C68 M17 Y3
C16 M30 Y7
2 Spellingschrift Correctiesleutel
C100 M76 Y
C68 M17 Y3
3
C70 M20 Y6
C16 M30 Y7
Coördinatie: Daan Debuysere Auteurs: Jeroen Reumers Bea Willems Daan Debuysere Met medewerking van: Pieter Van Biervliet
Bij TALENT voor het 2e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Leesboek Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel - Wist je dat? Projectbundel - Van dino’s tot dodo’s Projectbundel - Dat is mooi, niet? Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C en spellingschrift Voor de klas: Talentbib 2 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal): Bingel Max Bingel Plus Bingel Start
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2018 ISBN 978-90-306-8243-1 978-90-306-8238-7 D/2018/0078/72 D/2018/0078/75 Art. 569652/01 569657/01 NUR 191
Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Tineke Meirink Tekeningen spellingweters: Eric Bouwens
les 3
Herhaling eu
d
n
aa
k
g
ie
ui
a
u
e
aai
h
z
ooi
oe
i
i
v
r
t
s
t
Spellingweter 1 Spellingweter 11 Spellingweter 12 Spellingweter 22 Spellingweter 23 1
ee
n
l
f
Woorden die je schrijft zoals je ze hoort Woorden met ui Woorden met aai, ooi, oei Woorden met achteraan s of f Woorden met ee op het einde van een woord
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. dus
Een kat is
het net
Sam vist met het
net
van zijn oma.
de zee
Kamma zegt: “De
zee
is koude soep.”
de kuil
Graaf jij een
de haai
Pats zei: “Daar zwemt een
het vuur
Zonder
af
Is mijn werk
de deur
Hans maakt een gat in de
een
Hoe heet
tien
Elf is één meer dan
de vis
Kan een
de soep
Kook jij soms
geen mus.
dus
voor de juf?
kuil
.”
haai
geen rook.
vuur
?
af
.
deur
gat in de muur? Raam!
een
.
tien
praten?
vis soep
?
Thema 1 - les 3
3
2
Sorteer de woorden. Kies uit: de – maai – zee – deur – luik – net – toe – oei – vuur – boos – af er – map – vis – vaas – boer
drie letters
twee letters
3
de
af
er
zee
net
toe
oei
map
vis
vaas
maai
deur
luik
vuur
boos
boer
Schrijf de woorden in de juiste spiegel.
zee
een
pen
Nee, ze is weg!
4
vier letters
zee
mee
fee
Thema 1 - les 3
de
mep bel
Nee, ze is weg!
een
de
het
er
het
pet
mee
er
Nee, ze is weg!
pen
mep
bel
pet
fee
4
Vul aan. Kies uit: saai – ooit – gooi – haai pet – fee – een – zee – mee – me – mep – gaat 1 Wil je dat ik die bal 2 Ik zag
saai
4
Gaat
de
mee
naar
5 Hij vertelt 6 Ik geef een
5
een
ooit
3 Dat vind ik
?
gooi
.
haai
. fee
?
zee
me
op de
mep
mooi verhaal.
een
.
pet
a Kijk naar de grote woorden. Kleur: een woord met eu.
een woord met ui.
een woord met oe.
een woord met ie.
Grietje zit in de tuin. Een mier loopt over het laken.
Boem! Grietje gilt en valt op haar neus. Wat doe jij nu? vraagt Hans. Heb je jeuk aan jouw voet? Of kriebelt jouw hand of duim?
Oef! Het dier is naar huis. b Schrijf de woorden.
eu
oe
ui
ie
neus
boem
tuin
mier
jeuk
doe
duim
dier
voet
huis
oef
Thema 1 - les 3
5
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
Ik twijfel.
5
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
Bedenk woorden. Maak een zin met één woord.
oei
ooi
eu
bv. oei
deur
mooi
aai
bv. haai
hier
huis
6
ui
ie
Thema 1 - les 3
les 11
Woorden net als knal, spook en snel Knoert het spook speelt met zijn spin. Het spel heet: roep geen stop! “Hoe gaat dat spel?” vraagt de spin. “Ik smijt jou weg”, legt het spook uit. Hij staat op en pakt de spin. “Stop!” snikt de spin meteen. “Ha ha, ik win!” lacht Knoert het spook.
Spellingweter 13 1
Woorden met meerdere letters vooraan
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. het spel
Leen wint het
het stuur
Een boot heeft geen
de knal
De eerste
snel
Nel is
het spook
Het
smal
hij staat
Hij
de spin
de stam
De
stuk
hij speelt
Hij
zij stopt
De juf
hij smijt
Het spook
hij snikt
De spin
nooit.
spel
maar een roer.
stuur
was de oerknal.
knal
.
snel
is bang van mij.
spook
De trap in onze school is heel
smal
.
voor aap.
staat
Amir legt de
naast de wip.
spin
van de boom is heel erg dik.
stam
Mijn broek gaat vaak
stuk
op de knie.
in de tuin.
speelt stopt smijt snikt
het spel. de spin weg. heel luid.
Thema 1 - les 11
7
2
Kleur: woorden met sp.
ik snik
woorden met st. woorden met sn.
steen
spook
6
snoep
7
ster
8
stoel
9
prik/spuit
spin
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Vul het juiste woord in. 1 Een 2 Er komt
Thema 1 - les 11
loopt sneller dan een
spin
(st)
3 De boer werkt in de
8
5
stuur
3
4
4
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
2
knoop
het stuur
wij staan
Schrijf bij elke prent het juiste woord. 1
snel
het spook
hij staat
het snoep
3
de stoel de snaar
het spel
ik stop
stoom
(st)
uit de ketel. stal
.
slak
.
5
a Vul aan. Kies uit: stal – snoet – knul – staat – knap – smid – smult ipt – am – aart 1 De
snoet
van de prins is heel
2 De
smid
heeft een paard.
3 Het paard
in de
staat knul
5 De
stam
van de boom is ziek.
6 De kapper
van de taart.
smult
haar
knipt
.
stal
4 De
.
knap
.
staart
b Schrijf de woorden in de juiste kolom.
kn
6
st
sm
sn
knap
staat
smid
knul
stal
smult
knipt
stam
staart
snoet
Vul aan. Kies het woord, dek het af en schrijf het in de zin. Kies uit: stoer – smult – klakt – stuk – springt knagen – plan – snel Mijn broer ziet een muis en
.
stoer
De muis
smult
van een
Mijn broer wil de muis verjagen. Hij De muis houdt op met Het
omhoog. Hij is niet
springt
plan
knagen
kaas.
stuk klakt
met zijn tong.
.
werkt! De muis loopt
snel
weg. Thema 1 - les 11
9
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1 2 3 4 5 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Bedenk overal drie woorden. 
sp
st
kn
10
Thema 1 - les 11
speer
bv. spek
spoor
brok
bril
spuit
bruis
ster
klas
stap
klim
stom
klok
knap
zweet
knol
zwak
knus
zwem
br
kl
zw
les 18
Woorden net als tram, fles en sliep
Spellingweter 13 1
  Woorden met meerdere letters vooraan
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. ik zweet
dwaas
Het is
de fles
Ik drink water uit de
de tram
We rijden met de
de groep
We gaan met de hele
hij zwom
Ken jij de mop van de vis die
het groen
Als je geel met blauw mengt, krijg je
de brief
Ze schrijft een
hij kroop
Sam
slim
ik sliep
Ik
de gleuf
de kleur
Welke
ik onder mijn oksel?
Zweet
om je jas onder je trui aan te trekken.
dwaas
brief
kleur
?
zwom groen
.
naar haar oom.
door het oog van de naald. bent, maak je wel eens een fout.
slim sliep
zwemmen.
groep
als een roosje.
De munt past niet in de
naar de zoo.
tram
kroop
Ook als je
.
fles
gleuf
.
heeft jouw trui?
Thema 1 - les 18
11
2
Geef de woorden met dezelfde letters vooraan dezelfde kleur.
het plein
de flop
plat ik z wem
de fl
zwaar
ik slik de droo
4
de draak
Schrijf bij elke prent een woord met twee letters vooraan.
broer
tram
blauw
zwaan
groen
plan
gras
trap
Zoek het tegengestelde. Vul in.
Ik twijfel.
1 Niet klein maar
groot
.
2 Niet licht maar
zwaar
.
3 Niet stout maar 4 Niet snel maar 5 Niet gekleed maar
12
m
de slee
uit
3
droog
flink
Thema 1 - les 18
.
braaf traag bloot
.
.
Fout? Verbeter.
5
6
Lees, dek af en vul in. 1 kraan
Er komt geen druppel water uit de
2 plas
Vital viel met zijn billen in een
3 zwaan
De zwarte
4 krak
“
5 groen
Zijn de ogen van je buur bruin, blauw of
6 prut
Heeft je buur
.
kraan plas
.
zwemt.
zwaan
!” zei de paddenstoel met een diepe zucht.
Krak
groen
?
in zijn oren?
prut
Vul een woord in met twee letters vooraan. Schrijf ook het juiste leesteken. Kies uit: knal – slim – trol – ? – ! – . 1 Tri, tra,
, je wordt een oliebol .
trol
2 Had die dwaze dwerg die 3 “Ik ben
7
slim
dan niet gehoord ?
knal !
“ riep de prins.
Vul de tekst aan. Kies uit: groen – zwart – broer – bruin – snoep smult – trap – drop Hans en Grietje zijn
en zus.
broer
Ze wandelen in het bos. Wat zien ze daar? Is dat een huis? De deur is
groen
.
Het dak is
zwart
en
de ramen zijn
bruin
Op alle muren hangt heel veel Hans
van de
smult
Grietje eet de
trap
. snoep
.
drop
op de muur.
van koek verder op. Thema 1 - les 18
13
8
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1 2 3 4 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
9
Maak twee woorden met twee letters vooraan. Maak er een zin mee. Kies uit: br – gr – kl – zw – st – vr – pl
Bv. De vrouw poetst de klas.
14
Thema 1 - les 18
les 3
Woorden net als fiets, lamp en erg Mijn kies deed eens erg veel pijn, het was een ramp. De tandarts uit ons dorp hielp me. Hij zei: “Lig maar onder de lamp. Een gaatje, dat fiks ik wel, dat is niets.” Ik zei: “Dan pak ik gauw mijn fiets. Ik haal mijn bal, die zoek ik in mijn kast. Daar zit ook een gaatje in, dat vul jij vast!”
Spellingweter 13 1
Woorden met meerdere letters achteraan
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de fiets
Mijn
hij hielp
Mijn buur
niets
Niks is hetzelfde als
het dorp
In ons
erg
Het is niet
ons
In
eens
Ben jij al
de ramp
Ik brak mijn been. Wat een
de lamp
De dief liep tegen de
de kast
Ligt die stift in de
vast
Het wordt
paars
Rood en blauw maken samen
de film
Ik koop een kaartje voor de nieuwe
de melk
Een egel geef je beter geen
de hals
Na het turnen had ik pijn in mijn
heeft twee wielen.
fiets
me bij de taak.
hielp
.
niets
zijn er twee scholen.
dorp
als je het niet weet.
erg
dorp staat een huis.
ons
stout geweest?
eens
!
ramp
.
lamp
?
kast vast
en zeker een leuk feest. .
paars
.
film melk hals
. .
Thema 2 - les 3
15
2
Sorteer de woorden. Kijk naar de letters achteraan.
s ma erg val rm kans ls be org z war zalf m dons elf ls
ns
vals
kans
mals
dons
rm
3
warm
berm
rg lf
erg
zalf
zorg
elf
Schrijf elk woord bij het passende schijfje. Kijk naar de letters achteraan. Kies uit: dorp – kaart – rits – melk – iets – hart – balk – zalm – film – werp
ts
lm
rits
zalm
iets
film
rp
16
Thema 2 - les 3
rt
lk
dorp
kaart
melk
werp
hart
balk
4
5
Lees, dek af en vul in.
Ik twijfel.
1 laars
Die
laars
is te groot.
2 palm
Een
palm
is een boom.
3 jurk
De
jurk
4 kaars
Zet een
5 ramp
Oei, oei, wat een
ramp
!
6 soms
Mijn broer slaapt
soms
lang.
7 harp
Deze
heeft 46 snaren.
van de juf is mooi.
voor je raam.
kaars
harp
Fout? Verbeter.
Vul de zin aan. Bedenk een woord met twee letters achteraan. Ik heb honger als een En dat al sinds Ik
elf/twaalf
melk
Of misschien eet ik een haast
Brrr. Het is niet En die
wolk
uur.
wel een stuk taart.
lust
Of een kop koffie met wat
Ik
.
wolf
lf lf st .
lk
eitje.
vers
rs
me naar het hok van onze kip. warm
buiten.
st
rm
ziet er maar donker uit.
lk
Thema 2 - les 3
17
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
De worm eet de woorden stuk. Zoek wat samenhoort. Vul de tekst aan.   Wie eet er nu Je eet meer De
dan iets.
niets
je weet dat een
als
worm
ls aak a wo
valt nog wel mee.
smaak
Maar wat
kaas met gaatjes?
graag
nie aag
gr
sm
rm
ts
die gaatjes maakte?
Dan is dat niet leuk. (Grapje!) Op
kamp
Die is dan zeker Je smikkelt die in je
18
Thema 2 - les 3
maak je soms kaas. vers tent
ve
. lekker op.
ka
te
rs
mp
nt
les 11
Woorden net als ui sn fl
fr pr
k
1
ui
v
Spellingweter 11
t
t
k
t
l
l
Woorden met ui
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de pruik
De
de kuil
Wie een
de snuit
Een mens heeft een snoet, een dier een
het fruit
Een tomaat, is dat nu groente of
Luik
“
de uil
Hedwig is de
de fluit
Speelt Hans een liedje op zijn
vuil
Mijn huis is schoon en niet
lui
Mijn opa is niet
het stuur
Mama zit meestal aan het
de kleur
Ik vind rood de mooiste
de gleuf
De postbode steekt de brief in de
van oma is mooi.
pruik
graaft voor een ander, valt er zelf in.
kuil
Luik
.
snuit
?
fruit
is de naam van een stad”, zegt opa. van Harry Potter.
uil
?
fluit
.
vuil
maar erg moe.
lui
.
stuur
kleur van een regenboog. gleuf
.
Thema 2 - les 11
19
2
3
Kleur ui in elk woord. Schrijf het woord over. de spuit
spuit
het fruit
fruit
het huis
huis
de buik
buik
ruim
ruim
bruin
bruin
Omkring de woorden met ui. Schrijf ze op.
buis
trui
bruin geur
muis buur
huis
4
muur
kuil reus
duim
buis
trui
bruin
muis
kuil
huis
duim
Overleg met je buur. Vul aan met een woord met ui.
20
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1
groen
rood
geel
bruin
2
appel
kers
framboos
druif
3
pink
ringvinger
wijsvinger
duim
4
spurt
loop
stap
kruip
5
broek
jas
hemd
trui
6
gitaar
viool
piano
fluit
7
vlieg
vlo
mug
luis
Thema 2 - les 11
5
6
7
Los de raadsels op. Ga op zoek naar een woord met ui. 1 Ik heb blaadjes maar ben kleiner dan een boom.
struik
2 Ik kriebel in het haar van kinderen.
luis
3 Ik zeg altijd: roekoe, roekoe.
duif
4 Je woont in mij.
huis
5 De dokter gebruikt mij om te prikken.
spuit
6 Ik ben wit of blauw. Boeren maken wijn van mij.
druif
Vul de woorden op de juiste plaats in. buik – spuit
Ik krijg een
snuit – luik
Door het
vuil – buis
Het water dat door de
pluim – juist
De
in mijn
buik
zie je de
snuit
spuit luik
van de aap.
stroomt, is
buis
van Raaf is
pluim
.
vuil
.
gevallen.
juist
Kijk naar de prenten. Vul de tekst aan. Kies uit: kluis – kruik – sluis puist – kruipt – kruis De boot vaart door de
.
sluis
Op het dek staat een
kluis
Naast de kluis staat een
kruik
. .
Jozefien neemt een bad. Maar wat ziet ze daar? Er
kruipt
een spin met een
kruis
op haar rug. Jozefien schrikt. De spin schrikt ook. Wat is dat op de snoet van Jozefien? Wat een lelijke
puist
!
Thema 2 - les 11
21
8
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
9
Kies één of meer letters uit de eerste pot. Doe er een ui, eu of uu bij. Eindig met letters uit de laatste pot. Schrijf het woord op.
sn l g st k v sl dr j s h p kl fr m d d
fl
ui
22
k
ui eu
l
s
r
t n st rt p nt
uu
eu
uu
bv. spuit
juist
geur
steun
duur
stuur
vuist
deur
dreun
huur
muur
fruit
Thema 2 - les 11
les 18
Woorden net als drie, mee, pa, zo en nu mee ja
twee
ga
de zee
ik sta
de slee nee
Spellingweter 1 Spellingweter 23 Spellingweter 24
wie
de ma
meedoen
trui
meegaan tweede
1
de knie
zo
de fee
de pa
drie
nu
Woorden die je schrijft zoals je ze hoort Woorden met ee op het einde van een woorddeel/woord Woorden met a, o en u op het einde
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de slee
Ligt er sneeuw? Dan neem ik de
de fee
Heeft de
mee
Met jou ga ik niet
meedoen
Wil je met me
meegaan
“Wil je
tweede
Jos staat als
zo
Die trui staat jou
ja
Nee of
de pa
Mijn
pa
is een toffe kerel.
de ma
Mijn
ma
eet een appel.
nu
drie
De helft van zes is
de knie
Jart zit op de
slee
een kroon op haar hoofd?
fee
.
mee
?
meedoen
naar Spanje?” vraagt hij.
meegaan
in de rij.
tweede
mooi.
zo
?
ja
Nu
.
zit ik in de val. drie knie
. van de Sint.
Thema 2 - les 18
23
2
Schrijf de woorden in de juiste ballon. Kies uit: ma – ja – trui – wie – ga – sta – nee – knie – slee – zee – nu – drie – zo – fee
wie
knie
drie
4
ma
nee
ja
slee
ga
zee
sta
fee
ui
ie
3
trui
a
1
nul
één
2
hoofd
schouders
3
eerste
tweede
4
zoon
twee
nu
u
knie
derde
dochter
pa
teen
vierde
drie
ma
Schrijf de zinnen over. Vervang de prenten door een woord. , ik tot
.
Mijn broer telt tot twee, ik tot drie.
2 Zou je met die
durven
Zou je met die fee durven meegaan?
van mijn
doet pijn.
De knie van mijn pa doet pijn.
Thema 2 - les 18
zo
o
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 Mijn broer telt tot
24
ee
Vul aan.
3 De
?
5
Schrijf een zin met de twee woorden. vlo – trui
sta – ma
nu – drie
6
Vul de woorden uit de tubes in de tekst in.
nee
zo
twee
drie
Ik wil een gat in mijn hand. Dat lijkt me
Nee
zo
fijn.
, niet echt natuurlijk, maar met verf.
Net doen alsof. En dan, één,
twee
,
drie
, boe!
Alle kleuters bang maken. En
ma Wie
en
pa
pa
ma
ook!
denkt dat het echt is?
Wie wil met me meegaan
?
n eegaa
wie
m
Thema 2 - les 18
25
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul de puzzel in. 1
2
4
5
k
6
n
b
i
e 7
f
e
Thema 2 - les 18
r
u
i
s
l
e
u
i
e
n
l
i
u
k
e
i t
e
Van links naar rechts 1 Tom is de kat, Jerry de ... 3 De Kerstman vliegt in een ... 4 Dit is een kleur met ui. 5 Halverwege je been zit je ... 7 Deze vrouw laat wensen uitkomen.
26
3
d
m
Van boven naar beneden 1 Een koe geeft ... 2 Vier min één is ... 3 Een mens heeft een snoet, een dier een ... 6 Zeg niet ja, maar ...
s
les 3
Woorden net als wie en reis het de de
z r g
l s t
ei
het
m w k
de de
ei
ik
Spellingweter 8 Spellingweter 9 Spellingweter 28 1
z b n t d g
k r t n p t
ie
Woorden met ie Woorden met ie of ei De punt, het vraagteken, het uitroepteken
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. wie
Wie
de geit
Toby loopt met een
tien
Elf is een meer dan
het bier
Mijn oma drinkt graag
ziek
Van te veel snoep word je
niet
Ik hoor je wel, maar ik zie je
hij sliep
Er
de wei
In de
de reis
“Ik ga op
het zeil
Het
de friet
De
diep
Hoe
die
Daar is
hij giet
Wie
lust er geen chips? over het plein.
geit
.
tien
.
bier ziek niet
. .
een spook onder mijn bed.
sliep
staat een koe.
wei reis zeil friet diep die giet
�, zei de meid. van de boot staat bol. is gemaakt van een aardappel. is deze plas? rare kerel weer. er water in mijn glas?
Thema 3 - les 3
27
2
Kleur: de woorden met ei. de woorden met ie.
reis vries
diep bier
zei
ei 3
ei hei
wie
kei tien
piek ziek
mei
Zet de woorden in het juiste spook. Kies uit: zeil - kier - geit - kies - riem - stier - hei - wei hier - dief - kei - reis
28
kier
ie
zeil
kies
geit
riem
hei
stier
wei
hier
kei
dief
reis
Thema 3 - les 3
ei
ie
4
Schrijf bij elke prent een passend ie-woord of ei-woord.
5
geit
vlieg
bier
kei
Lees de zin. Vul aan met een ie-woord en een ei-woord. 1 Papa mag op 2 Ik
: “Er staat
zat op een groot
vlieg
hier zei geit z wiep
je met je staart?”
zwiep
4 De kleine
al een beker melk klaar.”
hier
zeil
reis bier
meer drinken.
bier
vroeg aan haar moeder:
geit
“Hoe
geen
reis
zei
3 De
6
ei
ei
.
vlieg
Lees de tekst. Vul aan met een ie-woord of ei-woord. Kies uit: die – niet – vampier – brief – zei – klein – geheim Ik twijfel. Fout? Verbeter.
Lone leest de
Die
Morgen is er een
.
brief
deelde de juf uit.
De anderen mogen het nog
ze.
zei
vampier
Maar hou dat nog even
feest.
klein
“Je mag iets geks aandoen”, Ik ga verkleed als
, denkt ze.
geheim niet
.
weten.
Thema 3 - les 3
29
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Kijk naar de prent. Vul de woorden in. Kies uit: bruin – paars – zwart – saai – ziet – mooi zie – ga – twee – niet – pa
Voor deze prent was enkel
. Je
bruin/paars
De prent is niet
ziet
saai/mooi
Als je goed kijkt,
zie
nodig. Geen
zwart
30
Thema 3 - les 3
Ga
. Ze is
mooi/saai
je tussen
je dat aan je
of
vakjes, netjes op een rij.
twee
witte lijn. Op die witte lijn zie je grijze vlakjes, die er helemaal Gek, hé!
bruin/paars
pa
. vakjes een niet
laten zien?
zijn.
les 11
Woorden net als ei en jij Mijn hond is klein en lief. Hij kijkt blij en bijt bijna nooit. Eind mei maakten wij een reis met de trein. Een man drong voor en zei: “Van mijn pad, jij!” Dat vond mijn hond niet fijn. Hij hapte in de pijp van zijn broek. “O, pardon!” zei ik. “Mijn hond dacht dat u zei: vooruit, pak mij!”
Spellingweter 19 1
Woorden met ei of ij
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. het ei
Mijn juf eet elke dag spek met
mei
In
ik zei
“Raak me niet aan”,
het einde
Alles heeft een begin en een
klein
Dat is een
de klei
Mijn oma maakte knikkers van
klei
de trein
In Aalst reed een
van de sporen.
de reis
Gaan we met de trein op
het plein
Het is feest op het
de pijp
De
ik bijt
Ik
blij
Ben jij
jij
Ik,
mijn
Is dat
zij kijkt
Lies
.
ei
legt elke vogel een ei.
mei
.
einde
probleempje.
klein
pijp
ik.
zei
trein
?
reis plein
.
.
van mijn broek is stuk. op de nagel van mijn duim.
bijt blij jij mijn kijkt
of droevig? , hij of zij, iedereen heeft iemand nodig. jas? Of is dat zijn jas? naar de zon.
Thema 3 - les 11
31
2
Zet deze woorden bij ei of ij. Kies uit: plein – vrij – klein – klei – trein – einde – blijf blij – bijna – kei – wei – reis – hij – wij
ei
3
32
ij
plein
klein
klei
vrij
trein
blijf
einde
blij
kei
bijna
wei
hij
reis
wij
Vul de rijen aan met een woord met ei of met ij.
Ik twijfel.
1
water
melk
bier
wijn
2
bruin
groen
rood
grijs / beige
3
dik
dun
groot
klein
4
bus
tram
metro
trein
5
twee
drie
vijf
Thema 3 - les 11
vier
Fout? Verbeter.
4
Vul aan. Kies een woord van het bord. Schrijf de zin over.
kr g
l st
kl n
1 Een haan legt toch geen
nde
kl
!
ei
2 Dat beeld is gemaakt van
.
klei
3 Mij
je niet
krijg
klein
.
4 Ik sta op het
van de
einde
.
lijst
5
Vul de tekst aan. Kies uit: vrij – blijf – ei – trein – vrijdag – mijn reis – ijs – fijn – einde Vandaag is het
vrijdag
Morgen zijn we
! Dan
vrij
blijf
mama maakt een heerlijk ontbijt met een
Mijn
Met papa nemen we de Het is een korte Op het
. Joepie! Nog één dag school.
einde
Het weekend vind ik echt
.
ei
naar de stad.
trein
reis
ik lekker lang in bed.
. krijgen we allemaal een grote bol fijn
ijs
.
.
Thema 3 - les 11
33
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
Ik twijfel.
6
7
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
Lees de toptekst opnieuw. Wat antwoordt de man? Welk einde kies je? Schrijf het over.
Ik had een vreemde reis. Mijn trein reed in de wei. Een geit beet in mijn oor. Ik was over mijn toeren.
34
Thema 3 - les 11
Uw hond kan fijn denken. U bent wel blij. Maar mijn pijp is stuk. Dat kost mij een bom geld. Wie betaalt dat?
Uw hond is wel lief. Ik had haast. De frieten werden koud. Ik betaal u een pint bier. Het zal niet meer gebeuren.
les 18
Woorden net als einde, vijfde en keuken Moeke lachte in de keuken. Zeven groene deuren. Twee koeien vielen in een diepe beek. De rijke man huilde met luide snikken.
Spellingweter 17 Spellingweter 19 1
Woorden met een doffe e aan het einde Woorden met ei of ij
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. diepe
Was het een
het moeke
Mijn
groene
Heb jij bruine,
groene
luide
Opa vond de
luide
de keuken
Help jij soms in de
vijfde
Ik sta als
de weide
Je zegt vast ‘wei’, maar
de heide
Op de
het einde
Het
goede
Linn is een
zij vielen
Er
zij huilde
Sara viel. Ze
fijne
De nieuwe vriend van mijn oma is een
rijke
de deuren
Als je alle
heeft drie leuke tantes.
moeke
of blauwe ogen? muziek wel mooi. ?
keuken
in de rij.
vijfde
weide
kan ook.
wandel ik met mijn hond.
heide
van de film was heel eng.
einde goede
vriendin.
veel mensen op de gladde stoep.
vielen
Rijke
snee in je vinger?
diepe
huilde
van de pijn. fijne
kerel.
mensen wonen in dure huizen. deuren
sluit, hoor je niets meer.
Thema 3 - les 18
35
2
Zet de woorden in het juiste rooster. Kies uit: keuken – koeken – voelen – kieren – peulen – kuiken – dieven – duiven mieren – buiten – keuren – doeken
3
d
e
u
r
e
n
b
o
e
r
e
n
k
e
u
k
e
n
k
o
e
k
e
n
p
e
u
l
e
n
v
o
e
l
e
n
k
e
u
r
e
n
d
o
e
k
e
n
d
u
i
k
e
n
d
i
e
r
e
n
k
u
i
k
e
n
k
i
e
r
e
n
d
u
i
v
e
n
d
i
e
v
e
n
b
u
i
t
e
n
m i
e
r
e
n
Maak van de stippellijn een volle lijn als het woord bestaat. Kies uit elke reeks twee woorden. Maak er zinnen mee.
boe zeu tie poe pie loe
36
Thema 3 - les 18
zie
ren
mui pie prui deu dij
ken
stoe rie pie groe hui heu
pen
4
5
Bekijk het woord. Dek het af. Vul het in.
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 boeren
Hoeveel koeien hebben die
2 riepen
“Help!”
3 einde
Aan het
4 vijfde
De
5 beuken
De stam van
6 tuinen
Kan één man alle
7 deuken
Mijn hoed heeft vier
8 vierde
De
ze.
riepen
kaars brandt niet.
vijfde
van de straat staat een bord.
einde
vierde
?
boeren
is glad.
beuken tuinen
onderhouden?
deuken
.
kreeg geen prijs.
Kijk naar de prent. Vul in. Hier zie je reus Reus. Het is een vent met Hij heeft het Haar
ogen.
bruine
bed van Evi in zijn handen.
groene
vallen op de grond.
boeken
Dat vindt reus Reus niet erg. Het bed was netjes opgemaakt. Daar komt nu een
einde
aan. Reus Reus schudt zo hard!
Hij steekt het bed nu al voor de derde, de vierde ... nee, voor de
keer in de lucht.
vijfde
Straks zet reus Reus het bed niet zacht op de grond. Hij doet dat met een
knal.
luide / harde
Durf jij aan de spieren van reus Reus te Of aan zijn oksels te
ruiken
voelen
?
?
Thema 3 - les 18
37
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
Ik twijfel.
8
9
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
Onderstreep de woorden met een doffe klinker. Schrijf de zinnen over. Laat je buur nakijken en per juist woord een vakje kleuren. Staan daar twee boeren te zeuren? Het is niet fijn dat je huilde. Mijn kleine broer heeft al zeven tanden. Maakt de muziek het kuiken zot?
38
Ik zie
twee
zinnen met een vraagteken.
Ik zie
twee
zinnen met een punt.
Thema 3 - les 18
les 3
Woorden net als hooi, haai en groeit Mama is mooie jurken op een hoop aan het gooien. “Oei, waarom doe je dat?” vraagt An. “Ik gooi ze weg, want ik ruim op”, zegt mama. “Mijn buik groeit, dus ze passen niet meer. Maar ik koop nieuwe jurken die nog mooier zijn.” Een dag later gooit An oud speelgoed in de vuilbak. “Ik speel er nooit meer mee, want het is te saai”, zegt An. “Koop voor mij maar fraaie, nieuwe dingen om mee te spelen.”
Spellingweter 12 Spellingweter 17 1
Woorden met aai, ooi, oei Woorden met een doffe e aan het einde
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. wij gooien
We
saai
Ik vind deze film
zij groeit
“Onze Ties
hij draait
Papa
mooie
De
oei
nooit
Tegen de politie mag je
fraaie
Jan maakte een
zij gooit
ik gooi
“Ik
ik zwaai
Ik
de haai
De tanden van een
het hooi
In de winter eten de koeien
de basketbal in de ring.
gooien
de pannenkoek in de pan.
draait
trui van Lien is vuil.
mooie
, wat hoor ik nu? liegen.
nooit
fraaie
tekening.
Lena een zes met de dobbelsteen?
Gooit
als kool”, zei oma.
groeit
Oei
.
saai
gooi zwaai
ze weg, want ik ruim op”, zegt mama. naar mijn tante als we vertrekken. zijn groot en scherp.
haai hooi
.
Thema 4 - les 3
39
2
a Kleur: ooi. aai. oei. hij groeit het hooi
nooit wij draaien
de kraai
de kraaien de haai
hij moeit
mooiste ik maai
de kooien de vlooien
ze gloeien
de roeiboot
b Schrijf elk woord in de juiste mijter.
draaien
kraai
kraaien
nooit
moeit
hooi
groeit
kooien
haai
gloeien
mooiste
maai
roeiboot
vlooien
aai
3
ooi
oei
Kijk naar de tekening. Vul een woord met aai, ooi of oei in. In de boom zitten vijf
kraaien
.
De jongens hebben jeuk. Ze hebben .
vlooien
De
koeien
een
roeiboot
De meisjes
40
Thema 4 - les 3
zitten in
zwaaien
. naar hen. Ze
roeien
verder in hun boot.
4
Verbind en vul de zinnen aan. De leeuw zit in zijn
aai aai
Hans
Een
snel.
draait
lijkt op een raaf.
groeit
Moei
.
de bal in de korf.
kraai
Abdias
ooi ooi
kooi
gooit
De molen
oei oei
5
Ik twijfel.
snel.
je met je eigen zaken!
Fout? Verbeter.
Vul de tekst aan. Kies uit: saai – mooie – gooit – graait – mooiste An kan moeilijk kiezen. Er liggen veel An
jurken op het bed.
mooie
in de hoop en kiest een
graait
zwarte jurk uit. “Zwart is zo
”, moppert ze.
saai
Ze duikt in de hoop en zoekt tussen de kleren. “Dit is de
mooiste
De andere jurken
jurk!” roept ze. gooit
ze in de kast.
Thema 4 - les 3
41
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
Ik twijfel.
6
7
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
a Vul aan. Kies uit: spruiten – graag – geur – oei – gooit – groei “Eten!” roept papa. Gitta gaat aan tafel zitten.
Oei
, dat valt tegen.
Ze kijkt naar haar bord vol Ze hebben een vieze Gitta eet niet
graag
.
spruiten
.
geur
spruiten. Ze trekt
een gekke bek. “Flink eten”, zegt papa. “Daar Gitta neemt een hap. Dan
gooit
groei
ze stiekem haar spruiten onder haar stoel.
b Bedenk een vervolg. Gebruik: foei, vuile, stoel.
42
Thema 4 - les 3
je van.”
les 11
Woorden net als leeuw, nieuwe, kooi, kraai en groeien
Spellingweter 12 Spellingweter 14 Spellingweter 17 1
Woorden met aai, ooi, oei Woorden met eeuw of ieuw Woorden met een doffe e aan het einde
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de leeuw
Loeki was in Nederland een bekende
het hooi
De koe knabbelt aan het
de kraai
Ik vind het een eng geluid als een
mooi
Het kapsel van juf Sara is erg
zij gloeien
De wangen van Piet
de sneeuw
Met mijn nieuwe slee speel ik in de
nieuwe
Vanaf nieuwjaar wonen we in ons
ik geeuw
Als ik moe ben,
hij draaide
De paardenmolen
saaie
Wandelen vind ik een
zij groeien
Mijn haren
.
leeuw
.
hooi
krast.
kraai
.
mooi
van de kou.
gloeien
sneeuw
.
nieuwe huis.
ik.
geeuw draaide saaie
rond en rond. hobby.
groeien elke dag een klein stukje.
Thema 4 - les 11
43
2
Zet elk woord in de juiste schoorsteen. Kies uit: fraai – ik gooi – mooi – ik draai – hij groeit – de leeuw – de meeuw – nieuw – kieuw – de koeien
eeuw
nieuw
leeuw
kieuw
meeuw
3
Vervang het cijfer door de letters.
44
aai
ooi
ieuw
gooi
mooi
1 = eeuw 4 = ooi 2 = ieuw 5 = oei 3 = aai
fraai
oei
draai
koeien
Ik twijfel.
1 ik g1
ik
geeuw
2 de sn1
de
sneeuw
3 n2
4 de kr3
de
kraai
5 ze gr5en
ze
groeien
6 we g1en
we
geeuwen
7 hij dr3de
hij
draaide
8 hij g4de
hij
gooide
9 de l1en
de
leeuwen
10 ik gl5
ik
Thema 4 - les 11
nieuw
gloei
groeit
Fout? Verbeter.
4
5
Vul aan. 1 ik gooi
hij
gooit
wij
gooien
2 ik draai
hij
draait
wij
draaien
3 ik kraai
hij
kraait
wij
kraaien
4 ik gloei
hij
gloeit
wij
gloeien
5 ik geeuw
hij
geeuwt
wij
geeuwen
6 één leeuw
vijf
leeuwen
7 één meeuw
zeven
meeuwen
Welk woord zoekt de nieuwslezer? Schrijf de zin met dat woord. 1 Een wild dier met manen leeft in Afrika. Een leeuw leeft in Afrika.
2 De auto die pas gekocht is reed te snel. De nieuwe auto reed te snel.
3 Aan zee vliegen veel witte vogels. Aan zee vliegen veel meeuwen.
4 Ik gooi graag met een witte, bevroren bal. Ik gooi graag met een sneeuwbal.
5 De dierentuin plaatst een ijzeren hok voor een wild dier. De dierentuin plaatst een kooi.
6 Het meisje viel uit een boot die je met roeispanen bestuurt. Het meisje viel uit een roeiboot.
Thema 4 - les 11
45
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
Ik twijfel.
6
7
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
Vul de geschenken in.
l:
Lieve Sint, dit is wat ik wi Een
boek
een knuffel van een
, spannend en dik, tijger
Of een
keuken
om in te spelen
en wat
fruit
dat ik kan delen.
Een
trein
die rijdt en spoort,
een
leeuw
die gromt dat je ‘t hoort.
ij, Wat je ook brengt naar m
46
Thema 4 - les 11
wil ik.
ik ben met alles blij!
les 18
Woorden net als school, schrijf, streep en sproet iet
oom
eef
eek ikt
af
at
eep
ool ak
eeuw
Spellingweter 15 1
iet
Woorden met sch, schr, str of spr
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de stroom
Een ander woord voor rivier is
hij sprak
Gerry
sprak
zij schrikt
Emma
schrikt
ik schrijf
Ik
de school
Op zondag moet je niet naar
de straf
Koen kreeg
zij schiet
De raket
de schat
De piraat denkt dat zijn
de streep
Ik trek een
ik spreek
Ik
de sproet
Ik heb een
ik schreeuw
Ik
.
stroom
met zijn mond vol. van de kruisspin. een prachtig gedicht over poezen.
schrijf
straf
schreeuw
van zijn juf. omhoog in de lucht.
schiet
spreek
.
school
schat
streep
hier verstopt zit.
waar de aankomst is.
niet tegen vreemden. sproet
op mijn neus.
het uit van de pijn.
Thema 4 - les 18
47
2
Zet de woorden bij het juiste schip. Kies uit:
3
schok
strak
schreef
sprak
schip
straat
schrift
spreekt
Schrijf op wat je ziet. Elk woord begint met schr, sch, str of spr.
Ik twijfel. schaar
schroef 2
1
1
3
3
schuim
strip 4
5
4
5
spring
Fout? Verbeter.
2
4
Vul aan. Gebruik een woord met sch, schr of str. 1
potlood
lijm
stift
schaar
2
koe
konijn
geit
schaap
3
weg
laan
dreef
straat
4
meester
juf
leerling
school
5
hamer
zaag
spijker
schroef
6
strand
zee
water
schelp
Maak een zin met twee van de woorden. 48
spr
schr
str
sch
de schok – hij schreef – het schrift – ik sprak – hij spreekt – strak – de straat – het schip
Thema 4 - les 18
5
Vul aan. Kies uit: schrijven – schieten – schat – schijnt – school – straat – streep – schuur – schrijft 1 Op
leer je
school
maar niet
.
schieten
2 Op de
is een
straat
,
schrijven
streep
geschilderd. Daar moet je stoppen! 3 Loes
van een draak.
schat
4 Het
6
een verhaal over de
schrijft
dat de
schijnt
van de buren afgebrand is.
schuur
Vul aan. Kies uit: streep – schip – schreeuwt – schijnt – springen Het
van de piraten vaart over de woeste zee.
schip
De zon
schijnt
niet meer.
De horizon lijkt wel een zwarte
streep
.
Er ligt een rots in het water. Het schip kan niet meer stoppen! Iemand Alle piraten
schreeuwt springen
heel luid. in zee.
Thema 4 - les 18
49
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
50
Raad mee! Ik ben veel waard. Je moet zoeken om me te vinden.
schat
Een ander woord voor angst. Het eindigt op ‘ik’.
schrik
Je gebruikt het om een put mee te graven. Het eindigt op ‘op’.
schop
In de schuur bewaart de boer droog gras voor de dieren. Hoe heet dat?
hooi
Als iets te lang duurt en je verveelt je, hoe vind je het dan?
saai
Thema 4 - les 18
les 3
Woorden net als zwart, verdriet, bezoek en geheim G E V E R B E Z W F L S T
Spellingweter 13 Spellingweter 16 1
Woorden met meerdere letters vooraan of achteraan Woorden met de woordstukjes ver, be of ge
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. ik bezoek
Ik
ik vertel
het bestaat
Een domme vraag
het geweer
Het
het geheim
Ken jij een
het gelijk
Mijn kleine broer wil altijd
het verdriet
Toen onze hond ziek was, had ik veel
zwart
Niet wit maar
de flits
Ik zag de
sterk
Wie niet
de broers
Mijn
de dorst
“Wie heeft er
een kasteel in Frankrijk.
bezoek
eens een grappig verhaal.
Vertel
niet.
bestaat
van de jager is gevaarlijk.
geweer geheim
zwart flits sterk
van je beste vriend? krijgen.
gelijk
verdriet
.
. van de camera. is, moet slim zijn. heten Bart en Hans.
broers dorst
?” vroeg mijn opa.
Thema 5 - les 3
51
2
Zet de woorden in de juiste bokaal. Kies uit: het verhaal – het bezoek – het beslag – het geweer – het verdriet – het verkeer – het geheim – het gelijk – ik vertel – hij bestaat – het begin – het getal
ver
3
be
verhaal
bezoek
geweer
verdriet
beslag
geheim
verkeer
bestaat
gelijk
vertel
begin
getal
Geef de sterren die samen horen dezelfde kleur. Schrijf ze op.
be
gin
erk str
begin
sterk
zwart
gelijk
straat
verdriet
Zoek een woord dat past.
Ik twijfel.
1 Als je stout bent, krijg je s 2 Na de zomer komt de h 3 Ik heb honger en d 4 Die koffer weegt het z 52
ge
st
art
zw
aat
driet
lijk
ver
4
ge
Thema 5 - les 3
t
r
e
o
r w
a
a
r
f
s
t a
.
f s
t
.
. r
s
t
.
Fout? Verbeter.
5
a Het woord staat omgekeerd. Schrijf het op. staalp
plaats
sreorb
broers
kirts
strik
tsrob
borst
b Kies twee woorden. Maak twee zinnen.
6
Vul aan. gewoon verzamel
met je klas lege
Verzamel
plastic flessen. Je kunt er
gewoon
vragen aan
buren en familie. Draai de doppen stevig vast.
vraag strak gebruiken drie
spreek plas durf vlot
Plaats
of je plakband mag
Vraag
Wikkel die
flessen in een driehoek bij elkaar.
drie
strak
Zo ga je door tot je een
.
gebruiken
rond de flessen. vlot
hebt.
.
Ga met je juf of meester naar een vijver of
plas
Zet je vlot op het water en
af wie eerst gaat.
Durf
spreek
jij op het vlot te springen?
Thema 5 - les 3
53
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Vul het kruiswoordraadsel in.
1
Van links naar rechts 2 Een indiaan heeft pijl en boog. Een cowboy een ... 5 houten schoen 6 Hier komt water uit. 7 zoon van de koning Van boven naar beneden 1 Ik let altijd goed op in het ... 3 10, 11, 12. Welk ... komt erna? 4 Mijn glas is niet gebroken, maar er zit wel een ... in. 8 Aan tafel zit je meestal op een ...
v
3 2
4
6
k
g
b
e
a
t
r s
a
a
e
w
e
r
l
o
r 5
n
k
m
e
l
t
e
e 7
p
r
8
i
n
s t o e
b Kies twee woorden en bedenk er een grappige zin mee.
54
Thema 5 - les 3
l
p
les 11
Woorden net als bed, tent, web, ramp
Spellingweter 25 1
Woorden die eindigen op d of t, b of p
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. het veld
Op het
van de boer groeit sla.
de grond
Ik sta met mijn voeten op de
de tent
Oom Miel gaat met de
het hart
Mijn
het bloed
Uit de wonde loopt een druppel
de brandweer
De
het hoofd
het bed
Als je op het
zoet
Suiker en honing zijn
het web
Ik ben een spin en weef een
de ramp
Het is een
rood
Kun je proeven of een snoepje
rood
goedkoop
Het tegengestelde van duur is
goedkoop
de poot
Een paard heeft geen
veld
.
grond
op reis.
tent
klopt zo’n zestig keer per minuut.
hart
.
bloed
redt onze kat uit de boom.
brandweer
, schouders, knie en teen, knie en teen.
Hoofd
springt, kun je aan het plafond.
bed
ramp
.
zoet
.
web
als de vulkaan uitbarst.
poot
of groen is?
.
maar een been.
Thema 5 - les 11
55
2
d of t? Verleng. Schrijf het woord in de juiste kolom. Kies uit: zwar – roo – ka – klan – hoof – ten – draa – hel – bree – soor
d
3
rood
zwart
hoofd
kat
draad
klant
held
tent
breed
soort
t
Vul aan met een woord dat op d of t eindigt. 1 Iemand die niet kan zien, is 2 Wat niet fout is, is vaak 3 Zet een
.
blind
.
goed/juist
op je hoofd tegen de zon!
pet/hoed
4 Met nieuwjaar stuur ik je een
kaart
.
5 De juf schrijft met krijt op het
bord
.
6 Oma gleed uit, want de straat was 7 Als je 100 in letters schrijft, wordt dat
4
56
.
glad honderd
.
b of p? Verleng. Schrijf het woord op. 1 we
De spin hangt aan haar
2 ram
Ik ben te laat. Wat een
3 he
Ik
4 po
De
5 stoe
“Rustig op de
Thema 5 - les 11
heb pop
.
web ramp
!
het warm en koud tegelijk. van Liese kan praten. stoep
stappen”, zegt oom Willy.
5
Vul aan met een woord dat eindigt op d, t, b of p. Kies uit: wi – soe – he – knoo – ba – bree
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 Ik ga graag in
.
bad
2 In de winter eet Erwin
.
wit
je het verhaal gehoord?
Heb
5 De gang van oma is niet erg 6 Ube verliest een
6
met balletjes.
soep
3 Als het sneeuwt, kleurt alles 4
.
breed
van zijn jas.
knoop
Vul de tekst aan. Alle woorden eindigen op d of t. Op mijn een
briefje.
rood
Bram, de
vrien•
hangt
voorhoofd
een•
avon•
van mijn mama,
vriend
schreef er de naam van een dier op. Ik moet nu raden. “Heeft het veren of een
paar•
.
antwoord
Dan kan het geen
hui•
juis•
?”
huid
vraag ik. “Een huid”, is het
zijn!
eend
“Moet je er elke
antwoor•
mee gaan wandelen?” wil ik weten.
avond
“Ben je gek!” zegt Bram. “Heeft het dier benen in plaats van poten?” vraag ik na een “Klopt, je zit Een
juist
.
!” is mijn laatste gok.
paard
Nu is het mijn
tijd
beurt
!
Thema 5 - les 11
57
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Bedenk twee woorden op d en twee op t. Maak er een zin mee. d
t
58
Ik twijfel.
Thema 5 - les 11
les 18
Woorden net als ding, bank, mengt en denkt Milan zit op de bank, terwijl mama worstelt met de slang van de stofzuiger. “We gaan zo iets drinken, eerst dit ding opruimen. Breng jij alvast drank mee uit de keuken?” zegt ze. “O ja, ik heb koekjes gebakken, ze liggen op de plank. Ik ben bang dat ze mislukt zijn, wil je eens proeven?” Milan denkt er niet lang over na, brengt de koekjes mee en proeft er één en nog één ... tot ze op zijn. Hij likt net zijn vingers af, als mama binnenkomt. “Hé, waar zijn de koekjes?” “Op,” zegt Milan, “maar ze waren prima gelukt!”
Spellingweter 18 1
Woorden met ng of nk, ngt of nkt
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de plank
Snijd het brood maar op die
het ding
Een balpen is een
de slang
Verdwijnt de prooi in de buik van de
de vingers
Ik heb vijf
de drank
Op dat feestje waren hapjes, maar geen
zij denkt
Ze
bang
Nee, ik ben niet
de bank
Opa zit op een
hij mengt
De kok
vangen
De hond rent weg om konijnen te
de winkel
Papa stond in de
winkel
links
Kijk je eerst naar
links
hij brengt
Brengt
om te schrijven.
ding
?
slang
aan elk hand.
vingers
denkt
.
plank
.
drank
aan haar zieke oma. voor spinnen!
bang
in het park.
bank
de melk met de bloem.
mengt
vangen
.
zonder geld. of naar rechts?
oom Niels een pakje mee?
Thema 5 - les 18
59
2
Schrijf in de juiste kolom. Kies uit: ik dank – eng – hij hangt – jong – de bank – hij drinkt – hij zingt – het stinkt de klink – de sprong – Klaas brengt – Bart dankt
ng
nk
3
dank
eng
drinkt
hangt
bank
jong
stinkt
zingt
klink
sprong
dankt
brengt
Vul aan met ng of nk. Schrijf het hele woord. 1
2
to ng
tong
6
8
jo ng en
pink
4 Onze poes
Thema 5 - les 18
donker
jongen
pla nk en
planken
Ik twijfel. Fout? Verbeter. springen
2 Mama zegt niet altijd wat ze 3 We
vingers
Vul aan. 1 Jos en Flo
do nk er
7
pi nk
ring
4
vi ng ers
anker
ri ng
60
3
a nk er
5
4
ngt
nkt
op de trampoline.
.
denkt
graag een kopje thee.
drinken vangt
een muis in de tuin.
5
Twee woorden staan op de verkeerde plaats. Kleur ze. Schrijf de zin juist op. 1 Staan die kring in een jongens? Staan die jongens in een kring? 2 Die tong beet in haar slang. Die slang beet in haar tong. 3 De muziek in die klinkt winkel mooi. De muziek in die winkel klinkt mooi.
6
Vul aan. Kies uit: vingers – bank – bang – zingt – drinkt – springt Papa zit op de
, terwijl Milan met mama
bank
worstelt. Mama is sterk. Dat weet Milan maar al te goed. Hij is zelfs een beetje
van haar.
bang
Maar dan flitst er een plan door zijn hoofd. Milan
in de keuken van zijn drankje.
drinkt
Daar wordt hij supersterk van. Hij
zingt
als hij uit de keuken komt.
Milan rolt met zijn spierballen. Hij
springt
en kietelt haar met zijn
in mama haar nek vingers
. Milan wint!
Thema 5 - les 18
61
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul aan. Kies uit: verdenk – voorhoofd – zingt – behang – goedkoop – ramp – zwembad – vergat – badeend Wat een Ik
!
ramp vergat
Wie
verdenk
mijn jij?
De man met het grote
Dat is natuurlijk niet
62
Thema 5 - les 18
?
voorhoofd
Of die vrouw die echt wel vals Ik wil graag nieuw
in het
badeend
behang goedkoop
zingt
?
in mijn kamer.
.
zwembad
.
les 3
Woorden net als saus en koud Het is zomer en echt niet koud. “Hebben jullie een oud hoedje voor me?” vraagt Fleur aan haar ouders. “Ik zou jou mijn blauwe hoed kunnen geven”, zegt mama gauw. “Maar waar heb je dat ding voor nodig?” “Mijn haar lijkt wel van goud”, legt Fleur uit. “Dus ik wil niet dat de zon mijn haar bruin kleurt.”
Spellingweter 20 1
Woorden met au of ou
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. hij zou
Wie
het goud
Oma heeft een mooie ring van
oud
de ouders
De
koud
Als je je adem kunt zien, is het
jou
Later trouw ik met
blauwe
De rode hoed is mooier dan de
de auto
Mijn broer zag pas een zelfrijdende
de saus
Bij spaghetti eet ik graag veel
flauw
Ik vind jou
de paus
De
de dauw
Ik sta op voor dag en
lauw
De soep is niet heet maar
het wachtwoord kennen?
zou
.
goud
is het tegengestelde van jong.
Oud
van Marco hebben een eigen zaak.
ouders
.
jou
flauw paus
.
koud
.
blauwe
.
auto
.
saus
als je niet mee wilt spelen. woont in Rome. dauw lauw
. .
Thema 6 - les 3
63
2
3
Vul au of ou in. Denk aan het au-lied. Schrijf het woord. bl au w
blauw
st ou t
stout
de m ou w
mouw
de p au w
pauw
het t ou w
touw
ouder
de s au s
saus
fl au w
flauw
ou
der
a Kleur: au. ou. b Schrijf het woord bij de juiste hoed. lichtblauw de paus
lauw
de grootouders de koude
ou
4
64
de buurvrouw de auto
2 k ou d
3 l au w
4 z ou t
Thema 6 - les 3
de dauw
het gebouw
buurvrouw
lauw
fout
auto
grootouders
lichtblauw
gebouw
dauw
koude
paus
Vul ou of au in. Maak een zin met het woord. 1 fl au w
de fout
au
5
In elke zin past een ou-woord en een au-woord. koud saus hout goud vrouw blauw kousen paus auto fout
6
De is
bij het vlees
saus
.
koud
Hij verandert in
De rijdt
.
blauw
vrouw
Draagt de ook
.
goud
paus
kousen
?
auto
.
fout
Fout? Verbeter.
hout
De rok van de is
Ik twijfel.
Vul aan met ou- en au-woorden. Mijn een
buurvrouw blauwe
Zij lijkt dan op een
draagt vaak hoed met gekke veren. pauw
en dat vind ik een beetje Zij vindt dat niet wat ik denk, laat haar
.
fout
flauw koud
of gek en
.
Thema 6 - les 3
65
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
Ik twijfel.
8
9
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul het verhaal aan. Kies uit: kous – friet – grond – goedkoop – verdween – heb Er lag een briefje van twintig euro op de
.
grond
Ik knielde, raapte het op en hop! Het
verdween
in mijn
.
kous
Niemand had het gezien. Toen we buitenkwamen, vroeg ik aan mijn mam: “ Heb
je zin in
friet
“Dat kun jij niet betalen, gekkerd”, zei ze. “Dat is niet
?” goedkoop
“Ach,” zei ik, “ik tover wel wat. Kom!” Wat kan twintig euro toch lekker zijn!
66
Thema 6 - les 3
.”
les 11
Woorden net als jongens, wortel en moeder
Spellingweter 17
Woorden met een doffe e in de woordstukjes en/ens, el/els of er/ers De komma en de dubbele punt
Spellingweter 29 1
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de moeders
Pipa en Hasse gaan met hun
de bergen
Heuvels zijn geen
de tijger
Heeft een
de sleutel
De bankier kan de
de vleugels
Zonder
de wortel
In mijn rugzak zitten koeken en een
de moeder
De
de hoofden
Een koning op een speelkaart heeft twee
ik luister
Ik
de winter
Ik ken alle seizoenen: lente, zomer, herfst en
dieper
De stem van mijn grote broer klinkt
buiten
De heksen dansen
vroeger
de jongens
Ties en Nand zijn namen van
de spiegel
De koningin keek in de
.
bergen
strepen of vlekken?
tijger
luister
Vroeger
van de kluis nergens vinden.
sleutel
kun je niet vliegen.
vleugels
moeder
naar Leuven.
moeders
.
wortel
van mijn moeder is mijn oma.
.
hoofden
nooit naar mijn grote zus.
.
winter
.
dieper
in een kring.
buiten
had mijn fiets nog zijwieltjes.
.
jongens spiegel
. Thema 6 - les 11
67
2
Schrijf in de juiste hoed. Kies uit: de ouders – de tijger – de winkels – de duivel – de planten – de varkens – de sleutel – de schoenen – de jongens – de vingers – de spiegels – de moeder
el
en
er
duivel
planten
sleutel
schoenen
els
3
winkels
spiegels
tijger
moeder
ens
ers
varkens
ouders
jongens
vingers
Vul in. Kies uit: bergen – suiker – kleiner – varken – wandel – anders sleutel – leuker – dieper – buiten 1 Als ik in de
bergen
2 Alle mensen zijn 3 Eet een
5
68
Thema 6 - les 11
graag wat
sleutel Buiten
, neem ik een rugzak mee.
: dikker, langer,
anders varken
4 Steek de
wandel
spelen is
suiker dieper leuker
kleiner
? in het slot. dan binnen blijven.
...
4
Omcirkel in oefening 1 en 3: de komma’s. de dubbele punten.
5
Ik heb
5
komma’s omcirkeld.
Ik heb
2
dubbele punten omcirkeld.
Vul aan met dubbele punten en komma’s. : , , , Ik doe elke dag hetzelfde opstaan wassen ontbijten tanden poetsen en naar school. : , , Ik neem heel wat spullen mee mijn rugzak een warme trui een koek en een drankje.
6
Vul aan. Kies uit: mooier – dieper – morgen – vroeger – spiegel – dingen – appel
De koningin kijkt zoals elke
in haar
morgen
. Ze
spiegel
is een mooie vrouw, dat weet ze. “ Vroeger
was jij de mooiste,” hoort ze, “maar
nu is er iemand
mooier
!”
De koningin is woedend. Ze bedenkt een plan. Ze
heeft een met vergif erin.
appel
Ze doet oude
dingen
aan die
lelijk zijn en wandelt steeds
dieper
het bos in voor haar
plan.
Thema 6 - les 11
69
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
Ik twijfel.
8
9
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul aan. Kies uit: koud – wandeling – weg – buiten – auto struikelt – verzin – tijdens – voorhoofd – morgen Mijn opa maakt elke dag een is het
Buiten
verzin
Opa zet
70
Thema 6 - les 11
morgen
.
weg
Hij holt zijn hoed achterna. Pas op! Een
Ik
en waait het hard.
koud
De wind blaast de hoed van opa
Opa haalt zijn hoed in,
.
wandeling
struikelt
auto
en doet zijn
raast voorbij op straat. voorhoofd
pijn.
het niet! beter een muts op
tijdens
zijn wandeling.
les 18
Korte, lange en andere klanken
1
h k b l tr p zw m
d
st p w p z t d p
st n str
st k kl m m lk r ps
d
s b
t zw t zw t p
r st
n
t kl
r
r b t b
r
Klinken de blauwe letters in elk woord kort, lang of anders? Schrijf het woord bij de juiste pot. de steen
de ruit
de boot
niet
de poot
het roer
het stuur
de leeuw
de straat
koud
duur
de reus
de bal
het meisje
het hok
het nieuws
ik zwem
de kraai
de wip
de rust
korte klanken
lange klanken
andere klanken
bal
steen
ruit
hok
boot
niet
zwem
poot
roer
wip
stuur
leeuw
rust
straat
koud
duur
reus
meisje
nieuws
kraai
Thema 6 - les 18
71
2
Luister goed. Kleur de hoed: als je een korte klank hoort. Hoor je een andere klank? Dan blijft de hoed wit.
3
Luister goed. Kleur de hoed: als je een lange klank hoort. Hoor je een andere klank? Dan blijft de hoed wit.
4
Luister goed. Kleur de hoed: als je een korte klank hoort. als je een lange klank hoort. Hoor je een andere klank? Dan blijft de hoed wit.
72
Thema 6 - les 18
5
Spreek de woorden duidelijk uit. Welke klank hoor je in het midden? Kleur: als je een korte klank hoort. als je een lange klank hoort. Hoor je een andere klank? Dan kleur je niet. Ik twijfel.
Ik twijfel.
pet g w b l steen zoon b s 6
j w juf mat vaas m w vuur
Vul de teksten aan. Kies uit: kan - gat – eens – knap – stuk – maak – groot – pot – haal – daar – kok Kies enkel woorden met een korte klank in het midden: De
van de
pot
Er zit een
is
stuk
.
in het deksel.
gat
“Zo
kok
ik niet koken”, zegt hij.
kan
Maar hij heeft een
knap
idee.
Kies enkel woorden met een lange klank in het midden: “Ik
vandaag fruitsla”, zegt de kok.
maak
“Dat is ook nog Maar morgen Dubbel zo Daar
eens haal groot
gezond. ik een nieuwe pot. en met een deksel van glas.
kan nooit een gat in komen!” lacht hij.
Thema 6 - les 18
73
7
Luister goed. Kleur de hoed: als je een korte klank hoort. als je een lange klank hoort. Hoor je een andere klank? Dan blijft de hoed wit. 1
2
6
8
3
7
5
4
8
9
10
a Lees de woorden in het vet hardop. Luister naar de klank in het midden. Kleur: als je een korte klank hoort. als je een lange klank hoort. b Vul aan. Kies uit: blauwe – vrouw – winkel – deksel We komen uit de Daar stapt een met een
.
winkel vrouw
hoed op haar hoofd.
blauwe
“Dat lijkt wel een
van een pot!” roep ik.
deksel
moeder – oud – flauw – jou – roepen – denken “Doe niet zo zegt mijn
moeder
“Ze hoort
jou
Je bent nu toch al denken
74
Thema 6 - les 18
!”
flauw
. hoor. oud
, maar niet mag
genoeg om te weten dat je dat mag roepen
.
les 3
Woorden net als vliegt en vlucht Alle dieren zijn op de vlucht voor Ollie. “Ik wil ze alleen maar kietelen”, zucht Ollie. Hij vraagt raad aan de wijze uil. “Je vliegt er te hard in. Met jouw kracht is dat een slecht plan”, zegt de uil. “Je krijgt van mij een veer om te kietelen.” Nu durven de andere dieren weer tevoorschijn komen. Ollie kietelt ze met de veer en iedereen lacht. “Ik ben het grootste kriebelbeest van de wereld”, zegt Ollie met een blij gezicht.
Spellingweter 26 1
Woorden met gt of cht
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. hij krijgt
Brent
het vliegt
Er
hij vraagt
Miras
ze vluchten
Als de politie eraan komt,
slecht
Alle hemden zijn roze. Papa sorteerde de was
hij lacht
Aras
het gezicht
Het
de kracht
“Ken jij de
hij draagt
Een mier
zij legt
hij ligt
Er
zij zegt
Mama
acht
Een spin heeft niet zes maar
voor zijn verjaardag een zachte knuffel.
krijgt
een vliegtuig door de lucht.
vliegt
mama of hij wat snoep krijgt.
vraagt
vluchten
de boeven weg. slecht
.
met de grap van Marlies.
lacht
van opa heeft al wat rimpels.
gezicht
van mijn vuisten al?” pocht Camille.
kracht
tot 50 keer haar eigen gewicht.
draagt
onze kip gouden eieren?
Legt
nog een hoopje eieren in het nest.
ligt zegt
dat Lies daarmee moet stoppen. acht
poten.
Thema 7 - les 3
75
2
Lees het woord. Dek het af en schrijf het in het juiste nest. Kies uit: de bocht – dicht – hij legt – ze ligt – zij vliegt – hij jaagt – de lichten – de nachten hij zegt – ze krijgt – slecht – hij zucht
h
c
3
g
t
bocht
legt
dicht
ligt
lichten
vliegt
nachten
jaagt
slecht
zegt
zucht
krijgt
t
Kies een woord uit. Fluister dat in het oor van je buur. Schrijf het allebei op. Dan is het de beurt aan je buur. Kies uit: echt – kracht – licht – hij draagt – ze vraagt – lichten – nachten – zij vlucht – hij jaagt – hij vliegt – slecht – zij zegt – ze legt – hij ligt – zij wacht
4
Vul aan. 1 zacht legt
De boer mand.
2 recht vraagt
“Hangt het bijenhotel papa.
3 lucht Er vliegt specht de 76
Thema 7 - les 3
het ei
legt
vliegt lucht
recht
een .
in de
zacht
?”
specht
vraagt
door
5
Vul aan met cht of gt. Schrijf het woord op. Vleermuizen zie je in de na
nacht
.
lucht
op insecten.
jaagt
ziet,
slecht
zacht
cht
Ze vliegen kriskras door de lu Een vleermuis jaa
gt
Omdat ze erg sle
cht
roept ze heel za
cht
.
Ik twijfel.
cht
.
Fout? Verbeter.
Als het geluid weerkaatst, weet ze dat er iets is.
6
Vul aan. Kies uit: zegt – legt – licht – krijgt – acht – tocht – vraagt – opdracht De juf
welke kleine beestjes we zoal kennen.
vraagt
Ze
zegt
dat we morgen
op
tocht
gaan, op zoek naar kriebelbeestjes.
Ze
legt
uit dat we het best laarzen aandoen.
We gaan naar het bos! De volgende dag
elk kind een
krijgt
Zoek een dier met
.
poten,
acht
of een dier dat niet van
opdracht
houdt.
licht
wa – ze – bra – la – zu – vraa Ik
zucht
De juf
. Ik houd niet zo van kriebelbeestjes.
lief naar me.
lacht
“ Wacht
even, ik zegt
bracht
iets mee voor jou”,
ze.
De juf haalt twee plastic handschoenen boven. “Lukt het zo?”
vraagt
ze. Thema 7 - les 3
77
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Zoek een kriebelbeestje dat rijmt. Maak een zin met het beestje en met het woord dat er al staat. 1 Op dier rijmt kracht
2 Op hesp rijmt vliegt
78
Thema 7 - les 3
mug
.
spin
.
4 Op kin rijmt acht vlucht
.
wesp
3 Op rug rijmt nacht
.
mier
les 11
Woorden net als vissen en zwemmen Alle vissen kunnen zwemmen.
Spellingweter 27 1
Zo moet je verdubbelen
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de vissen
Onze
de poppen
De broer van Kris speelt graag met
alle
de hakken
De juf draagt schoenen met hoge
de flessen
Lege
wassen
Pim gaat naar het zwembad om zich te
zij kunnen
zij zullen
Wespen
de kippen
Onze
zwemmen
Rida kan al 100 meter
de rommel
Papa vindt het niet fijn als ik
de mappen
“Stop de toetsen in jullie
de billen
Dikbillen zijn koeien met dikke
de letters
Er zijn 26
eten de larven van muggen.
vissen
.
poppen
bijen zitten ’s nachts in hun korf.
Alle
.
hakken
breng je naar de glasbak.
flessen
.
wassen
alle kriebelbeestjes prikken?
Kunnen
steken als je ernaar slaat.
zullen
leggen witte eieren.
kippen
letters
.
zwemmen rommel mappen billen
maak. ”, zegt de juf. .
in het alfabet.
Thema 7 - les 11
79
2
3
Zeg de eerste klankgroep hardop. Zet een kruisje als het lukt. bellen
ballen
stoppen
gekke
zwemmen
appel
ratten
prikken
Hak in klankgroepen. Kleur het woord: als je één keer klapt. als je twee keer klapt. als je drie keer klapt.
bij
kever
duizendpoot
spin
mestkever
4
rups
kakkerlak
oorworm
vlieg
naaktslak
fruitvlieg
regenworm
pissebed
mier
sprinkhaan
tor
krekel
Hak in klankgroepen. Kleur het woord: als je bij de eerste klap op het einde een korte klank hoort. torren
mieren
muggen
rupsen
vlinder spinnen slakken
vliegen
80
Thema 7 - les 11
prikken kriebel
5
6
Kleur het vakje waarmee je een juist woord krijgt. Schrijf het woord in de zin.
Ik twijfel.
1 ne t
.
tt en
De vissers gebruiken
2 bo m mm en
De vijand gooit
3 za k kk en
Ik wil
4 ro k kk en
Dragen papa’s ook
5 klo p pp en
Je moet
6 re m mm en
Werken de
netten
zakken
.
vol snoep.
bommen
?
op de deur.
goed?
rokken
kloppen remmen
Fout? Verbeter.
Vul aan. Kies uit: jassen – modder – brullen – lekker – bedden – stokken – hebben kunnen – wassen – muggen – stappen – meppen – liggen – binnen Mijn broer en ik maakten een kamp met
Als we thuiskomen, staat papa in de deuropening te “Kijk nu toch! Jullie hangen vol We doen snel onze
We
hebben
helemaal geen zin om te gaan slapen.
in jullie kamp gaan
fris.
lekker
we de trap op.
Als we onze snoeten staan te
Ik probeerde erop te
!”
in”, zegt papa.
bedden
stappen
“Er zit een leger
:
uit.
jassen
In huis is het zo warm. Buiten is het Traag
brullen
modder
“Tanden poetsen en jullie
en aarde.
stokken
wassen
muggen
binnen
.
in jullie kamer. , maar jullie
meppen liggen
, komt papa
kunnen
maar beter
.”
We geven elkaar een knipoog. Snel lopen we de trap af.
Thema 7 - les 11
81
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
Ik twijfel.
6
7
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Maak er meer van.
touwen
pauwen
treinen
sterren
bussen
banken
slakken
honden
b Kies drie woorden. Maak er een zin mee.
82
Thema 7 - les 11
les 18
Woorden net als poppen en bussen z
a
k
k
e
n
p
o
p
p
e
n
m
e
s
s
e
n
b
u
s
s
e
n
v
i
s
s
e
n
Spellingweter 27 1
Zo moet je verdubbelen
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de blokken
Anouk bouwt een hoge toren met
de plassen
Als het regent, spring ik graag in de
zij winnen
De Rode Duivels
de appel
De
dikke
Voor mijn verjaardag krijg ik drie
de poppen
Er bestaan
de bussen
Er rijden veel
de vissen
Walvissen zijn eigenlijk geen
de messen
Ik leg de
de zakken
De verzorger brengt
jullie zetten
aantrekken
Het is niet erg. Je moet je dat niet
uitknippen
We moeten de prenten
.
blokken
.
plassen
met 3-0.
winnen
valt niet ver van de boom.
appel
die kunnen huilen.
poppen
door onze straat.
bussen
.
vissen
naast de lepels.
messen
Zetten
zoenen.
dikke
hooi naar de paarden.
zakken
jullie de borden in de vaatwasser? aantrekken
uitknippen
.
.
Thema 7 - les 18
83
2
3
Zoek woorden die passen. v
i
s
s
e
n
h
a
p
p
e
n
k
i
k
k
e
r
m
o
l
l
e
n
p
a
d
d
e
n
b
a
k
k
e
r
m
u
s
s
e
n
r
o
m
m
e
l
r
a
t
t
e
n
d
u
t
t
e
n
Vul de roosters aan. r
n
b
a
e
a
a
t
t
k
r
t
t
k
r
e
e
e
e
n
r
n
4
o
u
k
l
k
l
e
e
u
i
s
b
b
e
e
n
n
Kies het passende woord. Kleur de verdubbeling. Vul de zin aan. Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 zwemmen/wassen/tussen
Wie zal na de training de kleren
wassen
?
2 zetten/kloppen/zussen
Kun je met een hamer op je duim
kloppen
?
3 sokken/zullen/kippen
Doe jouw
sokken
in de was.
4 ratten/modder/stoppen 84
s
Wie wil in de
Thema 7 - les 18
modder
springen?
5
Maak er meer van. Vul de zin aan. Kleur: de korte klank op het einde van de klankgroep. 1 een stok
stokken
Ik vind de
ik moet Nu 2 ik vier
van de tent niet. we nieuwe kopen.
moeten
We
morgen mijn verjaardag.
vieren
een bel Het wordt een feest met veel toeters en 3 hij bakt
bakken
Mijn ouders
een vlinder Maar ik zie liever
6
.
korsten muggen
In de zomer zijn er veel
.
zelf hun brood.
een korst Maar ik eet niet graag harde 4 een mug
bellen
. .
vlinders
Vul aan. Frits is een (gek)
duizendpoot met duizend (sok)
gekke
Hij haalt graag (grap)
Ze (lig)
liggen
Frits gooit twee
uit.
grappen
Zijn twee buurvrouwen zijn te (zon) emmers
zeggen
.
slakken
De buurvrouwen beginnen te (gil) Ze (zeg)
.
sokken
op een blad.
zonnen
met koud water naar hen. .
gillen
dat ze zijn ouders zullen
Het is niet de eerste keer dat Frits (zot)
streken uithaalt.
zotte
Vorige week kon hij een stukje van zijn zus haar haar En hij prikte ook al eens met een naald in haar (bil) Die dag kreeg hij enkele flinke (straf ) Hij moest toen alle veters van zijn zus (strik)
strikken
.
knippen .
billen
straffen
.
bellen
. .
Thema 7 - les 18
85
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
Ik twijfel.
6
7
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Maak de grappen af. 1 Twee
slakken
steken de straat over.
“Pas op!” roept één van hen, “er komen morgen
2 Twee
slangen
langs.”
bussen
kruipen door de woestijn.
Vraagt de ene slang aan de andere: “Zijn wij giftig?” “Waarom
vraag
“Ik heb net op mijn
3 Een man gaat met zijn zieke
je dat?” zegt de ander. gebeten!”
tong
(goud)vissen
De dierenarts zegt: “Ze zien er toch “Ja,” zegt de man, “maar wacht tot ik ze op de
86
Thema 7 - les 18
goed
naar de dierenarts. uit?” grond
leg.
les 3
Woorden net als brug, lach, volgt en licht ?
Spellingweter 21 Spellingweter 26 1
Woorden met g of ch Woorden met gt of cht
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de nacht
In de
het licht
Ik knip het
de berg
Op een hoge
de brug
De
de pech
Papa had
ik lach
Waarom
toch
Je bent
jij volgt
Ik loop en jij
vandaag
Het is
zacht
De trui is lekker
recht
Pieter, kijk
zich
Emma lacht
zij draagt
Silke
houdt de maan de wacht.
nacht
uit en ga slapen.
licht
is het vaak koud.
berg
over de rivier is nieuw.
brug
met de auto.
pech
je?
lach
niet ziek?
toch
met de fiets.
volgt
dinsdag.
vandaag zacht recht zich draagt
.
in mijn ogen. een bult met die mop. elke dag een andere trui.
Thema 8 - les 3
87
2
3
Kies om de beurt een woord. Schrijf het op de rug van je buur. Bespreek, dek af en schrijf op. zacht
kocht
boog
krijg
licht
veegt
echt
zaagt
Vul aan met g of ch. Schrijf het woord. 1 de dwer g
Een Oempa Loempa is een
2 de ber g
De Mount Everest is de hoogste
3 ik krij g
Ik
4 het oo g
Amber heeft een vuiltje in haar
5 de la ch
Younes kreeg de slappe
6 de mu g
Waarom zoemt een
7 vol g
jij
8 to ch
4
88
ter wereld.
berg
een cadeau voor mijn verjaardag.
krijg
.
oog .
lach
eigenlijk?
mug
jij je hart?
Volg
Niemand is
perfect?
toch
Schrijf het tegengestelde.
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 donker
’s Ochtends wordt het
2 ik huil
Als ik blij ben,
3 krom
Mijn lat is
4 de dag
Ik slaap als het
nacht
5 ruw
Mijn knuffel is
zacht
6 ik geef
Ik
Thema 8 - les 3
uit een boek.
dwerg
ik.
lach .
recht
krijg
.
licht
een zoen.
is. .
5
Maak een zin met zoveel mogelijk woorden. Kies uit: 1 oog – boog – krijgt – berg – mug – volg – dwerg – zegt – sloeg toch – zich – kocht – echt – nacht – recht – legt – licht
2
6
Vul aan. Kies uit: bocht – krijg – brug – echt – weg – dicht – genoeg
Ik sta stil in de
ik
maar alles zit
?
toch
.
dicht
voor mij. Mijn
pech
knort,
maag
niet.
lieg
Tja, jij hebt honger, hé. Jammer, ik kan
krijg
niet doorrijden.
echt
Zou het Geen idee, ik
.
brug
ook al. Hoe komt dat
weg
Dat is dan
voor de
bocht
Maandag
Ik wil hier
pech – maag – lieg – toch – nog – maandag
er in elk geval
nog
genoeg
lang duren? van.
Thema 8 - les 3
89
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul aan. Kies uit: handen – leg – kloppen – mensen – zwijg – binnen geeuwen – winden – echt – jullie – zeggen – dacht Heb jij goede manieren?
Leg
rechts? Denk je eraan te
kloppen
binnen
Laat je grote
gaat?
voor je ergens naar je als de juf spreekt?
Zwijg
voorgaan?
mensen
Kies je met je ogen en niet met je
handen
?
Doe je een hand voor je mond als je moet
geeuwen
En
zeggen
dacht
Oh, ja,
winden
Maar dat wisten 90
je de messen
Thema 8 - les 3
je eraan “dank u” te laten is jullie
echt
wel, hé.
? ?
niet gepast.
les 11
Woorden net als bomen en muren Zo leven mensen in ‘Omgekeerd-land’. Ze zeggen “Tot ziens!” als ze kamers binnenkomen. Ze geven elkaar een voet en geen hand. Opaatjes bouwen grote hutten in bomen. Kinderen sturen hun ouders naar bed. Elke dame kan over het water lopen. Speelgoed kost niets, maar een droom moet je kopen.
Spellingweter 27 1
Zo moet je verenkelen
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. over
Klom de boef
zeven
Zes,
het water
Ik drink elke ochtend een glas
de kamers
De twee
grote
de dame
Heb jij nog een
lopen
En wie is er met de aas gaan
de bomen
Hoge
de beker
Ik win liever een
de muren
Niet te luid praten. De
het teken
Als ik je een
de tafel
Onder
zij lopen
De soldaten
de buren
Onze
de negen
Als je een zes omdraait, krijg je een
de muur?
over
, acht, negen, tien. Ik kom!
zeven
.
water
grenzen niet aan elkaar.
kamers
mensen zijn soms net kleine kinderen.
Grote
of een heer?
dame
vangen veel wind.
bomen
dan een medaille.
beker muren
hebben oren.
geef, mag je komen.
teken
ligt een grote plas water.
tafel
in de foute richting.
lopen buren
?
lopen
zorgen voor onze kat. negen
.
Thema 8 - les 11
91
2
a Hak in klankgroepen. Kleur: de lange klanken op het einde van de klankgroep. b Dek af en schrijf op.
3
w a
t
e
r
water
k
a
t
e
r
kater
g
e
v
e
n
geven
m u
r
e
n
muren
d
e
k
e
n
deken
t
a
f
e
l
tafel
b
u
r
e
n
buren
l
o p
e
n
lopen
v
o g
e
l
vogel
t
o
e
n
toren
Kijk naar de prent. Zoek twee woorden met dezelfde lange klank.
apen
4
92
r
kopen
dure
kleren
water
bomen
vuren
ezel
zadel
poten
muren
negen
stoelen
Vul aan met een rijmwoord. 1 later
koud
water
5 woelen
harde
2 keren
diepe
meren
6 hopen
100 meter
3 muren
lieve
buren
7 wenen
voeten met vijf tenen
4 koorden
korte
woorden
8 dalen
frietjes
Thema 8 - les 11
lopen
halen
5
Vul aan met een woord met een lange klank. 1 De herder zorgt voor zijn (s)
schapen
.
2 Tussen acht en tien staat (n)
negen
.
3 Een (e)
is heel koppig.
ezel
4 In een bos staan veel (b) 5 Ik heb een (n)
6
Ik twijfel.
.
bomen
aan elke vinger.
nagel
Fout? Verbeter.
a Kleur in de kaders: woorden zoals ‘apen kopen dure kleren’. b Vul de zinnen aan. handen mensen tafel
Als jullie aan
tafel
zitten,
vorken
met messen en
plaatsen
Op andere
eten bomen
jullie
eten
.
vorken plaatsen
eten
met hun
mensen .
handen
Nog anderen eten met stokjes. Daarvoor worden veel In Schotland magen doden
de
koken
Voor sommige
mensen
Zij Anderen
van
magen
Zou je dat eens willen
schapen
ze
koken
mogen proeven
gekapt.
bomen
schapen ?
proeven mensen
doden mogen
.
is de koe een heilig dier.
hun koeien niet. dan weer geen varkensvlees eten.
Thema 8 - les 11
93
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
Ik twijfel.
6
7
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Vul aan. Jullie gaan vijf (d)
per week naar school.
dagen
Daar zit je heel wat (u) In andere (l)
ziet een schooldag er anders uit.
landen
In China zijn de (j)
en de meesters heel streng.
juffen
In Suriname (s) Dat is (v)
achter een bank.
uren
de lessen al om half een.
stoppen  .
vroeg
In Kenia (z)
ze soms met vijftig in een klas.
zitten
Veel kinderen haasten
zich
Anderhalf uur heen en anderhalf uur Er zijn ook kinderen die niet naar school Er is
oorlog genoeg
94
Thema 8 - les 11
te voet naar school. terug kunnen/mogen/ willen/durven
 . Doe dat maar eens na!
gaan.
in hun land of hun papa en mama hebben niet geld.
les 18
Woorden net als beren en lopen
b
o
o
m
m b
r
a
a
m
e
b
Spellingweter 27
a
m
r
u
n
m r
1
o
u
e
e
m
u
r
e
n
b
e
n
e
n
n
e
n
Zo moet je verenkelen
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. wij lopen
Deze turnles gaan we toertjes
de beren
Bruine
de benen
Een paard heeft geen poten, maar
zij plagen
Meisjes
boven
Woon jij beneden of
de zonen
Mijn mama heeft drie flinke
de uren
Dat verhaal duurt nu al
de scholen
In alle Vlaamse
de ogen
Heb jij blauwe, groene of bruine
zeker
Volgende week kom ik
de wegen
Alle
de knopen
Heeft jouw jas
de tekening
Ik maak een
.
lopen
kunnen meer dan 600 kg wegen.
beren
.
benen
, is liefde vragen.
plagen
?
boven
.
zonen .
uren
leer je spellen.
scholen
?
ogen
terug.
zeker
leiden naar Rome.
wegen
knopen tekening
of een rits? bij het verhaal. Thema 8 - les 18
95
2
Maak er meer van. Vul de zin aan. Kleur: de lange klank op het einde van de klankgroep.
3
uren
1 een uur
Een dag telt 24
2 een beest
In de zoo wonen veel
3 een oor
Je
4 een naald
Die boom verloor al zijn
5 een poot
Hoeveel
6 een brief
Schrijf jij nog
. .
beesten
oren
groeien heel je leven door. .
naalden
poten
heeft een duizendpoot? ?
brieven
Vul aan. Kleur: woorden met een lange klank op het einde van de klankgroep. 1 2 een vlucht 3
4
een familie eenden
een troep
4
beren
tien
5 een stapel 6
apen
stoelen
twee
hoofden
Vul aan. 1 Zitten de vogels in de struiken? Nee, ze zitten in de (b) 2 Is de deur gesloten? Nee, ze is (o)
open
3 Heeft onze juf dochters? Nee, ze heeft twee (z) 4 Is Jo zijn moeder? Nee, Jo is zijn (v)
vader
6 Ga je naar de stad? Ja, ik wil graag nieuwe (k)
Thema 8 - les 18
.
bomen . .
zonen .
5 Maak jij die taak alleen? Nee, we doen dat allemaal (s)
96
tenen
.
samen kleren
kopen.
5
Vul aan.
Ik twijfel.
1 Nel laat haar
graag knippen.
haren
2 Veertien dagen is twee 3 Juli en augustus vallen in de
5 Die
.
.
lezen
lamp kan ik niet betalen.
dure
6 Schoot de
6
zomer
4 Zonder bril kan oma niet
.
weken
de wolf dood?
jager
Fout? Verbeter.
a Kleur in de kaders: woorden met een lange klank op het einde van de klankgroep. b Vul de zinnen aan. zeven geven
Kijk jij soms naar de
?
hemel
Nee, niet kort, maar wat
langer langer
vormen hemel
, zodat je de sterren
en planeten goed ziet. Zie je
sterren in de
zeven
vorm van een pan? Die
samen de Grote Beer.
vormen
Alle sterren die licht
, staan eigenlijk heel ver
geven
weg. even kijken stralen morgen aarde jaren
Het duurt lang voor je hun Dus als je straks of kijken
ziet.
stralen morgen
, zoek dan
naar de sterren gaat even
naar de Grote Beer. Denk dan: het licht dat ik zie, is al miljoenen jaren
naar de
aarde
onderweg.
Thema 8 - les 18
97
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
Ik twijfel.
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
a Vorm woorden met een lange klank op het einde van de klankgroep. Kies één woord en maak er een zin mee.
j=sl g=p r=n
-dr m=p
n=sp g=l
slapen
open
spelen
b Vorm woorden met een korte klank op het einde van de klankgroep. Kies één woord en maak er een zin mee.
j=st g=pp r=n
-r m=pp
n=sp g=ll
stappen
doppen
spellen
98
Thema 8 - les 18
les 3
Woorden net als bakker, negen, roepen Tip: Zoek van links naar rechts en van boven naar beneden.
Spellingweter 27 1
m
i
e
r
e
n
l
m
q
s
b
k
k
o
p
p
e
n
v
t
e
b
d
e
w
e
n
s
e
n
l
a
m
p
e
n
e
m
u
s
l
k
a
e
z
l
v
a
k
z
e
k
g
n
e
g
e
n
r
p
n
e
e
u
l
v
d
o
g
o
z
r
r
m
x
t
o
p
e
n
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de bakker
Kun je bij die
de lampen
De
de koppen
Elise is twee
roepen
Schreeuwen en
zij duiken
De zwemmers
de scholen
Mijn vrienden gaan naar verschillende
mager
Als je te weinig eet, word je te
bellen
Ik mocht mijn meter
negen
Mijn zus wordt
de schapen
Geiten mekkeren en
de dwergen
Ik houd van sprookjes over
de mieren
Er lopen
appeltaart kopen?
bakker
langs de straten branden ’s nachts.
lampen
kleiner dan Ella.
koppen
betekenen hetzelfde.
roepen
in het diepe water.
duiken
.
mager
op haar verjaardag.
bellen
jaar in de grote vakantie.
negen
mieren
.
scholen
schapen dwergen
blaten. .
over tafel.
Thema 9 - les 3
99
2
Hak de klankgroepen. Luister naar de laatste klank van de eerste klankgroep. Kleur de schelp: als je een korte klank hoort. als je een lange klank hoort. Hoor je een andere klank? Dan kleur je niet.
en
schepp
stranden
vissen
emmer
kwallen
spelen
flinke
vlieger
water putten
kasteel
3
Rangschik de woorden. Luister naar de laatste klank van de eerste klankgroep. Kies uit: netten – schelpen – boten – lezen – haaien – zwemmen varen – druppel – golven
korte klank
4
100
lange klank
andere klank
netten
boten
schelpen
zwemmen
lezen
haaien
druppel
varen
golven
Maak woorden.
Ik twijfel.
a e b k k r
een warme
m a e r g
een
g d r e w n e
kleine
s s u z e n
drie grote
u z r e
Thema 9 - les 3
bakker
mager dwergen
zure
zussen
meisje
appels
Fout? Verbeter
5
Vul aan. 1 beken Vogels hebben bekken Ze drinken water uit
bekken
.
beken
2 spelen In dit boek moet je spellen Straks kun je buiten
.
spellen
.
spelen
taken 3 taken Sim wil zijn takken Hij klimt liever in de
6
.
niet maken. takken
.
Vul aan en kleur: woorden met een korte klank op het einde van de klankgroep. woorden met een lange klank op het einde van de klankgroep. bazen – kleine – riepen – bijten De grote vissen “Wij zijn de
van de zee!
bazen
Scheer jullie weg, Wij
steeds:
riepen
vissen!
kleine
jullie zo in twee!”
bijten
zwommen – gaten – grote Op een dag zaten de
vissen vast in een
grote
net. En kijk, de kleintjes door de
weg
zwommen
in het net.
gaten
morgen – jullie “Waar blijven
jullie
“Jullie liggen
morgen
praatjes nu?” riepen ze. in de pan.”
Thema 9 - les 3
101
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
8
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Bijna vakantie! Schrijf op wat je ziet. Waar kijk jij naar uit?
102
Ik twijfel.
Thema 9 - les 3
les 11
Woorden net als vissen, regen, vlieger
Spellingweter 27 1
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. de vissen
De
vissen
vluchten voor de haai.
de regen
De
regen
zorgde voor heel wat modder.
het water
Het feestje viel dus in het
springen
Ik sta niet te
de vlieger
Rida heeft een
open
De poes is gaan lopen toen de deur
wij kunnen
Wat je nu bestelt,
zonnen
Ik geniet als ik op het strand lig te
zij zitten
Er
de spiegel
In de
de zomer
De
zwemmen
Als je kunt
drijven
Een plank blijft
.
water
om te vertrekken.
springen
in de vorm van een vogel.
vlieger
kunnen
stond.
open
we morgen leveren. zonnen
.
luizen in mijn haren.
zitten
zie ik een heel mooi kind.
spiegel
begint op 21 juni.
zomer zwemmen
drijven
, verdrink je niet.
op het water.
Thema 9 - les 11
103
2
Vul aan. Schrijf het woord op. Kies uit: l – r – v – mm – ss – t – k – pp – kk – ff
3
scho l en
lagere
bu kk en
voorover
bukken
sto pp en
hu r en
een huis
huren
stra t en
doodlopende straten
stra ff en
zware
stre k en
ha v en
de
stoppen
scholen
met zagen
straffen
streken
uithalen
kle mm en
deuren die
klemmen
haven
van Gent
be ss en
blauwe
bessen
a Kleur de boot: bij woorden met een korte klank op het einde van de klankgroep. bij woorden met een lange klank op het einde van de klankgroep. Hoor je een andere klank? Dan kleur je niet.
potten
zomer
kussen
stammen
masten
hikken
slapen
roesten
paarden
sturen
zweten
vriezen
b Schrijf de woorden bij de juiste onthoudzin. apen kopen dure kleren
vette vissen zonnen tussen kwallen
104
jonge dieven worden meestal gepakt en krijgen flinke boetes
potten
zomer
masten
kussen
slapen
roesten
stammen
sturen
paarden
hikken
zweten
vriezen
Thema 9 - les 11
4
Vul aan.
Ik twijfel.
1 Niet vet maar (m) 2 Ik moet (w)
wenen
3 Mijn ooms (s)
met de kaarten.
scheren zich niet.
baarden
komt zonneschijn.
regen
6 De kapper knipt mijn (h)
.
haren
7 Niet vandaag, wel (m)
5
als ik droevig ben.
spelen
4 Mannen met (b) 5 Na (r)
.
mager
Fout? Verbeter.
komt hij.
morgen
Vul aan.
Waar gaan we heen? We gaan een de zee! Wie gaat er mee? De
2A en 2B.
klassen
Wanneer? Niet vandaag, maar
.
morgen
We vertrekken om
uur.
zeven
Hoe gaan we? We moeten eerst een stuk en nemen dan de trein. Wat neem je mee? Om te
: een drankje. aan om 18 uur.
komen
Niet vergeten! Iets om je huid mee in te
je
: boterhammen.
drinken
Wanneer zijn we terug? We
een
stappen
eten
Om te
emmer goede
dag naar
hele
smeren
,
en een schepje, humeur.
Thema 9 - les 11
105
6
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
Ik twijfel.
8
9
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
7
Vul in.
2
1
o
3 3
8
p a
8
7
p
9 9
7
i
m a s t e n
106
Thema 9 - les 11
p
4
5
h
a
t
o
s
v
b
e
r
t
e
r
p
v
l
d
i
e
l
e
e
n
n
g
e n
5
l
d
e
e
i
6
m
2
r
e l
6
n
1
4
les 18
Woorden net als gillen, water, stoere, Fien en Oostende Fien en Daan uit de Molenstraat spelen op het strand in Oostende. Daan is de hele tijd stoer aan het praten. “Zullen we gaan zwemmen?” vraagt Fien. Ze wil Daan te grazen nemen. In het water duikt ze naar de bodem. Ze steekt haar schep boven de golven uit. Daan begint te gillen: “Waah, een haai!” “Ha, ha, die stoere Daan is bang van een schepje”, lacht Fien.
Spellingweter 27 Spellingweter 30
1
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven Hoofdletter aan het begin van de zin en bij persoonsnamen
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin. gillen
Van
Molenstraat
Ik woonde vroeger in de
het water
Drink voldoende
boven
Onze televisie hangt
de bodem
Kun jij tot op de
Oostende
In
zij praten
stoere
Niemand heeft zo een
de golven
Durf jij in die
de steken
Ik haat
wij kruipen
In de turnles
word je hees.
gillen
.
Molenstraat water
bij warm weer. de kast.
boven
duiken?
bodem
kun je de beste garnalen eten.
Oostende
de meisjes meer dan de jongens?
Praten
zus als ik.
stoere golven
steken kruipen
te springen? van muggen. we als padden.
Thema 9 - les 18
107
2
Stuur het pakje op. Schrijf jouw naam en adres op. Doe zoals in het voorbeeld.
Mare Koopman Windmolenstraat 3 8900 Ieper
3
Vraag het aan je buur!
Ik ben
Teken je buur.
Fietsen of lopen?
Eten of koken?
Wakker of slapen?
Zwemmen of zonnen?
4
Vul aan. 1 In de (h) 2 De boten (v)
Ik twijfel. haven varen
3 De (m)
mannen
4 Zij (w)
werken
5 Elke dag (v)
vangen
6 Die vis kun je in de winkel (k) 108
Thema 9 - les 18
liggen vissersboten.
elke dag op zee.
op boten zijn matrozen.
erg hard.
ze vis. kopen
.
Fout? Verbeter.
5
a Lees de kaart. Kleur de vetgedrukte woorden: bij een lange klank op het einde van de klankgroep.
Dag Marit Ik ben op reis in een mooi land. Er zijn hier veel toffe plaatsen. Ons hotel ligt in Napels. Dat ligt aan de zee. We zwemmen elke dag. Ik ben op negen juli terug. Zie ik je dan? Dan kan ik je er alles over vertellen. Sara
bij een korte klank op het einde van de klankgroep. Hoor je een andere klank? Dan kleur je niet. b Voor wie is het kaartje? Kleur: de hoofdletters. c Leg aan je buur uit wanneer je hoofdletters gebruikt.
6
Marit Luyts Dekenstraat 21 3000 Leuven
Vul aan. Kies uit: verbranden – spelen – bouwen – smeren – vlieger – drinken – water – zwemmen – dingen – emmer – lekker komen – maken – tegen Bijna vakantie! Ga jij ook (s)
spelen
Dan moet je aan enkele (d)
dingen
– De zon kan je huid (v) (s)
verbranden
denken: . Koop een crème om je in te
.
smeren
– Ga zandkastelen (b) (e)
op het strand?
met een schep en een
bouwen .
emmer
– Als er wind is, kun je met een (v)
vlieger
– Als het warm is, moet je veel (d)
drinken
(w)
. Neem genoeg
mee.
water
– Als je wilt (z)
zwemmen
– Eet een (l)
lekker
, ga dan niet te diep in zee.
ijsje. Dat koelt af!
– Vergeet vooral niet veel plezier te (m) Misschien (k)
spelen.
komen
maken
we elkaar wel (t)
. tegen
!
Thema 9 - les 18
109
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort. 1
2
3
4
5
6
7
8
9
Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
Maak een zin met het antwoord. 1 De hoeveelste letter van het alfabet is de letter e? E is de vijfde letter. 2 Welke dingen gebruik je om een fiets te laten stoppen? Je stopt je fiets met je remmen. 3 Hoe heten de verhalen die zich ’s nachts in je slaap afspelen? In je slaap heten de verhalen dromen. 4 Welke dieren hebben kieuwen en een staartvin? Vissen hebben kieuwen en vinnen.
110
Ik twijfel.
Thema 9 - les 18
Spellingweters en spellingliedjes Spellingweter 1
Woorden die je schrijft zoals je ze hoort
Spellingweter 2
Woorden met een korte klank
Spellingweter 3
Woorden met een lange klank vooraan of achteraan
115
Spellingweter 4
Korte woorden met een doffe e
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
115
Spellingweter 5
Woorden met een v of f, z of s
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
115
Spellingweter 6
Woorden met een lange klank
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
116
Spellingweter 7
Woorden met oe
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
116
Spellingweter 8
Woorden met ie
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
116
Spellingweter 9
Woorden met ie of ei
Spellingweter 10
Woorden met eu
Spellingweter 11
Woorden met ui
Spellingweter 12
Woorden met aai, ooi, oei
Spellingweter 13
Woorden met meerdere letters vooraan of achteraan
Spellingweter 14
Woorden met eeuw of ieuw
Spellingweter 15
Woorden met sch, schr, str of spr
Spellingweter 16
Woorden met de woordstukjes ver, be of ge
Spellingweter 17
Woorden met een doffe e aan het einde
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
113
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . .
114
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
117
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
117
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
117
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
118
. .
118
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
118
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . .
118 119
Woorden met een doffe e in de woordstukjes en/ens, el/els of er/ers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
119
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
119
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
120
Spellingweter 18
Woorden met ng of nk, ngt of nkt
Spellingweter 19
Woorden met ei of ij
Spellingweter 20
Woorden met au of ou
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
120
Spellingweter 21
Woorden met g of ch
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
121
Spellingweter 22
Woorden met achteraan s of f
Spellingweter 23
Woorden met ee op het einde van een woorddeel/
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
woord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Spellingweter 24
Woorden met a, o en u op het einde
122
122
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
122
Spellingweters
111
Spellingweter 25
Woorden die eindigen op d of t, b of p
Spellingweter 26
Woorden met gt of cht
Spellingweter 27
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven
. . . . . . . . . . . .
124
Spellingweter 28
De punt, het vraagteken, het uitroepteken
. . . . . . . . . . . . . . . . .
125
Spellingweter 29
De komma en de dubbele punt
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
125
Spellingweter 30
Hoofdletter aan het begin van de zin en bij
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
123
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
123
persoonsnamen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Ei-lied
125
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
127
Au-lied
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Spellied
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Verenkel- en verdubbellied Mijn moeilijke woorden
112
Spellingweters
128 129
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
130
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
131
Woorden waarbij je schrijft wat je hoort Woorden die je schrijft zoals je ze hoort
Je schrijft wat je hoort. Luister goed, zeker als klanken op elkaar lijken.
Tip Lees en hak het woord in stukjes. Luister goed. Onthoud en herhaal de stukjes. Schrijf ze op. Controleer wat je schreef.
spellingweter 1
113
Woorden met een korte klank
Luister goed. Hoor je een korte klank, dan schrijf je a, e, i, o of u.
Tip Lees en hak het woord in stukjes. Luister goed. Onthoud en herhaal de stukjes. Schrijf ze op. Controleer wat je schreef.
spellingweter 2
114
Woorden met een lange klank vooraan of achteraan
Sommige woorden hebben maar twee letters. Luister goed.
Woorden met een lange klinker vooraan of achteraan schrijf je net als aap en fee.
Tip Lees en hak het woord in stukjes. Luister goed. Onthoud en herhaal de stukjes. Schrijf ze op. Controleer wat je schreef.
spellingweter 3
Korte woorden met een doffe e
Soms hoor je de doffe klinker e. Die lijkt wat op een u, maar je schrijft hem als een e of ee.
Woorden met een doffe e schrijft je net als een, het, er, de, me, je, we, ze, te ...
Let op! één is niet hetzelfde als een. spellingweter 4
Woorden met een v of f, z of s
Sommige klanken lijken op elkaar. Luister goed. De v en z trillen. De f en s niet. Voel maar aan je keel. spellingweter 5
115
Woorden met een lange klank
Luister goed. Hoor je een lange klank, dan schrijf je aa, ee, oo of uu.
Tip Lees en hak het woord in stukjes. Luister goed. Onthoud en herhaal de stukjes. Schrijf ze op. Controleer wat je schreef.
spellingweter 6
Woorden met oe
Je schrijft wat je hoort. Bij de oe schrijf je eerst de o en dan de e.
Woorden met oe schrijf je net als koek.
Boe!
spellingweter 7
Woorden met ie
Je schrijft wat je hoort. Bij de ie schrijf je eerst de i en dan de e.
Woorden met ie schrijf je net als tien.
spellingweter 8
116
Woorden met ie of ei Bij de ie schrijf je eerst de i en dan de e. Bij de ei schrijf je eerst de e en dan de i.
Woorden met ie schrijf je net als tien. Woorden met ei schrijf je net als ei.
spellingweter 9
Woorden met eu
Je schrijft wat je hoort. Bij de eu schrijf je eerst de e en dan de u.
Woorden met eu schrijf je net als reus.
spellingweter 10
Woorden met ui
Hoor je ui, schrijf dan ui. Bij de ui schrijf je eerst de u en dan de i. De ui schrijf je zonder j.
Woorden met ui schrijf je net als uil.
spellingweter 11
117
Woorden met aai, ooi, oei
Hoor je aai, ooi of oei, schrijf dan aai, ooi of oei. Aai, ooi, oei schrijf je met i en niet met j.
Woorden met aai schrijf je net als haai. Woorden met ooi schrijf je net als kooi. Woorden met oei schrijf je net als boei.
Luister en zing het spellied! spellingweter 12
Woorden met meerdere letters vooraan of achteraan
Begint het woord met meerdere letters vooraan? Hak en luister goed.
Tip Er bestaan veel zw-woorden. Er zijn geen woorden met sw-. Let op! De l en de r zijn kleefletters. Soms lijkt het alsof je iets hoort, maar je schrijft niets. Er mag geen letter tussen.
spellingweter 13
Woorden met eeuw of ieuw
Hoor je eeuw en ieuw, schrijf dan eeuw en ieuw. Eeuw en ieuw schrijf je met een u voor de w.
Woorden met eeuw schrijf je net als leeuw. Woorden met ieuw schrijf je net als nieuw.
Luister en zing het spellied! spellingweter 14
Woorden met sch, schr, str of spr
Je schrijft wat je hoort. Luister goed, zeker als klanken op elkaar lijken.
Tip Als je goed luistert, hoor je het verschil: sch, schr, str, spr.
Woorden met sch schrijf je net als schat. Woorden met schr schrijf je net als schreef. Woorden met str schrijf je net als straat. Woorden met spr schrijf je net als sprak. spellingweter 15
118
Woorden met de woordstukjes ver, be of ge
Veel woorden beginnen met ver, be of ge. Die stukjes worden met een e geschreven.
Woorden met ver schrijf je net als verdriet. Woorden met be schrijf je net als begin. Woorden met ge schrijf je net als gelijk.
spellingweter 16
Woorden met een doffe e aan het einde
Heel veel woorden hebben een doffe klinker. Die klinker schrijf je bijna altijd met een e.
Woorden met een doffe klinker schrijf je net als einde.
Woorden met een doffe e in de woordstukjes en/ens, el/els of er/ers
Ook in de woordstukjes en/ens, el/ens of er/ers hoor je een doffe e.
Woorden met een doffe klinker + n(s) schrijf je net als jongen(s). Woorden met een doffe klinker + l(s) schrijf je net als duivel(s). Woorden met een doffe klinker + r(s) schrijf je net als meester(s).
spellingweter 17
Woorden met ng of nk, ngt of nkt
Het verschil tussen nk en ng kun je horen: >> ng schrijf je altijd met ng. >> nk schrijf je altijd met nk (zonder g).
Woorden met nk schrijf je net als bank. Woorden met ng schrijf je net als ring.
Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen! Bv. doodsbang doodsbange bank banken Tip Twijfel je tussen ngt of nkt? Doe de t weg en verleng. Bv. denkt, denken / mengt, mengen ...
Luister en zing het spellied! spellingweter 18
119
Woorden die je onthoudt Woorden met ei of ij  
Schrijf ik de ei van ei of de ij van rij? Dit moet je onthouden. We onthouden de ei-woorden, de andere woorden schrijf je met een ij. Als je een woord in het ei-lied hoort (of op de ei-plaat/ei-brief ziet), dan schrijf je het met ei. Hoor je het niet of zie je het niet, dan schrijf je het met ij.
Let op! Er zijn nog ei-woorden. Die woorden leer je later.
Woorden met ei schrijf je net als ei. Woorden met ij schrijf je net als ijs.
Luister en zing het ei-lied!
spellingweter 19
Woorden met au of ou
S chrijf ik de au van saus of de ou van kous? Dit moet je onthouden. Als een woord in het au-lied of de au-strip komt, dan schrijf je het met een au. Als je een woord niet in het au-lied hoort of op de au-strip ziet of niet van buiten hebt geleerd, dan schrijf je het met ou.
Let op! Er zijn nog au-woorden. Die woorden leer je later.
Woorden met au schrijf je net als saus. Woorden met ou schrijf je net als kous.
Luister en zing het au-lied! spellingweter 20
120
Woorden met g of ch
Woorden met ch moet je onthouden.
Tip
Meestal schrijf je g!
Woorden met g schrijf je net als weg. Woorden met ch schrijf je net als zich.
Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen: >> wegen >> lachen
 weg  lach
Je hoort dan het verschil tussen g en ch. spellingweter 21
121
Woorden waarbij je een regel gebruikt Woorden met achteraan s of f
Achteraan schrijf je nooit een z of v. Dat moet je onthouden.
Sommige klanken lijken op elkaar. Luister goed. De v en z trillen, de f en s niet. Voel maar aan je keel. spellingweter 22
Woorden met ee op het einde van een woorddeel/woord
Op het einde van een woord schrijf je ee dubbel. Dat moet je onthouden.
Woorden met ee op het einde schrijf je net als zee.
Let op! Hoor je een lange a, o, u op het einde van een woord? Dan schrijf je de klinker enkel. Bv. ga, zo, nu ... Tip
Als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je de ee ook dubbel.
Woorden met ee op het einde van een woorddeel schrijf je net als meegaan en tweede.
Let op! Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel. Bv. jawel, zozeer ...
spellingweter 23
Woorden met a, o en u op het einde
Ga nu zo!
Op het einde van een woord schrijf je a, o of u enkel.
Woorden met een lange a op het einde schrijf je net als ga. Woorden met een lange o op het einde schrijf je net als zo. Woorden met een lange u op het einde schrijf je net als nu.
Tip Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel.
Bv. jawel, zozeer, ... spellingweter 24
122
Woorden die eindigen op d of t, b of p
Verlengen!
Als je twijfelt, moet je verlengen.
Tip Verlengen doe je door aan het einde van een woord e, en of er toe te voegen: >> hond >> tent >> heb >> pop
窶ドonden 窶フenten 窶ドebben 窶パoppen
Woorden die eindigen op d schrijf je net als hond. Woorden die eindigen op t schrijf je net als tent. Woorden die eindigen op b schrijf je net als heb. Woorden die eindigen op p schrijf je net als pop.
Let op! Soms zitten woorden op d of t in een ander woord verstopt (bv. brandweer). Denk na uit welke woorden de samenstelling bestaat. Verleng om te weten of je d of t moet schrijven. spellingweter 25
Woorden met gt of cht
Tok tok!
Na een korte klank schrijf je altijd cht, behalve in ligt, legt en zegt. ja Korte klank?
cht
nee gt
Let op! De kip ligt in het hok, legt een ei en zegt tok tok. Ligt, legt en zegt komen van de werkwoorden liggen, leggen en zeggen. Je schrijft ze dus ook met g. Tip Als je twijfelt, kun je ook verlengen.
Woorden met gt schrijf je net als jaagt. Woorden met cht schrijf je net als gezicht.
Luister en zing het spellied! spellingweter 26
123
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven Zo moet je verdubbelen
Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een korte klank, schrijf dan 1 klinker en 2Â medeklinkers. Ik luister naar het einde van de klankgroep.
Ik hoor een korte klank.
Ik schrijf 1 klinker en 2 medeklinkers.
vette vissen zonnen tussen kwallen
Zo moet je verenkelen
Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een lange klank, schrijf dan 1 klinker en 1Â medeklinker. Ik luister naar het einde van de klankgroep.
Ik hoor een lange klank.
Ik schrijf 1 klinker en 1 medeklinker.
apen kopen dure kleren
Zo schrijf je gewoon
Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een andere klank, dan schrijf je gewoon. Ik luister naar het einde van de klankgroep.
Ik hoor een andere klank.
Ik schrijf gewoon.
jonge dieven worden meestal gepakt en krijgen flinke boetes Tip Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan schrijf je ook gewoon.
Luister en zing het verenkel- en verdubbellied! spellingweter 27
124
De punt, het vraagteken, het uitroepteken
De punt sluit een zin af. Het vraagteken sluit een vraagzin af. Het uitroepteken sluit een zin af met een kreet, wens, bevel of waarschuwing. spellingweter 28
De komma en de dubbele punt
De komma brengt een rustpauze in een opsomming aan. De dubbele punt kondigt een opsomming aan.
Bv.  Jan verzamelt vlinders, bladeren, stenen en schelpen. Dit drinkt Jan graag: wijn, bier, melk en fruitsap. spellingweter 29
Hoofdletter aan het begin van de zin en bij persoonsnamen
Je schrijft een hoofdletter aan het begin van een zin. Ook de eerste letter van een persoonsnaam schrijf je met een hoofdletter (bv. Jan, Piet, Karel).
Bv.  Gisteren gingen Jan en Piet naar de kermis.
Let op! Alle eigennamen schrijf je met een hoofdletter, uitgezonderd bij: >> weekdagen (maandag, dinsdag ...) >> maanden (januari, februari ...) >> seizoenen (herfst, winter ...) >> windrichtingen (noordoosten ...) spellingweter 30
125
126
Ei-lied Refrein ’t Was op een dag in mei, dat het zielig kipje zei: “M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei? Ik had het nog maar net gelegd en nu is het dan zomaar weg. M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei?” Midden op de hei stond een geit op een grote kei. Kip vroeg: “Heb je misschien m’n schitterende ei gezien?” Geit heeft toen verklikt: “Jouw ei, dat is gepikt!” Refrein In de wei daar stond een koe. De kip liep naar haar toe. De koe zei: “Kipje lief, ’t is gestolen door een dief! Die bleef hier niet lang staan. Hij is op reis gegaan.” Refrein Het kipje ging toen vlug heel sip naar huis terug. Onder zeil stond kipjes hok. Daar zat iets op haar stok. Kip zag wie het had gedaan. De dief, dat was de ... haan! Refrein Van een klein stukje klei kneedde de kip een ei. Ze wierp het tegen de haan zijn oor, die ging er met de trein vandoor. ‘t Einde was niet top. De boer at ‘t eitje op! ’t Was op een dag in mei, dat het zielig kipje zei: “M’n ei, m’n ei, m’n ei! Waar is toch m’n ei? Ik had het nog maar net gelegd en nu is het zomaar weg. M’n ei, m’n ei, m’n ei! Dat was dus m’n ei!” 127
Au-lied Refrein Ik ben de au, de au van flauw. Ik zit in saus en ook in paus. Maar minder fijn: ik hoor bij pijn ... Au! Au! Au! Au! In het woordje auto zit ik ook. Ik kringel weg in blauwe rook. Ik sta graag op voor dag en dauw en eet mijn soep het liefste lauw. Refrein De otjes-ou dat is mijn broer. Als ik hem plaag, zegt hij heel stoer: “Stop daar nu mee, doe niet zo flauw, of ik mep je bont en blauw!� Refrein
128
Spellied Refrein Ik zal je vertellen, ik ben dol op spellen. p of een b? Hond met een d. Of moet dat met t? Ik zit er niet mee. Dat zijn geen zaken die mij kwellen, want ik ben dol ... op spellen. Simpele regels helpen mee, zoals bij aai en oei en ooi. Je schrijft een i, en dus geen j. Nooit meer een fout, is dat niet mooi? Refrein Met ieuw en eeuw zijn er woorden die last zouden kunnen geven. Schrijf uw waar je die hoorde, maar die worden steeds geschreven. Refrein Let goed op bij wat ik nu zing, je hoort en schrijft n en een g. In het geval van het woord ring maar in bank doet de g niet mee. Refrein Wil je deze puzzel kraken: schrijf je ng of toch nk? Dat hoor je bij het langer maken, mengen, denken, dus ga maar na. Refrein Nog een probleem waar ik aan dacht, is cht of g met t? Bij zucht en recht en dicht en lacht, is de klank kort dus ... cht. Refrein Het woord zegt komt van zeggen, vandaar dus de g, die je ziet. Zo ook met liggen en leggen. Hier gebruik je cht dus niet. 129
Verenkel- en verdubbellied Refrein Je ziet niet altijd wat je hoort. Je hoort niet altijd wat je ziet. Bij de juiste spelling van een woord, helpt misschien dit klankenlied. Zing maar mee en met z’n allen: vette vissen zonnen tussen kwallen. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde van de klankgroep kort, weet je vanzelf hoe het geschreven wordt. Onthoud dit en schrijf maar mee: van klinkers één, van medeklinkers twee. Refrein Zal ik eens iets geks beweren? Rare apen kopen dure kleren. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde van een klankgroep lang, ga bij het schrijven niet zomaar je gang. Onthoud dit en schrijf meteen: van de klinker en de medeklinker één. Refrein Nog een zin aan elkaar geplakt: jonge dieven worden meestal gepakt. Maar hoe schrijf je die woorden goed? Deze regel vertelt je hoe het moet: klinkt het einde niet lang of kort, weet je vanzelf hoe het geschreven wordt. Onthoud dan: bij dit soort van woord schrijf je gewoon de klank op die je hoort. Refrein
130
Mijn moeilijke woorden
131
132