Skip to main content

Pioneering-Tech-Lente-2026-6

Page 1


pioneering

MEER STARTUPS, MEER IMPACT

Grenzeloos

Deze omslag verbeeldt ondernemerschap als een inspirerende reis, gedragen door de gezamenlijke inzet van verschillende teams. Ik geloof dat ideeën geen grenzen kennen als ze helder en krachtig zijn – mits je ze met focus, inzicht en aandacht ontwikkelt. Door grote projecten doelgericht en met passie aan te pakken, ontstaat een gedeeld succes dat verder reikt dan individuele inspanningen.

Voor mij laat deze illustratie de kracht van samenwerking zien en het grenzeloze potentieel van een goed uitgevoerde visie.

Itziar Barrios

Pioneering Tech Magazine

Productie TU Delft | Innovation & Impact Centre

Jurjen Slump (Hoofdredacteur)

Sara Broekman (Project manager & Art direction)

Floortje Koster (Contentmarketeer), Leonie Versteeg (Online marketingstrateeg)

Aan dit nummer werkten mee Leendert van der Ent, Bennie Mols, Elise Spetter, Anne te Velde, Bruno van Wayenburg

Illustraties Itziar Barrios, Anne-Roos van Ommen

Fotografie Erno Wientjens

Ontwerp & Art direction Ontwerpwerk

Concept De Nieuwe Lijn

Druk Drukkerij van Deventer

Vragen, tips en suggesties of afmelden voor dit magazine? Stuur een e-mail naar pioneeringtech@tudelft.nl

Copyright TU Delft | Innovation & Impact Centre

‘Ik zat meteen aan tafel met de staatssecretaris voor Sport’

4 20 jaar YES!Delft

Directeur Ras Lalmy wil aantal startups verdubbelen

18 Sportploeg voor de Eeuw

Topsporters opgeleid tot klimaatambassadeurs

22 DEMO: de stille motor achter

Delftse innovaties

Op de rand van wat maakbaar is

26 Working Together - Haskoning

Innovation & Education Fund

Gift voor fundamenteel onderzoek naar watertechnologie en klimaatbestendige delta

14 8 Insights

Maxim Segeren ontwikkelt composietverbindingen voor offshore constructies

16 Startup Groove Quantum

24 The Investor

Joop Roodenburg richtte maritieme innovatiehub

Buccaneer op

30 Hoe het mkb innoveert

Van Bodegraven Elektromotoren over samenwerken met de TU Delft

34 Explainer

Technologie ontwerpen voor maatschappelijke waarden

38 Meanwhile

Snel een nieuw thuis na een aardbeving

40 What if Een auto die op meerdere brandstoffen kan rijden

48 Kunst en Technologie

Leven zonder houvast

Ondernemende universiteit

Op deze plek was u gewend een voorwoord van de hand van Tim van der Hagen te lezen – iets dat ik met veel plezier van hem overneem. De nieuwste Pioneering Tech staat namelijk vol onderwerpen die mij na aan het hart liggen.

Neem de coverstory: een interview met YES!Delftdirecteur Ras Lalmy. TU Delft is altijd al een ondernemende universiteit geweest en onze broedplaats voor tech-startups is de oudste en grootste in Nederland. Tech-ondernemers zijn niet alleen belangrijk voor het verdienvermogen van Nederland en Europa, maar ook voor onze strategische autonomie. De ambitie van Ras is om YES!Delft de komende jaren flink te laten groeien, maar wat is daarvoor nodig?

Een ander onderwerp dat ik graag uitlicht is de Explainer over Responsible Innovation. Met de opmars van AI en de toename van dual-use-toepassingen, is het ontwikkelen van technologie op een ethisch verantwoorde manier belangrijker dan ooit. De TU Delft verricht op dit vlak baanbrekend onderzoek dat wetenschappelijke inzichten koppelt aan maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat is essentieel in een tijd waarin de impact van technologie steeds groter wordt.

Deze editie bevat nog veel meer inspirerende verhalen. Zo leest u over het Haskoning Innovation & Education Fund voor onderzoek naar watertechnologie en klimaatbestendige deltagebieden dat eind vorig jaar werd opgericht. Verder een profiel van startup Groove Quantum, die zich richt op de fabricage, werking en integratie van qubits, de informatiedragers voor quantumcomputers. En in een interview deelt Joop Roodenburg zijn visie op de rol van Buccaneer Delft, de innovatiehub voor de maritieme en energiesector.

Tot slot nodig ik u graag uit om het online Pioneering Tech Platform te bezoeken, u aan te melden voor onze nieuwsbrief en te luisteren naar onze podcast. Bij het verschijnen van dit magazine zijn we net gestart met het uitserveren van een nieuwe podcastserie: mis het niet!

Mr. Ingrid Thijssen Voorzitter College van Bestuur

YES!Delft wil groeien

‘MEER FOCUS OP ONDERNEMERSCHAP NODIG’

De oudste incubator van Nederland wil de komende vijf jaar 250 startups voortbrengen. Directeur Ras Lalmy noemt het geen ambitie, maar een noodzaak. “Als we over twintig jaar onze eigen techkampioenen willen hebben, moeten we nu versnellen.”

In het gebouw van YES!Delft, op de TU Delft Campus, omringd door weilanden die voorlopig nog leeg zijn, loopt Ras Lalmy langs rijen werkplekken waar ingenieurs code schrijven, motoren testen en businessplannen herschrijven. “Dit is de candy store van startups”, zegt hij. Lalmy werd drie jaar geleden directeur, na de verkoop van zijn eigen bedrijf. Hij kende het ecosysteem al, maar was verrast door wat hij aantrof. “De enorme variëteit van zeer gedreven tech-startups. Het gaat van space naar quantum, van medische technologie naar cybersecurity.”

YES!Delft begeleidde in twintig jaar zo’n vijfhonderd startups. Nu wil Lalmy in vijf jaar nog eens 250 nieuwe bedrijven helpen ontstaan. Dat is niet alleen een verdubbeling van het aantal startups, maar ook van de impact, zegt hij. “Alles wat hier ontstaat, vertaalt zich uiteindelijk naar oplossingen in de wereld.” De ambitie komt niet uit de lucht vallen. “De afgelopen drie jaar zijn we al bijna verdubbeld. We zien dat steeds meer mensen een startup willen beginnen. De potentie is er. Maar het systeem moet mee. Als dat niet gebeurt, blijft een groot deel van die potentie onbenut.”

Waarom nu

Dat het juist nu moet gebeuren, heeft volgens Lalmy alles te maken met wat er buiten de campus gebeurt. Europa leunde jarenlang op Amerikaanse technologie en Chinese toeleveranciers. Dat model kraakt. De oorlog in Oekraïne, geopolitieke spanningen en afhankelijkheid van kritieke grondstoffen maken duidelijk hoe kwetsbaar die positie is. “Overheden worstelen met de vraag hoe ze ons toekomstig verdienvermogen en onze autonomie veiligstellen”, zegt Lalmy. “Hoe creëren we over twintig jaar de nieuwe ASML’s?

Het antwoord zit hier. De fundamentele doorbraaktechnologieën worden ontwikkeld aan universiteiten zoals de TU Delft.”

Arjan Göbel, medeoprichter van venture capitalfonds FORWARD.one en voormalig oprichter van Ampelmann.

Wie de komende twintig jaar zijn eigen techkampioenen wil hebben, moet daar nu mee beginnen. Dat staat inmiddels in het rapport van oud-eurocommissaris Mario Draghi over het Europees concurrentievermogen, het Wennink-rapport en het Nederlandse regeerakkoord. “We hebben de actualiteit mee”, zegt Lalmy. Maar waar Europa uitblinkt in wetenschap, blijft het achter in het omzetten daarvan naar bedrijven. Juist daar ligt volgens hem de crux. En het moment om dat te veranderen is nu, zegt Lalmy: “Het kan niet alleen, het moet ook. Dit is een soort perfect storm van urgentie en opportunity.”

Van lab naar markt

Universiteiten kregen in 2005 een derde kerntaak: valorisatie. Kennis moet niet alleen worden ontwikkeld, maar ook zijn weg vinden naar de maatschappij. In de praktijk gebeurt dat onder andere via academische startups. Alleen: die keten hapert. Universiteiten en incubators werken met incidentele middelen, terwijl het om een structureel proces gaat. Het gevolg: potentie blijft liggen. Volgens eigen inschatting van universiteiten is minstens een verdubbeling van spin-offs mogelijk. Volgens Lalmy zit het probleem al aan het begin van de keten.

“Je krijgt er als universiteit een taak bij, maar geen structurele financiering. Die visie in het regeerakkoord is mooi, maar een visie blijft een visie als we er niet daadwerkelijk actie op zetten.”

Cultuur

Daar komt een tweede probleem bij: cultuur. Onderzoekers zijn voornamelijk opgeleid om wetenschap te bedrijven, niet om bedrijven te bouwen. Lalmy: “Als we meer startups willen, moeten we die mogelijkheid eerder introduceren in de wetenschappelijke carrière. Zodat het normaal wordt om impact te maken via ondernemerschap.” In Nederland zijn we vaak bescheiden over onze plannen, zegt investeerder Arjan Göbel, medeoprichter van venture capitalfonds FORWARD.one en voormalig oprichter van Ampelmann. “Er komen briljante

Dawn Aerospace: van studentenraket naar herbruikbare ruimtevaart

Dawn Aerospace begon als project binnen DARE, het studentenraketteam van de TU Delft. Medeoprichter Jeroen Wink en zijn medestudenten bouwden raketten, zagen een markt en besloten door te gaan als bedrijf. Via het Ready to Start-upprogramma van YES!Delft leerde het team businessplanning, patenten en subsidies – “dingen die niet in een reguliere bachelor of master zitten, maar die je wel nodig hebt”, zegt Wink.

De TU Delft leverde de eerste 2.500 euro en, misschien nog belangrijker, de werkplaats en het vertrouwen om te experimenteren. Dawn ontwikkelt inmiddels milieuvriendelijke aandrijfsystemen voor satellieten én een herbruikbaar ruimtevliegtuig.

Het bedrijf telt 120 medewerkers in Delft, Christchurch, Toulouse en New York. Dat het deels vanuit Nieuw-Zeeland wordt getest, zegt iets over Europa: in Christchurch kan een experimenteel toestel worden gecertificeerd als gewoon vliegtuig, in Europa past het niet in de regels. Wink pleit voor een andere aanpak: “Stel eisen aan veiligheid, maar laat vrij hoe je daaraan voldoet.”

Lees online hoe veelbelovende bedrijven als Dawn Aerospace in Europa kunnen doogroeien:

Links Het ruimtevliegtuig van Dawn: de Mk II Aurora.

Onder Milieuvriendelijke aandrijfsystemen voor satellieten.

bedrijven uit Delft en we investeren er graag. Maar waar ‘think big’ in het Amerikaanse ondernemers-DNA zit, is die schaal van denken hier minder vanzelfsprekend.”

Al die knelpunten – onvoldoende financiering, een risicomijdende cultuur – komen samen in wat Lalmy het treintje noemt. Aan het begin staat de wetenschapper met een idee. Daarna volgt de stap naar een startup, de incubatiefase bij YES!Delft, de opschaling en uiteindelijk de markt. Op dit moment stokt het treintje op meerdere plekken: te weinig vroege begeleiding op de universiteit, te weinig capaciteit en een structureel tekort aan groeifinanciering.

Sinds afgelopen jaar groeit de bewustwording dat startups, vooral die met gevoelige technologie, beter beschermd moeten worden. Zo zit er een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland regelmatig bij YES!Delft om startups te begeleiden bij vraagstukken rond economische veiligheid en heeft het ministerie van Defensie zich in de incubator gevestigd.

Kapitaal

is niet het hele verhaal

Voor startups zelf wordt gebrek aan kapitaal vaak genoemd als grootste obstakel. Maar volgens Göbel ligt het genuanceerder. “Voor de eerste fase is er in Nederland echt genoeg geld”, zegt hij. “Als je een goed team hebt en een goed verhaal, kun je

TU Delft­ecosysteem voor ondernemerschap

De TU Delft heeft verschillende initiatieven opgezet om ondernemerschap te stimuleren – van student tot hoogleraar – en biedt gerichte instrumenten om de kans op succes te vergroten. YES!Delft is het bekendst, maar ook de fieldlabs, het ondernemerschapsonderwijs, studententeams en gerichte funding spelen hierin een belangrijke rol.

Onderwijs

Het Delft Centre for Entrepreneurship verzorgt jaarlijks voor meer dan 800 studenten het onderwijs op het gebied van technologisch ondernemerschap, verspreid over alle faculteiten.

In de unieke studententeams van de TU Delft krijgen studenten de mogelijkheid om hands-on ervaring op te doen en baanbrekende innovaties in de praktijk te ontwikkelen. Met Executive Education biedt de TU Delft ook op maat gemaakt onderwijs voor managers uit overheid en bedrijfsleven, om de innovatiekracht van organisaties te vergroten.

Proeftuinen

De fieldlabs van de TU Delft zijn realistische praktijkomgevingen waar startups, bedrijven, overheden en onderzoekers veelbelovende innovaties (hogere Technology Readiness Levels) kunnen testen en doorontwikkelen. De unieke opzet van deze proeftuinen zorgt ervoor dat nieuwe producten en diensten versneld kunnen worden uitgerold in de maatschappij.

De fieldlabs zijn thematisch georganiseerd: RoboHouse (robotica), The Green Village (duurzame innovatie), SAM XL (robotica voor XL-construcies), Do IoT Fieldlab (6G en Internet of Things), Mondai | House of AI (AI), Unmanned Valley (onbemande systemen), AMS Institute (innovaties voor metropoolregio’s). Ook DEMO ondersteunt startende bedrijven bij het bouwen van prototypes.

Incubators en innovatie­communities

De verschillende innovatie-communities bieden programma’s en ondersteuning voor startende ondernemers om hun propositie te valideren en daarna om op te schalen. Zij worden door experts en een netwerk van ervaren ondernemers geholpen bij het verkennen van de markt en het commerciële potentieel van de technologie.

Deze communities bieden kantoor- en labruimte aan voor startups, wat leidt tot kruisbestuiving en de kans op succes verder vergroot.

De bekendste zijn YES!Delft, Aerospace Innovation Hub (luchtvaart en space), Planet B.io (biotech), Buccaneer Delft (maritiem), NEXT Delft (scale-ups), Impact Studio en Impact Contest (beide gericht op studenten).

Investeerders

Funding is cruciaal voor startende bedrijven. Via Delft Enterprises (DE) investeert de TU Delft in spin-off bedrijven: startups die zijn gebouwd rond uitvindingen (intellectueel eigendom) van de TU Delft. Ook biedt DE ondersteuning bij de opbouw van het bedrijf en beschikt het over een uitgebreid netwerk van private investeerders zoals FORWARD.one. In de regio Zuid-Holland zijn verder tal van publieke investeerders actief, zoals UNIIQ. Startende bedrijven worden daarnaast geholpen door Europese funding, zoals de Kansen voor West Inovatievouchers

‘We hebben een ondernemende overheid nodig die risico’s durft te nemen’

YES!Delft in cijfers

Opgericht in 2005

je eerste miljoen ophalen.” Het probleem zit volgens hem verderop. “Als je twintig, dertig of vijftig miljoen nodig hebt, is dat heel lastig in Europa”, zegt hij. “Dat type kapitaal ontbreekt.”

Göbel bouwde in 2007 Ampelmann op vanuit de TU Delft, een bedrijf dat het overstappen van mensen naar offshore windmolens veiliger en goedkoper maakte. Maar nu als investeerder ziet hij dagelijks waar het voor andere deeptechstartups vastloopt. Dat verschil heeft ermee te maken dat in Amerika durfkapitaal, privaat geld dat wordt geïnvesteerd in snelgroeiende bedrijven, dertig tot veertig jaar ouder is dan in Europa. Investeerders kennen elkaar, bouwen ketens van vroege en late financieringsrondes en zijn gewend aan het risico van deeptech.

Maar geld is niet de enige bottleneck. Göbel: “Het grootste verschil tussen een startup die slaagt en een die dat niet doet? Het team, altijd het team.” Volgens hem gaat het in Nederland vaak mis door een typisch patroon: technisch sterke teams die te lang blijven bouwen voordat ze de markt opgaan. “We denken: ons product is zo goed, dat verkoopt zichzelf. Dat is gewoon nooit zo.” Waar Amerikaanse startups vroeg testen en verkopen, perfectioneren Europese startups hun technologie vaak te lang zonder klantcontact. “Dan heb je vijf jaar geld verbrand en nog geen product-market fit.”

Naast kapitaal en cultuur speelt ook regelgeving een rol. Europa bestaat uit 27 markten met verschillende regels, waar de Verenigde Staten één interne markt vormen. Voor deeptechstartups is dat een groot nadeel. “Als een product werkt in Californië, kun je meteen opschalen”, zegt Göbel. “In Europa moet je alles 27 keer opnieuw doen.” Daar komt bij dat de exitmarkt minder ontwikkeld is. “Het geld moet er uiteindelijk ook weer uit”, zegt Lalmy. Volgens hem versterkt dit elkaar. “Zolang het in Europa moeilijker en duurder is om op te schalen, blijft de verleiding om naar de VS te gaan groot.”

Wat er nodig is om te verdubbelen

De ambitie van YES!Delft is daarmee niet alleen een interne groeistrategie, maar een systeemvraagstuk. Van de overheid vraagt Lalmy vooral één ding: structurele financiering voor de incubator zelf. “Wij opereren helemaal aan het begin van de startup-pijplijn, nog vóór de fase waarin private investeerders instappen. Deze structurele taak vraagt om structurele funding. Maar onze financiering hangt als een lappendeken aan elkaar. Ik weet niet wat ik de volgende drie jaar voor budget heb.”

Daarnaast pleit hij voor een actievere overheid. “We hebben een ondernemende overheid nodig die risico’s durft te nemen en buiten de lijntjes kan kleuren.”

Meer dan 500 startups begeleid

Ambitie:

250 startups in de komende 5 jaar

60-70% van de startups komt voort uit TU Delft of Erasmus Universiteit Rotterdam

Meer dan 10.000 banen gecreëerd

3 aandeelhouders: TU Delft, Gemeente Delft en Erasmus Universiteit Rotterdam

Non-profit: geen aandelen in startups

Arjan Gobel

Onderdeel van een Europees netwerk van universitaire incubators met onder andere TU München, ETH Zürich, Oxford, Cambridge en KTH Stockholm

Neollie: automatisering in de neonatale zorg

Op neonatale intensivecareafdelingen bereiden verpleegkundigen dagelijks tientallen porties moedermelk voor prematuur geboren baby’s. Nauwkeurig en tijdrovend werk dat ten koste gaat van directe patiëntenzorg. Neollie wil dat veranderen met Neo, een geautomatiseerd systeem dat moedermelk bereidt en doseert, zodat verpleegkundigen terug kunnen naar de patiënt.

Het bedrijf ontstond in de Minor Robotics van de TU Delft. In zes maanden bouwde het team een eerste prototype, waarna het echte werk begon. Via de TU Delft kwamen ze in aanmerking voor een innovatievoucher van Kansen voor West, waarmee ze hun technologie verder ontwikkelden in fieldlab RoboHouse. Medeoprichter Guus Hak: “Hier lopen ervaren engineers rond. Je kunt even meekijken hoe iemand iets oplost. Dat ‘stiekem afkijken’ maakt het verschil.” Een voucher is meer dan geld, zegt Hak. “Het is ook erkenning. Een signaal dat je goed bezig bent.”

Lees online meer over de sleutelrol die RoboHouse speelde bij Neollie:

Testopstelling van Neollie bij fieldlab RoboHouse op de TU Delft Campus.

Van universiteiten vraagt hij meer focus op ondernemerschap. Dit is nu veelal versnipperd georganiseerd, zonder dat iemand het geheel overziet of aanstuurt. “Het begint bij het College van Bestuur en de decanen. Die moeten dit willen.” Lalmy wil dat ook veranderen met rolmodellen: professoren en onderzoekers die al meerdere keren een bedrijf hebben gebouwd en daarmee jonge wetenschappers inspireren hetzelfde te doen. In landen als Zweden gebeurt dat al. “Daar wil iedere wetenschapper bij de professoren die al drie keer een fantastisch bedrijf hebben gebouwd.”

In Delft zijn de rolmodellen er al, maar nog niet genoeg, zegt Lalmy. “Dat zouden er nog veel meer moeten zijn. En zij verdienen alle ondersteuning.” Hij prijst alle initiatieven die de TU Delft de afgelopen jaren heeft opgezet om ondernemerschap te stimuleren en innovatie te versnellen (zie infographic op pagina 8-9), en waarmee YES!Delft nauw samenwerkt.

“De TU Delft was ruim 20 jaar geleden medeoprichter van YES!Delft en is nog steeds een van de aandeelhouders, naast de gemeente Delft en de Erasmus Universiteit Rotterdam.”

De TU Delft is in Nederland “by far” de nummer 1 als het gaat om aantallen spin-offs. “Dus het gaat relatief goed. Maar het moet en kan beter.”

En van het bedrijfsleven verwacht hij betrokkenheid, niet alleen als investeerders, maar ook als klant en kennis-

FOTO’S
© NEOLLIE

partner. Grote bedrijven aarzelen soms om samen te werken met startups, maar Lalmy vindt dat kortzichtig. “Radicale innovaties ontstaan niet binnen grote bedrijven. Maar zij hebben wel de kennis en de markt om startups te laten groeien.”

Het vliegwiel

Dat het systeem kan werken, is volgens Lalmy al zichtbaar. Hij wijst op het ‘vliegwiel’: succesvolle ondernemers die terugkeren als investeerders, mentor of opnieuw als founder. “Dat is wat Silicon Valley sterk maakt: founders voor founders.” Ook in Delft begint dat mechanisme zichtbaar te worden. Oud-oprichters starten nieuwe bedrijven, investeren in startups of begeleiden de volgende generatie. Dat zo’n vliegwiel werkt, bewijst München. Daar bouwde de technische universiteit samen met haar incubator een ecosysteem van 1500 startups, vertelt Lalmy. “Wat ze daar hebben opgebouwd, is een veelvoud van wat we hier nu hebben.” Hij ziet het al voor zich: de weilanden volgebouwd, onderzoekers en ondernemers onder één dak, een plek waar talent samenkomt en blijft. “De potentie is er. We hebben de kennis, de mensen en de technologie. Er is niets wat ons in de weg zou staan om het ook hier te creëren.” ■

Lees online meer over ondernemerschap bij de TU Delft:

Groove Quantum: germanium als basis voor quantumcomputers

Groove Quantum werd bijna drie jaar geleden opgericht door Anne-Marije Zwerver en Nico Hendrickx, beiden gepromoveerd bij QuTech van de TU Delft. Het bedrijf ontwikkelt quantumcomputers op basis van halfgeleiders, specifiek germanium – een materiaal dat beter schaalbaar is naar de miljoenen qubits die nodig zijn voor praktische toepassingen, waardoor berekeningen die nu onmogelijk zijn, zoals het simuleren van chemische processen of het optimaliseren van kunstmestproductie, straks in minuten of uren kunnen worden uitgevoerd.

Het team telt tien mensen en heeft al 18 qubits operationeel, significant meer dan andere halfgeleiderbedrijven. De route naar een miljoen is lang, maar de technologie staat. De grootste verrassing als ondernemer? De bureaucratie. “Iedereen is zo bang voor staatssteun dat er soms eerder sprake is van staatssabotage. Veel instanties durven geen beslissingen te nemen.”

De TU Delft is tegelijkertijd de voedingsbodem waaruit Groove is voortgekomen. “De professoren die aan de basis stonden van Groove zijn zeer betrokken. De TU Delft is waar we geboren zijn.”

Wat onderscheidt Groove Quantum van andere quantumbedrijven?

Lees het hele interview met Anne-Marije op pagina 16 of online:

Het team achter Groove Quantum.

Inzet De halfgeleider.

Samen innoveren met impact voor een betere samenleving

Laat jouw organisatie vooroplopen en werk met de TU Delft samen:

■ Ontdek baanbrekende oplossingen die nog niet op de markt zijn, op het gebied van onder andere AI, health, robotica en energie.

■ Neem deel aan onze fieldlabs, waar onderzoek, technologie en praktijk samenkomen op concreet TRL-niveau.

■ Houd je organisatie innovatief met toegang tot de juiste kennis, expertise en scholing.

Ontdek wat we samen kunnen bereiken.

➔ Neem contact met ons op

Tree Composites ontwikkelt composietverbindingen die laswerk in grote stalen offshore-constructies vervangen. CEO Maxim Segeren werkt al vijf jaar aan de opschaling van deze technologie vanuit Delft. Acht inzichten over industriebelang, risico en waarom deze technologie volgens hem in Europa moet blijven.

8 INSIGHTS VAN TREE COMPOSITES

Van lassen naar composietverbindingen op zee

Los het echte probleem op

1

“We realiseren constructies op een snellere, lichtere en goedkopere manier. Dat doen we door laswerk te vervangen door composietverbindingen. Als je staal last, degradeert het materiaal. Om dezelfde levensduur te garanderen moet je extra staal toevoegen. Bij bepaalde lasverbindingen moet je uiteindelijk twee tot zelfs tien keer de hoeveelheid staal gebruiken om die levensduur te halen. Met composietknooppunten haal je alle negatieve effecten van lassen weg en houd je het staal in optimale staat.”

Van 2000 naar 1000 ton

2

“We hebben berekeningen gemaakt waarbij je richting 60 procent minder staal kunt gebruiken. Dat werkt door in de rest van de constructie. Een zogeheten jacket – dat is het stalen onderstel van een windturbine op zee – weegt normaal ongeveer 2.000 ton. Met onze techniek gaan we richting 1.000 ton. We praten over buizen met diameters van één tot drie meter en constructies van tachtig meter hoog. Dit zijn echt megaconstructies en het gaat om duizenden tonnen staal per windpark, waardoor elke besparing per fundatie een grote impact heeft.”

Schrijf je eigen standaard

3

“Er is geen enkele leidraad die beschrijft hoe je dit moet ontwerpen. Voor lassen bestaan al decennia standaarden, maar voor deze toepassing van composiet niet. Wij ontwikkelen en schrijven nu zelf de ontwerpregels. We hebben acht jaar data verzameld en samen met onze partners een testprogramma opgesteld en afgestemd met een certificerende instantie. Je moet alle onzekerheden meenemen die invloed kunnen hebben op het gedrag: zeewater, zonlicht, schaling, multi-axiale belasting, temperatuur enzovoort. Pas als je al die factoren hebt doorgerekend en getest, kun je met zekerheid aantonen dat het betrouwbaar is voor gebruik op zee. Dit is precies waar wij mee bezig zijn geweest.”

Industrie betrokken vanaf dag één

4

“Ik heb altijd gekeken: is hier interesse vanuit de markt? Nog voordat we het bedrijf oprichtten hebben we een consortium gevormd met tien grote partijen die samen met ons dit willen ontwikkelen. In het R&D-project zijn de partners TU Delft, Vattenfall, Shell, Parkwind, ArcelorMittal, AOC, HSM Offshore Energy, Siemens Gamesa, Enersea en GROW. Vanaf dag één was er

cofinanciering vanuit de industrie. Zij betaalden mee aan de ontwikkeling puur om de technologie mogelijk te maken, zonder directe invloed op de koers van het bedrijf. Dat geeft aan dat het geloof van de impact er was en dat dit geen klein dingetje is.”

Opschalen

is meer dan techniek

5

“Opschalen betekent voor ons de productie industrialiseren en de technologie kwalificeren. Een windpark telt vijftig tot zeventig funderingen. Dan moet je meteen op dat niveau kunnen produceren. En er komen niet-technische risico’s bij kijken. Als een schip van een half miljoen per dag ligt te wachten omdat jij te laat levert, wie is dan verantwoordelijk? Dat zijn vragen die je ook moet oplossen.”

De eerste projecten zijn het moeilijkst

6

“Onze grootste uitdaging is om de constructies op zee op volledige schaal te krijgen. Eén fundering met turbine kost vijftig tot zestig miljoen. Het is nieuwe technologie en financiers kijken daarom kritisch naar het risico. Projectontwikkelaars hebben interesse, maar hun financiers willen zekerheid voordat zij instappen. Daarom is ruimte en geld voor demonstratie op zee belangrijk, zodat nieuwe technologie in de praktijk kan worden getest en adoptie kan worden versneld.”

Houd kennis in Europa

7

“We maken het mogelijk om offshore constructies concurrerend in Europa te blijven produceren. Daarmee houd je kennis, werkgelegenheid en je strategische positie rond energie-infrastructuur in eigen handen. Het lijkt me handig om je eigen energie-infrastructuur in eigen handen te houden in plaats van afhankelijk te zijn. Daarnaast is het onlogisch om CO2-arme energie te produceren met staal dat de halve wereld is overgescheept.”

Verander het innovatieklimaat

8

“Als wij nu zouden starten, zouden we het niet redden met de huidige instrumenten. Doorbraaktechnologie heeft in het begin veel steun nodig. Er moet meer ruimte zijn voor demonstratie op zee en voor innovatie in tenders. Voor grote doorbraken is leergeld nodig. Zonder die ruimte wordt innovatie uitgesteld en blijven kosten stijgen. Anders worden dingen alleen maar duurder.” ■

De Delftse startup Groove Quantum bouwt aan een quantumcomputer op basis van halfgeleiders. Dat is dezelfde technologie als in de chips van onze telefoons, maar toegepast op een totaal nieuw soort computer. Mede­oprichter

Anne­Marije Zwerver: “Een quantumcomputer kan berekeningen in minuten of uren uitvoeren waar klassieke computers miljoenen jaren over doen.”

Groove Quantum zet halfgeleiderqubits op de kaart

Rechts Mede-oprichter
Anne-Marije Zwerver
Onder
Groove Quantum maakt qubits met halfgeleiders van germanium.

Wat doet Groove Quantum precies en welk probleem lossen jullie op?

“Wij maken quantumcomputers. Die zijn nodig omdat er een reeks rekenproblemen bestaat die klassieke computers in theorie wel kunnen oplossen, maar daar in de praktijk miljoenen jaren over doen. Denk aan het simuleren van chemische processen, zoals het ontwikkelen van medicijnen of het optimaliseren van kunstmestproductie. Dat laatste kost nu ongeveer twee procent van de wereldwijde energie, terwijl we weten dat het efficiënter kan. Een quantumcomputer kan dat soort berekeningen uitvoeren in minuten of uren.”

Quantum klinkt abstract. Hoe leg je het uit?

“Een normaal bit is of 0 of 1. Een quantumbit, een qubit, kan 0 en 1 tegelijkertijd zijn. Dat is niet voor te stellen, ook voor mij niet. Maar je kunt er wel mee rekenen. Als je twee qubits koppelt, kun je vier toestanden tegelijk bekijken. Bij drie zijn dat er acht. Dat schaalt exponentieel. Een quantumcomputer zoekt dus niet één voor één alle mogelijkheden, maar kan als het ware meerdere routes tegelijk verkennen. Dat maakt het zo krachtig voor bepaalde berekeningen. Dat fascineerde me al toen ik vijftien was.”

Wat maakt jullie aanpak anders dan die van andere quantumstartups?

“Er zijn verschillende manieren om qubits te maken, zoals met supergeleiders, met licht, of zoals wij met halfgeleiders. Wij geloven dat halfgeleiders de sleutel zijn tot schaalbaarheid, omdat dit exact de technologie is waarmee normale computers zo klein en krachtig zijn geworden. Die industrie heeft tachtig jaar aan kennis opgebouwd over hoe je chips uniform, reproduceerbaar en in grote aantallen fabriceert en integreert. Die kennis kunnen wij direct toepassen op onze qubits. En specifiek werken wij met germanium in plaats van silicium. Dat schaalt beter en levert qubits van hogere kwaliteit. We hebben nu achttien qubits operationeel, meer dan andere halfgeleiderqubitbedrijven.”

Voor welke toepassingen kan een quantumcomputer het verschil maken?

“Waar ik zelf het meeste door gecharmeerd ben, is de farmaceutische hoek: betere

‘Halfgeleiders zijn de sleutel tot schaalbaarheid’

het idee ontstond om er een bedrijf van te maken, mede aangejaagd door drie professoren en een octrooijurist die vroeg of we hier niet iets mee moesten doen. Ik had eerder bij een startup via YES!Delft gewerkt, maar de quantumwereld trok te hard. Toen we uiteindelijk een Europese investeringsgrant wonnen, was het moment daar. We hebben allebei ons werk opgezegd en zijn fulltime voor Groove gegaan.”

Wat was de grootste verrassing als ondernemer?

“Twee dingen. Het positieve is ons team. We hadden nog nooit mensen aangenomen en vonden dat best spannend, want de eerste werknemers in een bedrijf zijn cruciaal. Maar stuk voor stuk zijn het fantastische mensen, ieder met hun eigen talent. Het negatieve is de hoeveelheid bureaucratie. Iedereen is zo bang voor staatssteun dat het soms eerder staatssabotage is. Instanties schuiven verantwoordelijkheden vaak op elkaar af uit angst om knopen door te hakken. Het resultaat is een vicieuze cirkel waarin we soms wel vijf keer worden doorverwezen, om uiteindelijk weer bij de oorspronkelijke instantie uit te komen. Ik snap dat dingen gecontroleerd moeten worden, maar dat het maanden duurt, begrijp ik nog steeds niet.”

Deeptech vraagt een lange adem. Hoe ga je daar als ondernemer mee om?

medicijnen ontwikkelen die nu nog niet mogelijk zijn. Maar ook materiaaloptimalisatie voor zonnepanelen en batterijen, of efficiëntere kunstmest, vind ik fascinerende toepassingen. Veel bedrijven beginnen voorzichtig naar quantumtechnologie te kijken: financiële instellingen onderzoeken toepassingen zoals portfoliooptimalisatie. En dichter bij huis kijkt Alliander naar mogelijkheden tot optimalisatie van het elektriciteitsnet. De toepassingen zijn breed en welke als eerste doorbreekt, hangt ook af van wie de eerste klanten worden.”

Wanneer ontstond het idee voor Groove?

“Het begon eigenlijk niet bij mij. Mijn co-founder Nico Hendrickx werkte tijdens zijn PhD aan germanium-qubits, terwijl ik met silicium werkte. De resultaten bij germanium waren zo goed dat langzaam

“Je hebt investeerders nodig die dat ook begrijpen. Dit is geen sprint, maar een marathon. Wij hebben heel bewust geselecteerd op partijen met kennis van en geduld voor deeptech. Daarnaast proberen we realistisch te zijn over onze planning. Er zijn quantumbedrijven die beloven over twee jaar een miljoen qubits te hebben. Dat is gewoon niet geloofwaardig. Wij zeggen wat we gaan doen en doen wat we zeggen. Dat bouwen we nu langzaam om tot een trackrecord en dat telt steeds zwaarder.”

Wanneer is Groove Quantum voor jullie echt een succes?

“We hebben halfgeleiderqubits op de kaart gezet als serieuze technologie. De volgende stap is om ons te meten met alle qubittechnologieën samen en daar de beste te worden. Over vijf jaar wil ik dat mensen zeggen: als de quantumcomputer er komt, komt die van Groove.” ■

Eén procent van Nederland bestaat uit sportvelden en kan een rol spelen in de energietransitie. Toch gebeurt daar nog weinig mee. Volgens Daan Bregman en roeister Laila Youssifou van de Sportploeg voor de Eeuw, een programma dat topsporters opleidt tot klimaatambassadeurs, moet dat anders. “Als we niets doen, kunnen onze kleinkinderen straks niet meer buiten sporten.”

Hoe roeister Laila Youssifou via een Delftse

aanpak de sportwereld wil verduurzamen

‘Je vliegt de wereld over voor één wedstrijd’

Door Elise Spetter

Als je de NOS-app opent, staan er drie rubrieken: Binnenland, Buitenland en Sport. Sport is daarmee het enige onderwerp dat een vaste plek heeft naast het nieuws. Dat zegt volgens

Daan Bregman, zakelijk directeur van het TU Delft Sports Engineering Institute, alles over hoe breed het leeft in de samenleving. “Iedereen heeft er een mening over”, zegt hij. “Dat geeft je de mogelijkheid om technologie en wetenschappelijke kennis te verbinden aan iets waar mensen al van houden.”

Die gedachte is de kern van de Sportploeg voor de Eeuw. Het programma leidt topsporters op om zich inhoudelijk en zelfverzekerd uit te spreken over klimaatverandering en duurzaamheid, gedreven door intrinsieke motivatie in plaats van een sponsordeal. “We geven ze de inhoudelijke kennis over klimaat en leren ze hoe ze daarmee omgaan in het publieke debat. Maar de keuze om je uit te spreken moet wel uit jezelf komen”, zegt Bregman.

Sport onder druk

Dat de sport zelf kwetsbaar is voor klimaatverandering, is al zichtbaar. Kunstgrasvelden worden in de zomer gevaarlijk heet. De Nijmeegse Vierdaagse werd in 2022 een dag afgelast omdat het te heet was. Wintersporten kunnen op steeds minder locaties plaatsvinden. En bij de Australian Open moesten wedstrijden worden onderbroken vanwege extreme hitte. “Als we niets doen, kunnen onze kleinkinderen niet meer buiten sporten”, zegt Bregman.

Maar de sport biedt ook kansen. Die 1 procent landoppervlak aan sportvelden is eigendom van gemeenten en kan worden ingezet voor de energietransitie, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Bregman noemt het collectorveld als concreet

Boven Laila Yousssef traint in Obertraun, Oostenrijk.

Links TU Delft werkte mee aan de ontwikkeling van de Olympische baanrenfiets van KOGA.

TU Delft Sports Engineering Institute

Het TU Delft Sports Engineering Institute verbindt verschillende faculteiten van de universiteit op het thema sport. Het instituut werkte eerder aan het tijdritpak waarmee Tom Dumoulin de Giro d’Italia won, de baanfiets voor het Nederlands olympisch team en de zitski van paralympisch skiër Jeroen Kampschreur. Naast topsportprojecten richt het instituut zich steeds meer op maatschappelijke thema’s zoals klimaat, mobiliteit en gezondheid. Voor de ontwikkeling van de Sportploeg voor de Eeuw is binnen de TU Delft nauw samengewerkt met de afdeling Executive Education, die maatwerkopleidingsprogramma’s voor professionals ontwikkelt.

Rechts (pagina 21) De Sportploeg voor de Eeuw op The Green Village van de TU Delft.

voorbeeld: buizen in een sportveld vangen warmte af, koelen het veld en slaan energie op die later kan worden gebruikt om clubhuizen of omliggende wijken te verwarmen. “Je slaat twee vliegen in één klap: koelere velden én minder fossiele brandstoffen.”

Roeien en reizen

Laila Youssifou (30) weet wat het betekent om als topsporter een niet-duurzame leefstijl te hebben. De voormalige roeister, olympisch medaillewinnaar in Parijs, studeerde tegelijkertijd Civiele Techniek aan de TU Delft. Ze heeft altijd interesse gehad in natuur en duurzaamheid, maar tijdens haar sportcarrière voelde ze een tegenstrijdigheid. “Als topsporter heb je een leefstijl die eigenlijk helemaal niet duurzaam is. Je vliegt veel en verplaatst continu mensen en materialen naar de andere kant van de wereld.”

Dat gevoel van hypocrisie weerhield haar ervan zich uit te spreken. Nu ze gestopt is met topsport voelt ze zich vrijer. “Juist nu ik gestopt ben, voel ik me minder hypocriet om me erover uit te laten. Ik wist niet goed hoe ik dat moest doen op een manier die goed overkwam.”

Toen de uitnodiging voor de Sportploeg voor de Eeuw kwam, hoefde ze niet lang na te denken. “Er kwamen veel dingen samen waar ik affiniteit mee heb: topsport, duurzaamheid en techniek. Omdat het ook nog wordt georganiseerd door de universiteit waar ik zelf aan heb gestudeerd, sprak het me meteen aan.”

Invloed op eigen voorwaarden

Youssifou ziet in zichzelf geen socialemedia-activist. Ze ziet meer in het gesprek aangaan met mensen die beslissingen nemen. Haar eerste kennismaking met de Sportploeg was dan ook veelzeggend. “Ik zat meteen aan tafel met de staatssecretaris voor Sport. Dat raakte

Links Tom Dumoulin in de windtunnel.
‘Sporters merken aan den lijve hoe klimaatverandering onze samenleving beïnvloedt’

direct aan wat ik wil: invloed uitoefenen op een plek waar het er echt toe doet.”

Ze ziet de grootste kansen voor verduurzaming in het verplaatsingsgedrag van atleten en materialen. Trainingskampen in het buitenland, internationale wedstrijden, materiaal dat van de ene naar de andere kant van de wereld wordt verscheept. “Dat is heel representatief voor alle sporten.” Tegelijkertijd erkent ze het dilemma: een nieuwe boot gaat nu eenmaal sneller dan een oude. “Als je in een Olympische finale moet presteren, kies je voor optimalisatie. Dat is de contradictie van topsport en duurzaamheid. Maar daardoor ook het interessante.”

Haar ideale scenario is dat het WK Roeien in Amsterdam in 2026 een richtinggevend voorbeeld wordt voor duurzame sportevenementen, en dat die aanpak doorstroomt naar de internationale roeifederatie World Rowing. “Hoe vet zou het zijn als TU Delft een samenwerking start met World Rowing, waardoor roeievenementen kunnen verduurzamen. En als roeien het doet, kan het ook bij kanoën, en dus ook bij open water zwemmen. Op deze manier krijg je een sneeuwbaleffect dat de potentie heeft om de hele maatschappij te beïnvloeden.”

Verbinden wat los staat

De Sportploeg is inmiddels toe aan de tweede lichting. Dit jaar doen 22 sporters mee, onder wie Jacques Brinkman, Jochem Uytdehaage, Noor en Bregje de

Brouwer, Maartje Paumen en Lidewij Welten. In 2028 wil het programma uitgroeien tot een netwerk van tachtig sporters, honderd jaar na de Olympische Spelen in Amsterdam.

Bregman ziet de Sportploeg als meer dan een educatieprogramma. Het is ook valorisatie, het omzetten van wetenschappelijke kennis naar maatschappelijke impact. “Valorisatie hoeft niet altijd een product of een startup te zijn. Dit is ook kennis naar de maatschappij brengen via de zichtbaarheid en het brede bereik van sport.”

De volgende stap is het doorrekenen van scenario’s: wat levert het op als alle sportvelden in Nederland maximaal worden ingezet voor de energietransitie, klimaatadaptatie of biodiversiteit? “Zodat we niet alleen maar mooie voorbeelden hebben, maar ook weten wat de werkelijke impact kan zijn.”

Dat vraagt om samenwerking, tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschap en sport. Bedrijven signaleren wat ze nodig hebben, de wetenschap rekent het door en de overheid vertaalt het naar beleid. “Als je elkaar versterkt, kun je veel sneller gaan.” ■

Kees Vendrik, Nationaal Klimaat Platform

Negen miljoen mensen zijn wekelijks te vinden op of naast de sportvelden. Dat bereikt maakt sport volgens Kees Vendrik, voorzitter van het Nationaal Klimaat Platform, tot een logisch kanaal voor klimaatactie. “Sporters merken aan den lijve hoe klimaatverandering onze samenleving beïnvloedt. Ze zien en voelen hoe dit ook prestaties beïnvloedt.”

Sportverenigingen ziet hij als partners in de energietransitie. “Er zijn al mooie voorbeelden: verenigingen die een energiecoöperatie zijn gestart, een buurtbatterij hebben of met een collectorveld de buurt van warmte voorzien.” De samenwerking met TU Delft is daarin onmisbaar, zegt Vendrik. “Wie op een zonnige dag bij de Green Village ervaart hoe warm kunstgras wordt en technisch geschoold is, ziet meteen een kans.”

DEMO: de stille motor achter Delftse innovaties

Met een geavanceerd machinepark en creatieve medewerkers maakt de Dienst

Elektronische en Mechanische Ontwikkeling (DEMO) out-of-the-box ontwerpen, prototypes, demonstrators en testopstellingen voor binnen en buiten de TU Delft.

Van een medische naald geïnspireerd op de angel van een sluipwesp, via een transparante meetopstelling voor vloeistofstromingen, tot een menshoog exoskelet dat patiënten met een dwarslaesie weer laat lopen. Het zijn voorbeelden van innovaties, mede mogelijk gemaakt door de Dienst Elektronische en Mechanische Ontwikkeling (DEMO) van de TU Delft.

“DEMO is een innovatieve partner voor wetenschappers van de TU Delft”, zegt Zhao Fu, directeur van DEMO. De dienst ondersteunt primair het onderzoek en onderwijs van de TU Delft. Fu: “Elke dag krijgen we nieuwe projecten binnen: van lucht- en ruimtevaart tot kwantumtechnologie en civiele techniek. We ontzorgen onze opdrachtgevers in de gehele ontwikkelingscyclus van idee en subsidieaanvraag tot prototype of testopstelling en we kunnen flexibel instappen ergens in dit hele traject. We kennen de wereld van het Delftse onderzoek goed en gaan verder dan standaard technische oplossingen.”

Externe

opdrachtgevers

Naast het werk voor de TU Delft heeft DEMO ook ruimte om opdrachten voor externe opdrachtgevers uit te voeren. Fu: “Zo werken we samen met ASML, TNO, de Nederlandse Organisatie voor Ruimteonderzoek (SRON), Erasmus MC en diverse startups. Kenmerkend voor deze externe opdrachten is dat ze om een out-of-the-box aanpak vragen.”

Dat DEMO ook advies geeft aan Delftse wetenschappers bij hun onderzoeksaanvragen, is minder bekend. Zo kan de dienst advies geven over de haalbaarheid van een idee, een schatting maken van de ontwikkelingskosten of een 3D-model maken.

Daarmee versterken DEMO-ontwerpers de aanvraag en stijgt de kans op succesvolle onderzoeksfinanciering.

Op de rand van wat maakbaar is Wouter Gregoor werkt als ontwerpingenieur en projectleider bij DEMO. Op de EWI-locatie van DEMO, vol met computergestuurde vervaardigingsmachines, laat hij enkele staaltjes innovatieve ontwerpen zien. “Hier zie je de naald die is geïnspireerd op de angel van een sluipwesp”, vertelt Gregoor. “De naald bevat minuscule, langwerpige segmentjes die een voor een op en neer kunnen bewegen en de naald zo een beetje voortstuwen het lichaam in. Voor dit soort ontwerpen is het superbelangrijk om continu te itereren tussen ontwerp

DEMO in het kort

→ Naam

DEMO staat voor Dienst Elektronische en Mechanische Ontwikkeling. Het is een universiteitsdienst van de TU Delft

→ Missie

DEMO bevordert experimenteel technischwetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan de TU Delft door unieke experimentele opstellingen en prototypes te ontwikkelen en vervaardigen

→ Locatie

6 locaties op de campus van de TUD.

Hoofdlocatie: EWI, Mekelweg 4, 2628 CD, Delft

→ Aantal medewerkers

85

→ Samenwerkende partners

o.a. TNO, Intel, SRON, Fokker, ProRail, APM Terminals, ASML, Deltares, Erasmus MC

Boven Directeur Zhao Fu (rechts) en engineer Wouter Gregoor.

Links Een proof-of-principle-testopstelling van een gyroscoop met een medische toepassing.

TIFUUN geheten, gaat ver-infrarood sterrenlicht meten en zo meehelpen aan het in kaart brengen van het vroege heelal zoals het eruitzag zo’n 0,6 tot 1,2 miljard jaar na de oerknal.

Multidisciplinaire samenwerking

DEMO werkt hierin samen met EWI-onderzoeker en experimenteel astronoom Akira Endo en met SRON. Gregoor: “Een eerdere versie van dit instrument, DESHIMA, kon maar één pixel meten. TIFUUN kan straks tientallen pixels meten waardoor de waarnemingen nauwkeuriger worden. Voor de ontwikkeling van dit instrument moeten we op hoog niveau multidisciplinair samenwerken met onderzoekers, adviseurs en leveranciers en dat is typisch iets waar we bij DEMO sterk in zijn.”

Impact op de samenleving

Directeur Zhao Fu hoopt dat DEMO in de toekomst zo vroeg mogelijk betrokken wordt bij onderzoeksprojecten.

Fu: “Met onze kennis en ervaring kunnen we dan nog meer betekenen voor zowel het Delftse onderzoek als voor de impact op de samenleving. Als wij voor de technische kant van een innovatie zorgen, kunnen wetenschappers zich nog meer op het onderzoek richten. We nodigen graag iedereen uit om samen met ons het innovatie-avontuur aan te gaan.” ■ en vervaardiging. Je zit op de rand van wat maakbaar is. Commerciële vervaardigers zouden al snel zeggen: daar beginnen we niet aan, het is te lastig, het risico op falen is te groot. Onze kracht ligt juist in zulke out-of-the-box-ontwerpen.”

Behalve het opzoeken van de randen van het mogelijke, is de grote variëteit aan opdrachten en opdrachtgevers aantrekkelijk voor de technici van DEMO. “Jarenlang heb ik gewerkt aan exoskeletten en andere actieve ortheses,” vertelt Gregoor, “maar nu werk ik als ontwerper aan een instrument voor een grote telescoop in Chili.” Dit instrument,

De Buccaneer the investor

‘HAPPY BUCCANEER’ JOOP ROODENBURG IS DRIJVENDE KRACHT ACHTER MARITIEME INNOVATIE

In een oude artillerieopslag in het centrum van Delft creëerde Joop Roodenburg, voormalig CEO en president van Huisman, een levendig ecosysteem rond innovatie en ondernemerschap. De Buccaneer is inmiddels al 10 jaar actief als innovatiehub die technologische vernieuwing in de maritieme, offshore en energiesector versnelt door startups direct te verbinden met bedrijven, overheid en kennisinstellingen die die innovaties kunnen toepassen. Daarbij ligt de focus niet op experimenteren om het experiment, maar op wat technisch, economisch en operationeel haalbaar is.

De Buccaneer is gevestigd in de voormalige artilleriekazerne aan de Paardenmarkt in het centrum van Delft.

Door Anne te Velde  Foto’s Erno Wientjens

Hoe ontstond het idee voor deze plek?

“Eigenlijk is dat gegaan zoals alles in mijn carrière: kansen zien en voortbouwen op wat er is. In 2013 liep ik met mijn vrouw langs dit complex. Zij verzuchtte: “Hier zou ik wel willen wonen”. Toevallig stond er een bordje ‘Te Koop’. Voordat ik het wist was ik de ‘gelukkige’ eigenaar. Ik organiseerde een barbecue om met mijn netwerk te bedenken wat hier moest komen. Dat resulteerde in 140 plannen, met als gemene deler startende ondernemers, ontmoeting, energietransitie en maritiem. Nu zijn hier innovatieve startups gevestigd, is er vergader- en eventruimte, een goed restaurant (Kruydt) en woon ik hier met mijn familie.”

Wat dreef je om na een succesvolle carrière nog zoiets te beginnen?

“Mijn fascinatie voor techniek en ondernemerschap en mijn drive om dat verder te brengen. Huisman heb ik van een klein bedrijf in Schiedam naar een groot internationaal bedrijf met fabrieken in Tsjechië, China en Brazilië kunnen ontwikkelen. Huisman is bekend van de kranen, pijpleginstallaties en drilling voor de offshoreindustrie, maar heeft ook producten ontwikkeld voor getijdenenergie, geothermie en windindustrie. Techniek is mijn passie; de offshoreenergie en maritieme sector de wereld waarin ik dat met name heb toegepast. Daar wilde ik met de Buccaneer op voortbouwen.”

Vanwaar de naam Buccaneer en wat gebeurt hier?

“Het eerste schip waarop Huisman kranen met een grote hijscapaciteit plaatste en waarvan we er vervolgens wereldwijd meer dan honderd verkochten, heette de Happy Buccaneer. Na 10 jaar, in 1990 begon ik voor het eerst winst te maken. De naam Buccaneer heeft daarom voor mij een hele positieve lading. De Buccaneer huisvest momenteel zo’n 16 startups. Bovenal is het een plek waar we mensen uit ons netwerk, die elkaar niet logischerwijs ontmoeten, samenbrengen.”

Inmiddels bestaat de Buccaneer 10 jaar. Kun je enkele voorbeelden noemen van wat je hier hebt gedaan?

“Er zijn hier een aantal innovatieve bedrijven gevestigd en inmiddels ook uitgevlogen. Een mooi en succesvol voorbeeld daarvan is Tree Composites (zie pagina 14-15). Het gaat ons niet zozeer om de snelheid, we willen duurzame bedrijven voortbrengen. Dat doen we door ze ruimte te bieden, te helpen met het aanscherpen van hun proposities en voor acquisitie in contact te brengen met een netwerk dat anders niet zo makkelijk te benaderen is.”

Je zit in Delft, niet ver van de TU Delft, andere kennisinstellingen, fieldlabs en incubators zoals YES!Delft. Hoe werkt de Buccaneer samen met deze spelers?

“Dat doen we bijvoorbeeld door bijeenkomsten te organiseren rond actuele thema’s waarbij onderzoekers en ondernemers elkaar treffen, die elkaar anders niet makkelijk ontmoeten. En spinouts van YES!Delft die passen in de maritieme of offshore sector kunnen bij de Buccaneer terecht. De samenwerking kan overigens versterkt worden door nog meer te onderzoeken hoe we met innovaties kunnen inspelen op de veranderende markt. Op die manier versterken we de keten tussen onderzoekers en ondernemerschap. Gezamenlijk maken we meer impact als iedereen die daaraan bijdraagt zich richt op de eigen niche én goed met elkaar samenwerkt.”

Joop Roodenburg

(1950) studeerde werktuigbouw aan de HTS en vervolgens werktuigkundige meet- en regeltechniek aan de TU Delft. Hij was van 1980 tot 2015 CEO en van 2015-2023 president van Huisman Equipment, een wereldspeler met name bekend van de technologisch geavanceerde kranen voor schepen in de offshore-sector. Joop werd in 2019 door de TU Delft uitgeroepen tot alumnus van het jaar.

In de rapporten over toekomstig verdienvermogen noemen Draghi en Wennink een eigen industrie om strategisch autonoom te blijven. Ben je het met hen eens?

“Ze hebben gelijk. Om relevant te blijven is een eigen maakindustrie nodig, want je kunt niet innoveren zonder te maken. Maar daarvoor moet er ruimte zijn om te kunnen produceren. Het vestigingsklimaat is momenteel niet goed. Daarom gaan bedrijven naar het buitenland. En dat word je dan verweten: dat je in China produceert en niet in Europa. Maar in China krijg je de ruimte om te produceren, is er technisch vakmanschap, werken de mensen hard en kun je geld verdienen. In Nederland worden huizen om productielocaties heen gebouwd en dat geeft dus problemen.”

Wat kan de overheid verder doen om de maakindustrie te versterken?

“Consistent beleid is heel belangrijk. En ruimte voor bedrijven om te produceren. In Delft gaat het best goed, hier wordt ruimte gereserveerd voor maakbedrijven. Dat is niet overal zo. Daarnaast is technische kennis essentieel – ook bij de overheid – om de grootse plannen ook echt te kunnen uitvoeren. Het ontbreekt vaak aan die kennis om te doorgronden waar technische ondernemers mee bezig zijn en behoefte aan hebben.”

Wat wil je de Buccaneers meegeven voor de toekomst?

“Stel je altijd nieuwsgierig op en kijk naar actuele ontwikkelingen in de markt. Richt je niet alleen op subsidies, maar op wat wordt gevraagd vanuit de markt. Verdiep je in een ander en weet wat diegene beweegt. Om iets van de grond te krijgen, moet je fysiek samenkomen, brainstormen, ontwerpen, testen maar uiteindelijk ook producten maken. Mensen hebben elkaar nodig om tot vooruitgang te komen.” ■

Haskoning financiert fundamenteel onderzoek

De mooiste winst is maatschappelijke winst

Het Haskoning Innovation & Education Fund heeft een overeenkomst getekend met de TU Delft en Universiteitsfonds Delft. TU Delft krijgt een donatie om de kennis op het gebied van watertechnologie en klimaatbestendige deltagebieden te vergroten. Uiteindelijk zullen het klimaat, de maatschappij en de kenniseconomie daar beter van worden, aldus programmamanager van het fonds en Global Director Strategic Partnerships Lennart Silvis. “Het is de ultieme invulling van onze missie ‘enhancing society together’.”

Haskoning laat jaarlijks 12,5 procent van de nettowinst ten goede komen aan het Innovation & Education Fund – gewoonlijk enkele miljoenen per jaar. “Als je missie is om samen de maatschappij te verbeteren, dan moet je daar ook concreet invulling aan geven. Dat is ook wat we in ons werk met klanten doen”, zegt Silvis. Dit gebeurt binnen vijf thema’s: klimaatverandering, biodiversiteit en natuurlijke systemen, grondstoffen en circulariteit, sociale impact en gelijkheid, en veiligheid en welzijn. Silvis: “Maar we willen dit niet alleen doen in de activiteiten waar we geld mee verdienen. We willen ook iets extra’s doen.”

Focus op klimaat

Om echte impact te bereiken, is focus nodig, zegt Silvis. “Binnen de breedte van Haskoning hebben we voor watertechnologie en klimaatbestendige deltagebieden gekozen. De reden daarvoor is enerzijds de grote maatschappelijke relevantie en anderzijds dat dit deelgebied invloed heeft op andere gebieden. De link met energie zal direct duidelijk zijn, maar klimaatverandering heeft ook grote invloed op de onzekerheden en benodigde maatregelen rond projecten op het gebied van industrie, gebouwen en mobiliteit. Klimaatverandering raakt alles.”

Op 30 september 2025 heeft Haskoning met het Universiteitsfonds Delft en TU Delft een raamwerkovereenkomst voor een donatie van vijf jaar ondertekend voor onafhankelijk onderzoek op de snijvlakken van waterbouwkunde en afvalwater binnen de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen en biotechnologie binnen de faculteit Technische Natuurwetenschappen. Het onderzoeksinitiatief brengt toonaangevende TU Delft-onderzoekers zoals Mario Pronk, Merle de Kreuk, Mark van Loosdrecht en Bas Jonkman samen. Omdat er al was vooruitgelopen op de concrete invulling, konden op 9 december ook al de handtekeningen onder het eerste goedgekeurde onderzoeksvoorstel naar het inzetten van bacteriën om waardevol materiaal te maken van vervuild slib worden gezet (zie kader op volgende pagina). Daarmee kan er een veelbelovende samenwerking starten tussen faculteiten die nog niet eerder op deze manier samenwerkten; waar zitten de dwarsverbanden met meerwaarde?

Iconisch samenwerkingsresultaat

Silvis: “De keuze voor TU Delft als eerste partner binnen dit programma lag erg voor de hand, hoewel er op termijn ook andere partijen bij zullen komen. We hebben een lange gezamenlijke geschiedenis; TU Delft doet veel contractonderzoek voor ons, veel collega’s zijn hier opgeleid – ik ook – en zijn bijvoorbeeld begonnen in een werkstage bij Haskoning.”

Rechts V.l.n.r. Lennart Silvis, Merle de Kreuk en Mario Pronk.

Onder Dankzij de Nereda-technologie bindt afval zicht tot bolletjes die snel bezinken.

Van vervuild slib tot grondstof

Een iconisch resultaat van deze samenwerking is de Neredatechnologie van bacteriën voor afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI). Dankzij deze technologie bindt het afval zich tot bolletjes die snel bezinken. Dat heeft tot voordeel dat de technologie maar 40% van de oppervlakte vergt ten opzichte van conventionele technologie. En dat is weer heel belangrijk voor snelgroeiende steden, waar de AWZI na verloop van tijd ingebouwd is geraakt. Wereldwijd zijn er inmiddels meer dan honderd Nereda AWZI’s, waaronder de grootste van Europa in Dublin.

Daad bij het woord

Het zou mooi zijn als het huidige onderzoek naar vervuild slib uiteindelijk ook tot zo’n succes kan uitgroeien. Silvis: “Omdat dit fundamenteel onderzoek betreft, zal dat nog wel een tijd gaan duren. Maar het mooie is dat andere partijen er in dit onderzoek met volledige wetenschappelijke vrijheid ook geld naast kunnen zetten. Zo kunnen we gezamenlijk een hefboomwerking creëren. Zo zet de TU Delft er in het slibonderzoek een ervaren onderzoeker bij, gefinancierd door het Top Kennis Instituut (TKI) Chemie. Daarmee voldoet dit

meer andere

Lennart Silvis

Slib met PFAS, PCB’s, pesticiden, microplastics en andere organische verontreinigingen vormt zo’n beetje de grootste uitdaging die er op het gebied van duurzame afvalverwerking te bedenken is. Het ligt vaak in sterk vervuilde anaerobe omstandigheden in baggerdepots opgeslagen, zoals bijvoorbeeld de Slufter op de Maasvlakte. Hoe kun je bacteriën gebruiken om deze schadelijke stoffen af te breken of waardevolle grondstoffen zoals metalen of biopolymeren (terug) te winnen? Dat is de hoofdvraag waarmee een wetenschapper de komende vijf jaar aan de slag kan om antwoorden op te vinden.

Dit fundamentele onderzoek (Technology Readiness Levels 1-3) start bij de selectie van tot nu toe onbekende bacteriesoorten, die het in zich hebben om schadelijke stoffen af te breken of grondstoffen terug te winnen. Analyse van slibmonsters kan verduidelijken welke bacteriën daarin leven – 99% van de microben wereldwijd is nog nooit onderzocht. Vervolgens kunnen DNA- en eiwitanalyses van die bacteriën aantonen welke bijzondere metabole superkrachten deze organismen eventueel hebben.

En als die er zijn, hoe maak je die dan toepasbaar door de optimale omstandigheden voor het afbreken van verzuiling te creëren? Stel dat dit in het laboratorium inderdaad zou lukken, dan ben je er nog niet. Dan komt nog de opgave om op die basis een industrieel proces vorm te geven waarbij de bacteriën in bioreactoren het slib kunnen reinigen en er de waardevolle grondstoffen uit kunnen terugwinnen.

‘Echt heel bijzonder binnen Nederland’

“De donatie van Haskoning stelt ons in staat om de bron van nieuwe kennis, fundamenteel onderzoek, te versterken. Daarvan moeten we het voor de planeet en de economie van de toekomst hebben. Dit doen we door disciplines als watertechnologie, biotechnologie en deltatechnologie te combineren en zo bij te dragen aan veilige, leefbare en klimaatbestendige delta’s. We kunnen ons hiermee concentreren op toekomstige doorbraken.”

Haskoning, TU Delft en het Universiteitsfonds concludeerden dat die het meest kansrijk zijn als de faculteiten Technische Natuurwetenschappen (TNW) en Civiele Techniek en Geowetenschappen (CITG) samenwerken. Juist aan de grenzen tussen vakgebieden ontstaan de spannende vernieuwingen.

Peterich: “Uit contractonderzoek komen prachtige toepassingen voort. Maar deze gift geeft ons de kans om met durf een fundament onder toekomstige toepassingen te leggen. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe bijzonder dat is binnen Nederland. Dat maakt het mogelijk ons op vroege-fase wetenschap te richten en baanbrekend te denken. Het samenwerken van twee faculteiten die dat daarvoor op dit onderwerp nog niet deden, is daar een goed voorbeeld van. Dit is goed voor Nederland, goed voor TU Delft en gunstig voor bedrijven die contractonderzoek financieren. Haskoning heeft begrepen dat juist die opzet zijn werkterrein uiteindelijk het meest ten goede komt. We hopen van harte dat meer bedrijven dit voorbeeld zullen volgen.”

onderzoek aan alles wat we met het programma willen bereiken: het is vernieuwend, gericht op duurzaamheid, stimuleert samenwerking en kennisdeling en mikt op maximale impact op de lange termijn.”

Omdat het onafhankelijk onderzoek betreft, komen de resultaten niet aan Haskoning ten goede. “Klopt”, beaamt Silvis, “maar toch merk ik nu al dat onze klanten juist daarom dit initiatief waarderen. Het onderstreept voor hen dat duurzaamheid bij ons niet gaat om een marketingverhaal. Het voegt de daad bij het woord. Dat is niet alleen voor klanten, maar zeker ook voor (toekomstige) medewerkers erg belangrijk; het maakt ons een nog aantrekkelijker werkgever. Daarnaast werkt het ook algemener, breder. Dit onderzoek komt voort uit vragen die collega’s in de markt zien: welke fundamentele vragen zijn belangrijk om in de toekomst op te lossen?

Het versterkt de kennispositie van TU Delft in de wereld een beetje, het ondersteunt de kenniseconomie in Nederland, en onze reputatie in water- en klimaatkennis. En hoe meer andere bedrijven dit inspireert om het ook te gaan doen, hoe beter de hefboom kan gaan werken. Daar wordt uiteindelijk iedereen beter van. En dat is precies wat ‘enhancing society together’ beoogt.” ■

Word ook donateur:

Impressie van bacteriën op microscopische schaal.

TU Delft met

VAN BODEGRAVEN ELEKTROMOTOREN

In Pioneering Tech volgen we mkb’ers die samen met TU Delft innoveren. In elk verhaal lees je de uitdaging, de weg naar contact en de impact van de samenwerking. En ook hoe jij zelf de eerste stap zet. In deze aflevering Van Bodegraven Elektromotoren, een familiebedrijf uit Dordrecht dat elektromotoren levert aan de maritieme en industriële markt.

‘We zitten op een berg data die we nog nauwelijks gebruiken’

“Wij zijn Van Bodegraven Elektromotoren, een familiebedrijf dat al sinds 1937 bestaat. Ik ben Tim van Bodegraven, 28 jaar, en ik ben dit jaar ingestapt om het bedrijf samen met mijn vader en onze bedrijfsleider Roberto Costa te leiden. Een rol die ik met plezier op me neem. Wij leveren nieuwe en gebruikte elektromotoren aan de maritieme en industriële markt. Wat ons onderscheidt, is onze grote voorraad en onze werkplaats in Dordrecht, waar we motoren kunnen repareren, modificeren en volledig aanpassen op klantwens. We zijn gespecialiseerd in onderwatermotoren voor grote baggerbedrijven, een niche waar snelle levering cruciaal is.”

Aanvragen die tijd opslokken

“Op een dag komen er veel aanvragen binnen. Klanten willen persoonlijk te woord gestaan worden, en dat is ook hoe wij werken. Maar een deel van die aanvragen gaat over standaardmotoren waarbij geen maatwerk nodig is. Die vragen kosten onze salesengineers veel tijd, terwijl ze die tijd liever steken in complexere opdrachten. Een complexe motorrevisie is voor ons veel interessanter dan een standaardmotor waarbij je het hele proces doorloopt. We wilden dat standaardproces automatiseren met AI, maar hadden zelf de kennis en capaciteit niet om dat te ontwikkelen. Dat was het moment om naar de TU Delft te stappen.”

VAN BODEGRAVEN ELEKTROMOTOREN

In het kort

→ Oprichtingsjaar

1937

→ Locatie

Dordrecht

→ Directie

Frank van Bodegraven, Tim van Bodegraven, Roberto Costa

→ Specialisme levering, reparatie en modificatie van nieuwe en gebruikte elektromotoren

→ Toepassingen maritieme en industriële markt, waaronder onderwatermotoren voor baggerbedrijven en inzet van frequentieregelaars (besturingssystemen voor elektromotoren)

→ Technologie grote database met motor-, prijs- en meetdata; inzet van AI voor automatische classificatie en offertevoorstellen

→ Samenwerking met TU Delft AI-systeem via MKB Data Studio voor automatische verwerking van standaardklantvragen, uitgevoerd door masterstudent Mauritius van Maurik

Van netwerk naar samenwerking

“Het eerste contact verliep via een netwerkclub waarbij mijn vader betrokken is. Dat bracht ons in contact met Dario Turelli, de coördinator van de MKB Data Studio bij TU Delft’s innovatiecentrum Mondai | House of AI. Dario heeft toen de meest geschikte student voor de job uitgezocht, in ons geval Mauritius van Maurik, masterstudent aan de TU Delft.

Hij begon in september aan het project en bouwde een systeem dat inkomende aanvragen automatisch sorteert en classificeert. Of het nu een offerte is, een factuur of een foto van een motorplaatje. Het resultaat: het systeem kan al bij meer dan vijftig procent van de standaardvragen automatisch een aanbod doen op basis van onze voorraad. Het doel is natuurlijk honderd procent, en we verwachten dat in de komende maanden te bereiken.

‘De MKB Data Studio geeft toegang tot kennis van hoog niveau, zonder de kosten van een extern bureau’

Maar de samenwerking heeft ook een breder effect gehad op hoe wij naar data kijken. We zitten op een berg data die we nog nauwelijks gebruiken. We hebben tienduizenden motoren in ons systeem, elk met een bijbehorende historische prijs. Met die data kun je patronen herkennen en voorspellen wat een motor zou moeten kosten, wat we op voorraad moeten hebben en wanneer. Dankzij de samenwerking met Mauritius zien we die mogelijkheden nu pas echt.”

Wat andere mkb’ers kunnen leren

“De MKB Data Studio is een manier om toch toegang te krijgen tot kennis van hoog niveau, zonder de kosten van een extern bureau. Dit wordt mede mogelijk gemaakt voor Digitalzh, een subsidieprogramma door mkb-bedrijven die willen digitaliseren. De eerste tien weken zijn een verkenning. Dan weet je snel of het iets voor je is en wat het je kan opleveren. Mijn advies aan andere mkb’ers: doe het gewoon. Je leert van elkaar, en je komt erachter dat er mogelijkheden zijn die je zelf nooit had bedacht.” ■

Tim van Bodegraven op de werkvloer.

MKB Data Studio

De MKB Data Studio is een initiatief dat geleid wordt door Mondai | House of AI, wat onderdeel is van de TU Delft. Binnen het programma helpen masterstudenten mkb-bedrijven met data- en AI-vraagstukken door hun opgedane kennis toe te passen. Studenten werken dus aan echte problemen uit de praktijk, terwijl bedrijven toegang krijgen tot kennis die ze intern niet hebben. Een project duurt 8 tot 10 weken, met mogelijkheden tot verlenging.

Lees meer over het aanbod van de MKB Data Studio:

Mauritius van Maurik, masterstudent TU Delft

“Ik ben Mauritius van Maurik, 23 jaar en masterstudent Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek aan de TU Delft. Ik raakte betrokken bij de MKB Data Studio via een open sollicitatie. Ik was op zoek naar iets wat ik naast mijn studie kon doen en werd doorverwezen naar Dario Turelli hier in Delft. Bij Van Bodegraven Elektromotoren begon ik met veel vragen te stellen over hoe ze werken en wat hun denkproces is. Daarna heb ik het probleem opgedeeld in kleinere stukken en per onderdeel een oplossing gebouwd, zodat elk type aanvraag uiteindelijk een eigen pad doorloopt in het systeem. Wat ik heb geleerd, is dat werken met een mkb-bedrijf een andere manier van denken vraagt. Bij de TU Delft zoeken we naar waarom iets werkt. Bij Van Bodegraven wilden ze weten wat het praktisch betekent voor Tim en zijn collega’s. Die vertaalslag maken, van techniek naar toepassing, is misschien wel het waardevolste wat ik uit dit project meeneem.”

‘ER

VALT BIJ INNOVATIEPROCESSEN MEER TE KIEZEN DAN JE DENKT’

Door Bruno van Wayenburg

Een manier is dat je technologie ontwerpt voor maatschappelijke waarden: je streeft bij het innoveren naar duurzaamheid, privacy, veiligheid, of andere waarden die we belangrijk vinden.

Een verwante uitleg is dat je een maatschappelijk vraagstuk als uitgangspunt neemt voor je innovatie: je richt je op duurzame energie, vergrijzing, toegankelijke gezondheidszorg of strategische autonomie.

Een meer procesgericht perspectief is om het innovatieproces in te richten volgens een aantal principes: anticipatie, reflexiviteit, inclusiviteit en responsiviteit. Anticipatie betekent dat je bij het ontwerpen al nadenkt over maatschappelijke effecten. Reflexiviteit is dat je ook nadenkt over wat je achterliggende waarde is: wat wil ik eigenlijk bereiken met deze innovatie? Inclusiviteit betekent dat je niet alleen aandeelhouders of potentiële klanten meeneemt in je denken, maar ook andere belanghebbenden.

En het vierde principe, responsiviteit, houdt in dat je reageert op maatschappelijke reacties en nieuwe inzichten die pas in de loop van het innovatieproces ontstaan.”

2 Is het wel mogelijk om innovatie te beïnvloeden?

“Een breed levend idee is dat technologie zich autonoom ontwikkelt, zonder dat wij er invloed op hebben, ofwel ‘technologisch determinisme’. Een voorbeeld daarvan is de wet van Moore, die stelt dat computerchips elk jaar een vaste factor krachtiger worden. Maar het is gewoon niet waar dat dit een

soort natuurwet is: de wet van Moore is in de eerste plaats een sociaal verschijnsel.

Chipfabrikanten geloven erin, en geloven dat concurrenten dat ook doen, en stellen zich dus doelen die de wet waarmaken.

Een vergelijkbare opvatting is dat innovatie puur geleid wordt door economische krachten, bijvoorbeeld bij AI, duurzame energie of sociale media. En die krachten zijn inderdaad sterk, maar het zijn nooit de enige krachten. Maatschappelijke acceptatie, regelgeving en beeldvorming beïnvloeden de innovatie, maar ook de inrichting van innovatieprocessen zelf.

Neem bijvoorbeeld de slimme energiemeters die het elektriciteitsnet efficiënter zouden kunnen maken.

Die stuiten op privacybezwaren en angst voor hacken, en dus gaat de invoering ervan moeizaam. Als je analyseert waarom, zie je dat privacy hier een belangrijke waarde is.

Je zou ook mensen de keuze kunnen bieden of hun data gedeeld worden, of verschillende

privacyregimes kunnen aanbieden: de meeste mensen zullen daar niet zo’n probleem mee hebben, en het maakt enorm uit voor de acceptatie van de technologie.

Ofwel: innovatoren, bedrijven en overheden hebben wel degelijk keuzes.”

3 Hoe pak je het inrichten van innovatieprocessen aan?

“Als innovator kun je je houden aan de principes die ik noemde, en je kunt onderzoek daarnaar stimuleren. Wet- en regelgeving kan ook heel krachtig zijn: neem bijvoorbeeld de Europese AI-act, die heeft nu al behoorlijke invloed op de ontwikkeling van de AI. Dat merk je alleen al aan de weerstand vanuit Amerikaanse AI-bedrijven en de Amerikaanse overheid: als het niets zou uitmaken, hoeven ze er ook niet tegen te zijn.

Nog een belangrijke factor is de inrichting van onderzoeksfinancieringsprogramma’s zoals die van NWO in Nederland, of Horizon van de EU.

Een interessante tussenvorm tussen bindende maar abstracte wetgeving en de technische praktijk zijn technologische standaarden: zo is er sinds kort de IEEE 7000-standaard voor het adresseren van ethische overwegingen bij systeemontwerp.

Nu is die nog vrijwillig, maar als op den duur blijkt dat het volgen van zo’n standaard je beschermt tegen juridische vervolging, kan zoiets in de praktijk vrij snel een vereiste worden, zoals bijvoorbeeld met de ISO 9000-standaard op managementgebied gebeurd is.”

4 Wat doet de TU Delft op dit gebied?

“De afdeling Values, Technology and Innovation van de faculteit Techniek, Bestuur en Management doet wetenschappelijk onderzoek op dit kruispunt van

technologie, economie, ethiek en veiligheid. Daarnaast is er het Delft Design for Values Institute, een interfacultaire samenwerking tussen TBM en vier andere faculteiten van de TU Delft, waaronder Industrieel Ontwerpen. Daarnaast heeft de TU Delft ook nog het Digital Ethics Centre, met onderzoek dat specifiek gericht is op algoritmen, AI en andere digitale technologie.”

5 Het

klinkt erg

wetenschappelijk allemaal.

Hoe kunnen bedrijven hiermee concreet aan de slag?

Van de Poel: “In de praktijk gaan wetenschappelijk onderzoek en heel concreet advies vaak hand in hand. Enige tijd geleden deden we bijvoorbeeld onderzoek samen met een producent van schoonmaakmiddelen die een slim digitaal doseringssysteem wilde invoeren. Dat heeft kosten-, milieu-, en logistieke voordelen: zo kun je schoonmaakmiddelen op tijd aanvullen. Maar gaandeweg kwam de realisatie dat je met de vrijkomende data ook individuele schoonmakers kunt monitoren, met gevolgen voor privacy en verantwoordelijkheid: het bedrijf, een toeleverancier, wilde niet in de positie terechtkomen van controleur. Dus uiteindelijk besloten ze: oké, we leveren die data aan onze afnemers, maar dan is

het aan henzelf om er iets mee te doen. Zo leidde het vooronderzoek volgens Responsible Innovation-principes tot een weloverwogen beslissing, die anders mogelijk anders was uitgevallen.” ■

Een drone, slimme meter en robotstofzuiger.

VAN IDEE NAAR ONDERDAK:

Delftse studenten helpen slachtoffers van aardbeving met modulaire core unit

Tien tot vijftien jaar in een container die bedoeld was voor één jaar. Dat is de realiteit voor veel slachtoffers van de aardbevingen in Turkije en Syrië. Medeoprichter Leyla van der Waarde van het Architectural Recovery Team (ART) vertelt over hun alternatief: een modulaire unit die binnen een korte tijd op locatie staat en uitgroeit tot een permanent thuis.

Door Elise Spetter

Foto’s ART

Leyla van der Waarde was net klaar met haar vak over bouwen voor extreme omstandigheden aan de TU Delft toen op 6 februari 2023 een verwoestende aardbeving Turkije en Syrië trof. Meer dan 50.000 mensen kwamen om het leven. Van der Waarde is half Turks.

Haar familie woont in het getroffen gebied. Haar medestudente Meriç Kessaf verloor zestien familieleden in Antakya.

“We kwamen snel bij elkaar om na te denken over wat we konden doen.

Een benefietactie? Op een andere manier geld inzamelen? Maar we zijn bouwkundestudenten. Laten we gewoon ontwerpen.”

Een maand later organiseerden

Van der Waarde en Kessaf, samen met andere studenten, een workshopweek op de TU Delft, waarbij 60 studenten, 5 bedrijven, 20 experts en meerdere faculteiten betrokken waren. In 5 dagen ontstonden twaalf ontwerpen en besloten ze dat ze een prototype in Turkije gingen bouwen.

ART deelt haar ervaringen ook met TU Delft Global Initiative. Zo gaf het

team een presentatie bij het Global Initiative over het project en de lessen die ze onderweg leerden. “Om ervaringen te delen in dit soort projecten”, zegt Van der Waarde.

Het probleem met noodhulp

Wie na een ramp zijn huis verliest, doorloopt een vast patroon: eerst slapen in tenten, dan in containers, dan in tijdelijke appartementen. Mensen worden telkens verplaatst en raken steeds verder verwijderd van hun land en gemeenschap. “Mensen zitten soms tien tot vijftien jaar in zo’n tent die was bedoeld voor één jaar”, zegt Van der Waarde.

ART wil die keten doorbreken met een core unit – het hart van het huis, met badkamer, keuken en technische ruimte –die binnen een maand na een ramp op locatie staat en de basis vormt voor een permanent huis. “Je lost ook meteen de hygiëne- en privacyproblemen op in zo’n rampgebied, en daarna kan de familie op haar eigen tempo de rest van het huis eromheen bouwen.”

De unit wordt in een fabriek geproduceerd en naar de familie gebracht. Daarna bepaalt de familie zelf hoe het huis groeit: eerst misschien een tent eraan vast, dan een woonkamer, uiteindelijk een volledig huis met fundering en tuin.

ART blijft betrokken. “We bouwen niet het

huis en gaan dan weg. We blijven in contact: werkt het? Wat kan beter?”

Luisteren voor je ontwerpt

Na de workshopweek vlogen Van der Waarde en Kessaf samen met het team naar het aardbevingsgebied. Ze bezochten dorpen, spraken met burgemeesters en lokale partijen en kwamen uiteindelijk in een dorp terecht, zo’n twintig kilometer van Antakya, mede vanwege bestaande contacten.

Wat ze er leerden, bepaalde het ontwerp. Privacy en hygiëne bleken belangrijker dan verwacht, met name voor vrouwen en kinderen. De badkamer, aanvankelijk bijzaak, werd een van de meest cruciale onderdelen van de core unit. “We gaan niet naar een gebied en zeggen: wij komen uit Delft, dit is de oplossing. We kennen de cultuur ook en spreken de taal. Dat helpt om echt te luisteren.”

Hout in een betongebied

Voor de bouw koos ART voor CLT: kruislaagshout, een materiaal dat in Nederland steeds vaker wordt gebruikt voor grote gebouwen, maar in het Turkse aardbevingsgebied vrijwel onbekend is. Een bewuste keuze, zegt Van der Waarde. “Voor een gezinswoning is CLT eigenlijk overgedimensioneerd: sterker dan strikt

nodig. Maar dat was precies de bedoeling. We wilden laten zien: je hoeft niet te bouwen van beton. Hout kan ook, en het is schaalbaar naar drie, vier verdiepingen in een aardbevingsgebied.”

De samenwerking met Nederlandse bedrijven, waaronder DE-RIX, CLTproducenten en Rothoblaas voor de verbindingen, maakte de bouw mogelijk. Het was ook een introductie van een nieuw materiaal in een regio die het niet kende. “Kennis delen en tegelijk kennis ophalen. Dat is eigenlijk wat we de hele tijd doen.”

Alles vrijwillig en zelf betaald

ART is een stichting. Iedereen werkt vrijwillig. De zes teamleden – twee in Turkije, vier in Nederland – hebben allemaal een baan naast het project. Van der Waarde werkt bij een bureau dat zich bezighoudt

Links (pagina 38) Diagram van de core unit in relatie tot de kamerunits die er later aan kunnen worden toegevoegd.

Onder Deel van het team voor de core unit na de bouw in Nederland (Leyla van der Waarde, Meric Kessaf, Elif Ceylan, Job Schroën, Hatice Gorguluoglu).

met stedenbouwkundige strategieën na rampen en conflicten.

Het eerste huis werd gefinancierd via crowdfunding, sponsoring van materialen en twee grotere fondsbijdragen van Corendon en de Karsu Foundation, een filantropisch fonds. In totaal liep de crowdfunding op tot 25.000 euro. “We hebben nooit gedacht: laten we hier een startup van maken. Het was altijd om mensen te helpen.”

Maar kan je na drie jaar nog verder als vrijwilliger? ART werkt nu aan een volgende stap: hoe zet je dit om in een model dat zichzelf kan bedruipen, zonder winst als doel, maar ook zonder verlies. Drie interne teams richten zich op het gebied, de technische doorontwikkeling van de unit en de financiële haalbaarheid.

Wat er nu nodig is

De eerste unit staat. Een familie woont erin. Het jongste lid, zeven maanden oud bij de opening – exact drie jaar na de aardbeving – kruipt door het huis waar hij zal opgroeien. “We hebben hem geboren zien worden. Dat vergeet je niet.”

Wat er nodig is, is duidelijk: universiteiten die helpen bij de vertaling van

prototype naar schaal, bedrijven die niet alleen sponsoren maar ook kennis inbrengen en overheden die durven mee te financieren. Van der Waarde wil daarom een handleiding ontwikkelen: een referentiedocument waarmee anderen het concept kunnen toepassen in andere rampgebieden. “Heel veel mensen kunnen zo’n eerste prototype bouwen. Maar het gaat erom hoe je die kennis beschikbaar maakt voor iedereen die het nodig heeft.” In Turkije zelf hoopt ze op minstens tien units, maar het liefst meer. “Mijn droom is vijftig, zestig woningen. Maar dan heb je ook een fabriek nodig in het gebied en mensen die er werken.” ■

Het team in het huisje na opening, februari 2026.

Wat als één auto op elke denkbare duurzame brandstof kan rijden?

De transportsector zoekt naar duurzame alternatieven voor fossiele brandstoffen. Eco-Runner, het Delftse studententeam dat dit jaar zijn twintigjarig jubileum viert, wil laten zien dat de toekomst niet draait om één oplossing, maar om meerdere brandstoffen naast elkaar. Hun nieuwste uitdaging: een brandstofflexibele auto die kan schakelen tussen verschillende duurzame vloeistoffen en gassen.

Door Elise Spetter Foto’s Eco-Runner

Links De Eco-Runner XIII

Rechts Teammanager

Eco-Runner bouwt al twintig jaar experimentele voertuigen. Eerdere teams richtten zich op waterstof en wonnen internationale races. Ze reden twee Guinness World Records met hun waterstofauto’s. Dit jaar slaat het team echter een andere weg in. Het wil een zogeheten brandstofflexibele auto maken die zowel op waterstof als op andere duurzame vloeistoffen en gassen kan rijden. “We denken dat er niet één brandstof is die de hele transportsector kan ondersteunen”, zegt teammanager Luna ten Hagen. “Er zijn meerdere duurzame brandstoffen nodig.”

Microgasturbine

De kern van het nieuwe concept is een microgasturbine. Daarmee wordt rotatieenergie omgezet in elektriciteit. In het systeem wordt lucht aangezogen en gecomprimeerd, verwarmd in een warmtewisselaar en gemengd met een duurzame brandstof in een verbrandingskamer. De hete mix drijft een turbine aan, waarna een generator de rotatie omzet in elektriciteit. “Je wilt een turbine die rond de 150.000 toeren draait, een generator van

ongeveer 3 kilowatt en temperaturen richting de 1.000 graden. Specificaties die allemaal op elkaar moeten aansluiten”, zegt Ten Hagen.

Het schakelen tussen brandstoffen werkt in de praktijk via een brandstoftank met een schot erin, waardoor er twee compartimenten ontstaan met elk een andere brandstof. Om te wisselen, is het simpelweg een kwestie van een klep omzetten. “De verbrandingskamer werkt op meerdere brandstoffen zonder aanpassingen. Het brandstofsysteem regelt welke brandstof wordt aangevoerd.”

Die specificaties vormen de grootste technische uitdaging. Het team zoekt naar een compressor, turbine en generator die op een as gemonteerd kunnen worden en technisch op elkaar afgestemd zijn. Dat onderdeel zal bepalen of het project slaagt of niet.

Dream Hall

Eco-Runner werkt met 26 studenten uit verschillende opleidingen. Naast engineers zijn er studenten die zich bezighouden met partnerships, financiën, operations en communicatie. Elke week start met teamupdates in de Dream Hall op de TU Delft Campus. Daar bouwen ze aan het prototype,

De kern van het nieuwe concept is een micro-gasturbine, waarmee rotatie-energie wordt omgezet in elektriciteit.

een eenpersoonsvoertuig dat kleiner is dan een reguliere auto. Een bewuste keuze, aldus

Ten Hagen. “We ontwerpen, produceren en testen alles in één jaar. Een kleiner voertuig is voor ons haalbaar binnen die tijd.”

Daarnaast is er binnen het team een scalability manager die onderzoekt hoe het systeem later breder toepasbaar kan worden. “Voor nu laten we zien dat brandstofflexibiliteit werkt, maar ons grote doel is om de efficiëntie te verhogen, zodat het concurrerend wordt met wat er nu op de weg rijdt.”

In de geschiedenis van Eco-Runner reed al eens een straatlegale waterstofauto. Een mooi streven, al ligt dit jaar de nadruk nog op het demonstreren van de technologie. Het team wil laten zien dat de toekomst van mobiliteit niet zwart-wit is, alleen waterstof of alleen elektrisch, maar multifuel. Oftewel: verschillende duurzame brandstoffen die naast elkaar functioneren.

Alleen elektrificatie is volgens Ten Hagen niet voldoende. “We zien dat elektrificatie een mooie oplossing is voor lichter transport en kortere afstanden, maar voor zwaarder transport en lange afstanden brengt het uitdagingen met zich mee. Het is

niet efficiënt en praktisch. Daarnaast zijn de directe gevolgen van netcongestie en schaarste in grondstoffen zichtbaar.”

Studie op pauze

Ten Hagen zette haar studie Werktuigbouwkunde een jaar op pauze om zich fulltime op het project te richten. Werken aan het project voelt voor haar net als werken in een klein bedrijf. “In korte tijd leer je wat professionaliteit inhoudt. We zijn continu in gesprek met grote bedrijven en professoren.” Onlangs reisde een deel van het team naar Barcelona voor het congres Tomorrow Mobility, een internationale beurs over de toekomst van mobiliteit. “We hebben daar met zoveel bedrijven gesproken”, zegt Ten Hagen. “Dan zie je hoeveel mensen zich inzetten voor een groene toekomst.”

De komende maanden zijn beslissend voor het studententeam. In mei wordt de auto onthuld in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Tot die tijd werkt het team aan de laatste integraties en tests. “Ik hoop dat mensen zien hoe innovatief en gaaf de auto is. En wat de kracht van een groep studenten kan brengen.” ■

‘We ontwerpen, produceren en testen alles in één jaar’

Leren met simulatie

Voor de technische ontwikkeling werkt Eco-Runner samen met Femto, een ingenieursbureau gespecialiseerd in Computer Aided Engineering en partner van Siemens. Femto ondersteunt het team bij het toepassen van simulatietechnieken met Siemens Simcenter-software. “Elk jaar start een nieuw team met grote ambities”, zegt het bureau. “Die studenten moeten in korte tijd leren hoe ze ontwerpkeuzes onderbouwen en het gedrag van hun ontwerp kunnen voorspellen. Wij helpen hen die leercurve efficiënt te doorlopen.”

Voor Femto zijn de studenten van nu de ingenieurs van de toekomst. “Door hen te ondersteunen investeren we in innovaties van over tien tot twintig jaar.”

De samenwerking werkt volgens het bureau nadrukkelijk twee kanten op. “Niets is onmogelijk als je de juiste mensen bij elkaar zet. Studententeams kiezen niet altijd de weg van de minste weerstand. Dat levert technisch creatieve oplossingen op.”

Daarnaast speelt enthousiasme een grote rol. “Eco-Runner neemt een energie mee die aansteekt. Onze collega’s zien de teamleden graag over de vloer komen. Ze stellen interessante vragen, waarderen de ondersteuning en nemen ons mee in hun hele reis, van concept tot eindproduct.”

Waarom zouden andere bedrijven zich aansluiten? “Omdat je investeert in de toekomstige generatie ingenieurs én onderdeel wordt van een ecosysteem van innovatieve partijen.”

Het Eco-Runnerteam voor de Dream Hall van de TU Delft.

Up-to-date blijven?

Pioneering Tech verbindt baanbrekende technologie met maatschappelijke en economische impact. Met verhalen, cases en inzichten die laten zien hoe samenwerking met de TU Delft innovatie versnelt – voor overheid en bedrijfsleven.

■ Luister de Pioneering Tech Podcast

■ Ontvang om de maand onze nieuwsbrief

■ Volg ons LinkedIn-kanaal: TU Delft | Business & Innovation

➔ Ga naar tudelft.nl/pioneeringtech

Leven zonder zwaartekracht

Wat gebeurt er als zwaartekracht plots geen houvast meer biedt? In de kunstinstallatie MycoGravity onderzoeken Noor Stenfert Kroese en Amir Bastan deze vraag bij schimmels. In een bioreactor op een bewegende robotarm groeien roze oesterzwammen terwijl de richting van de zwaartekracht voortdurend verandert. Dat levert onvoorspelbare, bijna sculpturale vormen op die je bij paddenstoelen in de natuur niet ziet.

Geavanceerde sensoren en camera’s volgen het groeiproces van dichtbij en leggen vast hoe leven zich aanpast wanneer een essentieel referentiepunt wegvalt. Lees het volledige interview met Stenfert Kroese en Bastan over kunst op het snijvlak van robotica, schimmelen ruimteonderzoek op tudelft.nl/ pioneeringtech. ■

LEES HET INTERVIEW OP TUDELFT.NL/ PIONEERINGTECH

Door Sara Broekman Foto © Noor Stenfert Kroese & Amir Bastan

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook