3
C70 M20 Y67
4 Taalschrift B Correctiesleutel
C16 M30 Y70
Coördinatie: Dirk Dobbeleers Auteurs: Virginie Thielemans Gijs Van Raamsdonk Mira De Gryze Pieter Schouten Met medewerking van: Ides Callebaut
Bij TALENT voor het 4e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel – Te laat! Projectbundel – Goochelen Projectbundel – Dat klopt niet Werkwoordenblok 4 Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C, spellingschrift en projectbundels Voor de klas: Talentbib 4 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8230-1 978-90-306-8215-8 D/2019/0078/56 D/2019/0078/59 Art. 569644/01 569426/01 NUR 191
Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Eric Bouwens Tekeningen taalweters: Eric Bouwens
THEMA
4
Vroeger & nu
les 3
Laat jij je verleiden? Ik kan de kenmerken van reclame ontdekken en toepassen.
1
a Bekijk de filmpjes en de afbeelding.
BONTE WAS wast je kleuren het schoonst
E BONT n kleure ermt je Besch
b Lees de taalweter.
Waarom moet ik kritisch zijn voor reclame? Je wordt elke dag bedolven onder de reclameberichten, of je dat nu wilt of niet. Reclamemakers doen er alles aan om op te vallen, om je te verleiden of om je iets aan te smeren. Een verwittigd man is er twee waard. Laat je dus niet foppen!
2
Deze robot kan heel goed ... euh ... uit elkaar gehaald worden.
Lees de taalweter.
Wat betekent letterlijk? En figuurlijk? Als je iets letterlijk schrijft, bedoel je precies wat er staat. Bv. Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd doet erg veel pijn. Als je iets figuurlijk schrijft, bedoel je eigenlijk iets anders. Bv. Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd ontploft! Geen paniek! Mijn hoofd ontploft niet echt. Ik overdrijf gewoon een beetje. Ik gebruik de taal figuurlijk. Thema 4 - les 3
5
3
a Bekijk de reclameboodschappen. Duid aan of jullie ze goed 1
Met BOLD valt je haar uit!
of niet goed
vinden.
2
BOLD
cosmetica
haarproduct voor lang haar
EXTRA STRAF SHAMPOO
formule getest voor snelle haaruit val
negatieve reclameslogan
3
DE SCHOENBAKKER
Schoenen die je broodnodig hebt
6
Thema 4 - les 3
reclameslogan vergeten
4
H
EC T R HAA
Deze haardroger wil iedereen hebben!
5
SLAAP GOED. BLIJF JONG.
De Matrasexpert
Tï‚«Pshoe 6
7
Met de n kasten va ijn je Houtbox z naar schoenen de haaien
DE SNEAKER MAAKT DE MAN
negatieve reclameslogan
b Pas minstens twee reclameboodschappen aan die jullie niet goed vinden.
Thema 4 - les 3
7
4
Wissel jullie schriften met een ander duo. Kies twee aangepaste reclameboodschappen uit oefening 3 en vul de tabel in.
Reclame 1/7
Reclame
De fabrikant
BOLD / Houtbox
Aqua X-treme Gel
Het middel
de werkelijkheid mooier maken de werkelijkheid mooier maken x origineel zijn (BOLD/Houtbox) x origineel zijn x slogans gebruiken (BOLD/Houtbox) slogans gebruiken x sterke punten benadrukken (BOLD) x sterke punten benadrukken x humor (BOLD/Houtbox) x humor x beroemdheden gebruiken of een beroemdheden gebruiken of een typetje (BOLD) typetje indrukwekkende woorden gebruiken indrukwekkende woorden gebruiken
De consument
BOLD: mensen met lang haar
Mensen die gel gebruiken
Houtbox: volwassenen
shampoo van BOLD kopen/
Aqua X-treme Gel kopen
kasten bij Houtbox kopen
Het doel
Wat kan er beter?
Ingevuld door:
W
8
2
de fabrikant
maker van een product
het middel
wat je gebruikt om je doel te bereiken
de slogan
korte, krachtige zin (vooral gebruikt in reclame)
de consument
iemand die iets koopt
het doel
wat je probeert te bereiken
Thema 4 - les 3
5
Pas jullie reclameboodschappen aan als dat nodig is. Dit hebben we aangepast: –– –– –– –– ––
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een spreekwoord opzoeken. Ik kon informatie uit een reclameboodschap halen. Ik kon de kenmerken van reclame herkennen. Ik kon een boodschap uit een reclamefilmpje halen. Ik werkte goed samen met mijn partner.
Thema 4 - les 3
9
les 4
Als een hond in een kegelspel Ik kan de hoofdgedachte bepalen en in de tekst informatie vinden die ik nodig heb. Ik kan een onderscheid tussen fictie en non-fictie maken. Ik kan de oorzaak en het gevolg aanduiden.
1
Op deze vragen zoek ik een antwoord:
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
? ?
2
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
Lees in groep tekst 1, 2, 3 of 4 uit Ik ben Laika. Wij lezen:
tekst 1 tekst 2 tekst 3 tekst 4
a Kleur in de tekst: over wie de tekst gaat. waar het gebeurt. b Schrijf de hoofdgedachte in het kader onder de tekst. Tip: de hoofdgedachte geeft antwoord op de vragen: – Wat gebeurt er? – Waarom gebeurt het?
10
?
?
Thema 4 - les 4
?
?
?
?
?
?
?
?
? ?
Ik ben Laika: tekst 1
5
schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap.’ Zo begint het verhaal van een hond die geen gewone hond is en van een meisje dat geen gewoon meisje is, een verhaal dat loopt van hier tot in Rusland en tot in een raket om de aarde. Geen gewoon verhaal, dus.
Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ik ben Laika | Paul de Moor
‘“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken
“‘Waarom zouden mensen honden naar de maan sturen?’ vroeg ik. ‘We zijn toch hun troetelkinderen? We houden de mensen gezelschap. We waken over ze. We spelen met ze. We jagen voor ze. We likken hun oren en neus en kietelen hun tenen.’ ‘Om te leren’, zei de vlieg. ‘We zijn slim genoeg’, zei ik. ‘Wij straathonden, wij leerden alles wat we moeten weten op straat.’ ‘Nee’, zei de vlieg. ‘De mensen hebben jullie nodig om te leren wat er gebeurt als een levend wezen gewichtloos is. Wat gebeurt er als het gaat zweven? Gaat het dood? Kan het nog eten en drinken en zo? Wat gebeurt er met zijn plas en kak en kots? Daarom kogelt de mens insecten de ruimte in. Vlinders, wespen, bijen, muggen en vliegen, ja helaas ook vliegen. 10 ‘Vlieg, je moest boeken schrijven, zoveel verbeelding’, zei ik. ‘Verbeelding? Wij, vliegen, hebben geen verbeelding. En we stellen ons ook geen miljoenen vragen, zoals mensen doen. We doen wat we moeten doen: 15 vliegen. Wie vraagt zich nu af of vissen kunnen zwemmen in de ruimte? Of bijen honing kunnen maken in het luchtledige? Of mieren een kolonie kunnen stichten in een wereld waarin niets iets weegt? Nee, aan verbeelding ontbreekt het de 20 mensen niet. En aan vragen ook niet. Daarom vliegen ze. Varen ze. Duiken ze. Zouden ze niet beter doen wat ze moeten doen?’ ‘En dat is?’ vroeg ik. ‘Lopen’, zei de vlieg. ‘De aarde rondtrekken. Meer lezen? 25 Leven van wat ze vinden.’ Ik ben Laika, Paul de Moor, ‘Zoals wij? Zoals zwerfhonden?’ Talentbib 4 ‘Precies.’” Oelewapper van de week Karla Stoefs | Mark Borgions
Paul de Moor | Julie Tavernier
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
4
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
30/05/17 11:59
W
gewichtloos
niets wegend, zwevend
de verbeelding fantasie het luchtledige
waar geen lucht is
Hoofdgedachte: Mensen willen leren wat er gebeurt met honden in de ruimte. / Ze sturen honden naar de ruimte omdat ze willen weten wat er gebeurt als een levend wezen gewichtloos is.
Thema 4 - les 4
11
Ik ben Laika: tekst 2
5
10
15
20
“Ik liep door de straten van Moskou. Dat was zowat mijn beroep, door de straten van Moskou zwerven. Ik staarde naar mezelf in de plassen rond de riolen en zag een mager en pezig scharminkel dat me strak aankeek. Ik weet niet hoe het gegaan is. Misschien hadden mensen me verdoofd met zo’n akelig spuitje van ze? Ik werd wakker in een kooi, in de laadbak van een oude vrachtwagen. Ik was niet alleen. Ik zag andere straathonden die ik helemaal niet of maar van ver kende. Straathonden uit andere sloppenwijken. Een paar honden had ik ooit zien rondspoken onder bruggen of zien wegduiken in gaten in de grond. We waren allemaal geroofd. Zomaar door mensen van straat geplukt. Dat het niet pluis zat was zonneklaar.
‘“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het
midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken
schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap.’
Zo begint het verhaal van een hond die geen gewone
hond is en van een meisje dat geen gewoon meisje is,
een verhaal dat loopt van hier tot in Rusland en tot in
Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ik ben Laika | Paul de Moor
Ik was in de hel, al had ik dat niet onmiddellijk door. Ik werd gewassen, ik kreeg te eten en een plek om te slapen. ‘Zie je wel,’ zei de hond met de grote wrat op haar kop, ‘ik voorspelde het paradijs en wat krijgen we? Het paradijs!’ Maar ik vertrouwde het zaakje niet. Er waren mannen in witte jas. Het was er te proper, te schoon geschrobd. Het rook er naar luchtjes die ik alleen van apotheken, ziekenhuizen en fabrieken kende. Er waren veel te veel kabels en buizen langs de wanden en veel te veel elektrische toestellen en schermen waarop niets te zien was, op spartelende en kronkelende lijnen na. ‘Ik weet het niet’, zei ik. ‘Jij weet niets’, zei de hond met de grote wrat op haar kop.”
Oelewapper van de week Karla Stoefs | Mark Borgions
Meer lezen? Ik ben Laika, Paul de Moor, Talentbib 4
een raket om de aarde. Geen gewoon verhaal, dus.
Paul de Moor | Julie Tavernier
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
25
W
4
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
het scharminkel
30/05/17 11:59
mager mens of dier
verdoven ervoor zorgen dat iemand geen pijn meer voelt, bv. door een pijnstiller of een slaapmiddel de sloppenwijk
arme buurt in een stad
in de hel zijn
in een erg slechte situatie zitten
Hoofdgedachte: Laika wordt in Moskou van straat geplukt en meegenomen.
12
Thema 4 - les 4
Ik ben Laika: tekst 3
5
“De dagen erna brak de hel los. Een voor een werden we uit onze kooien gehaald. Een voor een werden we gekeurd door een man in witte jas. Hij keek in mijn bek, hij scheen met een lamp in mijn ogen, kneep hard in mijn buik. We werden uitgedund. Kooien bleven leeg. Honden bleven weg. Ik vroeg me af of de honden die niet terugkwamen geluk of pech hadden. Waren ze terug naar de stad gebracht? Of waren ze met een spuitje ...
10
15
20
Na een paar dagen werd ik opgehaald. De man in witte jas en met de zware donkere bril zei geen woord. Ik probeerde in zijn ogen te kijken, te raden wat hij met me van plan was. Hij ontweek mijn blik. Hij liet me achter in een kleine kist en draaide het licht uit. Er was niets om mee te spelen. Er was ook geen plaats om te spelen. Er was niets om te eten of te drinken en het was er onvoorstelbaar stil. Ik weet niet wanneer de man met de witte jas me weer kwam ophalen. Ik weet niet hoelang ik opgesloten zat in de kist. ‘Braaf beest. Flink zo’, zei de man met de witte jas. Ik was woest. Ik? Een beest? Wat gebeurt er toch, vroeg ik me voortdurend af. Kan dit stoppen? Kan dit nu stoppen, alstublieft?
Het antwoord bleef niet lang uit. Ik kreeg het van een vlieg. Vliegen weten alles; ze zijn overal snel bij en hebben duizenden ogen. De vlieg zei: ‘Laika, een van jullie wordt in een raket gestopt en de ruimte ingeschoten.’ Ik schoot in de lach. ‘Doe je grapjas maar uit, vliegje’, zei ik. 25
‘“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het
midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken
schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap.’
Zo begint het verhaal van een hond die geen gewone
hond is en van een meisje dat geen gewoon meisje is,
een verhaal dat loopt van hier tot in Rusland en tot in
Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ik ben Laika | Paul de Moor
En toen kreeg ik mijn ruimtepak aangemeten. Het was vreselijk. Het knelde onder mijn oksels. Het zat vast om mijn buik. Ik kon geen poot meer verzetten. Dagen achtereen zat ik opgesloten in het pak. En dat gebeurde niet één keer en geen twee keren, het gebeurde tientallen keren Meer lezen? en de periodes waarin ik erin opgesloten zat Ik ben Laika, Paul de Moor, Talentbib 4 werden langer en langer.” Oelewapper van de week Karla Stoefs | Mark Borgions
een raket om de aarde. Geen gewoon verhaal, dus.
Paul de Moor | Julie Tavernier
30
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
4
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
W
30/05/17 11:59
de hel is losgebroken de situatie is erg slecht geworden uitdunnen
dunner maken, (hier) er blijven er nog weinig over
woest
heel boos
Hoofdgedachte: Laika wordt in een kleine kooi gestoken en krijgt een ruimtepak. Ze willen een hond afschieten in een raket naar de ruimte. Thema 4 - les 4
13
Ik ben Laika: tekst 4
5
10
15
20
25
30
“‘Jij bent onze hond’, zei de man met de grote zwarte bril. ‘We bezorgen je de verrassing van je leven.’” “Ze opereerden me”, zei Laika. “Terwijl ze me in een diepe slaap hielden, propten ze allerlei spul in mijn lijf. Spul om mijn hartslag te meten, om mijn bloeddruk bij te houden, om mijn ademhaling te volgen.
‘“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het
midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken
schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap.’
Zo begint het verhaal van een hond die geen gewone
hond is en van een meisje dat geen gewoon meisje is,
een verhaal dat loopt van hier tot in Rusland en tot in
Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ik ben Laika | Paul de Moor
Ze hesen me in mijn ruimtepak en brachten me naar buiten. Ik jankte. Dat wat ik zag, joeg me meer angst aan dan honderd roedels wolven.” “Wat zag je dan?” vroeg ik. “Een stalen geraamte dat baadde in een spookachtig licht”, antwoordde Laika. “Het geraamte was heel hoog en tussen het geraamte plakte een raket. ‘Je taxi rijdt voor’, zei een van de mannen in witte jas. ‘In een maand gebouwd! Stel je voor! Als dat geen puik werk is’, zei hij trots. Ik vond het helemaal geen puik werk. Het was knutselwerk van de bovenste plank. Een van de mannen zei: ‘Er zitten wel een paar foutjes aan, mormeltje.’ Waarop een andere zei: ‘Ach, een paar foutjes! Ze heeft de grote eer om de geschiedenis in te gaan als het eerste zoogdier dat in een baan om de aarde vloog. Ze zal triomferen. Op handen gedragen worden!’ Hij draaide zich naar mij toe en zei: ‘Van harte gefeliciteerd, meid. Er zullen geweldige verhalen over je verteld worden. De kranten zullen vol staan over je heldenmoed. Tal van schrijvers zullen je roemen in boeken en je naam zal over de hele wereld bekend zijn. Laika, zullen de mensen zeggen, dat was nog eens hond!’ ‘Een baan om de aarde! Zijn jullie getikt? Jullie gebruiken mij! Ik ga dood en W het kan jullie niets schelen! Het gaat niet om mij! Het gaat om de wetenschap. de roedel Om een dolle wedstrijd tussen jullie en de Amerikanen. Jullie weten best wat ik groep, kudde ben: de hond in het kegelspel! Ja, dat ben ik. Geef maar toe! roemen Maar weer gespten ze me vast in een piepkleine ruimte en weer zetten ze goede dingen over klemmen op mijn oren en weer staken ze slangetjes in mijn oren. iemand zeggen De man die me mijn eten had gevoerd, zei: ‘Goede reis, meid. Tot straks.’ Hij gaf me een zoen op mijn snoet en sloot het luik. Spoetnik 2, stond in de binnenkant van de capsule. Spoetnik betekende reisgenoot. Reisgenoot? Ik was moederziel alleen! Ik vertrok op 3 november 1957”, zei Laika. Oelewapper van de week Karla Stoefs | Mark Borgions
Meer lezen? Ik ben Laika, Paul de Moor, Talentbib 4
een raket om de aarde. Geen gewoon verhaal, dus.
Paul de Moor | Julie Tavernier
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
4
30/05/17 11:59
Hoofdgedachte: Laika wordt op 3 november 1957 met de Spoetnik 2 de ruimte ingeschoten.
14
Thema 4 - les 4
3
Beantwoord de vragen over de teksten. a Zoek en kleur in tekst 2: hoe Laika eruitziet. b Tussen welke twee landen heerst er een wedstrijd? (tekst 2 en 4) tussen
Rusland
en
Amerika
c Kleur in oefening 3b: het land dat Laika de ruimte inschoot. d Zoek in alle teksten. Schrijf twee dingen op die fictie en twee dingen die non-fictie zijn. fictie
non-fictie
bv. honden die met elkaar praten
bv. zwerfhonden die opgepakt worden
bv. vliegen die praten met honden
bv. dieren in de ruimte
e Welke kleding droeg Laika toen ze de ruimte werd ingestuurd en waarom? (tekst 3) Ze droeg een spannend ruimtepak, bv. om haar te beschermen tegen de kou, het luchtledige ... f Noteer de oorzaak of het gevolg. Oorzaak Laika zwerft rond op straat. (tekst 2)
Gevolg Ze wordt meegenomen door mannen met witte jassen.
Laika wordt als eerste hond de ruimte
Laika is een beroemde hond. (tekst 1 of 4)
ingestuurd. g Nummer de gebeurtenissen in de juiste volgorde. 5
Op 3 november 1957 vertrekt Laika naar de ruimte.
1
Straathonden worden van straat geroofd.
4
Laika wordt geopereerd en krijgt apparaten ingeplant.
3
Laika wordt uitgekozen en krijgt een ruimtepak.
2
Mannen met witte schorten doen allerlei proeven.
Thema 4 - les 4
15
4
Maak een reclameboodschap waardoor straathonden willen deelnemen aan een programma dat hen naar de ruimte stuurt. a Kruis de kenmerken van reclame aan die je wilt gebruiken.
Ik maak een goede reclameboodschap. Deze kenmerken wil ik gebruiken.
Ik controleer.
Reclame stelt de werkelijkheid vaak mooier voor dan ze is. Reclame is origineel of probeert op te vallen door leuke tekeningen en felle kleuren te gebruiken. Reclame gebruikt slogans die de mensen makkelijk onthouden. Reclame ‘misleidt’ de consument door alleen maar de voordelen op te noemen en niet de nadelen. Reclame gebruikt vaak humor door bijvoorbeeld grappige afbeeldingen te tonen. Reclame gebruikt vaak beroemdheden of een typetje. Reclame gebruikt vaak indrukwekkende woorden om de koper te misleiden.
b Schrijf in het woordenweb waarvoor je reclame maakt. Schrijf er sleutelwoorden rond. Tip: sleutelwoorden geven antwoord op de vragen: Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom? Hoe?
c Omcirkel de sleutelwoorden die je wilt gebruiken in je reclameboodschap.
16
Thema 4 - les 4
d Verzin je reclameboodschap.
e Herlees je reclameboodschap. Kijk na met behulp van de checklist uit oefening 4a. Pas je reclameboodschap aan als dat nodig is.
5
Kleur in oefening 1 (p. 10): de vragen waarop je een antwoord hebt gekregen.
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik geef deze tekst Ik kon de hoofdgedachte van een tekst bepalen. Ik kon een onderscheid maken tussen fictie en non-fictie. Ik kon de oorzaak en het gevolg noteren bij een gebeurtenis. Ik werkte goed samen met mijn groep.
Thema 4 - les 4
17
les 6
Zelfstandige naamwoorden Ik kan zelfstandige naamwoorden herkennen. Ik kan een zelfstandig naamwoord in het meervoud schrijven. Ik kan het juiste lidwoord bij een zelfstandig naamwoord schrijven.
1
a Luister naar de instructie van je juf of meester en speel het spel. Persoon
Dier
Plant
Ding
Punten
Totaal aantal punten: W
de instructie opdracht die stap voor stap zegt wat je moet doen
b Lees de taalweter.
Wat is een lidwoord? Dat is gemakkelijk! Er zijn maar drie lidwoorden: de, het en een. Lidwoorden staan altijd bij een zelfstandig naamwoord: de grap, het bezoek, een plons. Het lidwoord een kun je bij alle zelfstandige naamwoorden gebruiken. Dat lukt niet altijd voor het en de. Is Nederlands niet je moedertaal? Dan vind je dit vast erg moeilijk. Enkele tips? >> Een kan altijd! >> Als je gokt, gok dan op het lidwoord de (er zijn heel wat meer de-woorden).
c Kleur in oefening 1a de woorden: waar je het lidwoord de voor kunt zetten. waar je het lidwoord het voor kunt zetten.
18
Thema 4 - les 6
2
Lees de taalweter.
Wat is een zelfstandig naamwoord?
boom
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten en dieren: >> >> >> >>
3
personen dingen planten dieren
papa, directeur, Carlos, juf, Anna ... kast, lijm, deur, schaar ... cactus, eik, roos ... hond, schaap, dinosaurus ...
Onderstreep in elke zin de zelfstandige naamwoorden. Tip: als je twijfelt, noteer dan het woord en schrijf er een lidwoord (de, het of een) voor. Mode begint in het hoofd van een modeontwerper. de mode 1 De ontwerper bedenkt nieuwe kledingstukken en maakt daar eerst tekeningen van.
de kledingstukken
de tekeningen
2 Daarna wordt het patroon getekend. 3 Dat gekleurde papier leg je op de stof en dan knip je het uit.
het papier
4 De verschillende onderdelen moeten dan aan elkaar worden genaaid.
de onderdelen
Thema 4 - les 6
19
4
Lees de taalweter.
Wat betekent enkelvoud? Wat betekent meervoud? Aan zelfstandige naamwoorden kun je horen en zien of het gaat om eentje (enkelvoud) of meer dan eentje (meervoud). In de meeste gevallen voeg je s of en toe aan het enkelvoud. Bv. enkelvoud meervoud meisje bed mens
meisjes bedden mensen
Er zijn ook bijzondere meervouden: Bv. enkelvoud meervoud kind kinderen ei eieren moeilijkheid moeilijkheden koe koeien
5
Speel drie op ‘n rij: – Schrijf het meervoud van een zelfstandig naamwoord. Schrijf het lidwoord ervoor. – Heb je het juist? Kleur het vakje in jouw kleur. Speler 1: Speler 2:
20
Thema 4 - les 6
de rok
de stof
de rokken
de zonnebril
de hoepels
de kopers
de modellen
de pruik
de ontwerpers
het verhaal
de meisjes
de tekening
de truien
het model
de ontwerper
het meisje
de trui
6
de fotografen
de hoepel
de stoffen
de fotograaf
de zonnebrillen
de koper
het laken
de verhalen
de modestad
de tekeningen
de pruiken
de lakens
het patroon
de modesteden
de patronen
Schrijf één zin met: – een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud, – een zelfstandig naamwoord in het meervoud, – het lidwoord het.
7
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een zelfstandig naamwoord herkennen in een zin.
Ik kon een zelfstandig naamwoord in het meervoud schrijven.
Ik kon het juiste lidwoord bij een zelfstandig naamwoord schrijven. Ik beleefde plezier bij het spelen van het spel. Ik speelde eerlijk.
Thema 4 - les 6
21
les 8
De kleren maken de man Ik kan een formulier invullen met informatie over mezelf. Ik kan mezelf voorstellen aan de hand van een interview.
1
Vul het formulier in.
Mijn persoonlijke gegevens: Naam: Voornaam: Adres:
Dit ben ik.
Geboortedatum: / / Geboorteplaats: Lengte:
:
Gewicht:
:
Kleur ogen:
Kleur haar:
Lievelingseten: Lievelingskleur: Favoriet kledingstuk: Deze kleren draag ik nooit: Leukste boek:
W
22
het formulier
papier waarop bepaalde gegevens ingevuld moeten worden
favoriet
iets wat je heel graag hebt of doet, bv. mijn favoriete sport is voetbal
Thema 4 - les 8
Dit vinden de mensen uit mijn omgeving leuk
Ik ben goed in: babbelen lachen zingen knutselen gamen slapen opruimen rommel maken koken treuzelen tekenen sporten rekenen
aan mij:
Mijn talent is: Dit zou ik beter willen kunnen: Dit zou ik meenemen op reis naar de ruimte:
Handtekening:
Mijn vurigste wens is (geen geld of spullen): Ik spring een gat in de lucht* als: enis in je de betek * Schrijf enboek. ekwoord minispre
ellen:
Dit wil ik nog over mezelf vert
Thema 4 - les 8
23
2
a Lees de taalweter.
Wat is een interview? Wist u dat interview zonder ‘u’ geschreven wordt?
Een interview is een gesprek. Eén persoon stelt een vraag, een andere antwoordt. Journalisten interviewen vaak mensen voor de radio, tv, krant of het internet. Zo komen ze te weten wat die mensen denken of wat ze meegemaakt hebben. Als interviewer is het belangrijk dat je goede vragen stelt: vragen waardoor je iets te weten komt en waarop mensen graag willen antwoorden. Anders zal je interview snel afgelopen zijn.
interview
b Interview je partner. Gebruik voor de vragen de informatie uit oefening 1. Je mag ook vragen verzinnen. Wissel daarna van rol.
3
Evalueer je interview. Ikzelf
Mijn partner
Ik gaf voldoende informatie over mezelf. Ik gebruikte weinig stopwoorden zoals ‘euh’. Ik kon antwoorden op de gestelde vragen. Mijn antwoorden waren niet te kort of te lang.
W
24
Thema 4 - les 8
evalueren beoordelen, controleren
4
Kies een tijdsperiode en ontwerp je outfit voor de modeshow. Tip: je mag ook woorden schrijven bij je ontwerp.
5
Voer je ontwerp uit.
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een formulier over mezelf invullen. Ik kon mezelf voorstellen in een interview. Ik werkte netjes. Ik werkte goed samen met mijn partner. Thema 4 - les 8
25
les 9
De show kan beginnen Ik kan een reclameboodschap schrijven. Ik kan een presentatie houden over mijn ontworpen kleren.
1
Maak een reclameboodschap voor de modeshow. Volg het stappenplan. STAP 1: Denk na. 1 Voor wie schrijven jullie? voor leerlingen, (groot)ouders, leraars ... 2 Waarom schrijven jullie? om publiek op de modeshow te krijgen 3 Welke soort tekst gebruiken jullie? een reclameboodschap, een uitnodiging 4 Met welke slogan lokken jullie het publiek? 5 Welke kenmerken van reclame gebruiken jullie?
Reclame: stelt de werkelijkheid vaak mooier voor dan ze is. is origineel of probeert op te vallen door leuke tekeningen en felle kleuren te gebruiken. gebruikt slogans die de mensen makkelijk onthouden. ‘misleidt’ de consument door alleen maar de voordelen op te noemen en niet de nadelen. gebruikt vaak humor door bijvoorbeeld grappige afbeeldingen te tonen. gebruikt vaak beroemdheden of een typetje. gebruikt vaak indrukwekkende woorden om de koper te misleiden.
26
Thema 4 - les 9
STAP 2: Maak een ontwerp van jullie reclameboodschap. Tip: werk met potlood. Verdeel de rollen: – De organisator leidt het groepswerk en zorgt ervoor dat iedereen meewerkt. – De schrijver schrijft de tekst na overleg met de groep. – De vormgever staat in voor de tekeningen, kleuren en opmaak. – De tijdbewaker zorgt ervoor dat de opdracht op tijd af is.
STAP 3: Controleer jullie boodschap.
Wij kijken na. Er staan geen spellingfouten in. Hoofdletters en leestekens staan op de juiste plaats. Er staat voldoende informatie in: Wat? Wanneer? Wie? Waar? De reclameboodschap ziet er aantrekkelijk uit.
W
aantrekkelijk knap, mooi om naar te kijken
STAP 4: Werk jullie reclameboodschap uit op een groot blad. STAP 5: Hang jullie reclameboodschap ergens goed zichtbaar op in de school.
Thema 4 - les 9
27
2
Zoek de betekenis van het spreekwoord op en schrijf die in het minispreekwoordenboek (p. 42).
Zo trots als een pauw!
3
a Gebruik de verkregen informatie om de vragen te beantwoorden. Tip: vergeet niet om een spreekwoord uit het minispreekwoordenboek te gebruiken.
1
WAT werd er gedr ag
en?
1 Wat kun je vert ellen over de lengte van de 2 Welke bijzonder e ve
rsieringen merk je
3 Hoe is het om de kl
eren te dragen?
2
WANNEER werd de kleding gedragen? 1 In welke tijdsperiode werden de kleren gedragen? 2 Wat was kenmerkend voor die tijd?
28
Thema 4 - les 9
op?
kleren?
3 HOE werd de kleding gemaakt? akt?
ma 1 Waaruit werd de kleding ge
id, 2 Werd het kledingstuk genaa
gedrapeerd, gevouwen ... ?
b Schrijf jullie presentatie uit.
W
de presentatie het aan elkaar praten van de onderdelen van een programma
Thema 4 - les 9
29
4
Hoe verliep de les voor jou?
Ik kon een reclameboodschap maken voor de modeshow.
Ik kon een presentatie schrijven. Ik kon tijdens de modeshow de kleding presenteren die ik heb gemaakt. Ik werkte goed samen met mijn groep.
30
Thema 4 - les 9
les 11
De Eigen Naampjes Ik kan eigennamen herkennen. Ik kan een verkleinwoord van een zelfstandig naamwoord vormen. Ik kan aangeven of een zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.
1
a Kleur: de zelfstandige naamwoorden. vijfendertig
grijze meetstok
inkleuren
naaldje Hutstraat
Dirk
Amerika patroon
bleek
slim broekspijpje
b Lees de taalweter.
Wat is een zelfstandig naamwoord?
boom
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten en dieren: >> >> >> >>
2
personen dingen planten dieren
papa, directeur, Carlos, juf, Anna ... kast, lijm, deur, schaar ... cactus, eik, roos ... hond, schaap, dinosaurus ...
a Lees de taalweter.
Wat is een eigennaam? Hoe heet jij?
Noor?
Finn!
We hebben allemaal een eigen naam. Die schrijven we met een hoofdletter. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigen naam. Die eigennamen schrijven we ook met een hoofdletter. Bv. Mijn hond heet Bas. Die mannetjes zijn van Playmobil. Ik woon in de stad Brussel. Eigennamen zijn dus zelfstandige naamwoorden.
Thema 4 - les 11
31
b Kleur in elke zin: de zelfstandige naamwoorden. c Onderstreep de zelfstandige naamwoorden die een eigennaam zijn 1 De nieuwe kledingwinkel in Kampenhout is bijna open. 2 Mijn blauwe trui is vuil! 3 De stoffige kleren van oma Miek zijn grappig. 4 Lies is een goede naaister, net zoals haar moeder, mevrouw Thielemans. 5 De leerlingen van het ‘Modehuis’ willen ooit zo beroemd worden als Christian Dior. 6 Tijdens de modeshow in Londen fotograferen de fotografen enkele unieke kledingstukken.
3
a Lees de taalweter.
Wat is een verkleinwoord?
Het was een ongelukje!
Verkleinwoorden gebruik je om: >> iets kleins aan te duiden. Bv. Ik heb een broertje. >> iets liefs aan te duiden. Bv. Wat ben jij toch een schatje! >> iets onbelangrijks aan te duiden. Bv. Het was maar een ongelukje!
b Onderstreep de verkleinwoorden in de titels van kinderliedjes. 1 Al le ee nd r jes z wemmen in het wate 2 H o ed je van papier je nnet o i t a t s 4 3 In een klein Ik zag n mere twee beren broodjes s c Kruis aan waarom er in de kinderliedjes verkleinwoorden staan. x Om iets kleins aan te duiden. x Om iets liefs aan te duiden.
Om iets onbelangrijks aan te duiden. d Schrijf een zin met een verkleinwoord om iets onbelangrijks aan te duiden. bv. Het was maar een grapje.
32
Thema 4 - les 11
4
Vorm het verkleinwoord van de zelfstandige naamwoorden. Schrijf het op de juiste plaats. Let op: pas waar nodig het lidwoord aan. de hond – de koning – de meneer – de schaar – de jurk – het spel – de pan – het geheim – de riem – de ketting op je
op tje
het hondje
het meneertje
het geheimpje
het jurkje
het schaartje
het riempje
op kje
5
op pje
op etje
het koninkje
het spelletje
het kettinkje
het pannetje
a Lees de taalweter.
Bestaan er mannelijke en vrouwelijke woorden? Ja hoor! Er bestaan zelfs ook onzijdige woorden. Het genus van het zelfstandig naamwoord bepaalt hoe je naar dat woord moet verwijzen. Hij of zij? Bv. De voetballer is moe.
W
Hij is moe? / Zij is moe?
Zijn of haar? Bv. De klauwen van die leeuw zijn scherp. Mannelijk
De computer is versleten. Hij werkt erg traag. Zijn geheugen zit vol.
Zijn klauwen? / Haar klauwen?
Vrouwelijk
De peer is lekker. Ze is lekker sappig. Haar schil is mooi groen.
onzijdig zonder geslacht, niet mannelijk of vrouwelijk
Onzijdig
Het schaap staat in de stal. Het heeft honger. Zijn voederbak is leeg.
Thema 4 - les 11
33
b Omcirkel of het onderstreepte zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Je mag een (online) woordenboek gebruiken. Tip: vervang het zelfstandig naamwoord door hij, zijn, zij, haar of het. 1 De kledij is versleten.
mannelijk / vrouwelijk / onzijdig
Ze is versleten. 2 We geven het kledingstuk aan de naaister.
mannelijk / vrouwelijk / onzijdig
We geven het kledingstuk aan haar. 3 Het hemd is zo weer hersteld.
mannelijk / vrouwelijk / onzijdig
Het is zo weer hersteld. 4 Opa is tevreden met het resultaat.
mannelijk / vrouwelijk / onzijdig
Hij is tevreden met het resultaat.
6
a Schrijf het juiste lidwoord bij de zelfstandige naamwoorden: de of het. b Kleur: de eigennamen. de onzijdige woorden.
de
het
rok de
de
team
het
Noordzee
schildpad
de
paard de
de
tram
ananas
politie
c Kies twee woorden uit en schrijf er het verkleinwoord van.
7
en
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een eigennaam herkennen.
Ik kon een verkleinwoord van een zelfstandig naamwoord vormen. Ik kon aangeven waarom een verkleinwoord wordt gebruikt. Ik kon aangeven of een zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.
34
Thema 4 - les 11
België
het
goud
les 12
Een vormgedicht Ik kan een vormgedicht herkennen en lezen. Ik kan informatie halen uit een vormgedicht. Ik kan een vormgedicht ontwerpen.
1
Kies drie gedichten die in de klas hangen. Schrijf telkens het nummer, de titel, de hoofdgedachte en de vorm van het gedicht op.
titel
vorm
hoofdgedachte
1
Een eigen idee
Iemand vraagt hulp
vraagteken
omdat hij geen idee heeft.
Bevrijde vlinder/
Een vlinder zat vast in
vlinder/paraplu
Paraplu
paraplu.
Wat is hier aan de
Iemand wikkelt zijn arm
ingewikkelde arm/
hand?/Over de giraffe
giraffe
2/3
een web en werd bevrijd. / Iemand zoekt zijn
4/5
in een verband. / Een beschrijving van een
giraffe
Thema 4 - les 12
35
2
Kies een gedicht en maak er een vormgedicht van op tekenpapier. 2
1
Jas
Ze had een jurk
Mijn nieuwe jas is dik – het lijkt wel een woning. Ik ben de huurder, ik ben de koning. Ik heb muren met mouwen tegen de kou. Ik heb geen deur, en geen deurbel, maar als je moet bibberen beloof ik jou dat jij in mijn kasteel van kleren gezellig een dagje mag komen logeren.
Ze had een jurk met bloemknoppen aan en toen ze in de zon ging staan zijn al die knopjes één voor één open gegaan. © Riet Wille
Uit: Superguppie is alles (Edward van de Vendel), 2014, Em. Querido’s Uitgeverij
3
Blauwe schoenen Ik heb nieuwe schoenen. Bruine. Ik had liever die blauwe gehad, maar als mijn voeten nooit meer groeien en mijn schoenen verslijten niet omdat het zulke goede kwaliteit is, dan loop ik als bejaarde voor gek op blauwe schoenen en daarom hebben we toch maar besloten – mam vooral – om die bruine te kopen. Maar ik had liever die blauwe gehad. Uit: Hou van mij (Ted van Lieshout), 2009, Uitgeverij Leopold
3
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een vormgedicht herkennen. Ik kon een juiste vorm kiezen voor een vormgedicht. Ik werkte goed samen met mijn partner.
36
Thema 4 - les 12
W
het vormgedicht gedicht in de vorm van het onderwerp van het gedicht
les 15
Favoriete woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan woorden opzoeken in het woordenboek.
1
a Lees de taalweter.
Hoe vind ik snel een woord in het woordenboek? Je leerde het woordenboek gebruiken. Weet je nog? 1 I n het woordenboek staan de woorden in alfabetische volgorde.
2 1
5
et eerste en laatste woord van 2 H elke pagina staan bovenaan op die pagina. Dat zijn de trefwoorden. an werkwoordsvormen zoek 3 V je de infinitief.
3
ij een zelfstandig naamwoord 4 B zoek je altijd het enkelvoud op. e betekenis van 5 D zegswijzen, uitdrukkingen en spreekwoorden vind je door het belangrijkste woord op te zoeken.
4
b Zoek de woorden op in het woordenboek. Schrijf het woord op dat onder het opgezochte woord staat. 1 instantie
instappen
3 degelijk
degen
2 patrijs
patrijspoort
4 sereen
sergeant
Thema 4 - les 15
37
2
a Schrijf in elk kader het themawoord dat bij de zin past. Kies uit: het doel – het formulier – het middel – de instructie – de presentatie
Quiz 1 Je leert de betekenis van de themawoorden. at doe je door quizvragen te maken en te D stellen.
2
Eerst maak je in groep vier quizvragen over de woorden uit dit thema. Daarna stel en beantwoord je de quizvragen met de klasgroep.
3
De meester of juf wijst iemand aan die helpt bij het aan elkaar praten van de onderdelen van de quiz.
4
5 Vul per quizvraag het papier hieronder in.
1
2
3
4
5
het doel
het middel
de instructie
de presentatie
het formulier
b Maak een vraag van elke soort.
Soort 1: een waar-of-niet-waar-vraag over een themawoord.
waar / niet waar
Soort 2: een meerkeuzevraag met drie keuzes, waarvan maar één juist is. A B C
Soort 3: een open vraag, waarvan het antwoord een themawoord is. Vraag: Antwoord:
38
Thema 4 - les 15
betekent:
3
Schrijf het juiste woord onder de tekening. Kies uit: de slogan – de sloppenwijk – het scharminkel – woest
4
het scharminkel
de slogan
woest
de sloppenwijk
Vul elk woordenweb aan met een passend themawoord. Tip: gebruik het blad met de woorden uit het thema. het ziekenhuis
verdoven
spuitje
geen pijn
zweven
gewichtloos
de astronaut de ruimte
kijken mooi
aantrekkelijk
knap
Thema 4 - les 15
39
5
Lees de teksten. Vul de juiste naam in. 1 In het bedrijf van Frans maken ze auto’s. Dat gebeurt met verschillende machines.
2 Ilse zegt: “I k vind Ilon a fantastisc is steeds erg h. Ze aardig voo r iedereen. is ook heel Ze slim en help t me altijd mijn huisw met erk.”
3
Ouassim verzint van alles. Hij bedenkt dingen die niet echt gebeurd zijn en maakt daar verhalen over.
4
a.
aar mam
voor h bloemen t p o o k Dalila de kassa. n a a lt a a t Ze be
Ouassim Frans
6
heeft veel verbeelding.
Dalila
is fabrikant.
Ilse
is consument. roemt haar vriendin.
Evalueer de les. 1 Na deze les ken ik de themawoorden:
nog steeds niet
een klein beetje
behoorlijk goed
2 Deze les was:
40
helemaal niet leuk
Thema 4 - les 15
best leuk
superleuk
zeer goed
7
Wat is jouw favoriete sport of hobby? Leg uit waarom.
8
Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden en kon ze gebruiken. Ik kon woorden opzoeken in een woordenboek.
Thema 4 - les 15
41
Minispreekwoordenboek Figuurlijk taalgebruik: De kleren maken de man. Betekenis: Bij het beoordelen van iemand, ga je vaak af op zijn uiterlijk.
Figuurlijk taalgebruik: iets broodnodig hebben Betekenis: iets heel hard nodig hebben Het is onmisbaar.
Figuurlijk taalgebruik: naar de haaien zijn Betekenis: voorgoed verloren zijn
Figuurlijk taalgebruik: als een hond in een kegelspel Betekenis: ongewenst, ongelegen
Figuurlijk taalgebruik: De hel is losgebroken. Betekenis: De situatie is erg slecht geworden.
Figuurlijk taalgebruik: een gat in de lucht springen Betekenis: heel blij zijn
Figuurlijk taalgebruik: zo trots als een pauw Betekenis: erg trots
42
Thema 4 - les 15
THEMA Help!
5
les 3
Help, ik heb mijn woorden verloren! Ik kan passende tussentitels bedenken. Ik kan aangeven wat eerst gebeurde in een verhaal (chronologie). Ik kan het hoofdpersonage en de nevenpersonages opnoemen.
1
Zoek de woorden onder de vlekken.
“NEE, NIET NOG WOORDEN!” schreeuwde hij. Hij kon het op geen enkele manier stoppen. Er wipten meer en meer
uit zijn hoofd: hazelnoot, eekhoorn, kastanje, grasmachine ...
In paniek rende hij naar binnen, iemand moest hem ! Maar zijn moeder was nog niet thuis van haar werk en de zussen speelden muziek. Hij stopte 5
zijn oren dicht omdat hij knettergek werd van het lawaai. Antonio kreeg het dat er niemand overbleef met wie hij
kon, nu Oscar de buitenkat niet meer was dan een
wolkje as. “Mam, mijn
glippen weg! Ik denk dat mijn hoofd leegloopt!”
“Nu niet, Antonio, ik ben aan het koken”, zei zijn moeder. Ze schoof een schotel in de oven en 10
zette de mixer in de soep. Aan tafel probeerde Antonio weer over zijn
te beginnen, maar het gekwetter van
de zussen kon hij niet overstemmen. “IK BEN BANG OMDAT MIJN VERDWIJNEN!” riep hij uit.
r. 2
woorden
r. 3
helpen
r. 5
gevoel
r. 6
praten
r. 8
woorden
r. 11
probleem
r. 13
woorden
Thema 5 - les 3
45
2
Lees deel 1 van het verhaal en beantwoord de vragen.
Antonio en de luisterkat
5
Je zweeft met een luchtballon over Wemele, in de richting van het meer. Je volgt de Blokweg en zoekt het vierde huis aan je linkerkant. In de wei achter het huis staat een grote tent. Ze lijkt op een wigwam en ze is beschilderd met kleurige dino’s. Dat is de dinotent van Antonio. De plek waar hij schuilt als het te druk wordt in huis. Tja, wat wil je met vier zussen die muziek maken! Sien speelt piano, Door viool, Saar gitaar en Rosita drums. Knetter wordt Antonio ervan als ze samen oefenen in de woonkamer. Kun jij goed tegen lawaai of drukte?
10
Vandaag is het weer zo’n oorverdovende dag waarop hij de rust van zijn tent nodig heeft. Antonio aait Luisterkat zacht over haar kop en haar rug. “Ik ben niet zo goed in praten met mensen”, zucht hij. “Daarom vertel ik mijn problemen liever aan jou. Jij verstaat misschien de woorden niet, maar je begrijpt ze wel, Luisterkat. En jij geeft geen kritiek. Praat jij wel eens met je huisdier? Wat zeg je dan? De wind blaast de tent open. Er waait een goudgeel blaadje naar binnen. “Weet je wat zo fijn is, Luisterkat?” zegt Antonio, terwijl hij haar tussen de oren krabbelt. “Dat ik sinds vorige herfst geen enkel woord meer verloren 15 heb! Beter nog, ik heb ze bijna allemaal terug, zelfs de moeilijke zoals: punctueel. Dat betekent stipt en nauwkeurig. Papa is punctueel. De zussen lachen er weleens stiekem om, maar dat zou ik echt niet durven.” Antonio huivert als hij aan vorig jaar denkt. Eén ding 20 weet hij zeker. Het begon op die herfstige dag dat Oscar, de buitenkat, doodging.
Hoe het een jaar geleden begon Toen Antonio zijn straat indraaide, bleef hij verbaasd staan. In de goot, tegen de rand van het trottoir, lag een zwarte kat met witte pootjes. Toen hij aarzelend wat dichterbij kwam, begreep hij dat het Oscar de buitenkat was die daar lag en dat hij dood was.
W
46
de wigwam
tent van de indianen
oorverdovend
heel luid
de kritiek
wat je niet goed vindt aan iets
huiveren
rillen omdat je bang bent of kou hebt
Thema 5 - les 3
a Kleur in de tekst: de naam van het hoofdpersonage. b Maak de plattegrond af. Teken het huis en de tent van Antonio.
c Wordt dit deel van het verhaal chronologisch verteld? ja x nee d Kleur in de tekst:
W
chronologisch in de juiste volgorde, zoals het in werkelijkheid gebeurt of gebeurde
de zinnen waaraan je dat ziet. Tip: Zoek naar woorden als gisteren, eerder of vorige week. Je kunt ook naar de tijd van het werkwoord kijken: wordt er omgeschakeld van de tegenwoordige naar de verleden tijd?
Thema 5 - les 3
47
3
Lees deel 2 van het verhaal en beantwoord de vragen.
bv. Antonio en de vliegenzwam Toen hij later vooraan in de klas stond, wiebelde hij zenuwachtig van het ene been op het andere. Gisteravond kende hij de tekst over de vliegenzwam op zijn duimpje, maar toch voelde hij zich onzeker. Pauline en Jacoba, de tweeling, knikten en staken hun duim in de lucht. Wat was jouw laatste spreekbeurt voor de klas? Vind je het leuk om iets te vertellen voor de klas? Waarom (niet)?
5
10
15
“Ik ga jullie vandaag vertellen over de ...” Toen stopte hij ineens. Het beeld van de vliegenzwam zat haarscherp in Antonio’s hoofd: een rode of oranje paddenstoel met witte stippen. Het woord was echter verdwenen, gewoon gaan vliegen. Het lag op het puntje van zijn tong, maar hij kreeg het niet te pakken. Hij voelde zich paniekerig worden. “Ik wilde over een paddenstoel vertellen, maar ik ... ik ben de naam vergeten”, zei hij met bevende stem. De hele klas lachte, behalve Pauline en Jacoba, want zij namen het altijd op voor Antonio. “Gewoon kalm blijven nadenken, Antonio”, raadde juf Irene hem rustig aan. “Vertel ons alles wat jij je nog wel herinnert over de paddenstoel.” Antonio ademde diep in en begon opnieuw: “De paddenstoel heeft een hoed ... en ook een voet ... en ...” Hij wist zoveel meer, maar ‘sporen’ en ‘plaatjes’ en ‘ring’ ... waren allemaal verdwenen. Er zaten opeens gaten in zijn brein. Hij barstte in tranen uit en zei: “Oscar is dood.” W
iets op je duimpje kennen iets door en door kennen, uit je hoofd haarscherp heel scherp of duidelijk op het puntje van mijn tong liggen iets wel weten maar er niet op kunnen komen
a Schrijf een passende tussentitel boven het fragment. b Kleur de zinnen in de tekst: waarin Antonio zijn woorden verloren is. c Waardoor verloor Antonio zijn woorden? Er zaten gaten in zijn brein en/of Oscar is dood.
48
Thema 5 - les 3
4
Lees deel 3 van het verhaal en beantwoord de vragen.
bv. Antonio en de eeneiige tweeling Pauline en Jacoba waren een eeneiige tweeling. “Wij komen uit een ei met twee dooiers”, grapten ze soms. Ze leken op elkaar als twee druppels water, nu ja, toch bijna. Jacoba had een vlekje op haar rechterwang waar ze trots op was; ze 5 noemde het haar schoonheidsvlekje. Antonio vond die twee leuk, waarschijnlijk ook omdat ze twee papa’s hadden. Volgens hem waren pa Toon en pa Tijs de meest coole pa’s van de wereld. Het leek wel alsof Toon en Tijs nooit boos konden worden op de tweeling. Wat de twee ook uitspookten, de pa’s vonden het altijd geweldig en 10 grappig.
20
25
Maar vandaag had Antonio er geen zin in: niet om te antwoorden, niet om wie of wat dan ook te zien! “Het blijft daarbinnen zo stil”, zei Jacoba ongerust. Hij heeft vast gewoon een luie dag en slaapt nog, dacht Pauline. 15 “Wat denk je, zullen we samen hard gillen?” Het enige antwoord dat ze op hun oorverdovend gebrul kregen, was een korte en boze knor. Maar daar lieten de twee zusjes zich niet door stoppen. Welkom of niet, op handen en voeten kropen ze de wigwam in. “Hoi, varkentje, kom eens uit je hok!” riep Pauline opgewekt. “Zwijntje, we hebben je deze week keihard gemist in de klas”, lachte Jacoba. Stukje bij beetje wroette Antonio zich uit zijn slaapzak. “Toen we daarnet bij je moeder stonden, vertelde ze ons dat je woorden W op elkaar lijken als kwijtraakt”, zei Pauline. ”Tjonge, dat is wel heel speciaal.” twee druppels water heel hard op elkaar lijken Verlies jij wel eens je woorden? Vertel. Zullen we je helpen om die verloren woorden terug te vinden, Antonio?” Antonio haalde zijn schouders op, schudde het hoofd en knikte ja. Pauline en Jacoba besloten dat hun vriend dus alles best snapte.
wroeten onrustig bewegen
a Schrijf een passende tussentitel boven het fragment. b Wordt het verhaal chronologisch verteld? x ja
nee
c Waarmee willen Pauline en Jacoba helpen? Ze willen Antonio helpen zijn verloren woorden terug te vinden. d Beeld Antonio’s reactie op de vragen en voorstellen van de tweeling uit aan je partner.
Thema 5 - les 3
49
5
Lees deel 4 van het verhaal en beantwoord de vragen. Antonio werd weer eens gepest op school. Hij liep daarom weg naar een vertrouwde plek.
bv. Antonio en de vervallen abdij Antonio leunde met opgetrokken benen tegen een zuil van bijna witte zandsteen. Hij keek naar boven; het dak van de abdij was helemaal verdwenen.
5
Ooit bij valavond, na een warme zomerdag, had pap hem hier mee naartoe genomen. De hemel had nog een tikje blauw van de dag vastgehouden, maar kleurde verder helemaal oranje, roze en paars. Pap had gezegd dat de ruïne hem rustig maakte na een drukke werkdag. Heb jij een plek die jou rustig maakt na een drukke dag op school? Bespreek met je partner.
10
15
20
Terwijl hij daar zo zat weg te dromen, besefte Antonio dat zijn vader ook van stilte hield. Alleen als pap riep dat de zussen moesten ophouden met hun lawaai werden ze stil als muisjes. Maar als hij dat vroeg, lachten ze alleen maar en gingen rustig verder. W Misschien moest ik maar naar een ... gaan, waar de abdij niemand een woord zegt, dacht hij. Dan zou ik klooster niet opvallen, niet ... zijn. de ruïne Ook het woord ‘abnormaal’ was ontsnapt. verwoest of Hoe langer hij piekerde, hoe banger Antonio vervallen gebouw werd, en hoe meer onrustwekkende vragen er opdoken. Wat als zelfs de simpelste woorden verdwijnen? Het is net alsof mijn kop vol muren zit, muren zonder ramen of deuren waar ik elke keer weer tegenaan bots. Wat als het helemaal wit of zwart wordt in mijn hoofd? Toen begon het ook nog te regenen, maar Antonio bleef zitten.
zwijgen. Niemand die zijn verdriet begrijpt! Boos trekt hij naar zijn dinotent. Maar Pauline en Jacoba laten
Oelewapper van week | Karla Stoefs De verloren woorden vande Antonio | Linda van Mieghem
Op een herfstdag ligt Oscar, de buitenkat, dood langs de weg. Antonio is ontroostbaar. Een voor een ontsnappen woorden uit zijn hoofd. Antonio besluit te
De verloren Oelewapper van de week woorden van Antonio Karla Stoefs | Mark Borgions
Meer lezen? De verloren woorden van Antonio, Linda van Mieghem, Talentbib 4
Linda van Mieghem | Harmen van Straaten
hem niet in de steek. Ze proberen alles om de verloren woorden terug te vinden.
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
4
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
30/05/17 11:59
a Schrijf een passende tussentitel boven het fragment. b Het fragment staat niet in chronologische volgorde. Kleur in de tekst: de zinnen die eerder gebeurd zijn. c Antonio is het hoofdpersonage. Schrijf de nevenpersonages uit de vier delen op. Sien, Door, Saar en Rosita (Antonio’s zussen), pap, Pauline en Jacoba (de tweeling), Toon en Tijs (de vaders van de tweeling)
50
Thema 5 - les 3
W
het nevenpersonage minder belangrijke persoon in een verhaal of film
6
Antonio wordt gepest in de klas omdat hij niet uit zijn woorden komt. a Hoe zou jij Antonio helpen? b Heb je al eens iemand in de klas geholpen die gepest werd? Zo ja, hoe?
7
Hoe eindigt het verhaal volgens jou?
8
Hoe verliep de les voor jou? Ik geef deze tekst Ik kon een passende tussentitel bedenken. Ik kon zien of een verhaal in chronologische volgorde staat. Ik kon het hoofdpersonage en de nevenpersonages in dit verhaal opnoemen. Ik werkte goed samen met mijn partner.
Thema 5 - les 3
51
les 4
Hallo, je spreekt met ... Ik kan een telefoongesprek voorbereiden. Ik kan via een telefoongesprek informatie inwinnen en er aantekeningen bij maken. Ik kan tips geven bij het beluisteren van een telefoongesprek.
1
Lees de taalweters.
Hoe houd ik een goed telefoongesprek? Misschien helpen deze tips: >> Begroet de ander. Stel jezelf beleefd voor. Bv.  Hallo, je spreekt met ... >> Vraag of je niet stoort. >> Vertel duidelijk waarom je belt. >> Schrijf op wat je niet wilt vergeten. >> Neem afscheid.
Wat bedenk ik voor ik iemand telefoneer? Denk hierover na: >> Wat wil je zeggen of vragen? >> Met wie zal of wil je spreken? >> Hoe doe je dat? Bv.  beleefd tegen de directeur, vriendschappelijk tegen een vriend >> Wanneer bel je het beste? Zorg dat je niet gestoord wordt. >> Heb je iets bij de hand om eventueel iets op te schrijven?
Met WIE spreek ik?
52
Thema 5 - les 4
2
a Lees de situatie. b Beantwoord de vragen.
Je speelt straks een belangrijke korfbalwedstrijd, maar je verloor het wedstrijdschema. Je weet niet waar en om hoe laat jullie verzamelen. De trainer is streng: als je er niet bent of te laat komt, mag je twee wedstrijden niet spelen. Je belt een teamgenoot om informatie in te winnen.
Voor ik iemand opbel, bedenk ik: 1 Met wie wil ik spreken? een teamgenoot 2 Hoe doe ik dat? Beleefd of vriendschappelijk? vriendschappelijk 3 Wat wil ik zeggen of vragen? Ik leg uit dat ik het wedstrijdschema niet meer heb en vraag of hij me kan vertellen waar en om hoe laat we verzamelen. 4 Welke aantekeningen maak ik? de plaats waar we verzamelen en het uur dat we daar verzamelen
W
(informatie) inwinnen vragen stellen om informatie te krijgen de aantekeningen
korte tekst of sleutelwoorden die je opschrijft
Thema 5 - les 4
53
3
a Lees de situaties. Kies er een uit. b Beantwoord de vragen. 1
Je vergat de oefenbladen voor de toets op school. Je kunt je toets dus niet goed voorbereiden. Je belt je beste vriend van de klas en vraagt welke opdrachten het belangrijkst zijn.
2
Je hond eet de laatste tijd minder. Je bent bang dat hij ziek is. Je belt de dierenarts om te weten wat er met je hond aan de hand is.
Voor ik iemand opbel, bedenk ik: 1 Met wie wil ik spreken? je beste vriend (1) / de dierenarts (2) 2 Hoe doe ik dat? Beleefd of vriendschappelijk? vriendschappelijk (1) / beleefd (2) 3 Wat wil ik zeggen of vragen? Ik vergat de oefenbladen op school en wil weten welke opdrachten belangrijk zijn (1) / Ik leg uit dat mijn hond ziek is en dat hij niet meer wil eten (2). 4 Welke aantekeningen maak ik? de belangrijkste opdrachten (en antwoorden) (1) / de raad die de dokter geeft en het spreekuur / adres als de dierenarts mijn hond wil onderzoeken (2)
54
Thema 5 - les 4
4
a Lees de taalweter
Wat vraag ik me af na een telefoongesprek? Denk hierover na: >> >> >> >>
Heb je je doel bereikt? Weet je wat je wou? Kreeg je wat je wou? Heb je alles goed begrepen? Wie belde je op? Was die ook tevreden? Heb je bekomen wat je wou?
b Beantwoord de vragen. Wie de beller observeerde: 1 Stelde de beller zich correct voor?
Wat kon beter?
2 Verliep het gesprek beleefd?
ja / nee
ja / nee
Wat kon beleefder?
3 Is het probleem van de beller opgelost? ja / nee
Wat had de beller anders moeten doen?
4 Nam de beller correct afscheid? Wie de
ja / nee
Wat kon beter?
gebeld werd persoon die op
de hij/zij de 1 Beantwoord
observeerde:
oproep correct?
Wat kon beter?
2
rek beleefd? Verliep het gesp
er Wat kon beleefd
ja / nee
ja / nee
?
e beller? 3 Hielp hij/zij d en doen? zij anders moet ij/ h ad h at W
rrect afscheid? 4 Nam hij/zij co
ja / nee
ja / nee
Wat kon beter?
Thema 5 - les 4
55
5
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een telefoongesprek voorbereiden. Ik kon via een telefoongesprek informatie inwinnen. Ik kon aantekeningen bij het telefoongesprek maken. Ik kon tips geven bij een telefoongesprek dat ik observeerde. Ik kon de feedback van anderen aanvaarden.
56
Thema 5 - les 4
les 6
Leuk, leuker, leukst Ik kan bijvoeglijke naamwoorden herkennen. Ik kan bijvoeglijke naamwoorden toevoegen aan een tekst om die rijker te maken. Ik kan trappen van vergelijking vormen.
1
Lees de taalweters.
Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord beschrijft hoe iets of iemand is. Reclamemakers zijn dol op bijvoeglijke naamwoorden, want zij willen graag vertellen hoe hun product is. Dan is 'bijvoeglijk' zelf een bijvoeglijk naamwoord!
De beste en de lekkerste chocolade Nieuwe collectie en ur kle e Verschillend Niet elke kleur is beschikbaar in de winkel Voeding tege n
de beste prijzen
Halve maantjes ricotta
Vloeibaar wasmiddel
De promotie is geldig t.e.m. maart.
met zachte frisheid
Normale prijs per l: 8 8,68
Waar vind ik een bijvoeglijk naamwoord? Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dit zelfstandig naamwoord aan. Bv. een nieuw bankstel, een nieuwe iPad, een groot geluk, een grote deugniet ... Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook los. Dan zegt het hoe het onderwerp is.
Mag ik jouw bijvoeglijk naamwoord zijn?
Bv. Vandaag ben ik zo vrolijk.
Thema 5 - les 6
57
2
Kleur in de tekst: de zes bijvoeglijke naamwoorden. Antonio liep weg van school omdat hij gepest werd. Hij verstopte zich in een vervallen abdij. Daar vond zijn moeder hem en nam hem mee naar huis.
Thuis stopte mam hem in een warm bad met schuim en legde droge kleren klaar. Zodra Antonio beneden kwam, wilde hij meteen weer naar zijn veilige dinotent trekken. Maar daar stak mam een stokje voor. “Morgen, tenminste als de zon schijnt, 5
kun je terug”, zei ze beslist. “Ik verwittig de school dat we je gevonden hebben.” Na een lang telefoongesprek met de vriendelijke directrice en met juf Irene,
10
zei mam: “We hebben afgesproken dat je even niet naar school hoeft, zodat je tot rust kunt komen.” Voor het eerst verscheen er een kleine
15
glimlach op Antonio’s gezicht.
ontsnappen woorden uit zijn hoofd. Antonio besluit te zwijgen. Niemand die zijn verdriet begrijpt! Boos trekt hij naar zijn dinotent. Maar Pauline en Jacoba laten
Oelewapper van week | Karla Stoefs De verloren woorden vande Antonio | Linda van Mieghem
Op een herfstdag ligt Oscar, de buitenkat, dood langs de weg. Antonio is ontroostbaar. Een voor een
De verloren Oelewapper van de week woorden van Antonio Karla Stoefs | Mark Borgions
Meer lezen? De verloren woorden van Antonio, Linda van Mieghem, Talentbib 4
Linda van Mieghem | Harmen van Straaten
hem niet in de steek. Ze proberen alles om de verloren woorden terug te vinden.
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
4
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
W
58
30/05/17 11:59
ergens een stokje voor steken
iets verhinderen
verwittigen
op de hoogte brengen
Thema 5 - les 6
3
Voeg bijvoeglijke naamwoorden toe aan de teksten, zodat de lezer meer te weten komt. 1 bv. lieve
Omdat Antonio niet naar school hoefde, mocht hij een tijdje naar zijn opa. Hij was dol op hem. Zijn opa had een
bv. gezellig
villaatje aan de
zee,
bv. woelige
in Frankrijk. Dat hadden hij en oma lang geleden gekocht. Oma was al tien jaar dood, maar nog 5
altijd vond je overal in het huisje herinneringen aan haar:
foto’s,
bv. oude
kleren in de kast, een
bv. stoffige
kapstok, een bv.
versleten
regenjas aan de
bv. blauwe
valiesje met spullen voor op vakantie ... Opa kon
niets wegdoen. 10
Antonio en opa maakten elke dag bv. verlaten
tochten. Het
bv. lange
strand, de
bv. wilde
zee, opa ... het waren
allemaal dingen die het rustig maakten in Antonio’s hoofd.
2 Al wandelend over het
bv. uitgestrekte
strand of terwijl
golfjes over zijn voeten spoelden, lukte het Antonio almaar beter de
bv. schuimende bv. zwarte
vlekken in zijn hoofd op te vullen. Bij elk woord dat hij zich herinnerde, maakten hij en opa een bv. vrolijk 5
dansje.
“Nu ik met pensioen ben, kan ik je vaker meenemen”, beloofde hij. Dat vond Antonio fijn, want mam en pap hadden nooit veel tijd voor hem: altijd druk, druk, druk. En de zussen waren best lief, maar ze maakten zoveel lawaai. “Het zijn echte kwetterkauwen”, blies Antonio. “Kwetterkauwen ... wat een
10
bv. prachtig
woord heb jij zonet uitgevonden!” lachte
opa. “Er zit dus heel wat meer in jouw hoofd dan je denkt.”
Thema 5 - les 6
59
4
Lees de taalweter.
Wat zijn trappen van vergelijking?
Ik wil de beste zijn! En ik nog beter!
Leuk is een bijvoeglijk naamwoord. Soms vind je iets leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruik je de trappen van vergelijking. Bv. Dat is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit.
5
a Schrijf de trap van vergelijking van jullie kaartjes op.
b Bedenk met je groep een andere trap van vergelijking.
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon bijvoeglijke naamwoorden herkennen. Ik kon bijvoeglijke naamwoorden toevoegen en zo een tekst rijker maken. Ik kon trappen van vergelijking maken.
60
Thema 5 - les 6
les 8
Doe het zo Ik kan een instructie herkennen. Ik kan een instructie uitvoeren.
1
Lees de taalweter.
Wat is een instructie en hoe schrijf ik er een? Een instructie is een tekst die stap voor stap zegt wat je moet doen. Bv. een eenvoudig recept Zelf een instructie schrijven is best moeilijk. Deze tips helpen je op weg: >> Vertel wat de lezer nodig heeft. >> Noteer wat de lezer stap voor stap moet doen. >> Maak elke stap zo duidelijk en eenvoudig mogelijk. >> Lees je instructie na.
2
FRUITBROCHETTES Wat heb je nodig? >> verschillende soorten fruit (bananen, appels, kiwi's, aardbeien ...) >> satéstokjes Bereiding (10 min.) >> Schil het fruit. >> Snij het fruit in stukjes of partjes. >> Steek de stukjes fruit op een satéstokje.
De dokter geeft Antonio een instructie. a Beluister het fragment opnieuw en schrijf de instructie op. 1 Blijf even thuis van school. 2 Verblijf overdag gerust in je dinotent.
W
de instructie opdracht die stap voor stap zegt wat je moet doen
3 Slaap ’s nachts wel in je eigen kamer. 4 Vraag Pauline en Jacoba om lekker vaak met je te spelen. 5 Kom elke week naar mij om even te babbelen. b Kleur in de instructie: de werkwoorden. c Op welke plaats in de zin staan de meeste van die werkwoorden? aan het begin van de zin
Thema 5 - les 8
61
3
Welke soort instructie is het? Kies uit gebruiksaanwijzing, stappenplan, recept en bijsluiter voor medicijnen. Omcirkel het juiste antwoord. Dit is een: gebruiksaanwijzing – stappenplan – recept – bijsluiter voor medicijnen
W
1
Help! Hoe maak ik een blokkenbouwsel?
1
Dit is een: gebruiksaanwijzing – stappenplan – recept – bijsluiter voor medicijnen 2
Leg drie blokken op een rij.
Schuif er twee blokken tegenaan.
3
Help! Hoe maak ik een gezonde traktatie?
Bereiding: 1 Was de aardbeien en verwijder de kroontjes. 2 Schil de kiwi’s en snijd ze in blokjes. 3 Verwijder het klokhuis van de appels en snijd in stukjes. 4 Schep bolletjes uit de meloen met een lepel. 5 Rijg aan de satéprikkers: een stukje appel, een bolletje meloen, een aardbei en een stuk kiwi.
Zet er twee blokken bovenop.
4
Plaats het laatste blok op de top.
Help! Hoe maak ik een cadeau voor dierendag?
1
2
3
Doe dat nog een keer om een vouw te maken.
Vouw volgens de stippellijn.
Vouw het papier dubbel.
5 Vouw volgens de stippellijn.
4
Thema 5 - les 8
Vouw volgens de stippellijn.
6 Teken het gezicht.
Dit is een: gebruiksaanwijzing – stappenplan – recept – bijsluiter voor medicijnen
62
de bijsluiter instructie over hoe je een medicijn moet gebruiken
Benodigdheden Voor 10 stokjes: – 10 satéprikkers – 10 aardbeien – 2 kiwi’s – 2 appels – een halve meloen
2
3
de gebruiksaanwijzing instructie over hoe je iets gebruikt
4
3
Help! Hoe kom ik tot rust?
1
4
2
Zit voorovergebogen op je knieën.
Zit op je knieën en laat je armen hangen.
Doe langzaam je hoofd omhoog.
Steek je armen in de lucht en duw jezelf omhoog.
7
6
5
Druk je ellenbogen opzij en laat je handen hangen.
Rek je langzaam uit.
Sta kaarsrecht.
Dit is een: gebruiksaanwijzing – stappenplan – recept – bijsluiter voor medicijnen 5
Help! Hoe steek ik een simkaart in mijn gsm?
1 Als het toestel is ingeschakeld, houdt u de aan/uit-toets ingedrukt en selecteert u uitschakelen OK om het toestel uit te schakelen. 2 Verwijder de achterklep.
3 Plaats de simkaart met de goudkleurige contactpunten naar omlaag.
6
Help! Ik heb hoofdpijn ... Hoe wordt ASPILAN KIDS gebruikt? Volg deze instructies nauwgezet tenzij uw arts u een ander advies gaf. Raadpleeg bij twijfel uw arts of apotheker. Hoe gebruiken en hoeveel? De gebruikelijke tijd tussen 2 toedieningen is 4 uur. De tabletten neemt u het best in met wat vloeistof, bij voorkeur na de maaltijden. Dit geneesmiddel is bedoeld voor kinderen. Tabletten: De normale dagdosis is 1 tot 2 tabletten, 1 tot 3 maal per dag. Toedieningswijze Tabletten om in te nemen langs de mond. Wat doet u als u meer van ASPILAN KIDS heeft gebruikt dan zou mogen? Wanneer u vermoedt dat u per ongeluk overdreven veel ASPILAN KIDS heeft gebruikt, neemt u dringend contact op met uw arts, apotheker of het Antigifcentrum (070/245.245). De eerste tekenen van overdosering zijn: braken, zweten, misselijkheid, buikpijn, draaierigheid en oorsuizen.
Dit is een: gebruiksaanwijzing – stappenplan – recept – bijsluiter voor medicijnen
Dit is een: gebruiksaanwijzing – stappenplan – recept – bijsluiter voor medicijnen
Thema 5 - les 8
63
4
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een instructie herkennen. Ik kon een instructie uitvoeren.
Ik werkte goed samen met mijn partner.
64
Thema 5 - les 8
les 9
Help, hoe schrijf ik een instructie? Ik kan een instructie opschrijven. Ik kan een goede instructie geven. Ik kan een instructie uitvoeren.
1
W
a Schrijf een recept over. Ik werk alleen. Ik werk per twee.
de benodigdheden wat je nodig hebt om iets te doen of te maken de bereidingswijze manier waarop je een gerecht moet klaarmaken
Recept:
Wat heb je nodig? (de benodigdheden)
Bereiding (de bereidingswijze):
b Maak een tekening van je recept of kleef een foto. Thema 5 - les 9
65
2
Schrijf het stappenplan voor het behandelen van een schaafwond. Help, ik heb een schaafwond! STAP 1: Spoel de schaafwond uit met lauw water. STAP 2: Verwijder het vuil met een pincet en maak de wonde schoon. STAP 3: Ontsmet de wonde. STAP 4: Dek de wonde af met een pleister.
Wat is een instructie en hoe schrijf ik er een? Een instructie is een tekst die stap voor stap zegt wat je moet doen. Bv. een eenvoudig recept Zelf een instructie schrijven is best moeilijk. Deze tips helpen je op weg: >> Vertel wat de lezer nodig heeft. >> Noteer wat de lezer stap voor stap moet doen. >> Maak elke stap zo duidelijk en eenvoudig mogelijk. >> Lees je instructie na.
3
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een instructie opschrijven. Ik kon een goede instructie geven. Ik kon een instructie uitvoeren.
66
Thema 5 - les 9
FRUITBROCHETTES Wat heb je nodig? >> verschillende soorten fruit (bananen, appels, kiwi's, aardbeien ...) >> satéstokjes Bereiding (10 min.) >> Schil het fruit. >> Snij het fruit in stukjes of partjes. >> Steek de stukjes fruit op een satéstokje.
les 11
Samenstellingen en afleidingen Ik kan samenstellingen maken. Ik kan een afleiding herkennen. Ik kan het grondwoord aanduiden.
1
a Lees de tekst.
Antonio zeulde een hele voorraad mee naar zijn wigwam: enkele computerspelletjes, zijn raceauto’s, drie dino’s en een zaklamp. Tekenpapier en kleurtjes waren ook onmisbaar voor een verblijf in de dinotent. Het zilveren horloge van opa stopte hij in zijn broekzak. Het was heel oud en had nog een mechaniekje dat je moest opwinden.
b Wat voor woorden zijn de onderstreepte woorden? Het zijn zelfstandige naamwoorden en bovendien zijn het
samenstellingen
.
c Lees de taalweter.
Wat is een samenstelling?
Hoe zou je dat kunnen noemen?
We bedenken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. We noemen zo’n woord een samenstelling.
Ik zou ‘computermuis’ zeggen ...
Bv. voetbal, handdoek, politiekantoor ... Samenstellingen kunnen ook uit meerdere woorden bestaan. Bv. hottentottententententoonstellingen ...
Thema 5 - les 11
67
2
a Lees de taalweter.
Wat is een afleiding? Sommige woorden bestaan uit een woord waaraan een klein stukje is toegevoegd. Ze zijn afgeleid van een bestaand woord.
? ? ?
Bv. Ik heb honger, dus ben ik hongerig. Soms staat het toegevoegde stukje vooraan. Dat noem je een voorvoegsel.
Ik hou van afleiding, juf!
Bv. bezoeken, oneerlijk, verkopen, geknor ... Soms staat het toegevoegde stukje achteraan. Dat noem je een achtervoegsel. Bv. zielig, zekerheid, bangelijk ... Woorden met een toegevoegd stukje noem je afleidingen. Soms hebben ze een stukje vooraan en achteraan (een voor- en een achtervoegsel). Bv. belachelijk, bijkomstig, benodigdheid ...
b Lees de tekst. c Omcirkel het grondwoord van de gekleurde afleidingen.
Jacoba en Pauline waren de volgende dag weer paraat. Ze hadden een dikke enveloppe bij zich, met kleurige briefjes waarop woorden stonden. Ze lieten Antonio papiertjes zien met: game, lolly, spuug, zetpil, citroen en kakkerlak. Spuug, zetpil en kakkerlak vonden ze zelf ontzettend belachelijk, maar bij Antonio kon er 5
geen lachje af.
spuug
“Kun je onze woorden allemaal lezen en snappen?” vroeg Pauline. Antonio knikte.
zetpil
“Dan moet je ze nu een voor een hardop lezen, Antonio”, zei Jacoba op het citroen
toontje van juf Irene. 10
Antonio klemde zijn lippen stijf op elkaar, schudde koppig van nee, stond op k
kakkerla
en kroop diep weg in de slaapzak.
zwijgen. Niemand die zijn verdriet begrijpt! Boos trekt hij naar zijn dinotent. Maar Pauline en Jacoba laten
Oelewapper van week | Karla Stoefs De verloren woorden vande Antonio | Linda van Mieghem
Op een herfstdag ligt Oscar, de buitenkat, dood langs de weg. Antonio is ontroostbaar. Een voor een ontsnappen woorden uit zijn hoofd. Antonio besluit te
De verloren Oelewapper van de week woorden van Antonio Karla Stoefs | Mark Borgions
Meer lezen? De verloren woorden van Antonio, Linda van Mieghem, Talentbib 4
Linda van Mieghem | Harmen van Straaten
hem niet in de steek. Ze proberen alles om de verloren woorden terug te vinden.
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
68
Thema 5 - les 11
4
30/05/17 11:59
3
4
5
Maak met een woord uit de linkerkolom en een woord uit de rechterkolom een bestaande samenstelling. Let op: gebruik elk woord maar één keer. 1
was
wolk
waspoeder
2
post
schrift
postzegel
3
regen
boom
regenwolk
4
hand
poeder
handschrift
5
peren
huis
perenboom
6
gemeente
zegel
gemeentehuis
Bedenk met elk woord een of meer samenstellingen. Wie vindt de meeste? 1 ziek
ziekenwagen
2 sport
bv. sportdag, sportploeg, balsport
3 trap
bv. trapleuning, roltrap
4 muziek
bv. muziekles, dansmuziek
5 woord
bv. woordenboek, stopwoord
6 verf
bv. verfkwast, verfkleur, lakverf
Schrijf gedurende één minuut zoveel mogelijk samenstellingen op van dingen die je in de klas ziet. Welk duo vindt de meeste? bv. tafelpoot
Thema 5 - les 11
69
6
Kleur in de woorden: het grondwoord. het stukje dat achteraan is toegevoegd (het achtervoegsel).
tweeling
probleempje prachtig
plooibaar
draaglijk
7
vergeetachtig
Kleur in de woorden: het grondwoord. het stukje dat vooraan is toegevoegd (het voorvoegsel).
behang
gesnurk
vergroot
herken
8
70
ondiep bevries
Vul de tabel aan. De afleiding
Wat vooraan is toegevoegd (= het voorvoegsel)
1 geschenk
2 tekenaar
3 onjuist
4 schoonheid
Wat achteraan is toegevoegd (= het achtervoegsel)
schenk
teken
juist
schoon
heid
5 kaboutertje
kabouter
tje
6 ontvluchten
ont
vluchten
7 onvindbaar
on
vind
baar
8 onbetaalbaar
on
betaal
baar
Thema 5 - les 11
ge
Het grondwoord
on
aar
9
Maak met elk woord een afleiding. 1 helpen
10
+ voorvoegsel
verhelpen
2 vermenigvuldig + achtervoegsel
bv. vermenigvuldiging
3 koning
+ achtervoegsel
bv. koninklijk
4 denken
+ voorvoegsel
bv. bedenken
5 lach
+ voorvoegsel
bv. gelach
6 haast
+ achtervoegsel
bv. haastig
Bedenk met je partner samenstellingen van drie woorden of meer. Schrijf ze op.
bruinebonensoep bv. langeafstandsraket
11
bv. openluchtzwembad
bv. vijfeurobiljet
bv. warmetruiendag
bv. warmwaterkraan
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon samenstellingen maken.
Ik kon een afleiding herkennen.
Ik kon het grondwoord aanduiden.
Ik werkte goed samen met mijn partner.
Thema 5 - les 11
71
les 12
Een gedicht voor Antonio Ik weet wat een vormgedicht is. Ik kan een vormgedicht maken. Ik kan een vormgedicht lezen.
1
W
Lees het vormgedicht. Mijn tand zit los
Tand,
mijn tand
zit los. Mijn tand zit los. Ik voel het met mijn tong.
Straks valt-ie eruit en dat staat zo vreselijk stom! Waarom wisselen je tanden? Je krijgt toch ook handen? je
wordt
je mist
geen
nieuwe
Stel je voor: wakker en een oor!
© Dorian
2
Schrijf een vormgedicht om Antonio te troosten omdat zijn kat overleden is. STAP 1: Schrijf op een kladblad een gedicht. STAP 2: Bedenk een leuke zin om mee te eindigen. STAP 3: Teken met potlood op een tekenpapier de vorm van een kat. STAP 4: Schrijf je gedicht in de vorm.
72
Thema 5 - les 12
het vormgedicht gedicht in de vorm van het onderwerp van het gedicht
3
Lees het vormgedicht van iemand anders. Geef feedback.
Een goed vormgedicht Het gedicht past mooi in de vorm. De inhoud van het gedicht past bij de vorm. De laatste zin van het gedicht is leuk. Deze tip(s) geef ik aan de schrijver:
4
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een vormgedicht omschrijven. Ik kon een vormgedicht maken. Ik kon een vormgedicht lezen.
Thema 5 - les 12
73
les 15
Haarscherpe woorden Ik kan de woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan de betekenis van woorden opzoeken in het woordenboek.
1
a Lees de taalweter.
Hoe vind ik snel een woord in het woordenboek? Je leerde het woordenboek gebruiken. Weet je nog? 1 In het woordenboek staan
2 1
de woorden in alfabetische volgorde. 5
2 Het eerste en laatste woord
van elke pagina staan bovenaan op die pagina. Dat zijn de trefwoorden. 3 Van werkwoordsvormen zoek
je de infinitief.
3
4 Bij een zelfstandig naamwoord
zoek je altijd het enkelvoud op. e betekenis van 5 D zegswijzen, uitdrukkingen en spreekwoorden vind je door het belangrijkste woord op te zoeken.
4
b Zoek het woord op in het woordenboek en vul aan.
74
1 krot
betekenis: oud, vervallen huis
lidwoord: het
meervoud: krotten
2 inschakelen
betekenis: elektrisch apparaat aanzetten (1 uitschakelen)
verleden tijd: schakelde in
andere vorm: heeft ingeschakeld
3 paal
uitdrukking met het woord paal: dat staat als een paal boven water
betekenis uitdrukking: daar valt niet aan te twijfelen
Thema 5 - les 15
2
Lees de tekst. a Vul de woorden in. Kies uit: aantekeningen – haarscherp – huivert – wint informatie in Inspecteur Kloeso wil te weten komen wie de diefstal gepleegd heeft. Hij
wint informatie in
bij de mensen die
gezien hebben wat er gebeurd is. Terwijl zij vertellen, maakt assistent Keizer
aantekeningen
boekje. Kloeso
huivert
in een als hij hoort
hoe de diefstal is gepleegd. Na een paar gesprekken weet hij wie de dader is. Hij arresteert
haarscherp
de man en neemt hem mee naar het bureau. b Wie is het nevenpersonage in dat verhaal? assistent Keizer
3
Lees de teksten. Schrijf erbij wat voor soort tekst het is. Kies uit: de gebruiksaanwijzing – de bijsluiter – de instructie – de kritiek
1
t een glas water. Neem driemaal per dag één pil in me ruiken. Niet samen met andere medicijnen geb 2 Haal het apparaat uit de verpakking. Maak de achterkant open en stop er twee batterijen in. Sch akel het apparaat in met de aan/uit-knop. 3 In je verhaal zitten veel spelfouten. Het is ook erg lang en nogal saai. Er staan te veel moeilijke woorden in. 4
1
bijsluiter
2 gebruiksaanwijzing
ver en strekte benen. Buig vooro Ga rechtop staan met ge arbij en aan. Hou je benen da raak met je vingers je ten er. gestrekt. Doe dat drie ke
3
kritiek
4
instructie Thema 5 - les 15
75
4
Schrijf de uitdrukking of het woord op de juiste plaats. Kies uit: op elkaar lijken als twee druppels water – op het puntje van mijn tong liggen – het vormgedicht
De z
ee aa
l is lang
e
n
5
al
vormgedicht
op het puntje van mijn tong
op elkaar lijken als twee
liggen
druppels water
Verbind wat bij elkaar hoort.
1
6
ka
Ik zag gisteren die bekende zanger met de lange blonde haren lopen. Je weet wel, hij heeft vorig jaar die wedstrijd gewonnen ... Hoe heet hij ook alweer?
de bereidingswijze
2
de gebruiksaanwijzing
3
de benodigdheden
Het stappenplan gaf duidelijk aan hoe ik het toestel moest gebruiken. Om een schilderij te maken heb je papier, verschillende kleuren verf, een beker water en kwasten nodig. Zet de taart veertig minuten in een oven van 180 graden.
Wat ken jij op je duimpje? Leg uit.
7
Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden en kon ze gebruiken. Ik kon de betekenis van woorden opzoeken in een woordenboek.
76
Thema 5 - les 15
THEMA
6
Sport & records
les 3
De donkere diepte Ik kan een tekst lezen en begrijpen. Ik kan de gevoelens van een personage herkennen en benoemen.
1
Lees deel 1 van het verhaal en beantwoord de vragen.
5
Miel wandelde de haven van Fari binnen. Fari was de hoofdstad van het eiland. De bib lag aan de andere kant van de haven, dicht bij de plezierboten van de eilandbewoners. Enkele opgewonden kreten zweefden zijn richting uit. Aan een van de kades van de haven maakten vier jongeren zich klaar om uit te varen. Op het dek van hun kleine zeilboot lagen zuurstofflessen. De jongeren kropen in hun duikpakken en sprongen blij op de boot. Waarom zouden de jongeren opgewonden zijn?
10
15
De grootste en gespierdste onder hen wees in de richting van Miel. Miel schrok, want hij besefte dat hij het viertal stond te bespioneren. De jongen gooide hem onvriendelijk een aantal Griekse woorden toe. De drie anderen lachten zich krom. Miel kleurde rood. De Griekse jongen maakte zich rond als een ton en waggelde over het dek van de boot. De drie anderen kwamen niet meer bij. Miel wendde zijn ogen af en wandelde gelaten verder. Hoe zou jij reageren? Waar hij ook kwam, was dit dagelijkse kost. Niemand kende hem echt, hij sprak de taal niet en met zijn omvang was hij een makkelijk doelwit. Miel mengde zich amper onder de jongeren, want zijn moeder gaf hem thuisles. Hij volgde geen lessen op school, dat had geen zin. Miel schudde de zorgen uit zijn hoofd en zette zijn tocht naar de bib verder.
W
de kade
stenen rand aan het water waar boten kunnen aanleggen
gelaten
kalm, zonder je op te winden (je legt je erbij neer)
de omvang
grootte, dikte
een makkelijk doelwit
iemand die je makkelijk kunt pesten
Thema 6 - les 3
79
a Kleur in de tekst: waar Miel is. b Wat gaan de jongeren op de boot doen? Ze gaan duiken. c Beschrijf in maximaal drie zinnen wat er gebeurt. bv. Miel is op weg naar de bibliotheek. Onderweg wordt hij uitgelachen door een paar stoere jongens op een boot die hem nadoen. Hij probeert er zich niets van aan te trekken. d Schrijf drie woorden op die volgens jullie vertellen hoe Miel zich voelt. 1 bv. geschrokken
2 bv. verlegen
3 bv. beschaamd
e Waarom reageert Miel gelaten? Miel is gewoon dat mensen met hem lachen en hij probeert er zich niets van aan te trekken.
2
Lees deel 2 van het verhaal en beantwoord de vragen.
5
10
Een klein meisje denderde met een rotvaart verder langs de kade. “Let op�, schreeuwde Miel, maar het was te laat. Ze struikelde over een rondslingerend touw en plonsde in het zwarte water. Hij keek in paniek rond, niemand leek het ongeval opgemerkt te hebben. De kinderen bleven naar het verdwijnende licht van de zeilboot staren. Miel gaf een schreeuw en liep naar de rand van de kade, tot op de plek waar het meisje in het water was gesukkeld. Hij gluurde naar beneden. Het water klotste rustig tegen de muur aan alsof er niets gebeurd was. Miel begon onbeheerst te trillen, paniek maakte zich van hem meester. Hij schreeuwde de longen uit zijn lijf. Enkele meisjes keken verstoord zijn richting uit. Hoe zou jij reageren?
15
80
Miels gedachten vlogen alle kanten uit. Ik wacht op hulp. Nee, dan is het misschien te laat. Ik spring in het water. Nee, ik durf niet te zwemmen in het donker. Ik kan haar niet vinden in dat zwarte water! Als ik nu heel hard schreeuw?
Thema 6 - les 3
20
25
30
W
“Springen!” schreeuwde het stemmetje in zijn hoofd. “Niet twijfelen! Doen!!!” In Miels hoofd vond er kortsluiting plaats en hij sprong. Zijn voeten weg van de bodem, zwevend in de lucht en dan een plons en veel water. Koud, kil en donker. Zijn kleren zogen zich vast aan zijn zware lichaam. Miel kreeg het benauwd en sloeg zich een weg omhoog. Hij hapte naar adem terwijl hij aan het watertrappelen was. Enkele kinderen op de kade wezen hem geschrokken aan. “Duiken!” siste de stem in zijn oor. Miel ademde diep in en dook in het zwarte water. Hij zag niks, hij voelde van alles. Zijn short plakte tegen zijn benen, maakte ze loodzwaar. Zijn T-shirt greep hem bij de keel en zijn handen leken een eigen leven te gaan leiden. Toch zette hij door. Zoekend tastte hij in het rond. Een gladde, lange vis gleed langs zijn gezicht. Miel slaakte een kreet. Zijn laatste restjes zuurstof gingen verloren in het water. Omhoog! Omhoog? Hij was alle gevoel van richting verloren. Het oppervlak kon links, rechts, onder of boven hem zijn. Het angstzweet brak hem uit. Hij trappelde verloren met zijn armen en benen op zoek naar zuurstof. Plots botste hij hard met zijn linkerbeen ergens tegen. Het meisje!
zich meester maken van iets in zijn macht krijgen, overmeesteren de kortsluiting de elektriciteit werkt niet meer; (hier figuurlijk) niet meer kunnen nadenken het angstzweet
zweet dat uitbreekt als je heel bang bent
a Kleur in de tekst: waar Miel is. b Waarom staat er een stuk in de tekst schuin gedrukt (r. 13 tot 17)? Dat zijn de gedachten van Miel. c Beschrijf in maximaal drie zinnen wat er gebeurt. bv. Miel wandelt langs de kade en ziet een klein meisje in het water vallen. Hij schreeuwt om hulp en springt in het water om haar te redden. d Schrijf drie woorden op die volgens jullie vertellen hoe Miel zich voelt. 1 bv. in paniek
2 bv. onzeker
3 bv. angstig
e “Omhoog! Omhoog?” (r. 29) Waarom staat het woord er twee keer? Miel wil omhoog zwemmen om adem te halen, maar hij weet niet meer waar omhoog is. Hij is in paniek.
Thema 6 - les 3
81
3
Lees deel 3 van het verhaal en beantwoord de vragen.
5
10
15
Miel en zijn ouders verhuizen vaak vanwege zijn vaders werk. Op het Griekse eiland Rinosanto voelt Miel zich helemaal thuis. Meestal verkent hij in zijn eentje het
eiland of neust hij in de boeken in de plaatselijke bib.
Maar een geheimzinnig briefje met een vreemd woord op laat hem niet meer los. En zo tuimelt hij van het ene avontuur in het andere …
Oelewapper van de week | Karla Stoefs De donkere diepte | Jeroen Defauw
Miel probeerde zijn ogen te openen. Het leek alsof ze toegeplakt waren met lijm. Met veel moeite kreeg hij ze open. Een bekend gezicht keek hem aan. “Mama”, hakkelde hij met gebroken stem. “Mijn kleine held!” glunderde ze van oor tot oor. Miel merkte dat er een heleboel mensen naar hem keken. Een grote, gespierde gedaante maakte zich los uit de groep. “Bedankt, broeder!” zei hij. Hij drukte Miel stevig tegen zich aan. Het was de kapitein van de zeilboot! “Ik ben Georgios,” stelde hij zich voor, “je hebt mijn zusje haar leven gered.” Het donkere water! Miels gedachten keerden terug. Het meisje dat W struikelend van de kade viel ... hakkelen “Waar is ze?” stamelde Miel. over je woorden struikelen Georgios trok hem recht en samen wandelden ze naar de met gebroken stem ziekenwagen. Een klein meisje op een draagbed lachte naar hen. krakende stem door “Dag Elena,” groette Georgios zijn kleine zus, “je redder komt je vermoeidheid of emotie bezoeken.” stamelen Meer lezen? niet uit je woorden komen De donkere diepte, Jeroen Defauw, Oelewapper van de week De donkere diepte Karla Stoefs | Mark Borgions Jeroen Defauw | Els van Egeraat
Talentbib 4 Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
4
30/05/17 11:59
a Kleur in de tekst: waar Miel is. b Beschrijf in maximaal drie zinnen wat er gebeurt. bv. Miel komt terug bij bewustzijn nadat hij het meisje uit het water redde. Ze is de zus van de jongen die hem ‘s middags uitlachte. Die jongen is nu beschaamd over zijn gedrag. c Schrijf drie woorden op die volgens jullie vertellen hoe Miel zich voelt. 1 bv. verward
2 bv. trots
3 bv. gelukkig
d Waarom zegt Georgios: “Bedankt, broeder!” (r. 8) Hij wil zeggen dat hij de redder van zijn zusje heel dankbaar is. Daarom noemt hij hem broeder.
82
Thema 6 - les 3
4
Welk gevoel past het best bij deel 1, deel 2 en deel 3? Schrijf het nummer onder de smiley.
1
5
3
2
Hoe verliep de les voor jou? Ik geef deze tekst Ik kon samenvatten wat er in elk tekstdeel gebeurt. Ik kon de gekke wedstrijd goed voorstellen. Ik kon me inleven in een ander personage en in een situatie. Ik werkte goed samen met mijn partner.
Thema 6 - les 3
83
les 4
Wie doet mee aan ons record? Ik kan een recordpoging verzinnen. Ik kan een oproep schrijven om deel te nemen aan een recordpoging.
1
a Voer de opdrachten uit.
1
W
Wie zegt de zin het vaakst juist na elkaar? “Als jouw teckel mijn teckel tackelt, tackelt mijn teckel jouw teckel terug.” Ik kon de zin
de teckel soort hond
keer juist na elkaar zeggen.
2
Speel het spe l. Hoeveel din gen onthoude “Ik ga sporten en n jullie? ik neem mee ... ” Wij stopten
dingen in onze
tackelen aanvallen in de sport, bv. om de bal te bemachtigen
sportzak.
3 Speel het spel. Hoeveel dieren bedenken jullie? Zeg om de beurt een dier dat begint met de laatste letter van het vorige dier. Je mag elk dier maar één keer opnoemen. Eerste dier: olifant ng? 4 djes met zijn to n ro e st ee m e d je tong. Wie draait Wij verzonnen dieren. Draai rondjes met . ar ka el op n pe Doe je lip Ik kon mijn tong
keer draaien.
b De winnaars van de klas zijn ...
1
84
Thema 6 - les 4
2
3
4
2
Schrijf jullie voorstel voor een recordpoging op.
3
a Lees de tekst. Bekijk de oproep extra aandachtig.
5
De jongen deelde folders uit aan iedereen die er Grieks uit zag. Miel kreeg er natuurlijk geen, maar een verdwaalde folder dwarrelde boven de grond. Een zeebries nam het ding mee de lucht in. Een toerist vlak bij Miel plukte hem uit de lucht, las de tekst en glimlachte. Die begreep Grieks! Miel trok zijn stoute schoenen aan en vroeg of hij ook Engels sprak. Kon hij vertellen wat er op de folder stond? De man knikte en vertaalde:
21e jaarlijkse grote duikwedstrijd! Wanneer? Zaterdag 16 september Waar?
De haven van Fari
Wat?
Zoektocht naar de schat op de bodem
Wie?
Voor Griekse kinderen van 12 tot 16 jaar
Inschrijvingen bij Georgios U komt toch ook?
helemaal thuis. Meestal verkent hij in zijn eentje het eiland of neust hij in de boeken in de plaatselijke bib. Maar een geheimzinnig briefje met een vreemd woord op laat hem niet meer los. En zo tuimelt hij van het ene avontuur in het andere ‌
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
de zeebries
Oelewapper van de week De donkere diepte Karla Stoefs | Mark Borgions Jeroen Defauw | Els van Egeraat
Meer lezen? De donkere diepte, Jeroen Defauw, Talentbib 4
4
Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's
W
Oelewapper van de week | Karla Stoefs De donkere diepte | Jeroen Defauw
Miel en zijn ouders verhuizen vaak vanwege zijn vaders werk. Op het Griekse eiland Rinosanto voelt Miel zich
30/05/17 11:59
wind die waait uit de richting van de zee
je stoute schoenen aantrekken al je moed verzamelen om iets te durven
b Kleur in de folder: de vragen. de antwoorden.
Thema 6 - les 4
85
4
Schrijf een oproep voor jullie recordpoging. STAP 1: Schrijf jullie oproep in het klad. Hou bij het schrijven rekening met deze vragen:
Wij controleren.
Een ander duo controleert. Wie organiseert het evenement? Wie mag er meedoen? Wie kan er komen kijken? Wat gebeurt er precies? Wanneer gaat het door? Waar gaat het door? Hoe is je oproep? Leuk? Ernstig? Verrassend? Hoe ziet je lay-out eruit? Opvallend? Met een mooie tekening? Grappig?
STAP 2: Zoek een ander duo dat klaar is. Lees elkaars oproep en controleer of alle vragen beantwoord zijn. STAP 3: Pas jullie oproep eventueel aan. STAP 4: Schrijf jullie oproep in het net. Denk aan de lay-out.
86
Thema 6 - les 4
5
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon mee een goed record verzinnen. Ik kon een goede oproep schrijven Ik werkte goed samen met mijn partner en mijn groep.
Thema 6 - les 4
87
les 6
Waarnaar verwijzen verwijswoorden? Ik kan verwijswoorden herkennen in een zin en aanduiden waarnaar ze verwijzen. Ik kan verwijswoorden aanvullen of gebruiken in zinnen en teksten.
1
a Lees de eerste tekst.
5
Tijdens mijn zoektocht naar de extreme prestaties bij mens en dier ontmoette ik Albert, de chimpansee. Volgens Albert zijn chimpansees en bonobo’s ongeveer de slimste dieren. Albert vindt mensen en dieren bijzondere wezens die uitzonderlijke prestaties kunnen neerzetten. In deze les onderzoeken we met Albert de zalm. Albert kan veel interessante weetjes over dat dier vertellen!
b Welk woord komt opvallend vaak voor in de tekst? Albert
c Lees de tweede tekst. Hoe vaak komt dat woord nu voor? twee keer
5
Tijdens mijn zoektocht naar de extreme prestaties bij mens en dier ontmoette ik Albert, de chimpansee. Volgens hem zijn chimpansees en bonobo’s ongeveer de slimste dieren. Hij vindt mensen en dieren bijzondere wezens die uitzonderlijke prestaties kunnen neerzetten. In deze les onderzoeken we met hem de zalm. Albert kan veel interessante weetjes over dat dier vertellen!
d Hoe komt het dat het woord minder vaak voorkomt? Er worden woorden gebruikt als ‘hij’ en ‘hem’ (verwijswoorden).
88
Thema 6 - les 6
2
Lees de taalweter.
Wat is een verwijswoord? Een verwijswoord verwijst naar iets dat (of iemand die) al eerder vernoemd werd. Verwijswoorden zorgen ervoor dat we niet steeds hetzelfde woord moeten herhalen. Bv.  Op een ochtend zag een reiger paling zwemmen in de Swalm.
3
Nee, dacht hij, dat is mijn smaak niet. Ik wil het neusje van de zalm.
Trek een pijl naar het woord of de woorden waarnaar de gemarkeerde verwijswoorden verwijzen.
Zalm zwemt stroomopwaarts Een zalm wordt geboren in een rivier, maar brengt zijn leven door in de zee. Zalmen blijven daar niet, ze keren terug naar de plaats van hun geboorte. Daarvoor moeten ze stroomopwaarts zwemmen. Andere vissen kunnen dat niet. Beeld je maar eens in dat je zelf onderaan een waterval staat en omhoog moet! Een zalm kan dat wel, hij is kampioen in tegen de stroom in zwemmen!
Aan de top | Annick Beyers
Aan de top Hallo, ik ben Albert, de chimpansee! Zelf ben ik heel erg slim (vinden jullie en ik ook), maar er zijn nog dieren die ongelofelijke prestaties neerzetten. En sommige mensen kunnen er ook wat van. Ik stel ze aan je voor!
Aan de top Annick Beyers | Bartjan Baarslag
Meer lezen? Aan de top, Annick Beyers, Talentbib 4
Wie kan er uren dobberen in ijskoud water? En wie kan harder rennen dan wie ook ter wereld? Wie leeft er in de diepste diepte van de oceaan? En wie zwemt tegen de stroom in de rivier op? Ontdek het allemaal in dit topboek!
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
NF-cover-leerjaar4-6-200x200-DEF.indd 7,9
4
13/07/18 14:09
Thema 6 - les 6
89
4
a Vul de tekst aan met verwijswoorden. Kies uit: zijn – ze – haar – ze – hij – die – ze
Zes uur, zo vroeg! Elina wil nog slapen, maar het geluid van het water naast de tent zorgt ervoor dat
dringend naar het toilet moet. Opstaan dan maar.
ze
In het ochtendlicht schittert het water. Dan ziet haar
ooghoeken. Droomt
ze
een beweging vanuit
ze
nog? Een vis springt uit het water
en zwemt tegen de stroom in! Dat kan toch niet? Dan ziet ze er nog een,
springt zelfs op de kleine
die
waterval! Ze roept haar broer. Younes gromt. Waarom moet hij
zo vroeg opstaan voor een vis? Humeurig
kruipt hij de tent uit.
Zijn
mond valt open van
verbazing: vijf springende vissen?!!
b Lees de tekst voor aan je partner en vergelijk. c Vul de tekst aan met verwijswoorden.
Oma en opa zoeken een cadeau voor Noors verjaardag. Plots rijdt een brommer oma bijna aan.
Ze
springt net op
tijd weg maar bezeert haar enkel. De jongen op de brommer stopt geschrokken. Samen met opa brengt
oma naar een winkel
hij
met spulletjes uit andere landen. De verkoper verzorgt oma’s enkel. Ondertussen kijkt opa rond in de winkel. Dan ziet “Die moeten Oma knikt,
we ze
hebben voor Noor!” roept
90
stamelen
Thema 6 - les 6
.
hij
vindt het een schitterend idee.
De jongen van de brommer betaalt. “Voor de pijn”, stamelt
W
een mooie knuffelbeer.
hij
niet uit je woorden komen
hij
geschrokken.
5
a Schrijf de zin opnieuw met een verwijswoord dat verwijst naar iets of iemand uit de zin. 1 Noor vindt de knuffelbeer van opa en oma het leukste cadeau. bv. Noor vindt de knuffelbeer van hen het leukste cadeau. / Ze vindt hun knuffelbeer het leukste cadeau. 2 Elina ziet vijf vissen in de rivier omhoog springen. bv. Ze ziet vijf vissen in de rivier omhoog springen. / Ze ziet hen in de rivier omhoog springen. b Schrijf twee zinnen. Schrijf in de tweede zin een verwijswoord dat verwijst naar iets of iemand in de eerste zin. 1 bv. Tom eet het liefst zalm uit de oven. 2 bv. Hij eet dat elke week. c Laat je partner het verwijswoord kleuren.
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon verwijswoorden in een zin herkennen en aanduiden waarnaar ze verwijzen. Ik kon verwijswoorden gebruiken in zinnen en teksten. Ik werkte goed samen met mijn partner.
Thema 6 - les 6
91
les 8
Extremen Ik kan een tekst lezen en begrijpen. Ik kan gelijkenissen vinden bij extreme prestaties van mens en dier.
1
Kruis de tekst aan die jullie lezen. Lees de tekst en beantwoord de vragen.
Tekst A: De mier
Albert: “Mieren zijn harde werkers. Het zijn krachtpatsers die de hele dag in de weer zijn. De mierenkoningin is de baas en zorgt voor eitjes. De ‘gewone’ mieren, die we werksters noemen, zorgen voor de larven en zoeken naar voedsel. Hoe ze dat allemaal voor elkaar krijgen? Dat vraag ik aan de mier.”
Albert: “Hoeveel gewicht kun jij dragen?”
De mier: “We weten het niet exact. Wetenschappers zijn het er niet over eens. Sommigen zeggen dat het 50 of 100 keer ons gewicht is, anderen zeggen dat we tot wel 5 000 keer ons eigen gewicht kunnen dragen.”
Albert: “Dat is heel veel. Hoe doen jullie dat?”
De mier: “We kunnen dat omdat we klein zijn en een licht lichaam hebben. Onze spieren hebben we niet nodig om ons eigen lichaam te dragen, dus gebruiken we al onze spierkracht voor het optillen van voorwerpen. Mensen zijn groter en hun spieren moeten hun lichaamsgewicht dragen. Die hebben geen schijn van kans met hun groot gewicht. Bovendien hebben wij een heel sterke nek.”
W
exact heel precies geen schijn van kans hebben helemaal geen kans maken
92
Thema 6 - les 8
Vragen bij tekst A 2
Welke woorden zochten jullie op?
3
a Wat kan de mier goed? Ze kan erg goed zware dingen tillen. b Hoe komt dat? De mier weegt erg licht en gebruikt haar spierkracht dus niet om haar eigen lichaam te dragen. Ze heeft ook een heel sterke nek.
4
Verzin een vraag voor de mier. Schrijf het antwoord op.
Thema 6 - les 8
93
Tekst B: Het jachtluipaard
Albert: “Het jachtluipaard (of cheeta) is de koning van de snelheid. Het is een grote, gestippelde kat die bekend staat als het snelste dier op het land. Het jachtluipaard kan tot 120 kilometer per uur lopen. Hoe snel dat exact is, wil ik wel eens van hem horen.”
W
exact heel precies geen schijn van kans hebben helemaal geen kans maken
Albert: “120 kilometer per uur lopen, hoe snel is dat eigenlijk?”
Het jachtluipaard: “Beeld jezelf in op de autosnelweg. Daar mag je in België maximaal 120 kilometer per uur rijden. Beeld je dan in dat ik naast jouw auto op het andere rijvak loop. Alleen kan jouw auto langer aan een stuk rijden en sprint ik meestal niet langer dan een minuut. Door het harde lopen krijg ik het zo warm dat ik kan sterven aan oververhitting. Daarom stop ik op tijd.”
Albert: ““Hoe komt het dat je zo kunt versnellen?”
Het jachtluipaard: De snelste raceauto’s kunnen niet wat ik kan, ze hebben geen schijn van kans. Ik haal een snelheid van 0 tot ruim 100 kilometer per uur in 3 seconden. Ik maak daarbij passen van zeven meter. Tijdens het sprinten komen mijn vier poten meer dan de helft van de tijd los van de grond. Ik vlieg als het ware over de vlakte.”
Waarom haalt de cheeta zoveel snelheid? • De cheeta is slank en gespierd; • hij heeft een kleine kop en lange poten; • en een uitzonderlijk flexibele wervelkolom.
94
Thema 6 - les 8
slechtvalk slechtvalk arend slechtvalk arend giervalk arend giervalk daas giervalk daas zeilvis daas zeilvis jachtluipaard zeilvis jachtluipaard springbok jachtluipaard springbok gnoe springbok gnoe kangoeroe gnoe kangoeroe leeuw kangoeroe leeuw vos leeuw vos olifant vos olifant Usain Bolt olifant Usain Bolt ijsbeer Usain Bolt ijsbeer chimpansee ijsbeer chimpansee varken chimpansee varken mens varken mens slak mens slak slak 30 30 230
Wie gaat het snelst? Wie gaat het snelst? Wie gaat het snelst?
389 km/uur 389 km/uur 320 km/uur
209 km/uur 209 km/uur 149 km/uur
389 km/uur 320 km/uur 320 km/uur
209 km/uur 149 km/uur 130 km/uur 149 km/uur 130 km/uur 120 km/uur 130 km/uur 120 km/uur 100 km/uur 120 km/uur 100 km/uur 80,5 km/uur 100 km/uur 80,5 km/uur 71 km/uur 80,5 km/uur 71 km/uur 60 km/uur 71 km/uur 60 km/uur 50 km/uur 60 km/uur 50 km/uur 40 km/uur 50 km/uur 40 km/uur 37 km/uur 40 km/uur 37 km/uur 30 km/uur 37 km/uur 30 km/uur 29 km/uur 30 km/uur 29 km/uur 18 km/uur 29 km/uur 18 km/uur 16 km/uur 18 km/uur 16 km/uur 0,05 km/uur 16 km/uur 0,05 km/uur 0,05 km/uur
Aan de top Vragen bij tekst B Aan de top Aan de top Welke woorden zochten jullie op?
3
a Wat kan het jachtluipaard goed? Het dier kan erg snel lopen en versnellen. b Hoe komt dat? Tijdens het sprinten komen zijn vier poten meer dan de helft van de tijd los van de grond. Het is gespierd en heeft een flexibele wervelkolom, een kleine kop en lange poten.
4
Verzin een vraag voor het jachtluipaard. Schrijf het antwoord op.
Thema 6 - les 8
95
Tekst C: De leeuw Niet snel? Dan maar slim! Roofdieren zoals leeuwen moeten heel wat doen om aan een maaltijd te raken. Een antilope, bijvoorbeeld, is voor leeuwen een heerlijke hap. Maar die loopt veel sneller dan zij dat kunnen. Een leeuw haalt 50 tot 60 kilometer per uur, al weten we dat niet exact. Een antilope klokt af op 90 kilometer per uur. Als de leeuwin het niet verstandig aanpakt, ziet ze haar middagmaal aan haar neus voorbijgaan. Ook een buffel zou ĂŠĂŠn leeuwin alleen niet de baas kunnen.
Daarom werken leeuwinnen samen om hun prooi te veroveren. Ze sluipen op een afstand van elkaar op een kudde af. Ze lokken hun prooi in een val door hen op te jagen naar een plek die omsingeld is door andere leeuwinnen. Het dier heeft geen schijn van kans als een van de leeuwinnen met een snelle sprint aanvalt. Meisjes aan de macht dus!
Wist je dat ... een mannetjesleeuw ook jaagt, maar meestal te lui is? Als de buit binnen is dankzij de vrouwtjes, eten de volwassen mannetjes eerst. De leeuwinnen en de welpen eten de resten. Iemand anders het werk laten doen en zelf het beste stukje vlees eten? Slimme mannen, die mannetjesleeuwen!
W
exact
heel precies
geen schijn van kans hebben helemaal geen kans maken
96
Thema 6 - les 8
Wist je dat …
Wist je dat ...
er maar weinig dieren in groep jagen? De meeste gaan alleen op jacht. Nochtans heeft jagen in groep het voordeel dat je op een groter dier kunt jagen. Maar het nadeel is dan weer dat je het moet delen … Haha!
er maar weinig dieren in groep jagen? De meeste gaan alleen op jacht. Nochtans heeft jagen in groep het voordeel dat je op een groter dier kunt jagen. Het nadeel is dan weer dat je moet delen ... Welke dieren jagen in groep?
orka’s
wolven
Vragen bij tekst C 2
chimpansees
Aan de top
19
Welke woorden zochten jullie op?
3
a Wat kan de leeuw goed? De leeuw kan goed in groep jagen. b Hoe komt dat? De dieren waarop ze jagen kunnen sneller lopen. Ze lokken hun prooi in de val en omsingelen hem.
4
Verzin een vraag voor de leeuw. Schrijf het antwoord op.
Thema 6 - les 8
97
Tekst D: De Dumbo octopus
Albert: “Deze Dumbo octopus leeft in de Marianentrog. Dat is de diepste plek in de oceaan: ongeveer 11 000 meter diep! De exacte diepte is moeilijk te meten. Ik vraag hem hoe het daarbeneden is.”
Albert: “Kun je daarbeneden wel leven?”
De Dumbo octopus: “Ik leef tot 5 000 meter diepte. Je zou denken dat het er onleefbaar is. Toch hebben wetenschappers mij hier gezien. Ze vinden dat ik er vreemd uitzie. Door de vinnen boven mijn ogen lijk ik op het olifantje Dumbo, vandaar mijn naam. Alle dieren in de Marianentrog zien er trouwens wat vreemd uit.” Albert: “Hoe voelt dat zo diep in de zee?”
De Dumbo octopus: “De Marianentrog is de diepste plek op aarde. Als je de Mount Everest op zijn kop zou zetten, dan zou die niet zo diep komen als deze trog. Het is er onherbergzaam voor levende wezens. De waterdruk is er bijna 1 000 keer groter dan op zee. Enkel wezens die aangepast zijn aan die extreme druk overleven er. Jij zou hier geen schijn van kans hebben.”
Albert: “Is het er donker en koud?”
De Dumbo octopus: “Zonlicht komt hier nooit, dus het is pikdonker. Veel eten vind je hier niet en de temperatuur schommelt rond het vriespunt. Maar last van koude heb ik niet.”
W
exact
heel precies
geen schijn van kans hebben helemaal geen kans maken
98
Thema 6 - les 8
Vragen bij tekst D 2
Welke woorden zochten jullie op?
3
a Wat kan de Dumbo octopus goed? Op de diepste plek in de oceaan leven, waar de waterdruk erg groot is en het heel koud is. b Hoe komt dat? Hij is aangepast aan de extreme druk en de koude.
4
Verzin een vraag voor de Dumbo octopus. Schrijf het antwoord op.
Thema 6 - les 8
99
Tekst E: De ijsbeer
Albert: “De ijsbeer is een zoogdier dat op en rond de Noordpool leeft. Hij kan goed zwemmen in ijskoud water. Onder water kan hij zijn adem wel twee minuten inhouden. Dan houdt hij zijn ogen open en zijn neusgaten dicht. Maar hoe beschermt hij zich exact tegen de kou? Dat vraag ik hem.”
Albert: “Waarom heb jij het niet koud in dat ijskoude water?”
W
exact heel precies geen schijn van kans hebben helemaal geen kans maken
De ijsbeer: dat De ijsbeer: “Dat komt“Oh, door heel eenvoudig. Het mijn vacht.isDie bestaat uit twee komt door mijn vacht. lagen. Alleen mijn lange haren Die twee worden nat. Debestaat kortereuitharen lagen.droog. AlleenBovendien mijn eronder blijven worden heb ik eenlange dikkeharen vetlaag. De kou nat. De kortere haren heeft geen schijn van kans. blijven droog. Ik heb ookeronder nooit koude voeten, Bovendien heb een want op mijn voetzolen zitikhaar. Dat is handig tegen het onder uitglijden dikke vetlaag en het houdt mijn voeten warm. mijn vacht. Ik heb ook Laat het maar sneeuwen nooit koude voeten en vriezen.want Daarop hou ik van. ” mijn voetzolen
Aan de top | Annick Beyers
Aan de top Hallo, ik ben Albert, de chimpansee! Zelf ben ik heel erg slim (vinden jullie en ik ook), maar er zijn nog dieren die ongelofelijke prestaties neerzetten. En sommige mensen kunnen er ook wat van. Ik stel ze aan je voor!
zit haar. Dat is handig tegen het uitglijden en het houdt mijn voeten lekker warm. Laat het maar lekker sneeuwen en vriezen. Daar hou ik Meer lezen? Aan de van.” top, Annick Beyers, Talentbib 4
Aan de top Annick Beyers | Bartjan Baarslag
Wie kan er uren dobberen in ijskoud water? En wie kan harder rennen dan wie ook ter wereld? Wie leeft er in de diepste diepte van de oceaan? En wie zwemt tegen de stroom in de rivier op? Ontdek het allemaal in dit topboek!
Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.
NOORDPOOL
ZUIDPOOL
4
NF-cover-leerjaar4-6-200x200-DEF.indd 7,9
13/07/18 14:09
Aan de top
100
Thema 6 - les 8
9
Vragen bij tekst E 2
Welke woorden zochten jullie op?
3
a Wat kan de ijsbeer goed? Hij kan erg goed tegen de koude. Hij kan zijn adem twee minuten inhouden. b Hoe komt dat? Hij heeft twee lagen in zijn vacht: een laag lange en een laag kortere haren. Onder zijn vacht heeft hij een dikke vetlaag.
4
Verzin een vraag voor de ijsbeer. Schrijf het antwoord op.
Thema 6 - les 8
101
5
Lees de tekst op het blad en beantwoord de vragen. a Bespreek met je partner. De oplossingen vind je op kopieerblad 6 in de handleiding. 1 Doen dieren extreme dingen die mensen niet kunnen? Of moet je je mening herzien? 2 Zou dit volgens jullie een trekpleister (kunnen) zijn? Waarom (niet)? b Welke woorden zochten jullie op? c Hoe heet de persoon of de groep mensen uit jullie tekst?
W
je mening herzien van mening veranderen de trekpleister iets waar veel mensen naar komen kijken
d Waar leeft de persoon of de groep mensen? e Wat kan hij of de groep mensen goed? f Hoe komt dat? g Verzin een vraag voor de persoon of de groep mensen. Schrijf het antwoord op.
102
Thema 6 - les 8
6
Stel de persoon of groep mensen uit jullie tekst voor aan een andere groep. Gebruik de tips.
Wij geven een goede presentatie. We gebruiken de antwoorden van oefening 5 in de presentatie. Iedereen komt ongeveer even vaak aan het woord: we beantwoorden allemaal minstens ĂŠĂŠn vraag van oefening 5. We oefenen onze presentatie. Onze presentatie duurt niet langer dan tien minuten. Tijdens de presentatie gebruiken we een kladpapier met sleutelwoorden als geheugensteuntje. We spreken luid en duidelijk. We spreken niet te snel.
7
Luister naar de presentatie van een andere groep. Beantwoord de vragen. a Welke persoon of groep mensen werd voorgesteld? b Wat kan de persoon of de groep mensen goed? c Welk dier kan die prestatie ook goed of zelfs beter?
8
Hoe verliep de les voor jou? Ik geef deze tekst Ik kon de gelijkenissen en de verschillen tussen het dier en de persoon vinden. Ik kon mijn deel goed presenteren. Ik kon na het beluisteren van een presentatie de vragen vlot oplossen. Ik werkte goed samen met mijn partner en mijn groep.
Thema 6 - les 8
103
les 9
Een recordverslag Ik kan een verslag over de recordpoging schrijven.
1
Lees de taalweter.
Hoe schrijf ik een goed verslag? Alle tips op een rijtje! Voor het schrijven: >> Voor wie schrijf je je verslag? >> Waarover gaat je verslag? >> Waar zal je verslag verschijnen? Tijdens het schrijven: >> Schrijf feiten. Schrijf dus wat echt gebeurd is. >> Noteer enkel de belangrijkste dingen. >> Noteer de gebeurtenissen in de juiste volgorde. Na het schrijven: >> Herlees je verslag: kun je je goed inleven? >> Is je verslag aangenaam om te lezen?
2
Schrijf een kladversie van je verslag. Hou rekening met de tips.
Ik schrijf een goed verslag. Ik controleer.
Een klasgenoot controleert. De zinnen zijn niet te lang. De zinnen beginnen niet te vaak met hetzelfde woord. Het verslag heeft een goede beginzin. Het verslag heeft een goede slotzin. In de tekst staat welke recordpoging uitgevoerd werd. Het verslag vertelt wie eraan meedeed. In de tekst staat wat de deelnemers nodig hadden.
104
Thema 6 - les 9
3
a Luister naar het verslag van je partner. b Neem het schrift van je partner. Kruis bij oefening 2 aan wat in orde is.
Thema 6 - les 9
105
4
Schrijf de netversie van je verslag of kleef een print als je op de computer werkte.
5
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een goed woordenweb opstellen. Ik kon in mijn groep tips geven om een verslag te verbeteren. Ik kon een goede netversie van het verslag over de recordpoging schrijven. Ik werkte goed samen met mijn partner en mijn groep.
106
Thema 6 - les 9
les 11
Welk soort zin past er? Ik kan soorten zinnen herkennen. Ik kan een voorbeeld en een passende situatie bij elk soort zin bedenken.
1
Lees de taalweter.
Ken ik deze vier soorten zinnen? Eek! Een muis!
Ga weg, muis! Hoe heet jij, muisje? De muis is weg.
2
de uitroep
de vraag
het bevel
de mededeling
a Lees het fragment uit het verhaal van Miel.
5
“Aandacht! Nog enkele afspraken voor we beginnen.” De presentator richtte zich tot de achttien deelnemers aan de duikwedstrijd. “Let op voor stromingen. Er zijn altijd risico’s verbonden aan het duiken. Wees voorzichtig! Dan keek de presentator naar de toeschouwers.“ Wat nemen onze helden mee onder water? Ze gebruiken een gasfles, een duikbril en snorkel, zwemvinnen, een duikkompas en natuurlijk dragen ze hun duikpak. Met hun gasfles kunnen ze ongeveer een half uur onder water blijven. Tijd genoeg voor de schat! Klaar voor de start? Spring!”
b Zoek van elk soort zin een voorbeeld in de tekst en kleur: een bevel.
een uitroep.
een vraag.
een mededeling. Thema 6 - les 11
107
3
Verzin een voorbeeld bij elke soort zin. Let op de leestekens. 1 Een uitroep: bv. Morgen paardrijden, joepie! 2 Een vraag: bv. Mag ik morgen paardrijden? 3 Een bevel: bv. Ga morgen paardrijden! 4 Een mededeling: bv. Ik ga morgen paardrijden.
4
a Lees de situaties. Kies de zin die volgens jullie het beste bij de situatie past. b Leg uit waarom. 1
Zaterdagmiddag, voetbalwedstrijd. Het is een belangrijke match. De trainer wil winnen. Zijn ploeg is in de aanval.
Trap tegen die bal! Wil je alsjeblieft de bal een trap geven? Pas op, de bal!
Wij kiezen die zin, omdat
2
Miel laat zich vallen in het water. Met een harde klets plonst hij in zee. Een nieuwe, wondere wereld opent zich.
Daar zwemt een vis. Eek, een vis! Wauw, kijk die vis!
Wij kiezen die zin, omdat
3
De finale van de loopwedstrijd start. De lopers staan klaar in de startblokken. Hiervoor hebben ze maanden getraind. In het stadion heerst een gespannen stilte. De starter telt af: “Zijn jullie er klaar voor? Drie, twee ...� Dan gebeurt het. Een van de lopers vertrekt te vroeg.
Wij kiezen die zin, omdat
108
Thema 6 - les 11
Verdorie, de zenuwen! Verdorie, verdorie! Ik ben te vroeg vertrokken. Ben ik te vroeg vertrokken?
5
a Verzin een zin die bij de situatie past. b Kruis de soort zin aan die jullie schreven. 1 Een plotse stroming zoog Miel in een kolk mee omlaag. Hij kon er zich niet tegen verzetten. Hij verloor zijn oriĂŤntatie en wist niet waar hij was. De stilte van de zee greep naar zijn keel.
bevel
mededeling
vraag
uitroep
2 Het is snikheet buiten. In de verte hoor je het geluid van de ijskar. De ijskar! Hoe zorg jij ervoor dat je een ijsje krijgt?
bevel
6
mededeling
vraag
uitroep
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de soorten zinnen herkennen. Ik kon een voorbeeld bedenken bij elke soort zin. Ik kon bij een situatie een passende zin bedenken. Ik werkte goed samen met mijn groep en mijn partner.
Thema 6 - les 11
109
les 12
Sportieve gedichten Ik kan een gedicht expressief voordragen.
1
a Lees de gedichten. 2
1 Hoofd
Als niemand kijkt
Mijn hoofd is soms te klein voor mij. Het voelt dan of het bijna barst. Alsof het boven schuurt en knarst. O, mijn hoofd, te veel bedenksels die naar boven klimmen. Het wordt te druk, te druk daarbinnen. Ik ga lopen in de wind. Ik ga rennen langs de zee. ‘k Verzin een hond en die mag mee.
Als niemand kijkt, dan kan ik alles Dan ben ik de grote held Speel ik de sterren van de hemel Ben ik de beste van het veld Mijn verstand zit in mijn voeten En als het moet ook in mijn kop Die bal gaat in de kruising Met een omhaal of een lob Ik ben beter dan Ronaldo Dan een Klaas-Jan Huntelaar Die is met mij vergeleken Een onbeholpen stuntelaar Vraag niet naar bewijzen Waar mijn talent uit blijkt Maar geloof me, ik kan alles Zolang er niemand kijkt Dus wat sta je nou te kijken Als je kijkt dan gaat het mis Dan ben ik een amateurtje En da’s het ergste wat er is
Uit: In je hoofd kun je alles (Theo Olthuis), 2008, uitg. Holland
Uit: ‘Als niemand kijkt’ (Koos Meinderts), Wat je ziet, zit in je hoofd: de 100 mooiste kindergedichten van nu (Jan Van Coillie), 2011, Davidsfonds/Infodok
W
knarsen
schurend geluid maken met je tanden
de bedenksels
dingen die je verzint
de sterren van de hemel spelen
heel goed spelen
de lob bal die zo gespeeld is dat hij bijna loodrecht op het speelveld neerkomt
110
de stuntelaar
onhandig persoon
de amateur
iemand die iets als hobby doet en niet voor zijn beroep
Thema 6 - les 12
3 Zwemles Bij elke duik van de kant verdrinkt mama duizend keren op de bank. In bellen lucht sein ik haar mijn ademnood en help ik haar mij redden van de dood. “Niet knijpen in je hand. Niet tellen, niet roepen. Mij niet zo hard staan zoeken Alleen heel hard in mij geloven. Dan kom ik vast weer boven.”
Uit: Als de bomen straks gaan rijden (Frank Adams), 2011, De Eenhoorn
b Zet een kruisje bij het gedicht dat jullie kiezen.
2
Bereid de voordracht van het gedicht voor. Volg het stappenplan. STAP 1: Verdeel het gedicht. Kies hoe jullie dat willen doen. Bijvoorbeeld: lees om de beurt een of meer zinnen. STAP 2: Kies een emotie die in het gedicht voorkomt. Bijvoorbeeld: bang, trots, teleurgesteld, kwaad, jaloers. STAP 3: Lees om de beurt een stukje. Laat horen hoe je je voelt. Herkent je partner dat gevoel in je voordracht?
W
de voordracht spreekbeurt, iets op een bepaalde manier voorlezen of vertellen voor een groep mensen
STAP 4: Oefen het gedicht helemaal.
3
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een gevoel in het gedicht leggen bij het voordragen. Ik kon het gevoel in de beluisterde gedichten herkennen. Ik werkte goed samen met mijn partner en mijn groep.
Thema 6 - les 12
111
les 15
Exacte betekenissen Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan letterlijke en figuurlijke betekenissen van woorden onderscheiden. Ik kan figuurlijk taalgebruik verklaren.
1
Speel ‘De zinnenmaker’. Maak in één minuut een zo lang mogelijke zin met een themawoord.
De zinnenmaker 1 Maak een groep van vier. 2 De eerste speler schrijft een themawoord op een kladpapier. Hij geeft het papier door. 3 De volgende speler schrijft het tweede woord van de zin. 4 Ga door tot de zin af is. 5 Tel jullie punten: elk woord in de zin levert een punt op. Elk extra themawoord is een bonuspunt waard. Let op: alleen juiste zinnen leveren punten op. Zin 1: De zeebries ... Zin 2: De stuntelaar ... Zin 3: De amateur ...
2
Lees de zinnen. a Kruis de zinnen met figuurlijk taalgebruik aan. b Kleur in de zinnen: de figuurlijk gebruikte woorden. c Bespreek de betekenis van het figuurlijke taalgebruik. x Brugge ligt in Vlaanderen, dat staat als een paal boven water.
x x x
112
Bij eb komt er op het strand een paal boven water te staan. Mijn kleine zusje zat te knoeien met eten: ze stak haar vinger in de pap. Als schooldirecteur heeft meneer Vleminckx een vinger in de pap. Mijn vader is vijftien jaar trainer geweest, maar hij heeft er een punt achter gezet. Tina schreef een punt aan het einde van de zin. Ryan vond de toets heel makkelijk en haalde op zijn sloffen een tien. Bilal kwam in zijn pyjama en op zijn sloffen aanlopen.
Thema 6 - les 15
Wat betekent letterlijk? En figuurlijk? Als je iets letterlijk schrijft, bedoel je precies wat er staat. Bv. Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd doet erg veel pijn. Als je iets figuurlijk schrijft, bedoel je eigenlijk iets anders. Bv. Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd ontploft! Geen paniek! Mijn hoofd ontploft niet echt. Ik overdrijf gewoon een beetje. Ik gebruik de taal figuurlijk.
3
a Vul aan. Kies uit: bedenksels – speelde de sterren van de hemel – stuntelaar – trok haar stoute schoenen aan – maakte zich van hem meester 1 Tijdens de toneelvoorstelling op school
Dilana
speelde .
de sterren van de hemel
2 Mario is onhandig en gooit vaak dingen om. Hij is een beetje een 3 Lisette vond het eng om het aan de juf te vragen. Toch
ze
trok
en stapte op haar af.
haar stoute schoenen aan
4 Romy verzint soms nieuwe woorden. Haar 5 Miel verstijfde helemaal. De angst
.
stuntelaar
zijn meestal heel creatief.
bedenksels
maakte zich van hem meester
.
b Herlees de zinnen van oefening 3a. Kleur: het figuurlijk taalgebruik.
4
Kruis aan wie geen schijn van kans heeft. x Een amateur die gaat boksen tegen de wereldkampioen.
Een parachutist die uit een vliegtuig springt. x Een voetbalploeg van amateurs uit de Vierde Provinciale die tegen Anderlecht speelt.
Een ervaren bergbeklimmer die de Mount Everest beklimt. x Iemand die van België naar Amerika wil zwemmen.
Thema 6 - les 15
113
5
Vul het juiste themawoord in. W
gelaten je legt je erbij neer
opstandig je gaat er tegenin
bij je standpunt blijven je mening niet veranderen
je mening herzien je mening wel veranderen
exact heel precies
ongeveer niet erg precies
W
W
6
Verbind de beschrijving met het juiste woord. de amateur
1 Simon kan niet uit zijn woorden komen. 2 Op het strand waait een frisse wind.
knarsen
3 De jongeren vonden het leuk om Miel uit te lachen.
stamelen de zeebries
4 Tonio bewoog zijn tanden over elkaar.
een makkelijk doelwit
5 Tim is wielrenner, maar wordt er niet voor betaald.
7
Wat is een trekpleister?
x
114
Thema 6 - les 15
x
8
Wanneer trok jij je stoute schoenen aan? Wat deed je toen?
9
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kon figuurlijk taalgebruik herkennen en verklaren.
Thema 6 - les 15
115
116