Skip to main content

TALENT 6: taalschrift C - correctiesleutel

Page 1

5

C27 M83 Y74

C19 M30 Y75

6 Taalschrift C Correctiesleutel


Coördinatie: Dirk Dobbeleers Auteurs: Pieter Schouten Jacques van der Pijl Erika Blomme Dirk Dobbeleers Met medewerking van: Pieter Van Biervliet

Bij TALENT voor het 6e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B en C Spellingschrift Projectbundel - Een blik op de wereld Projectbundel - Van pool tot evenaar Projectbundel - Talent Werkwoordenblok 6 Voor de leraar: Handleidingen A, B en C Zorg- en evaluatiemappen A, B en C Map curriculumdifferentiatie 6 Correctiesleutels taalschriften A, B, C en spellingschrift Voor de klas: Talentbib 6 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8237-0 978-90-306-8222-6 D/2019/0078/80 D/2019/0078/83 Art. 569651/01 569433/01 NUR 191

Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Rob Hadermann Tekeningen taalweters: Eric Bouwens Tekeningen Talentbib: Louize Perdieus, Dirk Vandamme en Geert Verscheure p. 128: Haiku van Basho: Uit: Basho. De herfstwind dringt door merg en been. de Arbeiderspers, 2001; Haiku’s van Issa en Onitsura: Uit: Haiku - Een jonge maan © 1983 J. van Tooren, 1983 en Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam


THEMA

7

Met een lach & een traan


les 3

Mijn moeder is een heks Ik kan vragen over een verhaal beantwoorden. Ik kan de afloop van een verhaal verzinnen.

1

Lees deel 1. Beantwoord de vragen.

5

10

15

20

2

Mijn moeder is een heks. “Nou”, hoor ik je denken. “Ik vind mijn moeder ook niet elke dag even leuk. Maar of ik haar nu meteen een heks zou noemen ...” Als je dat denkt, begrijp je me verkeerd. Mijn moeder is écht een heks. Alleen wil ze liever niet dat iedereen het weet. Mijn moeder is namelijk niet de handigste heks ter wereld. Integendeel. Ze heeft het toveren jaren geleden opgegeven omdat het telkens weer fout liep. Haar bezem ruilde ze in voor een oude fiets waarmee ze elke dag gewoon naar haar werk gaat. Toen ik klein was, probeerde ze bijvoorbeeld te ‘toverkoken’. Appelmoes met kip werden gehaktballen in groene kikkerdril. In plaats van spaghetti zaten er wormen in de tomatensaus en de frieten die ze op tafel toverde, hadden pootjes. Ze kropen vliegensvlug uit de kom en het duurde uren voor we ze te pakken hadden. Toen ik een friet probeerde op te eten, beet hij gemeen in mijn tong. Mijn moeder kookt nu gewoon aan het fornuis, maar zelfs daar is ze niet heel goed in. Vaak bestelt ze pizza of chinees en dat vind ik prima. Omdat ze echt niet van schoonmaken houdt, durft ze nog weleens een poetsspreuk te mompelen. De kopjes en borden wassen dan zichzelf af, maar krimpen soms of veranderen van kleur. Ik heb al van een roze poppenservies gegeten, maar ook van XXXL-borden die amper op de tafel pasten. Hetzelfde geldt voor mijn kleren. Als ik mijn broek aantrek, weet ik meteen of mama een toverwasje heeft gedaan. Soms is ze kort, soms lang. Soms is ze blauw, soms rood.

W

krimpen kleiner worden amper nauwelijks

a Waarom tovert de moeder niet meer hoewel ze een heks is? Omdat het toveren telkens fout liep. b Kleur in de tekst: twee dingen die de moeder nu niet meer toverend doet. twee dingen waarvoor de moeder nog wel eens een toverspreuk gebruikt. c Wat gebeurt er als ze dat doet? De borden en kleren krimpen, groeien of veranderen van kleur. Thema 7 - les 3

5


3

Lees deel 2. Beantwoord de vragen.

5

10

15

20

25

W

Zolang mijn moeder thuis tovert, is er geen vuiltje aan de lucht. Helaas hield ze haar toverkunsten niet altijd binnenshuis en gebeurden er een paar ongelukken waarbij andere mensen betrokken waren. Vooral wanneer mijn moeder zenuwachtig was of als ze een glaasje wijn op had, liepen de dingen uit de hand. Een paar keren liep het grondig fout. Zo fout zelfs dat we moesten verhuizen. Toen ik zeven werd, nodigde mijn moeder alle kinderen van mijn klas uit. Het feest verliep prima en iedereen amuseerde zich opperbest. Wij kregen limonade en snoep en mama dronk een glaasje wijn. Maar dat had ze beter niet gedaan. Ze toverde een grote schaal chocoladecakejes die versierd waren met aardbeien. De kinderen vonden het fantastisch en grepen een cakeje, maar zodra ze in het gebakje beten, veranderden de aardbeien in rode beestjes met extreem lange poten. Al mijn klasgenoten renden gillend naar buiten en durfden niet meer binnen te komen. De volgende dag wilde niemand nog met me spelen op school. Alle ouders hadden hun kinderen verboden nog in mijn buurt te komen. Een paar moeders startten zelfs een petitie waarin ze eisten dat ik van school gestuurd werd. Op een nacht schreef iemand in grote witte letters HIER WOONT EEN HEKS op de gevel van ons huis. Mama dacht dat het wel zou stoppen, maar het werd alleen erger. Toen er op een dag een dreigbrief en twee dode muizen in mijn boekentas zaten, vond mijn moeder het genoeg. We pakten onze koffers en vertrokken naar een dorp waar niemand ons kende. Het zou niet de enige keer zijn dat we moesten verhuizen. Mama liet een tijd later per ongeluk de auto van de buren smelten; ze liet kersen aan de appelboom groeien of ze liet een kat fluiten in plaats van miauwen. Dat laatste was eigenlijk een verbetering, maar daar dachten de eigenaars van de kat anders over. Ze riepen er zelfs de politie bij en mama kwam bijna in de gevangenis terecht.

Er is geen vuiltje aan de lucht. Er zijn geen problemen. Alles is in orde. grondig

heel goed en uitgebreid

extreem

heel erg

de petitie schriftelijke vraag die door zo veel mogelijk mensen ondertekend wordt de gevel buitenmuur van een huis; voorgevel = voorkant, achtergevel = achterkant

6

Thema 7 - les 3


4

Wie is de hoofdpersoon in dit fragment? Kruis het juiste antwoord aan. x de ik-persoon

de moeder de ouders de overbuurman

5

6

Herlees deel 1 en 2. Nummer de zinnen in chronologische volgorde. 3

Niemand wilde nog met me spelen.

5

We verhuisden voor de eerste keer.

8

Mama ruilde haar bezem in voor een fiets.

1

Mama toverkookte frietjes die op de loop gingen.

4

Ik kreeg een dreigbrief met twee dode muizen.

7

Mama kwam bijna in de gevangenis terecht.

2

Mama toverde gebakjes met aardbeien die veranderden in rode beestjes met extreem lange poten.

6

Mama liet een kat fluiten in plaats van miauwen.

In het fragment is een gevolg onderstreept. (r. 26) Kleur: de oorzaak.

Thema 7 - les 3

7


7

Lees deel 3. Beantwoord de vragen.

Eva’s moeder geeft een verjaardagsfeest voor Eva en haar klasgenoten. Als dat maar goed afloopt ...

5

10

15

In de woonkamer had iemand de muziek luider gezet en was een groepje kinderen aan het dansen. Mijn moeder liep heupwiegend door de woonkamer en neuriede mee met de muziek. Voor ik haar kon vragen of alles in orde was, kwamen Ada en Mila naar me toegelopen. “Je moeder is echt fantastisch”, zei Ada lachend. “Ze is grappig, kan over alles meepraten en bovendien is ze ontzettend mooi. Ik wou dat ik zo’n moeder had.” Ik zweeg en keek naar mijn moeder die nog steeds danste. Ze opende haar armen wijd en draaide steeds sneller rond. Daarbij kwam ze gevaarlijk dicht bij een tafeltje waarop een zware glazen vaas stond. Ik wilde naar haar toegaan en zeggen dat ze voorzichtig moest zijn, maar voor ik de kans kreeg, botste haar hand tegen de vaas die in duizend scherven op de grond uit elkaar spatte. “Oeps!” zei mijn moeder giechelend. “Die is kapot!” Ik wou naar de keuken lopen om een stoffer en blik te halen, maar net toen ik me omdraaide, hoorde ik mijn moeder een toverspreuk mompelen. Het werd muisstil in de kamer. Iedereen staarde naar mijn moeder die zich niet bewust leek van wat ze net had gedaan. “Hoe deed u dat?” vroeg een meisje dat vlak bij haar stond. “Alle scherven zijn weg ...” Ik hoorde haar stem een beetje trillen. Waarom trilt de stem van het meisje? Bespreek. Voorspel hoe het verhaal verdergaat.

20

25

W

8

“Cool”, zei een jongen. “Kunt u dat nog een keer doen?” Mijn moeder beet op haar lip en keek de kamer rond tot haar ogen die van mij vonden. Ze haalde met een verontschuldigend gebaar haar schouders op. “Het was gewoon een slimme goocheltruc”, antwoordde ze. “Abracadabra met wat hocus pocus ertussen, weet je wel? Iedereen kan het, als je maar lang genoeg oefent.” Wat was er fout gelopen? We hadden geen wijn in huis. Mijn blik viel op de doos bonbons die intussen zo goed als leeg was. Toen ik de tekst op de zijkant las, zakte de moed in mijn schoenen. Mijn moeder had een hele doos likeurbonbons leeggegeten!

heupwiegen

bij het stappen overdreven met je heupen heen en weer gaan

de likeurbonbon

praline met een beetje sterkedrank in

Kleur in de tekst: drie zinnen die vertellen wat de vriendinnen van haar moeder vinden.

8

Thema 7 - les 3


9

Lees deel 4. Beantwoord de vragen.

5

10

15

20

“Kent u nog andere goocheltrucs?” hoorde ik Mila vragen. Mijn moeder legde haar handen op haar lippen en hield haar hoofd een beetje schuin. Er rolde een spreuk over mama’s lippen en plots dansten Mila’s lange, steile haren in grote krullen om haar hoofd. Overal klonken verraste ho’s en ha’s en een paar mensen klapten enthousiast in hun handen. Mila bleef een paar seconden verstijfd staan, maar maakte dan schaterlachend een pirouette. “Wat mooi!” riep ze. “Ik wilde altijd al krullen!” “Nu ik!” riep Felix. “Kunt u ook iets met mijn haren doen?” Hij wees op zijn korte stekelhaar dat elke week netjes geknipt werd. Mijn moeder keek hem peinzend aan, sprak enkele onverstaanbare woorden uit en bewoog haar handen over zijn gezicht. Toen ze een stap achteruitzette, had Felix een zwarte baard en een gigantische snor waarvan de uiteinden sierlijk omhoog krulden. Iedereen begon luid te lachen en Felix tastte met zijn vingers over zijn gezicht terwijl hij mijn moeder met grote ogen aankeek. “Kan het ook weer weg?” vroeg hij een beetje angstig, waarop de baard en de snor even snel verdwenen als ze verschenen waren. Mijn moeder ging nu helemaal op in het toveren. Mila en Ada moesten zo hard lachen met mijn moeders toverkunsten dat ze amper nog op hun benen konden staan. Gierend leunden ze tegen elkaar aan en veegden de lachtranen van hun gezicht. W

Wat zijn lachtranen? Wanneer had jij voor het laatst lachtranen? Bespreek.

25

30

de pirouette beweging waarbij je op één been ronddraait

Mijn hart stond een paar seconden stil toen ik zag dat Flore een gsm had van harte bovengehaald om de kunsten van mijn moeder te filmen. gemeend Ada kwam naar me toegelopen en sloeg een arm om mijn schouder. “Eva!” riep ze, nahikkend van het lachen. “Ik heb me nog nooit zo goed geamuseerd als op jouw verjaardag. Dit is echt het allerbeste feest ooit! Je moeder is werkelijk fantastisch! Ik wist helemaal niet dat ze een goochelaar was!” Ze keek naar mijn moeder die een stuk cake liet ontploffen en gierde het opnieuw uit. Ik had mijn klasgenoten nog nooit zo vrolijk en uitgelaten gezien. Freek kwam naast me staan, kneep even in mijn hand en glimlachte. Ik glimlachte terug, maar het was niet van harte.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Mijn moeder is een heks | Mathilda Masters

Eva’s moeder is een heks. Ze kan dus toveren. Maar helaas zijn haar toverkunsten niet altijd even betrouwbaar. Zo krijgen frieten pootjes of baden de gehakballetjes in kikkerdril. Als Eva jarig is, wil haar moeder per se een feest geven. Dat mag van Eva alleen als ze plechtig belooft niet te toveren. Maar tijdens het feest loopt het helemaal fout. Hoe krijgt Eva dat allemaal weer goed?

Mijn moeder is een heks Mathilda Masters | Louize Perdieus

Meer lezen? Mijn moeder is een heks, Mathilda Masters, Talentbib 6

6

Thema 7 - les 3

9


10

a Kleur in de tekst: de (werk)woorden die vertellen dat iedereen geniet op het feest. b Waarom lacht Eva niet van harte? Bv. Eva is bang dat haar moeders toverkunsten uit de hand zullen lopen.

11

12

Bekijk de afbeeldingen. Schrijf de naam van het personage onder de juiste afbeelding.

Mila

Felix

moeder

Eva

Hoe gaat het verhaal verder? a Schrijf in sleutelwoorden vijf dingen op die nog gaan gebeuren. Tip: sleutelwoorden geven een antwoord op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe? 1 2 3 4 5

10

Thema 7 - les 3


b Schrijf de sleutelwoorden die je bedacht hebt uit in vijf zinnen die jouw vervolg van het verhaal vertellen. 1 2 3 4 5

13

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de hoofdpersoon in een verhaal herkennen. Ik kon oorzaak en gevolg in een verhaal herkennen. Ik kon gebeurtenissen in een verhaal ordenen. Ik kon de afloop van het verhaal verzinnen. Ik werkte goed samen.

Thema 7 - les 3

11


les 4

Ik lach en ik huil Ik kan aangeven welke emotie een verhaal bij me oproept. Ik kan een verslag schrijven over eigen ervaringen.

1

Kies een tekst. Ik verkies grappige verhalen vol fantasie. Ik verkies dierenverhalen. Ik verkies verhalen over emoties.

Lees tekst A (oefening 2). Beantwoord de vragen (oefening 3 tot en met 5).   Lees tekst B (oefening 6). Beantwoord de vragen (oefening 7 tot en met 9).   Lees tekst C (oefening 10). Beantwoord de vragen (oefening 11 tot en met 13). W

2

Lees tekst A.

de emotie gevoel, bv. blij, bang, boos, nieuwsgierig ...

Op het verjaardagsfeest spreekt Eva’s moeder ook een spreuk uit over Freek, de jongen op wie Eva verliefd is.

5

10

15

“Een staart!” riep een meisje lachend. “Freek heeft een staart!” Toen hij zich omdraaide, zag ik de sierlijke roze varkensstaart die uit zijn broek omhoog krulde. Freek keek mij en mijn moeder geschrokken aan. “Haal hem weg”, zei hij paniekerig. “Ik wil helemaal geen staart.” Mijn moeder bewoog haar handen en mompelde iets, maar de kinderen achter Freek begonnen nog luider te lachen. “Een paardenstaart!” riep een meisje. “Dat is handig in de zomer om vliegen mee weg te slaan.” Freek knipperde met zijn ogen. “Alsjeblieft,” smeekte hij, “haal die staart weg. Het is wel genoeg geweest.” Mijn moeder keek paniekerig om zich heen en ik voelde hoe de tranen W sierlijk plots achter mijn ogen prikten. Ze sprak een nieuwe spreuk uit, maar in plaats mooi van te verdwijnen, werd de paardenstaart vervangen door een griezelig lange rattenstaart die de grond raakte. Er volgden een pluizig konijnenstaartje, de verstommen enorme staart van een kangoeroe en een prachtige pauwenstaart, maar het ophouden, stil lukte niet om de staart helemaal weg te toveren. worden Het gelach was verstomd en iedereen staarde ontzet naar mijn moeder die ontzet de ene spreuk na de andere uitsprak zonder resultaat. De tranen stroomden van streek intussen over mijn wangen, maar ik deed geen moeite om ze weg te vegen. Mijn moeder had mijn verjaardag helemaal verpest.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

12

Thema 7 - les 4

6

Mijn moeder is een heks | Mathilda Masters

Eva’s moeder is een heks. Ze kan dus toveren. Maar helaas zijn haar toverkunsten niet altijd even betrouwbaar. Zo krijgen frieten pootjes of baden de gehakballetjes in kikkerdril. Als Eva jarig is, wil haar moeder per se een feest geven. Dat mag van Eva alleen als ze plechtig belooft niet te toveren. Maar tijdens het feest loopt het helemaal fout. Hoe krijgt Eva dat allemaal weer goed?

Mijn moeder is een heks Mathilda Masters | Louize Perdieus

Meer lezen? Mijn moeder is een heks, Mathilda Masters, Talentbib 6


3

Het verjaardagsfeest is niet voor iedereen een leuk feest. Kleur in de tekst: wie er lacht. wie er huilt. wie er paniekerig is.

4

5

Nummer de staarten die Freek krijgt chronologisch. 3

rattenstaart

2

paardenstaart

4

konijnenstaart

5

kangoeroestaart

1

varkensstaart

6

pauwenstaart

Kleur de smiley die volgens jou bij de tekst past.

Thema 7 - les 4

13


6

Lees tekst B.

Op een avond zaten de eekhoorn en de mier naast elkaar op de bovenste tak van de beuk. Het was warm en stil en zij keken naar de toppen van de bomen en naar de sterren. Zij hadden honing gegeten en gepraat over de zon, de oever van de rivier, brieven en vermoedens. “Ik ga deze avond bewaren,” zei de mier. “Vind je dat goed?” 5

10

De eekhoorn keek hem verbaasd aan. De mier haalde een klein zwart doosje tevoorschijn. “Hier zit ook de verjaardag van de lijster in,” zei hij. “De verjaardag van de lijster?” vroeg de eekhoorn. “Ja,” zei de mier en hij pakte die verjaardag uit het doosje. En zij aten weer zoete kastanjetaart met vlierbessenroom, en ze dansten weer terwijl de nachtegaal zong en het vuurvliegje aan- en uitging, en ze zagen de snavel van de lijster weer glimmen van plezier. Het was de mooiste verjaardag die zij zich konden herinneren. De mier stopte hem weer in het doosje.

15

20

25

“Daar stop ik deze avond bij,” zei hij. “Er zit al veel in.” Hij deed het doosje dicht, groette de eekhoorn en ging naar huis.

Wat bewaart de mier in het doosje? herinneringen

8

Kleur in de tekst: waaruit het verjaardagsfeest van de lijster bestond.

9

14

de lijster zangvogel

verkreukelen wanneer er ergens kreuken in komen verbleken lichter van kleur worden

De eekhoorn bleef nog lang op de tak voor de deur zitten en dacht aan het doosje. Hoe zou die avond daar nu in zitten? Zou hij niet verkreukelen of verbleken? Zou de smaak van honing er ook in zitten? En zou je hem er altijd weer in kunnen krijgen als je hem eruit haalde? Zou hij niet kunnen vallen of breken, of wegrollen? Wat zou er trouwens nog meer in het doosje zitten? Avonturen die de mier had beleefd? Ochtenden in het gras aan de oever van de rivier, als de golven glinsterden? Brieven van verre dieren? En zou het doosje ooit vol zijn, zodat er niets meer bij kon? En zouden er ook andere doosjes bestaan, voor treurige dagen? Zijn hoofd duizelde. Hij ging naar huis en stapte in bed.

Uit: Misschien wisten zij alles, Toon Tellegen, Querido, 2016

7

W

Kleur de smiley die volgens jou bij de tekst past.

Thema 7 - les 4


10

Lees tekst C.

Sterre haalt met haar vader fijne herinneringen op aan het laatste verjaardagsfeest dat ze samen met mama vierden.

5

10

15

20

“Ze werd ziek zoals ik gevreesd had, ze had dan ook geen weerstand meer, maar met elk grammetje kracht vocht ze tegen de koorts. Het was kantje boordje, Sterre. Zeven helse dagen van onzekerheid ... Maar mama won, dat gevecht wel, en ze was ook niet langer boos. Positief als altijd en vastbesloten er het beste van te maken. Geen seconde mocht meer verspild worden aan razen of jammeren; vanaf nu en zolang ze ademhaalde zou ze alleen nog van ons houden en gelukkig zijn. En zo is het ook gebeurd.” “De laatste avond wilde ze filmpjes kijken van toen ik klein was, weet je dat nog? Van die keer toen ze nog een boodschap moest doen en ik had willen helpen en alvast begonnen was de sla te wassen met een stuk toiletzeep.” “En je driftig werd omdat je dacht dat we je uitlachten.” W driftig “Maar die avond wilde ik liever huilen.” boos “Ik had bij de bakker een aardbeientaart besteld,” zegt hij. “Midden in de winter, en met vijfendertig kaarsjes op. Ze zou pas in februari jarig zijn, maar daarop had ze niet willen wachten.” Ze wilde ook nog één keer champagne drinken. We klonken, jij met chocolademelk, en ik stak de kaarsjes aan, en toen gingen we allemaal samen blazen; zij als een klein piepend vogeltje en wij tweeën nauwelijks harder, om het extra lang te laten duren. We bliezen en we lachten tegelijk omdat ze niet wilde dat we huilden en de vlammetjes flakkerden en doofden ten slotte toch, het ene na het andere.” En nu glimlacht papa en Sterre glimlacht terug en een eindje verder dansen en kussen de libellen, die zijn teruggekeerd, in het koperorkest van de zon.

Uit: De tranen van Einstein, Gerda Van Erkel (BiB-BoX ster)

boos

angstig

nieuwsgierig

12

verrast

tevreden

droevig

opgelucht

Omcirkel de gevoelens die volgens jou bij Sterre passen.

trots

11

eenzaam vrolijk

Kleur in de tekst een zin of zinsdeel: waardoor je weet dat de mama van Sterre gestorven is.

13

Kleur de smiley die volgens jou bij de tekst past.

Thema 7 - les 4

15


14 Werk per vier. Bekijk de smiley die je bij de tekst die je las inkleurde. Bespreek de overeenkomsten of verschillen.

15

16

Denk aan jouw verjaardagsfeest of eentje waarop je (niet) was uitgenodigd. Schrijf drie dingen op die je lieten lachen en drie dingen die je verdrietig maakten.

1

1

2

2

3

3

Maak een verslag over een van de gebeurtenissen op jouw laatste verjaardagsfeest. a Noteer maximaal zes sleutelwoorden over die gebeurtenis.                   b Hoe begint je verslag? Schrijf de eerste zin op. c Hoe eindigt je verslag? Schrijf de laatste zin op.

16

Thema 7 - les 4


d Schrijf nu je verslag. Beschrijf daarin hoe je je voelde tijdens de gebeurtenissen.

17

Lees je verslag na. Controleer met de checklist.

Ik schreef een goed verslag.

Mijn verslag begint met een inleiding, waarin ik de situatie uitleg. In het midden van het verslag staat wat er gebeurde. In het midden van het verslag staat hoe ik me voelde. In het slot van het verslag staat hoe het afgelopen is en hoe ik me nu voel. Het verslag maakt duidelijk of het een grappige of verdrietige gebeurtenis is. De zinnen in mijn verslag zijn niet te lang. In het verslag staan niet te veel herhalingen (En toen ... en toen ... en toen ...) Ik gebruik leestekens op de juiste manier. Ik let op de spelling.

Thema 7 - les 4

17


18

Maak een tekening of zoek op het internet een afbeelding die bij de lach of de traan in jouw verslag past.

19 Werk met een partner. Wissel van schrift. Lees elkaars verslag en beoordeel het. Geef tips en tops: wat was goed? Wat kan beter?

20

TOP

TIP

1

1

2

2

3

3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vaststellen of een tekst grappig, verdrietig of beide is. Ik kon een verslag schrijven over iets grappigs of verdrietigs. Ik werkte goed samen. Ik kon mijn gevoelens uiten in een verslag.

18

Thema 7 - les 4


les 6

VerZinnen Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kan de overige zinsdelen aanduiden op basis van vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, aan of voor wie, hoe? Ik kan de zinnen in het zinnenschema schrijven.

1

Lees de taalweters.

Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: wie of wat? Bijna elke zin bestaat uit een onderwerp en een persoonsvorm. Maar soms volstaan onderwerp en persoonsvorm niet om betekenis te geven aan een zin. Er is dan een zinsdeel nodig dat extra informatie bevat. Zonder dat extra zinsdeel verliest de zin (een deel van) zijn betekenis.

Sommige werkwoorden hebben nood aan een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: wie of wat? Bv.  Onze juf geeft. Ik zag.

(wat?)  (wie?)

Onze juf geeft les.   Ik zag mijn buurman.

Je kunt nagaan of je antwoord klopt door een proefje. Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm + onderwerp? Bv.  Wat geeft onze juf? Wie zag ik?

les   onze buurman

(= iets)   (= iemand)

Thema 7 - les 6

19


Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: aan wie of voor wie? Bijna elke zin bestaat uit een onderwerp en een persoonsvorm. Maar soms volstaan onderwerp en persoonsvorm niet om betekenis te geven aan een zin. Er is dan een zinsdeel nodig dat extra informatie bevat. Zonder dat extra zinsdeel verliest de zin (een deel van) zijn betekenis.

Sommige werkwoorden hebben nood aan een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: aan wie? Bv.  Mijn vriend heeft zijn huiswerk gegeven.   (aan wie?)   Mijn vriend heeft zijn huiswerk aan de juf gegeven. Soms staat die aan of voor er niet! Bv.  De meester geeft vandaag huiswerk.   (aan wie?)   De meester geeft ons vandaag huiswerk. Je kunt nagaan of je antwoord klopt door een proefje. Stel de vraag: aan wie of voor wie + persoonsvorm + onderwerp? Bv.  Aan wie heeft mijn vriend zijn huiswerk gegeven? Aan wie heeft de meester huiswerk gegeven?

aan de juf   (aan) ons

Hoe kan ik zinnen aanvullen of afbouwen? Je kunt een zin aanvullen door zinsdelen toe te voegen. Bv.  Vampiers zwerven.

’s Nachts zwerven vampiers gillend over verlaten begraafplaatsen.

Wanneer?

Hoe?

Waar?

Je kunt een zin afbouwen door zinsdelen weg te laten. Bv.  De kinderen hoorden midden in de nacht wolven luid huilen in het bos.

Wanneer?

Hoe? Waar?

De kinderen hoorden wolven huilen.

De zinsdelen die je toevoegt of weglaat, geven antwoord op vragen zoals: >> Waar? >> Wanneer?

20

Thema 7 - les 6

>> Hoe? >> Waarom?

>> Waarmee? >> ...


2

a Maak de zinnen langer. Vul aan met een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag:

wie of wat?

en/of

aan wie of voor wie? 1 Moeder tovert 2 Ada geeft 3 Freek verandert 4 De eekhoorn toont 5 Sterre denkt

b Markeer in de zinnen: het onderwerp. c Onderstreep de persoonsvorm.

3

a Maak de zinnen langer. Vul aan met minstens één zinsdeel dat antwoord geeft op één of meer van de volgende vragen:

wat?

aan wie of voor wie?

waar?

wanneer?

hoe?

b Zet het zinsdeel tussen vinkjes en schrijf het vraagwoord eronder. 1 De mier bezoekt

.

2 Mama zal

kopen

.

3 Moeder keek

.

4 Freek vertelt

.

Thema 7 - les 6

21


4

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Schrijf de andere zinsdelen in het schema. Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes Schrijf het vraagwoord eronder. Onderwerp/rest van de zin

1

Op een nacht schreef iemand in witte letters HIER WOONT EEN HEKS op de gevel van ons huis. Wanneer?

Hoe?

Wat?

Waar?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

schreef

Op een nacht in witte letters HIER WOONT EEN HEKS op de gevel van ons huis Wat? HIER WOONT EEN HEKS Waar? op de gevel van ons huis Wanneer? op een nacht Waarmee? Aan of voor wie? Hoe? in witte letters

HIER WOONT EEN HEKS! 22

Thema 7 - les 6


Onderwerp/rest van de zin

2

In de woonkamer had iemand de muziek luider gezet.

Waar?

Wat? Hoe?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

had gezet

In de woonkamer de muziek luider Wat? de muziek Waar? in de woonkamer Wanneer? Waarmee? Aan of voor wie? Hoe? luider

5

Speel het zinnenspel. Kies om de beurt een zinsdeel. Maak een zo lang mogelijke zin. Het spel stopt als alle zinsdelen gebruikt zijn of als jullie de zin niet meer langer kunnen maken. Wie de langste zin heeft, wint. Tip: je mag op elk moment een nieuwe zin beginnen.

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen.

Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kon de overige zinsdelen aanduiden op basis van vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, aan of voor wie, hoe? Ik kon zinnen in het zinnenschema schrijven. Ik speelde een spel volgens de regels.

Thema 7 - les 6

23


les 8

Lucht huilen op en is lachen gezond? Ik kan informatie uit teksten begrijpen en verwerken.

1

Lees deel 1. Beantwoord de vragen.

traankanalen traanklier traankanaal

1 Huilen

5

10

W

Wist je dat je eigenlijk altijd huilt? Dat zit zo: je ogen moeten voortdurend vochtig blijven. Daar zorgen twee kliertjes bij je richting oog voor. Die maken voortdurend traanvocht aan. Dat vocht van tranen komt aan de buitenkant van je oog terecht, blijft daar even traanbuisje en wordt dan weer afgevoerd door twee kleine buisjes in je oogleden. Maar dat is natuurlijk nog iets anders dan huilen. Als je huilt, produceren de traankliertjes zo veel vocht dat de buisjes het niet allemaal kunnen afvoeren. Het traanvocht loopt dan uit je ogen: de tranen rollen over je wangen. Een deel van het traanvocht loopt het afvoerbuisje in en komt op die manier in je neus terecht. Je begint te snotteren. Er is iets vreemds aan de hand met traanvocht tijdens een huilbui: de chemische samenstelling is anders dan die van gewoon traanvocht. Emotionele tranen bevatten hormonen die pijnstillend werken.

de klier

deel van je lichaam dat vocht of hormonen produceert

chemisch scheikundig emotioneel

iets wat veroorzaakt wordt door emoties

het hormoon stof die door klieren in je lichaam wordt aangemaakt. Hormonen regelen allerlei functies in je lichaam, bv. pijnstilling.

2

a Rangschik chronologisch. B

Het traanvocht houdt je oog vochtig.

C

Het traanvocht wordt afgevoerd via de traanbuisjes.

A

Het traanvocht wordt geproduceerd door de traanklieren.

b Wat zijn ‘emotionele tranen’? (r. 13) x

24

tranen die het oog vochtig houden tranen die veroorzaakt worden door vreugde, verdriet of pijn tranen van het uien pellen tranen van kinderen

Thema 7 - les 8


3

Lees deel 2. Beantwoord de vragen.

2 Waarom huilen wij?

5

10

15

W

4

Voor baby’s is huilen hun enige manier van communiceren. Maar ook als we ouder zijn, huilen we bij verdriet of pijn. Woede, opluchting of blijdschap kunnen tot tranen leiden. Dat komt omdat huilen het krachtigste communicatiemiddel is als we aandacht nodig hebben van andere mensen. Huilen geeft aan: ik wil aandacht, ik wil getroost worden. Maar er bestaan ook andere theorieën. Sommige wetenschappers denken dat huilen stresshormonen en afvalstoffen via het traanvocht afvoert uit het lichaam. Huilen laat je je lichamelijk beter voelen. Maar klopt dat wel? De hoeveelheid tranen die je lichaam produceert is namelijk veel te klein om genoeg stresshormonen en afvalstoffen af te voeren. Ook andere wetenschappelijke onderzoeken tonen aan dat huilen helpt. Na een huilbui voel je je eerst slechter, maar na ongeveer negentig minuten voel je je juist beter. Dat komt doordat je bloeddruk en hartslag zakken, waardoor je lichamelijk rustiger wordt en je je beter voelt. Andere onderzoekers bestrijden die conclusie. Ze stelden vast dat je tijdens een huilbui slechter inademt, terwijl je hartslag en bloeddruk sterk toenemen. En dat is niet gezond! Je voelt je enkel opgelucht na een huilbui omdat anderen je troosten.

het communicatiemiddel

manier om informatie over te brengen

de theorie

iets waarvan je denkt dat het zo is, het is nog niet bewezen

het stresshormoon

stof in je lichaam die ervoor zorgt dat je gespannen bent

de afvalstof

stof die overblijft

bestrijden

tegengaan, zorgen dat iets niet gebeurt

vaststellen

merken dat iets zo is, nadat je er goed op gelet hebt

a Sommige wetenschappers denken dat huilen ervoor zorgt dat stresshormonen en afvalstoffen uit het lichaam worden afgevoerd. Kleur: een tegenargument. b Drie verschillende theorieën verklaren waarom wij huilen. Omschrijf elke theorie met één korte zin. Huilen geeft aan dat we aandacht nodig hebben van andere mensen. Huilen laat je je lichamelijk beter voelen. Huilen zorgt ervoor dat stresshormonen en afvalstoffen worden afgevoerd uit het lichaam. c Kruis bij b de theorie aan de jij het meest geloofwaardig vindt. Leg uit waarom je dat vindt.

Thema 7 - les 8

25


5

Lees deel 3. Beantwoord de vragen.

3 Lachen

5

6

Om te lachen gebruik je twintig spieren in je gezicht. Bijvoorbeeld de grote jukbeenspier, die je mondhoeken naar boven trekt. Tegelijkertijd trekt de lachspier je mondhoek naar buiten. Je oogspieren zorgen ervoor dat je ogen dichtknijpen. Met nog zeventien andere spieren die samentrekken krijg je een lachend gezicht. Tegelijkertijd span je je buikspieren en je middenrif aan als je lacht. W het middenrif Als je heel hard moet lachen, spannen die spieren zo sterk aan spier tussen je borst en buik dat het pijn kan doen: je hebt buikpijn van het lachen. De andere spieren in je lichaam ontspannen als je lacht.

a Kleur: de spieren die voor een lach op je gezicht zorgen. b Kun je letterlijk buikpijn krijgen van het lachen? Waarom (niet)? Bv. Ja, want door te lachen span je je buikspieren en middenrif zo sterk aan dat het pijn kan doen.

7

Lees deel 4. Beantwoord de vragen.

4 Is lachen gezond?

5

8

Als je lacht, maken je hersenen een hormoon aan: endorfine. Die stof werkt als pijnstiller en zorgt dat je je goed voelt. Daarnaast worden stresshormonen afgebroken als je lacht. Je bloed W aanstekelijk stroomt sneller en je haalt dieper adem. De meeste spieren in je iets waaraan je vanzelf lichaam zijn ontspannen, terwijl het lachen je buikspieren en middenrif mee gaat doen traint. Lachen werkt ook aanstekelijk. Als iemand in een groep lacht, dan is de kans groot dat anderen meelachen. Lachen is dus zowel lichamelijk als geestelijk gezond.

a Waarom is lachen lichamelijk gezond? Kruis de redenen aan. Als je lacht ...

x train je je buikspieren. x maakt je lichaam endorfine aan.

is je middenrif ontspannen. maakt je lichaam stresshormonen aan.

b Schrijf in één zin op waarom lachen aanstekelijk werkt. Als iemand in een groep lacht, dan is de kans groot dat anderen meelachen.

26

Thema 7 - les 8


9

Lees deel 5. Beantwoord de vragen.

5 Lachtherapie

5

10

Omdat lachen gezond is, wil lachtherapie mensen gezonder maken door ze te laten lachen. Bij lachtherapie gaan mensen zomaar lachen, ook al gebeurt er niets grappigs. De theorie is dat het lichaam endorfine aanmaakt en stresshormonen afbreekt door te lachen, ook al is het neplachen. Door het lachen zou je je beter voelen, het zou een geluksgevoel oproepen en ook pijnstillend werken.

W

neplachen doen alsof je lacht

Is ‘neplachen’ even gezond als echt lachen? Beargumenteer. Bv. Ik denk het niet, want als je echt lacht, voel je je fijn en dat is met neplachen niet zo.

11

Lees deel 6. Beantwoord de vragen.

6 Traangas

5

W

12

Traangas is een verzamelnaam voor verschillende soorten gassen. Ze irriteren de ogen en laten die vreselijk tranen. Je gaat ook hoesten en niezen. Je kunt zelfs tijdelijk blind worden. De politie gebruikt traangas (CS-gas) om rellen te bestrijden. Te veel van het gas inademen is behoorlijk ongezond. Je krijgt tranende ogen, haalt moeilijk adem, wordt misselijk en moet overgeven. De politie gebruikt ook een gas dat gemaakt wordt met de stof uit rode pepers: pepperspray. In België mogen burgers geen pepperspray gebruiken. In de Verenigde staten mag het wel.

de verzamelnaam

één naam voor meerdere dingen die op elkaar lijken

de rel

opstootje op straat

In België mag alleen de politie pepperspray gebruiken. Bedenk één argument:   voor het gebruik van pepperspray door burgers.   tegen het gebruik van pepperspray door burgers. argument voor: Bv. Burgers kunnen pepperspray gebruiken om zich te verdedigen en voelen

zich daardoor veiliger.

argument tegen: Bv. Mensen zouden pepperspray gebruiken zonder dat daar een goede reden

voor is, bijvoorbeeld als ze ruzie hebben.

Thema 7 - les 8

27


13

Maak een vraag- en antwoordslang. Werk per vier. STAP 1:  Per groep krijg je twee kaartjes met een nummer. Lees de teksten met die nummers. STAP 2:  Bedenk bij elke tekst minstens één vraag met het bijbehorende antwoord. Schrijf de vragen en antwoorden op kladpapier. STAP 3:  Bekijk alle vragen en kies per tekst twee vragen en twee antwoorden. STAP 4:  Schrijf enkel de vragen die jullie uitkozen op een vraagkaartje. Laat de achterkant van de kaartjes leeg. Geef de kaartjes aan je juf of meester. STAP 5:  Jullie krijgen vier nieuwe vraagkaartjes. >  Op de voorkant vind je vragen van een andere groep. >  Op de achterkant schrijf je een antwoord op een vraag van je eigen groep. Let op: d e vragen op de voorkant horen niet bij de antwoorden op de achterkant. Bv.  voorkant: vraag over tekst 5 achterkant: antwoord over tekst 3 STAP 6:  Gebruik de vraagkaartjes in een vraag- en antwoordslang.

14

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon informatie uit de tekst begrijpen en verwerken. Ik kon vragen bij een tekst stellen. Ik werkte goed samen.

28

Thema 7 - les 8


les 9

Wat ik nu heb meegemaakt ... Ik kan een brief schrijven volgens de regels.

1

Lees het verhaal.

Nadat Eva’s moeder een staart bij Freek getoverd heeft, wordt hij naar het ziekenhuis gebracht. Daar tovert Eva stiekem zijn staart weg.

5

10

15

20

25

30

Eva’s moeder is een heks. Ze kan dus toveren. Maar helaas zijn haar toverkunsten niet altijd even betrouwbaar. Zo krijgen frieten pootjes of baden de gehakballetjes in kikkerdril. Als Eva jarig is, wil haar moeder per se een feest geven. Dat mag van Eva alleen als ze plechtig belooft niet te toveren. Maar tijdens het feest loopt het helemaal fout. Hoe krijgt Eva dat allemaal weer goed?

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Mijn moeder is een heks | Mathilda Masters

Gehoorzaam draaide Freek zich op zijn zij en zag ik het varkensstaartje dat boven zijn pyjamabroek uit krulde. Ik sloot mijn ogen en herhaalde in gedachten de spreuk die de jonge heks me geleerd had. Ze had me op het hart gedrukt om de staart stevig bij de onderkant vast te grijpen en een beetje te draaien terwijl ik de spreuk uitsprak. “Als je de juiste spreuk uitspreekt, pluk je hem als een paddenstoel”, had ze gezegd. Ik had haar niet verteld dat ik nog nooit een paddenstoel geplukt had. Toen ik de staart vastgreep met mijn hand tegen Freeks rug aan, keek hij me over zijn schouder aan. “Ik weet niet of ik het fijn vind dat je aan mijn billen zit”, mompelde hij. “En bovendien kietelt het ...” Ik beet op mijn lip en probeerde me te concentreren. “Nu moet je even heel stil zijn”, fluisterde ik. “Dit vraagt veel concentratie.” Ik kneep nog wat harder in de staart en sprak langzaam de spreuk uit waarop ik uren geoefend had. Tegelijkertijd maakte ik een draaibeweging met mijn hand. Er klonk een zachte ‘plop’ en de staart liet los. Freek keek naar het roze krulletje in mijn hand en voelde waar de staart gezeten had. “Het is je gelukt!”, riep hij opgetogen. “De staart is weg.” Ik legde een vinger op mijn mond om duidelijk te maken dat hij wat stiller moest zijn en hield met mijn andere hand de staart trots in de lucht. W (iemand iets) op het hart “Het is best een mooi exemplaar”, zei ik terwijl ik het krulletje drukken bestudeerde. “Ben je niet een beetje verdrietig dat je hem kwijt bent?” (iemand iets) met nadruk Freek fronste zijn voorhoofd. aanraden “Helemaal niet”, antwoordde hij. “Wat moet ik met een staart?” “Kwispelen”, zei ik. “Of vliegen wegjagen.” We schoten allebei in de lach. Meer lezen? Mijn moeder is een heks Mathilda Masters | Louize Perdieus

Mijn moeder is een heks, Mathilda Masters, Talentbib 6

6

Thema 7 - les 9

29


2

Verzin een gekke toverspreuk om de staart van Freek weg te toveren.

3

a Stel: je wordt wakker met een staart. Laat zo’n staart je bijna walgen? Hoe reageer je?

W

walgen iets heel vies vinden zodat je er bijna ziek van wordt

b Schrijf in sleutelwoorden of korte zinnen op wat er dan zoal gebeurt. c Bespreek in duo’s wat je bedacht hebt. STAP 1:  Leerling 1 vertelt aan leerling 2 wat hij bedacht heeft. STAP 2:  Leerling 2 luistert en stelt vragen als er iets niet duidelijk is. Hij stelt dingen voor die toegevoegd of weggelaten kunnen worden. STAP 3:  Leerling 1 maakt aantekeningen. STAP 4:  Draai de rollen om.

4

Schrijf een brief waarin je sterk overdrijft. Kies een van beide situaties:

Ik schrijf een brief aan de tovenaar om de staart weg te laten toveren.

30

Thema 7 - les 9

Ik schrijf een brief aan de ouders van Freek om me te verontschuldigen voor de toverkunsten van mijn moeder (of mijn eigen toverkunsten).


5

Lees de taalweter.

Welke vorm heeft een brief? Datum van vandaag

1 Aanspreking Bv.  Geachte mevrouw of Beste mijnheer Laat een witregel tussen de aanspreking en de inleiding van je brief. 2 Inleiding van je brief

Dat is de inleiding.

Vertel kort wie je bent en op welke school je zit. Laat een regel open tussen de inleiding en het midden van je brief. 3 Midden van je brief

Dat is het midden.

Vertel de reden waarvoor je de ontvanger schrijft (uitnodigen, iets meedelen ...) en geef de nodige gegevens. Laat een regel open tussen de kern en het slot van je brief. 4 Slot van je brief Formuleer in een korte zin hoe je wilt dat de ontvanger reageert. Laat een witregel open tussen het slot en de groet.

Dat is het slot.

5 Groet Bv.  Groetjes! Hier laat je enkele witregels open om je naam of handtekening te zetten. 6 Je naam en voornaam Je straat en nummer Je postcode en je gemeente

Thema 7 - les 9

31


6

Schrijf je brief. STAP 1:  Schrijf een eerste versie van de brief. Gebruik kladpapier. Let bij het schrijven op de aanwijzingen in de taalweter. STAP 2:  Werk in duo’s. Lees elkaars brief. Geef tips en tops: wat is goed, wat kan nog beter? Gebruik de checklist om de brief te controleren. Zet een kruisje voor elk punt dat in orde is.

Ik schrijf een goede brief.

Er staat een datum bovenaan de brief. De aanspreking in de brief is juist. In de inleiding staat wie de brief geschreven heeft. In het midden van de brief staat duidelijk wat er allemaal gebeurd is. In het slot staat aangegeven hoe de ontvanger zou moeten reageren. Er staat een groet aan het einde van de brief. De brief sluit af met de naam en het adres van de schrijver.

Geef een top: wat is er heel goed aan de brief? Geef een tip: wat kan er nog verbeterd worden aan de brief?

TOP van

TIP van

STAP 3:  Verbeter de brief. Bekijk de punten die bij stap 2 niet zijn aangekruist. Kijk ook naar de tip en de top. STAP 4:  Schrijf de definitieve versie van je brief. STAP 5:  Lees de brief voor. Werk per vier. Lees om de beurt je brief voor. Wat werd er overdreven in de brief? Bespreek.

32

Thema 7 - les 9

W

definitief uiteindelijk


7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een brief schrijven volgens de regels die gelden voor brieven. Ik stelde vragen om meer informatie te verkrijgen. Ik kon goed hulp bieden en aanvaarden.

Thema 7 - les 9

33


les 11

Meer verZinnen Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kan de overige zinsdelen aanduiden op basis van vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, aan of voor wie, hoe, waarom of waarvoor? Ik kan aan de hand van het zinnenschema onderzoeken hoe een zin opgebouwd is. Ik kan zinnen korter maken zonder de betekenis te veranderen door zinsdelen te vervangen door verwijswoorden. Ik kan zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, aan of voor wie, hoe, waarom of waarvoor?

1

a Lees de taalweter.

Hoe kan ik zinnen aanvullen of afbouwen? Je kunt een zin aanvullen door zinsdelen toe te voegen. Bv.  Vampiers zwerven.

’s Nachts zwerven vampiers gillend over verlaten begraafplaatsen.

Wanneer?

Hoe?

Waar?

Je kunt een zin afbouwen door zinsdelen weg te laten. Bv.  De kinderen hoorden midden in de nacht wolven luid huilen in het bos.

Wanneer?

Hoe? Waar?

De kinderen hoorden wolven huilen.

De zinsdelen die je toevoegt of weglaat, geven antwoord op vragen zoals: >> Waar? >> Wanneer?

>> Hoe? >> Waarom?

>> Waarmee? >> ...

b Vul de zinnen aan met een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag:

wie of wat?

en/of

aan wie of voor wie? 1 Felix eet 2 Moeders geven 3 De toverspreuk bezorgt

34

Thema 7 - les 11


c Markeer in elke zin: het onderwerp. d Onderstreep de persoonsvorm.

2

a Lees de zinnen en de vraagwoorden. Vul het juiste zinsdeel in. Kies uit: verbaasd – op de bovenste tak van de beuk – een klein zwart doosje – op een avond – warm en stil – honing

(Wanneer?)

zaten de eekhoorn en

Op een avond

de mier naast elkaar (Waar?)

op de bovenste tak van de beuk

Het was (Hoe?)

.

en zij

warm en stil

keken naar de toppen van de bomen en naar de sterren. Zij hadden (Wat?)

gegeten en gepraat over de

honing

zon, de oever van de rivier, brieven en vermoedens. “Ik ga deze avond bewaren”, zei de mier. “Vind je dat goed?” De eekhoorn keek hem (Hoe?) De mier haalde (Wat?)

verbaasd een klein zwart doosje

aan. tevoorschijn.

b Maak de zinnen langer. Kijk naar het voorbeeld. STAP 1:  Voeg waar het kan zinsdelen toe die antwoord geven op vragen als: wat, wie, aan of voor wie, waar, wanneer, hoe? STAP 2:  Zet vinkjes tussen de zinsdelen. STAP 3:  Schrijf de vraagwoorden eronder. 1 De mier toonde hem een klein zwart doosje.

Wie?

Wat?

2 De eekhoorn zit 3 De dieren vieren Thema 7 - les 11

35


3

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Schrijf de andere zinsdelen in het schema. Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes. Schrijf het vraagwoord eronder. Onderwerp/rest van de zin

1

De mier stopte de avond voorzichtig in het doosje.

Wat? Hoe? Waar?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

stopte

de avond voorzichtig in het doosje Wat? de avond Waar? in het doosje Wanneer? Waarmee? Aan of voor wie? Hoe? voorzichtig Waarom of waarvoor?

36

Thema 7 - les 11


Onderwerp/rest van de zin

2

De eekhoorn bleef in de lente op de tak voor de deur zitten.

Wanneer? Waar?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

bleef zitten

in de lente op de tak voor de deur Wat? Waar? op de tak voor de deur Wanneer? in de lente Waarmee? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor? Onderwerp/rest van de zin

3 Is het doosje van de mier ooit vol?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

is het doosje van de mier vol

ooit Wat? Waar? Wanneer? ooit Waarmee? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

Thema 7 - les 11

37


4

a Lees de taalweter.

Hoe kan ik zinsdelen vervangen? Wil je een zin korter maken zonder de betekenis te veranderen? Dan kun je het zinsdeel in sommige gevallen vervangen door een verwijswoord. Bv.  Ik geef de brief met een geheime boodschap aan mijn beste vriendin.

Ik geef hem aan haar.

b Maak de zinnen korter zonder de betekenis te veranderen. Vervang waar mogelijk een zinsdeel door een verwijswoord. 1 De mier gaf een zwart doosje aan de eekhoorn om de avond in te bewaren. Bv. Hij gaf het hem om hem in te bewaren. 2 De snavel van de lijster glom toen de lijster zijn cadeau in handen nam. Bv. Zijn snavel glom toen hij het in handen nam. 3 Bestaan er ook andere doosjes voor treurige dagen? Bv. Bestaan ze ook?

5

a Bedenk een originele zin met een onderwerp, werkwoorden en zo veel mogelijk andere zinsdelen die een antwoord geven op vragen als: wat, waar, wanneer, waarmee, aan wie of voor wie, hoe?

38

Thema 7 - les 11


b Vul de zin van je duopartner in het schema in. Onderwerp/rest van de zin Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

Wat? Waar? Wanneer? Waarmee? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen. Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kon de overige zinsdelen aanduiden op basis van vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, aan of voor wie, hoe, waarom of waarvoor? Ik kon aan de hand van het zinnenschema onderzoeken hoe een zin opgebouwd is. Ik kon zinnen korter maken zonder de betekenis te veranderen door zinsdelen te vervangen door verwijswoorden. Ik kon zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, aan of voor wie, hoe, waarom of waarvoor? Ik kon een originele zin met veel zinsdelen bedenken.

Thema 7 - les 11

39


les 12

Een vreemde taal? Ik kan uitleggen wat Oud- en Middelnederlands is. Ik kan Oud- en Middelnederlandse teksten ontcijferen en begrijpen.

1

Luister naar het eerste deel. Welke afbeelding hoort bij welke tekst? Vul de juiste letter in.

A David de breidelmakere is een goet weercman te makene zadelen, breidelen ende sporen, ende datter toe behoort. Want hi maect ghoreelen ende sommen ende darregaerden. Al dit mach hi wel maken, want hi es vri sadelmakere.

B Kateline m etten pardek ine vercoopt die beste ve rsche botre d ie men mach eten. Ende so e vercoopt so ete melc ende kernem elc, die soe k eerent. So hout zes jon cwiven, die g h eenen tijt finieren te m elkene die co en ende te wasschene h are keernen.

wit C Fierin de backere vercoept broot ende bruun, ende hi heeft in sinen graendre meer dan hondert mudde gruus, dat hi heeft ghebudelt met eenen budele ende ghesicht met eenen teemse. Uit: Bouc vanden ambachten

B

40

Thema 7 - les 12

C

A


2

a Luister naar het tweede deel. b Lees de tekst. c Kleur in de tekst het Middelnederlandse woord voor: muizen wolven ezels paarden haviken

‘Heere, ghi hebt er mi meer ghenoemt dan ic wane copen. Ghi sijdt so teedre; ghi soud qualike moghen eten vleesch van peerden, van stieren no van coyen, van cattelen no van meerien, van leeuwen no van lupaerden. Noch sijnre andre beesten, daer men niet of rouct t’etene: wulven, vossen no fitsau, olifanten no catten, scheminkelen, eselen no honden. Maer beeren eet men wel, also doet men gheeten. Ic wane dat men niet ne eet aernen no griffoenen, sparewaers no valken, haveken no wuwen, no hulen, no uweranen, ratten no musen, raven no crayen.’

d Onderstreep in het schuingedrukte deel de twee diersoorten die in die tijd wel gegeten werden. e Hoe noem je die dieren in het Nederlands? beren en geiten

3

Lees de Oudnederlandse tekst. Welke afbeelding hoort erbij? Kruis aan.

Op een boem sat tere stont Een roec ende hadde in sinen mont Een case. Dit sach Reinaert Ende sprac aldus ten roeke waert: “Dine vederen sijn soe scone! Du mochts boven allen voglen crone Draghen, hadstu claren sanc.”

“Bi Gode ja ic!” seidi. “Goddanc.” Doen toendi aldaer sijn luut. Hi gapede ende die case viel uut. Den case greep die vos Reinaert Ende liep te sinen hole waert. Dus sijnre vele te scherne ghedreven Bi prise die si hem horen gheven.

x Thema 7 - les 12

41


4

Vertaal een stukje van het gedicht in het Nederlands. 1 Op een boem sat tere stont

Een roec ende hadde in sinen mont

een roek en die had in zijn snavel

Een case. Dit sach Reinaert

een stuk kaas. Dit zag Reinaert de vos.

2 Ende sprac aldus ten roeke waert:

2 En die zei tot de roek:

“Dine vederen sijn soe scone!

“Wat heb jij toch een prachtige veren!

Du mochts boven allen voglen crone

Je zou de kroon spannen boven alle andere

Draghen, hadstu claren sanc.”

vogels, als je ook zo mooi kon zingen.

3 “Bi Gode ja ic!” seidi, “goddanc.”

Doen toendi aldaer sijn luut.

4 Hi gapede ende die case viel uut.

3 “Bij God, dat kan ik!” zei hij. “Goddank.” En toen liet hij zijn stem horen. 4 Hij opende zijn snavel en de kaas viel eruit.

Den case greep die vos Reinaert

Vos Reinaert greep de kaas

Ende liep te sinen hole waert.

en liep ermee naar zijn hol.

5 Dus sijnre vele te scherne ghedreven

5

1 In een boom zat op zekere dag

Bi prise die si hem horen gheven.

5 Zo zijn al velen voor de gek gehouden door lof die hen werd toegezwaaid.

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon uitleggen wat Oud- en Middelnederlands is. Ik kon Oud- en Middelnederlandse teksten ontcijferen en begrijpen. Ik kon de hoofdgedachte uit een Middelnederlandse luistertekst halen. Ik werkte goed samen.

42

Thema 7 - les 12


les 15

Emotioneel met woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan letterlijk en figuurlijk taalgebruik herkennen en gebruiken.

1

Lees de taalweter.

Wat betekent letterlijk? En figuurlijk? Als je iets letterlijk schrijft, bedoel je precies wat er staat. Bv.  Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd doet erg veel pijn. Als je iets figuurlijk schrijft, bedoel je eigenlijk iets anders. Bv.  Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd ontploft! Geen paniek! Mijn hoofd ontploft niet echt. Ik overdrijf gewoon een beetje. Ik gebruik de taal figuurlijk.

2

a Schrijf de betekenis van het spreekwoord of de uitdrukking op. Tip: gebruik een woordenboek indien nodig. b Bedenk een eigen uitdrukking die hetzelfde betekent. 1 Er is geen vuiltje aan de lucht. betekenis: Er zijn helemaal geen problemen. eigen uitdrukking: Bv. Er zit geen barstje in de ruit. 2 Iemand iets op het hart drukken. betekenis: Met nadruk iets aanraden. eigen uitdrukking: Bv. iemand iets in zijn hoofd pompen. 3 Krokodillentranen huilen. betekenis: niet echt huilen eigen uitdrukking: Bv. In een droge zakdoek huilen. 4 Huilen met de pet op. betekenis: Het is volkomen waardeloos. eigen uitdrukking: Bv. De pet droogt geen tranen.

Thema 7 - les 15

43


3

Vul aan. Kies uit: bestrijden – extreme – geen vuiltje aan de lucht – stelde vast – aanstekelijk – grondig

De broer van Jochem is een waaghals en dat werkt

aanstekelijk

Ook Jochem houdt van

dingen. Zo ging hij

extreme

.

bijvoorbeeld in zee zwemmen terwijl het water maar tien graden was. Toen hij thuiskwam, was er eerst

. Maar de volgende dag kon hij niet meer uit

geen vuiltje aan de lucht

zijn bed. De dokter kwam en onderzocht hem Hij

stelde vast

Gelukkig kon hij die

4

.

grondig

dat hij een zware longontsteking had. bestrijden

met medicijnen.

Zet het juiste woord bij elke afbeelding. Kies uit: het communicatiemiddel – emotioneel – krimpen

krimpen

5

emotioneel

Verbind. aanstekelijk definitief het hormoon

44

het communicatiemiddel

Ik herschreef de brief enkele keren voor ik tevreden was met het uiteindelijke resultaat.   Lara moest heel hard lachen. Iedereen lachte mee.   Als je pijn hebt, komt er een stofje vrij in je lichaam dat pijnstillend werkt.

de theorie

We denken dat het heelal ontstond uit een oerknal, maar we weten het niet zeker.

de emotie

Onze juf toonde veel gevoelens toen we haar een compliment gaven.

Thema 7 - les 15


6

Waar walg jij van? Kruis aan.

7

Doe jij het grondig? Zet een kruisje. 1 Tandenpoetsen doe ik nooit grondig

soms grondig

altijd grondig

soms grondig

altijd grondig

soms grondig

altijd grondig

soms grondig

altijd grondig

2 Een toets voorbereiden doe ik nooit grondig 3 Teksten in het taalschrift lees ik nooit grondig 4 Mijn kamer opruimen doe ik nooit grondig

8

Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden en kon ze gebruiken. Ik kon figuurlijk taalgebruik herkennen en gebruiken.

Thema 7 - les 15

45


46


THEMA

8

Hoe maak je het?


les 3

Een vreselijke val Ik kan de bedoeling van de hoofdpersoon weergeven en mijn mening daarover geven. Ik kan oorzaak en gevolg, midden en doel in de tekst herkennen. Ik kan uitleggen waarom een tekst fictie of non-fictie is.

1

Lees deel 1 en beantwoord de vragen.

De klas van Elin is aan het knutselen. Iedereen maakt van bolletjes klei een buitenaards wezentje precies volgens het stappenplan van de juf. Iedereen? Nee, toch niet.

5

10

15

20

W

“Elin”, siste de juf tussen haar tanden. “Ik begin je spelletjes beu te worden.” Hoezo, spelletjes? Spelletjes hebben regels en ik volgde geen regels. Ik deed maar wat. Dat is toch geen spelletje? “Maar, mevrouw,” begon ik, “ik probeer het alleen zelf ...” “Nee, Elin. Het is heel duidelijk: ik doe het voor en jullie doen het na.” “Maar ik wil het zelf proberen.” “We zijn hier om te leren, niet om te prutsen.” Prutsen? Ik keek naar het monstertje op mijn kneedplank. Het was een mooi kleimonstertje, vond ik. Ik had het Kiri genoemd. Kiri keek me aan met zijn uitpuilende ogen. Op zijn korte pootjes en zijn vier lange tentakels kon hij alles perfect overzien. Zijn vierkante kopje had ik op zijn buik gezet. Maar inderdaad, dit was niet wat de juf wilde. Ze wilde geen tentakels en de kop moest bovenop. Ik keek zuchtend om me heen en zag overal dezelfde kleiwezens, opgebouwd uit hele en halve bollen. Alleen Kiri was anders. Ik had geen zin om bollen te rollen. Een buitenaards wezen is toch geen zak met bolletjes? De juf nam Kiri in haar handen, keek even en perste hem ineen tot een homp. “Nee!” riep ik. “Opmerkingen?” vroeg ze uit de hoogte. “Dat is oneerlijk.” “Nee,” zei ze, “dat is de regels volgen.” Ze plofte de homp Kiri op mijn kneedplaat. “Stap 1: Maak één grote bol en vijf kleintjes. Stap 2: Hol de grote bol uit. Stap 3: ...” “... Verveel je te pletter.” “Elin! Nu is het genoeg geweest. Geef je agenda maar.”

uitpuilen

bol naar buiten uitsteken

de tentakel uitsteeksel uit het lijf van een dier waarmee het een prooi vangt, bv. de tentakels van een octopus de homp

groot stuk, een brok

uit de hoogte (doen) je beter voelen dan de andere je te pletter vervelen je enorm vervelen Thema 8 - les 3

49


2

a Maak de onderstreepte zin (r. 4) af. Wat wil Elin zeggen volgens jou? Ik probeer het alleen zelf uit te zoeken / te bedenken. b Aan welke regel houdt Elin zich niet? De leerlingen moeten precies nadoen wat de juf voordoet. c Wat vind jij van het gedrag van Elin in de les? Bespreek met een partner.

3

a Teken Kiri, het ruimtewezentje van Elin. Gebruik de informatie in de tekst.

b Vergelijk jouw tekening van Kiri met die van een klasgenoot. Bespreek wie zich het best aan de aanwijzingen in de tekst hield.

4

a De juf is het gedrag van Elin beu. Kleur: het gevolg. b Wat wil de juf daarmee bereiken? Ze wil dat Elin zich aan de opdracht en de regels houdt.

5

Vat de hoofdgedachte van het fragment samen in maximaal twee zinnen. Bv. De juf wil dat haar leerlingen volgens een stappenplan leren werken, terwijl Elin haar eigen fantasie wil volgen.

6

50

Is dit een fictie of een non-fictietekst? Bespreek met je buur.

Thema 8 - les 3


7

Lees deel 2 en beantwoord de vragen.

“Misschien wil de juf je juist leren een stappenplan te volgen”, zegt papa terwijl Elin nog wat moppert. Ze zijn op weg naar Les Gruyères, een gebied met veel grotten. Elin en haar papa houden van het klauteren in die grotten.

5

10

15

20

25

W

Grotten ingaan moet je plannen. Als speleoloog bepaal je vooraf je route en spreek je af welke hoek je wilt onderzoeken. Je controleert je helm, je lamp, je karabijnhaken, je stijgklemmen, je touwen, je leeflijn. Je volgt de veiligheidsinstructies. Je test je batterijen. Je telt je haken en je klemmen. En je kijkt of alles in je tonnetje zit: eten, een noodlamp, een kaars, een aansteker, medicatie, een deken, water enzovoort. Je klikt je aan mekaar vast en gaat niet zomaar rondklauteren. Tenzij je papa of mij bent. Wij gooien er graag met onze pet naar. Papa wees naar een kleine opening twee meter boven de grond. “Ik zou hier nog even verder naar links willen, oké voor jou?” Ik had meer zin in dat kruipgat rechts van me. Het lonkte me. Het voorspelde dat het mijn leven zou veranderen. Dus zakte ik op mijn knieën. Ik hoorde papa’s stem nog vaag. Ik liet me op mijn buik zakken. “Elin”, klonk het. Was dat papa? Of kwam het uit die kloof? Ik schoof me naar binnen en stootte mijn helm. Ik schoof verder. Enkele meters schuin omlaag, twee kronkels links, scherp omlaag en dan rechts en opeens begon ik te glijden. Omlaag. Steil omlaag. Ik gleed, ik schoof, ik schoot omlaag. Snel, steeds sneller. Ik probeerde de wand te grijpen en stootte mijn helm. Mijn licht ging uit, maar ik bleef glijden, alsmaar sneller. “Ooooh!” riep ik, toen ik uit het gat schoot en voelde dat ik viel. “Oooh!” riep ik nogmaals. Ik draaide en wentelde in de lucht, schopte met mijn benen, greep met mijn handen. Toen knalde ik tegen de grond ...

de speleoloog

iemand die grotten bestudeert

de route

weg die je volgt

de karabijnhaak haak van metaal waarbij je de opening kunt afsluiten, belangrijk hulpstuk bij het klimmen de stijgklem

klem die je op het touw zet en die je helpt klimmen

de leeflijn lijn waarmee je je vastmaakt aan een andere klimmer zodat je niet kunt vallen er met de pet naar gooien er niet veel aandacht aan besteden lonken

op een verleidelijke manier naar iets kijken

Thema 8 - les 3

51


8

a Kleur in de tekst: hoe goede speleologen zich voorbereiden. b Gedragen Elin en haar vader zich als goede speleologen? Leg uit. Bv. Nee, hun voorbereiding is niet goed. Ze hebben zich bijvoorbeeld niet aan elkaar vastgeklikt.

9

Elin kiest het kruipgat rechts. Kleur in de tekst: de reden.

10

Is dit een fictietekst of een non-fictietekst? Verklaar je antwoord aan je partner.

11

Bespreek hoe het verhaal verder zou kunnen gaan.

12

Met welke woorden zou je het karakter van Elin omschrijven?

eigenwijs

onbevreesd

volgzaam

avontuurlijk

stil

onbezonnen

52

Thema 8 - les 3


13

Lees deel 3 en beantwoord de vragen.

Ik werd in flarden wakker. Soms hoorde ik wat. Soms voelde ik wat. Soms zag ik vaag een vlek of wat licht. Ik wist niet waar ik was. 5

10

15

“Ungo. Sjildono midobili. Igowat.” “Igowat.” “Igowat.” Het leken zomaar wat klanken, door een zachte vrouwenstem aan elkaar geregen als kralen aan een snoer. “Figatur nissa Elin.” Woorden zijn wonderen. De klanken draaiden als een sleutel in mijn hoofd. Het slot klikte en mijn ogen gingen open. Je naam hoor je door alle rommel heen. “Elin?” Zei iemand “Elin”? “Igowat.” Het dreunen stopte, het gezoem verzachtte en pas toen het zo snel stil werd, besefte ik hoeveel lawaai er was geweest.

20

25

30

35

W

rijgen met een draad samenvoegen, bv. kralen aan een snoer rijgen

De val. De pijn. De grot. De duisternis. Het kwam allemaal terug. Ik was gevallen en gebroken. Ik was ... ... in een ziekenhuis? Was dit een ziekenhuis? “Papa?” riep ik, terwijl ik rechtop probeerde te zitten. Ik trok mijn rug omhoog, en voelde dat het bed mee rechtop ging zitten. Bed? Dat was geen bed, het was een plank. Ik lag naakt op een zachte, witte plank die met me meebewoog. “Oh jee”, zei ik. Er liepen witte buisjes uit het plafond naar mijn buik, mijn armen, mijn benen, mijn hoofd en waar ze mijn vel raakten, werden ze net zo roze als mijn vel. Bijna riep ik weer “Oh jee”, maar in plaats daarvan haalde ik diep adem. Een van de buisjes werd helemaal blauw. “Pardon”, fluisterde ik. “Pardon? Is daar ...?” Ik keek om me heen, maar ik zag niemand, ook geen deur. Dit was geen gewone kamer, zeker geen gewoon ziekenhuis.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Kijk op! | Fran Bambust

“Zeg me niet wat ik moet doen. Ik zoek het zelf wel uit.” Sommigen noemen Elin koppig en eigenwijs (juf Katrien bijvoorbeeld), maar zij noemt zichzelf een onderzoeker, een ontdekker. Met haar vader kruipt ze dan ook in de diepe spelonken van Les Cocasses en dwaalt ze af van het pad. En zo botst ze op een raadsel dat ze wel heel moeilijk alleen kan oplossen.

Kijk op! Fran Bambust | Geert Verscheure

Meer lezen? Kijk op!, Fran Bambust, Talentbib 6

6

Thema 8 - les 3

53


14

a “Ik wist niet waar ik was.” (r. 3) In welke ruimte komt Elin terecht? Kruis aan. x

in een grot in een ziekenhuis in een gewone kamer in een ruimteschip

b Kleur in de tekst: wat je weet over die ruimte.

15

”Woorden zijn wonderen. De klanken draaiden als een sleutel in mijn hoofd. Het slot klikte en mijn ogen gingen open.” (r. 11) Wat zorgt ervoor dat Elin wakker wordt? Ze hoort haar naam.

16

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de bedoeling van de hoofdpersoon weergeven en mijn mening daarover geven. Ik kon oorzaak en gevolg in de tekst herkennen. Ik kon middel en doel in de tekst herkennen. Ik kon uitleggen waarom een tekst fictie of non-fictie is.

54

Thema 8 - les 3


les 4

Ik word party-planner Ik kan de hoofdgedachte van de tekst benoemen. Ik kan titels chronologisch rangschikken. Ik kan oorzaak en gevolg, middel en doel in de tekst herkennen.

1

Maak kennis met Maimouna. Maimouna is een beetje zoals Elin: ze weet goed wat ze wil! Maar in tegenstelling tot Elin werkt Maimouna graag met stappenplannen. Als geboren feestvarken is ze een kei in het organiseren van spetterende feesten. Ze noteert bij elk feest of elk klusje dat ze voor een feest uitvoert wat er (niet) werkt. Al haar tips en trucs bundelt ze in haar boek.

2

a Z et de volgende titels uit het boek van Maimouna in een voor jouw logische volgorde:

bv.

Hulpkit-voor-inspiratieloze-dagen

2

3

Geen feest zonder gasten

1

Elke dag een reden voor feest

4

je-uitgenodigd-hebt

Hulpkit-bij-ruzie-met-iemand-die-

b Bespreek met je buur waarom je jouw volgorde logisch vindt. W

inspiratieloos je hebt geen enkel idee wat je kunt doen of hoe je iets kunt doen

Thema 8 - les 4

55


3

Lees deel 1 en beantwoord de vragen.

Elke dag een reden voor feest Misschien vind jij dat je alleen feest mag vieren wanneer er iemand jarig is. Of wanneer je broer eindelijk een lief vindt of je ouders vijftien jaar getrouwd zijn. Dikke onzin! Als je een klein beetje je best doet, kun je elke dag een reden verzinnen om te feesten. Het internet kan je daarbij helpen. Deze ‘Dagen van ...’ vier je in juli:

30 juli: Internationale Dag van de Vriendschap

Tja. Die dag móet je gewoon samen met je vrienden doorbrengen. Wat dacht je van hapjes van over de hele wereld?

4

(datum) (naam van de dag)

6 juli: dag s u K d l e r We t

et me h e o h t ie Ik weet ,nmaar ik weet jullie zit ie ik als eerste alvast w . En misschien uitnodig enige. zelfs als

a Wat vindt Maimouna ‘dikke onzin’? Wat is de hoofdgedachte? Ze vindt het onzin dat je alleen feest mag vieren op de dagen dat er een bijzondere gebeurtenis plaatsvindt. b In de tekst staat het doel blauw gekleurd. Kleur: de voorwaarde.

5

56

het middel dat je daarbij kan helpen.

Doe een beetje je best en bedenk een reden voor een feestje. Vul het lege kalenderblaadje aan. Thema 8 - les 4


6

Lees deel 2 en beantwoord de vragen.

Hulpkit-voor-inspiratieloze-dagen Reden vo or een tuinfeest!

Stel: er is niemand jarig en het is geen speciale ‘Dag van ...’ . Aaaargh! Geen reden om te feesten. Wat een ramp! Welnee. Met een beetje fantasie vind je altijd wel een reden om te feesten. Alles kan, de gekste dingen eerst. Ik som er een paar voor je op.

Het is weekend en je hebt geen huiswerk. a! Hoer jheid! i de vr e v e L

Wat te doen: blaas het zwembadje op en haal de zonnecrème boven. Nu nog een lekker drankje en het feest kan beginnen.

Je klasgenoot beleefde een gek avontuur en komt terug op school.

Wat te doen: wat je maar wilt. Je hebt immers het hele weekend niks te doen. En je vrienden vast ook niet. Een betere reden om een feestje te bouwen zul je niet snel vinden.

7

De zon schijnt.

Hoera! Fijn dat ze er weer is! Wat te doen: geef een welkomstfeest omdat jullie blij zijn dat zij er weer is. Zo kunnen jullie haar uitgebreid uitvragen over haar avontuur.

a Wat is een hulpkit? Bv. Een hulpkit bevat dingen die je krijgt om iets te kunnen maken of om iets te kunnen oplossen. b Welke hulpkits gebruik je weleens? Bv. een EHBO-kit, een fietskit, een kampeerkit

8

Kleur in de tekst: wat je gebruikt op een inspiratieloze dag.

Thema 8 - les 4

57


9

Lees deel 3 en beantwoord de vragen.

Geen feest zonder gasten Goed. Je hebt nu een reden om een feestje te bouwen. Meer dan één feestje zelfs. Maar feesten doe je niet alleen, dus moet je gasten uitnodigen. Dat is wel een beetje werk. Geen paniek, ik maakte een stappenplan waarmee het niet fout kán gaan. Stap 1: Maak een ‘iedereen-die-ik-ken-en-die-ooit-naar-mijn-feest-mag-komen-lijst’! 5

Gelukkig is het eenvoudiger dan het klinkt: je maakt een lijst met daarop al je vrienden, familieleden en kennissen. Iedereen die je ooit op een feest wilt uitnodigen. Ik weet het, dat is een boel werk. Maar die lijst kun je telkens gebruiken wanneer je een feest geeft. Stap 2: Wie hoort bij wie? En wie hoort bij welk feest?

10

Je eerste lijst is vast lang. Maar het is niet de bedoeling dat je elke keer iedereen uitnodigt. We verdelen je gasten daarom in groepjes. Hier heb je drie verschillende manieren om dat te doen. Kies zelf wat voor jou het beste uitkomt.

1 15

20

Als je van plan bent om knutsel-, sport- of andere doe-feestjes te organiseren, is het een goed idee om je lijst per hobby in te delen. Op die manier ben je zeker dat iedereen zich prettig voelt. Want aan een feest met breiende sporters of dansende filmfans heeft niemand wat, geloof me.

25

Ik vind het leuk om nieuwe mensen te ontmoeten. Ik kan makkelijk met iedereen een praatje maken. Maar sommige mensen zijn verlegen en durven dat niet. Zorg er daarom voor dat elke gast minstens twee mensen kent op het feest, want er is niets zieliger dan een gast die in zijn eentje staat te lummelen. Of die je de hele tijd bij de hand moet nemen.

2

3

W

Je lijstje indelen per leeftijd is handig wanneer je gasten hebt van 0 tot 100 – van babynichtje tot overgrootvader, zeg maar. Het lijkt misschien spannend om alle leeftijden te mixen – en voor sommige feesten is dat inderdaad super – maar soms kan het echt niet. Zo zou het tamelijk stom zijn om je 99-jarige oma naar je rolschaatsfeestje te vragen. Of je broertje van anderhalf naar je feestje in de boomhut.

de kennis

bekende; iemand die je kent

lummelen

niets staan te doen

iemand bij de hand nemen bij iemand in de buurt blijven

58

Thema 8 - les 4


10

Met welk doel maakte Maimouna een stappenplan? Zo kan het niet fout gaan als je gasten uitnodigt.

11

a Wat is het doel van stap 2? Daarin legt Maimouna uit dat het niet de bedoeling is dat je elke keer iedereen uitnodigt. Je kunt beter groepen maken die bij een bepaald feest en bij elkaar passen. b Op welke drie manieren stelt Maimouna groepjes samen? 1 op leeftijd 2 per hobby 3 Elke gast moet minstens twee andere gasten kennen. c Kleur bij elk groepje: wat er mis kan lopen als je de regel niet volgt. d Welke regel van Maimouna overtreed je als je deze personen op hetzelfde feestje uitnodigt?

12

regel 3

de nieuwe buurjongen en je vorige BFF die vorig jaar verhuisd is

regel 1

je oude suikeroom en je klasgenoot

regel 2

je vriendin van de korfbalclub en een vriend uit je gamegroepje

a Bedenk een feest waarbij het mixen van leeftijden wel goed past. Bv. het familiefeest voor mijn verjaardag b Wie nodig je het best uit op een rolschaatsfeestje? sportievelingen

Thema 8 - les 4

59


13

Lees deel 4 en beantwoord de vragen.

Hulpkit-bij-ruzie-met-iemand-die-je-uitgenodigd-hebt

Een stappenplan werkt meestal prima, maar wat doe je als je gastenlijst is samengesteld, de uitnodigingen zijn verstuurd en je krijgt ruzie? Helaas pindakaas. Problemen horen er ook bij. Feesten is plezierig, maar soms moet je moeilijke knopen doorhakken. Welke lastige knoop hakte jij onlangs door? In het geval van ruzie-met-iemand-die-je-uitgenodigd-hebt, kun je vier dingen doen:

1

Je vraagt je uitnodiging terug. Dat is hard. Maar soms heb je geen andere keuze. Een feest moet leuk zijn, en dat kan niet als twee mensen elkaar de hele tijd zuur aankijken.

Verstuurde jij ooit een uitnodiging waarvan je later spijt kreeg? Bespreek met je buur.

2

Je nodigt een hoop extra mensen uit. Dat is een pak meer werk, maar dan heb je tenminste een waterkansje dat je elkaar niet de hele tijd tegen het lijf loopt. W

3

4

Je maakt het weer goed. Dit is natuurlijk de beste oplossing voor iedereen. Ruzie is sowieso voor niemand leuk. Peace and love, en dat soort dingen.

Waar is het feestje? | Tine Mortier

Ik ben Maimouna en ik ben een geboren feestvarken. Ik kwam – bij wijze van spreken – uit mijn moeders buik met een feesthoedje op. Echt waar. Volgens mij is er elke dag wel een reden te verzinnen om feest te vieren. En niet zomaar een feest! Een fantastisch, spetterend feest!

Waar is het feestje? Tine Mortier | Dirk Vandamme

Meer lezen? Waar is het feestje?, Tine Mortier, Talentbib 6

Ik kan je helpen om van jouw feest iets onvergetelijks te maken. In dit boek vind je alles wat je nodig hebt: een stappenplan, een noodplan voor probleemgevallen, tips voor (on)handige versierders en nog veel meer. Zo kan je feest echt niet meer stuk.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

NF-cover-leerjaar4-6-200x200-DEF.indd 16,18

Thema 8 - les 4

annuleren afzeggen

Je annuleert het feest. Ah, gruwel. Ik kan bijna niet geloven dat ik dit geschreven heb. Doe dit alléén als je alle andere mogelijkheden hebt geprobeerd!

Waar is het feestje?

60

de knoop doorhakken een besluit nemen

6

13/07/18 14:09


14

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de hoofdgedachte van de tekst benoemen. Ik kon titels chronologisch ordenen. Ik kon oorzaak en gevolg in de tekst herkennen. Ik kon middel en doel in de tekst herkennen.

Thema 8 - les 4

61


les 6

Spelen met zinnen Ik kan zinnen onderzoeken met het zinnenschema. Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. Ik kan de overige zinsdelen aanduiden die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kan zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kan zinsdelen vervangen door verwijswoorden.

1

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. 1 Een feest organiseren is een hels werk. 2 Daarom staat dit hoofdstukje vol met extraatjes en kant-en-klare tips. 3 Ben je een schrijver? 4 Maar wil je wel eens scoren met een eigen feest? 5 Je gebruikt dan best deze rijmende tekstideetjes voor je uitnodiging. 6 Dan wordt je feestje een overweldigend succes.

2

Maak deze zin langer: Iedereen maakt zijn eigen kostuum. a Voeg een zinsdeel toe dat antwoord geeft op de vraag: wanneer? Bv. Iedereen maakt ’s middags zijn eigen kostuum. b Voeg een zinsdeel toe dat antwoord geeft op de vraag: waar? Bv. Iedereen maakt ’s middags thuis zijn eigen kostuum. c Voeg een zinsdeel toe dat antwoord geeft op de vraag: hoe? Bv. Iedereen maakt ’s middags thuis enthousiast zijn eigen kostuum.

62

Thema 8 - les 6


3

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Maak de zinnen langer:   Vul aan met een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: wie of wat?   Vul indien mogelijk aan met een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: aan wie of voor wie? 1 Elin geeft bv. een uitnodiging aan haar vriendin. 2 Maimouna bakt bv. een taartje voor haar gasten. 3 De juf wil bv. een huistaak voor de leerlingen.

Thema 8 - les 6

63


4

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Schrijf de andere zinsdelen in het schema. Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes. Schrijf het vraagwoord eronder. Onderwerp/rest van de zin

1

Het feest in de tuin was een groot succes dankzij de sfeervolle versiering. Waardoor?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

was een groot succes

dankzij de sfeervolle verlichting

Wat? Waar? Wanneer? Waardoor? dankzij de sfeervolle verlichting Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

64

Thema 8 - les 6


Onderwerp/rest van de zin

2

Maimouna bundelt al haar tips en trucs in een boek.

Wat? Waarin?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

bundelt

al haar tips en trucs in een boek Wat? al haar tips en trucs Waarin? in een boek Wanneer? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor? Onderwerp/rest van de zin

3

Je wordt onmiddellijk vrolijk door het feest. Wanneer? Waardoor?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

wordt vrolijk

onmiddellijk door het feest Wat? Waar? Wanneer? onmiddellijk Waardoor? door het feest Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

Thema 8 - les 6

65


Onderwerp/rest van de zin

4

Maimouna maakte in haar boek een lijstje met ‘Dagen van ...’ voor haar lezers.

Waar?

Wat?

Voor wie?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

maakte

in haar boek een lijstje met ‘Dagen van ...’ voor haar lezers Wat? een lijstje met ‘Dagen van ...’ Waar? in haar boek Wanneer? Waardoor? Aan of voor wie? voor haar lezers Hoe? Waarom of waarvoor?

66

Thema 8 - les 6


5

a Bedenk een zin met minstens vier zinsdelen. b Schrijf jouw zin in het zinnenschema van je buur. Laat je buur jouw zin onderzoeken. c Te moeilijk? Vraag hulp aan je leraar of klasgenoot. Onderwerp/rest van de zin Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

Wat? Waar? Wanneer? Waardoor? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

Thema 8 - les 6

67


6

a Lees de taalweter.

Hoe kan ik zinsdelen vervangen? Wil je een zin korter maken zonder de betekenis te veranderen? Dan kun je het zinsdeel in sommige gevallen vervangen door een verwijswoord. Bv.  Ik geef de brief met een geheime boodschap aan mijn beste vriendin.

Ik geef hem aan haar.

b Vervang de gekleurde zinsdelen door een verwijswoord. 1 Een goede party-planner vraagt versieringen aan zijn ouders. Een goede party-planner vraagt ze aan hen. 2 Ik stuur een uitnodiging voor mijn zwembadfeestje naar mijn BFF. Ik stuur haar/ze naar hem/haar. 3 De party-planner smeert een dikke laag banketbakkersroom op de onderkant van de cake. De party-planner smeert haar/ze erop.

7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zinnen onderzoeken met het zinnenschema.

Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. Ik kon de overige zinsdelen aanduiden die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kon zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kon zinsdelen vervangen door verwijswoorden. Ik kon zelf hulp vinden door de taalweters op te zoeken, de instructiefilmpjes te bekijken of de wandplaten te gebruiken.

68

Thema 8 - les 6


les 8

Waar is dat welkomstfeestje? Ik kan een stappenplan aanvullen. Ik kan vragen beantwoorden bij luisterfragmenten. Ik kan de antwoorden en het stappenplan gebruiken als basis voor mijn verslag. Ik kan mijn mening verwerken in het verslag.

1

Beantwoord de vragen bij elk luisterfragment.

Fragment 1 a Wat is Les Gruyères? Dat is het grottencomplex waar Elin en haar vader vaak gaan klimmen. b Waarom ging Elins moeder niet mee klimmen? Haar vader en moeder zijn gescheiden. c In welke volgorde gebeurde het? Nummer. 2

We gingen zonder goede voorbereiding de grotten in.

5

Elin is nog steeds spoorloos.

3

We raakten elkaar kwijt.

1

4

Ik riep en zocht maar vond haar niet.

fgelopen vrijdag na schooltijd gingen Elin en ik naar Les A Gruyères om te klimmen.

d Elins vader zegt: “Dat is echt onvergeeflijk, ik ben zo stom geweest!” Wat kan Elins vader zichzelf niet vergeven? Dat hij met Elin zonder goede voorbereidingen toch de grotten is ingegaan.

Fragment 2 a Dit luisterfragment is: een kort artikel uit de krant. een tekst op sociale media. x een hoofdpunt in het journaal. b Wat kan de politie niet met zekerheid zeggen? Of Elin een ernstig ongeluk heeft gehad en of ze nog leeft.

Thema 8 - les 8

69


Fragment 3 a Wie is de verteller van dit fragment? Elin b Wat gebeurde er voor Elin wakker werd? Maak vier zinnen. Gebruik de volgende woorden: buisjes – bouwtekening – kruipgat – eigenwijs – ziekenhuis – slaap Bv. Eigenwijs als ik ben, koos ik een ander kruipgat dan mijn vader. Ik gleed in een rotvaart naar beneden en viel flauw. Toen ik bijkwam, zaten er buisjes in mijn lijf en zag ik aan het plafond een bouwtekening van een mens. Voor ik in slaap viel, dacht ik: dit is zeker geen ziekenhuis. c Wat wil Kiri van Elin? Elin moet haar helpen om het neergestorte ruimteschip waarin ze zich bevinden terug te laten opstijgen.

Fragment 4 a Hoe ontdekt Erin hoe ze een ruimteschip moet besturen? Er komen opnieuw buisjes uit het plafond waardoor de kennis zo het hoofd van Elin binnenstroomt. b Als Elin ziet wat er buiten de grot aan de hand is, belooft ze aan Kiri dat ze terugkeert. Wat wil ze eerst doen? Elin wil haar vader en moeder laten weten dat het goed met haar gaat, dus rent ze de grotten uit.

70

Thema 8 - les 8


2

Organiseer een welkomstfeest voor Elin. Vul de checklist aan met jullie ideeĂŤn.

12 mei Waar is dat welkomstfeestje? Waarom geef je een feest? Elin is na haar avontuur terug op school! Wie nodig je uit? >> iedereen uit de klas >> de juf of meester >> haar vader en moeder

Dag van de terugkomst van Elin Elin is na haar avontuur terug op school en dat verdient een feestje!

>> Hoe ziet de uitnodiging eruit? Waar gaat het feest door? Wanneer begint het feest en wanneer eindigt het? Wat is er te eten of te drinken? Welke dingen zijn er te doen?

Thema 8 - les 8

71


3

Schrijf een verslag over het welkomstfeest. a Bereid het schrijven goed voor. Kleur: bij oefening 1 de zinnen of woorden die jij in je verslag wilt opnemen. bij oefening 2 de ideeën die in jouw verslag komen. b Vul het schrijfplan in.

Het schrijfplan: Zo maak ik mijn verslag. STAP 1:  Wat staat er in de inleiding? Hoe begin je? De reden voor het feest is ... STAP 2:  Wat staat er in de kern van je verslag over het feest? Welke informatie uit de luisterfragmenten kun je gebruiken? Wat gebeurt er op het feest (een korte toespraak, een bedankje ...)? 1

2

3

4

STAP 3:  Wat staat er in het slot? Hoe sluit je je verslag af? Tip: je mag ook je eigen mening over het feest geven.

4

72

Voeg bij oefening 3 eventueel ideeën voor de inleiding, de kern of het slot van je verslag toe.

Thema 8 - les 8


5

a Schrijf de inleiding van je verslag. Tip: gebruik stap 1 van je schrijfplan. Schets de aanleiding voor het welkomstfeest. Schets waarom Elin korte tijd niet op school was. Schrijf goed leesbaar. Iemand anders leest je tekst.

b Schrijf de kern van je verslag. Tip: gebruik stap 2 van je schrijfplan. Schets wat er gebeurde op het feest. Gebruik de informatie uit de luisterteksten die bij je verhaal passen. Gebruik tussentitels. Maak geen te lange zinnen. Schrijf goed leesbaar. Iemand anders leest je tekst.

Thema 8 - les 8

73


c Schrijf het slot van je verslag. Tip: gebruik stap 3 van je schrijfplan. Geef in dit deel van je verslag geen nieuwe informatie. Geef je mening over Elins avontuur. Vat kort samen wat jij van dit feest voor Elin vond. Schrijf goed leesbaar. Iemand anders leest je tekst.

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een stappenplan aanvullen. Ik kon vragen beantwoorden bij luisterfragmenten. Ik kon de antwoorden en het stappenplan gebruiken als basis voor mijn verslag. Ik kon mijn mening verwerken in het verslag.

74

Thema 8 - les 8


les 9

Hoe was het welkomstfeest voor Elin? Ik kan omgaan met de kritiek op de kladversie van mijn verslag. Ik kan op basis van tips een definitief verslag schrijven. Ik kan mijn verslag presenteren aan klasgenoten.

1

a Lees de opmerkingen die de leraar bij de kladversie van je verslag maakte. b Schrijf op hoe je met die opmerkingen rekening zult houden. Herschrijf indien nodig enkele zinnen.

2

a Wissel je taalschrift met dat van een klasgenoot. Lees het verslag van een klasgenoot. b Noteer maximaal drie tips en drie tops in zijn taalschrift. c Bespreek de tips en tops met je klasgenoot.

3

TOP van

TIP van

1

1

2

2

3

3

a Schrijf de definitieve versie van je verslag. Tip: gebruik de checklist. b Controleer je verslag aan de hand van deze checklist. Pas aan wat niet in orde is.

Ik schrijf een goed verslag.

Ik zorg voor een uitnodigende titel. Ik denk aan het gebruik van leestekens. Ik hou rekening met de tips van de leraar en van mijn klasgenoot. Ik verdeel de tekst in alinea’s en schrijf boven elke alinea een tussentitel. Ik voeg één of meer illustraties toe.

Thema 8 - les 9

75


4

Presenteer je verslag. Lees om de beurt je verslag voor. Bespreek na elk verslag de volgende punten:   Wat vind je goed aan de tekst van dit verslag?   Wat vind je van de vormgeving en de illustratie(s)?   vWat vind je van de presentatie van het verslag?

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon op basis van tips een definitief verslag schrijven. Ik kon mijn verslag presenteren aan mijn klasgenoten. Ik kon omgaan met de kritiek op de kladversie van mijn verslag.

76

Thema 8 - les 9


les 11

Nog ĂŠĂŠn keer spelen met zinnen Ik kan zinnen onderzoeken met het zinnenschema. Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. Ik kan de overige zinsdelen aanduiden die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kan zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kan zinsdelen vervangen door verwijswoorden.

1

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Schrijf de andere zinsdelen in het schema. Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes. Schrijf het vraagwoord eronder. Onderwerp/rest van de zin

1

Papa kocht vorige week een nieuw bed voor mij

Wanneer?

Wat?

Voor wie?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

kocht

vorige week een nieuw bed voor mij Wat? een nieuw bed Waar? Wanneer? vorige week Waardoor? Aan of voor wie? voor mij Hoe? Thema 8 - les 11

77


Onderwerp/rest van de zin

2

De grotten waren zichtbaar door het contact met lucht en water. Waardoor?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

waren zichtbaar

door het contact met lucht en water Wat? Waar? Wanneer? Waardoor? door het contact met lucht en water Aan of voor wie? Hoe?

Onderwerp/rest van de zin

3

Ik beantwoordde in het ziekenhuis zorgvuldig de vragen van de politie.

Waar? Hoe?

Wat?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

beantwoordde

in het ziekenhuis zorgvuldig de vragen van de politie Wat? de vragen van de politie Waar? in het ziekenhuis Wanneer? Waardoor? Aan of voor wie? Hoe? zorgvuldig

78

Thema 8 - les 11


Onderwerp/rest van de zin

4

Ik ben een niet-mens van een andere planeet. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

ben een niet-mens van een

andere planeet

Wat? Waar? Wanneer? Waardoor? Aan of voor wie? Hoe?

Thema 8 - les 11

79


2

a Voeg zinsdelen toe. b Maak met de zinsdelen die je hebt bedacht een zin. Schrijf die bovenaan in het zinnenschema. c Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. d Onderstreep de persoonsvorm. e Duid de overige zinsdelen aan met vinkjes en schrijf het vraagwoord eronder. Kiri werd misselijk

1

Onderwerp/rest van de zin Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

Wat? Waar? Wanneer? Waarmee? Waardoor? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

80

Thema 8 - les 11


Elin verloor

2

Onderwerp/rest van de zin Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

Wat? Waar? Wanneer? Waarmee? Waardoor? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

Thema 8 - les 11

81


3

a Bedenk een goede zin met zo veel mogelijk zinsdelen. b Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. c Onderstreep de persoonsvorm. d Schrijf de andere zinsdelen in het schema. Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes. Schrijf het vraagwoord eronder. Onderwerp/rest van de zin Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

Wat? Waar? Wanneer? Waarmee? Waardoor? Aan of voor wie? Hoe? Waarom of waarvoor?

82

Thema 8 - les 11


4

a Lees de taalweter.

Hoe kan ik zinsdelen vervangen? Wil je een zin korter maken zonder de betekenis te veranderen? Dan kun je het zinsdeel in sommige gevallen vervangen door een verwijswoord. Bv.  Ik geef de brief met een geheime boodschap aan mijn beste vriendin.

Ik geef hem aan haar.

b Vervang zo veel mogelijk verwijswoorden door een zinsdeel en schrijf de zinnen op. 1 Zij bestuurde het voor haar. Bv. Elin bestuurde het ruimteschip voor Kiri. 2 Ze vonden haar daar. Bv. Haar vader en moeder vonden Elin aan de ingang van de grot. 3 Ze hebben haar daar uitgebreid ondervraagd. Bv. De dokters en politie hebben Elin in het ziekenhuis uitgebreid ondervraagd. c Controleer elkaars zinnen en verbeter indien nodig. d Vervang elk verwijswoord door een zo lang mogelijk zinsdeel. Wie maakt de zin met de meeste woorden? Tip: gebruik de taalweter. We hebben het daar toen voor haar gegeven. Bv. De klasgenoten en de juf hebben het welkomstfeest voor Elin op school drie dagen na haar terugkomst gegeven.

Thema 8 - les 11

83


5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zinnen onderzoeken met het zinnenschema.

Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. Ik kon de overige zinsdelen aanduiden die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kon zinnen langer maken door zinsdelen toe te voegen die antwoorden op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waardoor, aan of voor wie, waarom of waarvoor? Ik kon zinsdelen vervangen door verwijswoorden. Ik kon zelf hulp vinden door de taalweters op te zoeken, de instructiefilmpjes te bekijken of de wandplaten te gebruiken.

84

Thema 8 - les 11


les 12

Zo oneerlijk! Ik kan de gevoelens van de personages in de tekst uitdrukken. Ik kan met een gepaste stem en een goed volume lezen. Ik kan me bij het lezen in de boodschap van de tekst inleven.

1

a Kies een rol: Elin of Juf Katrien.    b Lees je rol. Juf Katrien (Beetje ongeduldig) Elin! Stap 3! Elin (Zachtjes voor zichzelf ) Stap 3, stap 3, wat was nu ook weer stap 3? Juf Katrien (Nog ietsjes bozer) Ja, wat was stap 3, Elin? De stap na stap 2? En vóór stap 4? (Sissend tussen haar tanden) Elin, ik begin je spelletjes beu te worden. Elin (Verontwaardigd) Hoezo, spelletjes? Juf Katrien Ja, ik noem dat spelletjes! Elin Maar spelletjes hebben regels, mevrouw. Ik volgde geen regels. Ik deed maar wat, dan is het toch geen spelletje? Juf Katrien Ik herhaal het nog één keer, Elin. Ik doe de stappen voor en jullie doen ze na. Elin Maar mevrouw ... Juf Katrien We zijn hier om te leren, Elin. Niet om te prutsen. Elin Prutsen? Ik probeer het alleen maar zelf ... Mijn kleimonstertje heet Kiri en ik heb haar hoofd vlak bij haar buik gezet. Dan moet het eten niet zo ver. Juf Katrien Ik zie het, Elin, maar nogmaals: ik doe het voor en jullie doen het na! Elin (Zuchtend en zachtjes voor zichzelf ) Iedereen heeft hetzelfde kleiwezentje. Alleen mijn Kiri is anders. Juf Katrien (Terwijl ze Kiri oppakt) Ik maak er weer een homp klei van, Elin, zodat je opnieuw kunt beginnen. Elin (Geschrokken) Wat doet u nu? Juf Katrien (Beetje uit de hoogte) Hoor ik je nog? Elin Dit is zo oneerlijk; zo oneerlijk! Juf Katrien Nee, Elin. Je moet de regels volgen. En jij begint nu opnieuw. Stap 1: Maak één grote bol en vijf kleintjes. Stap 2: Hol de grote bol uit. Stap 3: ... Elin (Boos!) ... Verveel je te pletter! Juf Katrien Elin! Nu is het genoeg. Geef je agenda!

Thema 8 - les 12

85


2

a Kies een rol: Yassine, Oma of Maimouna. b Lees je rol. Maimouna

Vertelde ik je mijn probleem al? Ik geef over twee weken een waterfeest. Ik wil graag een opblaasbaar badje in de tuin zetten. Je weet wel: zo’n ding voor kleuters waar je met zijn allen in kunt chillen. Oma Chillen? Wat is dat? Maimouna Heerlijk nietsdoen, oma! Oma Klinkt als een leuk feest. Maimouna Dat moet het ook worden. Ik heb de uitnodigingen al verstuurd. Yassine zal er ook zijn. Hij is al jaren mijn BFF. Oma Een BFF? Wat is dat nu weer? Het lijkt wel de omgekeerde wereld dat jij mij allerlei dingen uitlegt. Maimouna BFF? Best Friend Forever. Mijn beste vriend voor altijd. Die mag zeker niet ontbreken op het feest. Oma Wie komt er nog? Maimouna Vrienden van school en de sportclub. Ik nodigde ook Marieke uit onze klas uit, maar ik hoop dat zij niet komt opdagen. Oma Waarom? Maimouna Dat vervelende kind liet mijn fietsbanden af, omdat ik haar zogezegd een duw gaf tijdens de sportles. Oma Dat is niet netjes van je! Maimouna Maar dat deed ik helemaal niet! Toen de turnmeester uit het zicht verdwenen was, verloor ik mijn evenwicht en viel tegen haar aan. Het was een ongeluk! Oma En niemand gelooft jouw verhaal? Maimouna Nee, helaas niet. IJdele hoop dus dat het een fijn feest zal worden. Ik kan misschien de uitnodiging terugvragen aan Marieke? Of het feest annuleren? [Yassine komt net langs en vangt het gesprek op.] Yassine Maimouna Yassine Maimouna Yassine

86

Thema 8 - les 12

Wat? Gaat het feest niet door? Waarom? Ik heb wat problemen met Marieke. Hoe ga je dat oplossen? Ik vind Marieke net heel leuk. (begint te blozen) Is er iets wat je moet vertellen, Yassine? Nee, nee, ik vind het gewoon een leuke meid.


[Wanneer Maimouna even buiten gehoorafstand is, fluistert Yassine tegen oma.] Yassine Oma Maimouna Yassine Maimouna Oma

W

3

Marieke is mijn liefje, maar dat mag je niet aan Maimouna vertellen! Je geheim is veilig bij mij! Misschien moet ik aan mama vragen of ik nog wat extra mensen mag uitnodigen? Passen we dan nog wel allemaal in het opblaasbare badje? Ai, nee, dat wordt lastig. Waarom maak je het gewoon niet goed met dat meisje? Dan heeft iedereen een fijn feest.

de omgekeerde wereld als iets totaal anders gaat dan je vindt dat zou moeten opdagen

verschijnen, zich vertonen

uit het zicht zijn

als je iets of iemand niet meer kunt zien

de ijdele hoop

vergeefse hoop

buiten gehoorafstand

zo ver van iemand dat hij je niet kan horen

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon correct en vlot langere zinnen lezen.

Ik kon de gevoelens van de personages in de tekst uitdrukken. Ik kon met een gepaste stem en een goed volume lezen. Ik kon me bij het lezen in de boodschap van de tekst inleven.

Thema 8 - les 12

87


les 15

Ik word betekenissen nooit beu! Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken.

1

Lees de taalweters.

Wat is een synoniem? Om eenzelfde voorwerp, persoon of handeling te omschrijven, kun je soms meer dan één woord gebruiken. Bv.  Anna draagt een jurk. Mieke draagt een kleedje.   Anna en Mieke dragen allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noem je synoniemen. Gebruik af en toe een synoniem in een tekst. Zo wordt het verhaal echt boeiend!

Wat is een tegenstelling? Om te beschrijven hoe het ene het omgekeerde is van het andere, gebruik je het tegengestelde woord. Bv.  Anna rent naar buiten. Simon rent naar binnen.   Anna en Simon rennen de tegenovergestelde richting uit. Woorden die het tegenovergestelde betekenen, noem je tegenstellingen.

2

Bedenk bij elk woord een synoniem en een tegenstelling. Let op! Vind je geen synoniem of tegenstelling? Laat de schrijflijn dan leeg. 1 hemel

=

lucht

2 woud

=

bos

rustig

ongeduldig

mislukken

slagen

3 geduldig = 4 falen

88

Thema 8 - les 15

=

aarde


3

Welk woord hoort bij de afbeelding? Kies uit:

schimmig

4

je te pletter vervelen – schimmig – uit het zicht zijn

uit het zicht zijn

je te pletter vervelen

a Welke uitdrukking zie je? Los elke rebus op. b Wat betekent elke uitdrukking? 1

Uitdrukking: er met de pet naar gooien Betekenis: er niet veel aandacht aan besteden 2

Uitdrukking: de knoop doorhakken Betekenis: een besluit nemen 3

Uitdrukking: iemand bij de hand nemen Betekenis: iemand begeleiden 4

Uitdrukking: uit de hoogte doen Betekenis: je beter voelen dan een ander Thema 8 - les 15

89


5

Waarmee kun je een homp maken? Zet de woorden in de juiste kolom. Kies uit: baksteen – brood – deeg – graan – grind – klei – krijt – zand Hiermee maak je een homp

6

Hiermee maak je geen homp

brood

baksteen

krijt

deeg

graan

zand

klei

grind

Verbind. buiten gehoorafstand

Tims zakken stonden bol van de snoep.

de ijdele hoop

Sofie kijkt verleidelijk naar Karim.

lonken

7

Sanne kwam naar het feestje zonder bevestiging.

opdagen

Roger hoopte dat hij zou slagen, maar helaas ...

uitpuilen

We riepen Joyce, maar ze was zo ver weg dat ze ons niet kon horen.

Stel: je bent in de omgekeerde wereld. Maak de zinnen af. 1 Ik ben aan het chillen, dus het zweet loopt van mijn rug. 2 Ik verveel me te pletter, want bv. ik zit in het pretpark op de achtbaan. 3 De juf is uit het zicht, dus bv. blijven we rustig aan onze bank zitten. 4 Ik ben inspiratieloos, dus bv. krijg ik allerlei goede ideeën om een schilderij te maken.

8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de woorden uit het thema begrijpen en ze gebruiken. Ik kon synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken. Ik speelde een spel volgens de regels.

90

Thema 8 - les 15


THEMA

9

Kiezen is verliezen


les 3

Als een witte olifant Ik kan informatie opzoeken in een tekst. Ik kan me inleven in een fictief personage. Ik kan mijn mening op een beleefde manier verwoorden.

1

Beantwoord de vragen. a Dit is het laatste thema van de lagere school. Waar kijk je naar uit om in het secundair onderwijs te leren? b Wat vond je leuk aan de lagere school? c Kies één lagereschoolactiviteit die je nog eens wilt beleven. Waarom kies je die activiteit? d Wanneer vind jij het makkelijk om te kiezen? Wanneer niet? e Wat betekent ‘Kiezen is verliezen’? Als je moet kiezen, kun je nooit alles hebben. Je verliest dus altijd iets.

2

a Bedenk een vraag over het maken van een studiekeuze om aan een klasgenoot te stellen. b Noteer het antwoord van je klasgenoot. Tip: stel eventueel bijvragen. Thema 9 - les 3

93


3

Lees deel 1. Beantwoord de vragen.

5

10

15

20

W

4

Floris kijkt enorm op naar zijn opa. Hij wil in zijn voetsporen treden en later ook muziekinstrumentenbouwer worden. Daarom wil hij volgend schooljaar naar de kunsthumaniora gaan. Tijdens de begrafenis van oom Billy trekt Floris op met zijn opa. Tante Elodie, de weduwe van oom Billy, wordt boos als ze hoort dat opa grapjes maakt op de begrafenis. Ze vindt het verschrikkelijk dat Floris zo naar hem opkijkt. Ze vreest dat Floris door het foute voorbeeld van opa op het slechte pad raakt. Daar wil ze een stokje voor steken. Om het kleine huisje van opa te bereiken, moest Floris een heel eind langs het jaagpad rijden. De jongen had het stadje nog maar net achter zich gelaten. En toch bevond hij zich al midden in de natuur. Een warme zon spiegelde zich in het water van de vaart. Die werd al jarenlang niet meer gebruikt. Op de plaats waar opa woonde, was het een en al rust. Alleen al daarom kwam Floris er graag. Het was die maandagavond bij hem thuis heel wat minder rustig geweest. Zoals ze zich had voorgenomen, was tante Elodie op bezoek gekomen. Floris mocht er niet bij zijn. Toch had hij alles kunnen afluisteren. Het ging er niet leuk aan toe. Tante Elodie had eigenlijk alleen maar kwaad over haar vader verteld. Hoe durfde ze! Ze had er ook op aangedrongen dat haar jongere zus en schoonbroer zouden ingrijpen. Het was beter dat Floris zijn opa niet meer zag. Dat was slecht voor zijn opvoeding. De jongen dreigde anders nog de verkeerde kant op te gaan. Zoiets mocht zeker niet gebeuren.

in de voetsporen treden van hetzelfde doen als iemand anders op het slechte pad raken

verkeerde, slechte dingen doen

het jaagpad

pad naast een kanaal of rivier

de verkeerde kant opgaan

dingen doen die niet bij je passen, die verkeerd zijn

a Kleur in de tekst: het hoofdpersonage. b Wat vind je van het plan van tante Elodie? Leg uit. Bv. Het is oneerlijk van tante Elodie. Floris moet zelf beslissen of hij zijn opa wil zien of niet. Bv. Ik begrijp tante Elodie, want opa geeft niet altijd het goede voorbeeld. c Denk je dat mama het advies van tante Elodie zal volgen? Waarom (niet)? Bv. Ja, mama kan niet op tegen tante Elodie. Ze luistert altijd naar haar oudere zus. Bv. Nee, mama vindt het leuk dat Floris veel van zijn opa kan leren.

94

Thema 9 - les 3


5

Zoek op in het woordenboek.

Hoe vind ik snel een woord in het woordenboek? Je leerde het woordenboek gebruiken. Weet je nog?

2 1

1 I n het woordenboek staan de woorden in alfabetische volgorde.

5

et eerste en laatste woord van 2 H elke pagina staan bovenaan op die pagina. Dat zijn de trefwoorden. an werkwoordsvormen zoek je 3 V de infinitief.

3

ij een zelfstandig naamwoord 4 B zoek je altijd het enkelvoud op. e betekenis van 5 D zegswijzen, uitdrukkingen en spreekwoorden vind je door het belangrijkste woord op te zoeken.

W

4

de weduwe (r. 5) vrouw van wie de man gestorven is ergens een stokje voor steken (r. 7) ervoor zorgen dat iets niet gebeurt

Thema 9 - les 3

95


6

a Lees de taalweter.

Wat is een verwijswoord? Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar iets dat (of iemand die) al eerder vernoemd werd. Verwijswoorden zorgen ervoor dat we niet steeds hetzelfde woord moeten herhalen. Er bestaan verwijswoorden die verwijzen naar: >> een woord in dezelfde zin. Bv.  Ziya snuit haar neus.

haar verwijst naar Ziya.

>> een woord in een andere zin. Bv.  Ziya snuit haar neus. Ze doet dat dikwijls.

ze verwijst naar Ziya.

>> een volledig andere zin. Bv.  Ziya snuit haar neus. Ze doet dat dikwijls.

dat verwijst naar Ziya snuit haar neus.

>> een woord in een ander tekstdeel Bv.  De Provence is een gebied in het zuidoosten van Frankrijk en ligt tussen de Middellandse Zee, het Rhônedal en Italië. Grote steden in het gebied zijn Marseille, Nice, Toulon en Aix-en-Provence. Veel toeristen gaan daar naartoe.   daar verwijst naar de Provence.

b Naar wie verwijzen de onderstreepte woorden in de zin? 1 En toch bevond hij zich al midden in de natuur. (r. 10)

Floris

2 Hoe durfde ze! (r. 17)

tante Elodie

3 Dat was slecht voor zijn opvoeding. (r. 19)

7

Lees deel 2 van de tekst.

5

10

96

Floris

Zijn vader was hem toen komen halen. Mams had zich voor de zoveelste keer laten doen door haar oudere zus. Die bemoeide zich nu eenmaal met alles. Floris kreeg van zijn vader te horen dat hij zijn grootvader niet meer mocht bezoeken. Tegelijk werd hem verteld dat hij na de zomer die kunstrichting op school niet zou mogen volgen. Ze wilden niet dat hij later net zoals opa een armoedzaaier werd. Wie een beroep in de kunst koos, verkwanselde zijn hele toekomst! De hele tijd had mams niets gezegd. Het was duidelijk dat de twee anderen haar helemaal in hun greep hadden.

Thema 9 - les 3

W

de armoedzaaier heel arme persoon iemand in je greep hebben ervoor zorgen dat iemand doet wat jij wilt


8

a Zoek op in het woordenboek. W

verkwanselen (r. 8)

iets tegen een lagere prijs verkopen

b Wat betekent het woord in deze context? Bv. Wie een beroep in de kunst kiest, vergooit zijn toekomst.

9

a Wat wil Floris na de zomer doen? een kunstrichting op school volgen b Hoe reageren zijn ouders daarop? Floris mag niet gaan van zijn papa. Papa volgt tante Elodie. Mama zwijgt. Ze gaat niet in tegen de reactie van papa en tante Elodie. c Wat vind jij van die reactie? Leg uit. Bv. Het is raar dat Floris niet zelf mag kiezen wat hij volgend jaar wil doen. Het gaat over zijn toekomst. Bv. Mama en papa willen het beste voor Floris. Het is normaal dat ze voor hem beslissen.

10

a Welke studierichting wil jij volgend jaar volgen? b Hoe reageren jouw ouders daarop?

Thema 9 - les 3

97


11

Lees deel 3 van de tekst.

5

Gelukkig was het vandaag een fantastische dag. Het zonnetje scheen en die ochtend had Floris op school zijn laatste proeven afgelegd. Zijn dag kon niet meer stuk. Vanaf nu lachte de grote vakantie hem toe. Nog enkele dagen naar school en dan was alles voorbij. Toch kon de jongen zich een vakantie zonder opa gewoon niet voorstellen. Ondanks het uitdrukkelijke verbod van zijn vader had hij beslist om na het eten naar opa te rijden. De arme man wist nog altijd van niets. Floris had opa nog niet kunnen bereiken, want die had geen telefoon. Hij hield niet van al die moderne dingen. Ze kostten ook te veel geld. Opa moest immers met weinig rondkomen.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Als een witte olifant | Patrick Lagrou

Floris is dol op zijn opa, een arme muzikant die in een klein huisje middenin de natuur woont. Na de zomervakantie wil hij een kunstrichting volgen, want hij droomt ervan om net als zijn opa muziekinstrumenten te bouwen. Maar Floris’ vader en vooral tante Elodie vinden dat opa Rik een slechte invloed heeft op Floris en ze doen er alles aan om de twee uit elkaar te halen. Met onverwachte en vreselijke gevolgen …

Als een witte olifant Patrick Lagrou Veerle Hildebrandt

Meer lezen? Als een witte olifant, Patrick Lagrou, Talentbib 6

6

W

12

a Lees de taalweter.

Wat is een oorzaak? En een gevolg?

met weinig rondkomen weinig geld hebben om van te leven

Heb je het weer niet begrepen?

Een gevolg heeft altijd een oorzaak. En een oorzaak heeft altijd een gevolg. De oorzaak komt altijd eerst, daarna pas het gevolg. U hebt het niet goed Bv.  oorzaak   gevolg uitgelegd, juffrouw! ontzettend veel regen  overstromingen slechte oogst  hongersnood boeiende juf   geïnteresseerde leerlingen

b Kleur in de schuingedrukte zinnen: de oorzaak. c Onderstreep het gevolg.

13

W

het advies raad

a Wat vind je ervan dat Floris, ondanks het verbod van zijn vader, toch naar zijn opa gaat? Bv. Floris heeft het recht om zijn opa te blijven zien. Hij mag dus zelf beslissen of hij gaat of niet. Bv. Het is verkeerd dat Floris iets doet dat zijn ouders hem hebben verboden. b Welke keuze maakte jij al eens tegen het advies van anderen in? Bespreek met je buur.

98

Thema 9 - les 3


14

Lees de taalweter.

Welke vorm heeft een brief? Datum van vandaag

1 Aanspreking Bv.  Geachte mevrouw of Beste mijnheer Laat een witregel tussen de aanspreking en de inleiding van je brief.

Dat is de inleiding.

2 Inleiding van je brief Vertel kort wie je bent en op welke school je zit. Laat een regel open tussen de inleiding en het midden van je brief.

Dat is het midden.

3 Midden van je brief

Vertel de reden waarvoor je de ontvanger schrijft (uitnodigen, iets meedelen ...) en geef de nodige gegevens. Laat een regel open tussen de kern en het slot van je brief. 4 Slot van je brief

Dat is het slot.

Formuleer in een korte zin hoe je wilt dat de ontvanger reageert. Laat een witregel open tussen het slot en de groet. 5 Groet Bv.  Groetjes! Hier laat je enkele witregels open om je naam of handtekening te zetten. 6 Je naam en voornaam Je straat en nummer Je postcode en je gemeente

15

a Help Floris zodat hij zijn opa kan blijven zien. Schrijf een brief naar tante Elodie waarin je vertelt hoe je over haar beslissing denkt. STAP 1:  Kies vanuit welke rol je de brief schrijft. Floris een vriend(in) van Floris opa de juf of meester van Floris

de mama van Floris

Thema 9 - les 3

99


STAP 2:  Verzamel ideeën. Wat wil je tante Elodie vertellen?

STAP 3:  Orden en nummer je ideeën. Wat ga je eerst zeggen, wat daarna? STAP 4:  Schrijf je brief. Tip: je wilt iets van tante Elodie gedaan krijgen. Blijf dus beleefd en val haar niet aan.

100

Thema 9 - les 3


b Vraag aan een klasgenoot om je brief na te lezen.

Zo schrijf ik een goede brief. Mijn brief is nagelezen door

De brief heeft een aanspreking. De schrijver stelt zichzelf voor. Het midden van de brief zegt duidelijk waarover de brief gaat. De schrijver blijft beleefd. Er is een duidelijk slot en een beleefde groet. De schrijver let op de spellingregels. De schrijver gebruikt geen te lange zinnen. De schrijver gebruikt alinea’s.

Tip voor de schrijver:

c Herschrijf eventueel enkele zinnen van je brief. Houd rekening met de feedback die je kreeg.

16

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon oorzaak en gevolg in een tekst herkennen. Ik kon noteren waarnaar verwijswoorden verwijzen. Ik kon me inleven in een fictief personage. Ik kon een brief schrijven. Ik kon mijn mening op een beleefde manier verwoorden.

Thema 9 - les 3

101


les 4

Later als ik groot ben

tsiL kcehC

Ik kan aangeven welke onderwerpen ik interessant vind. Ik kan websites gebruiken om een geschikte studie te zoeken op basis van mijn interesses. • EL YTS NWARD DNAH •

1

a Vul online de vragenlijst in die je helpt bij het zoeken naar een studierichting. b Kleur jouw resultaten per belangstellingsdomein.

tsiL oD oT

– Belangstellingsdomeinen – Mijn score (1 = niet graag, 7 = heel graag) economie en handel kunst en creatie

Check List

land- en tuinbouw praktisch – technologisch

• HAND DRAWN STYLE •

taal en cultuur voeding – hotel welzijn en zorg

To Do List

102

Thema 9 - les 4

wetenschappen

1 2 3 4 5 6 7


2

a Vorm een duo met een klasgenoot die dezelfde interesses heeft als jij. Zoek op het internet naar geschikte scholen in de omgeving. Sta stil bij deze dingen:   Welke projecten organiseert de school?

Hoe ziet het lessenrooster van de eerste graad eruit? Hoe zijn de vijf keuze-uren ingevuld?

Wat wordt er in de tweede graad aangeboden?

Heeft de eerste graad een apart gebouw of aparte speelplaats?

Hoe kun je de school vlot bereiken?

In de tweede graad kies je een (bijna) definitieve richting die je wilt volgen. Weet je nu al wat je later graag wilt doen? Zoek dan een school die die richting aanbiedt. Zo hoef je na het tweede jaar niet van school te veranderen.

b Noteer welke studierichtingen en/of scholen je aanspreken. c Kleur: de school en studierichting die je het meeste aanspreekt.

Thema 9 - les 4

103


3

a Vergelijk je voorkeur met wat je in les 3 noteerde bij oefening 10a (p. 97). Ben je van gedachte veranderd? Waarom (niet)? b Hoe denk je dat je ouders op die keuze reageren? c Heb je nieuwe studierichtingen ontdekt? Welke? d Wat wil je later graag worden? e Past je studiekeuze daarbij?

4

a Floris wil graag kunsthumaniora volgen. Welke studierichting zou hij kunnen volgen? b Welke studierichting kiest Floris volgend schooljaar volgens jullie? Waarom denk je dat? Hoe zullen zijn ouders reageren?

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de tekst van een website scannend lezen. Ik kon schriftelijke instructies begrijpen en uitvoeren. Ik kon aangeven welke onderwerpen ik interessant vind. Ik vond het boeiend om de websites van verschillende scholen te bezoeken.

104

Thema 9 - les 4


les 6

Opgepast! Gesignaleerde woorden! Ik kan aanduiden waarnaar verwijswoorden verwijzen. Ik kan de verschillende signaalwoorden herkennen en correct gebruiken. Ik kan de grondwoorden aanduiden in samenstellingen en afleidingen.

1

a Lees de tekst.

5

Met groeiend enthousiasme bleef Floris naar de woorden van opa luisteren. Zo had hij hem nog maar zelden horen spreken. Ook herkende de jongen zichzelf steeds meer in wat opa zei. “Ja, ik heb toen ook moeten kiezen. En dat laatste heb ik dan op mijn achttiende ook gedaan”, ging opa verder. En het was geen gemakkelijke keuze. Ofwel mooi buigen en een gespreid bedje krijgen aan de universiteit. Ofwel breken met mijn ouders, zelf mijn eigen kost verdienen en ’s avonds aan de academie, het conservatorium en de vakschool studeren wat ik echt wilde. Uiteindelijk heb ik voor dat laatste gekozen. Later is alles nog goed gekomen met mijn ouders.”

b Kleur: waarnaar de onderstreepte woorden verwijzen. Tip: lees de taalweter.

Wat is een verwijswoord? Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar iets dat (of iemand die) al eerder vernoemd werd. Verwijswoorden zorgen ervoor dat we niet steeds hetzelfde woord moeten herhalen. Er bestaan verwijswoorden die verwijzen naar: >> een woord in dezelfde zin. Bv.  Ziya snuit haar neus.

haar verwijst naar Ziya.

>> een woord in een andere zin. Bv.  Ziya snuit haar neus. Ze doet dat dikwijls.

ze verwijst naar Ziya.

>> een volledig andere zin. Bv.  Ziya snuit haar neus. Ze doet dat dikwijls.

dat verwijst naar Ziya snuit haar neus.

>> een woord in een ander tekstdeel Bv.  De Provence is een gebied in het zuidoosten van Frankrijk en ligt tussen de Middellandse Zee, het Rhônedal en Italië. Grote steden in het gebied zijn Marseille, Nice, Toulon en Aix-en-Provence. Veel toeristen gaan daar naartoe.   daar verwijst naar de Provence.

Thema 9 - les 6

105


2

Vervang de onderstreepte woorden door een verwijswoord.

“Ik heb vooral geleerd om sober te leven. Leven van wat ik in mijn tuintje heb, leven van wat ik vind, leven van wat ik met mijn handen en mijn hoofd kan maken ...”

daar/er

“En vooral leven van je vele liedjes”, vulde Floris aan. “Dat klopt”, bevestigde opa. “Wat jammer dat maar weinig mensen op deze manier kunnen leven.

Ze

willen altijd meer. Ze zijn nooit tevreden met wat ze

hebben. Zo zullen ze nooit echt gelukkig kunnen worden. Kijk maar naar tante Elodie. Ze

3

is mijn bloedeigen dochter.”

a Lees de taalweters.

Wat is een signaalwoord? Signaalwoorden zijn korte woordjes. Ze leggen een verband tussen verschillende zinnen of delen van een zin. Ze zorgen voor structuur in een tekst. Er bestaan verschillende soorten signaalwoorden. Ze duiden allemaal een verband aan. Bv.  met, maar, en, als, dan ...

Wat is een signaalwoord van tijd? Signaalwoorden van tijd ordenen de informatie in een tekst chronologisch (= in de juiste tijdsvolgorde). Wat eerst gebeurde, komt op de eerste plaats. Wat later gebeurde, wordt daarna verteld. Bv.

Eerst laat ik het water koken. Vervolgens doe ik de pasta in het kokende water. Daarna schud ik de pasta in een vergiet. Ten slotte doe ik de saus erbij.

Tip Als je signaalwoorden van tijd kunt vinden in een tekst, kom je al snel tot een handige samenvatting.

106

Thema 9 - les 6


Wat is een signaalwoord van voorbeeld? Signaalwoorden van voorbeeld kondigen aan dat er voorbeelden volgen. Bv. zoals bijvoorbeeld

Hij gromt zoals een beer.   Fruit is bijvoorbeeld: een appel, een peer ...

b Lees de tekst.

5

10

15

De hele natuur rondom het huis genoot met volle teugen van deze zomerse dag. Zo zongen de vogels bijvoorbeeld van bij de eerste zonnestraal. Voor Floris had dit de mooiste dag van het jaar moeten worden. De schoolpoort ging dicht voor twee heerlijk grandioze maanden. W Toch kon deze vakantie, waar hij zo lang naar uitgekeken had, niet slechter grandioos beginnen. Floris zat zoals een gekwetst vogeltje alleen op zijn kamer. geweldig, enorm Eerst had hij halsstarrig geweigerd om naar de begrafenis te gaan. Hij wilde niet meewerken aan iets wat opa nooit gewild had. Daarna had Tante Elodie erop gestaan dat zijn ouders niet zouden toegeven. Maar zijn vader, die tot in het crematorium grote heibel vreesde, kreeg zijn twijfels. Uiteindelijk had mams de knoop doorgehakt. Zij besliste dat de jongen thuis mocht blijven als hij dat echt wilde. Hier zat hij dan maar door het raam naar buiten te staren, zoals een gevangen vogel in een kooitje.

c Onderstreep de drie signaalwoorden van tijd en de drie signaalwoorden van voorbeeld. d Noteer die signaalwoorden in de juiste kolom. Signaalwoorden van tijd

Signaalwoorden van voorbeeld

eerst

bijvoorbeeld

daarna

zoals

uiteindelijk

zoals

Thema 9 - les 6

107


4

a Lees de taalweters.

Wat is een signaalwoord van vergelijking? Signaalwoorden van vergelijking vergelijken woorden met iets dat er ongeveer hetzelfde uitziet, ruikt, aanvoelt, klinkt. Bv. als   Hij is zo sterk als een paard. zoals   Door je verkoudheid klink je zoals een zeehond. alsof   Hij doet alsof hij de baas is.

Wat is een signaalwoord van tegenstelling? Signaalwoorden van tegenstelling geven een tegenstelling aan. Bv. maar in tegenstelling tot echter

Hij lijkt jong, maar hij is oud.   In tegenstelling tot jou maakte ik mijn huiswerk.   Ik liep goed, iemand anders liep echter beter.

Wat is een signaalwoord van middel? Signaalwoorden van middel geven aan waarmee een bepaalde taak uitgevoerd wordt. Bv.  Waarmee roer je in de pot? Waarmee maak jij je huiswerk?

Ik roer in de pot met een houten lepel.   Ik maak mijn huiswerk met behulp van een ZRM.

b Lees het fragment. c Kleur twee signaalwoorden: van vergelijking. van tegenstelling. van middel.

5

“Straks begint de vakantie en dan mag jij elke dag naar hier komen. In tegenstelling tot wat de familie beweert. Ik zal je opleiden en leren hoe je al die spullen maakt en hoe je ze bespeelt.” Floris voelde zich als een vis in het water. “We gaan er meteen tegenaan. Pak die kleine draailier maar. Ik weet dat je van dit instrument het meeste houdt. Daarom mag je het vanavond ook meenemen naar huis.” Floris pakte deze schat voorzichtig met zijn handen. Het was wellicht de kleinste draailier die er op de wereld te vinden was. Opa had hem speciaal voor hem gemaakt. W

108

Thema 9 - les 6

je als een vis in het water voelen je heel goed voelen


10

15

De jongen was er zelf bij geweest. Hij kon er zelfs al een beetje op spelen. Wat was hij blij. Maar op dat moment hoorden ze een auto met een piepend geluid tot stilstand komen. Langs het jaagpad passeerden maar zelden voertuigen. Laat staan dat ze stopten. Twee portieren klapten venijnig dicht. Floris vreesde meteen het ergste. Alsof iemand hem betrapt had, verstopte hij snel de kleine draailier in zijn rugzakje. W Hij zag zijn vader en tante Elodie vanachter het huis tevoorschijn komen. venijnig Ze zagen er allesbehalve gelukkig uit ... boos

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

5

Als een witte olifant | Patrick Lagrou

Floris is dol op zijn opa, een arme muzikant die in een klein huisje middenin de natuur woont. Na de zomervakantie wil hij een kunstrichting volgen, want hij droomt ervan om net als zijn opa muziekinstrumenten te bouwen. Maar Floris’ vader en vooral tante Elodie vinden dat opa Rik een slechte invloed heeft op Floris en ze doen er alles aan om de twee uit elkaar te halen. Met onverwachte en vreselijke gevolgen ‌

Als een witte olifant Patrick Lagrou Veerle Hildebrandt

Meer lezen? Als een witte olifant, Patrick Lagrou, Talentbib 6

6

Bedenk een situatie waarin jij een foute keuze maakte. Gebruik minstens drie verschillende signaalwoorden en onderstreep ze.

Thema 9 - les 6

109


6

Lees de taalweter.

Wat zijn grondwoorden, samenstellingen en afleidingen? We bedenken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. In plaats daarvan voegen we bestaande woorden samen (bv. muis + mat = muismat) of voegen we voor- en achtervoegsels toe (bv. bruikbaar, waterachtig). Nu je dat weet, kan het je helpen om de betekenis van bepaalde woorden te achterhalen of om ze correct te schrijven.

Wat is een grondwoord? Een grondwoord is de allerkortste vorm van een woord. Je kunt een grondwoord dus niet meer in afzonderlijke woorden splitsen. Bv.  bus, tand, werk, tapijt, douche ...

Wat is een samenstelling? Als je grondwoorden samenvoegt, krijg je een samenstelling. Bv.  brood + mager sport + artikelen + fabrikant

broodmager  sportartikelenfabrikant

Er zijn verschillende soorten samenstellingen: >> >> >> >> >>

met meerdere zelfstandige naamwoorden (bv. televisieaansluiting, netwerkkabel ...) met een bijvoeglijk naamwoord (bv. goedemorgen, rodekool ...) met anderstalige delen (bv. harddisk, webcam, webmaster ...) met een afkorting (bv. tv-programma, cd-speler, USB-stick ...) met als eerste deel de stam van een werkwoord (bv. springplank, looprek ...)

Wat is een afleiding? Een afleiding ontstaat als je aan een woord een voorvoegsel en/of een achtervoegsel toevoegt. Bv.  on + eer aap + in ver + werk + ing

oneer  apin  verwerking

Let op! Voorvoegsels en achtervoegsels krijgen pas hun betekenis wanneer je ze combineert met een grondwoord.

110

Thema 9 - les 6


7

8

Verbind telkens een woord uit de linkerkolom met een woord uit de rechterkolom zodat je zo veel mogelijk samenstellingen krijgt. draai

pad

jaag

poort

bloed

zak

vogel

lier

school

eigen

rug

kooi

Maak telkens vijf samenstellingen met de gegeven grondwoorden. 1 hand

bv. handschoen – handdruk – handbal – handboei – handdoek – linkerhand

2 kamer

badkamer – slaapkamer – eetkamer – zitkamer – kamerjas – linnenkamer –

– rechterhand – handleiding – handgeklap – handgemeen – handgranaat – handgreep – handvat ...

voorraadkamer – kamermeisje – kamermuziek – kamerplant – kamerscherm ...

9

a Kleur in de afleidingen: het grondwoord. b Onderstreep het voor- en/of achtervoegsel

vergeetachtig Belgisch

ex-roker

herleven

eindeloos

wantrouwig wanordelijk

abnormaal ontroostbaar

bewaken

Thema 9 - les 6

111


10

11

Maak een afleiding door een voor- en/of achtervoegsel toe te voegen. 1 iemand die een herberg heeft

een herbergier

2 een vrouw die loopt

een loopster

3 niet beleefd

onbeleefd

4 opnieuw lezen

herlezen

5 iemand die altijd bang is

een bangerik

6 iemand die in Antwerpen woont

een Antwerpenaar

7 iemand die laf is

een lafaard

8 niet sociaal

asociaal

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon aangeven waarnaar verwijswoorden verwijzen. Ik kon de verschillende signaalwoorden herkennen. Ik kon signaalwoorden correct gebruiken. Ik kon grondwoorden aanduiden in samenstellingen en afleidingen. Ik kon zelf samenstellingen maken.

112

Thema 9 - les 6


les 8

Bijna feest! Ik kan een verslag schrijven over mijn zoektocht naar een studierichting. Ik kan originele ideeĂŤn verzamelen voor onze proclamatie. Ik kan een vlotte presentatie geven aan de rest van de klas.

1

Schrijf een verslag over je zoektocht naar de geschikte studierichting.

Hoe schrijf ik een goed verslag? Ik schrijf het verslag voor mezelf. Later kan ik lezen hoe ik nu over mijn studiekeuze denk. In de inleiding schrijf ik mijn oorspronkelijke keuze voor volgend jaar (les 3, oef. 1, p. 93). In het midden schrijf ik over mijn zoektocht. Met wie vormde ik een duo? Wat ontdekte ik tijdens onze zoektocht (les 4, oef. 2 en 3, p. 103-104)? Veranderde ik na de zoektocht van idee? Op het einde schrijf ik een wens voor mezelf voor binnen zes jaar.

Thema 9 - les 8

113


2

a Lees je verslag na. Schonk je aandacht aan de spellingregels?

Ik schrijf een goed verslag.

Ik lette op de werkwoordsvormen. Ik lette op de verenkelingsregel. Ik lette op de verdubbelingsregel. Ik schreef hoofdletters waar nodig. Elke zin eindigt op een leesteken.

b Schrijf je verslag over op een los blad en stop het in een omslag. Verstop het thuis op een veilige plaats. Open de omslag over zes jaar.

3

114

Verzamel ideeĂŤn als rode draad voor je proclamatie. Tip: kijk terug naar les 3, oefening 1, p. 93.

Thema 9 - les 8

W

de proclamatie plechtige bekendmaking van de resultaten van een examen


4

Vraag aan de juf of meester volgende informatie:  Plaats:  Datum:  Uur:   Wie mag er komen?   Wie zou jij graag uitnodigen?

5

Maak een PowerPointpresentatie. Gebruik daarbij volgende tips: Tips: – Gebruik dezelfde animaties voor al je dia’s. – Kies één manier om naar de volgende dia’s te gaan en één manier om de tekst te laten verschijnen. – Noteer enkel sleutelwoorden. Schrijf geen volledige zinnen in de presentatie. – Kies afbeeldingen die je ideeën verduidelijken.

6

Breng je presentatie voor de klas. Spreek af wie wat gaat zeggen. Tip: bekijk de evaluatie zodat je weet waar je tijdens het spreken op moet letten.

Waaraan denk ik bij het brengen van een goed verslag? Misschien helpen deze tips: >> >> >> >> >> >> >>

7

Zorg voor een spiekbriefje, als je dat nodig hebt. Kijk je luisteraars voldoende aan. Spreek rustig en vlot. Las af en toe een korte rustpauze in. Spreek voldoende luid en levendig. Zorg voor variatie (laat regelmatig een foto of een voorwerp zien). Gebruik Algemeen Nederlands.

Noteer met sleutelwoorden het voorstel dat jij het leukste vindt. Thema 9 - les 8

115


8

Evalueer één leerling tijdens het spreken. Ik evalueer

zeer goed

goed

voldoende

zwak

De spreker articuleert duidelijk. De spreker spreekt zonder haperingen en in een passend tempo. De spreker spreekt Standaardnederlands. De spreker kijkt het publiek aan tijdens het spreken. De spreker spreekt zonder stopwoorden zoals euh, en, toen ... De spreker houdt zijn zenuwen in bedwang. De spreker doet me zin krijgen om naar de proclamatie te komen. Tips voor de spreker: W

je zenuwen in bedwang houden je zenuwen de baas blijven, niet te zenuwachtig zijn

9

Noteer de feedback de je kreeg over jouw spreekoefening. Ik werd geëvalueerd door Ik articuleerde duidelijk. Ik sprak zonder haperingen en in een passend tempo. Ik sprak Standaardnederlands. Ik keek het publiek aan tijdens het spreken. Ik sprak zonder stopwoorden zoals euh, en, toen ... Ik hield mijn zenuwen in bedwang. Ik deed het publiek zin krijgen om naar de proclamatie te komen. Tips voor mij:

116

Thema 9 - les 8

zeer goed

goed

voldoende

zwak


10

Noteer kort wat jullie tijdens de proclamatie gaan doen.

11

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een verslag schrijven over mijn zoektocht naar een studierichting. Ik kon originele ideeĂŤn verzamelen voor onze proclamatie. Ik kon een vlotte presentatie geven aan de rest van de klas. Ik kon de feedback van anderen aanvaarden.

Thema 9 - les 8

117


les 9

Welkom op onze proclamatie! Ik kan een uitnodiging maken voor de proclamatie. Ik kan vragen beantwoorden over een luisterfragment.

1

Beluister het fragment en ontdek of Floris toch naar de kunsthumaniora gaat.

2

Beantwoord de vragen. a Wat bedoelt men met ‘Floris had haar geen strobreed in de weg gelegd’? Floris heeft niet geprotesteerd tegen de plannen van mama. b Waarom was de jongen door het dolle heen? Hij wil graag in het huis van opa wonen en hij mag naar de kunsthumaniora.

W

iemand geen strobreed in de weg leggen niets doen om iemand tegen te houden door het dolle heen zijn heel erg blij zijn

c Wat is een testament? Dat is een officieel document waarin je laat vastleggen wie jouw bezittingen krijgt nadat je bent overleden. d Geef drie redenen waarom mams het testament op een ereplaats zou hebben gehangen. 1 Ze wil de herinnering aan opa levend houden. 2 Ze is blij dat Floris de instrumenten van opa heeft geërfd. 3 Ze is blij dat Floris het op tijd vond en dat opa de begrafenis kreeg die hij wou. e “Wanneer de jongen eenmaal zal inzien hoe ik elk instrument in elkaar heb gezet, dan zal hij de waarde ervan snel weten te waarderen.” Wat bedoelt opa daarmee? Opa heeft in alle instrumenten geld gestopt, maar dat weet Floris nog niet.

118

Thema 9 - les 9


f Benoem elk instrument.

3

de citer

de draailier

de luit

de vedel

Bespreek volgende vragen in je groep. Trek een kaartje waarop jouw rol staat voor het gesprek. Na elke vraag wissel je van rol zodat iedereen alle taken op zich heeft genomen. Let op! Per vraag heb je maximaal vijf minuten de tijd. 1 Ik was gespreksleider bij vraag

.

2 Ik was tijdsbewaker bij vraag

.

3 Ik was verslaggever bij vraag

.

4 Ik was stiltekapitein bij vraag

.

a Naar welke school gaat Floris volgend jaar? de kunsthumaniora

Komt dat overeen met jouw voorspelling? ja / nee   Zou je die richting zelf willen volgen? Waarom (niet)? b Waarom noemt Floris zijn tante een tang? Is dat letterlijk of figuurlijk taalgebruik? Zijn tante is niet vriendelijk. Ze doet heel gemeen tegen opa en speelt de baas over mama. Het is figuurlijk taalgebruik. c Floris erfde veel geld van zijn opa. Wat denk je dat hij daarmee zal doen? d Wat zou jij doen als je zo veel geld erfde? Bespreek.

Thema 9 - les 9

119


4

Ontwerp je uitnodiging voor de proclamatie. Denk na hoe je de informatie schikt op de uitnodiging. Tip: kijk voor de juiste informatie terug naar oefening 4 op p. 115 en oefening 10 op p. 117.

Hoe schrijf ik een goede uitnodiging? Stel jezelf vooraf deze vragen: >> >> >> >>

Wie nodig je uit? Wat schrijf je? Wees volledig! Waar vindt het plaats? Wanneer vindt het plaats? Op welke datum? Om hoe laat? >> Waarom? Wat is er te doen? >> Welke lay-out gebruik je? Schrijf je het of typ je het? Welk lettertype? Welke tekening?

120

Thema 9 - les 9

Hopelijk kan iedereen naar mijn feestje komen.


5

Kijk na of je geen informatie vergat in je uitnodiging. Maak een definitieve versie op de computer.

Ik maak een goede uitnodiging. Ik schrijf geen volledige zinnen. Tip: werk met sleutelwoorden die antwoorden op vragen als: waar, wanneer ... Ik gebruik kleur. Ik kies een leuk maar goed leesbaar lettertype. Ik zet mijn uitnodiging niet te vol. Ik kies slechts ĂŠĂŠn illustratie die bij het thema van de proclamatie past.

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de vragen over het luisterfragment beantwoorden.

Ik kon alle gegevens in een uitnodiging schrijven. Ik kon de uitnodiging op de computer maken. Ik ben tevreden met het resultaat van de uitnodiging.

Ik schoof makkelijk mijn voorstel aan de kant voor een beter voorstel van een groepslid. Ik durfde knopen door te hakken indien niemand toegevingen wou doen.

Thema 9 - les 9

121


les 11

Soort zoekt soort ... Ik kan eigennamen en zelfstandige naamwoorden aanduiden. Ik kan aangeven of zelfstandige naamwoorden mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Ik kan het juiste lidwoord bij zelfstandige naamwoorden plaatsen. Ik kan verkleinwoorden vormen. Ik kan een tekst rijker maken door bijvoeglijke naamwoorden toe te voegen. Ik kan de trappen van vergelijking herkennen en vormen. Ik kan bepalen of het werkwoord in de 1e, 2e of 3e persoon (enkelvoud of meervoud) staat.

1

a Lees de tekst. Kleur: de zelfstandige naamwoorden die geen eigennaam zijn. de zelfstandige naamwoorden die wel een eigennaam zijn.

5

Tante Elodie, die vlak voor hen stond, had het duidelijk gehoord. Ze keerde zich om en stuurde een vernietigende blik in de richting van haar vader. De lichtbruine kist kwam in beweging. Floris moest even denken aan de opengesperde muil van een vuurspuwende draak. Dat had ongetwijfeld een mooi verhaal voor een poppenkast kunnen zijn. Zodra nonkel Billy met kist en al was opgeslokt, schoof het gordijntje weer netjes dicht. De begrafenisondernemer had niet eens op een andere knop moeten duwen. De triestige muziek doofde ook langzaam uit. De hele vertoning leek voorbij te zijn.

b Rangschik de zelfstandige naamwoorden in onderstaande tabel. Tip: raadpleeg een woordenboek bij twijfel.

122

Mannelijke zelfstandige naamwoorden die geen eigennaam zijn

Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden die geen eigennaam zijn

Onzijdige zelfstandige naamwoorden die geen eigennaam zijn

blik

tante

verhaal

vader

richting

gordijntje

muil

kist

kist

beweging

draak

poppenkast

nonkel

muziek

begrafenisondernemer

vertoning

Thema 9 - les 11

knop


2

Vul het juiste lidwoord in. Tip: raadpleeg een woordenboek bij twijfel.

Daar zat hij in

gras, bij

het

de

boomgaard. Hij staarde in de verte. Over

beek aan de

de

rand van zijn kleine

velden heen naar

het

bos,

het

dorpje en

kerk, die meer dan een kilometer verder lagen.

Een

mooier landschap bestond er voor hem niet. Dat had hij Floris al dikwijls verteld.

de

In zijn mond stak deze keer

brandende pijp. Die rookte hij alleen maar als er hem

een

iets dwars zat. Floris kon al bijna raden wat het was.

3

Vervang in de tweede zin het onderstreepte zelfstandige naamwoord door een verwijswoord. Kies uit: hij – zij – het 1 Rani propt haar kleren in de koffer. 2 De man gaat naar de winkel. 3 Het paard staat in de wei. 4 De emmer is te vol.

Hij

eet gras.

loopt over.

5 Sven gaat met de fiets naar school. 6 Saar eet een appel. 7 Dit woord ken ik niet.

Hij Het

koopt spaghetti.

Hij Het

Hij

is nu overvol.

Hij / zij

is nieuw.

is lekker. is mij niet bekend.

Thema 9 - les 11

123


4

Schrijf het fragment over. Zet alle zelfstandige naamwoorden om naar een verkleinwoord.

5

Vlak voor de groep was een kuil gegraven. Waar opa had willen liggen, had hij zijn laatste rustplaats gekregen. Floris sloot zijn toespraak af. De jongen vouwde de brief samen, stak hem weg en nam de schop vast. Naast opa stond er deze keer geen vogelverschrikker. De begrafenisondernemer zag er heel gewoon uit.

Vlak voor het groepje was een kuiltje gegraven. Waar opaatje had willen liggen, had hij zijn laatste rustplaatsje gekregen. Floris sloot zijn toespraakje af. Het jongetje vouwde het briefje samen, stak het weg en nam het schopje vast. Naast opaatje stond er deze keer geen vogelverschrikkertje. Het begrafenisondernemertje zag er heel gewoon uit.

5

Maak de tekst rijker door bijvoeglijke naamwoorden toe te voegen.

Floris keek eerst naar de

boom in de

bv. mooiste

W

boomgaard van opa. Hij was tevreden met het resultaat. Dan richtte hij zijn blik naar de

bv. blauwe

Hij zag de

wolken traag voorbijdrijven.

Als

bv. bolronde bv. witte

de boomgaard stuk land met fruitbomen

hemel.

olifanten, dacht hij. Maar de

bv. grootste

was nog altijd deze aarde waarop hij stond en waarin opa daarnet ... Floris bedacht hoe groot het verschil was met de van nonkel Billy. Toen dacht hij weer aan de bv. saaie

lach.

124

Thema 9 - les 11

bv. droevige bv. verbrande

familiefeest en hij schoot in een

begrafenis taart op het

bv. luide

olifant


6

a Kleur in de tekst: de zeven trappen van vergelijking. b Vul het schema aan.

5

Tante Elodie had wel onder tafel kunnen kruipen van schaamte. Het was dan toch hiertoe kunnen komen. Zo kon het echt niet langer! Ze had nochtans het beste plan bedacht om haar vader van die mooie begrafenis weg te houden. Maar het was haar weer niet gelukt. Want waar die muziekkunstenaar en instrumentenbouwer ook maar in haar buurt kwam, je maakte er het gekste mee mee. Het werd precies enkel erger. Al heel zijn leven was haar vader die leukste hippie gebleven. Na al die jaren was hij nog geen haar veranderd. Elke keer als hij de kans zag om tegen de heiligste huisjes te trappen, greep hij die. Hij stak de draak met de belangrijkere zaken in de maatschappij.

3

2

1

lang

langer

langste

goed

beter

beste

mooi

mooier

mooiste

gek

gekker

gekste

erg

erger

ergste

leuk

leuker

leukste

heilig

heiliger

heiligste

belangrijk

belangrijker

belangrijkste

Thema 9 - les 11

125


7

a Markeer: de persoonsvorm. b Kruis de juiste persoon en het juiste getal aan. Zinnen

Persoon 1e

x

Achter de kast ligt een boek.

x

Tijdens de kookles bakte ik graag taart. Deze activiteiten deden wij graag.

enkelvoud

x

x x x

x

x

x

Schrijf zinnen in de juiste persoon (enkelvoud of meervoud) in de tegenwoordige tijd. 1 zingen – 3e persoon meervoud Bv. De leden van het koor zingen een prachtig lied. 2 nadenken – 1e persoon enkelvoud Bv. Ik denk vaak na over de zin van het leven. 3 beantwoorden – 2e persoon meervoud Bv. Jullie beantwoorden de derde vraag. 4 studeren – 1e persoon meervoud Bv. Wij studeren hard voor onze toets Nederlands. 5 verliezen – 3e persoon enkelvoud Bv. Juf Erika verliest steeds haar sleutels. 6 graven – 2e persoon enkelvoud Bv. Jij graaft een put in de tuin.

Thema 9 - les 11

meervoud x

x

Kom jij morgen naar mijn feestje?

126

3e

De jongeren spelen een spel. Die soep hebben jullie gisteren gegeten.

8

2e

Getal

x


9

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon eigennamen en zelfstandige naamwoorden aanduiden.

Ik kon aangeven of zelfstandige naamwoorden mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Ik kon het juiste lidwoord plaatsen bij een zelfstandig naamwoord.

Ik kon verkleinwoorden vormen.

Ik kon een tekst rijker maken door bijvoeglijke naamwoorden toe te voegen.

Ik kon de trappen van vergelijking herkennen en vormen.

Ik kon bepalen of een werkwoord in de 1e, 2e, 3e persoon (enkelvoud of meervoud) staat. Ik kon zelf hulp vinden door de taalweters op te zoeken, de instructiefilmpjes te bekijken of de wandplaten te gebruiken.

Thema 9 - les 11

127


les 12

Groeten uit Japan! Ik kan een haiku schrijven.

1

Een haiku is een dichtvorm uit Japan. Lees de haiku en vul de kenmerken in.

De stilte op straat Plots die gierende banden De nacht valt nu snel

a Uit hoeveel regels bestaat een haiku?

3 regels

b Tel het aantal lettergrepen per regel.   Regel 1:

5

Regel 2:

7

Regel 3:

5

c Welke regels rijmen met elkaar?

geen enkele

d Wat is het onderwerp? bv. een auto-ongeval in de late namiddag

2

a Lees de haiku’s, vertaald uit het Japans. b Kruis de haiku die jij het leukste vindt aan.

128

Een bliksemschicht flitst en een purperreiger schreeuwt in de duisternis.

Dikke huisjesslak, ook jij, beklim de Fuji – maar langzaam, langzaam.

In het morgenrood op de tip van het graanblad de rijp van ‘t voorjaar.

Basho (1644 – 1694)

Thema 9 - les 12

Issa (1763 – 1828)

Onitsura (1660 – 1738)


3

Schrijf zelf een haiku. a Noteer in het woordenweb waarover je wilt schrijven. b Kleur: het onderwerp van je keuze.

c Noteer voor elke regel één sleutelwoord. regel 1: regel 2: regel 3: d Schrijf je haiku. Tip: respecteer het aantal lettergrepen per regel. Laat geen lidwoorden weg. Raadpleeg een woordenboek bij twijfel.

Thema 9 - les 12

129


4

a Controleer je haiku. Kruis aan als aan de voorwaarde voldaan is. b Laat een klasgenoot je haiku evalueren.

Ik schreef een goede haiku.

Regel 1 telt 5 lettergrepen. Regel 2 telt 7 lettergrepen. Regel 3 telt 5 lettergrepen. De haiku vertelt een klein verhaal.

Mijn klasgenoot schreef een goede haiku. Regel 1 telt 5 lettergrepen. Regel 2 telt 7 lettergrepen. Regel 3 telt 5 lettergrepen. De haiku gaat over: Mijn tip voor de schrijver:

W

5

Herschrijf je haiku indien nodig.

130

Thema 9 - les 12

voldoen goed genoeg zijn, beantwoorden aan iets


6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een haiku schrijven. Ik kon de feedback van anderen aanvaarden.

Thema 9 - les 12

131


les 15

Grandioze woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken.

1

Lees de taalweters.

Wat is een synoniem? Om eenzelfde voorwerp, persoon of handeling te omschrijven, kun je soms meer dan één woord gebruiken. Bv.  Anna draagt een jurk. Mieke draagt een kleedje.   Anna en Mieke dragen allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noem je synoniemen. Gebruik af en toe een synoniem in een tekst. Zo wordt het verhaal echt boeiend!

Wat is een tegenstelling? Om te beschrijven hoe het ene het omgekeerde is van het andere, gebruik je het tegengestelde woord. Bv.  Anna rent naar buiten. Simon rent naar binnen.   Anna en Simon rennen de tegenovergestelde richting uit. Woorden die het tegenovergestelde betekenen, noem je tegenstellingen.

2

132

Bedenk bij elk woord een synoniem en een tegenstelling. 1 schimmig =

bv. vaag

bv. scherp

2 vernuftig =

bv. slim

bv. dom

3 definitief =

bv. uiteindelijk

bv. voorlopig

4 accepteren =

bv. aanvaarden

bv. afwijzen

5 opdagen =

bv. verschijnen

bv. verdwijnen

Thema 9 - les 15


3

a Welke uitdrukking hoort bij de afbeelding? Kies uit: ergens een stokje voor steken – iemand geen strobreed in de weg leggen – iemand in zijn greep hebben – in de voetsporen treden van – je als een vis in het water voelen – de verkeerde kant opgaan 1

4

iemand geen strobreed in de weg leggen

ergens een stokje voor steken

betekenis: niets doen om iemand tegen te

betekenis: ervoor zorgen dat iets niet

houden

gebeurt

2

5

je als een vis in het water voelen

iemand in zijn greep hebben

betekenis: je heel goed voelen

betekenis: ervoor zorgen dat iemand doet

wat jij wilt 3

6

in de voetsporen treden van

de verkeerde kant opgaan

betekenis: hetzelfde willen doen als

betekenis: mislopen

iemand anders

Thema 9 - les 15

133


b Schrijf de betekenissen op. Tip: gebruik de taalweter indien nodig.

Wat betekent letterlijk? En figuurlijk? Als je iets letterlijk schrijft, bedoel je precies wat er staat. Bv.  Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd doet erg veel pijn. Als je iets figuurlijk schrijft, bedoel je eigenlijk iets anders. Bv.  Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd ontploft! Geen paniek! Mijn hoofd ontploft niet echt. Ik overdrijf gewoon een beetje. Ik gebruik de taal figuurlijk.

4

Welk woord hoort bij de afbeelding? Kies uit: de proclamatie – de armoedzaaier – de boomgaard

5

de boomgaard

de proclamatie

de armoedzaaier

Welke zinnen voldoen aan de eisen? Kruis aan. De eisen: – De zin is niet langer dan vijftien woorden. – De zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken. – In de zin staat niet meer dan één komma. x Bart moet rondkomen met heel weinig, want hij is een armoedzaaier. x Dorrit steelt, ze is de verkeerde kant opgegaan en op het verkeerde pad geraakt.

Tijdens de proclamatie hoorde Myrthe dat ze geslaagd was, zodat ze door het dolle heen was. Bij de boerderij, achter een houten hek, is een boomgaard.

134

Thema 9 - les 15


6

Wie of wat vind jij grandioos? Bespreek met je buur.

7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de woorden uit dit thema begrijpen en gebruiken. Ik kon synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken. Ik kon de figuurlijke betekenis bij een spreekwoord en een afbeelding plaatsen.

Thema 9 - les 15

135


136


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
TALENT 6: taalschrift C - correctiesleutel by VAN IN - Issuu