glas

blaadje  gaatje  glaasje

Je schrijft verkleinwoorden op je net als kindje (kind + je).

Verkleinwoorden op tje, pje en etje

Bij verkleinwoorden op tje schrijf je eerst het grondwoord en dan tje. Bv.  haartje = haar + tje Bij verkleinwoorden op pje schrijf je eerst het grondwoord en dan pje. Bv.  boompje = boom + pje Bij verkleinwoorden op etje schrijf je eerst het grondwoord en dan etje. Bv.  kammetje = kam + metje

Let op! De laatste medeklinker van je grondwoord verdubbelt bijna altijd.

Je schrijft verkleinwoorden op tje net als boontje. Je schrijft verkleinwoorden op pje net als raampje. Je schrijft verkleinwoorden op etje net als balletje. spellingweter 8

Samenstellingen met dubbele medeklinker

Bij lange woorden moet je eerst hakken en dan plakken. >> hand + doek = handdoek >> oor + ring = oorring >> deur + slot = deurslot spellingweter 9

Woorden met uw

De lange u voor een w schrijf je altijd enkel (bv. duwt, schaduw).

Woorden met uw schrijf je net als duw. spellingweter 10

116

L4 - Spellingweters


Woorden met ig(e)

In sommige woorden hoor je een doffe e, maar schrijf je ig(e): rustig, bezig, machtige ... Je noemt ze rustig(e) woorden.

Woorden met ig(e) schrijf je net als rustig(e).

rustige woorden

spellingweter 11

Woorden met (e)lijk(e)

In sommige woorden hoor je een doffe e, maar schrijf je (e)lijk(e): heerlijk, moeilijk, duidelijke ... Je noemt ze heerlijk(e) woorden.

Woorden met (e)lijk(e) schrijf je net als heerlijk(e).

heerlijke woorden

spellingweter 12

L4 - Spellingweters

117


Woorden die je onthoudt Woorden met ei of ij  

Schrijf ik de ei van ei of de ij van rij? Dit moet je onthouden. We onthouden de ei-woorden, de andere woorden schrijf je met een ij. Als je een woord in het ei-lied hoort (of op de ei-plaat/ei-brief ziet), dan schrijf je het met ei. Hoor je het niet of zie je het niet, dan schrijf je het met ij.

Let op! Er zijn nog ei-woorden. Die woorden leer je later.

Woorden met ei schrijf je net als ei. Woorden met ij schrijf je net als ijs.

Luister en zing het ei-lied!

spellingweter 13

Woorden met au of ou

ls een woord in het au-lied of de au-strip komt, dan schrijf je het met een au. A Als je een woord niet in het au-lied hoort of op de au-strip ziet of niet van buiten hebt geleerd, dan schrijf je het met ou.

Let op! Er zijn nog au-woorden. Die woorden leer je later.

Woorden met au schrijf je net als saus. Woorden met ou schrijf je net als kous.

Luister en zing het au-lied! spellingweter 14

118

L4 - Spellingweters


Woorden met g of ch

Woorden met ch moet je onthouden.

Tip Meestal schrijf je g!

Woorden met g schrijf je net als weg. Woorden met ch schrijf je net als zich.

Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen: >> wegen >> lachen

 weg  lach

Je hoort dan het verschil tussen g en ch. spellingweter 15

Vreemde woorden met a

Bij sommige woorden van vreemde oorsprong mag je na de a, die soms kort wordt uitgesproken, de medeklinker niet verdubbelen. Die woorden noem je banaan-woorden. Je moet ze onthouden. Veel van die woorden staan op de banaanplaat.

De korte a in sommige woorden van vreemde oorsprong schrijf je net als banaan. spellingweter 16

L4 - Spellingweters

119


Woorden met ond of or

Sommige woorden worden met een doffe e uitgesproken, maar met ond of or geschreven. Die woorden moet je onthouden.

Woorden met ond schrijf je net als avond. Woorden met or schrijf je net als motor. spellingweter 17

Woorden met een bijzondere uitspraak

Sommige woorden spreek je op een bijzondere manier uit (bv. alsjeblieft). Die woorden moet je onthouden.

Het zijn woorden net als lichtje, zachtjes, lyceum, veertig, zakdoek, ontdekken, openlijk ... spellingweter 18

Woorden met em

In sommige woorden hoor je een doffe e en schrijf je em. Die woorden moet je onthouden.

Woorden met em schrijf je net als adem.

Ik adem!

spellingweter 19

120

L4 - Spellingweters


Woorden waarbij je een regel gebruikt Woorden met ee op het einde van een woorddeel/woord

Op het einde van een woord schrijf je ee dubbel. Dat moet je onthouden.

Woorden met ee op het einde schrijf je net als zee.

Let op! Hoor je een lange a, o, u op het einde van een woord? Dan schrijf je de klinker enkel. Bv.  ga, zo, nu ... Tip

Als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je de ee ook dubbel.

Woorden met ee op het einde van een woorddeel schrijf je net als meegaan en tweede.

Let op! Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel. Bv.  jawel, zozeer ... spellingweter 20

Woorden met a, o en u op het einde

Op het einde van een woord schrijf je a, o of u enkel.

Woorden met een lange a op het einde schrijf je net als ga. Woorden met een lange o op het einde schrijf je net als zo. Woorden met een lange u op het einde schrijf je net als nu.

Ga nu zo!

Tip Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel.

Bv.  jawel, zozeer, ... spellingweter 21

Woorden met oo voor ch

Je schrijft de lange o voor ch altijd dubbel.

Woorden met oo voor ch schrijf je net als goochelen. spellingweter 22

L4 - Spellingweters

121


Woorden die eindigen op d of t, b of p

Verlengen!

Als je twijfelt, moet je verlengen.

Tip Verlengen doe je door aan het einde van een woord e, en of er toe te voegen: >> >> >> >>

hond tent heb pop

窶ドonden 窶フenten 窶ドebben 窶パoppen

Woorden die eindigen op d schrijf je net als hond. Woorden die eindigen op t schrijf je net als tent. Woorden die eindigen op b schrijf je net als heb. Woorden die eindigen op p schrijf je net als pop.

Let op! S oms zitten woorden op d of t in een ander woord verstopt (bv. brandweer). Denk na uit welke woorden de samenstelling bestaat. Verleng om te weten of je d of t moet schrijven. spellingweter 23

Woorden met gt of cht

Tok tok!

Na een korte klank schrijf je altijd cht, behalve in ligt, legt en zegt. ja

cht

Korte klank? nee gt Let op! De kip ligt in het hok, legt een ei en zegt tok tok. Ligt, legt en zegt komen van de werkwoorden liggen, leggen en zeggen. Je schrijft ze dus ook met g. Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen.

Woorden met gt schrijf je net als jaagt. Woorden met cht schrijf je net als gezicht.

Luister en zing het spellied! spellingweter 24

122

L4 - Spellingweters


Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven Zo moet je verdubbelen (bv. vissen)

Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een korte klank, schrijf dan 1 klinker en 2Â medeklinkers. Ik luister naar het einde van de klankgroep.

Ik hoor een korte klank.

Ik schrijf 1 klinker en 2 medeklinkers.

vette vissen zonnen tussen kwallen

Zo moet je verenkelen (bv. apen)

Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een lange klank, schrijf dan 1 klinker en 1Â medeklinker. Ik luister naar het einde van de klankgroep.

Ik hoor een lange klank.

Ik schrijf 1 klinker en 1 medeklinker.

apen kopen dure kleren

Zo schrijf je gewoon

Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een andere klank, dan schrijf je gewoon. Ik luister naar het einde van de klankgroep.

Ik hoor een andere klank.

Ik schrijf gewoon.

jonge dieven worden meestal gepakt en krijgen flinke boetes

Tip Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan schrijf je ook gewoon.

Luister en zing het verenkel- en verdubbellied! spellingweter 25 L4 - Spellingweters

123


De punt, het vraagteken, het uitroepteken

De punt sluit een zin af. Het vraagteken sluit een vraagzin af. Het uitroepteken sluit een zin af met een kreet, wens, bevel of waarschuwing. spellingweter 26

De komma en de dubbele punt

De komma brengt een rustpauze in een opsomming aan. De dubbele punt kondigt een opsomming aan.

Bv.  Jan verzamelt vlinders, bladeren, stenen en schelpen. Dit drinkt Jan graag: wijn, bier, melk en fruitsap. spellingweter 27

Hoofdletter aan het begin van de zin en bij persoonsnamen

Je schrijft een hoofdletter aan het begin van een zin. Ook de eerste letter van een persoonsnaam schrijf je met een hoofdletter (bv. Jan, Piet, Karel).

Bv.  Gisteren gingen Jan en Piet naar de kermis.

Let op! Alle eigennamen schrijf je met een hoofdletter, uitgezonderd bij: >> >> >> >>

weekdagen (maandag, dinsdag ...) maanden (januari, februari ...) seizoenen (herfst, winter ...) windrichtingen (noordoosten ...) spellingweter 28

Hoofdletter bij namen van feestdagen

Feestdagen schrijf je met een hoofdletter.

Feestdagen schrijf je met een hoofdletter net als Kerstmis, Pasen, Suikerfeest, Moederdag ... spellingweter 29

124

L4 - Spellingweters


Hoofdletter bij aardrijkskundige namen

Aardrijkskundige namen (straten, steden, landen ...) schrijf je met een hoofdletter.

Aardrijkskundige namen (straten, steden, landen ...) schrijf je met een hoofdletter net als: >> >> >> >>

Jan woont in de Zeeweg in Rotterdam. Rotterdam is een grote stad in Nederland. Door Rotterdam stroomt de Rijn. De Rijn ontspringt in de Alpen. spellingweter 30

L4 - Spellingweters

125


126

L4 - Spellingweters

MAAR ... jij/je na pv: STAM

2e persoon enkelvoud jij STAM + t

3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t

1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en

ik werk

ik speel

jij speelt speel jij jij werkt werk jij zij werkt

hij speelt jullie werken

wij spelen

Verleden tijd (v.t.)

STAM + de(n) STAM + te(n)

zij werkten

ik speelde

Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.

Schrijf wat je hoort.

Geen Klankverandering klankverandering

Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.

1e persoon enkelvoud ik STAM

Tegenwoordige tijd (t.t.)

Zoek het onderwerp en de pv.

ja

Is het een pv?

Zo schrijf je werkwoorden in de tegenwoordige tijd

d t

spellingweter 31

Bv. gespeeld, geplaatst

trilt trilt niet

Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief.

Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...

Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!

nee


Taalweters Waarom gebruik ik werkwoorden? We gebruiken werkwoorden meestal om een toestand, een gebeurtenis of een handeling uit te drukken. De meeste werkwoorden zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt.

Is slapen ook een werkwoord, juf?

Bv. Ik schrijf nu deze moeilijke zin. Straks neem ik een pauze. Ik zal straks naar jou komen. Sommige werkwoorden zeggen wat of hoe het onderwerp is of wordt. Bv. Ik ben moe. Het is niet gemakkelijk. taalweter 1

Wat is een infinitief? De infinitief is een soort moedervorm van een werkwoord. Het is de vorm die je terugvindt in een woordenboek.

Ik moet werken. Is dat definitief?

Werken is de infinitief.

Bv.  werken, slapen, eten, schrijven ... Je vindt de infinitief door een minizin te maken met ik zal. Bv.  Ik zal slapen. Ik zal kopen.

taalweter 2

L4 - Taalweters

127


Wat is een persoonsvorm? De werkwoordsvorm die bij het onderwerp staat, noem je de persoonsvorm. Bv.  Bij het onderwerp ik hoort de persoonsvorm kom. Bij het onderwerp jij hoort de persoonsvorm komt.

Ik kom graag naar school.   Jij komt ook graag naar school.

De persoonsvorm staat graag in de buurt van het onderwerp.

Hoe vind ik de persoonsvorm? Je vindt de persoonsvorm door een ja-neevraag te stellen. De persoonsvorm komt dan vooraan te staan. Bv.  Opa houdt van snorkelen.

Vind ik zo de persoonsvorm?

Houdt opa van snorkelen?

taalweter 3

Wat is de tijd van een werkwoord? Dat zie je aan de persoonsvorm. Heeft de spreker het over de tegenwoordige tijd (nu) of over de verleden tijd (vroeger)? Tegenwoordige tijd

Het regent. Dat is niet zo erg. Ik kan nu toch niet buiten.

Verleden tijd

Gisteren regende het. Dat was erg. Ik kon geen fietstocht maken. taalweter 4

128

L4 - Taalweters


Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken: enkelvoud of meervoud? Dat kun je zien aan het onderwerp. Het onderwerp en persoonsvorm komen altijd overeen. Als het onderwerp enkelvoud is, dan staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud. Bv.  de aap loopt, ik lach, papa slaapt ... Als het onderwerp meervoud is, dan staat de persoonsvorm ook in het meervoud. Bv.  de apen lopen, wij lachen, peuters slapen ... taalweter 5

Wat is de stam? De stam is een vorm van een werkwoord. Als je de verschillende vormen van een werkwoord naast elkaar zet, kom je telkens een gelijk deel tegen: het deel dat je overhoudt als je van de infinitief -(e)n wegneemt. Bv.  drinken – ik drink – jij drinkt – wij drinken zien – ik zie – jij ziet – wij zien Dat gelijke deel noem je de stam. De stam eindigt op de kijkletter. Bv.  infinitief: werken infinitief: antwoorden

de stam: werk de stam: antwoord

ik werk ik antwoord taalweter 6

Wat is de uitgang? Het deel dat je achteraan de stam toevoegt als je een werkwoord gebruikt, noem je de uitgang. Bv.

ik drink hij drinkt jij drinkt wij drinken jullie drinken zij drinken

ik zie hij ziet jij ziet wij zien jullie zien zij zien

Ik drink nooit thee.

taalweter 7

L4 - Taalweters

129


Wat betekenen de 1e, 2e en 3e persoon van het werkwoord? Ben ik de eerste persoon? Voor mij ben jij de tweede persoon en is hij de derde persoon.

1e persoon 2e persoon 3e persoon

Enkelvoud ik loop jij/u loopt hij/zij (ze)/het loopt

1e persoon 2e persoon 3e persoon

Meervoud wij lopen jullie lopen zij (ze) lopen taalweter 8

130

L4 - Taalweters


Ei-brief 1

Hoi lieve oma en opa, Ik ben er, hoor! En papa en mama ook. Op dit eiland vieren we vakantie. We hebben twee dagen moeten reizen. Papa en mama waren allebei moe toen we aankwamen. Nou, ik niet! Ik ben naar het zwembad gegaan. Daar kwam ik een aardig meisje tegen. “Hoi!” zei ze. “Ik ben de keizer van dit eiland.” Dat vond ik gek, maar toen begon ze te lachen. “Zo heet ik: Lieke de Keizer”, legde ze uit. Ze is iets ouder dan ik, maar wel de kleinste van ons twee. Je kunt heel erg met haar lachen. Ik ben nu haar vriendin. Ze praten hier ook in een vreemde taal. Daarnet moest ik prei en eieren gaan kopen. In de winkel lagen allerlei dingen, maar geen eieren. De eigenaar van de winkel begreep niet wat ik moest hebben. Toen deed ik een kip na. Ik deed net of ik een ei legde. De meneer moest keihard lachen, maar snapte me wel. Nu neem ik afscheid van jullie. Volgende maand ben ik weer thuis. Tsjie-aa-oo (zoiets zeggen ze hier), Drie dikke XXX

131


Ei-brief 2

Lieve kleindochter, Goed dat jullie eindelijk veilig zijn aangekomen! Het zijn mooie eilanden, maar moeilijk te bereiken. Ik ken ze. Oma en ik zijn er beiden vroeger ook geweest. Ik had me heilig voorgenomen er ooit terug naartoe te gaan. Daar is tot nu toe weinig van gekomen. Eigenlijk ben ik heel jaloers op je. Zullen we naar je toe komen? Ik kan je leiding geven als je het eiland wilt verkennen. Of scheidsrechter spelen als jij en oma niet weten waarheen eerst. Ik zie mezelf wel als de opa-leider. Ik wil niet geheimzinnig doen, maar er schijnt ergens op het eiland een kostbare schat te liggen ... Ik maak maar een grapje, hoor. Ik wil wel graag met oma komen. Anders zou ik voor een paar weken van je oma moeten scheiden. Dat nooit! Ik moet nu eindigen. Doe je papa en mama de groeten. Liefs, Opa

132


Ei-lied Refrein ’t Was op een dag in mei, dat het zielig kipje zei: “M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei? Ik had het nog maar net gelegd en nu is het dan zomaar weg. M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei?” Midden op de hei stond een geit op een grote kei. Kip vroeg: “Heb je misschien m’n schitterende ei gezien?” Geit heeft toen verklikt: “Jouw ei, dat is gepikt!” Refrein In de wei daar stond een koe. De kip liep naar haar toe. De koe zei: “Kipje lief, ’t is gestolen door een dief! Die bleef hier niet lang staan. Hij is op reis gegaan.” Refrein Het kipje ging toen vlug heel sip naar huis terug. Onder zeil stond kipjes hok. Daar zat iets op haar stok. Kip zag wie het had gedaan. De dief, dat was de ... haan! Refrein Van een klein stukje klei kneedde de kip een ei. Ze wierp het tegen de haan zijn oor, die ging er met de trein vandoor. ‘t Einde was niet top. De boer at ‘t eitje op! ’t Was op een dag in mei, dat het zielig kipje zei: “M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei? Ik had het nog maar net gelegd en nu is het zomaar weg. M’n ei, m’n ei, m’n ei! Dat was dus m’n ei!”

133


Au-lied Refrein Ik ben de au, de au van flauw. Ik zit in saus en ook in paus. Maar minder fijn: ik hoor bij pijn ... Au! Au! Au! Au! In het woordje auto zit ik ook. Ik kringel weg in blauwe rook. Ik sta graag op voor dag en dauw en eet mijn soep het liefste lauw. Refrein De otjes-ou dat is mijn broer. Als ik hem plaag, zegt hij heel stoer: “Stop daar nu mee, doe niet zo flauw, of ik mep je bont en blauw!” Refrein Ben jij gauw moe, omdat ’t snel gaat? Haal kauwgom uit een automaat. Kauw kalmpjes en naar hartenlust, tot je voelt: wauw! – ik ben uitgerust. Refrein Ik zit in woorden zoals pauw, augustus en een beer zijn klauw. Hoor je me snauwen en op deuren bonzen, dan mag je gerust je wenkbrauw fronsen.

134


Spellied Refrein Ik zal je vertellen, ik ben dol op spellen. p of een b? Hond met een d. Of moet dat met t? Ik zit er niet mee. Dat zijn geen zaken die mij kwellen, want ik ben dol ... op spellen. Simpele regels helpen mee, zoals bij aai en oei en ooi. Je schrijft een i, en dus geen j. Nooit meer een fout, is dat niet mooi? Refrein Met ieuw en eeuw zijn er woorden die last zouden kunnen geven. Schrijf uw waar je die hoorde, maar die worden steeds geschreven. Refrein Let goed op bij wat ik nu zing, je hoort en schrijft n en een g. In het geval van het woord ring maar in bank doet de g niet mee. Refrein Wil je deze puzzel kraken: schrijf je ng of toch nk? Dat hoor je bij het langer maken, mengen, denken, dus ga maar na. Refrein Nog een probleem waar ik aan dacht, is cht of g met t? Bij zucht en recht en dicht en lacht, is de klank kort dus ... cht. Refrein Het woord zegt komt van zeggen, vandaar dus de g, die je ziet. Zo ook met liggen en leggen. Hier gebruik je cht dus niet.

135


Verenkel- en verdubbellied Refrein Je ziet niet altijd wat je hoort. Je hoort niet altijd wat je ziet. Bij de juiste spelling van een woord, helpt misschien dit klankenlied. Zing maar mee en met z’n allen: vette vissen zonnen tussen kwallen. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde van de klankgroep kort, weet je vanzelf hoe het geschreven wordt. Onthoud dit en schrijf maar mee: van klinkers één, van medeklinkers twee. Refrein Zal ik eens iets geks beweren? Rare apen kopen dure kleren. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde van een klankgroep lang, ga bij het schrijven niet zomaar je gang. Onthoud dit en schrijf meteen: van de klinker en de medeklinker één. Refrein Nog een zin aan elkaar geplakt: jonge dieven worden meestal gepakt. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde niet lang of kort, weet je vanzelf hoe het geschreven wordt. Onthoud dan: bij dit soort van woord schrijf je gewoon de klank op die je hoort. Refrein

136


Werkwoordenrap Een werkwoord, ’t is ongehoord wat je daarmee kunt. Niet verkeerd dat deze rap jou de regels leert. De eerste stap die gaat rap: zoek het onderwerp. Zoek dan ook de pee vee, aan de slag ermee. Geen pee vee? Niks: “O, jee!” Schrijf op wat je hoort en bedenk: je hebt toch spellingweters nog. Dus het touw dat je knoopt: het geknoopte touw. En de vrouw die zich kleedt: de geklede vrouw. Gemaakt met dee, of met tee? Maak er gemaakte van. En de man die jij plaagt, is een geplaagde man. Wel pee vee? In tee tee? Ik gebruik de stam. Stam plus tee, plus ee - en: regels die ik ken.

137


vervolg Werkwoordenrap Speelt hij? Spelen wij? Ja, straks na de bel. Werkt hij? Werken wij? Nou, dat dacht ik wel! Maar let op, want met je is het stam plus tee. Maar staat je na pee vee: doet die tee niet mee. Ik rap rap een rappe rap met alle regels die ik heb. Werkwoorden moeilijk? Neen toch, dat is niet zo. Laat ze maar komen, ik zeg: “Yo!” Laat ze maar komen en ik zeg: “Yo!”

138


Ei-lijst

Au-lijst

139


Mijn moeilijke woorden

140


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
TALENT 4: spellingschrift - correctiesleutel by VAN IN - Issuu