Skip to main content

Verslag workshop spelend en talentgericht tewerk gaan 22 02 2018

Page 1

WORKSHOP voor Uilenspelbegeleiders ‘Spelend en talentgericht tewerk gaan’ Donderdag 22 februari 2018 Doel van de workshop   

Inspireren om op laagdrempelige manier spel te steken in het begeleidersuurtje Eigen ervaringen delen Concrete tips en spelletjes meegeven

Focus van de workshop 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Broertjes of zusjes betrekken Emoties en beweging Ouderbetrokkenheid Talentgericht werken Thuistaal in spelvorm (Digitaal)

‘Spelend leren’ kaderen WAT? Spelend leren is een Leren wordt spelend leren als:     

methode

om

leren

leuk

én

efficiënt

te

maken.

Betekenisvol: gekoppeld aan bekende situaties Sociale interactie: wederzijds begrip en een sterke relatie Plezier: de kern van het spelen Actieve betrokkenheid: gefocust blijven Herhaling: leidt tot meer leren

WAAROM? Door spelend leren kan je de innerlijke motivatie van de kinderen vergroten. Kinderen leren hierdoor veel meer bij dan enkel schoolse vaardigheden, ook emotionele vaardigheden, fysieke vaardigheden, sociale vaardigheden, cognitieve en creatieve vaardigheden worden geoefend. HOE? Bijvoorbeeld: https://www.ketnet.be/karrewiet/9-februari-2017-al-spelend-leren

Doorschuifsysteem ‘Spelend leren’ 1. 2. 3. 4. 5.

Broertjes of zusjes betrekken Emoties en beweging Ouderbetrokkenheid Talentgericht werken Thuistaal in spelvorm


1. Broertjes of zusjes betrekken 3de kleuter TAAL 

 

Letters schrijven op de rug van broer/zus. Eerst oefenen op een blad: de letter schrijven met een stift, daarna overgaan met potlood, erna met vinger. Dan op de rug van broer/zus.  Oudere broer/zus kan de letter raden. Broer/zus laten voorlezen. Wat is er weg? Je kiest met broer/zus enkele voorwerpen uit de ruimte (±5). Je legt ze naast elkaar. Je Uilenspelkindje sluit de ogen en broer/zus neemt een voorwerp weg. Je Uilenspelkindje mag raden wat er weg is Glijbaan en ladderspel: rijmen.


EINDE

START


REKENEN 

Gekleurde elastieken Je hebt verschillende gekleurde elastieken mee. Je Uilenspelkindje mag de elastieken schuiven op de handen van broer/zus aan de hand van een voorbeeldkaart. Daarna tel je het aantal elastieken. (Hiermee oefen je ook de kleuren) Telspel. Je neemt een dobbelsteen en blokjes. Om de beurt mogen de kinderen en jij gooien. Het aantal ogen op de dobbelsteen is het aantal blokken dat je mag nemen. Wie bouwt de grootste toren? Matrix. Maak je eigen matrix naar het kunnen van je Uilenspelkindje. Broers en/of zussen kunnen hierbij helpen of je maakt ook een matrix voor hen. Je kan deze matrix moeilijker maken door je Uilenspelkindje de vormen zelf te laten tekenen of door extra vormen, extra cijfers of kleuren toe te voegen. Dit kan je ook doen voor broers/zussen. Je kan er ook een spelvorm aan koppelen door dobbelstenen te gebruiken: een gewone dobbelsteen, een dobbelsteen met vormen en/of een dobbelsteen met kleuren.


VORMEN/KLEUREN 

Buiten tekenen. Is het droog buiten, dan is dit de ideale manier om vormen te oefenen. Teken samen met je Uilenspelkindje enkele vormen op de grond: eerst in het klein en daarna iets groter. Vervolgens kan je de vormen volgen door de omtrek te stappen, te lopen, te springen. Als de vormen ingeoefend zijn, haal je er broers en zussen bij. Teken de vormen een aantal keer op de grond. Daarna zeg jij een vorm en moeten de kinderen naar de genoemde vorm springen. Poppetje aankleden met vormen. Maak 2 vinger-draaischijven. Eén draaischijf is voor de kleuren en de andere voor de vorm. Je Uilenspelkindje draait aan de draaischijf en kleed het mannetje aan (hoe, boven- en onderlichaam). Probeer eerst de draaischijven apart en daarna in combinatie met elkaar. Broertjes en zusjes kunnen gewoon meedoen. De draaischijven kan je moeilijker maken door bijvoorbeeld niet gewoon een vakje rood te maken maar ook rood/gestreept. Elmer de kleurenolifant. Je neemt een afbeelding mee van Elmer de kleurenolifant en gekleurde bladen waar er al vierkantjes opstaan. Samen met broers/zussen kan je deze uitknippen. En daarna de olifant proberen na te maken. Dit kunnen ze samen doen of elk apart. Dit kan je ook linken aan het gelijkaardige boek: Elmer de kleurenolifant.

BEWEGING 

Schrijfdans. Schrijfdans kan je doen om de fijne en grote motoriek te oefenen en kan je perfect combineren met broers of zussen. Schrijfdans kan je doen met papier en kleurpotloden of in scheerschuim, maar dan moet je de tafel wel goed afdekken. De muziek van de schrijfdans kan je online vinden op YouTube. Schrijfdans is eigenlijk iets wat ze op school toepassen met specifieke bewegingen op specifieke muziek. Tijdens je begeleiding kan je hier losser mee omgaan en gewoon samen met je Uilenspelkindje aanvoelen welke vormen en bewegingen gepast zijn op de muziek. Je kan ook op voorhand de muziek beluisteren en bespreken. Vraag daarbij aan je Uilenspelkindje wat hij/zij zich voorstelt bij de muziek. Daarna kan je beginnen tekenen. Yoga. Kinderyoga kan je samen doen met broers/zussen. Het werkt ontspannend en verbindend. Je oefent ook de woordenschat.


KNUTSELEN 

Knikkerbaan knutselen met wc- of keukenrollen. Je kan de rollen met alle kinderen beschilderen. Eenmaal droog en in elkaar gezet kan je deze gebruiken om te tellen. Broer/zus steekt enkele knikkers in de baan en je Uilenspelkindje telt het aantal knikkers. Dit kan ook omgekeerd. Uil knutselen met eierdoos. Dit kan je doen aan de hand van een stappenplan (boek: 51 dingen om te maken met eierdozen). Ook broertjes en zusjes kunnen hieraan meedoen. Als je dit doet aan de hand van een stappenplan leert je Uilenspelkindje logisch nadenken en een stappenplan volgen.

1e leerjaar TAAL 

Woordentwister. Je neemt een Twisterspel en schrijft of plakt daar bekende woorden op voor je Uilenspelkindje. Hij/zij moet springen of op het woord gaan staan dat jij zegt. Is dit te moeilijk dan kan je teruggaan naar bekende letters of een prent bij het woord kleven. Broer of zus kunnen juf of meester spelen of gewoon meedoen. Variatie: Een kleur zeggen en het Uilenspelkindje leest het woord. Een kleur zeggen kan ook broer of zus doen. Je kan dit ook gemakkelijk maken met een wit laken.

Letters zoeken in rijst. Knip verschillende letters uit (drukletters of schrijfletters) in klein formaat, zodat ze in een bakje met ongekookte rijst kunnen. Druk diezelfde letters ook in een groter formaat uit. Je Uilenspelkindje kiest eerst een letter uit het rijstbakje en zoekt dan diezelfde letter in groter formaat. Kan ook omgekeerd. Eenmaal de letterherkenning goed zit, kan je overgaan tot woorden. Druk dan verschillende bekende woorden af en dan kan je Uilenspelkindje de letters van het woord zoeken en erbij leggen. Broertje of zusje kan juf/meester zijn om te controleren of om letters/woorden aan te reiken. Je kan ook een apart bakje maken voor broers/zussen.

Schrijven in scheerschuim. Je maakt letter- of woordkaarten die je Uilenspelkindje kan schrijven in scheerschuim. Gebruik hiervoor een dienblad of een tafelbeschermer. Je kan ook verf toevoegen aan de scheerschuim en met een wit blad een afdruk maken van de geschreven letters, woorden. Broers/zussen kunnen meedoen of enkel tekenen in het scheerschuim.

Glijbaan en ladderspel: rijmen. Zie 3de kleuter.


Toverschrijven. Neem een wit blad, een donkere kleur verf, een beetje water en een witte wasco. Je kan nu woorden schrijven met de witte wasco, er daarna overgaan met de donkere verf die je mengde met wat water. Daarna kan je de woorden lezen.

REKENEN 

Telspel. Je neemt 1 of 2 dobbelstenen en blokjes. Om de beurt mogen de kinderen en jij gooien. Het aantal ogen op de dobbelsteen is het aantal blokken dat je mag nemen. Wie bouwt de grootste toren?

Kleurplaat met rekensommen. Neem een willekeurige kleurplaat en schrijf er rekensommen op. Als je Uilenspelkindje de som juist heeft, mag hij/zij het vakje kleuren. Jongere broers/zussen kan je een gewone kleurplaat geven. Oudere broers/zussen kunnen je Uilenspelkindje controleren of zelf een kleurplaat met rekensommen maken.

Splitsmemory. Maak hiervoor gebruik van een spel kaarten. Kies op voorhand een getal dat je gaat splitsen, bijvoorbeeld 6. Haal dan alle kaarten tot en met 5 eruit en gebruik de aas als 1. Leg ze omgekeerd op tafel in een rechthoek. Draai 2 kaartjes om. Als ze samen 6 zijn, dan mag je ze houden en mag je weer 2 kaartjes omdraaien. Zijn ze samen niet gelijk aan 6, dan draai je ze weer om en is het aan de volgende. Is dit te moeilijk, dan kan je op voorhand splitsen op papier. Is dit te makkelijk, dan kunnen er ook 3 kaarten omgedraaid en gecombineerd worden.


BEWEGING 

Schrijfdans. Schrijfdans kan je doen om de fijne en grote motoriek te oefenen en kan je perfect combineren met broers of zussen. Schrijfdans kan je doen met papier en kleurpotloden of in scheerschuim, maar dan moet je de tafel wel goed afdekken. De muziek van de schrijfdans kan je online vinden op YouTube. Schrijfdans is eigenlijk iets wat ze op school toepassen met specifieke bewegingen op specifieke muziek. Tijdens je begeleiding kan je hier losser mee omgaan en gewoon samen met je Uilenspelkindje aanvoelen welke vormen en bewegingen gepast zijn op de muziek. Je kan ook op voorhand de muziek beluisteren en bespreken. Vraag daarbij aan je Uilenspelkindje wat hij/zij zich voorstelt bij de muziek. Daarna kan je beginnen tekenen.

Yoga. Kinderyoga kan je samen doen met broers/zussen. Het werkt ontspannend en verbindend. Je oefent ook de woordenschat.

KNUTSELEN 

Knikkerbaan knutselen met wc- of keukenrollen. Je kan de rollen met alle kinderen beschilderen. Eenmaal droog en in elkaar gezet kan je deze gebruiken om te tellen. Broer/zus steekt enkele knikkers in de baan en je Uilenspelkindje telt het aantal knikkers. Dit kan ook omgekeerd. Hiermee kan je ook het splitsen oefenen aan de hand van kaartjes. Je maakt splitsoefeningen en steekt deze in een plastiekje of lamineert deze. Je Uilenspelkindje kan de oefening invullen met een whiteboard-stift en dan controleren aan de hand van de knikkerbaan. Broer/zus kan de oefening of het kaartje aanreiken in plaats van jij.

Rekenvriendjes. Knutsel met je Uilenspelkindje en broers/zussen poppetjes. Je kan hiervoor gebruik maken van een printblad of je gebruikt eierdozen (boek: 51 dingen om te maken met eierdozen, p.61 of 67). Op de poppetjes schrijf je de cijfers tot en met 10 en al de tekens (+,-,x,:,=). Deze kan je gebruiken om rekensommen te maken. Je kan broers/zussen inschakelen om de poppetjes te helpen maken of om rekensommen te maken voor broer/zus of als juf/meester en de sommen te controleren.


2e leerjaar TAAL 

Dobbelspel. Link een klank aan de ogen op de dobbelsteen. Kies voor klanken die het kind kent of geleerd heeft op school. Bv.: 1=oo, 2=e, 3=k, … Is dit nog te moeilijk dan kan je gebruik maken van prenten van woorden die deze klanken hebben. Broers of zussen kunnen hieraan meedoen. Zijn de broers/zussen ouder. Dan mogen zij niet naar de prentjes kijken.

Gooi een woord.

Schrijf het woord in een zin.

Maak een tekening van het woord.

Wat betekent het woord?

Beeld het woord uit.

Schrijf het woord op.

Schrijf het woord 5 keer op.

Je maakt kaartjes met verschillende bekende woorden. Je Uilenspelkindje kiest een woord uit zonder te kijken. Hij/zij gooit met de dobbelsteen en voert de opdracht uit. Oudere broers of zussen kunnen de opdracht voorlezen of meedoen met het spel. Als ze meedoen, kan je enkele moeilijkere woorden voorzien.


Woordentwister. Je neemt een Twisterspel en schrijft of plakt daar bekende woorden op voor je Uilenspelkindje. Hij/zij moet springen of op het woord gaan staan dat jij zegt. Is dit te moeilijk dan kan je teruggaan naar bekende letters of een prent bij het woord kleven. Broer of zus kunnen juf of meester spelen of gewoon meedoen. Variatie: Een kleur zeggen en het Uilenspelkindje leest het woord. Een kleur zeggen kan ook broer of zus doen.

Vliegenmepper. Je schrijft op een groot blad woorden die je Uilenspelkindje kent of moet inoefenen. Je kan ook kaartjes maken met deze woorden op en wat vastkleven aan de tafel. Om de beurt zeg je een woord en wie het snelste er op slaat met de vliegenmepper, wint een blokje. Wie kan er de hoogste toren bouwen? Variatie: Is dit te makkelijk, dan kan je ook de woorden omschrijven. Je kan deze spelvorm ook ombuigen naar sommen, vormen en kleuren! Broertjes of zusjes kunnen meedoen, instaan als juf/meester. Als ze jonger zijn dan kan je eens een vereenvoudigde versie spelen.

Verboden woord. Maak een hoed van een strook papier. Schrijf een woord op een post-it en kleef het op de hoed. Je moet het woord omschrijven en de ander moet het raden. Zo raad je elk om de beurt het woord dat op je hoed staat. Je kan ter inspiratie woordkaarten op de tafel leggen van woorden dat je Uilenspelkindje beheerst. Variatie: Als je dit speelt met jongere broers/zussen, dan kan je het woord tekenen zodat het herkenbaar is.

REKENEN 

Telspel. Je neemt 1 of 2 dobbelstenen en blokjes. Om de beurt mogen de kinderen en jij gooien. Het aantal ogen op de dobbelsteen is het aantal blokken je mag nemen. Wie bouwt de grootste toren?

Kleurplaat met rekensommen. Neem een willekeurige kleurplaat en schrijf er rekensommen op. Als je Uilenspelkindje de som juist heeft, mag hij/zij het vakje kleuren. Jongere broers/zussen kan je een gewone kleurplaat geven. Oudere broers/zussen kunnen je Uilenspelkindje controleren of zelf een kleurplaat met rekensommen maken.




Glijbaan en ladderspel: sommen.

Je kan dit spel makkelijk zelf maken een aanpassen aan wat je Uilenspelkindje al kan. Je hebt enkel nog een dobbelsteen en pionnen nodig. Broers/zussen kunnen meedoen of helpen controleren. Zijn de broers/zussen nog te jong om echt mee te doen, kan je ze inschakelen om jouw pion te verzetten en de stappen te tellen. 

Splitsmemory. Maak hiervoor gebruik van een spel kaarten. Kies op voorhand een getal dat je gaat splitsen, bijvoorbeeld 6. Haal dan alle kaarten tot en met 5 eruit en gebruik de aas als 1. Leg ze omgekeerd op tafel in een rechthoek. Draai 2 kaartjes om, zijn ze samen 6 dan mag je ze houden en mag je weer 2 kaartjes omdraaien. Zijn ze samen niet gelijk aan 6, dan draai je ze weer om en is het aan de volgende. Is dit te moeilijk, dan kan je op voorhand splitsen op papier. Is dit te makkelijk, dan kunnen er ook 3 kaarten omgedraaid en gecombineerd worden.


BEWEGING KNUTSELEN 

Knikkerbaan knutselen me wc- of keukenrollen. Je kan de rollen met alle kinderen beschilderen. Eenmaal droog en in elkaar gezet kan je deze gebruiken om te tellen. Broer/zus steekt enkele knikkers in de baan en je Uilenspelkindje telt het aantal knikkers. Dit kan ook omgekeerd. Hiermee kan je ook het splitsen oefenen aan de hand van kaartjes. Je maakt splitsoefeningen en steekt deze in een plastiekje of lamineert deze. Je Uilenspelkindje kan de oefening invullen met een whiteboard-stift en dan controleren aan de hand van de knikkerbaan. Broer/zus kan de oefening of het kaartje aanreiken in plaats van jij.

2. Emoties en beweging 3de kleuter/ 1ste leerjaar/ 2de leerjaar EMOTIES 

Emotiespel.

Voor dit spel heb je het spelbord, de emotiekaarten, een dobbelsteen en pionnen nodig. Gooi om de beurt de dobbelsteen en neem dezelfde emotiekaart als het vakje waar je bent op terecht gekomen. Voer de opdracht uit. Hartje=opdracht (high-five, knuffel, …), zon=compliment geven. Het emotiespel speel je best 2x (op een andere dag). Zo wordt je Uilenspelkindje steeds vertrouwder met de emoties.


Emoties in de spiegel oefenen. Neem een spiegel en emotiekaarten mee. Je kan dezelfde emotiekaarten gebruiken zoals het spel hierboven. Kijk samen in de spiegel en doe de emoties na. Stel vragen zoals: Ben je al eens bang/blij/boos/verdrietig geweest? Wat deed je dan? Wat voelde je dan? Vond je dat leuk/niet leuk?

Gevoelsmannetjes Print en knip de gevoelsmannetjes uit. Deze kan je gebruiken voor je je begeleiding start. Het geeft je Uilenspelkindje woorden om zich uit te drukken. Zo kan je in gesprek gaan. Ook na je begeleiding kan je hiernaar teruggrijpen. Deze mannetjes kunnen zeker ook gebruikt worden bij oudere kinderen.

Mijn gevoel-boek. Neem een leeg schriftje of schriftjes en plak op de kaft een emotiekaart. Dit schriftje kan je gebruiken om de emotie zichtbaar te maken. Je kan hiervoor gebruik maken van: schilderijen, tekeningen, prenten/foto’s, kleuren, geschrift van je kindje. Laat dit ook achter bij je Uilenspelkindje, zij/hij kan dit dan zelf aanvullen.

Emotiemeter knutselen. Deze meter kan je samen met je Uilenspelkindje inkleuren en gebruiken doorheen de begeleiding. Door middel van wasknijpers kan je Uilenspelkindje aangeven hoe hij/zij zich voelt.


BEWEGING 

Bewegingsverhaal: Paardenspel. Je neemt je Uilenspel kindje mee naar buiten en speelt een bewegingsverhaal. Dit kan je volledig zelf verzinnen. Enkele mogelijke scenario’s: boswandeling (je komt van alles tegen), Bouwvakkers (dingen versleuren en bouwen), Paardenwandeling, … Je beeldt alles denkbeeldig uit, zoals bij het paardenspel. Jij doet alles voor en je Uilenspelkindje en eventueel broers/zussen doen je na. Paardenspel: Je zadelt je paard op, je kamt je paard, je doet je ruiters-botten aan. Je springt op je paard en begint in een zachte galop. Je ziet van alles rond je, “kijk daar en daar” (benoem wat je ziet). Plots zie je een beek, je kan er niet rond dus je moet erover. Je moet springen! Je gaat rustig verder en wil plots iets sneller, je begint in looppas te gaan. Nog eens springen! Je remt af en stapt van je paard en gaat even rusten, ….. Hinkelen. Hinkelen doe je door op de grond enkele vierkanten te tekenen en daarin de cijfers tot en met 10 met stoepkrijt te zetten (Spelotheek Uilenspel). Je Uilenspelkindje springt van het ene vak naar het andere, telkens afwisselend van 1 been naar 2 benen. Variatie: Je kan het hinkelspel ook moeilijker maken door deze langer te maken en meer cijfers te gebruiken. Eventueel gebruik maken van het alfabet bij oudere kinderen.

Bewegingskaarten. Je kan gebruik maken van bewegingskaarten om je Uilenspelkindje te laten bewegen. Het is zeer leuk om dit te doen met broers/zussen, want dit werkt motiverend. Als je dit alleen doet met je Uilenspelkindje kan je jouw Uilenspelkindje de volgorde van de bewegingen laten kiezen. Bewegingskaarten vind je makkelijk online. Voorbeeld van bewegingskaarten:


Bewegingsparcours. Een bewegingsparcours kan je makkelijk tekenen op de grond, zonder materiaal. Gebruik hiervoor stoepkrijt.

Springtouw liedje: Beertje beertje. 1. Beertje, beertje, was je handen. Beertje, beertje, poets je tanden. Beertje, beertje, draai je om. Beertje, beertje, maak je krom. Beertje, beertje, hoge hoed. Beertje, beertje, sta je goed?

2. Beertje, beertje spring maar in, beertje, beertje draai u om, beertje, beertje tik de grond, beertje, beertje poets uw tanden beertje, beertje was uw handen beertje, beertje droog ze af, beertje, beertje maak uw kruis, beertje, beertje ga naar huis Spiegelen. Sta tegenover je Uilenspelkindje en doe elkaar na, net alsof je naar jezelf kijkt in de spiegel. Spreek hierbij zodat de woordenschat geoefend wordt.




Elastiekspringen.

3. Ouderbetrokkenheid Meer informatie ouderbetrokkenheid: VORMING Duidelijke taal. Er is een verschil tussen OUDERBETROKKENHEID EN OUDERPARTICIPATIE. Ouderbetrokkenheid = elke vorm van bezorgdheid om, interesse in en ondersteuning van het kind. Ouderparticipatie = wat ouderbetrokkenheid zichtbaar maakt. Het is een zichtbaar engagement van ouders rond een context of organisatie. Door het betrekken van ouders kan je komen tot een wederzijds engagement. Ouders voelen zich meer gewaardeerd als er wederzijds respect is. 3de kleuter/1ste leerjaar/2de leerjaar  Voorlezen. In de Spelotheek kan je boekjes ontlenen waar de Nederlandse taal gecombineerd wordt met de thuistaal van je Uilenspelkindje. Zo kan je de ouders betrekken. Laat hen het verhaal in hun thuistaal lezen en dan kan jij het opnieuw lezen in het Nederlands.


Verteltassen. Een verteltas is een mooie, kleurrijke tas met daarin een prentenboek. Het thema uit het prentenboek breid je uit met een informatief boek, een cd, attributen, extra informatie, een leeswijzer. Je kan een aantal boeken meenemen en aan de ouders vragen welk boek zij het leukste vinden. Kies een boek waar ook de thuistaal in voorkomt (Spelotheek/bibliotheek). De ouder kan dan het verhaal voorlezen. Het stimuleert de band tussen ouders en kind en zorgt ervoor dat ook de ouders meewerken aan een positief leerklimaat. Laat de verteltas bij je Uilenspelkindje en kom hier een volgende keer op terug.

Spelletjes. Als je op het einde een spelletjes speelt, probeer dan zeker ouders en broers/zussen te betrekken.

Koken. Als je aanvoelt dat de keuken toegankelijk is bij je Uilenspelkindje, kan je iets koken. Doe dit misschien samen met de ouders.

Doe een uitstap. Je kan met je Uilenspelkindje en met de ouders op uitstap gaan met de Uitpas.

Frigofiche. Dit is een fiche met alle informatie van de school die voor de ouders beknopt is samengevat. Indien mogelijk kan je deze ook laten vertalen.


Mijn kind gaat naar ………………………..………………………………………………………………………………………… en zit in de ……………………………... klas bij ………………………………………………………………………………….. Directie: …………………………………………………………………………………………………………………………………….

Iets vragen of iets zeggen. Schrijf het in de agenda.

Op tijd op school zijn. De schooluren zijn: Van ……….. tot ………… En van……. tot ………… Woensdag is er school Van ……….. tot …………

Hoe doet mijn kind het op school? Rapport op:…………………. Oudercontact op:……………

Ben je ziek en kan je niet naar school, bel dan. Telefoon: ……………………

Boodschap van de school of huiswerk? Kijk in de agenda.

Voor- en naschoolse opvang? Deze opvang is te betalen. ’s Morgens van….…… tot ……….. ’s Avonds van…….… tot…………

Problemen met betalen? Praat met de directie.

Boterhammen of warme maaltijd?

Je kan ook bellen. Telefoon: ……………………….

Schoolreglement p. …….

Welke kleren in de school? Er zijn vaste afspraken. Aparte turnkledij is verplicht.

Heb je nog vragen of ideeën?

Informatie: schoolreglement p. ……………. Problemen? Die lossen we samen op. De directeur: ……………………….. De leerkracht: ……………………… De zorgcoördinator: …………….. Het CLB: ………………………………. Informatie: Schoolreglement p. ……………...

Laat het ons weten! Neem contact op met: ……………………………….


4. Talentgericht werken Talenten ontdekken gaat grotendeels vanzelf door je Uilenspelkindje te laten ‘proeven’ van verschillende activiteiten. Talent ontdekken is een kwestie van goed kijken naar je Uilenspelkindje. Welk boekje kiest hij/zij uit, wat vindt hij/zij leuk, waar kijkt hij/zij naar op tv? 3de kleuter/1ste leerjaar/2de leerjaar  Het kwaliteitenspel. 1. Knip de kaartjes uit en leg ze open op tafel. 2. Kies vijf talenten waarvan jij vindt dat ze bij je kind passen. Bespreek ze (Wat denk je dat ik daarmee bedoel? Herken je deze kwaliteit bij jezelf? Hoe? Wat vind je daarvan?). 3. Doe de oefening opnieuw. Je kind kiest nu vijf kwaliteiten van zichzelf. Of het kiest jouw talenten, of die van zijn broer/zus. 4. Je kan ook op om de beurt blind een kaartje

Het talenteneiland.


Elk eiland op de eilandenkaart heeft een naam: 1. Taaleiland: Op dit eiland werk je met boeken. Hier kan je Uilenspelkindje spelenderwijs ervaringen opdoen met de vorm en uitzicht van letters. Je Uilenspelkindje maakt kennis met de lees- en schrijfrichting. Ook poppenkast spelen, woordspelletjes, versjes, liedjes, rijmen, praten en luisteren, … komen hier aan bod. 2. Denkeiland: Gezelschapspelletjes, kennis maken met verschillende cijferbeelden, tijd- en ruimtebesef, grafieken, matrix, logisch nadenken, spelenderwijs rekenen,… 3. Muziekeiland: Zingen, spelen met klanken, muziek maken, ritme klappen, optreden, dansen, muziekinstrumenten bespelen, liedjes maken, dramatiseren, … 4. Beeldeiland: Hier kunnen de kleuters schilderen, knutselen, kleien, bouwen, vilten, tekenen, kleuren, collage, houtskool… Ze kunnen zelf aan al het materiaal om zoveel mogelijk hun zelfstandigheid en creativiteit te bevorderen. 5. Fijn-eiland: Eiland om de fijne motoriek te bevorderen. Tekenen, pengreep oefenen, rijgen, een pincet hanteren, kleien, knippen, naaien, haken,... 6. Vriendjes-eiland: Rollenspel, samenwerken, spelletjes spelen, zorgen voor elkaar, afspraken maken, tot interactie komen met elkaar,… Hier kan je een activiteit doen samen met broers/zussen . 7. Natuur- en techniekeiland: Techniek, proeven doen, natuur ontdekken, ruimte, dieren, koken, bakken, zandbak, watertafel, ontdektafel… zijn allerlei activiteiten die hier aan bod komen. Je kan ook spelletjes ontdekken op de computer. 8. Beweegeiland: Eiland om de grote motoriek te bevorderen. Binnen en buiten (bij mooi weer). Turnen, sporten, zwemmen, bewegen, tikspelen, speeltuin, voetbal, trampoline, balspelen, gooispelletjes, evenwicht… Ook tot rust komen hoort hier bij. 9. Wil en durf eiland: Plannen maken, weten/kiezen wat je wil, leren uit fouten, projecten afwerken, je laten zien. 

Wie ben ik? Verzamel een aantal tijdschriften en neem deze mee naar je begeleiding. Je Uilenspelkindje mag zichzelf tekenen. Daarna kijkt hij in de tijdschriften en knipt hij/zij alles uit dat bij hem/haar past. Zo leer je kennen wat voor je Uilenspelkindje belangrijk is en wat hij/zij leuk vindt.


5. Thuistaal in spelvorm 3de kleuter/1ste leerjaar/2de leerjaar  Woordenboek maken. Je kan samen met je Uilenspelkindje een woordenboek maken. De prenten bij de woorden kan je zelf tekenen. Vraag aan de ouder om het woord in de thuistaal te schrijven naast het Nederlandstalige woord als jouw Uilenspelkindje de thuistaal niet kan schrijven. Steek alle woorden in een leuke doos die je samen kan versieren.  O Mundo. O Mundo is een pakket dat je kan ontlenen bij de bibliotheek. In dit pakket vind je prentenboeken vanuit de hele wereld. Door dit pakket geef je de achtergrond van de kinderen een plaats. Ze krijgen de kans om iets over zichzelf en hun achtergrond te vertellen. Je Uilenspelkindje krijgt hierdoor waardering en je stimuleert het positieve zelfbeeld.  Pictionary. Je kan het spel Pictionary zelf maken door met je Uilenspelkindje kaartjes te maken met woorden die moeten geraden worden. Je kan hiervoor gebruik maken van de woorden die je gemaakt hebt bij het ‘woordenboek’. Zorg er dus telkens voor dat naast het Nederlandse woord ook het woord in de thuistaal staat.  Handen en voeten. Bespreek met je Uilenspelkindje de verschillende lichaamsdelen in het Nederlands en vraag ook hoe het lichaamsdeel heet in hun thuistaal. Daarna kan je een kunstwerk maken met de handen en de voeten en deze ook benoemen in het Nederlands en de thuistaal.

Dierengeluiden ontdekken in een andere taal. Dierengeluiden worden niet in alle talen op dezelfde manier verklankt. Luister eerst naar enkele dierengeluiden als startpunt van je activiteit. www.geolution.nl/dieren/dierengeluiden-download.htm 1. Print verschillende dieren en knip ze uit. Voor deze activiteit zal je broers/zussen moeten inschakelen en eventueel ouders. Sommige krijgen een dier op hun rug gekleefd en andere niet. Je loopt door elkaar en als je een signaal geeft dan gaan de personen zonder dier, achter de persoon met een dier op de rug staan. De personen zonder dier op de rug doen het geluid van het dier na en de andere moet raden.


2. Kuikentje Piep. Luister naar de verschillende opnames van kuikentje Piep, zo kan je duidelijk maken dat niet alle dierengeluiden hetzelfde zijn in andere talen. Doe het geluid met je Uilenspelkindje na. Dit kan je combineren met broers/zussen.       

Nederlands: www.youtube.com/watch?v=HnWZnrkh3FI Italiaans: www.youtube.com/watch?v=Mt56wxQDkG8 Frans (met tutorial): www.youtube.com/watch?v=cUFBYMA2Vng Spaans (met tutorial): www.youtube.com/watch?v=RgQpI5iaxzs Duits (met tutorial): www.youtube.com/watch?v=o7ihxQe_4QA Roemeens: www.youtube.com/watch?v=1aoYR1IpEMQ Engels (met tutorial): www.youtube.com/watch?v=rskzCIgGyu8

Dit zijn de geluiden die aan bod komen in de verschillende talen: Nederlands Engels Spaans Frans Italiaans

Duits

Roemeens

Kuiken

piep

Cheep

pío

Piou

Pio

Piep

piu

Kip

Tok

Co-co

Coo

cot

coo

goak

Cot-codac

Haan

Kukeleku

Doodledoo Cocorocó Cocorico

Corococo

Kikeriki

Cucurigu

Kalkoen

Kloek

Gobble

Glù

Glou

Glu

Gugelugu

glu

Duif

Roekoe

Cru

Ruu

Roucoule

Truu

Gurr

Gru

Kat

Miauw

Mew

Miao

Miaou

Miao

Miau

Miau

Hond

Woef

Woof

Guau

Ouef

Bau

Wau

Ham

Geit

Meee

mah

Mee

Bêê

Mee

Määäh

Meee

Lam

Beee

Bah

Beee

Mee

Bee

Bäääh

Beee

Koe

Moeeh

Moo

Moo

Meuh

Mooo

muuuh

Muuu

Stier

Boeeh

Muu

Muu

Muu

Muuu

Bruuu

muuu

Luister raak! Stel een lijst op met Nederlandstalige woorden en zet er af en toe een woordje tussen in de thuistaal van je Uilenspelkindje of van een andere taal. Je Uilenspelkindje moet goed luisteren terwijl jij de lijst afgaat en een opdracht uitvoeren als hij/zij een woord in een andere taal hoort zoals: klappen, springen, ronddraaien, de grond tikken. Je kan dit dus ook toepassen bij een bewegingsspelletje.


6. Digitaal 

Fundels en digitale prentenboeken. Fundels kan je ontlenen in de bibliotheek. Je kan dan samen met je Uilenspelkindje digitale verhalen bekijken op de computer. Je kan ook ouders, broers en zussen betrekken door samen te kijken. Andere digitale prentenboeken, vind je op www.leesmevoor.nl

Vorming in schema Broertjes/zusjes betrekken Taal

Rekenen

3de kleuterklas

1ste leerjaar

1. Letters schrijven op de rug van broer/zus; 2. Broer/zus laten voorlezen; 3. Wat is er weg? 4. Glijbaan en ladderspel: rijmen. 1. Gekleurde elastieken; 2. Telspel; 3. Matrix.

1. Woordentwister; 1. 2. Letters zoeken in rijst; 2. 3. Schrijven in 3. scheerschuim; 4. 4. Toverschrijven. 5. 1. Telspel; 2. Kleurplaat rekensommen; 3. Splitsmemory.

2de leerjaar Dobbelspel; Gooi een woord; Woordentwister; Vliegenmepper; Verboden woord.

1. Telspel; met 2. Kleurplaat rekensommen; 3. Glijbaan en ladderspel; 4. Splitsmemory.

met

Vormen/kleuren 1. Buiten tekenen; 2. Poppetje aankleden met vormen; 3. Elmer de kleurenolifant. Beweging

1. Schrijfdans; 1. Schrijfdans; 2. Yoga. 2. Yoga. Knutselen 1. Knikkerbaan knutselen me 1. Knikkerbaan 1. Knikkerbaan knutselen me wc- of keukenrollen; knutselen me wc- of wc- of keukenrollen; 2. Uil knutselen met eierdoos. keukenrollen; 2. Rekenvriendjes Emoties en beweging Ouderbetrokkenheid Talentgericht Thuistaal in spelvorm Digitaal werken 1. Emotiespel; 1. Voorlezen; 1. Het 1. Woordenboek 1. Fundels en 2. Emoties oefenen; 2. Verteltas; digitale kwaliteitenspel; maken; 3. Gevoelsmannetjes; 3. Spelletjes; prentenboeken 2. Het 2. O Mundo; 4. Mijn gevoel-boek; 4. Koken; talenteneiland; 3. Pictionary; 5. Emotiemeter 5. Doe een uitstap; 3. Wie ben ik? 4. Handen en 1. Bewegingsverhaal; 6. Frigofiche. voeten; 2. Hinkelen; 5. Dierengeluiden 3. Bewegingskaarten; 4. Bewegingparcours; ontdekken in een 5. Springtouw liedje: andere taal; Beertje, beertje; 6. Luister raak!


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verslag workshop spelend en talentgericht tewerk gaan 22 02 2018 by Uilenspel vzw - Issuu