Skip to main content

TALENT 2: taalschrift C - correctiesleutel

Page 1

C68 M17 Y3

C16 M30 Y7

2 Taalschrift C Correctiesleutel

C100 M76 Y

C68 M17 Y3

3

C70 M20 Y6

C16 M30 Y7


Coördinatie: Cindy Laureyssens Auteurs: Cindy Laureyssens Katrien Van den Daele Betty Vuijts Pascale Dene Pieter Schouten Met medewerking van: Ides Callebaut

Bij TALENT voor het 2e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Leesboek Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel - Wist je dat? Projectbundel - Van dino’s tot dodo’s Projectbundel - Dat is mooi, niet? Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C en spellingschrift Voor de klas: Talentbib 2 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal): Bingel Max Bingel Plus Bingel Start

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2018 ISBN 978-90-306-8225-7 978-90-306-8210-3 D/2018/0078/93 D/2018/0078/102 Art. 569639/01 569421/01 NUR 191

Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Tineke Meirink Tekeningen taalweters: Eric Bouwens Tekeningen Talentbib: Johan Devrome en Annemie Berebrouckx


THEMA

7

Allemaal beestjes


les 4

Niemand ziet me graag ... Ik kan vertellen wat het probleem van het hoofdpersonage is. Ik kan vertellen wat de andere personages (niet) doen om dat probleem op te lossen.

1

Lees deel 1 van het verhaal.

5

Sprinkhaan heeft hem gehoord. Het is wel waar. Kever is wel wat dik. En donker. Sprinkhaan heeft zelf veel meer kleur. En hij is slank. O, wat is hij slank slank! Dat moet ook wel. Anders kon hij nooit zo ver springen. Zou er echt niemand Kever graag zien? Niemand is wel heel weinig, vindt Sprinkhaan. Zou iemand op Kever verliefd kunnen worden?

W

slank smal knabbelen er kleine stukjes afbijten de schildjes

Anders kon hij nooit zo ver springen. Hoe komt het dat Sprinkhaan zo ver kan springen? X 10

Plots heeft Sprinkhaan een idee. Hij zal ervoor zorgen dat er toch iemand verliefd wordt op Kever! Het is zomer en Sprinkhaan heeft niets anders te doen. Het is een goed plan, vindt hij. Maar hoe begin je eraan? Wat bedoelt Sprinkhaan met eraan?

15

20

25

Er moet meer kleur in Kever, bedenkt Sprinkhaan. Hij ziet een bloem staan en springt ernaartoe. Sprinkhaan knabbelt hem in twee. Meteen drupt er wat geel sap uit. Met de stengel stippelt Sprinkhaan gele stippen op de schildjes van Kever. Mooie, ronde stippen. Knalgeel. O, wat ziet dat er goed uit, vindt Sprinkhaan. Heel hip zelfs! “Kruip wat verder het pad op”, zegt Sprinkhaan. “In de zon. Dan droog je snel en kunnen ze je goed zien.”

Thema 7 - les 4

5


2

Los de vragen op. a Kleur in de tekst twee dingen die vertellen: hoe Sprinkhaan eruitziet. hoe Kever eruitziet. b In welk seizoen speelt het verhaal zich af? zomer

c Waar of niet waar? Sprinkhaan vindt Kever wel wat dik en donker. waar

d Waarmee maakt Sprinkhaan stippen op het schild van Kever? Teken.

e Waarom moet Kever wat verder op het pad kruipen? Sprinkhaan wil ervandoor gaan. X Daar is zon en kan hij snel drogen. Het is te donker in het bos. f Kleur in de tekst de zin die vertelt: welk idee Sprinkhaan heeft om Kever te helpen. g Hoe zou jij Kever aan een liefje helpen? Vertel het aan je partner.

6

Thema 7 - les 4


3

Kies het fragment dat je zeker wilt lezen. Kleur de titel van jullie keuze. Kever en de vlinder met de gescheurde vleugel

Kever en de struikelende spin

W

het fragment

Kever en de bij met het stuifmeel

Kever en de dikke rups

stukje tekst

het stuifmeel

struikelen

ergens over vallen

Thema 7 - les 4

7


Kever en de vlinder met de gescheurde vleugel 4

Lees dit fragment.

5

Terwijl Kever op het pad zit, fladdert Vlinder voorbij. Ze komt al van ver. Er zit een scheur in haar vleugels. Vlinder ziet Kever meteen zitten. Met die gele stippen. “Pierlala!” schrikt Vlinder. “Wat is me dat?!” Vlinders roepen altijd “Pierlala” als ze schrikken. Maar je hoort het niet. Waarom staat er Pierlala? Zeg ‘pierlala’ zoals Vlinder het zou zeggen. En zo snel als ze kan, keert Vlinder om en vliegt terug. Ze struikelt in de lucht bijna over een windje.

10

15

20

Kever heeft het gemerkt. “Zie je wel ...”, zucht kever. “Vlinder moet me niet ... Ze vindt me niet aardig. Of mooi ...” “Welnee”, zegt Sprinkhaan. “Vlinder bedacht dat ze iets vergeten was. Daarom keerde ze om.” “Zie jij mij graag?” vraagt Kever. “Eh ...”, zegt Sprinkhaan. “Zie je wel!” roept Kever. “Jij ziet mij ook niet graag ...” “Kom kom,” sust Sprinkhaan, “ik zorg er wel voor dat iemand je graag ziet. Nog voor de zon onder is.” Maar hij begint toch wat te twijfelen. Kever is toch echt wel donker. Sprinkhaan ziet in de berm een dopje van een eikel liggen. “Hier!” zegt hij. “Zet dit maar op! Een leuk hoedje! Ook dieren houden van leuke dingen!”

langs en die wil bewijzen dat er zeker wel iemand is die Kever graag ziet. Hij brengt kleur in Kever, maakt een hoed voor hem, doet hem een toren bouwen ... Maar niets lijkt te helpen. Een gevoelig verhaal over graag gezien willen worden. En vooral over blijven wie je bent!

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Niemand ziet me graag … | Geert De Kockere

Kever vindt zichzelf dom, dik en zwart. Niemand ziet hem graag, denkt hij. Maar dan komt Sprinkhaan

8

Karla Stoefs | Mark Borgions

me graag … Geert De Kockere | Johan Devrome

Meer lezen? Niemand ziet me graag ..., Geert De Kockere, Talentbib 2

2

Kever ziet er nu wel wat gek uit, vindt Sprinkhaan. Maar toch een stuk minder donker. En ook het dikke zit nu verstopt. Onder dat leuke hoedje.

Thema 7 - les 4

de berm aan de zijkant van de weg

Oelewapper van de week Niemand ziet

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

25

W

30/05/17 11:59


5

Los de vragen op. a Wat is er met de vleugels van Vlinder aan de hand? Ze zijn gescheurd.

b Vlinders doen soms vreemd. Wat roepen ze wanneer ze schrikken? Pierlala

c Vlinder keert om en vliegt terug (r. 7). Kleur in de tekst: waarom Vlinder terugvliegt volgens Kever. waarom Vlinder terugvliegt volgens Sprinkhaan. d Sprinkhaan vindt in de berm iets dat op een hoedje lijkt. Wat is het? het dopje van een eikel

e Is het plan van Sprinkhaan gelukt? Vul de juiste zin aan. Ja, want ... Kever lijkt een beetje minder dik en minder donker. Nee, want ... er is nog altijd niemand verliefd op Kever. / Vlinder schrikt en vindt Kever niet leuk. f Oefen met je partner. Na het lezen kan ik vertellen: wat Vlinder deed toen ze Kever zag. hoe Kever zich voelde. wat Sprinkhaan doet om het probleem op te lossen.

Thema 7 - les 4

9


Kever en de bij met het stuifmeel 6

Lees dit fragment.

5

Er klinkt gezoem in de verte. “Daar is Bij!” zegt Sprinkhaan. “Kop op!” Zijn mandjes zitten al vol stuifmeel. Hij is zwaar. Als hij Kever ziet zitten op het pad, trekt hij grote ogen. “Ieeeeee!” roept hij. “Wat is me dat?!” Wie is hij? Waarom roept hij Wat is me dat? En hij blijft kijken naar Kever. Met grote ogen. Hij botst bijna tegen een boom en verliest wat stuifmeel.

10

“Zei ik het je niet?” zucht Kever. “Het leek wel of Bij een spook zag. Ik ben dom, dik en donker. Niemand ziet mij graag. Weg die hoed!” En Kever zwiert hem van zijn kop af. W

Over welke hoed heeft Kever het?

15

“Ach”, zegt Sprinkhaan, “Bij Bij ziet het niet goed. Hij is al dronken dronken. Van al die nectar uit de bloemen.” Met zijn pootjes vlecht Sprinkhaan een strik. Van een groene grasspriet.

hem graag, denkt hij. Maar dan komt Sprinkhaan langs en die wil bewijzen dat er zeker wel iemand is die Kever graag ziet. Hij brengt kleur in Kever, maakt een hoed voor hem, doet hem een toren bouwen ... Maar niets lijkt te helpen. Een gevoelig verhaal over graag gezien willen worden. En vooral over blijven wie je bent!

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Niemand ziet me graag … | Geert De Kockere

Kever vindt zichzelf dom, dik en zwart. Niemand ziet

Oelewapper van de week Niemand ziet Karla Stoefs | Mark Borgions

me graag … Geert De Kockere | Johan Devrome

10

“Hier!” zegt Sprinkhaan. “Dat past mooi bij je gele stippen. En je ziet er meteen ook veel slimmer uit.” “Heus?” vraagt Kever. “Heus!” zegt Sprinkhaan. “Slim en deftig!”

Thema 7 - les 4

Meer lezen? Niemand ziet me graag ..., Geert De Kockere, Talentbib 2

2

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

20

dronken raar doen omdat je te veel alcohol hebt gedronken

30/05/17 11:59


7

Los de vragen op. a Hoe weet Sprinkhaan dat Bij eraan komt? Hij hoort het gezoem.

b Hoe vervoert Bij het stuifmeel? in zijn mandjes

c Waar zit Kever? In het bos In de berm X Op het pad d Bij vliegt bijna tegen een boom omdat hij schrikt (r. 7). Kleur in de tekst: waarom Bij schrikt volgens Kever. waarom Bij schrikt volgens Sprinkhaan. e Wat zwiert Kever van zijn kop af? zijn hoedje / het dopje van een eikel

f Bij is al dronken. Hoe komt dat? X

Van de nectar uit de bloemen Omdat hij van een feest komt Van het stuifmeel uit de bloemen

g Heeft Sprinkhaan het probleem opgelost? Vul de juiste zin aan. Ja, want ...

Kever ziet er veel slimmer en deftiger uit.

Nee, want ... er is nog altijd niemand verliefd op Kever. / Bij schrikt en vindt Kever niet leuk. h Oefen met je partner. Na het lezen kan ik vertellen: wat Bij deed toen hij Kever zag. hoe Kever zich voelde. wat Sprinkhaan doet om het probleem op te lossen.

Thema 7 - les 4

11


Kever en de struikelende spin 8

Lees dit fragment.

5

Kever zit met zijn groene strik in het zand te wachten. In alle stilte kruipt Spin plots uit de kant de weg op. Eerst ziet Spin niets. Spinnen hebben wel veel ogen, ze kijken soms niet. Maar als ze naast Kever komt, kijkt ze plots op. “Heb je van je leven!” roept ze. “Wat is me dat?! Een kever met een strik!” Spin struikelt over één van haar acht poten. Waarom struikelt spin? Struikel jij soms?

10

Ze ploft op haar buik voor Kever. “Zie je mij graag?” vraagt hij. “Heb je van je leven!” roept Spin. Ze krikt zichzelf weer op en rent ervandoor. Ze krikt zichzelf weer op. Wat betekent dat?

15

“Stomme Spin!” roept Sprinkhaan haar na. “Kever is mooi! En slim! En niet dik of donker! Zie je dat dan niet?” Kever zegt niets. Hij kijkt droevig naar Sprinkhaan. “Kom,” zegt Sprinkhaan, “we doen verder. Op een andere plek. Hier woont slecht volk.” hem graag, denkt hij. Maar dan komt Sprinkhaan langs en die wil bewijzen dat er zeker wel iemand is die Kever graag ziet. Hij brengt kleur in Kever, maakt een hoed voor hem, doet hem een toren bouwen ...

Hier woont slecht volk. Wat bedoelt Sprinkhaan daarmee?

Maar niets lijkt te helpen. Een gevoelig verhaal over graag gezien willen worden. En vooral over blijven wie je bent!

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

12

Thema 7 - les 4

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Niemand ziet me graag … | Geert De Kockere

Kever vindt zichzelf dom, dik en zwart. Niemand ziet

Oelewapper van de week Niemand ziet Karla Stoefs | Mark Borgions

me graag … Geert De Kockere | Johan Devrome

Meer lezen? Niemand ziet me graag ..., Geert De Kockere, Talentbib 2

2

30/05/17 11:59


9

Los de vragen op. a Van wie of wat schrikt Spin? X

Ze schrikt van Sprinkhaan. Ze schrikt van Kever met een strik. Ze schrikt van de stippen die Kever heeft.

b Wat vraagt Kever aan Spin? Zie je mij graag?

c Waarom wil hij dat weten? Vertel het aan je partner. d Kleur in de tekst de zinnen die vertellen dat: Spin valt. Spin Kever niet graag ziet. Sprinkhaan Kever wel leuk vindt. e Wat roept Sprinkhaan naar Spin? Stomme spin! / Kever is mooi! En slim!

f Wat is Sprinkhaan met Kever van plan? X

Ze gaan naar een andere plek. Sprinkhaan gaat er alleen vandoor. Sprinkhaan geeft het op.

g Is het plan van Sprinkhaan gelukt? Vul de juiste zin aan. Ja, want ... Nee, want ... er is nog altijd niemand verliefd op Kever. / Kever voelt zich nog verdrietiger. h Oefen met je partner. Na het lezen kan ik vertellen: wat Spin deed toen ze Kever zag. hoe Kever zich voelde. wat Sprinkhaan doet om het probleem op te lossen.

Thema 7 - les 4

13


Kever en de dikke rups 10 Lees dit fragment.

“En nu laten we zien hoe slim je bent”, zegt Sprinkhaan. “Slimmer dan de mieren. Zij bouwen alleen maar een stomme hoop. Welke hoop bedoelt Sprinkhaan?

5

10

15

Jij gaat een toren bouwen!” Kever is er een hele poos mee bezig. Takje na takje bouwt hij een toren. En bovenaan legt hij een groot blad van een eik. Kever gaat erop zitten. Hij is nu wel wat moe. “Mooi zo!” zegt Sprinkhaan. En hij springt zelf in één keer tot bij Kever op de toren. “Wat is dat hier?” horen ze plots onder aan de toren. Het is Rups, Dikke Rups. “Niet doen!” roept Sprinkhaan nog. Maar het is al te laat. Dikke Rups kruipt al langs de toren omhoog. Hij begint te wiebelen. Te wiebelen en te wankelen. Te wankelen en te kantelen ... Hoe komt het dat de toren begint te wiebelen?

20

25

Kever valt van de toren af. Op zijn pas gepoetste schildjes. Met zijn pootjes klauwt hij in de lucht. Kever raakt niet meer recht. Sprinkhaan moet hem helpen. En wat is hij toch zwaar. Twee vliegen die op een stinkzwam zitten, hebben het gezien. Ze giechelen om het meeste. En zo dik!” “Hoe dom toch!” lachen ze. “En hem graag, denkt hij. Maar dan komt Sprinkhaan langs en die wil bewijzen dat er zeker wel iemand is die Kever graag ziet. Hij brengt kleur in Kever, maakt een hoed voor hem, doet hem een toren bouwen ... Maar niets lijkt te helpen. Een gevoelig verhaal over graag gezien willen worden. En vooral over blijven wie je bent!

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

14

Thema 7 - les 4

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Niemand ziet me graag … | Geert De Kockere

Kever vindt zichzelf dom, dik en zwart. Niemand ziet

Oelewapper van de week Niemand ziet Karla Stoefs | Mark Borgions

me graag … Geert De Kockere | Johan Devrome

Meer lezen? Niemand ziet me graag ..., Geert De Kockere, Talentbib 2

2

30/05/17 11:59


11 Los de vragen op.

a Kleur in de tekst: het talent van Kever dat Sprinkhaan wil tonen. hoelang Kever aan zijn toren werkt. twee zinnen die vertellen dat Kever niet slank is. drie nieuwe dieren in dit fragment.

W

het talent iets dat je heel goed kunt slank smal

b Hoe ziet de toren van Kever eruit? X

toren van takjes – blad van een eik – Kever toren van takjes – blad van een beuk – Kever toren van blaadjes en takjes – blad van een berk – Kever

c Met zijn pootjes klauwt hij in de lucht (r. 20). Duid het juiste antwoord aan. Kever maakt dansbewegingen met zijn pootjes. Kever zwaait met zijn pootjes. X Kever probeert iets vast te grijpen met zijn pootjes. d Kever valt van de toren af. Welke prent is juist?

X

e Is het plan van sprinkhaan gelukt? Vul de juiste zin aan. Ja, want ... Nee, want ... de toren viel om. / er is niemand verliefd op Kever. / Kever heeft nu ook pijn. f Oefen met je partner. Na het lezen kan ik vertellen: wat er met de toren van Kever gebeurde. wat er met Kever gebeurde. wat de vliegen deden toen ze Kever zagen. wat Sprinkhaan doet om het probleem op te lossen.

Thema 7 - les 4

15


12 a Bespreek met je groep de vier fragmenten van het verhaal.

b Schrijf bij elke tekening een passende zin. Pierlala!

Ieeeeee, wat is me dat?

Heb je van je leven?

Wat is dat hier?

16

Thema 7 - les 4


c Hoe gaat het verhaal verder? Teken!

d Schrijf een zin bij je tekening.

13 Hoe verliep de les voor jou?

Ik geef dit verhaal: Ik kon vertellen wat het probleem van het hoofdpersonage is. Ik kon vertellen wat de andere personages (niet) doen om het probleem van het hoofdpersonage op te lossen. Ik kon een gekozen deel in mijn eigen woorden navertellen. Ik kon met mijn groep een vervolg voor het verhaal bedenken. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 7 - les 4

17


les 5

Allerlei kriebelbeestjes Ik kan informatie uit een tekst halen. Ik kan die informatie aan anderen vertellen.

1

Lees de tekst.

De regenworm

5

10

De regenworm glibbert op je hand. Hij kriebelt en kronkelt, maar doet niemand kwaad. Hij prikt niet, bijt niet en stinkt niet. Hij zit het liefst in de grond. Daar kruipt, graaft en eet hij. Hij neemt een hap en nog een en weer een. Al die hapjes slikt hij door. Zo graaft hij gangetjes. Als het heel warm is, maakt hij diepe gangen. Ook als het vriest. Dan zit hij wel een meter diep, of nog dieper. Daar is het veilig. Die gangen zijn net een doolhof, maar de worm weet de weg. Als het heel warm is, maakt hij diepe gangen. Ook als het vriest, doet de worm dat. Waarom zou de worm dan juist zo diep graven?

15

20

Wormen willen geen zon en geen licht. Ze gaan er dood van. Daarom zie je ze overdag niet vaak. De worm heeft geen ogen. Toch ziet hij licht en donker. Hij voelt dat met zijn vel. Als het donker is, of als het regent, kruipt hij de grond uit. Dan zoekt hij iets lekkers. Een worm kan goed ruiken en proeven. Een zure bes lust hij niet. Maar een stukje pruim wel. Wormen kunnen oud worden. Wel een jaar of tien. Maar de meesten halen dat niet. Beneden in de grond sluipt de mol. Boven wacht de merel. Ze ziet de worm en pikt. De meesten halen dat niet. Wat halen ze niet? Wormen houden van regen, maar niet van te veel. Dan lopen de gangen vol. Snel kruipt de regenworm omhoog.

18

Thema 7 - les 5

W

glibberen heel erg glad zijn, moeilijk vast te nemen de merel vogel


25

30

Er was eens een meneer, die deed een proefje. Hij nam een bloempot met aarde en wormen erin. Die zette hij op zijn piano. Hij speelde een stukje. Je gelooft het of niet, alle wormen kwamen omhoog. Net of ze wilden dansen. Opeens begreep de man het. Door de piano trilde de grond. Dat betekent: pas op ... een mol. Want mollen eten wormen. Daarom kropen die wormen zo snel omhoog. Welk proefje deed die man? Waarom kropen de wormen zo snel omhoog?

Naar: Kleine kriebelbeestjes, Ditte Merle

2

Los de vragen op. a Doorstreep het woord dat niet bij de regenworm past. stinken

glibberig kronkelen

kruipen gangen in de aarde

b Waar is de regenworm het liefst? X

In de grond Boven de grond In het water

c Kleur in de tekst: de zinnen die vertellen dat de regenworm geen gevaarlijk dier is. hoe de regenworm licht en donker kan zien. hoe de regenworm gangen graaft. d Waarom zie je wormen niet zo vaak overdag? Het zijn nachtdieren. Ze slapen overdag. X Ze houden niet van zon en licht. Ze zijn bang voor andere dieren. e Waarom houden regenwormen niet van veel regen? Dan lopen de gangen onder water.

Thema 7 - les 5

19


f Vul de weetjes aan. Tip: schrijf verzorgd en duidelijk. Je hebt deze weetjes nodig voor het spel op het einde van de les. W de vijand iemand die je mol en merel. Mijn vijanden zijn kwaad wil doen Ik eet graag

een stukje pruim.

Ik kan licht en donker voelen met Als je me vastneemt, dan voel je dat ik

mijn vel. glibberig

ben.

Ik weet het als er een mol aankomt, want dan

3

trilt de grond.

Lees de tekst.

De duizendpoot

5

10

15

De duizendpoot heeft veel pootjes. Maar ... geen duizend. Waarom heet hij dan zo? Konden ze niet tellen? Wie weet. De duizendpoot heeft dertig pootjes. Hij struikelt nooit en zijn pootjes raken niet in de war. Knap hè? Elk pootje kan hij bewegen en tilt hij netjes op. Pootje voor pootje. De twee laatste pootjes zijn langer. Die steken wat omhoog. Daarmee kan hij voelen. Het zijn net voelsprieten. Kijk eens onder een steen of onder dorre blaadjes. Daar zit de duizendpoot vaak. Prrrrrt ... meteen schiet hij weg. Hij houdt niet van zon en licht. Door warmte droogt hij uit. Hij wil een nattig, koel plekje. Zou hij in je kamer lopen, dan was hij zo dood. Een duizendpoot kan heel hard rennen. Daar is hij kampioen in, alle kleine beestjes haalt hij in. Vaak kun je de duizendpoot onder een steen vinden. Waarom zit hij daar graag?

20

Thema 7 - les 5

W

de voelspriet spriet waar een dier mee kan voelen koel koud, fris


20

Bruine nijperd ... zo heet hij ook wel. Die naam klopt. Want de duizendpoot is bruin en bij zijn kop zit een nijptang nijptang. Daar grijpt hij beestjes mee. Hij klemt ze vast en knijpt. Er komt dan wat gif uit de tang. Jij voelt dat gif niet, maar een worm wel. Ze wordt slap als pudding. De duizendpoot bijt haar in stukjes en knabbelt haar op.

W

Waarom heet de duizendpoot bruine nijperd?

25

de nijptang

wijd breed

Een duizendpoot houdt niet van familie. Hij zit vaak in z’n eentje onder een steen. Komt zijn opa bij hem zitten, dan eet hij opa op. De rest van de familie lust hij ook wel. Ik zou niet graag familie zijn van de duizendpoot. Waarom niet?

30

35

Een jonge duizendpoot lijkt veel op zijn pa en ma. Maar hij heeft nog niet al zijn pootjes. Hij begint met veertien. Het beestje eet en groeit. Past hij niet meer in zijn jas, dan trekt hij hem uit. Er zit een nieuw jasje onder. Dat jasje is zacht en wijd. Zo kan hij weer groeien. Steeds wordt hij wat langer en krijgt hij er pootjes bij. Tot het er dertig zijn. Dan is het genoeg. De duizendpoot heeft bij zijn geboorte veel minder pootjes. Hoe krijgt hij er meer?

Naar: Kleine kriebelbeestjes, Ditte Merle

4

Los de vragen op. a Kleur in de tekst: waar je een duizendpoot kunt vinden. waarom de duizendpoot ‘bruine nijperd’ wordt genoemd. waarom de duizendpoot graag op een koele plek zit. wat de duizendpoot doet met zijn familieleden. de zin die vertelt dat de duizendpoot niet gevaarlijk is voor mensen. Thema 7 - les 5

21


b Hoeveel pootjes heeft de duizendpoot? dertig

c Waarom zijn de twee laatste pootjes van de duizendpoot wat langer? Daarmee kan hij zich afdrukken. X Daarmee kan hij voelen, het zijn net voelsprieten. Daarmee kan hij klimmen. d Kleur waar de duizendpoot niet van houdt. zon

nattigheid koude

warmte licht

donker

e Verbind de prenten met de juiste zin.

Ik heb dertig pootjes: ik groei niet meer!

Ik kom uit een eitje.

Als ik groei, kruip ik uit mijn vel.

Hiermee vang ik een diertje. Ik spuit gif.

Als jonge duizendpoot heb ik maar veertien pootjes.

22

Thema 7 - les 5


f Vul de weetjes aan. Tip: schrijf verzorgd en duidelijk. Je hebt deze weetjes nodig voor het spel op het einde van de les. Ik heb

dertig

W

de vijand iemand die je kwaad wil doen

pootjes.

Je vindt me onder een steen of onder dorre blaadjes. Ze noemen me de bruine nijperd omdat ik een nijptang bij mijn kop heb.

Ik ben de vijand van mijn eigen familie, want ik eet ze op. Ik ben kampioen in

5

hard rennen.

Lees de tekst.

De langpootmug

5

De langpootmug is een mug met heel lange poten. Dat wist je zeker al. Maar weet je ook dat ze niet prikt? En dat ze geen bloed drinkt? De langpoot is een aardig beest. Waarom is de langpootmug aardig?

10

Langpoten komen op licht af. ’s Avonds fladderen ze tegen het raam. Heen en weer, op en neer. Net of ze de ramen poetsen. Daarom heten ze ook wel glazenwassers. Ze maken geen ramen schoon, maar zoeken een gaatje om binnen te komen.

W

aardig lief fladderen heen en weer bewegen met je vleugels

Waarom noemen ze langpootmuggen ook wel glazenwassers?

Thema 7 - les 5

23


15

20

25

Een langpootmug heeft zes poten. Ze zijn lang, dun en breken snel af. Missen wij een been, dan nemen we een wandelstok of een rolstoel. De langpootmug niet. Als haar poot afbreekt, vliegt ze vrolijk door. Die poot groeit niet meer aan. Maar dat geeft niet, ook met minder poten kan ze leven. De langpootmug heeft twee vleugels om te vliegen. En ... twee rare knuppeltjes. Die zitten achter de vleugels en gaan ook op en neer. Het zijn geen knuppels om te vechten. Waar zijn ze dan voor? Vroeg iemand zich af. Kan de langpootmug ze missen? W de knuppel Wat blijkt? Zonder dat knuppeltje kan een langpootmug niet vliegen. Ze tolt alle kanten op. Door die knuppeltjes blijft ze in evenwicht. Waarvoor dienen die rare knuppeltjes achter de vleugels?

30

De langpootmug kan niet hard vliegen. Een zwaluw wel. Die haalt haar in en peuzelt haar op. Heeft de zwaluw maar één poot beet? Dan heeft de langpoot geluk. De poot breekt af en de langpootmug gaat ervandoor. De langpoot vliegt vaak in een spinnenweb. Ze rukt en trekt om los te komen. Tot er een poot afbreekt. De poot zit in het web. De mug niet. Ze is ontsnapt. Maar wel met één pootje minder. Welke vijanden heeft de langpootmug?

35

Langpootmuggen komen op verf af. Hoe dat zit, weten we niet. Misschien ruikt het lekker. Plak! De langpootmug zit vast in de verf. Ze kan niet loskomen. Moet de schilder opnieuw beginnen. Pech voor de schilder. Pech voor de langpootmug.

Naar: Kleine kriebelbeestjes, Ditte Merle

24

Thema 7 - les 5

het evenwicht

de zwaluw vogel


6

Los de vragen op. a Kleur in de tekst: waarom de langpootmug een aardig beest is. waarom de langpootmug ‘glazenwasser’ wordt genoemd. waarom verf gevaarlijk is voor de langpootmug. b Waarom fladderen langpootmuggen ’s avonds tegen het raam? Ze komen af op de warmte. X Ze komen af op het licht. Ze poetsen graag de ramen. c Kleur wat bij de langpootmug past. lang

dik acht poten

kort dun

twee vleugels zes poten

d Wat gebeurt er als een poot van de langpootmug afbreekt? Dan sterft de langpootmug. X Dan is er geen probleem. De langpootmug kan met minder poten leven. Dan kan de langpootmug niet meer vliegen. e Waarvoor dienen de twee ‘knuppeltjes’? X

Om in evenwicht te blijven bij het vliegen Om te vechten met de vijand Om er mooier uit te zien

f Vul de weetjes aan. Tip: schrijf verzorgd en duidelijk. Je hebt deze weetjes nodig voor het spel op het einde van de les. Ik ben een aardig beest, want ik prik niet en ik drink geen bloed. Mijn vijanden zijn de zwaluw en de spin. ’s Avonds kom ik af op licht. Ik heb zes poten. Die zijn lang, dun en breekbaar. Ik heb twee knuppeltjes. Daardoor kan ik vliegen en blijf ik evenwicht. W

de vijand iemand die je kwaad wil doen Thema 7 - les 5

25


7

Lees de tekst.

De pissebed Je zal maar pissebed heten! Dan denkt iedereen dat je een viespeuk bent. Dat je in bed wil kruipen om daar lekker te plassen. Fout! Een pissebed houdt niet van bedden, daar is het veel te droog! Waarom houdt een pissebed niet van bedden? 5

Een pissebed heeft een gekke familie. garnaal de krab en de kreeft. Dat zijn de garnaal, De pissebed is een kreeftje. Vroeger leefde hij in de zee, bij zijn familie. Maar de pissebed wilde wat anders. Toen ging hij op het land wonen. Hij zocht natte plekjes en doet dat nog steeds. De pissebed houdt van natte plekken. Dat heeft hij van zijn familie. Leg uit.

10

15

20

25

Weet je ergens een kelder? Daar zitten vaak pissebedden. Maar ook onder een steen of onder een stuk schors. Gezellig bij elkaar. Als het donker is, scharrelen ze rond. Dan is het tijd om te eten. De pissebed lust van alles. Blaadjes, fruit, afval, soms een dood vliegje. Pissebedden kun je lokken. Neem een aardappel. Snijd hem door en hol hem een beetje uit. Maak er een deurtje in en leg de aardappel buiten. Het duurt niet lang of er wonen pissebedden in het huisje. Neem eens een pissebed in je hand. Voel je zijn harde pantser en zijn zachte buik? En wat doet hij? Rolt hij zich op als een balletje? Trappelen zijn pootjes in de lucht? Soms doet hij of hij dood is. Hij gaat op zijn rug liggen en vouwt zijn pootjes samen. Als je vroeger ziek was, kreeg je pissebedden. Ze werden gemalen tot een poedertje. Kon je niet plassen, dan moest je van dat poeder slikken. Daar komt de naam pissebed vandaan! Waar komt de naam pissebed vandaan?

Naar: Kleine kriebelbeestjes, Ditte Merle

26

Thema 7 - les 5

W

de garnaal

de krab

de kreeft

het pantser hard schild


8

Los de vragen op. a Kleur in de tekst: waarom de pissebed niet van bedden houdt. welke drie dieren familie zijn van de pissebed. op welke plekjes je een pissebed kunt vinden. welke dingen een pissebed graag eet. b Pissebedden zitten graag samen, gezellig bij elkaar. Waar / niet waar. c Hoe kun je pissebedden lokken? Door veel lawaai te maken Door te doen alsof je dood bent Met een stukje taart of een koek X Met een aardappel die je hol maakt d Vul aan. De naam pissebed komt van een poedertje gemaakt van moest slikken als je niet kon

plassen

dat je

pissebedden

.

e Kruis alle juiste antwoorden aan. De pissebed is familie van de krab. De pissebed heeft een zachte buik. De pissebed kan vliegen. X De pissebed zoekt eten als het donker is. De pissebed woont onder je bed. X X

f Vul de weetjes aan. Tip: schrijf verzorgd en duidelijk. Je hebt deze weetjes nodig voor het spel op het einde van de les. Ik ben familie van de garnaal, de krab en de kreeft. Hier woon ik graag: in de kelder, onder een steen of onder een stuk schors.

Ik lust graag blaadjes, fruit, afval en soms een dood vliegje. Vroeger maakten ze poeder van mij. Dat moest je slikken als je niet kon plassen.

Ik fop mijn vijanden. Ik doe dan alsof ik dood ben.

W

de vijand iemand die je kwaad wil doen Thema 7 - les 5

27


9

Kies samen een opdracht. a Raad het beestje. Denk aan een kriebelbeestje. Je mag het niet vertellen. Je partner stelt ja-neevragen. Hij probeert te raden aan welk kriebelbeestje jij denkt.

c Los elke rebus op.

Van een mug een olifant maken

Vlinders in de buik hebben

Geen vlieg kwaad doen

28

Thema 7 - les 5

b Zoek de zeven verschillen.


d Zoek de woorden in het rooster. Kies uit: regenworm – krekel – luis – vlinder – pissebed – sprinkhaan Tip: zoek van links naar rechts en van boven naar onder. R

A

X

S

H

S

A

C

W

E

E

D

P

Y

B

N

P

V

G

G

O

R

J

K

S

I

A

E

L

U

I

S

N

P

S

Z

N

W

N

N

F

M

O

S

U

W

Q

J

K

R

E

K

E

L

O

D

L

H

P

O

R

B

M

R

P

U

A

Q

U

C

E

S

M

R

P

A

K

G

N

D

A

V

L

I

N

D

E

R

E

Y

10 Maak de memory met kriebelbeestjes af. Volg de stappen.

STAP 1: Neem het lege kaartje van de regenworm. Las jij de tekst van de regenworm? Dan lees jij de weetjes over de regenworm voor. Je schreef ze op bij oefening 2f. STAP 2: Kies met je groep één weetje uit. STAP 3: Schrijf het weetje op het kaartje. STAP 4: Doe hetzelfde voor de langpootmug, de duizendpoot en de pissebed.

Thema 7 - les 5

29


11 Hoe verliep de les voor jou?

Ik kon informatie opzoeken in een informatieve tekst. Ik kon oefeningen verbeteren met de correctiesleutel. Ik kon anderen informatie geven over een tekst die ik las. Ik kon de ontbrekende informatie opschrijven. Ik speelde een memoryspel volgens de spelregels. Ik speelde een taalspel met mijn partner.

30

Thema 7 - les 5


les 7

Kriebel + beestjes = kriebelbeestjes Ik kan met twee woorden een nieuw woord maken.

Wat is een samenstelling? Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. Zo’n woord noemen we een samenstelling. Bv. 1

voetbal, handdoek, politiekantoor ...

Maak samenstellingen. Schrijf ze op. Tip: kijk naar de foto’s.

blad

regenworm

oor mest

nacht

vuur

regen

spin worm rups luis

vuurvlieg langpootmug

honing

kever

bladluis oorworm

langpoot

vlinder

zijderups nachtvlinder

kruis

worm

mestkever kruisspin

zijde

bij

honingbij

vlieg mug

Thema 7 - les 7

31


2

Maak zoveel mogelijk samenstellingen met de woorden uit het web. Je mag elk woord meerdere keren gebruiken. Tip: een woord kan zowel vooraan als achteraan staan.

bak

sport

glas steen afval duik schoen

race zak

broek doek

ďŹ ets slot feest auto

pak

doos

band

32

Bv. glasbak

duiksport

fietsslot

baksteen

sportzak

sportfiets

afvalbak

sportschoen

zakdoek

sportbroek

racefiets

autoband

Thema 7 - les 7


3

Gebruik de prenten en maak drie goede samenstellingen. Teken ze.

bv. regenboog

4

zakgeld

koffietas

Vul aan met een samenstelling. 1 Ding-dong, dat is het geluid van de 2 Je eet soep met een 3 Mijn favoriete soep is 4 De lekkerste taart vind ik

soeplepel

.

bv. tomatensoep bv. aardbeientaart

5 Het leukste kriebelbeestje is een

.

deurbel

. .

bv. nachtvlinder

.

6 Ik neem een bv. zaklamp / slaapzak mee in de tent.

Thema 7 - les 7

33


5

Speel het bingospel met ĂŠĂŠn of twee partners. STAP 1:

Kies een woord uit het rooster.

STAP 2: Maak er een samenstelling mee (bv. SCHOOLtas of kleuterSCHOOL). STAP 3: Is het gelukt? Dan mag jij het vak (bv. school) kleuren. STAP 4: Nu is de volgende aan de beurt. De eerste die vier vakken op een rij heeft, wint!

BINGO

6

vlieg

schat

tuin

kamer

boeken

worm

kast

bloem

fruit

zak

mug

boom

hok

school

hand

vlinder

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon samenstellingen maken. Ik wist dat een woord voor- en achteraan in een samenstelling kan staan. Ik schreef de samenstellingen met een juiste letterverbinding. Ik kon de betekenis van samenstellingen uitleggen.

34

Thema 7 - les 7


les 10

Hoe doen ze dat toch, die kriebelbeestjes? Ik kan eenvoudige zinnen met informatie opschrijven of aanvullen.

1

Speel het spel. Volg het stappenplan. STAP 1: Kies elk een kriebelbeestje uit de foto’s onderaan. STAP 2: Schrijf de naam van je gekozen beestje op een kladpapier. STAP 3: Probeer het beestje van je partner te ontdekken. Stel om de beurt een ja-neevraag. Bv. Heeft jouw beestje stippen? Als er beestjes zijn die het zeker niet zijn, leg je er een blokje op. STAP 4: Nu mag je partner jou een vraag stellen. Vind jij als eerste het kriebelbeestje van je partner?

Thema 7 - les 10

35


2

Kies een kriebelbeestje. Kies uit: vlinder – spin – lieveheersbeestje – bij a Bekijk de fotoreeks over jullie beestje in de ontdekplaat. b Bekijk de tekeningen en vertel het verhaal opnieuw. Help elkaar om alles goed te begrijpen. c Verzin samen een goede zin bij elke prent. Tip: maak je zinnen niet te lang. d Schrijf de zinnen op of vul de zinnen aan. Schrijf juist en verzorgd. e Lees je werk na.

Het verhaal van de vlinder 3

Kijk naar de tekening. Schrijf een zin of vul de zin aan. Tip: gebruik de woorden die bij de prenten staan. 1

Gebruik in je zin: eitje – blad. bv. De vlinder legt eitjes onder een blad.

2

Na enkele dagen komt een rups uit het eitje.

3

Gebruik in je zin: kleine rups + bladeren. bv. De kleine rups eet heel veel bladeren.

4

36

Thema 7 - les 10

bv. De rups groeit snel. / De rups wordt groter.


5

De huid groeit niet mee en barst open. Dat is niet pijnlijk, hoor. Dat heet

6

vervellen

!

Gebruik in je zin: pop. bv. De rups verandert in een pop. / De rups wordt een vlinder in de pop.

7

De vlinder kruipt langzaam uit de pop. Hij kan nog niet vliegen omdat zijn vleugels nog nat zijn.

8

Gebruik in je zin: addert. bv. De vlinder fladdert weg.

9

Het verhaal van de vlinder begint opnieuw! De rups is nu een vlinder. De vlinder legt eitjes aan de onderkant van een blad.

4

Wissel van schrift met een partner. Lees elkaars werk na. Zo schrijf ik goede zinnen. Je schreef duidelijk en verzorgd, want ik kon alles goed lezen. Je maakte goede zinnen. Je gebruikte een hoofdletter aan het begin van elke zin. Je gebruikte een leesteken op het einde van elke zin.

Thema 7 - les 10

37


Het verhaal van het lieveheersbeestje 5

Kijk naar de tekening. Schrijf een zin of vul de zin aan. Tip: gebruik de woorden die bij de prenten staan. 1

Gebruik in je zin: eitjes – geel. bv. De eitjes van het lieveheersbeestje zijn meestal geel.

2

Na vier tot tien dagen komt een uit het

3

eitje

larve

.

Gebruik in je zin: larve – bladluizen. bv. De larve eet bladluizen.

4

Gebruik in je zin: larve. bv. De larve groeit. / De larve wordt groter.

5

De larve groeit snel. De huid groeit niet mee en barst open. Eronder zit al nieuwe huid klaar. Dat heet

38

Thema 7 - les 10

vervellen

.


6

De larve maakt zich vast aan een Hij barst uit zijn

7

.

huid

Deze keer komt er een

.

blad

uit.

pop

Gebruik in je zin: pop – lieveheersbeestje. bv. Het lieveheersbeestje komt uit de pop.

8

Een lieveheersbeestje is erg nuttig. Het eet vooral bladluizen

9

.

Een volwassen vrouwtje legt

eitjes

op een blad.

Het verhaal van het lieveheersbeestje begint opnieuw!

6

Wissel van schrift met een partner. Lees elkaars werk na. Zo schrijf ik goede zinnen. Je schreef duidelijk en verzorgd want ik kon alles goed lezen. Je maakte goede zinnen. Je gebruikte een hoofdletter aan het begin van elke zin. Je gebruikte een leesteken op het einde van elke zin.

Thema 7 - les 10

39


Het verhaal van de spin 7

Kijk naar de tekening. Schrijf een zin of vul de zin aan. Tip: gebruik de woorden die bij de prenten staan. 1

Gebruik in je zin: spin – acht. bv. Een spin heeft acht poten.

2

Gebruik in je zin: spin – eierzak – eitjes. bv. De spin maakt een eierzak rond de eitjes.

3

De

komen uit. In de eierzak zitten nu heel veel

eitjes

piepkleine

. Daar blijven ze maar een week

spinnen

zitten. De kleine spinnen eten wat overblijft van de eierschalen, maar ook elkaar. Zo blijven alleen de 4

sterkste

Na een week kruipen de spinnetjes uit de Ze blijven nu nu even in het

web

spinnen over. eierzak

van de mama wonen.

Ook daar eten ze vooral elkaar op. Zo blijven er van de duizenden spinnen straks maar een honderdtal over. 5

De spin groeit

. De huid groeit niet mee.

snel

Daarom barst de huid open. Eronder zit al nieuwe huid klaar. Dat heet

40

Thema 7 - les 10

vervellen

.

.


6

Gebruik in je zin: bouwen – spin – web. bv. De spin bouwt een web.

7

Gebruik in je zin: prooi – web. bv. De spin vangt een prooi in haar web.

8

Gebruik in je zin: vogels – vijanden. bv. Vogels zijn vijanden van de spin.

9

De spin is nu volwassen. Ze legt opnieuw eitjes in haar web.

Het verhaal van de spin begint opnieuw!

8

Wissel van schrift met een partner. Lees elkaars werk na. Zo schrijf ik goede zinnen. Je schreef duidelijk en verzorgd want ik kon alles goed lezen. Je maakte goede zinnen. Je gebruikte een hoofdletter aan het begin van elke zin. Je gebruikte een leesteken op het einde van elke zin.

Thema 7 - les 10

41


Het verhaal van de bij 9

Kijk naar de tekening. Schrijf een zin of vul de zin aan. Tip: gebruik de woorden die bij de prenten staan. 1

Gebruik in je zin: nest – veel werksters – één koningin. bv. In een nest heb je veel werksters en één koningin.

2

Gebruik in je zin: koningin – eitjes. bv. De koningin legt eitjes.

3

De werkster zorgt voor de larven

4

Na drie dagen komt een

5

De

de eitjes

.

larve

.

Na tien dagen kruipt er een 6

volwassen bij

Sommige larven krijgen speciale voeding. Zij eten

7

koninginnenbrij

en worden later koningin.

Gebruik in je zin: stuifmeel – werksters. bv. De werksters halen stuifmeel uit de bloemen.

42

Thema 7 - les 10

uit het eitje.

groeit en verandert in een

larve pop

en

uit de pop.


8

Van nectar met honing

9

speeksel

maakt de bij

.

Gebruik in je zin: imker – bijenkast – honing. bv. De imker haalt de honing uit de bijenkast.

10 Wissel van schrift met een partner.

Lees elkaars werk na. Zo schrijf ik goede zinnen. Je schreef duidelijk en verzorgd, want ik kon alles goed lezen. Je maakte goede zinnen. Je gebruikte een hoofdletter aan het begin van elke zin. Je gebruikte een leesteken op het einde van elke zin.

11 Hoe verliep de les voor jou?

Ik kon in mijn eigen woorden vertellen wat er op een prent te zien was. Ik kon goede zinnen schrijven bij een prent. Ik kon de informatie uit de fotoreeks in de zinnen gebruiken. Ik schreef juist en verzorgd. Ik kon een weetje vertellen over een presentatie van een andere groep. Ik werkte goed samen met mijn groep.

Thema 7 - les 10

43


les 12

Het Grote Kriebelbeestjesspel Ik kan vragen over dit thema schriftelijk beantwoorden. Ik kan antwoorden juist en verzorgd opschrijven.

44

Thema 7 - les 12


Thema 7 - les 12

45


1

Bekijk het spelbord en de spelregels. STAP 1:

W

Leg de kaartjes per kleur op een stapeltje. Leg ze met de tekst naar onder.

het spelbord bord waarop je een spel speelt

STAP 2: Zet je pion in het midden van het spelbord. STAP 3: Gooi om beurt met de dobbelsteen. Wie het hoogst gooit, begint. STAP 4: Gooi met de dobbelsteen en ga het aangegeven aantal vakjes vooruit. STAP 5:

> Je komt op een diertje terecht: de speler rechts van je neemt een kaartje van die kleur en leest de vraag voor. Jij beantwoordt de vraag. > Je komt op een dobbelsteen terecht: je mag nog eens gooien. > Je komt in het midden terecht: je mag de kleur van je vraag kiezen. De speler rechts van je neemt een kaartje van die kleur en leest de vraag voor. Jij beantwoordt de vraag.

STAP 6: Is je antwoord juist? Kleur een van de beestjes in je taalschrift. Bv.: Als je een vraag over de spin goed hebt, kleur je een van de vier spinnen. STAP 7:

Leg het vragenkaartje onder aan de stapel van die kleur.

STAP 8:

De speler links van je is aan de beurt.

STAP 9: Wie het eerst alle beestjes in het taalschrift kan kleuren, wint het spel.

2

Speel het spel. Volg het stappenplan. STAP 1:

Kies over welk beestje jij de vragen wilt beantwoorden.

STAP 2: Los de zes vragen op. Schrijf juist en verzorgd. Tip: vraag hulp aan je groep of aan je juf of meester. Je kunt de fotoreeks uit les 10 opnieuw bekijken. STAP 3: Controleer je antwoorden aan de hand van de correctiesleutel. STAP 4: Knip de kaartjes uit en leg ze in het midden van je groepje. STAP 5:

Heb je nog tijd over? Verzin een extra vraag en schrijf ze op een leeg kaartje.

STAP 6: Ligt alles klaar? Spelen maar!

46

Thema 7 - les 12


3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vragen over het thema schriftelijk beantwoorden. Ik kon antwoorden juist en verzorgd opschrijven. Ik kon een spel spelen volgens de spelregels. Ik kon de vragen en antwoorden voorlezen. Ik kon de vragen over kriebelbeestjes juist beantwoorden. Ik werkte goed samen met mijn groep om het spel te maken.

Thema 7 - les 12

47


les 14

De ... spin en het ... vliegje Ik kan vertellen hoe iets of iemand is.

1

Vul aan. Welk woord past het best?

de

het

2

48

spin

de

vlinder

lieveheersbeestje

de

bij

Schrijf vijf woorden die vertellen hoe de mug is.

Thema 7 - les 14


Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Bv. een dikke poes, een grote teen ...

3

a Welke woorden vertellen hoe het dier is? Verbind de bijvoeglijke naamwoorden met het juiste dier. glibberig bruin lang zwart klein ongevaarlijk nuttig b Schrijf bij elk dier nog twee woorden die erbij passen.

Thema 7 - les 14

49


4

5

Vul aan met een woord dat vertelt hoe iemand is. 1 een

juf

2 de

meneer

3 een

oma

4 de

kleuter

5 de

buurman

6 de

meester

7 een

directeur

8 de

verkoper

a Kleur in de tekst de woorden: die vertellen hoe iets of iemand is (bijvoeglijke naamwoorden).

Ik zie een zwarte mier. Het is een ijverig dier. Ze draagt zware takjes. De kleine mier maakt een lange wandeling naar het grote nest.

b Schrijf de woorden over.

6

zwarte

zware

lange

ijverig

kleine

grote

Lees de tekst. a Kleur: de woorden die vertellen hoe het lieveheersbeestje is. b Teken bij het lieveheersbeestje wat je gelezen hebt. Geef het de juiste kleuren.

Er was eens een bijzonder lieveheersbeestje. Ze had geen rood schild met zwarte stippen. Ze had een geel schild met groene stippen. En ze had ook paarse pootjes. Op haar blauwe hoofd droeg ze een vierkant hoedje.

50

Thema 7 - les 14


7

a Teken een kriebelbeestje.

8

Hoe verliep de les voor jou?

b Welke bijvoeglijke naamwoorden passen er bij dat beestje?

Ik kon vertellen hoe iets of iemand is. Ik kon woorden die vertellen hoe iets of iemand is (bijvoeglijke naamwoorden) in een tekst aanduiden. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 7 - les 14

51


les 16

Door de kamer vloog een vlieg Ik weet dat je woorden op verschillende manieren kunt uitspreken. Ik kan dialectwoorden beluisteren en nazeggen.

1

a Lees het gedicht. b Beluister het gedicht in de dialectvorm. c Kleur de woorden die anders klinken.

Een spin was in de war en wist niet hoe en waar en wanneer en voor wie en hoeveel keer. En dus liep ze maar wat rond en rond en rond, met een draadje aan haar kont. Zo gebeurde het dat een spin op een avond het web uitvond.

Uit: Visjes in mijn hoofd, Geert De Kockere

2

Welk kriebelbeestje wordt bedoeld? Nummer van 1 tot 5. 1

3

4

2

5

1

3

4

5

2

1

2

52

Thema 7 - les 16


3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vertellen welke taal of welk dialect ik thuis spreek. Ik kon dialectwoorden beluisteren en nazeggen. Ik genoot van het zingen van het lied in verschillende dialecten.

Thema 7 - les 16

53


les 21

Woorden en het alfabet Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken.

1

a Vul het alfabet aan. b Zoek voor elke ontbrekende letter een woord uit het thema. Gebruik je spiekblad. bedrieger bv. larve bv. knabbelen bv. gescheiden

A

b

C

D

E

F

g

H

I

J

k

l

M

N

O

P

Q

R

s

T

U

v

W

X

Y

Z

bv. slank

2

bv. vijand

Bekijk de prenten. Vul de zin aan. Kies uit: struikelt – giechelt – is slank

Annet

54

Thema 7 - les 21

is slank

.

Dana

giechelt

.

Bella

struikelt

.


3

Bekijk de foto’s. a Omcirkel de vijanden van het konijn. b Verbind het konijn met de dingen waarop hij knabbelt. 1

4

2 5 3 6

4

Vul de woorden in. Kies uit: het fragment – de larve – het stuifmeel – het spelbord 1

2

het spelbord

4

3

de larve

het stuifmeel

Plots heeft Sprinkhaan een idee. Hij zal ervoor zorgen dat er toch iemand verliefd wordt op Kever! Het is zomer en Sprinkhaan heeft niets anders te doen. Het is een goed plan, vindt hij. Maar hoe begin je eraan?

het fragment

Thema 7 - les 21

55


5

Verbind het woord met de juiste zin. de bedrieger

Frank en Anneke waren eerst getrouwd. Nu zijn ze niet meer getrouwd.

gescheiden

Tom heeft de broek al heel vaak gedragen. Nu zitten er gaten in.

vermoeden

Leo zegt dat hij een miljoen euro heeft. Dat is helemaal niet waar.

verslijten

6

Mama denkt dat ze weet wie het koekje gepakt heeft. Ze weet het niet zeker.

Kleur de zinnen: als er een vermoeden in staat. 1 Arthur is niet dik. Ik vind hem slank. 2 De koekjestrommel is open. Thijs heeft kruimels op zijn kin. Ik denk dat hij net een koekje gepakt heeft. 3 Milou heeft een regenjas aan. Ze wordt niet nat. 4 Papa houdt iets achter zijn rug en kijkt lief naar mama. Ik denk dat hij een bos bloemen heeft meegebracht.

7

Waar knabbel jij het liefste op?

8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kon letters op de juiste plaats in het alfabet zetten.

56

Thema 7 - les 21


THEMA

8

Andere manieren


les 4

Ja of nee? Ik kan vertellen over het misverstand tussen de hoofdpersonages.

1

Lees deel 1 van het verhaal.

“Hebbes!” roept Flor tot slot. Hij doet teken dat Mila op het bed mag zitten. Met het boek kruipt hij naast haar. “Kijk,” zegt hij, “in dit boek staan veel plaatjes. Bij elk plaatje hoort een woord. Zo kun je Nederlands leren!” 5

Mila kijkt hem met grote ogen aan en ze glimlacht weer. Flor krijgt een warm gevoel in zijn buik. Maar hij heeft geen idee of het meisje hem wel begrijpt. Hij slaat het boek open en wijst naar een tekening. “Poes”, zegt hij. Mila bloost terwijl ze hem zachtjes herhaalt: “Poes.”

10

15

20

Dat gaat goed, denkt Flor, en hij wijst nog plaatjes aan. Mila lijkt het leuk te vinden, want ze praat steeds luider. Ze proeft de letters op haar tong alsof het snoepjes zijn. Ze herhaalt woorden als broek, vlinder, groen en appel. Na een hele poos vraagt Flor: “Wil je nog plaatjes kijken?” Mila schudt het hoofd, dus Flor klapt het boek dicht. Hij merkt dat Mila fronst, maar hij begrijpt niet waarom. Doet hij iets fout? Frons ook eens. Wanneer fronsen mensen zoal?

W

glimlachen

lachen zonder geluid

blozen

een rode kleur op je wangen krijgen

de letters op je tong proeven het leuk vinden om de woorden te zeggen herhalen

het nog een keer zeggen

fronsen

rimpels maken op je voorhoofd

Thema 8 - les 4

59


2

Bespreek de vragen met je partner. a Omcirkel de namen van de personages in de tekst. b Wie is het hoofdpersonage? c Waarover gaat het verhaal? d Hoe komt het dat Flor en Mila elkaar niet begrijpen? e Vindt Mila het wel of niet leuk om de plaatjes te bekijken? Waarom (niet)?

3

Zet een kruisje bij het juiste antwoord. a Flor heeft het gevoel dat Mila hem niet begrijpt omdat: ze niet goed hoort. hij niet duidelijk praat. X ze geen Nederlands spreekt. b Mila zegt ‘poes’ heel zachtjes. Waarom praat ze zo stil? X

Ze is bang voor Flor. Ze weet niet zeker of ze het woord juist zegt. Ze is een beetje hees.

c Mila lijkt het leuk te vinden om plaatjes te kijken, want: X

4

ze klapt in haar handen van plezier. ze praat steeds luider. ze glimlacht naar Flor.

Kleur in de tekst de zin die vertelt: dat Mila nog geen Nederlands spreekt. dat Mila nog veel woorden herhaalt.

5

Welk plaatje bekijken ze als eerste? Teken het en schrijf het woord erbij.

een poes

60

Thema 8 - les 4


6

Lees deel 2 van het verhaal.

“We kunnen tekenen!” bedenkt hij. “Wacht hier, ik ben zo terug.” Mila lijkt een beetje in de war, maar Flor rent snel de trap af. Daar neemt hij zijn tekenspullen. 5

Als hij weer in de kamer komt, kijkt Mila opnieuw in het boek. Ze fluistert een paar woorden voor zich uit. Misschien leest ze liever alleen, denkt Flor. Hij gaat in een hoek van de kamer zitten. Hij neemt een blad papier en een potlood. Heel aandachtig tekent hij een meisje met een rode strik. Af en toe kijkt hij even op. Mila bladert nog altijd door het boek.

10

Haar mond beweegt, maar ze leest niet meer hardop. Als zijn tekening klaar is, gaat hij naar haar toe. ”Dit is voor jou”, zegt hij en hij legt de tekening op haar schoot. “Vind je het mooi?” vraagt hij.

15

Mila schudt meteen heftig het hoofd. Flor voelt zich een beetje verdrietig. “Vind je het hier wel leuk?” vraagt hij. Mila glimlacht eerst heel lief, maar dan schudt ze het hoofd.

20

Flor begrijpt niet wat hij fout doet. Hij doet zo zijn best om het Mila naar haar zin te maken. Hij staat recht en loopt naar de trap. “Ik ga iets drinken beneden en een vieruurtje eten. Doe jij maar waar je zin in hebt ...”

25

Zo gaat het een hele namiddag verder. Flor probeert lief te zijn voor Mila, maar telkens als hij vraagt of ze iets leuk of goed vindt, schudt ze heftig van nee. Het maakt hem verdrietig en hij begint te roepen en te tieren. Er wonen nieuwe mensen in de straat van Flor. Ze komen uit Bulgarije. Mama vraagt hun dochtertje Mila op bezoek. Zo kan ze wat Nederlands leren. Mila is lief en mooi, dus Flor vindt het best goed. Maar opeens loopt het mis. Mila vindt niets leuk. Ze vindt niets goed.

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ja of nee? | Reine De Pelseneer

Mama moet ingrijpen.

Oelewapper van de week Ja of nee? Karla Stoefs | Mark Borgions Reine De Pelseneer | Carolien Westermann

Meer lezen? Ja of nee?, Reine De Pelseneer, Talentbib 2

Wat doet Flor verkeerd?

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

2

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

W

heftig

30/05/17 11:59

heel hard

het iemand naar zijn/haar zin maken iets doen dat de ander leuk vindt

Thema 8 - les 4

61


7

Zet een kruisje bij het juiste antwoord. a Flor tekent een meisje: met een bloemetjeskleed. met een bril. X met een strik. b Wie tekent Flor? X

Mila de kat mama

c Wat doet Mila terwijl Flor tekent? X

Ze leest verder. Ze kijkt alleen plaatjes. Ze kijkt toe hoe Flor tekent.

d Waarom blijft Mila woordjes zeggen? Ze wou toch niet verder lezen? Ze tekent niet graag. Ze werkt liever alleen verder, zonder Flor. X Flor heeft het verkeerd begrepen, Mila wil wel woordjes leren. e Als Flor klaar is met zijn tekening: hangt hij de tekening omhoog. X legt hij de tekening op de schoot van Mila. geeft hij de tekening aan Mila.

8

Kleur in de tekst de zin die vertelt: dat Flor wil dat Mila blij is.

9

Los de vragen op. De antwoorden vind je in deel 1 en 2 van het verhaal. a Dit verhaal kan: echt gebeuren. niet echt gebeuren. Bespreek met je partner waarom (niet). b Waarom voelt Flor zich verdrietig? Hij is eenzaam. X Hij begrijpt niet wat hij fout doet. Hij vindt Mila niet leuk.

62

Thema 8 - les 4


c Verbind de woorden met het juiste personage. verlegen Nederlands uisteren vieruurtje potlood verdrietig boos worden hoofd schudden geen Nederlands d Zet de zinnen in de juiste volgorde. Nummer van 1 tot 4. 2

Flor tekent een meisje met een rode strik.

4

Flor gaat beneden iets eten en drinken.

1

Flor kijkt naar plaatjes met Mila.

3

Flor vraagt of Mila het hier wel leuk vindt.

e Onderstreep in de tekst twee vragen die Flor aan Mila stelt. Hoe reageert Mila telkens op die vragen? Mila schudt het hoofd.

f Vindt Mila het leuk bij Flor of niet? Leg uit.

Thema 8 - les 4

63


10 Hoe verliep de les voor jou?

Ik geef deze tekst: Ik kon de personages uit het verhaal aanduiden. Ik kon het fragment navertellen. Ik kon het misverstand tussen de hoofdpersonages uitleggen. Ik kon op andere manieren iemand begroeten. Ik werkte goed samen met mijn partner.

64

Thema 8 - les 4


les 5

Andere manieren van feesten Ik kan de gevraagde informatie uit een tekst halen. Ik kan informatie geven over het feest uit mijn uitnodiging.

1

a Schrijf de feesten op die je kent. b Kleur de feesten die jij met je met familie viert.

2

Maak een top vijf van dingen die je nodig hebt om te feesten. 1 2 3 4 5

Thema 8 - les 5

65


3

a Lees de teksten. 1

Kom je naar mijn feestje? Vier mee mijn lentefeest op 14 mei. Kinderboerderij het Kalfje, Zwijnepad 6 in Damme. Welkom vanaf drie uur. Ik hoop dat je erbij bent. Hanne

2

3

is Hoi, Farou . rig morgen ja m o Heb je zin en m taart te ko thuis? ns eten bij o af om en We sprek twee uur. Basha XX

W ij trouwen!

3

april

Sint-Mariakerk in Zulte

Kom je mee onze bruilo

ft vieren?

Leen en Sultan

b Kleur de vragen waarop je in elke tekst een antwoord vindt. Wie schrijft het?

Waarom krijg je dit bericht?

Waar gaat het door?

Wanneer gebeurt het?

Wat gaat er gebeuren?

Hoe laat gebeurt het?

c Wat voor soort teksten zijn dit? uitnodigingen

d Wat is de bedoeling van de schrijvers? iemand uitnodigen op een feest

66

Thema 8 - les 5


4

Je kreeg een uitnodiging voor een feest. Vul het antwoordkaartje in. Je mag verzinnen. Beste

,

Bedankt dat je me uitnodigt op je Ik wil heel graag komen want

Ik kan jammer genoeg niet komen omdat

Lieve groetjes,

5

Verbind elke foto met het juiste feest.

selamatan Suikerfeest babyborrel hindoebruiloft Offerfeest communie

Thema 8 - les 5

67


Waaraan denk ik bij het spreken? Denk hierover na: > Spreek traag en duidelijk. > Blijf bij de boodschap. Zeg enkel wat je vooraf van plan was. > Kijk je luisteraars aan.

6

Schrijf minstens twee dingen die je leerde over feesten uit andere culturen.

7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de gevraagde informatie uit een tekst halen. Ik kon informatie geven over het feest uit mijn uitnodiging. Ik vertelde luid en duidelijk. Ik sprak met respect over andere culturen. Ik werkte goed samen met mijn groepsleden.

68

Thema 8 - les 5


les 7

Andere manieren van vergelijken Ik kan dingen met elkaar vergelijken en in volgorde zetten.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Bv. een dikke poes, een grote teen ...

1

Voer de opdrachten uit. Schrijf de namen van je groepsleden op. a Ga op een rij staan van klein naar groot. is groot. is groter. is het grootst. b Zeg om ter langst AAAAAAAAA. Drie, twee, ĂŠĂŠn, start! kan dat lang. kan dat langer. kan dat het langst. c Voel aan elkaars handen. De handen van

zijn warm.

De handen van

zijn warmer.

De handen van

zijn het warmst.

Thema 8 - les 7

69


2

Vul aan. 1

Puntmuts is

Slaapmuts is

Smulmuts is het

dikker.

dikst

Nero is

Puk is

Snuffel is het

klein.

kleiner

dik

.

.

2

3

.

kleinst

mooist mooier mooi

4

zoetst zoeter zoet

drukst

5 drukker druk

70

Thema 8 - les 7

.


3

4

Kleur de drie woorden die bij elkaar horen in dezelfde kleur. geel

warm

toffer

warmer

slimst

geelst

tofst

geler

tof

slimmer

warmst

slim

Vul aan.

Ook vliegen scheppen op tegen elkaar. “Ik kan ver vliegen”, zegt vlieg Vluggertje.

5

“Ja, maar ik kan wel

verder

“Maar wie kan het Opschepper.

verst

vliegen dan jij”, zegt vlieg Liegebeest. vliegen? Ik natuurlijk!” roept vlieg

“Ik kan ook mooi vliegen”, vertelt Vluggertje. “Tja, maar ik kan toch “Maar ik vlieg het Opschepper.

10

mooier mooist

vliegen”, antwoordt Liegebeest. van ons allemaal!” schreeuwt

Mientje, de poetsvrouw komt langs met haar vliegenmepper en slaat twee vliegen dood. “Jij was vlug, Liegebeest, en jij iets

vlugger

, Opschepper, maar ik

vlugst ”, lacht Vluggertje die net op tijd wegvloog. ben het “Ik heb mijn naam niet gestolen!”

Thema 8 - les 7

71


5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon van een persoon of ding vertellen hoe het is. Ik kon dingen met elkaar vergelijken en in volgorde zetten. Ik kon de juiste woorden gebruiken om te vergelijken, bv. groot, groter, grootst. Ik werkte goed samen met mijn groepsleden.

72

Thema 8 - les 7


les 10

Andere manieren van reizen Ik kan een vragenlijst over mezelf invullen.

1

Vul de vragenlijst in. Hallo, Wat fijn dat je voor ons koos en je vakantie bij ons doorbrengt! We kijken uit naar je komst. Deze vragenlijst helpt ons om je verblijf zo aangenaam mogelijk te maken.

voornaam:

............................

straat + nummer:

................................................

........................................................................................

postcode + woonplaats: land:

familienaam:

................................................................................

W

...................................

leeftijd: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

het verblijf tijd die je ergens doorbrengt

geslacht: jongen – meisje Welke gewoonten passen bij jou?             

snurken slaapwandelen lang uitslapen vroeg gaan slapen laat gaan slapen een berg knuffels in bed water op het nachtkastje slapen met een open raam slapen met een lampje aan wakker worden met (zachte) muziek snel boos altijd vrolijk snoepen

 andere:

.....................................

..................................................

Waar hou je van?             

zwemmen muziek dansen (mini-disco) knutselen gezelschapsspelletjes strandspelen sportactiviteiten quiz buiten spelen de natuur dieren lange wandelingen niets doen

 andere:

W

slaapwandelen rondlopen terwijl je nog slaapt

.....................................

..................................................

Thema 8 - les 10

73


Waar hou je niet van?              

zand tussen mijn tenen kwallen op het strand muziek joelende kinderen vreemde insecten lang aanschuiven (aan ijskraam, eten ...) felle zon insmeren met zonnecrème steile wandelpaden zonnebrillen sporten laat gaan slapen drukte andere: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Vul aan: Mijn lievelingseten is . . . . . . . . . . . . . . . . . . ...............................................

Mijn lievelingsdrank is . . . . . . . . . . . . . . . . ...............................................

........................................................

Dit wil ik nog over mezelf vertellen: ................................................................................................................... ...................................................................................................................

2

Vul jullie superdroomvakantie in. Welkom in onze fantastische verblijfplaats: (bedenk een leuke naam)

Bestemming (land): Ligging (omcirkel): aan zee – midden in het woud – midden in de natuur – bij een meer – in de bergen – in de jungle – in de woestijn – in de stad – Logeerplek (omcirkel): tent – caravan – strandhut – berghut – bungalow – boerderij – villa – hotel – appartement – W

74

de bungalow

Thema 8 - les 10

huis zonder bovenverdieping


Leuke dingen die je er kunt doen: Ik schrijf:

–

voor iedereen uit mijn groep iets leuks op. iets op dat ik koos in oefening 1.

– – – Lekkere dingen die je er kunt eten:

Ik schrijf:

–

voor iedereen uit mijn groep iets lekkers op. iets op dat ik koos in oefening 1.

– – – Twee dingen die je moet weten over het slapen:

Ik kijk na: wat ik bij oefening 1 aanduidde bij mijn gewoonten.

– –

Twee dingen die verboden zijn: Ik kijk na:

–

wat ik bij oefening 1 aanduidde bij ‘ik hou niet van’.

–

3

Kijk oefening 2 na. Ik kijk na. Mijn zinnen beginnen met een hoofdletter. Mijn zinnen eindigen met een leesteken. Ik let extra op woorden met gt en cht.

Thema 8 - les 10

75


4

Vraag een brochure aan je juf of meester. Schrijf je antwoorden van oefening 2 over in de brochure.

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon aan anderen vertellen wat ik (niet) leuk vind aan een vakantie. Ik kon een vragenlijst over mezelf invullen. Ik kon een vakantie bedenken waarin iets leuks zat voor iedereen uit mijn groep. Ik werkte goed samen met mijn groepsleden.

76

Thema 8 - les 10


les 12

Ik telefoneer naar ... Ik kan een telefoongesprek voeren over mijn vakantie. Ik kan iemand aan de telefoon begroeten en van iemand afscheid nemen.

1

Je bent met vakantie en telefoneert naar je vriend of vriendin. Waarover praten jullie?

2

Voer een telefoongesprek. Kies een kleur: rood of groen. Vul alleen de vakjes met jouw kleur in.

W

de begroeting wat je zegt aan het begin van een gesprek

Begroeting Hallo, met Ik ben op vakantie in

het gesprek praten met elkaar

. .

Leuk dat je belt. Ik ben op vakantie in

.

Hoe gaat het daar?

Thema 8 - les 12

77


Gesprek Goed, ik heb hier al veel gedaan. Schrijf twee dingen die heel leuk zijn aan je vakantie. Vertel één ding dat je mist van thuis. En hoe gaat het daar met jou? O, het is hier ook wel leuk. Schrijf twee dingen die je heel fijn vindt. Er is wel een minpuntje. Vertel één ding dat je niet zo leuk vindt. Stel een vraag om nog meer te weten te komen over de vakantie van je partner. Antwoord op de vraag van je partner. Stel nog een vraag. Antwoord op de vraag van je partner.

78

Thema 8 - les 12


Afscheid Wat zeg je om het gesprek af te sluiten?

W

het afscheid wat je zegt aan het einde van het gesprek

Neem afscheid.

3

Oefen het telefoongesprek met je partner. Lees de stukjes tekst met jouw kleur. Tips: laat je partner uitspreken. Spreek luid en duidelijk. Lees de grijze zinnetjes niet hardop!

4

Werk met een ander duo. Beluister en bespreek hun telefoongesprek. Zet een kruisje bij wat past.

ja nee Beide personen hebben elkaar begroet. Ik ben te weten gekomen wat ze leuk vonden op vakantie. Ik ben te weten gekomen wat ze niet leuk vonden op vakantie. Ik ben te weten gekomen wat er anders was dan thuis. Het gesprek liep vlot. Ze namen passend afscheid van elkaar.

Thema 8 - les 12

79


5

Maak het droevige telefoongesprek vrolijk. Hallo, papa! Hallo

, fijn je te horen! Hoe gaat het daar?

Ik vind ItaliĂŤ saai en lelijk. en

Ik vind ItaliĂŤ

.

Het is hier regenachtig. .

Het is hier

Echt? Wat vind je van het eten? Het eten is hier ronduit slecht! !

Het eten is hier

En het gezelschap? De andere kinderen zijn vervelend. De andere kinderen zijn

. Welke leuke dingen ga je nog doen?

Ik hoop dat ik snel weer thuis ben. .

Ik hoop Ik kijk er alvast naar uit om je binnenkort weer thuis te hebben. Ik ook, papa. Ik moet gaan. Tot later! Tot later, lieverd!

80

Thema 8 - les 12


6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon iemand correct begroeten aan de telefoon. Ik kon een telefoongesprek voeren met mijn partner. Ik kon een telefoongesprek passend afsluiten. Ik gebruikte de informatie uit mijn reisbrochure. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 8 - les 12

81


les 14

Andere manieren van spreken Ik kan informatie halen uit een gesprek dat in een ander dialect wordt gevoerd.

1

Schrijf de namen uit de telefoongesprekken bij de personages. Kies uit: oma – nonkel – Bart – tante Leen – opa – Rik – tante Joke 1

4

Bart

2

5

tante Leen

3

oma

82

nonkel

Thema 8 - les 14

opa


2

Bart belt naar zijn oom in Antwerpen. Tijdens het luisteren: a Steek je hand op als de oom vertelt dat hij staat te wachten op tram 5. Na het luisteren: b Hoe heet de oom van Bart? Andy c Bart gebruikt een ander woord voor oom. Zet een kruisje. X nonkel

Pat manneke d Welke dingen kwamen in het gesprek voor?

X

3

X

X

a Zeg na hoe de oom van Bart tot vijf telt. b Tel op een andere manier tot vijf, bv. in een andere taal of in een ander dialect.

4

Bart belt naar een vriendinnetje. Beluister het gesprek. a Hoe heet de vriendin van Bart? Emily b Welke taal spreekt ze? Engels c Omcirkel de woorden die je hoorde in het gesprek. hello

Emily

friends

Belgium

ijsje

see you

hot

Bart

chocolade

non, merci

swimming pool

WĂźrst

Thema 8 - les 14

83


d Wat betekenen die woorden? Bespreek. e Bart zegt na elk telefoongesprek ‘Arrivederci’. Welke taal is dat? Italiaans

Wat wil dat zeggen? tot ziens

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon van een gesprek of zin zeggen of het dialect, een andere taal of standaardtaal is. Ik kon informatie halen uit een gesprek dat in een ander dialect wordt gevoerd. Ik weet dat er verschillende talen en dialecten bestaan.

84

Thema 8 - les 14


les 16

We zijn allemaal anders Ik kan vertellen waar mijn klasgenoten goed in zijn. Ik kan een gedicht aanvullen in rijmvorm.

Wat is een rijmwoord? Rijmwoorden lijken op elkaar. Bv.  koek – broek, bang – slang, doos – boos ... Ze hebben vaak dezelfde letters achteraan, maar dat moet niet. Bv.  pauw – mouw, stad – plat, krab – hap ... Je vindt rijmwoorden vaak terug in een gedicht, maar een gedicht moet niet noodzakelijk rijmen.

beer eet peer en haas lust kaas

niets zo leuk als een leuke boot

1

Wie zijn wij? Maak het gedicht volledig. Vul rijmwoorden in waar nodig.

Onze klas We hebben veel gewoonten in de tweede klas. We dragen onze schoolspullen in een

.

boekentas

We komen op tijd, want daar gaat de bel. Wie waar moet zijn, dat weten we

wel

.

We zijn beleefd, we doen zoals het hoort. Een waarschuwing voor wie de lessen

stoort

.

Thema 8 - les 16

85


Hier geen stoute kuren of rare streken. Voor je iets vraagt, moet je je vinger

opsteken

.

mee

.

Hopelijk voelt iedereen zich hier okĂŠ. We doen ons best, we werken goed We werken hard voor taal, WO en rekenen. Maar ook muziek, LO en

.

tekenen

We zijn met (aantal)

. Een toffe bende, hoor.

Kom, dan stel ik ons even aan je

voor

.

(Vul de klasnamen in.) is de jongste van de groep. heeft een luide stem en vrolijke roep. is meestal stil. draagt op de neus een hippe

bril

W

is de kleinste, maar erg dapper. Onze sneltrein,

, gaat steeds rapper. is goed in sport.

Het haar van

is heel kort. kan mooi tekenen.

En

86

Thema 8 - les 16

is knap in

rekenen

.

.

hip modern, leuk


een uitje van een cent.

Vlot lezen is voor

is iemand die goed de tafels

.

kent

heel goed.

Mooi schrijven kan

is een snoepertje en houdt van is ons zangtalent. is in de hele school gekend.

En

.

zoet W

een uitje van een cent gemakkelijk

kent leuke spelletjes om te spelen. zullen we ons niet

Bij meester/juf

vervelen

.

(Verzin er zelf nog een paar!) is

.

is

.

We zijn verschillend, maar dat maakt het juist zo fijn. Daarom is het tof om in onze klas te zijn!

2

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vertellen waar mijn klasgenoten goed in zijn. Ik kon een gedicht aanvullen in rijmvorm. Ik vond het leuk om samen een gedicht te maken. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 8 - les 16

87


les 21

Favoriete woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik weet dat sommige zinnen iets anders betekenen dan wat er eigenlijk staat.

1

88

Wat is voor jou een uitje van een cent? Kruis aan.

Thema 8 - les 21


2

Lees de zinnen. Kruis de tekening aan die de betekenis toont. 1 Ze heeft een hart van goud.

X

2 Hij zit in de put.

X

3 Hij aapt haar na.

X

Thema 8 - les 21

89


3

a Kruis aan. 1 Welk huis is een bungalow?

X

2 Welke schuur is degelijk?

X

3 Wie overdrijft?

Er zat zo'n grote spin in mijn kamer.

Er zat zo’n grote spin in mijn kamer.

X

b Wat vind jij hip?

90

Thema 8 - les 21


4

Schrijf wat het kind doet. Kies uit: blozen – fronsen – glimlachen

blozen

5

glimlachen

fronsen

Welk woord hoort bij welke zin? Verbind. de levering

In die fabriek wordt vuil water weer schoongemaakt.

de ordening

Het pakje is vandaag om 12 uur bezorgd.

de verbijstering

Lucas wist niet wat hij moest zeggen toen hij hoorde dat de school was afgebrand.

de zuivering

Rangschik alle getallen van groot naar klein.

6

Wat is jouw favoriete snoep? Verklaar waarom dat zo is.

7

Wat is een begroeting? Wat is een afscheid? Verbind. salut hallo

begroeting

tot ziens

afscheid

goedemorgen

Thema 8 - les 21

91


8

Zet het juiste woord in de zin. Kies uit: beeldt – leeft 1 Laura denkt dat er monsters onder haar bed wonen. Papa zegt: “Je

beeldt

je dat maar in!”

2 Simon fantaseert dat hij een ridder is. Hij rijdt op zijn paard rond de tafel. Simon

9

leeft

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik wist dat zinnen soms iets anders betekenen dan wat er staat.

92

Thema 8 - les 21

zich in.


THEMA Samen in zee

9


les 4

Strandjutters Ik kan het verhaal in mijn eigen woorden navertellen.

1

Lees deel 1 van het verhaal. Onderstreep de woorden die je niet begrijpt.

Aan het strand

5

Die middag zit de hele familie op het strand. Mama zit in de strandstoel. Ze leest een boek. Kleine Eef maakt een kuil in het zand. Met haar schep vult ze de emmer. Jiri en Jon hebben hun visnetje uit de tas gehaald. “Wij gaan op jacht!” roept Jon. “Ja,” zegt Jon, “de jacht op een krab.” “Zie maar dat die krab jou niet bijt,” lacht papa, “in je tenen of zo.” Jon kijkt verbaasd naar zijn voet. “Dan ga ik op jacht naar een garnaal”, zegt hij vlug. “Prima,” knikt papa, “dan ga ik ook op jacht. Met mijn zoeker. Wie weet vind ik wel een echte schat.” De familie heeft een leuke tijd op het strand. Zet een kruisje in de tekst bij de dingen die jij ook al op het strand deed.

10

15

“Mag ik mee?” vraagt Eef. “Natuurlijk”, zegt papa. “Neem je emmertje. Daar kun je de gouden munten in leggen.” Eef glundert. Gouden munten, te gek. Daar kun je heel veel mee kopen, denkt ze. Papa neemt zijn zoeker. Hij draait aan een knop. Het ding piept even en een rode lamp licht op. “Klaar?” vraagt hij aan Eef. Eef steekt de emmer op. “Klaar!” Eef roept ‘klaar’. Wat gaat ze doen?

Papa en Eef wandelen naar de duinen. Jon en 20 Jiri rennen naar de zee. Mama draait nog een blad om van haar boek. “Mijn grote schatten”, lacht ze. X In de verte staat een man op een duinentop. Hij kijkt naar het strand. In één hand heeft hij een kaart vast. In zijn andere hand ligt een klein kompas. Hij kijkt naar 25 links, naar rechts. Dan stapt hij met grote passen de heuvel naar beneden.

Thema 9 - les 4

95


Wat weet jij over duinen? Lees de laatste drie regels opnieuw. Lees ook de betekenis van het woord duin. Teken de duinen:

W

de kuil

put

de zoeker

glunderen

er erg blij uitzien

de duin

grote heuvel van zand

het kompas

2

Lees de tekst opnieuw. a Kleur in de tekst: wat Eef doet. wat papa doet. wat mama doet. wat Jon en Jiri doen.

96

Thema 9 - les 4


b Omcirkel op de tekening: Eef. papa. mama. Jon en Jiri.

c Wat doe jij graag op het strand?

Thema 9 - les 4

97


3

a Wie gaat er op jacht met visnetjes? Jon en Jiri

b Wat gaan ze vangen? Jon en Jiri gaan op jacht naar krabben.

c Papa en Eef gaan ook op jacht. Wat zoeken zij? Papa en Eef gaan op zoek naar een echte schat / gouden munten.

4

Mama lacht en zegt: ‘Mijn grote schatten.’ Wat bedoelt ze daarmee? Ze heeft een schat op het strand verstopt en hoopt dat de kinderen die vinden. X Ze houdt veel van haar man en kinderen. Ze denkt aan de schatten die ze thuis nog op zolder heeft liggen.

5

a Er staat een man in de duinen. Zet een kruisje bij de zin die dat vertelt. b Wat doet die man in de duinen? Bespreek met je partner. c Schrijf twee dingen op die je weet over de man.

6

1

Hij kijkt naar het strand. / Hij heeft een kaart vast. / Hij heeft een kompas.

2

Hij kijkt naar links en naar rechts. / Hij stapt met grote passen de heuvel af.

Waarvoor gebruikt hij een kompas? Hij is op zoek naar een schat. Om zich te kunnen oriënteren op de kaart gebruikt hij het kompas. Zo weet hij waar het noorden is.

98

Thema 9 - les 4


7

Lees deel 2 van het verhaal.

Een piraat in de duinen Kleine Eef kijkt papa aan. “Heb je al iets gevonden?” vraagt ze. Papa schudt van nee. “Het lukt niet zo best”, zucht hij. “Een schat vinden is best moeilijk.” “Het lukt niet zo best,” zucht hij. Kleur in de tekst: wat papa moeilijk vindt. 5

10

“Dat vind ik ook”, klinkt het opeens vanachter een grote struik. Papa en Eef kijken verbaasd. Wie is dat? Dan komt er een man van achter de struik vandaan. Op zijn hoofd zit een vreemde hoed met een lange veer. Zijn hemd zit vol vlekken. Zijn streepjesbroek zit strak rond zijn dikke buik. Aan zijn zwarte laarzen blinken twee grote gespen gespen. “Een schat vinden is héél moeilijk”, zegt hij nog een keer. “Maar dát is wel handig”, gaat hij verder. De man wijst naar de zoeker van papa. “Maar dát is wel handig!” zegt de man. Wat bedoelt hij met dát? Omcirkel in de tekst. Waarom heeft de man dat nodig?

15

20

25

30

W

de gesp

Papa knikt. “Dat is mijn zoeker.” “Mijn papa zoekt schatten”, zegt Eef. Ze steekt haar emmer op. “Als hij iets vindt, doe ik het in mijn emmer.” handig De man lacht. Hij wijst naar een leren zakje aan zijn riem. “Als ik gemakkelijk de schat van mijn overovergrootvader Piraat Pol vind, steek ik de vreemde snuiter die hierin.” persoon die er wat “Een echte piraat?” vraagt Eef verbaasd. raar uitziet “Zo is dat”, zegt de man. “Net zoals ik. Ik, piraat Pat, ben op zoek naar die schat.” “Dan wensen wij u veel geluk”, zegt papa. “Dat kan ik wel gebruiken”, zegt piraat Pat. “Net zoals die zoeker. Dat is wel handig.” Papa knikt. “Heel handig. Je kunt het kopen in de winkel.” “Kopen,” bromt Pat, “in de winkel.” “In de winkel”, zegt Eef. Piraat Pat zucht. ”Ja, ja. Ik zoek wel verder met mijn kaart en kompas.” De piraat draait zich om met een ruk. Hij stapt weer weg tussen twee duinen. “Dag piraat Pat”, zegt Eef. Maar de piraat is al verdwenen. “Vreemde snuiter”, zegt papa.

Thema 9 - les 4

99


8

a Hoe heet de piraat in het verhaal? Piraat Pat b Bedenk nog een leuke piratennaam:

9

De man wijst naar een zakje aan zijn riem. Kleur in de tekst: wat hij daarin zou willen stoppen.

10 Wat doen papa en Eva? Zet een kruisje. X

Ze hebben een zoeker en zijn op zoek naar afval op het strand. Ze hebben een zoeker en proberen een schat te vinden. Ze hebben een zoeker en zoeken daarmee de sleutels van mama.

11 De piraat is ook op zoek naar een schat. Weet jij welke? Zet een kruisje.

Hij is op zoek naar dezelfde schat als papa en Eva. Hij is op zoek naar de schat van Piraat Pol, een heel bekende piraat. X Hij is op zoek naar de schat van Piraat Pol, zijn overovergrootvader.

12 a Kleur in de tekst:

hoe piraat Pat gekleed is. b De tekening van de piraat is niet volledig. Vul aan wat ontbreekt. Tip: bekijk wat je blauw kleurde in de tekst.

13 Papa en Eef kennen de man niet. Onderstreep de zin die dat vertelt.

14 De piraat kan wel wat geluk gebruiken. Wat kan hij nog gebruiken? een zoeker

100

Thema 9 - les 4


15 Lees deel 3 van het verhaal.

5

10

Even later rent Eef het strand weer op. Ze houdt haar emmer omhoog. “Papa heeft wat gevonden!” roept ze van ver. Jon en Jiri snellen naar kleine zus. “Wat dan?” vraagt Jon. “Munten van goud?” wil Jiri weten. “Nee, joh”, antwoordt Eef. “Een blikje.” “Een blikje?” Jon kijkt verbaasd in de emmer. “Een blikje koude limonade!” roept Eef. “Flauw, hoor”, blaast Jiri. Wat vindt Jiri flauw? Waarom zegt hij dat?

15

20

25

“Ik heb een piraat gezien”, zegt Eef dan. “Piraat?” vraagt Jon. “Uit ‘Het Kraaiennest’?” wil Jiri weten. Eef haalt haar schouders op. “Dat weet ik niet. Maar hij had een kompas. Hij was op zoek naar de schat van de opa van zijn opa.” Mama kijkt papa vragend aan. “Hij was op zoek tussen de duinen,” zegt papa, “net zoals wij. Hij vroeg iets over de zoeker.” “Een heel leuke piraat”, zegt Eef. “Ik wil die piraat ook zien”, zegt Jon. “Ik ook”, roept Jiri. “Niets van”, zegt mama snel. “Ik ben niet zo gek op piraten.” “Hij doet niemand kwaad”, lacht papa. “Hij zoekt alleen zijn schat.” Mama kijkt bezorgd. “Doe toch maar voorzichtig, hoor.” W Boven op een duin staat piraat Pat. Hij kijkt naar grijnzen de familie in de verte. Hij wrijft over zijn kin en geheimzinnig lachen grijnst. Dan stapt hij snel weg. vakantiepark. Daar logeert ook de norse piraat Pat. Hij is op zoek naar de schat van zijn over-overgrootvader, piraat Pol. Papa en Eef gaan ook op schattenjacht. Met een handige zoeker vinden ze alvast ... een blikje limonade. Op een ochtend is de zoeker verdwenen. Wie heeft de

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Op jacht naar de schat | Stijn Moekaars

Papa, mama, Eef en de tweeling Jon en Jiri gaan op vakantie aan zee. Ze logeren in een huisje in een

Oelewapper week Op jacht naarvan dedeschat Karla Stoefs | Mark Borgions Stijn Moekaars | Annemie Berebrouckx

Meer lezen? Op jacht naar de schat, Stijn Moekaars, Talentbib 2

zoeker gestolen? Wie is ook op zoek naar de schat?

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

2

30/05/17 11:59

Thema 9 - les 4

101


16 Lees de laatste vier zinnen opnieuw.

a Kleur in de tekst de zin die vertelt: dat de piraat iets van plan is. dat papa de piraat vertrouwt. dat mama de piraat niet vertrouwt. b Wat zou de piraat van plan zijn? bv. De piraat wil de zoeker van papa stelen.

17 Hoe verliep de les voor jou?

Ik kon het verhaal in mijn eigen woorden navertellen. Ik kon vertellen wat de personages van plan waren. Ik kon vertellen waarom afval niet op het strand thuishoort. Ik werkte goed samen met mijn partner.

102

Thema 9 - les 4


les 5

Een dagje aan zee Ik kan vertellen wat ik las of wat ik in een filmpje zag. Ik kan een stappenplan maken door instructies over te schrijven.

1

Bekijk de tekening. Beschrijf wat je ziet.

Thema 9 - les 5

103


2

Bij de vragen staan rode of groene vlaggen. Kies één rode vraag en één groene vraag.

Rode opdrachten  Wat doe je bij een kwallenbeet? Wat betekenen de vlaggen op het strand? Wat zijn verdwaalpalen?

Groene opdrachten  Hoe bouw je een zandkasteel? Hoe speel je petanque?

Wat doe je bij een kwallenbeet? 3

a Lees de tekst.

“Mama, mama , kom snel!” “Kom mama, Naz heeft zich pijn gedaan!” Mama hoort Naz huilen en loopt naar haar toe. De voet van Naz is rood. 5

10

15

20

“Het prikt! Au au! Het jeukt zo, mama.” Mama kijkt rond. Naast de voet van Naz ligt een hoopje blubber. “Naz, je bent op een kwal getrapt. Kwallen zijn giftig. Door het gif van de kwal doet je voet pijn. Alles komt goed, lieve schat. Luister wat we gaan doen. Haal eerst je voet uit het water. Niet krabben! Niet over de rode plek wrijven. Zo maak je het erger.” Mama tilt Naz op. Ze neemt haar mee naar de redderspost. Er zit een mevrouw met een rood kruis op haar T-shirt. Die is heel lief. “Zo Naz, ik kijk eerst of er nog stukjes van tentakels in je voet zitten. Dat zijn kleine prikjes die afkomstig zijn van de kwal. Dan spoel ik je voet met heet water. We drogen je voet goed af en smeren er zalf op. De pijn zal snel verdwenen zijn.”

b Kleur in de tekst: vijf dingen die je moet doen bij een kwallenbeet. twee dingen die je niet mag doen.

104

Thema 9 - les 5


c Volg deze instructie wanneer je een kwallenbeet hebt. Vul aan. Tip: kijk naar wat je kleurde in de tekst. STAP 1: Haal eerst je voet uit het STAP 2:

Kijk of er nog

.

water

STAP 4:

Droog je voet goed af.

STAP 5:

Smeer er zalf op.

heet water

de instructie wat gevraagd wordt, de opdracht

in je voet zitten.

stukjes van tentakels

STAP 3: Spoel je voet met

W

.

Je mag niet: krabben

over de rode plek wrijven

Thema 9 - les 5

105


Wat betekenen de vlaggen op het strand? 4

a Bekijk het filmpje. b Kleur bij elke zin de vlag in de juiste kleur. Doorstreep de zinnen die niet bij een vlag horen.

Er is te veel wind. Zwemmen is gevaarlijk. Let dus goed op.

Het is te gevaarlijk om in het water te gaan.

Opgelet, er zwemmen nu haaien in zee!

Zwemmen is veilig. Je mag in zee, maar ga niet te diep.

Luchtmatrassen en opblaasbaar speelgoed mag je niet meenemen in zee. Ze kunnen afdrijven.

Je mag een ijsje eten.

Zwemmen is gevaarlijk en dus verboden.

Je mag je zwembroek aantrekken en gaan zwemmen.

Het is te warm om te zwemmen.

106

Thema 9 - les 5


c Volg de instructies en ga veilig in zee. Schrijf de betekenis bij elke vlag.

W

de instructie wat gevraagd wordt, de opdracht

Zwemmen is veilig. Je mag in zee, maar ga niet te diep. Je mag je zwembroek aantrekken en gaan zwemmen.

Er is te veel wind. Zwemmen is gevaarlijk. Let dus goed op. Luchtmatrassen en opblaasbaar speelgoed mag je niet meenemen in zee. Ze kunnen afdrijven.

Het is te gevaarlijk om in het water te gaan. Zwemmen is gevaarlijk en dus verboden.

Thema 9 - les 5

107


Wat zijn verdwaalpalen? 5

a Lees de tekst. Verdwaalpalen? Wat zijn dat?

10

© D. Vervaecke

5

Verdwaalpalen vind je op het strand. Het zijn hoge palen met daarop een figuur zoals een boot, een huis, een trein, een vis ... Je kunt de paal van ver zien. Als je toekomt op het strand, spreek je met mama of papa af welke paal jullie gebruiken. Als je aan het spelen bent, kan het altijd gebeuren dat je plots je mama of papa niet meer ziet. Dan is zo’n verdwaalpaal best handig! Volg deze instructies als je verdwaald bent, dan komt het goed! Kijk eerst goed of je niemand bekend ziet. Zoek dan de verdwaalpaal waar je hebt afgesproken. Gevonden? Dan stap je ernaartoe. Als je mama of papa er nog niet is, blijf je rustig wachten bij de verdwaalpaal.

15

20

Wat kun je nog doen om niet te verdwalen? Kies een armbandje uit. Er bestaan bandjes waarop hetzelfde symbool staat als op de verdwaalpaal. Je mama of papa kunnen er ook je naam en hun telefoonnummer op schrijven. Ben je verloren gelopen? Vraag aan een redder of een politieagent om je ouders op te bellen.

b Hoe gebruik je de verdwaalpalen? Kleur in de tekst: de instructie. Vul de zin aan.

© D. Vervaecke

W

de instructie wat gevraagd wordt, de opdracht

STAP 1: Spreek af welke (verdwaal)paal jullie gebruiken. STAP 2: Kijk eerst of je iemand bekend ziet. STAP 3: Zoek de verdwaalpaal waar je hebt afgesproken. STAP 4: Gevonden? Stap ernaartoe. STAP 5: Is je mama of papa er nog niet? Blijf rustig wachten bij de verdwaalpaal.

108

Thema 9 - les 5


c Kleur in de tekst: wat je nog kunt doen om geholpen te worden als je verdwaalt. Schrijf het op. 1

Je schrijft op een armbandje jouw naam en het telefoonnummer van je mama of papa.

2

Je vraagt een redder of politieagent om je mama of papa te bellen.

d Je bent verdwaald en ziet geen redder. Wat doe je? Schrijf het in enkele zinnen op.

Thema 9 - les 5

109


Hoe bouw je een zandkasteel? 6

a Lees de tekst.

5

Wil je een mooi zandkasteel bouwen? Volg dan deze instructies. Zoek eerst het juiste soort zand: het mag niet te nat of te droog zijn. Strijk met je hand het zand vlak. Vul je emmer en druk stevig aan. Nu moet je snel zijn. Draai je emmer om en til hem voorzichtig op. Je hebt nu een mooie toren. Doe dat vier keer. Zo heeft je kasteel vier torens. Maak muurtjes tussen de torens. Versier je kasteel met schelpen of stokjes.

b Kleur in de tekst: de zinnen die bij de tekeningen horen. c Schrijf elke zin bij de juiste prent. 1

Strijk met je hand

2

het zand vlak.

3

Draai je emmer om en til hem voorzichtig op.

5

Versier je kasteel met schelpen of stokjes.

110

Thema 9 - les 5

Vul je emmer en druk stevig aan.

4

Maak muurtjes tussen de torens.


Hoe speel je petanque? 7

a Lees de tekst.

5

10

De tweeling Emma en Elias is aan zee met mama. Ze vervelen zich. Mama legt haar boek aan de kant en neemt een koffertje uit de strandtas. Ze lopen naar zee. Daar waar het zand harder wordt, stoppen ze. Mama doet het koffertje open en neemt er zes ballen uit. Iedereen krijgt twee grote ballen. Emma kiest rood. In het tasje zit ook één klein balletje. Mama trekt met haar voet een lijn in het zand. “Jullie moeten achter deze lijn komen staan”, zegt mama. “Vandaag spelen we petanque”, gaat mama verder. “Ik vertel jullie hoe het gaat. De jongste speler gooit het kleine balletje. Wij gooien om de beurt een grote bal. Wie het dichtst bij het kleine balletje gooit, wint.” “Leuk spel mama, maar euh ... wie is de jongste?” Mama, Emma en Elias barsten in lachen uit.

b Kleur in de tekst: de zinnen die bij de tekeningen horen. c Schrijf elke zin bij de juiste prent. 1

Iedereen krijgt twee

2

grote ballen.

Mama trekt met haar voet een lijn in het zand.

3

De jongste speler gooit het kleine

4

Wij gooien om de beurt een grote bal.

balletje.

5

Wie het dichtst bij het kleine balletje gooit, wint.

Thema 9 - les 5

111


8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vertellen over wat ik las of in een ďŹ lmpje zag. Ik kon instructies markeren in de tekst. Ik kon van de instructies een stappenplan maken door ze juist over te schrijven.

112

Thema 9 - les 5


les 7

Even herhalen! Ik kan zelfstandige naamwoorden die verwijzen naar een persoon, een ding, een plant of een dier herkennen en benoemen tot welke groep ze behoren. Ik kan van twee zelfstandige naamwoorden een samenstelling maken. Ik kan verkleinwoorden maken. Ik kan woorden in het enkelvoud of meervoud schrijven. Ik kan woorden gebruiken die vertellen hoe iets of iemand is.

1

a Lees de taalweters.

Wat is een zelfstandig naamwoord? Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten en dieren: > > > >

personen dingen planten dieren

boom

papa, directeur, Carlos, juf, Anna ... kast, lijm, deur, schaar ... cactus, eik, roos ... hond, schaap, dinosaurus ...

Wat betekenen enkelvoud en meervoud? Aan zelfstandige naamwoorden kun je horen en zien of het om eentje (enkelvoud) gaat of om meer (meervoud). Bv.

enkelvoud

meervoud

boom bed meisje

bomen bedden meisjes

Thema 9 - les 7

113


b Vul de tabel aan. enkelvoud ijsje meeuw

meervoud ijsjes meeuwen

schatkaart

schatkaarten

vlieger

vliegers

strand

stranden fiets

2

ďŹ etsen

a Lees de taalweter.

Wat is een eigennaam? Hoe heet jij?

Noor?

We hebben allemaal een eigen naam. Die schrijven we met een hoofdletter. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigen naam. Die eigennamen schrijven we ook met een hoofdletter. Bv. Mijn hond heet Bas. Die mannetjes zijn van Playmobil. Ik woon in de stad Brussel. Eigennamen zijn dus zelfstandige naamwoorden. b Schrijf twee eigennamen.

c Kleur in de zinnen: de eigennamen. 1 Kay krijgt een kusje van mama. 2 SoďŹ e gaat op bezoek bij Mo in Hasselt. 3 Omi en opa Rymen wonen in de Lindenlaan in Wommelgem.

114

Thema 9 - les 7

Finn!


3

a Lees de taalweter.

Wat is een verkleinwoord?

Het was een ongelukje!

Verkleinwoorden gebruik je om: > iets kleins aan te duiden. Bv. Ik heb een broertje. > iets liefs aan te duiden. Bv. Wat ben jij toch een schatje! > iets onbelangrijks aan te duiden. Bv. Het was maar een ongelukje! b In elke zin hoort een woord. Maak er een verkleinwoord van. Kies uit: kop – poot – duim – schoen – stoel – bloem 1 Aan een kleine tafel zit ik op een klein

.

stoeltje

2 Arme poes, ze kan niet meer op haar

staan.

pootje

3 Kijk, die kleuter hinkt op één been. Ze is haar

kwijt.

4 In een kleine vaas hoort geen grote bloem, maar een klein 5 Oma drinkt graag een 6 Die baby zuigt op haar

koffie.

schoentje

.

bloempje kopje

om in slaap te vallen.

duimpje

c Zet elk woord in de juiste kolom. -tje

-je

-pje

stoeltje

pootje

bloempje

schoentje

kopje

duimpje

d Schrijf in elke kolom nog één verkleinwoord.

Thema 9 - les 7

115


4

a Lees de taalweter.

Wat is een samenstelling? Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. Zo’n woord noemen we een samenstelling. Bv.

voetbal, handdoek, politiekantoor ...

b Bedenk zoveel mogelijk samenstellingen. 1 samenstellingen met vis: bv. vissoep bv. vishengel bv. potvis bv. viswinkel bv. visnet ...

2 samenstellingen met zee: bv. zeester bv. zeetong bv. binnenzee ...

116

Thema 9 - les 7


5

a Lees de taalweter.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Bv. een dikke poes, een grote teen ...

b Schrijf hoe de persoon of het ding is. 1 kat

2 mama

3 monster

Thema 9 - les 7

117


6

a Lees de tekst.

5

10

Sam en Len zijn met oma en opa op vakantie. Ze slapen in een tent onder een grote eik. Spannend hoor! De hond van oma en opa is ook mee. Hij eet de restjes op en likt de borden schoon. Iedere middag gaat oma met de jongens naar het strand. Ze stappen dan door de duinen waar snel enkele konijnen in hun holletjes duiken. Opa zit liever op een bankje op de dijk te kijken naar de meeuwen. Soms maken Sam, Len, oma en opa een ďŹ kse wandeling. Dan plukken de jongens wilde bloemen voor oma. Ze nemen dan een mandje vol lekkere dingen mee die ze gezellig opeten in het gras.

b Vul aan met woorden uit de tekst. personen

dingen

dieren

planten

Sam

bv. tent/dingen

hond

eik

Len

borden/bloemen

konijnen

bloemen

oma/opa

bankje/mandje

meeuwen

gras

c Zoek en kleur in de tekst: twee verkleinwoorden. twee woorden (zelfstandige naamwoorden) in het meervoud. twee woorden (zelfstandige naamwoorden) in het enkelvoud. d Omcirkel twee eigennamen in de tekst.

118

Thema 9 - les 7


7

a Vul het kader aan. Je mag zelf woorden bedenken. b Gebruik je woorden in een zin. 1 één verkleinwoord: één dier: Mijn zin:

2 één woord in het meervoud: één eigennaam: Mijn zin:

3 één persoon: één ding: één samenstelling: Mijn zin:

Thema 9 - les 7

119


8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon woorden in het enkelvoud of meervoud schrijven. Ik kon eigennamen aanduiden. Ik kon van woorden een verkleinwoord maken. Ik kon zelfstandige naamwoorden die verwijzen naar een persoon, een ding, een plant of een dier herkennen en benoemen tot welke groep ze behoren. Ik kon van twee zelfstandige naamwoorden een samenstelling maken. Ik kon woorden gebruiken die vertellen hoe iets of iemand is. Ik kon de oefeningen zelfstandig uitvoeren. Ik werkte goed samen met mijn groep.

120

Thema 9 - les 7


les 10

Praatje met een redder aan zee Ik kan de juiste informatie uit een tekst halen. Ik kan de belangrijkste informatie met mijn eigen woorden vertellen.

2

2

© Bernd Tschakert / Alamy Stock Photo

3

© Arterra Picture Library / Alamy Stock Photo

4

© parkerphotography / Alamy Stock Photo

5

© Arterra Picture Library / Alamy Stock Photo

Beluister de teksten. Geef elk beroep het nummer van de tekst waar het bij hoort.

© Scottish Viewpoint / Alamy Stock Photo

1

1

Lees het interview.

Praatje met een redder aan zee Hallo! Wie ben jij? Ik ben Briek, een redder aan zee. In de zomer vind je mij op het strand. Daar zorg ik voor de veiligheid van iedereen. 5

Hoe herken ik jou? Mijn kledij is felrood. Meestal draag ik een zwemvest. Dit heb ik altijd bij me: een toeter, een verrekijker, een boei en een seinvlag.

Thema 9 - les 10

121


10

15

Hoe ziet een werkdag aan zee eruit? Alle redders verzamelen in de redderspost. We trekken onze kledij aan. De hoofdredder zet de boten klaar. We plaatsen de redderstoel, de vlaggen en de borden op het strand. Ik kijk wat voor weer het wordt. Op warme dagen is het druk en hebben we veel werk. Noem drie dingen die een redder elke dag doet.

20

25

Wat zijn jouw taken op het strand? Een redder aan zee heeft veel taken. Ik help kinderen die de weg kwijt zijn. Ik verzorg wie gewond raakte op het strand. En natuurlijk red ik zwemmers die in nood zijn. Daarvoor gebruik ik de reddingsboot en een reddingsboei. Ik gooi de boei naar de zwemmer in nood. De boei drijft op het water en er hangt een touw aan vast. Als de zwemmer de boei vasthoudt, trek ik hem naar de boot en is hij gered! Waarvoor gebruikt een redder de boot en de boei?

30

35

40

122

Welke talenten heb je nodig? Tijdens een werkdag moet ik goed opletten. Vanuit mijn redderstoel zie ik elk gevaar. Als iemand in nood is, moet ik snel kunnen lopen en zwemmen. Ik ben dus fit en sportief. Hoe word je een redder aan zee? Elke redder heeft een brevet ‘redder aan zee’ nodig. Daarvoor ging ik eerst naar school. Ik leerde er alles over de zee en het strand. En hoe ik iemand moet redden en verzorgen. Ik deed een zwemproef in zee. Die proef is zwaar, maar is nodig om te tonen dat je het kunt.

Thema 9 - les 10


45

50

Waarom doe je dit? AlsWaarom kind droomde ik ervan om mensen te helpen. doe je dit? OpAlshet strand en aan de zeeom voel ik me te echt goed. kind droomde ik ervan mensen helpen. Elke dag is hier anders en dat maakt het werk nooit saai. Op het strand en aan de zee voel ik me echt goed. Hoe wijanders jou helpen? Elkekunnen dag is hier en dat maakt het werk nooit saai. • Doe steeds wat een redder vraagt. Wij geven tekens met de toeter of de vlag. • Hoe Kijkkunnen voor je wij gaatjou zwemmen helpen? naar de kleur van de vlag. Dan weet je wat je doen: • Doe steeds wat eenmag redder vraagt. Wij geven tekens met de toeter

of de vlag. •Weet Kijk voordat je gaat zwemmen de kleur de vlag. je het nog? Vul aan wat naar iedere vlag van betekent. rom doe je dit? Dan weet je wat je mag doen: ind droomde ik ervan om mensen te helpen. et strand en aan de zee voel ik me echt goed. dag is hier anders en dat maakt het werk nooit saai.

kunnen wij jou helpen? Je mag zwemmen, maar ga niet te diep. Je mag je e steeds wat een redder vraagt. Wij geven tekens met de toeter de vlag. zwembroek aantrekken en gaan zwemmen. k voordat je gaat zwemmen naar de kleur van de vlag. n weet je wat je mag doen: n te helpen. e echt goed. et werk nooit saai. • Zwem nooit alleen en zorg dat je steeds weet waar je ouders zijn. • Wij delen gratis polsbandjes uit waarop je je naam en een gsmnummer kunt schrijven. Zwemmen is gevaarlijk, neem geen opblaasbare Wij geven tekens met de toeter • Als je verloren loopt, vinden wij je ouders snel terug.

de kleur van de vlag. 30 Samen in zee

voorwerpen mee.

LJ2-dezee-200x200.indd 30

24/10/17 21:49

wem nooit alleen en zorg dat je steeds weet waar je ouders zijn. j delen gratis polsbandjes uit waarop je je naam en een gsmmmer kunt schrijven. Zwemmen is gevaarlijk en dus verboden. je verloren loopt, vinden wij je ouders snel terug.

n in zee

30

24/10/17 21:49

eeds weet waar je ouders zijn. • Zwem nooit alleen en zorg dat je steeds weet waar je ouders zijn. rop je je naam en een gsm-

uders snel terug.

• Wij delen armbandjes uit waarop je je naam en het telefoonnummer van je mama of papa kunt schrijven. Als je verloren loopt, vinden wij je ouders snel terug.

24/10/17 21:49

Thema 9 - les 10

123


Vul de woorden in die bij de pijlen horen. 55

Op het strand, vlak bij de redderspost

en de vlaggenstok

,

.

staat soms een verdwaalpaal

Op de paal staat een ďŹ guur. Dat kan een vis, een boot, een banaan of iets anders zijn. Als je op het strand speelt, kijk dan naar jouw ďŹ guurtje. Zo verlies je de weg niet tijdens het spelen! Samen in zee | Liesbeth Van Bogaert

124

Thema 9 - les 10

Samen in zee Liesbeth Van Bogaert | Jan Heylen

Meer lezen? Samen in zee, Liesbeth Van Bogaert, Talentbib 2


W

de redder

iemand die zorgt dat mensen veilig kunnen zwemmen

felrood

hevige rode kleur

het zwemvest

vest om te blijven drijven in het water

de toeter

de boei

3

de seinvlag

vlag waarmee de redder laat weten wat mensen moeten doen

de redderspost

plek waar de redders verzamelen

de taak

iets wat je moet doen, opdracht

gewond zijn

je pijn doen, bloeden

het talent

iets waar jij goed in bent, iets dat je graag en goed doet

Beantwoord de vragen. a Kleur in de tekst: wie Briek is. wat een redder nodig heeft om iemand veilig uit het water te halen. drie taken van de redder. b Waarom draagt een redder rode kledij? Zo kun je de redder snel herkennen.

Thema 9 - les 10

125


c Wat is het? Schrijf de naam bij de foto. Schrijf in ĂŠĂŠn zin wat de redder ermee doet.

1

Dit is een

.

toeter

Met de toeter kan hij de aandacht trekken en mensen zo een signaal geven.

2

Dit is een

.

boei

De redder gooit de boei naar de zwemmer in nood. Die moet de boei vasthouden en kan zo boven water blijven.

3

Dit is een

.

verrekijker

Door de verrekijker kan de redder tot ver in zee kijken. d Geef twee talenten die belangrijk zijn voor een redder. snel lopen / snel zwemmen / goed opletten e Wat leert een redder op school? 1 Je moet alles weten over de zee en het strand. 2 Je moet mensen kunnen 3 Je moet slagen in een

redden zwemproef in zee

f Wat delen redders uit aan kinderen? armbandjes g Hoe weet je of je in zee mag zwemmen of niet? door naar de kleur van de vlag te kijken

126

Thema 9 - les 10

en verzorgen. .


h Lees de teksten. Kleur de vlag in de juiste kleur. 1

Sam en zijn papa zwemmen in zee. Ze hebben een opblaaskrokodil. Papa ligt op de krokodil en Sam probeert hem er steeds af te duwen.

2

Saar en Noor mogen niet in zee. De zee is wild en gevaarlijk zegt mama. Je mag niet zwemmen of met een bootje in zee.

3

Len en zijn mama zwemmen vooraan in zee. De zee is wild. Ze wilden een luchtmatras meenemen, maar dat mocht niet van de redder.

i Wat leerde jij uit dit interview?

j Welke gevaarlijke situatie kan een redder meemaken? Teken het hier.

Thema 9 - les 10

127


4

Kleur bij elke vraag antwoord A, B, C of D. Zo ontdek je welk beroep bij je past.

1 Kun jij goed zwemmen? A Ja, heel goed. Ook als er golven zijn. B Ik kan goed zwemmen, maar liever niet in zee. C Ik kan niet goed zwemmen. Ik oefen nog wat. D Ik speel liever in het water. Ik zwem niet graag.

6 Hou jij ervan om met mensen te praten? A Nee, ik praat niet graag met vreemden. B Nee, ik ben bang voor vreemden. C Ik vind het niet erg om met vreemde mensen te praten. D Ja, ik praat graag met mensen. Ook al ken ik ze niet. 7 Loop jij graag over het strand?

2 Wat doe jij als er iemand in nood is? A Ik bied zelf hulp op een veilige manier. B Ik kijk of er een volwassene in de buurt is die kan helpen. C Ik roep hard om hulp. D Dat weet ik niet goed. 3 Hou jij van vissen? A Ja, maar enkel vissen van aan de kant. B Ja, ik zou graag met een boot de zee op gaan om vis te vangen. C Nee, ik ben bang voor vissen. D Nee, ik vind vissen saai. 4 Kun jij een dienblad met tassen en glazen dragen?

EA M

A Nee, ik ben erg onhandig. Ik kan niet meer dan twee glazen dragen. B Ja, maar ik kan er niet vlot mee wandelen. C Ik wandel vlot met een dienblad, maar vind het niet ďŹ jn D Ja, ik kan het goed en vlot.

A Ja, dat doe ik graag. B Ja, maar enkel om water te halen voor mijn zandkasteel. C Nee, daar word ik moe van. D Nee, ik kom niet graag op het strand. SU

NC

A Nee, ik kan niet goed hoofdrekenen. B Nee, ik vind het moeilijk om al die muntstukken te tellen. C Ja, maar ik tel niet graag. D Ja, ik kan heel vlot geld tellen en een prijs berekenen.

128

Thema 9 - les 10

AM

8 Vaar je graag met een boot? A Ja, zeker als ik aan het roer mag staan. B Ja, het liefst op zee. Ik hou van avontuur en het bewegen op de golven. C Nee, ik ben bang op een boot. D Nee, ik ga alleen op een boot als het niet anders kan. 9 Ben jij graag buiten als het regent? SU A Nee, ik kom alleen graag buiten als NC RE AM de zon schijnt. B Ja, ik ben graag buiten, regen of geen regen. C Nee, ik kom niet graag buiten. D Nee, ik kom niet graag buiten als het regent. SU

5 Ben jij goed in rekenen met geld?

RE

NC

RE

AM

SU

NC

RE

AM


SU

NC

RE

AM

Kleurde jij meestal het schelpje bij A? SU

NC

Dan is het beroep van redder wel iets voor jou. Je komt graag buiten, vindt het niet erg om lang op het strand te zijn en wilt graag mensen in nood helpen.

RE

AM

SU

NC

NC

SU

NC

RE

AM SU

NC

SU

SU

NC

RE

AM

RE

AM

RE

AM

RE

AM

Kleurde jij meestal het schelpje bij B? Dan moet jij misschien wel visser worden. Je bent graag op zee en je vindt het niet erg om ook bij slecht weer buiten te zijn.

SU

NC

RE

AM

Kleurde jij meestal het schelpje bij C? Jij komt graag op vakantie aan zee maar visser, redder of ober worden is niks voor jou. Heb je zelf een idee wat je later wilt worden? SU

NC

SU

NC

SU

N

CR

EA M

RE

AM

RE

AM SU

NC

RE

AM

Kleurde jij meestal het schelpje bij D? Dan zou je een goede ober zijn. Je vindt het niet erg om te praten met vreemde mensen. Je kunt goed overweg met een dienblad en je bent goed in het tellen van geld.

Thema 9 - les 10

129


5

a Wat zijn jouw talenten? Wat kun jij goed? Bespreek het met je partner en schrijf twee talenten op.

b Waar kun jij nog beter in worden?

6

a Kies iemand van wie je te weten wilt komen wat hij of zij later wil worden. b Bereid een interview voor. Bedenk drie vragen die je hem of haar wilt stellen. 1

2

3

Wat zijn goede vragen? Je wilt zoveel mogelijk te weten komen over een tekst, over een opdracht, over iemand ... Dan moet je goede vragen stellen. Gebruik de w-vragen!

Wat?

Waar? ?

?

Waarom?

Wie? ?

?

Hoe?

130

Thema 9 - les 10

Wanneer? ?


7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de gevraagde informatie in de tekst terugvinden. Ik kon door goed te luisteren naar iemands verhaal ontdekken wat zijn of haar beroep is. Ik kon vertellen over mijn eigen talenten. Ik kon vragen bedenken om meer te weten te komen over iemand.

Thema 9 - les 10

131


les 12

Wat weet jij nog? Ik kan leuke namen bedenken voor verschillende vissen. Ik kan informatie te weten komen door goed te luisteren.

1

2

132

Bedenk bij iedere foto een leuke naam.

egelvis

zeilvis

zaagvis

riemvis

Luister naar de tekst. Schrijf bij oefening 1 in het groene kader de juiste naam bij elke foto.

Thema 9 - les 12


3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon door goed te luisteren de juiste foto bij een dier plaatsen. Ik kon informatie uit dit thema gebruiken om quizvragen op te lossen. Ik kon de antwoorden juist en verzorgd opschrijven. Ik kon de correctiesleutel gebruiken om antwoorden te controleren. Ik werkte goed samen met mijn partner. Ik vond de quiz leuk.

Thema 9 - les 12

133


les 14

Een zee van oefeningen Ik kan naamwoorden die verwijzen naar een dier, een persoon, een plant of een ding herkennen en benoemen tot welke groep ze behoren. Ik kan een eigennaam herkennen. Ik kan van woorden een verkleinwoord maken. Ik kan van twee zelfstandige naamwoorden een nieuw samengesteld woord maken.

1

De emmer van Ellis viel om. Ruim je mee op? Kleur de schelpen: als er een persoon op staat. als er een ding op staat. als er een plant op staat. als er een dier op staat.

piraat

zeewier

papa

dolďŹ jn

Ellis

boek

palmboom

roos

134

zee

oma

parasol

zand

wesp

kwal

gras

meeuw

Thema 9 - les 14


2

a Kleur in elke zin: de namen van personen en landen (eigennamen).

5

Saar en Noor gaan samen naar het strand in Spanje. Het is warm en Noor wil graag een ijsje. Saar stompt tegen de arm van Noor. “Kijk”, roept ze, “Daar loopt Benny, de ijscoman.” Samen hollen ze naar de man met de pet en een grote zak op zijn buik. “Ha, meisjes! Willen jullie een ijsje?” Saar en Noor knikken. Ze kiezen ieder een ijsje uit.

b Schrijf nog twee eigennamen.

c Omcirkel in de tekst twee personen die niet als eigennaam geschreven zijn.

3

a Verbind de woorden zodat ze een nieuw woord vormen. zeil

man

zee

pak

bad

bal

hand

broek

strand

boot

zwem

doek

b Bedenk nog samenstellingen. Schrijf ze op. c Bedenk een samenstelling van drie woorden. bv. voetbalploeg

Thema 9 - les 14

135


4

a Maak verkleinwoorden en schrijf ze in de juiste kolom.

boom

piraat

mossel

boek

emmer

duim

-je

-tje

-pje

piraatje

mosseltje

boompje

boekje

emmertje

duimpje

b Schrijf in iedere kolom nog twee passende verkleinwoorden.

5

a Kleur de woorden:

kuil

in het enkelvoud.

kisten

in het meervoud.

drankje piraten emmers handdoek parasol schatkaarten netjes boot

vlieger

b Kies twee groene woorden en schrijf ze in het meervoud.

136

Thema 9 - les 14

ijsje


6

a Kijk naar de tekening. Vul de zinnen aan met woorden die vertellen hoe iets of iemand is.

Een

man eet een

De

ijsje.

vrouw heeft een hoed en een zonnebril op.

Ze eet een

wafel.

De jongen bouwt een

zandkasteel.

Het meisje graaft een

kuil.

Ze draagt een

badpak.

b Vul de woordvelden aan met woorden die vertellen hoe het is. bv. wilde

bv. druk

warme

vuil

zee koude rustige

strand schoon rustig

Thema 9 - les 14

137


7

Maak een zin met daarin: 1 twee verkleinwoorden:

2 een dier, een ding en een persoon:

3 een woord in het meervoud en een plant:

8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zelfstandige naamwoorden herkennen als dieren, planten, dingen en personen. Ik kon eigennamen aanduiden. Ik kon het verkleinwoord van een woord opschrijven. Ik kon zeggen of een woord in het enkelvoud of meervoud staat. Ik kon samenstellingen maken. Ik kon vertellen hoe iets of iemand is. Ik vroeg hulp als dat nodig was.

138

Thema 9 - les 14


les 21

Handige woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik weet dat sommige zinnen iets anders betekenen dan wat er staat.

1

Lees de zinnen. Op welke tekening zie je wat elke zin betekent? 1 Het is een boom van een man.

X

2 Het is een ongelikte beer.

X

3 Dat is water naar de zee dragen.

X Thema 9 - les 21

139


4 Hij staat voor aap.

X

5 De juffrouw voelt haar aan de tand. Vertel maar wat je gedaan hebt.

X

2

Wat zie je op de tekening? Zet de cijfers op de juiste plaats. 1 gewond 2 grazen

3 de ruiter 4 de voorsprong

5 de vreemde snuiter

3 1

5

4 2

140

Thema 9 - les 21


3

De schrijver vergat spaties in de zin te zetten. Zet een streep op elke plaats waar een spatie moet staan.

Rosalieglundertalszeeenpakjekrijgt.

4

Welk woord hoort bij welke afbeelding? Kies uit: boodschappen doen – de duin – felrood – glunderen – het zwemvest 1

2

felrood

4

5

3

boodschappen doen

5

het zwemvest

glunderen

6

de duin

Teken.

de vreemde snuiter

Vul aan. Kies uit: grijnsde – redder – stiekem – talent – voordeel 1 Ryan spreekt Spaans. Dat is een 2 Samira heeft 3 De pestkop

talent grijnsde

voordeel

voor tekenen. Ze maakt heel mooie tekeningen. gemeen. Toen gaf hij het jongetje een duw.

4 Als zijn moeder niet kijkt, geeft Rico 5 Laila zwom te ver in zee. De

als je op vakantie bent in Spanje.

stiekem redder

een koekje aan de hond. bracht haar terug naar het strand.

Thema 9 - les 21

141


6

Welk apparaat vind jij handig? Leg uit waarom.

7

Volg de instructies en vind de zin. 1 Welke boom zie je hier? Schrijf het op. Streep de laatste letter door.

den – de

2 Welke vogel zie je hier? Schrijf het op. Zet er de letter k voor.

uil – kuil

3 Welk dier is dit? Schrijf het op. Streep de eerste letter door.

vis – is

4 Welk dier is dit? Schrijf het op. Verander de eerste letter in een d. Verander de laatste letter in een p.

mier – diep

Schrijf de zin op. De kuil is diep.

142

Thema 9 - les 21


8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik wist dat zinnen soms iets anders betekenen dan wat er staat.

Thema 9 - les 21

143


144


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
TALENT 2: taalschrift C - correctiesleutel by VAN IN - Issuu