Wonen in verandering Het alledaagse interieur van Nederland, 1950-1980
Tim Smeets
Wonen in verandering Tim Smeets
Het alledaagse interieur van Nederland, 1950-1980
Waanders Uitgevers, Zwolle
Inhoud
1
2
3
4
Inleiding
14
De groene schaal van mijn oma Maria Een archiefvondst in Arnhem
15 19
De vormen van de tijd
26
Licht, Lucht en Ruimte Het huis als opvoedmachine Het ideale interieur van de familie Kraaij-van Loon
29 41 51
Blank eiken en de belofte van vooruitgang
60
Het wonder van de lopende band Hoe consumeren gewoon wordt Oud-Hollands
62 73 79
De schutting groeit
82
Deze flats zijn de krotten van morgen Hoe de bloemkoolwijk een ideaal wordt Een herwaardering
84 90 104
Wonen zonder toestemming
108
Van Scandinavisch naar Queen Anne Een korte geschiedenis van de keuken Het interieur als statement Mensen van liberale huizen
111 126 134 146
Epiloog
156
Beeldverantwoording Noten Over de auteur Colofon
171 173 174 174
4
1956
1957
1958
1962
1963
Inleiding afb.
1
Antiquair Ben Hüsstege in zijn antiekzaak in Haren (Groningen), waar hij vooral robuuste meubels van Spaans eiken verkocht. De foto dateert uit de periode waarin mijn groot ouders hun tafel kochten. Was het bij Hüsstege? Ik had hen daar graag zien rondscharrelen. 1964
Wonen in verandering
14
De groene schaal van mijn oma Maria Op mijn aanrecht staat een groene schaal. Er ligt wat fruit in, een courgette en een paar gehavende teentjes knoflook waarvan ik me niet meer herinner wanneer ze er zijn beland. Eromheen ligt rommel: een telefoonoplader en brievenbusreclame. Het oogt als een modern stilleven: eten en prulletjes, en symboliek. Want de schaal komt uit het huis van mijn oma Maria. Als ik hem verplaats om iets te snijden, of zo nu en dan leeggooi in de prullenbak en schoonmaak, dan denk ik aan haar. Juist dat alledaagse roept herinneringen op. Het is het enige object bij mij thuis dat bij haar vandaan komt. De schaal is groen, heeft aan de onderkant geen merkje en uit zijn wat butse uiterlijk blijkt dat hij waar schijnlijk door een pottenbakker gemaakt is. Ik weet niet hoe hij in mijn keuken terechtkwam. In de laatste maanden van Maria’s leven zal hij ingepakt zijn geweest, korte tijd woonde ze in een seniorenflat. Maar daar denk ik nooit aan, mijn gedachten dwalen altijd af naar veel langer geleden. Als kind wist ik precies waar hij stond. Op de tafel in de woonkamer, naast een forse kandelaar. Alles was daar heel oud, zo herinner ik me. De meubels waren donker, massief en met gedraaide poten. De woonkamer was fors en opvallend langwerpig, met grote ramen die uitkeken op een gazon. Bij ieder bezoek zette mijn oma me aan het werk: madeliefjes uit het gras trekken. Met de schaal komen al die herinneringen samen – voor mij voelen ze als een absolute waarheid. Toch herinneren mijn vader en zus zich de schaal op een heel andere plek in dat huis. Het verdelen van spullen na iemands overlijden is een vervreemdende ervaring. Terwijl het gebeurt, verdwijnt het decor van iemands leven. En dat is niet alleen ongemakkelijk voor de nabestaanden, maar ook voor de spullen zelf. In één klap verliezen ze hun natuurlijke omgeving. Ze worden niet langer gebruikt zoals ze werden gebruikt; de samenhang met de rest van het huis is voor altijd verbroken. En als niemand ze in huis haalt, verdwijnt niet alleen het object naar de milieustraat, maar vervagen ook de herinneringen. Voor mijn groene schaal liep het goed af. Die kreeg een nieuw thuis. Mijn oma Maria en haar echtgenoot opa Rob zullen in hun jonge jaren ook spullen hebben gehad die een tweede leven kregen. Anders dan ik gingen zij vanuit hun ouderlijk huis samenwonen, vanuit niets werd een interieur samengesteld. Zoals gezegd met oude spullen, maar ook met nieuwe: ze kozen een set meubels van
15
donker eikenhout. Die waren zwaar, met her en der ook tierelantijntjes, herinnert mijn vader zich. Of het een moeilijke keuze was, heb ik hen nooit kunnen vragen; wel moet het definitiever hebben gevoeld dan in onze tijd wanneer wij een huis inrichten. Halverwege de vorige eeuw kocht je meubels voor een huwelijksleven lang. Nu terugkijkend valt op dat zij de grote stroom niet volgden. Wie advertenties en woonbladen uit het begin van de jaren vijftig doorbladert, ziet vooral functionele meubels van licht hout. Hun interieur werd juist donker
Inleiding
16
afb.
2
Een model in de woonkamer van een portiekflat. Het geheel is te gestileerd om een ‘echt interieur’ te zijn. Niet alleen door de sfeer van de foto, maar vooral door de inrichting: de meubels, lampen en zelfs de planten potten, alles is nieuw. 1962
17
en zwaar. En op die voet gingen ze ook verder. Toen er begin jaren zestig meer geld kwam, deden ze er zelfs een schepje bovenop: ze kochten een nog grotere donkere eikentafel, waarvan het blad en de poten nog dikker waren. En dat is de tafel uit mijn jeugd, waarop ik me, inmiddels, mijn schaal herinner. Waarom die donkere en zware meubels? Het ant woord weet ik niet, ik heb het ze nooit gevraagd. Maar door hun situatie te schetsen, door meer inzicht te geven in hun ‘bubbel’, kunnen we wel dichtbij komen. Want laten we die knoop eens ontwarren. De vader van mijn oma bezat een goedlopend transportbedrijf in kolen, dat hun financiële ruimte en een voorsprong op leeftijdsgenoten gaf. Zij konden in Groningen wel makke lijk een huis kopen, zie het als de jubelton van onze tijd. Maria had graag willen studeren, maar kreeg snel kinderen en bleef thuis, zoals toen gebruikelijk. Onder tussen koesterde ze trots het academische succes van opa Rob: eerst leraar Frans, daarna promovendus en later zelfs hoogleraar Oud-Frans. Het is een succesverhaal, helemaal binnen de norm. Ze waren ambitieus, ontvingen graag vrienden, relaties en zelfs studenten thuis, en daar hoorde een passend interieur bij. Gaandeweg dijde hun interieur uit. Er kwam een groter huis en er kwamen spullen bij. Zoals een oud Mariabeeldje, en toen ze in hun wooncarrière aankwamen bij het huis dat ik ook gekend heb: een groot Vlaams wandkleed met een mythologische scène aan de lange wand zonder ramen. En natuurlijk die enorme tafel. Die in mijn jeugd inmiddels met een verhaal geladen was: mijn opa, die goed kon vertellen en in wiens verhalen historische feiten en broodje aap dwars door elkaar heen liepen, vertelde me dat er ooit ridders aan hadden gezeten. Dat die vlekken erop bloedvlekken waren. Natuur lijk geloofde ik dat. Maar wat was dit voor een stijl? Toen ik zelf kunstgeschiedenis ging studeren en al snel een interesse voor oude interieurs ontwikkelde, moest ik vaak aan hen denken: hoe zij in een andere tijd hadden geleefd, en dat ik daar als kind even onderdeel van was geweest. Want waren die meubels wel echt oud? Of waren het – zoals ik in dit boek laat zien, zijn daar voorbeelden genoeg van – meubels die vooral oud leken? Ik kan de flarden uit mijn herinneringen niet aan mijn latere kunst historische kennis knopen. Wel weet ik dat in de jaren dat mijn opa en oma in dat huis gingen wonen, antiek juist bijzonder duur was. Dat is later veranderd. Kijk maar naar onze tijd: voor het geld waarmee je tegenwoordig bij een grote woonwinkel een interieur samenstelt, zou je
je ook een interieur kunnen permitteren dat in de achttiende eeuw alleen voor een edelman was weggelegd. Wat in is, of duur, dat verandert. Juist dat het kostbaar was en oud, dat zal status hebben gegeven. Gezien het academische milieu waar zij zich in bevonden, is het onwaarschijnlijk dat zij voor ‘nep’ hadden gekozen. Dat brengt mij terug bij wie zij waren en ook wilden zijn, bij hun standgevoel. Want die manier van leven, die kan ook bij meubels horen. In mijn werk kom ik daar nog restanten van tegen: mensen die zich graag met een zweem van vroeger omringen uit interesse, maar ook omdat ze dat chic vinden. Wanneer ik bij iemand thuis kom om een meubel te bekijken, gaat dat voor diegene vaak samen met een bepaalde manier van praten: een beetje uit de hoogte misschien, studentikoos, laten we het daar op houden. En in de jaren vijftig was dat nog veel sterker dan nu, zoals woonexpert Otto van Tussenbroek in 1955 schreef: de ‘beter gesitueerden’ hebben immers vaker een voorkeur voor een interieur van ‘quasi-oude en antieke afwerking’.1 Natuurlijk hielden ze van die spullen, maar het hoorde ook bij wie ze wilden zijn. Maar wat deed mijn groene schaal in dat interieur? Echt passen deed hij niet. Hij heeft geen antieke afwerking, hij is gewoon groen. Had Maria hem gekocht in Frankrijk – waar ze graag pottenbakkerijen bezocht – als her innering aan een vakantie? Of was het een cadeau dat ze niet weg kon doen? afb.
3
De woonkamer in de boerde rij van de familie Van Heel. Het interieur is traditioneel, maar het destijds moderne streepjesbehang en het dessin van de gordijnen verraden dat ook hier een make-over heeft plaats gevonden. De boerderij staat in de Bommelerwaard, tussen de Maas en de Waal. 1957
1
De vormen van de tijd
18
Een archiefvondst in Arnhem Een groot deel van mijn werk bestaat uit kijken naar plaatjes. Ik begin mijn zoektochten in de beeldbanken van archieven, met steekwoorden als ‘woonkamer’ of ‘interieur’. Wat ik dan vind, zijn vooral foto’s van monumentale panden, vaak gemaakt omdat een restau ratie nodig is of net is afgerond. Een andere frequente treffer is ‘reclamemateriaal’: strak gestileerde, opgeruimde woonkamers waarin modellen stofzuigen of theedrinken, meestal afkomstig uit oude damesbladen. En toch valt het op: of het ‘m nu zit in de haast té perfecte scherpte van de foto, die verraadt dat er een professional aan het werk is geweest, of in die ene persoon die zich nooit helemaal in de ruimte lijkt te voegen – in alles wordt duidelijk dat het geen écht interieur is. Echte interieurs zijn voor mij kamers waar werkelijk iemand woont, waar niet eerst driftig is opgeruimd. Ik verzamel ze, om een beeld te krijgen van hoe mensen vroeger woonden. Ze zijn zeldzaam, want ze werden niet vaak vastgelegd, en zijn dus moeilijk te vinden. Geen wonder: in de tijd waaruit ik voor dit verhaal heb verzameld, het derde kwart van de twintigste eeuw, was thuis erg privé. Er werd niet zomaar opengedaan voor een vreemde, laat staan voor iemand met een camera. Een foto van een woonkamer legt immers onvermijdelijk bloot
19
hoe iemand leeft, wie iemand is. Maar er zijn meer vragen: waarom zou een fotograaf een gewoon interieur fotograferen? En wat moest een archivaris met een foto van iets wat leek op zijn eigen woonkamer? Een paar jaar geleden was ik zo aan het grasduinen in de beeldbank van het Gelders Archief. Daar liep het anders dan anders: ik stuitte op een van de mooiste tijds documenten uit de jaren vijftig die ik ken. Het begon met een foto van het woongedeelte van een boerderij. Dit moest wel een echt interieur zijn. Wel flink opgeruimd, maar tegelijkertijd zo eigen doordat er ook wonderlijke keuzes in het spel waren, zoals een groot Christusbeeld in de hoek tussen de twee ramen. Dit verzin je niet als stylist. Het decor was verder onmiskenbaar naoorlogs: traditionele meubels gecombineerd met een toen modern verticaal streepjesbehang (afb. 3). De foto bleek onderdeel van een grote serie genaamd Gelderse Komgronden. Enthousiast klikte ik verder en trof, na een hele reeks zonnige foto’s van akkers en boerderijen, iets waar ik altijd op hoop: steeds weer interieurs, steeds nieuwe foto’s van boerenhuizen en nu ook van dorps woningen. Hier was een professionele fotograaf aan het werk geweest, met overzichtsfoto’s die de situatie toonden zoals die werkelijk was. Er waren afbeeldingen van gewone woonkamers, maar ook actiefoto’s van alledaagse handelingen, zoals een keuken waarin een vrouw met een oude pomp water omhooghaalt (afb. 4). Dit waren geen modellen, maar gewone mensen uit de jaren vijftig. Inleiding
afb.
5
Over de schoorsteenmantel hangt een worteldoek. Een traditionele keuze. Het textiel heeft geen praktische functie, het dient puur ter decoratie. Alsof het zo is bedacht, is dit exemplaar omgeven door alle clichés die erbij horen: een messing salamander, de trouwfoto en een molentje, eveneens van messing. 1957
20