Skip to main content

Reken Maar! 2: werkschrift B - correctiesleutel

Page 1

Reken We r k s c h r i f t B Correctiesleutel

aar! 2


Reken Maar! 2 Auteur: Leen Bresseleers Corrector: Kristof Sas

= meerdere oplossingen mogelijk

Bij sommige oefeningen is meer dan één correcte oplossing mogelijk, of kun je op verschillende manieren tot de juiste oplossing komen. Bij dat soort oefeningen zie je dit icoontje staan en wordt er meestal een mogelijke oplossing en/of oplossingsweg gegeven. Als leerlingen dan een afwijkend antwoord hebben, kunnen ze dat het best even laten controleren.

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. ­Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De ­vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming ­kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet ­bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2017 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. Coverontwerp: Banananas Covertekening: Frieda Van Raevels Lay-outconcept: Michelangela, Utrecht Vormgeving en opmaak: PPMP Prepress Tekeningen: Aimée de Jongh Tekeningen bollobo’s: Frieda Van Raevels Eerste druk, eerste bijdruk 2018 978-90-306-8137-3 ISBN 978-90-306-8136-6 D/2017/0078/34 D/2017/0078/104 568867/02 Art. 568866/02 NUR 192


BLOK 3


BLOK 3

INSTAPLES

Kleur hier de kleren die je van de waslijn haalde. Gooide je daarna oneven? Kleur dan ook een donderwolk.

Schrijf deze getallen op de juiste plek in het twintigveld: 16, 7, 20, 2, 11, 4, 9 en 18. 2

4

11

7 16

9 18

20

Noteer de som.

Noteer het verschil.

10 + 10 = 20

16 − 11 = 5

3 + 12 = 15

20 − 7 = 13

9 + 10 = 19

14 − 4 = 10

6 + 4 = 10

10 − 1 = 9

15 + 2 = 17

20 − 18 = 2

10 + 4 = 14

15 − 14 = 1

0 + 18 = 18

18 − 10 = 8

Schik de getallen zoals gevraagd.

4

11 − 7 − 16 − 1

18 − 4 − 3 − 19

1 < 7 < 11 < 16

19 > 18 > 4 > 3

17 − 12 − 20 − 5

2 − 13 − 10 − 6

20 > 17 > 12 > 5

2 < 6 < 10 < 13


Noteer de som.

Noteer het verschil.

9 + 5 = 14

11 − 8 = 3

10  1   4

10  1   7

6 + 7 = 13

14 − 9 = 5

10  4   3

10  4   5

8 + 8 = 16

16 − 7 = 9

10  2   6

10  6   1

Vul de getallenassen aan. 7 20 19 18

17

0 15 14 13

9

8

12

15

16

1

10 11

2 11

14

3 10

12 13

11

12

5

4 9

8

12

14

14 15 16

13

7

6 7

8

9

6

Vul de huisnummers aan.

6

8

10

16

18

20

Welk getal zie je hier? T

E

T

13

T

T

20

E

5

E

T

12

E

11

E

T

E

14 5


LES 25 1

De maaltafel van 2 ontdekken en inoefenen

Kijk en vul in. a

b

2+2+2+2= 8

2 + 2 + 2 + 2 + 2 + 2 = 12

4 keer 2 is 8 .

6 keer 2 is 12 .

4 maal 2 is 8 .

6 maal 2 is 12 .

4×2= 8 c

d

2+2+2= 6

2 + 2 + 2 + 2 + 2 + 2 + 2 = 14

3 keer 2 is 6 .

7 keer 2 is 14 .

3 maal 2 is 6 .

7 maal 2 is 14 .

3×2= 6

2

6 × 2 = 12

7 × 2 = 14

Duid aan. Zet een kring rond elk maalteken. Zet een streep onder elk product.

9 × 2 = 18

0×2=0

7 × 2 = 14 6


BLOK 3

3

Kleur de schoenen of kijk en vul in. 5 × 2 = 10

9 × 2 = 18

1×2= 2

8 × 2 = 16

4

De maaltafel van 2. Vul in. a 0×2= 0

6 × 2 = 12

b 2×2= 4

1×2= 2

7 × 2 = 14

6 × 2 = 12

3×2= 6

2×2= 4

8 × 2 = 16

9 × 2 = 18

0×2= 0

3×2= 6

9 × 2 = 18

7 × 2 = 14

4×2= 8

4×2= 8

10 × 2 = 20

5 × 2 = 10

8 × 2 = 16

5 × 2 = 10

5

10 × 2 = 20

1×2= 2

Tel met sprongen van 2. 0

2

4

6

8

10

12

14

16

18

20

7


6

Kleur de producten uit de tafel van 2.

7

Omkring het juiste aantal. Vul in. 10 Ă&#x2014; 2 oren = 20 oren

8

8 Ă&#x2014; 2 ogen = 16 ogen


BLOK 3

LES 26 1

2

De deeltafel van 2 ontdekken en inoefenen

Ken je de maaltafel goed? Los op. 3×2= 6

9 × 2 = 18

8 × 2 = 16

4×2= 8

6 × 2 = 12

7 × 2 = 14

1×2= 2

2×2= 4

Bijna g�ed.

5 × 2 = 10

10 × 2 = 20

�ep�! Jam� er.

�� haal��

/ 10.

Dat i� kna p!

Verdeel. Omkring en vul in.

6:2= 3

14 : 2 = 7

6 gedeeld door 2 is 3 .

14 gedeeld door 2 is 7 .

12 : 2 = 6

18 : 2 = 9

12 gedeeld door 2 is 6 .

18 gedeeld door 2 is 9 .

8:2= 4 8 gedeeld door 2 is 4 .

16 : 2 = 8 16 gedeeld door 2 is 8 . 9


3

Duid aan. Zet een kring rond elk deelteken. Zet een streep onder elk quotiënt.

18 : 2 = 9

0:2=0

14 : 2 = 7

4

10

De deeltafel van 2. Los op. a   0:2= 0

b 12 : 2 = 6

2:2= 1

14 : 2 = 7

4:2= 2

18 : 2 = 9

6:2= 3

20 : 2 = 10

8:2= 4

4:2= 2

10 : 2 = 5

2:2= 1

12 : 2 = 6

16 : 2 = 8

14 : 2 = 7

10 : 2 = 5

16 : 2 = 8

6:2= 3

18 : 2 = 9

0:2= 0

20 : 2 = 10

8:2= 4


BLOK 3

5

Welke getallen kun je delen door 2? Kleur ze.

20 2

6

4

18

0 10

12

14 8

6

7

16

Alles door elkaar. Los op.   7 × 2 = 14

18 : 2 = 9

4×2= 8

16 : 2 = 8

5 × 2 = 10

14 : 2 = 7

3×2= 6

12 : 2 = 6

0×2= 0

10 : 2 = 5

1×2= 2

2:2= 1

10 × 2 = 20

4:2= 2

6 × 2 = 12

0:2= 0

8 × 2 = 16

6:2= 3

Vul in. 6 :2=3

12 : 2 = 6

2 ×2=4

10 × 2 = 20

14 : 2 = 7

18 : 2 = 9

1 ×2=2

4 ×2=8

0 :2=0

2 :2=1 11


LES 27 1

Oppervlaktes vergelijken, ordenen en meten

Vergelijk de figuren en plak ze in het juiste vak. Leg figuren met dezelfde vorm op elkaar en vergelijk. Plak de kleinste links, de grootste rechts. klein

12

groot


BLOK 3

2

Vergelijk de pijlen en plak ze van klein naar groot.

<

3

<

<

Knip de puzzels een voor een uit. Maak er twee verschillende figuren mee en plak ze hier. Zet een kruisje bij de figuur met de grootste oppervlakte.

13


4

Schat, meet en vergelijk. Noteer in het rondje het nummer van de maateenheid die je kiest.

➊

➋

de gom

a

de speelkaart

➌

Ik schat:

➍

Werkschrift B

de toontafel

Ik meet:

dit werkschrift is van:

2

Mijn schatting was:  goed.

ISBN 978-90-306-8137-3 568867

RekenMaar_cover_werkschriftB_lj2.indd 1

het werkschrift

bijna goed.

vanin.be

23/05/17 15:12

b

het schoteltje

de bank

niet goed. c

het werkschrift Werkschrift B dit werkschrift is van:

ISBN 978-90-306-8137-3 568867

vanin.be

RekenMaar_cover_werkschriftB_lj2.indd 1

14

2

23/05/17 15:12

Ik schat:

Ik schat:

Ik meet:

Ik meet:

Mijn schatting was:

Mijn schatting was:

goed.

goed.

bijna goed.

bijna goed.

niet goed.

niet goed.


BLOK 3

LES 28 1

Optellen tot 20

Los op. Je mag stapjes noteren als je dat nodig vindt.

2

Ik haalde

/ 10.

12 + 6 = 18

8 + 9 = 17

10 + 10 = 20

9 + 10 = 19

5 + 13 = 18

6 + 4 = 10

Ik twijfel n og een beetje .

10 + 8 = 18

9 + 7 = 16

Ik vind h et moeilijk.

6 + 7 = 13

5 + 15 = 20

Ik vind het makkelijk.

Wie wint? De haas of de schildpad? Los op. Spreek af en schrijf je naam. Wie is de haas?

Wie is de schildpad?

Naam:

Naam:

Jij maakt de bovenste reeks.

Jij maakt de onderste reeks.

Klaar? Start! Ga door zolang het licht voor jou op groen staat. 6+2= 8 3 + 7 = 10 5+4= 9 9+0= 9 2+5= 7 4 + 6 = 10 3+3= 6 1+5= 6 15


10 + 1 = 11

8 + 10 = 18

10 + 9 = 19

4 + 10 = 14

10 + 10 = 20

1 + 10 = 11

10 + 7 = 17

9 + 10 = 19

10 + 3 = 13

2 + 10 = 12

10 + 5 = 15

7 + 10 = 17

10 + 2 = 12

5 + 10 = 15

10 + 8 = 18

0 + 10 = 10

14 + 0 = 14

2 + 13 = 15

11 + 8 = 19

1 + 18 = 19

12 + 6 = 18

4 + 16 = 20

17 + 3 = 20

3 + 14 = 17

15 + 2 = 17

7 + 11 = 18

16 + 1 = 17

6 + 14 = 20

12 + 3 = 15

0 + 19 = 19

11 + 6 = 17

3 + 15 = 18

9 + 2 = 11

5 + 8 = 13

10 1

1

8 + 3 = 11 10 2

1

6 + 5 = 11 10 4

1

7 + 6 = 13 10 3

16

3

10 5

3

6 + 9 = 15 10 4

5

2 + 9 = 11 10 8

1

4 + 7 = 11 10 6

1


BLOK 3

Alles door elkaar! Gebruik het kladblaadje als je wilt. 7 + 11 = 18

10 + 8 = 18

3 + 8 = 11

3 + 9 = 12

1 + 9 = 10

4+2= 6

4 + 10 = 14

11 + 5 = 16

12 + 5 = 17

2 + 17 = 19

10 + 0 = 10

0 + 10 = 10

5 + 7 = 12

13 + 3 = 16

18 + 2 = 20

8 + 8 = 16

9 + 10 = 19

3 + 7 = 10

3 + 14 = 17

2 + 16 = 18 Je bent er! Omkring de naam van de winnaar op de eerste bladzijde van de les.

3

Klaar? Lees en los op. a Samira koopt stiften. Op het pak staat: ‘8 + 4 gratis’. Hoeveel stiften heeft ze dan?

b Jef doet de afwas. Hij wast 3 messen af en 14 vorken. Hoeveel stukken bestek wast hij af?

Bewerking: 8 + 4 = 12

Bewerking: 3 + 14 = 17

Ze heeft dan 12 stiften.

Jef wast 17 stukken bestek af.

17


LES 29 1

Aftrekken tot 20

Noteer het verschil. Je mag stapjes noteren, als je dat nodig vindt.

Ik haalde

/ 10.

17 − 5 = 12

20 − 13 = 7

18 − 10 = 8

15 − 8 = 7

20 − 2 = 18

14 − 4 = 10

Ik kan het bijna alleen .

16 − 14 = 2

13 − 7 = 6

Ik heb nog wat hulp n odig.

12 − 7 = 5

20 − 6 = 14

Ik kan het alleen.

2

Los op en verdien de schatkaart.

puzzelstuk 1

puzzelstuk 2

18

8−4= 4

18 − 6 = 12

10 − 8 = 2

7−2= 5

19 − 2 = 17

10 − 0 = 10

6−6= 0

17 − 4 = 13

10 − 3 = 7

2−0= 2

11 − 1 = 10

10 − 6 = 4

9−6= 3

15 − 3 = 12

10 − 5 = 5

8−7= 1

16 − 5 = 11

10 − 7 = 3

20 − 9 = 11

17 − 10 = 7

20 − 4 = 16

13 − 10 = 3

20 − 1 = 19

19 − 10 = 9

20 − 2 = 18

18 − 10 = 8

20 − 4 = 16

11 − 10 = 1

20 − 8 = 12

20 − 10 = 10


BLOK 3

16 − 12 = 4 6 10 2 19 − 14 = 5 9 10 4 puzzelstuk 3

17 − 13 = 4 7 10 3 18 − 15 = 3 8 10 5

12 − 9 = 3 10 2 7 13 − 6 = 7 10 3 3 puzzelstuk 4

14 − 5 = 9 10 4 1 17 − 8 = 9 10 7 1

20 − 16 = 4 10 10 6 20 − 18 = 2 10 10 8 20 − 11 = 9 10 10 1 20 − 17 = 3 10 10 7

15 − 8 = 7 10 5 3 18 − 9 = 9 10 8 1

11 − 4 = 7 10 1 3 16 − 9 = 7 10 6 3

19


Alles door elkaar! Gebruik het kladblaadje als je wilt.

puzzelstuk 5

20 − 7 = 13

20 − 13 = 7

13 − 2 = 11

15 − 6 = 9

16 − 10 = 6

10 − 4 = 6

12 − 5 = 7

puzzelstuk 6

15 − 11 = 4

10 − 1 = 9

10 − 10 = 0

15 − 12 = 3

20 − 6 = 14

20 − 10 = 10

14 − 10 = 4

5 − 3 = 2

11 − 8 = 3

3

Kleef hier de schatkaart. Luister goed. Waar ligt de schat verstopt?

20

1

2

3

4

5

6


BLOK 3

LES 30 1

Optellen en aftrekken tot 20

Los op. Noteer de som of het verschil. Je mag stapjes noteren, als je dat nodig vindt.

Werk snel door!

12 + 5 = 17

11 − 5 = 6

8 + 3 = 11

13 − 8 = 5

3 + 6 = 9

13 − 13 = 0

10 + 2 = 12

12 − 9 = 3

15 + 5 = 20

19 − 14 = 5

6 + 14 = 20

11 − 6 = 5

6 + 6 = 12

14 − 10 = 4

10 + 0 = 10

20 − 9 = 11

9 + 6 = 15

14 − 7 = 7

7 + 10 = 17

10 − 1 = 9

6 + 9 = 15

15 − 6 = 9

5 + 9 = 14

20 − 11 = 9

3 + 11 = 14

8−7= 1

7 + 4 = 11

Bijna g�ed.

20 − 17 = 3

4 + 10 = 14

10 − 4 = 6

�ep�! Jam� er.

�� haal��

/ 30.

Dat i� kna p!

21


2

Kleur zoals gevraagd. Reken dan uit. • Kleur de optellingen met brug blauw.  • Kleur de aftrekkingen met brug groen.  • Kleur oefeningen die je liever omkeert geel.

3

4

8 + 8 = 16

17 − 2 = 15

17 − 8 = 9

14 + 0 = 14

6 + 6 = 12

12 − 7 = 5

2 + 10 = 12

7 + 4 = 11

9 + 11 = 20

13 − 4 = 9

11 − 9 = 2

3 + 16 = 19

9 + 8 = 17

1 + 15 = 16

14 − 6 = 8

9 + 3 = 12

11 + 8 = 19

15 − 9 = 6

13 − 10 = 3

8 + 5 = 13

Noteer de uitkomst. Vul de vlaggenlijn aan.

20

−7

13

−5

8

+8

16

−9

7

8

+4

12

−9

3

+ 10

13

−5

8

Vul in. Kies uit +, − en =. a  10 − 2 = 8

22

b  5 = 9 − 4

10 = 2 + 8

20

4 = 9 − 5

9 + 9 = 18

12 + 3 = 15

11 = 15 − 4

20

16

0 = 20

12

6

8

10


BLOK 3

5

6

Reken uit. Doe het handig. 5 + 5 + 4 = 14

14 − 4 − 6 = 4

8 + 9 + 2 = 19

13 − 5 − 3 = 5

9 + 3 + 1 = 13

11 − 3 − 1 = 7

7 + 6 + 4 = 17

17 − 8 − 7 = 2

9 + 8 + 2 = 19

16 − 5 − 6 = 5

Zie je hoe het makkelijk kan?

Lees en los op. a Een bal kost 7 euro. Lena betaalt met een briefje van 20 euro. Hoeveel euro krijgt ze terug?

b Boer Jasper heeft 5 witte kippen en 6 bruine. Hoeveel kippen zijn dat samen?

Bewerking: 20 − 7 = 13

Bewerking: 5 + 6 = 11

Lena krijgt 13 euro terug.

Dat zijn samen 11 kippen.

c Sid heeft 15 voetbalkaartjes. Noura heeft er 9 minder. Hoeveel voetbalkaartjes heeft Noura? Bewerking: 15 − 9 = 6 Noura heeft 6 voetbalkaartjes.

d Er komen 11 kindjes naar het feestje van Bilal. Om 12 uur zijn er al 9 vriendjes. Hoeveel kindjes moeten er nog komen?

e Stien logeert 4 dagen bij oma, en daarna nog een week. Hoeveel dagen zijn dat samen?

Bewerking: 11 − 9 = 2

Bewerking: 4 + 7 = 11

Er moeten nog 2 kindjes komen.

Dat zijn samen 11 dagen.

23


LES 31

Gewichten vergelijken, ordenen en meten

1

Welk kindje weegt het zwaarst? Kruis het aan.

2

Rangschik deze voorwerpen van zwaar naar licht. Zoek en verzamel de voorwerpen. Weeg ze op je handen, vergelijk en rangschik ze. Het zwaarste voorwerp krijgt nummer 1. Het lichtste voorwerp krijgt nummer 5.

3

Waar of niet waar? Zet een kruisje. waar Een groot pakje weegt altijd zwaarder dan een klein pakje. Als de appel zwaarder is dan de peer, ligt de peer bovenaan op de balans. De baby weegt evenveel als 20 appels. Dan weegt hij minder dan 20 knikkers.

24

niet waar


BLOK 3

4

Schat, weeg en vergelijk. Noteer in het rondje het nummer van de maateenheid die je kiest.

➊

a

➋ de knikker

➌

de brooddoos

het krijt

➍ Ik schat:

de paperclip

Ik meet:

de magneet

❺

Mijn schatting was:  goed.   bijna goed.

de kastanje

niet goed. b

het woordenboek

c

de schaar

Ik schat:

Ik schat:

Ik meet:

Ik meet:

Mijn schatting was:

Mijn schatting was:

goed.

goed.

bijna goed.

bijna goed.

niet goed.

niet goed.

25


LES 32 1

2

Omkring groepjes van 10 (T). Tel ook de lossen (E). Hoeveel tel je? Schrijf het op.

T

E

T

E

4

1

3

3

Welk getal zie je? Tel de plakken, de staafjes en de blokjes en schrijf de cijfers in de hokjes. H

H

H

26

De getallen tot 100 lezen, schrijven en voorstellen

T

E

H

T

E

3

2

1

0

0

T

E

2

0

T

E

H

T

E

4

8

5

4


BLOK 3

3

Hoeveel euro? Noteer het bedrag.

4

€ 25

€ 42

€ 33

Noteer het getal of kleur het in het honderdveld. a

46

100

24

78

69

b

27


c

95

30

57

13

81

44

d

5

Lees hardop. Je buur kleurt: goed of fout. a

6

b 52

27

83

69

74

100

38

96

Luister goed. Schrijf de getallen op. 18     64     37     52     95

28

Je leest eerst de E, dan pas de T!


BLOK 3

LES 33 1

Getallen tot 100 op het honderdveld plaatsen

Noteer het getal of kleur het in het honderdveld. a

75

41

97

33

60

89

b

2

Luister goed. Welke getallen hoor je? Schrijf ze op. Zet de getallen daarna op de juiste plek in het honderdveld. a

46

b

7

29

70

86

13

100

63

35

99

7 13 29 35 46 70

63 86

99 100 29


3

Welke getallen horen in de gekleurde hokjes? Vul ze in. 2

8

S

11

15 23

V

R 27

E

32

A

G I

68

Y

76

T

84

G 91

4

K N

73

93

49

55

P

40

F

47

D 52

M

90

L 97

Z

E

Zoek de letters in het honderdveld en schrijf ze in het rooster. Hoe komt deze reus aan zoâ&#x20AC;&#x2122;n dikke bult?

5

45

17

37

59 100 66

81

54

38

D

R

A

K

G

I

F

N

Vul de getallen aan op deze stukjes van het honderdveld. 47 56

57 67

30

E

78 79 58

80

65

90

75

100

85

76 77


LES 34 – HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 3?

Getallenkennis les nr.

herhaling nr.

32, 33

1

hoeveelheden ordenen in groepjes van 10 en ‘lossen’.

32

2

getallen tot 100 voorstellen met rekenblokjes.

32

3

getallen tot 100 voorstellen op het honderdveld.

32, 33

4

getallen tot 100 op het honderdveld terugvinden.

33

5

les nr.

herhaling nr.

de uitkomsten van de maal- en deeltafel van 2 geven.

25, 26

6

de woorden ‘vermenigvuldiging, deling, product, quotiënt’ juist gebruiken.

25, 26

6

28, 29, 30

7

30

8

28, 30

9

les nr.

herhaling nr.

aanduiden wat het zwaarst of lichtst weegt op een balans.

31

10

aanduiden wat de grootste of kleinste oppervlakte heeft.

27

10

een oppervlakte schatten en meten hoeveel keer een zelf gekozen maateenheid erin kan.

27

11

van enkele uitspraken over meten aanduiden of ze waar of niet waar zijn.

31

12

Ik kan: getallen tot 100 lezen en schrijven.

Bewerkingen Ik kan:

optellen en aftrekken tot 20, ook met brug. optellen en aftrekken met meer dan 2 getallen. vraagstukjes over optellen en aftrekken oplossen.

Meten en metend rekenen Ik kan:

Ik vind het leuk om nieuwe dingen te leren en te ontdekken. Ik geniet ervan rekenspellen te spelen (haas en schildpad, schatkaart ...). Ik deed mijn best om handig te wegen met de balans.

31


1

Welke getallen hoor je? Schrijf ze in de ballonnen. 56

65

42

38

2

3

Omkring groepjes van 10 (T). Tel ook de lossen (E). Hoeveel tel je? Schrijf het op.

T

E

T

E

2

5

3

1

Schrijf of teken het getal dat je ziet. H

T

E

H

22 H

T

34 32

75

T

E

H

43 E

H

T

18

T

E

100 E

H

T

56

E


4

Schrijf of kleur het getal.

87

5

100

51

Welke getallen horen bij de prentjes en in de gekleurde hokjes? Vul in. a 14

9 22

21

27

30 35

43

49

47 b

65

68

72

79 87 95

52

74 92 100

33


6

Los op. a

7 × 2 = 14 b 8 × 2 = 16

20 : 2 = 10

4×2= 8

6:2= 3

14 : 2 = 7

3×2= 6

9 × 2 = 18

10 : 2 = 5

8:2= 4

0×2= 0

7 × 2 = 14

2:2= 1

12 : 2 = 6

5 × 2 = 10

6 × 2 = 12

16 : 2 = 8

18 : 2 = 9

c Omkring in opgave b:    • een vermenigvuldiging groen; • een deling blauw; • een quotiënt geel; • een product oranje.

7

Noteer de som of het verschil. Noteer de stapjes op het kladblaadje, als je dat nodig vindt. a   16 + 3 = 19    8 + 5 = 13

19 − 15 = 4

9 + 10 = 19

12 − 8 = 4

6 + 7 = 13

17 − 3 = 14

3 + 17 = 20

20 − 16 = 4

9 + 8 = 17

11 − 4 = 7

c    10 − 1 = 9

34

b   20 − 4 = 16

d   14 − 5 = 9

12 + 8 = 20

5 + 6 = 11

15 − 7 = 8

20 − 11 = 9

4 + 12 = 16

7 + 13 = 20

15 − 15 = 0

12 − 3 = 9

8 + 8 = 16

9 + 7 = 16


8

9

Tel op of trek af. Doe het handig. a 6 + 4 + 8 = 18

b 19 − 9 − 5 = 5

5 + 9 + 5 = 19

12 − 4 − 2 = 6

4 + 3 + 7 = 14

15 − 7 − 5 = 3

2 + 6 + 8 = 16

11 − 1 − 6 = 4

6 + 9 + 1 = 16

14 − 7 − 4 = 3

Kleur de getallen die je eerst optelt of aftrekt!

Lees en los op. a Daan heeft 15 euro. Hij koopt een spel van 8 euro. Hoeveel euro houdt hij over? Bewerking: 15 − 8 = 7 Daan houdt 7 euro over.

b Sanaa is 11 jaar. 4 jaar geleden kreeg ze er een broertje bij. Hoe oud was ze toen? Bewerking: 11 −4=7 Sanaa was toen 7 jaar.

c Oma en opa spelen basketbal. Oma gooit 6 keer raak, opa 5 keer. Hoeveel keer hebben ze samen gescoord? Bewerking: 6 + 5 = 11 Oma en opa hebben samen 11 keer gescoord.

d In de doos zaten 20 kleurpotloden. Er liggen 7 potloden op de bank. Hoeveel potloden zitten er nog in de doos? Bewerking: 20 − 7 = 13 Er zitten nog 13 potloden in de doos.

35


10

Wat weegt het zwaarst? Kruis aan.

11

Schat, meet en vergelijk je schatting met het meetresultaat. Kies een gepaste maateenheid en schrijf het nummer in het rondje.

➊

➋

➌

➍ Werkschrift B dit werkschrift is van:

ISBN 978-90-306-8137-3 568867

2

vanin.be

RekenMaar_cover_werkschriftB_lj2.indd 1

het kaasdoosje

➎

23/05/17 15:12

de speelkaart

het werkschrift

Meet de oppervlakte van je bank.

de ringmap

het luciferdoosje

Ik schat: Ik meet: Mijn schatting was:  goed.   bijna goed.   niet goed.

12

Waar of niet waar? Kleur het bolletje groen of rood. Ik kan de oppervlakte van mijn bank preciezer meten met een boek dan met mijn schooltas.

36

Wat het grootst is, weegt ook altijd het zwaarst.

Ik weeg de juf. Eerst met appels en dan met krijtjes. Ik heb meer appels nodig dan krijtjes.


1

Vul de getallen aan op deze stukjes van het honderdveld. 24

44 33

54 55 64

45

34

57

42 43

67

56 65

2

46 47

53

66

25

26

76 77

35 36

63 37

74 75

73

Schrijf de letters bij elke oefening over in de juiste vuurtoren.

4

8

16

a

c

b

j

e

d

k

g

f

l

m

h

n

o

i

a de helft van 8 is d het dubbel van 8 is g

j

e

20 − 12 = 2×2= m

4×2=

b

8+8=

11 − 3 =

h

f

n

13 − 9 =

c de helft van 16 is

8×2=

7+9=

k het dubbel van 2 is

l

i

19 − 3 = 19 − 15 =

o het dubbel van 4 is 37


3

Vul het ontbrekende getal in. a 16 − 11 = 4 + 1

11 − 6 = 20 − 15

8 + 5 = 20 − 7

18 − 12 = 14 − 8

13 + 6 = 1 + 18

20 − 3 = 18 − 1

13 − 10 = 11 − 8

15 − 6 = 20 − 11

19 − 4 = 6 + 9

4

b

16 − 14 = 4 − 2

Bedenk een rekenverhaal bij deze tafeloefeningen. Je mag er ook een tekening bij maken, als je dat leuk vindt. a

7 × 2 = 14

b

16 : 2 = 8

5

38

Rara, welk getal is het?

Als je dit getal halveert, is het het dubbel van 5.

9 keer 2 min 8 is het dubbel van

20

5 .


BLOK 4


BLOK 4 1

INSTAPLES

Help Theseus het zwaard in het doolhof te smokkelen. Los op.

Hoeveel zeilen of boten?

5 × 2 = 10 3×2= 6 7 × 2 = 14 1×2= 2 9 × 2 = 18

4 boten =

8 boten =

8 zeilen

16 zeilen

12 zeilen =

20 zeilen =

6 boten

10 boten

16 : 2 = 8   8:2= 4 18 : 2 = 9   4:2= 2 14 : 2 = 7

2

Help Theseus het schild in het doolhof te smokkelen. Schrijf de getallen in de gele hokjes 4

10

11

17 25 32

36 44

48 57

63

69 76 84

91 40

99 100


3

Help Theseus de bol touw in het doolhof te smokkelen. Welke getallen zie je hier? Noteer ze in de tabel en op de juiste plek in het honderdveld op de vorige bladzijde. H

T

E

H

44

H

T

E

100

E

36

4

T

H

T

E

57

Geef Theseus dit wonderdrankje voor extra moed. Noteer de som of het verschil. Reken uit in stapjes, als je dat nodig vindt. 3 + 12 = 15

20 − 3 = 17

20 − 10 = 10

10 + 6 = 16

11 − 9 = 2

16 + 2 = 18

9 + 5 = 14

17 − 15 = 2

15 − 11 = 4

16 + 4 = 20

14 − 10 = 4

3 + 16 = 19

1 + 10 = 11

13 − 5 = 8

12 − 3 = 9

7 + 4 = 11

20 − 11 = 9

7 + 8 = 15

8 + 12 = 20

18 − 8 = 10

20 − 7 = 13

6 + 7 = 13

14 − 6 = 8

11 + 9 = 20

14 + 0 = 14

19 − 12 = 7

15 − 6 = 9

9 + 9 = 18

12 − 5 = 7

9 + 7 = 16

41


LES 37 1

2

De maaltafel van 10 ontdekken en inoefenen

Even opfrissen. Los op. 7 × 2 = 14

0:2= 0

18 : 2 = 9

6 × 2 = 12

10 : 2 = 5

8:2= 4

3×2= 6

8 × 2 = 16

2:2= 1

20 : 2 = 10

�� haal��  Dat i� kna p!   Bijna g�ed.

Oeps! Nog flink oefenen .

Kijk en vul in. a

b

10 + 10 + 10 = 30

10 + 10 + 10 + 10 + 10 + 10 = 60

3 keer 10 is 30 .

6 keer 10 is 60 .

3 maal 10 is 30 .

6 maal 10 is 60 .

3 × 10 = 30 c

6 × 10 = 60 d

10 + 10 + 10 + 10 + 10 = 50

10 + 10 = 20

5 keer 10 is 50 .

2 keer 10 is 20 .

5 maal 10 is 50 .

2 maal 10 is 20 .

5 × 10 = 50 42

/ 10.

2 × 10 = 20


BLOK 4

3

Kijk of kleur de pakjes en vul in. 7 × 10 = 70

9 × 10 = 90

10 × 10 = 100

4

De maaltafel van 10. Vul in.   6 × 10 = 60

b   4 × 10 = 40

5 × 10 = 50

1 × 10 = 10

7 × 10 = 70

8 × 10 = 80

1 × 10 = 10

2 × 10 = 20

8 × 10 = 80

3 × 10 = 30

2 × 10 = 20

3 × 10 = 30

9 × 10 = 90

0 × 10 =

4 × 10 = 40

10 × 10 = 100

10 × 10 = 100

a 0 × 10 =

0

5 × 10 = 50

5

0

9 × 10 = 90 7 × 10 = 70

6 × 10 = 60

Tel met sprongen van 10. 0

10

20

30

40

50

60

70

80

90

100

43


6

7

Los op.   7 × 2 = 14

8 × 10 = 80

10 × 10 = 100

4 × 10 = 40

6 × 2 = 12

8 × 2 = 16

9 × 2 = 18

3 × 10 = 30

7 × 10 = 70

1 × 10 = 10

2×2=

5 × 2 = 10

9 × 10 = 90

0

5 × 10 = 50

6 × 10

Zoek het product van 4 en 2.

4×2

b Vermenigvuldig 10 met zichzelf.

10 × 10

= 100

3×2×2

= 12

3 maal 2 maal 2 is

.

= 60 =

8

Omkring het juiste aantal. Vul in.

6 × 10 eitjes = 60 eitjes

44

0 × 2 =

Schrijf de bewerking en los op. a Neem 6 keer 10.

8

4

1 × 10 euro = 10 euro


BLOK 4

LES 38 1

2

De deeltafel van 10 ontdekken en inoefenen

Ken je de maaltafel goed? Los op. 9 × 10 = 90

6 × 10 = 60

4 × 10 = 40

1 × 10 = 10

7 × 10 = 70

3 × 10 = 30

5 × 10 = 50

8 × 10 = 80

2 × 10 = 20

10 × 10 = 100

�� haal��

/ 10.

Dat i� kna p!   Bijna g�ed.   Oeps! Jam mer.

Verdeel. Omkring en vul in.

40 : 10 = 4

10 : 10 = 1

40 gedeeld door 10 is 4 .

10 gedeeld door 10 is 1 .

30 : 10 = 3

20 : 10 = 2

30 gedeeld door 10 is 3 .

20 gedeeld door 10 is 2 . 45


3

De deeltafel van 10. Noteer het quotiënt. a    0 : 10 =

0

b   80 : 10 =

8

10 : 10 =

1

50 : 10 =

5

20 : 10 =

2

30 : 10 =

3

30 : 10 =

3

70 : 10 =

7

40 : 10 =

4

40 : 10 =

4

50 : 10 =

5

0 : 10 =

0

60 : 10 =

6

90 : 10 =

9

70 : 10 =

7

20 : 10 =

2

80 : 10 =

8

100 : 10 = 10

90 : 10 =

9

60 : 10 =

6

10 : 10 =

1

100 : 10 = 10

4

De maal- en deeltafel van 10. Los op. 6 × 10 = 60

7 × 10 = 70

5 × 10 = 50

1 × 10 = 10

80 : 10 =

2 × 10 = 20

20 : 10 =

2

50 : 10 =

5

90 : 10 =

70 : 10 =

9

7

100 : 10 = 10

46

10 × 10 = 100

8

3 × 10 = 30 0 : 10 =

0

60 : 10 =

6


BLOK 4

5

Schrijf de bewerking en los op. 80 : 10

a Zoek het quotiënt van 80 en 10. Neem de helft van 12.

16 gedeeld door 2 gedeeld door 2 is

=

6

10 : 10

=

1

.

16 : 2 : 2

=

4

12 : 2

De maal- en deeltafels van 2 en 10 door elkaar. Los op. 7 × 2 = 14

0 × 10 =

0 5

12 : 2 =

6

80 : 10 =

8

10 : 2 =

0×2=

0

5 × 2 = 10

0 : 10 =

0

9 × 2 = 18

1 × 10 = 10

3×2=

6

20 : 2 = 10

80 : 10 =

8

8:2=

4

16 : 2 =

8

40 : 10 =

4

20 : 10 =

7

8

b Deel 10 door zichzelf.

6

=

2

10 × 10 = 100

Wat zit er onder de vlekken? Noteer. 1 × 10 = 10

10 : 10 = 1

8 : 2=4

7 × 2 = 14

5 × 10 = 50

9 × 10 = 90

0 :2=0

14 : 2 = 7

47


LES 39 1

Volume vergelijken, ordenen en meten

Vergelijk. Wat of wie neemt de meeste plaats in? Zet er een kruisje bij.

Volume betekent: ‘plaats innemen’.

2

Rangschik de vruchten van veel naar weinig volume. • Wat het meeste plaats inneemt geef je nummer 1. • Wat het minste plaats inneemt geeft je nummer 4.

4 48

3

1

2


BLOK 4

3

Schat, meet en vergelijk. a Hoeveel potloden kunnen er in je pennenzak? • Ik schat:

potloden.

• Ik meet:

potloden.

Mijn schatting was  goed.   bijna goed.   niet goed.

4

b In de pennenzak van mijn buur kunnen   meer potloden.   minder potloden.   evenveel potloden. Mijn buur heeft dus   de grootste pennenzak.   de kleinste pennenzak.   een even grote pennenzak.

Geef de rondjes bij bouwsels met evenveel blokjes eenzelfde kleur.

49


5

Hoeveel blokjes moeten erbij of eraf om een balk te hebben? Noteer het. a

2 blokjes erbij

5 blokjes erbij

2 blokjes eraf

2 blokjes eraf

5 blokjes eraf

7 blokjes eraf

b

c

50


BLOK 4

LES 40 1

2

Getallen tot 100

Luister goed. Noteer de getallen in de blokjes.

47

79

67

100

3

63

90

31

48

98

Schrijf de getallen. • Schrijf de getallen van oefening 1 in de juiste hokjes van het honderdveld. • Schrijf de getallen in de groene vakjes. • Schrijf naast het honderdveld welke getallen bij de stukken speelgoed horen. 3 18 21 31 41

a

9 19

10

20

29

23

52

61 96

32 43

47

58 63

12

48 59

67 74

79 85

83 94

98

60

b

27

70

84

80

35

90

89

100

49

51


3

4

5

Vergelijk de getallen. Vul in: < of >. 37

>  29

56  <  81

63

>  53

47  <  50

42

<  46

31  <  32

59

<  95

66  >  60

Rangschik de getallen. Kijk goed naar het teken. 59, 13, 43

13 < 43 < 59

26, 83, 87

87 > 83 > 26

25, 55, 52

55 > 52 > 25

76, 39, 100

39 < 76 < 100

65, 58, 60

58 < 60 < 65

8, 88, 81

88 > 81 > 8

39, 93, 66

93 > 66 > 39

45, 89, 17

17 < 45 < 89

Vul de getallenlijnen aan. a 29

30

31

32 33

28

36

37

35

38 39

40 41

52

42

43

44

34


BLOK 4

b 66

67

65

73

68

74

64

69

59

75

72 63 71

70

60

62

61

6

Vul de getallenassen aan. a

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

b

100

99

98

97

96

95

94

93

92

91

90

c

57

58

59

60

61

62

63

64

65

66

67

d

51

50

49

48

47

46

45

44

43

42

41

e

69

68

67

66

65

64

63

62

61

60

59

f

88

89

90

91

92

93

94

95

96

97

98

53


LES 41 1

Getallen tot 100 ordenen, splitsen en weer samenstellen

Schrijf de getallen die je hoort. Teken ze dan. H

T

H

E

T

46

H

T

100

H

E

T

58

2

T

E

85

E

61

Splits de getallen of stel ze weer samen. a

72 70

54

H

E

b

49 2

40

9

36 30

95 6

90

5

58

24

17

61

50 8

20 4

10 7

60 1

42

95

23

53

4 T  2 E

9 T  5 E

2 T  3 E

5 T  3 E

83

68

46

88

8T 3E

6T 8E

4T 6E

8T 8E


BLOK 4

3

Dit lukt vast ook. Tel op of splits. a   30 + 8 = 38

c   3 + 60 = 63

52 = 5 T + 2 E

2T + 7E = 27

34 = 30 + 4

7E + 3T = 37

10 + 1 = 11

81 = 8 T + 1 E

60 + 5 = 65   8 + 20 = 28

b 4T + 5E = 45

4

64 = 60 + 4

9E + 6T = 69

90 + 2 = 92

69 = 6 T + 9 E

70 + 6 = 76

1T + 8E = 18

73 = 70 + 3

8T + 4E = 84

Vergelijk de getallen. a Vul in: < of >.

5

b Rangschik de getallen. Kijk goed naar het teken.

26  <  29

69  >  47

46, 36, 56

36 < 46 < 56

78  >  68

53  <  71

81, 98, 86

98 > 86 > 81

100  >  99

88  <  99

49, 67, 71

49 < 67 < 71

35  <  53

25  <  75

58, 50, 54

58 > 54 > 50

Vul de getallenassen aan. 45

46

47

48

49

50

51

52

53

54

55

88

87

86

85

84

83

82

81

80

79

78

23

24

25

26

27

28

29

30

31

32

33

100

99

98

97

96

95

94

93

92

91

90

55


6

Zeeslag! Speel per twee. • Duid in honderdveld A vijf boten aan van vier hokjes lang. De boten mogen elkaar niet raken. • Ga dan in honderdveld B op zoek naar de boten van je buur. Kleur de hokjes groen (raak!) of rood (mis!).

A

B

56


BLOK 4

LES 42

Een richting aanduiden of volgen Pictogrammen lezen

Woorden die de weg wijzen

1

in

uit

op

boven

naast

voor

langs

onder

na

links van

rechts van

dichterbij

tegenover

omhoog

omlaag

vooruit

achteruit

opzij

naar links

naar rechts

naar mij toe

hierheen

van mij weg

in de richting van

over

door

Wat betekenen deze pictogrammen? Schrijf er de juiste letter bij. C A

A Daar is de ingang. B Hier moet je naar rechts. C Verboden toegang. D Hier moet je naar links.

F

D

E Daar is de uitgang. F Hier moet je rechtdoor.

B

E

G

G Pas op: weg met bochten!

57


2

58

Luister goed en teken bij wat gevraagd wordt.


BLOK 4

3

Leid je buur door de doolhof. Beschrijf de weg die je buur moet volgen of volg de weg die je buur beschrijft. Gebruik zo veel mogelijk woorden uit het rooster bovenaan op blz. 57. Kleur daar de woorden die je gebruikt.

59


LES 43 1

Tekeningen, foto’s en plattegronden verkennen

Waar stond de fotograaf: veraf of dichtbij? Kruis aan. a

veraf

veraf

dichtbij

dichtbij

veraf

veraf

dichtbij

dichtbij

b

Hoe dichter ik bij een voorwerp sta, hoe

groter

dat voorwerp lijkt.

Hoe verder ik van een voorwerp sta, hoe

kleiner

dat voorwerp lijkt.

Dat lijkt alleen maar zo! Het voorwerp blijft altijd even groot

60

.


BLOK 4

2

Ga om de beurt net zo staan als een van deze popjes. • Zeg om de beurt het nummer van een popje dat je buur moet nabootsen. • Je buur neemt de juiste houding aan. • Controleer of je buur het goed heeft. Kleur het rondje groen of rood. • Draai dan de rollen om.

3

1

2

3

4

Wat zie je als je waar staat? Schrijf het nummer in het juiste rondje. a 2

1

3

2

1

3

4

4

61


b 3

1

62

2

3

4

4

2

4

1

Wie zit op deze plaats in de klas? Noteer de naam.

Dit is de plaats van

.

Dit is de plaats van

.

Dit is de plaats van

.


BLOK 4

LES 44 1

2

Optellen tot 100

Klaar? Noteer dan de letters op de juiste plaats in dit rooster. 1

2

3

4

5

6

7

8

9

Z

I

N

I

N

I

E

T

S

10

11

12

13

14

15

N

I

E

U

W

S

Kijk bij of teken bij. Noteer de som.

20 + 10 = 30

3

4

?

30 + 70 = 100

50 + 20 = 70

40 + 60 = 100

Nu lukt dit ook! Reken uit. a 20 + 60 = 80

80 + 10 = 90

b 20 + 60 = 80

50 + 0 = 50

50 + 40 = 90

30 + 10 = 40

70 + 30 = 100

0 + 30 = 30

50 + 40 = 90

80 + 20 = 100

20 + 70 = 90

10 + 40 = 50

Kijk bij of teken bij. Noteer de som.

10 + 5 = 15

7 + 20 = 27

40 + 4 = 44

3 + 50 = 53 63


5

Hoeveel is het samen? Reken uit. a 80 + 5 = 85

90 + 8 = 98

40 + 3 = 43

70 + 9 = 79

50 + 2 = 52

60 + 0 = 60

30 + 6 = 36

20 + 4 = 24

b 6 + 10 = 16

8 + 90 = 98

7 + 30 = 37

3 + 20 = 23

4 + 80 = 84

2 + 10 = 12

5 + 60 = 65

9 + 50 = 59

c

50

20

40

20

10

20

7

10

= 100

5

50

10

3

10

20

2

30

= 85

6

= 45

Alles door elkaar. Noteer de som.   80 + 6 = 86

8 + 20 = 28

20 + 30 = 50

70 + 10 = 80

0 + 50 = 50

50 + 3 = 53

40 + 7 = 47 20 + 80 = 100 64

= 77

4 + 40 = 44   60 + 0 = 60

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!  Goed hoor!   Nog even oefenen!


BLOK 4

7

Lees en los op. a Koekiemonster heeft al 20 koekjes op. Hij heeft nog meer honger! Hij eet nog 6Â koekjes. Hoeveel koekjes zitten er in zijn buik? Bewerking: 20 + 6 = 26 Er zitten 26 koekjes in zijn buik. b In de spaarpot van Joppe zit 7 euro. Oma steekt er 50 euro bij. Hoeveel euro zit er nu in zijn spaarpot? Bewerking: 7 + 50 = 57 Nu zit er 57 euro in zijn spaarpot.

c Rafik heeft 2 zakjes met 10 stickers elk. Hij koopt nog 5 zakjes bij. Hoeveel stickers heeft Rafik nu? Bewerking: 20 + 50 = 70 Rafik heeft nu 70 stickers.

8

Hoeveel euro tel je? Noteer het bedrag.

35 euro

92 euro

61 euro

55 euro 65


LES 45 1

Aftrekken tot 100

Kijk weg of doorstreep. Noteer het verschil.

50 − 10 = 40

2

3

66

70 − 20 = 50

40 − 30 = 10

Nu lukt dit ook! Reken uit. a 60 − 20 = 40

20 − 10 = 10

b 60 − 30 = 30

30 − 10 = 20

80 − 40 = 40

60 − 10 = 50

90 − 50 = 40

70 − 20 = 50

90 − 20 = 70

50 − 30 = 20

60 − 0 = 60

50 − 30 = 20

Noteer het verschil.

100 − 30 = 70

4

60 − 30 = 30

100 − 90 = 10

100 − 40 = 60

Nu lukt dit ook! Reken uit. 100 − 20 = 80

100 − 50 = 50

100 − 60 = 40

100 − 70 = 30

100 − 80 = 20

100 − 10 = 90


BLOK 4

5

Kijk weg of doorstreep. Noteer het verschil.

25 − 10 = 15

6

53 − 50 =

36 − 10 = 26

59 − 30 = 29

72 − 40 = 32

45 − 10 = 35

93 − 70 = 23

97 − 50 = 47

81 − 50 = 31

56 − 40 = 16

49 − 30 = 19

67 − 60 =

61 − 40 = 21

34 − 20 = 14

83 − 80 =

3

7

99 − 90 =

9

82 − 30 = 52

Alles door elkaar. Noteer het verschil.   90 − 70 = 20

100 − 60 = 40

48 − 30 = 18

80 − 30 = 50

100 − 10 = 90

55 − 20 = 35

Goed hoor!

100 − 0 = 100

Nog even oefenen!

83 − 80 =

3

50 − 40 = 10

8

44 − 20 = 24

Nu lukt dit ook! Reken uit. 55 − 20 = 35

7

3

�� haal��

/ 10.

Wow! Zond er foutjes!

77 − 50 = 27

Lees en los op. a Het leesboek van Isra telt 100 bladzijden. Ze heeft al 30 bladzijden gelezen. Hoeveel bladzijden moet ze nog lezen? Bewerking: 100 − 30 = 70 Ze moet nog 70 bladzijden lezen.

67


b Line heeft 75 euro gespaard. Daarmee koopt ze een step van 50 euro. Hoeveel euro houdt ze over? Bewerking: 75 − 50 = 25 Ze houdt 25 euro over.

c Bilal heeft 35 letterkoekjes. Tijdens de speeltijd van 10 uur eet hij er 20 op. Hoeveel letterkoekjes houdt hij over? Bewerking: 35 − 20 = 15 Hij houdt 15 letterkoekjes over.

9

Los op. 50

+ 20

70

40

+ 30

– 30 50

+ 10

40

– 50 0

68

70 + 30

50

– 50

100

– 30

26

+6 + 30

30

56


LES 46 â&#x20AC;&#x201C; HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 4?

Getallenkennis

les nr.

herhaling nr.

getallen tot 100 lezen, schrijven en voorstellen.

40, 41

1

getallen tot 100 splitsen en weer samenstellen.

41

2

getallen tot 100 aanvullen op een getallenas.

40, 41

3

getallen tot 100 vergelijken en ordenen.

40, 41

4

les nr.

herhaling nr.

37, 38

5

optellingen tot 100 zonder brug oplossen.

44

6

aftrekkingen tot 100 zonder brug oplossen.

45

7

44, 45

8

les nr.

herhaling nr.

vergelijken wat van twee dingen de meeste plaats inneemt.

39

9

bedenken hoeveel blokjes er nodig zijn om een bouwsel aan te vullen tot een balk of een kubus.

39

10

les nr.

herhaling nr.

uitleggen wat eenvoudige pictogrammen betekenen.

42

11

bij een tekenopdracht de dingen op de juiste plaats tekenen (met woorden als naast, in, op, onder, links/rechts van ...).

42

12

inschatten vanop welke plek een foto gemaakt is.

43

13

een eenvoudige plattegrond lezen.

43

13

Ik kan:

Bewerkingen Ik kan: de uitkomsten van de maal- en deeltafel van 2 en 10 geven.

vraagstukjes over optellen en aftrekken oplossen.

Meten en metend rekenen Ik kan:

Meetkunde Ik kan:

Ik oefen flink om de uitkomsten van de maal- en deeltafels te onthouden. Ik werk fijn samen met mijn vrienden. Ik houd me aan de opdracht en aan de afspraken. 69


1

Welke getallen hoor of zie je? a Schrijf de getallen die je hoort in de verjaardagkroontjes. 27

100

43

34

76

b Noteer of teken de getallen. H

T

E

H

36 H

T

H

E

H

T

T

E

100 E

63

H

T

E

41

Splits de getallen of stel ze weer samen. a

85 80

31 5

43

70

E

58

70

2

T

3 T  1 E

b   70 + 4 = 74

52 = 5 T + 2 E

1T + 8E = 18

34 = 30 + 4

20 + 6 = 26

81 = 8 T + 1 E

9T + 2E = 92

49 = 40 + 9

60 + 9 = 69

70 = 7 T + 0 E

5T + 3E = 53

94 = 90 + 4

57

40 3

5T 7E

19

64

1 T  9 E

60 4


3

4

Vul de getallenassen aan. 58

59

56

57

100

99

98

97

42

43

44

45

33

32

31

60

61

96

46

30

29

63

95

94

93

47

48

49

27

26

28

64

92

50

25

65

91

51

24

66

90

52

23

Vergelijk de getallen. a Vul in: < of >.

5

62

b Rangschik de getallen zoals gevraagd.

44

<

47

88

>

77

43, 14, 51

14 < 43 < 51

71

>

31

53

>

35

67, 76, 77

77 > 76 > 67

24

<

56

10

<

40

88, 100, 62 62 < 88 < 100

76

>

67

83

<

93

24, 42, 44

44 > 42 > 24

Los op. a

3 × 10 = 30

20 : 10 = 2

b 6 × 10 = 60

7 × 10 = 70

30 : 10 = 3

100 : 10 = 10

9 × 10 = 90

5 × 10 = 50

70 : 10 = 7

80 : 10 = 8

1 × 10 = 10

2 × 10 = 20

60 : 10 = 6

10 : 10 = 1

4 × 10 = 40

8 × 10 = 80

0 : 10 = 0

40 : 10 = 4 71


c

6

7

8

7 × 2 = 14

4×2= 8

9 × 2 = 18

20 : 2 = 10

16 : 2 = 8

4:2= 2

3×2= 6

1×2= 2

6 × 2 = 12

12 : 2 = 6

10 : 2 = 5

2:2= 1

Noteer de som. 40 + 60 =

100

30 + 4 =

34

6 + 80 =

86

7 + 20 =

27

2 + 80 =

82

50 + 5 =

55

60 + 1 =

61

90 + 10 =

100

40 + 0 =

40

50 + 20 =

70

6 + 90 =

96

70 + 30 =

100

Noteer het verschil.   60 − 10 = 50

100 − 20 = 80

50 − 0 = 50

64 − 10 = 54

100 − 50 = 50

91 − 70 = 21

89 − 80 = 9

90 − 40 = 50

59 − 30 = 29

77 − 60 = 17

45 − 30 = 15

26 − 20 = 6

48 − 40 = 8

80 − 30 = 50

70 − 50 = 20

100 − 60 = 40

Lees en los op. Er liggen 3 appels op de grond. Er hangen nog 40 appels in de boom. Hoeveel appels zijn dat samen? Bewerking: 40 + 3 = 43 Dat zijn samen 43 appels.

We maken een fietstocht van wel 48 kilometer. We hebben al 40 kilometer gefietst. Hoe ver is het nog? Bewerking: 48 − 40 = 8 Het is nog 8 kilometer ver.

72


9

10

Vergelijk. Wat neemt de meeste plaats in? Kruis aan.

Hoeveel blokjes moeten erbij of eraf om een balk te hebben? Noteer het.

4 blokjes erbij

11

6 blokjes erbij

Wat betekenen deze pictogrammen? Schrijf er het juiste nummer bij.

2

12

4 blokjes eraf

1

6

1 2 3 4 5 6

De nooduitgang is deze kant op. Hier vind je de roltrap naar boven. Hier vind je de roltrap naar beneden. Hier moet je naar links. Hier is een glijbaan. Hier moet je naar rechts.

Lees aandachtig en teken. • Teken een vaas op de tafel. • Teken twee bloemen in de vaas. • Teken een bal onder de tafel. • Teken een kindje links naast de tafel. • Teken een lamp boven de tafel. • Teken een plant rechts naast de tafel. • Teken een glas voor de vaas. 73


13

Wat zie je? a Waar stond de fotograaf: veraf of dichtbij? Kruis aan.

veraf

veraf

dichtbij

dichtbij

b Van waar zijn de foto’s gemaakt? Schrijf het nummer van de camera in het rondje. 2

1

4

2

3

3

4 c Wie zit op deze plaats in de klas? Noteer de naam.

74

1

Dit is de plaats van

.

Dit is de plaats van

.


1

Schrijf de getallen in de lege kaartjes. Maak de andere kaartjes vast aan de getallenas. 77

72

74

64

67

79

63

60

2

70

80

Kun jij dit oplossen? Vul de uitkomst in.

30 a

3

78

40

1

+

= 100

+ −

60

20

5

+

−

= 10

= 21

+

−

= 62

= 70

−

+

= 41

b

3

100

Wat zie je uit welke hoek? Schrijf het nummer in het juiste rondje. Maak zelf de tekening die ontbreekt.

2

1

1

3

4

2

3

4

75


4

Noteer het quotiënt. Zet een streep door de oefeningen die niet lukken.

5

12 : 2 = 6

19 : 2 =

100 : 10 = 10

50 : 10 = 5

7:2=

16 : 2 = 8

80 : 10 = 8

0 : 10 = 0

11 : 2 =

14 : 2 = 7

6 : 10 =

85 : 10 =

20 : 2 = 10

5:2=

54 : 10 =

10 : 10 = 1

Verbeter de toets van Sanaa. Als je fouten vindt, verbeter je ze. Geef Sanaa ook punten en kruis aan wat past. TOETS NA BLOK 4 Naam: Sanaa Leysen 3 + 40 = 34 43

11 / 20 1×2= 3 14 : 2 = 7

59 − 40 = 19 9 × 2 = 16 18

6 + 50 = 56

20 : 2 = 10

100 − 10 = 90

70 + 10 = 80

5 × 2 = 10

100 − 30 = 30 70

8:2= 6

6

50 + 2 = 52 90 − 90 = 90 0

59 − 20 = 39 10 × 2 = 20 16 : 2 = 14 8

Knap zo: alles juist!   Bijna goed. Nog een beetje oefenen.   Ai! Dit vind je nog erg moeilijk.

76

4

30 + 70 = 10 100

4×2= 8 12 : 2 = 7

2


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook