Voor alle professionals in het onderwijs
Nummer 5 / Juni 2026

Belinda terlouw
Over rekenen: ‘Zet de pedagogische bril af om de vakinhoudelijke bril op te zetten. Welke denkstap maakt een kind?’
kerndoelen

Verschijnt 5x per jaar

![]()
Nummer 5 / Juni 2026

Belinda terlouw
Over rekenen: ‘Zet de pedagogische bril af om de vakinhoudelijke bril op te zetten. Welke denkstap maakt een kind?’
kerndoelen

Verschijnt 5x per jaar



verschil in veel en goed bewegen
Orthopedisch chirurg
Piet ziet potentie in nieuwe kerndoelen

ontwikkelingsgericht onderwijs
‘Nieuwe kerndoelen voelen als bevestiging van wat we al doen’

universitaire basisschool
Onderwijs en wetenschap hand in hand op nieuwe school












Hoe geef ik het beste onderwijs in de basisvaardigheden?
Aan de slag met de nieuwe kerndoelen?










Kennis uit onderzoek help j bij het onderwijs in taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. pt je





Verrijk je kennis over onderwijs in de basisvaardigheden op Onder wijskennis.nl.
Voor po en vo!












Kerndoelen zijn het fundament van het onderwijsprogramma. Door de vernieuwing ervan moeten scholen ook kijken naar hun curriculum: zitten we nog goed of moeten we bouwen aan een nieuw curriculum? In deze editie aandacht voor de vernieuwing van de kerndoelen: stapsgewijs worden deze geactualiseerd.
Dit jaar gaat het om vernieuwing van Nederlands en rekenen-wiskunde. De jaren erna komen burgerschap, digitale geletterdheid, mens en natuur, mens en maatschappij, kunst en cultuur, bewegen en sport en moderne vreemde talen aan de beurt.
SLO heeft een duidelijke boodschap: wacht niet af tot ze wettelijk zijn vastgesteld, maar ga alvast aan de slag. SLO geeft op pagina 6 meer uitleg op welke manier je dit kunt aanpakken.
De definitieve conceptkerndoelen voor sport en bewegen zijn inmiddels ook geformuleerd. Deze bieden scholen de kans om opnieuw te doordenken wat lichamelijke ontwikkeling vraagt, want orthopedische chirurg Piet van Loon ziet nog wel wat winst te behalen: “Ik kwam steeds vaker jonge mensen tegen met lelijke rug- en houdingsproblemen.” Lees het interview op pagina 30
Scholen die al langer werken aan burgerschap, meer samenhang, meer aandacht voor mondelinge taalvaardigheid en een sterkere verbinding tussen basisvaardigheden en de wereld buiten school, zijn vaak scholen die zich bezighouden met Ontwikkelingsgericht Onderwijs.

Voor hen zijn de vernieuwde kerndoelen vooral een bevestiging. We spraken Rienkje van der Eijnden, voorzitter van de OGO-vereniging, en Marte van Vliet, nascholer en onderwijs-ontwikkelaar bij De Activiteit, het Landelijk Centrum voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs. En dat niet alleen: we bezochten ook een OGO-school om daar een podcastaflevering te maken. Blader snel door naar pagina 8
Hogeschooldocent en rekenspecialist Belinda Terlouw is blij met de nieuwe kerndoelen voor rekenen-wiskunde, vertelt ze op pagina 26. Ze bieden scholen de kans om doordacht met het rekenonderwijs aan de slag te gaan: minder dichtgetimmerd, meer samenhangend en met meer ruimte voor denkwerk van kinderen. Zij leidt ook rekencoördinatoren op: “Bij kijken naar kinderen in de rekenles zet je tijdelijk de pedagogische bril af om de vakinhoudelijke bril op te zetten. Wat laat een kind zien? Welke denkstap maakt het? Waar zit een misconcept?
Wat doet het leerkrachtgedrag met het denkwerk van leerlingen? Als je kinderen zelf laat denken en je bent in staat om te duiden wat je ziet, kun je deze vragen beantwoorden en het kind verder helpen.”
Met deze editie hoop ik een bijdrage te kunnen leveren aan het nieuwe curriculum dat wellicht in de maak is. Zelf nog leuke ideeën? Mail gerust de redactie!



Veel leesplezier!
Wiesette Haverkamp Hoofdredacteur PrimaOnderwijs
Ideeën, vragen, verzoeken voor PrimaOnderwijs? Mail naar redactie@primaonderwijs.nl
Volg @PrimaOnderwijs ook op Instagram, LinkedIn, Facebook en Spotify.

Voor alle professionals in het onderwijs

8

16

Kerndoelen voelt als bevestiging voor OGO-scholen



Digitalisering: het ontstaan van Edu-V

14

18

Manosfeer: wat vraagt dit van leraren?



De Nationale Voorleeswedstrijd Voorlezen is samen de wereld ontdekken

06 SLO: pak je kans om curriculumbewust te handelen
10 Zo werk je aan een toekomstbestendig curriculum
22 Zó werkt Het Anker thematisch
25 Driekwart van de kinderen maakt geweld mee

38


Burgemeester


Marcouch: ‘De mensen met wie je omgaat, vormen je’








Volg ons
@ primaonderwijs
Hoofdredactie
Wiesette Haverkamp
Vormgeving
Martin Hollander
Medewerkers
Brigitte Bloem, Marco van den Berg, Mar Irrgang, Esmee Weerden,
Beeld
Coverbeeld gegenereerd met AI, Shutterstock, Unsplash
Redactie
26 Ga doordacht met rekenonderwijs aan de slag
30 Veel kinderen met ernstige rugklachten
34 Jelle Jolles: ‘Neem de regie’
40 Lezen is….. zoeken naar betekenis, interpreteren, twijfelen
48 Reis mee door het burgerschapsmuseum van De Bloeiwijzer
52 Wetenschap en onderwijspraktijk samen onder één dak
030 - 241 70 44, redactie@primaonderwijs.nl, postbus 40266, 3504 AB Utrecht
Sales 030 - 241 70 21, account@edg.nl
Klantenservice
030 - 241 70 20 klantenservice@edg.nl
Verschijning en verspreiding PrimaOnderwijs verschijnt 5 keer per jaar. Verspreiding via gecontroleerde distributie door EDG Media bij alle basisscholen en scholen in het voortgezet onderwijs in Nederland. Naast het magazine biedt PrimaOnderwijs een wekelijkse nieuwsbrief en de website www.primaonderwijs.nl
Met 100.000 lezers het grootste blad voor alle onderwijsprofessionals.
PrimaOnderwijs is een uitgave van

©Copyright 2026 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, overgenomen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. De uitgever is niet aansprakelijk voor enig handelen op grond van de in dit blad gegeven adviezen of gedane mededelinge n.
Initieer het gesprek over de nieuwe kerndoelen op jouw
De nieuwe kerndoelen zijn er, met een heldere boodschap aan scholen: wacht niet af tot ze wettelijk zijn vastgesteld, maar ga alvast aan de slag. SLO hoopt dat scholen de nieuwe kerndoelen gebruiken als een kans om bewuster naar het eigen curriculum te kijken en doordachte keuzes te maken. Bij SPO Utrecht hebben ze deze kans gegrepen. De nieuwe kerndoelen fungeren daarbij als richtinggevend kompas met ruimte voor eigen invulling.
Tekst: Brigitte Bloem
De nieuwe kerndoelen zijn ontwikkeld samen met het onderwijsveld. Leraren, schoolleiders en andere onderwijsprofessionals waren vanaf het begin intensief betrokken. Ook de implementatie zal geen eenrichtingsverkeer zijn. “Scholen zijn aan zet, maar staan er niet alleen voor”, verzekert programmamanager Lucie Gooskens van SLO. “Vanuit SLO bieden we inspiratie, richting en ondersteuning. We delen leerlijnen, praktische voorbeelden en hulpmiddelen zoals teamgidsen. Daarnaast delen we onze kennis met onderwijspartners, zodat zij scholen direct kunnen ondersteunen met het nieuwe curriculum.”
Samenhangend en betekenisvol onderwijs Lucie hoopt dat de nieuwe kerndoelen een impuls zijn om het gesprek over samenhangend en betekenisvol onderwijs binnen de school te voeren. Hierbij gaat het niet alleen om de basisvaardigheden taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap, maar ook om de andere leergebieden en de brede ontwikkeling van leerlingen. “De balans tussen brede vorming en aandacht voor de basisvaardigheden zie je terug in de nieuwe kerndoelen”, aldus Lucie.
Ongeveer zeventig procent van de onderwijstijd ligt vast in kerndoelen. De overige dertig procent is vrije ruimte voor scholen. Deze ruimte is essentieel om aan te sluiten bij de schooleigen context, benadrukt Lucie. “Het betekent keuzevrijheid voor schooleigen onderwerpen en thema’s. Scholen hebben verschillende leerlingpopulaties. Sommige scholen moeten daardoor bijvoorbeeld meer inzetten op taalonderwijs dan andere scholen.”

Lucie Gooskens, programmamanager SLO
Van nieuwe kerndoelen naar schoolcurriculum
Voor leraren kunnen de nieuwe kerndoelen en de aanpassing van het schooleigen curriculum voelen als een grote klus. Florien Bakker, taal en nieuwkomersspecialist bij de Utrechtse scholenstichting SPO Utrecht, herkent dat gevoel. Toch ziet ze vooral kansen. “Als je het stap voor stap aanpakt, vallen er kwartjes. Je ziet hoe alles met elkaar samenhangt. Dat maakt deze herziening juist zo waardevol.” Haar advies: begin klein. “Kies één leergebied. Bij een van de scholen waar ik werkzaam ben heeft taal bijvoorbeeld de meeste urgentie, dus daar gaan wij mee aan de slag. Van daaruit bouw je verder. Daarbij is steun van de directie onmisbaar. Bovendien maken
we dankbaar gebruik van de kennis en vaardigheden die we tijdens bovenschoolse netwerkbijeenkomsten opdoen en zetten we tools van SLO in.”
In welke mate schoolteams kennis hebben van de nieuwe kerndoelen, verschilt sterk. Dat ziet ook Brechtje Poldermans, beleidsmedewerker bij SPO
Utrecht en leraar. “Tijd om je in de nieuwe kerndoelen te verdiepen is vaak het grootste knelpunt.” Toch pleit ze er, net als Lucie en Florien, voor om niet te wachten. “Verken de nieuwe kerndoelen alvast en kijk wat het betekent voor jouw schoolcurriculum.”
Geen quick fix
Samenwerking blijkt voor de scholen binnen SPO Utrecht vruchtbaar. Zo hadden ze een gezamenlijke bijeenkomst over basisvaardigheden, en ook tijdens andere netwerkbijeenkomsten is er aandacht voor de nieuwe kerndoelen. “We brengen onze onderwijsprofessionals bij elkaar om kennis en ervaringen te delen”, legt Brechtje uit. “Scholen hoeven niet allemaal apart het wiel uit te vinden en kunnen veel aan elkaar hebben.” Florien beaamt het belang van samenwerking: “Het helpt enorm om te horen hoe andere scholen het aanpakken, zeker als zij al wat verder in het proces zijn.”
Wat in alle gesprekken terugkomt: de implementatie van de nieuwe kerndoelen kost tijd. “Het is geen quick fix”, stelt Brechtje. “Maak een langetermijnplanning en werk stap voor stap”, adviseert ze.
Florien dacht in het begin dat het schoolcurriculum op basis van de nieuwe kerndoelen grondig moest worden aangepast. Nu voorziet ze dat het uiteindelijk mee zal vallen. “Ook al dateren de oude kerndoelen van twintig jaar geleden, we zijn op de scholen natuurlijk niet stil blijven staan”, zegt ze lachend.


Brechtje Poldermans, leraar en beleidsmedewerker bij SPO Utrecht
“Zie de nieuwe kerndoelen als kans voor curriculumbewust handelen”, zegt Lucie tot besluit. Het is iets waar je de komende jaren als team aan kunt werken, met als resultaat het beste onderwijs voor jullie leerlingen.”
De belangrijkste adviezen van Florien, Brechtje en Lucie op een rij:
- Werk stap voor stap: begin bij één leergebied en verken hiervoor de overeenkomsten en verschillen tussen jullie onderwijs en de nieuwe kerndoelen.
- Maak een planning met prioriteiten.
- Werk samen: binnen je team en met andere scholen binnen en buiten je scholenstichting.
- Gebruik de Teamgids curriculumanalyse van SLO: ontdek met deze teamgids of jullie curriculum nog aansluit bij wat jullie beogen met jullie onderwijs.
- Gebruik het curriculair spinnenweb van SLO: voer aan de hand van het curriculair spinnenweb met je team of vaksectie het gesprek over jullie curriculum.
- Plan tijd in: maak, los van de waan van de dag, ruimte voor curriculumgesprekken.
- Blijf kritisch: wat past bij jullie leerlingen en jullie schoolvisie?
Wil je een start maken met de nieuwe kerndoelen?
SLO ondersteunt je met informatie, voorbeelden en materialen. Scan de QR-code.





Voor scholen kunnen de nieuwe kerndoelen als een extra opdracht voelen. Alsof er wéér iets bijkomt: burgerschap, meer samenhang, meer aandacht voor mondelinge taalvaardigheid, meer verbinding tussen basisvaardigheden en de wereld buiten school. Misschien helpt het om eens te kijken naar scholen die hier al langer mee werken. Ontwikkelingsgericht Onderwijs, kortweg OGO, kan een inspirerend voorbeeld zijn.
Tekst: Wiesette Haverkamp
Rienkje van der Eijnden, voorzitter van de OGOvereniging, en Marte van Vliet, nascholer en onderwijsontwikkelaar bij De Activiteit, het Landelijk Centrum voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs, herkennen veel van de nieuwe koers. Voor hen voelt die niet als een breuk, maar eerder als bevestiging. “Dan denk je: oh ja, mooi, dat doen we al”, zegt Rienkje.
OGO draait om brede persoonsvorming. Kinderen worden niet benaderd als optelsom van losse vakken, maar als mensen in ontwikkeling. Dat klinkt groot, maar wordt zichtbaar in de dagelijkse onderwijspraktijk: in thematisch werken, in rijke gesprekken, in doelgericht spel en in onderwijs waarin de echte wereld de school in komt. Of waarin de school de echte wereld ingaat. De dames noemen bijvoorbeeld het nabootsen van een dierenwinkel in groep 3. Op het eerste gezicht lijkt dat spel. En ja, er wordt gespeeld. Maar niet vrijblijvend. Vanuit een spelverhaal ontstaan kwesties en gaan kinderen deelnemen: kinderen willen een dierenwinkel inrichten, bedenken wat nodig is, maken lijstjes, schrijven etiketten, lezen over dierenverzorging, bedenken vragen voor een bezoek aan de dierenarts en voeren

gesprekken over wat een dier nodig heeft. “Kinderen zijn binnen een thema voortdurend aan het onderzoeken, spreken, luisteren, lezen en schrijven”, zegt Rienkje. Daar zit een belangrijke les voor scholen die met de nieuwe kerndoelen aan de slag gaan. Spel, thematiseren of aansluiten bij nieuwsgierigheid staan niet tegenover doelgericht onderwijs. Binnen OGO horen die juist bij elkaar. De start ligt niet bij een los doel of een methodebladzijde, maar bij de motivatie van kinderen, bij het deelnemen aan praktijken en het


















PrimaOnderwijs werd naar aanleiding van dit interview nieuwsgierig naar zo’n OGO-school en bracht een bezoek aan ABBS De Zuiderzee.
Scan de QR-code om de podcast te beluisteren.
nadenken over actuele kwesties. Tegelijk blijven de doelen nadrukkelijk in beeld. In de OGO-cirkels, waarmee scholen thema’s ontwerpen, staan aan de buitenrand de kerndoelen. De leerkracht neemt die dus vanaf het begin mee.
Dat gebeurt in een half-open planning: je ontwerpt een thema doelgericht, maar laat ruimte voor wat ontstaat. Voor vragen van kinderen, voor onverwachte wendingen, voor verdiepend leren. Dat vraagt veel van een leraar, maar volgens Marte niet per se méér dan op een reguliere school. Wel iets anders. “Je moet bewust zijn van wat je kinderen leren, waarom en waartoe”, zegt zij. Observeren is cruciaal en je begeleiding vraagt wat anders. Je moet kinderen echt kennen: waar zit hun interesse, wat kunnen ze al, waar hebben ze hulp bij nodig, wat lokt hen uit tot denken en doen? Als leerkracht moet je goed reflecteren op eigen handelen en begeleiding.
Waar veel scholen het gevoel hebben dat de nieuwe kerndoelen vooral leiden tot overladen roosters, probeert OGO meer te doen met minder. Niet: voor elk nieuw accent een nieuwe methode. Wel: goed kijken wat kinderen in een context allemaal leren. In een rijk thema komen taal, lezen, schrijven, wereldoriëntatie en burgerschap vaak al dankzij een doordacht ontwerp samen.
nieuwsgierigheid en kennis in het onderwijsdebat te vaak tegenover elkaar gezet. “OGO is de derde weg. Je haakt aan bij de nieuwsgierigheid van kinderen én zorgt dat ze veel leren.”
Dat vraagt een bepaalde houding van de leerkracht. Denken in losse vakjes en losse stukjes moet je durven afleren. OGO vraagt een onderzoekende blik, vertrouwen in kinderen en het vermogen om samenhang te zien. Tegelijk is het niet vaag of vrijblijvend. Integendeel: reflectie is essentieel. Blijven we op koers? Volgen we het verhaal nog? Waar grijpen we in? Wat leren kinderen nu eigenlijk? Ook als toetsresultaten even tegenvallen, vraagt dat om rust en visie, niet om meteen alles weer om te gooien.
Een ander sterk punt van OGO is de ruimte voor verschillen tussen kinderen. Die verschillen zijn geen probleem dat je moet wegwerken, maar een bron voor leren. Kinderen hebben elkaar nodig: de een leest een andere tekst, stelt een andere vraag of kijkt vanuit een andere invalshoek. Ze leren niet alleen van de leerkracht, maar juist van elkaar. En doordat hun inbreng ertoe doet, groeit eigenaarschap. “Mijn stem doet ertoe”, is precies het gevoel dat OGO wil oproepen.


Rienkje van der Eijnden
Voor scholen die zich laten inspireren door OGO, hebben Rienkje en Marte tips.
• Begin klein.



Binnen OGO wordt het vier-velden-model gebruikt om taal- en leesonderwijs betekenisvoller vorm te geven volgens de ‘Zin in lezen aanpak’. Daarin komen motivatie, begrip, woordenschat en techniek samen. Niet eerst losse oefeningen voor techniek, dan een lesje woordenschat en daarna pas begrijpend lezen, maar één geïntegreerde aanpak. Het begint met de vraag: heb je er zin in? Waarom ga je deze tekst lezen? Wat wil je te weten komen? Nieuwsgierigheid creëren is geen extraatje, maar het startpunt.

• Kijk kritisch naar je leesonderwijs en vervang suffe methodeboekjes door rijke, betekenisvolle teksten.
• Ga vaker met kinderen in gesprek. Vraag niet alleen wat ze hebben gedaan, maar ook of ze er zin in hebben en waar ze nieuwsgierig naar zijn.
• Breng in groep 3 en 4 het spelverhaal terug.
• Durf methodes los te laten en wereldoriëntatie meer samenhangend en in combinatie met taal aan te bieden.




Dat betekent niet dat kinderen lukraak kiezen. Ook dat misverstand leeft nog. Binnen OGO is kiezen niet vrijblijvend. Kinderen krijgen ruimte, maar binnen een doordachte context. Ze kiezen bijvoorbeeld uit rijke teksten die passen bij het thema en bij de doelen. Volgens Rienkje worden
doordachte




• Kom vooral eens kijken op een OGO-school. Op de website van de OGO-vereniging staat een kaart met scholen, de brochure ‘OGO in een notendop’ , informatie over inspiratiesessies, films en beelden en informatie over de wetenschappelijke basis achter OGO.
De vernieuwing van de kerndoelen is voor veel scholen een moment van herbezinning: sluiten doelen, inhoud en aanpak nog aan bij wat leerlingen nodig hebben? Ze krijgen daarmee de kans om te werken aan een toekomstbestendig curriculum. Wat verandert er, waar begin je en hoe pak je dat aan?
De invoering van de nieuwe kerndoelen in het po, onderbouw vo en (v)so verloopt gefaseerd. Scholen krijgen tot 2031 de tijd om de kerndoelen volledig te vertalen naar hun eigen curriculum. “Dat geeft ruimte om aan te sluiten bij wat er al speelt, gerichte keuzes te maken en het gesprek in het team te voeren”, zegt Charlotte van Voorden, Teamleider Curriculumimplementatie bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).
Gebruik die tijd om bewust te kijken naar je onderwijs, is het advies van het ministerie. “Wat vind je belangrijk dat leerlingen leren? En hoe zorg je dat dat samenhangend terugkomt?”
Van abstract naar concreet en samenhangend
De kerndoelen waren in veel gevallen twintig jaar oud en sloten niet altijd meer aan op wat leerlingen nodig hebben voor vervolgonderwijs en samenleving. Ook de examenprogramma’s voor de bovenbouw van het vo worden herzien. De vernieuwing van het curriculum raakt dan ook het hele onderwijsprogramma.
Waar de oude kerndoelen abstract waren, zijn ze nu concreter gemaakt. Charlotte schetst het verschil: “Voorheen stond er bijvoorbeeld: leerlingen leren optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Dat is vrij algemeen. Nu is dat uitgewerkt in doelen en


subdoelen, dus wat leerlingen precies moeten kunnen, zoals rekenen met verhoudingen, breuken en decimale getallen.”
Die uitwerking geeft richting en laat de professionele ruimte van scholen intact. “Het wat is duidelijker geworden, het hoe blijft aan de school.”
Daarnaast is er meer aandacht voor samenhang binnen en tussen de leergebieden. Taal en rekenen lopen door meerdere leergebieden heen. Burgerschap en digitale geletterdheid krijgen als nieuwe leergebieden een plek in het geheel.
Geen blauwdruk, wel richting Vanaf 2026 kunnen scholen aan de slag met de nieuwe kerndoelen. De invoering gebeurt gefaseerd en biedt ruimte om keuzes te maken in tempo en aanpak. “Je hoeft niet alles tegelijk te doen”, zegt Charlotte. “Begin waar het logisch is voor jouw school.”
Je kunt als school bijvoorbeeld starten met rekenen, omdat daarvoor al een ontwikkeltraject loopt. Of bij burgerschap, omdat daar nog veel te ontwikkelen is. Sommige scholen beginnen met een bepaald leerjaar, andere met één leergebied.
Voor veel scholen is de vraag: hoe pakken we de invoering aan? Charlotte: “Het startpunt is het gesprek binnen het team. Wat betekenen de nieuwe kerndoelen voor de school? Wat doen we al? Waar liggen kansen om te versterken of aan te sluiten?”
De kerndoelen zijn daarbij geen eindpunt, maar een hulpmiddel om het onderwijs scherper vorm te geven. “Zie het als een kans om opnieuw naar je onderwijs te kijken. Wat willen we dat onze leerlingen leren? Waar leggen we de nadruk? En hoe zorgen we dat dat terugkomt in alles wat we doen?”
Een gezamenlijke opgave
Het vernieuwen van het curriculum vraagt om samenwerking binnen de hele schoolorganisatie. De schoolleider heeft een belangrijke rol in het organiseren van tijd en ruimte en het starten van het gesprek over het curriculum binnen de school. Leraren vertalen de kerndoelen naar de praktijk in de klas. Schoolbesturen faciliteren en stimuleren en kunnen scholen met elkaar verbinden.
Ook buiten de school wordt ondersteuning georganiseerd. Het ministerie van OCW werkt samen met partijen als SLO, sectorraden en vak- en beroepsverenigingen. Zij bieden informatie en ondersteuning. “Het is een gezamenlijke opgave”, zegt Charlotte. “We trekken hierin echt samen op met het onderwijs.”
Aanpassing leermiddelen en toetsing
De nieuwe kerndoelen hebben ook gevolgen voor leermiddelen en toetsing. Lesmethodes worden de komende jaren aangepast, in lijn met de gefaseerde invoering.
Charlotte benadrukt dat leermiddelen ondersteunend zijn en ruimte laten voor eigen keuzes. “Begin bij wat je wilt bereiken en kies daar passende middelen bij.” Ook toetsen bewegen mee. Scholen herzien hun eigen toetsen en landelijke toetsen worden aangepast. Dit gebeurt stapsgewijs, zodat onderwijs en toetsing goed op elkaar blijven aansluiten.
Onderwijsprofessionals in gesprek met het ministerie van OCW en onderwijsorganisaties over curriculumvernieuwing


Toezicht met ruimte voor ontwikkeling
Tot 2031 houdt de inspectie rekening met de overgangsfase. Scholen mogen werken met huidige of nieuwe kerndoelen, afhankelijk van de fase waar ze in zitten.
De inspectie gaat in deze periode met scholen in gesprek over hoe zij werken aan curriculumvernieuwing en biedt ondersteuning: waar staat de school en wat is nodig om verder te komen? Dat biedt ruimte om te ontwikkelen en te leren.
Een kans om het beter te doen
De vernieuwing van de kerndoelen vraagt tijd en aandacht. Maar het biedt ook een kans om je onderwijs (nog) sterker en samenhangender te maken. Scholen krijgen meer richting in wat leerlingen moeten leren en ruimte om daar zelf invulling aan te geven.
“De kerndoelen kunnen je helpen om bewuster keuzes te maken in wat je doet en waarom en je onderwijs toekomstbestendig te maken. Zo ontstaat onderwijs dat beter aansluit bij wat jouw leerlingen nodig hebben”, besluit Charlotte. ◗
Aan de slag met curriculumvernieuwing
Het ministerie van OCW zorgt dat besturen, schoolleiders, leraren en schoolteams informatie en ondersteuning krijgen bij de invoering van het nieuwe curriculum. Het ondersteuningsaanbod is volop in ontwikkeling. Scan de QR-code om het overzicht van het aanbod dat nu al beschikbaar is te checken.




















































Via het PrimaPanel verzamelen we meningen over, ervaringen met en inzichten in actuele thema’s, zoals professionalisering, burgerschap, digitale vaardigheden, leermiddelen en andere onderwerpen die spelen in het onderwijs. Hiermee willen wij, samen met onze opdrachtgevers, het onderwijs verder helpen.
Kies zelf aan welke onderzoeken je deelneemt.
Denk aan:
Korte online enquêtes met meerkeuzevragen.
Uitgebreidere vragenlijsten met verdiepende open vragen.
Meedenken met lesmateriaal
Deelname aan een (online) panelgesprek
Word panellid en ontvang per deelname een vergoeding.









Vanaf 1 augustus dit jaar wordt een aantal nieuwe kerndoelen wettelijk van kracht. In eerste instantie zijn de kerndoelen voor Nederlands en wiskunde aan de beurt, maar al snel daarna volgen de andere leergebieden ook.
Op de site van de Rijksoverheid vind ik daar de volgende tekst over:
“Goed onderwijs vraagt om een actueel, uitdagend en relevant curriculum. Daarom komt er een systeem om het curriculum te onderhouden. Zo blijft het curriculum beter aansluiten bij de praktijk.”
Bij de laatste woorden van deze tekst word ik gelijk getriggerd. “Beter aansluiten bij de praktijk”. Blijkbaar is er bij vele scholen ruimte voor verbetering op dit gebied.
Binnen het Praktijkonderwijs is aansluiten bij de praktijk een absolute must om tot leren te komen. Niet voor niets willen onze leerlingen bij alles wat ze op school moeten doen graag weten waarom ze het moeten doen. “Wat heb ik hier eigenlijk aan, meneer?”
Als je als docent de koppeling naar de praktijk niet weet te maken of uit te leggen, is de kans groot dat de leerling de hakken in het zand zet.
Op mijn eigen school, Kolom Praktijkcollege de Schakel, zijn we hard aan het werk gegaan om de leesvaardigheid van leerlingen te verhogen, over ruimte voor verbetering gesproken. Gebruikmakend van de vrijheid die scholen hebben om de vernieuwde kerndoelen vorm te geven, is er langzamerhand een mooie bibliotheek met boeken aan het ontstaan. En dat niet alleen, er wordt zelfs een heus uitleensysteem op touw gezet! Kenmerkend voor onze school hierbij was dat er op onze studiedag zowel leerlingen als
ouders aanwezig waren om een paar uurtjes boeken in te voeren in het systeem. Om warm van te worden.
Maar ook als straks de bibliotheek volwaardig draait en het uitleensysteem functioneert zoals we het nu in ons hoofd hebben, zal je de leerlingen antwoord moeten kunnen geven op die ene vraag: “meneer of mevrouw, wat heb ik hier aan in de praktijk?”
Om deze vraag eenvoudig te beantwoorden hebben wij geïnvesteerd in boeken per vak. In alle praktijklokalen zijn boekenkasten geplaatst en rijkelijk gevuld met vakgerichte boeken. Zo kunnen leerlingen boeken gaan lezen over Techniek, Verzorging, Handel en economie en ook over het vak Consumptieve techniek. Zelfs boeken uit het genre fictie kunnen over een van deze vakken gaan en door leerlingen gekozen worden.
Mijn wens is dat een leerling bij techniek op een dag een boek pakt waarin beschreven wordt hoe een kind de geheime klusschuur van zijn of haar opa stiekem binnensluipt en daar betoverd wordt door de magie van het maken en creëren. Deze leerling zal wegdromen in dat boek, mij niet vragen waarom er in hemelsnaam gelezen moet worden om half negen in de ochtend, maar alleen maar denken: dit wil ik ook.
Meester Stefan @meesterstefan_hrlm

De invloed van de manosfeer op school is geen ver-van-mijn-bedshow meer. Onderwijsprofessionals merken in de klas, op de gang en in de pauzes dat ideeën over ‘echte mannelijkheid’ steeds nadrukkelijker aanwezig zijn. Soms in de vorm van seksistische grapjes of denigrerende opmerkingen, soms in de onderlinge druk tussen jongens over hoe je je als jongen ‘hoort’ te gedragen. Ze zien dat dit de sfeer beïnvloedt en driekwart van de onderwijsprofessionals maakt zich zorgen over het effect op de sociale veiligheid. Voor scholen is de vraag dan ook niet óf dit aandacht vraagt, maar hoe je ermee omgaat.
Tekst: Wiesette Haverkamp Beeld: Creative Beards
Stichting School & Veiligheid en Emancipator werken samen binnen de alliantie Worden Wie Je Bent Deze zet zich in voor gendergelijkwaardigheid en het doorbreken van beperkende gendernormen in het onderwijs. Een van de aanleidingen voor het onderzoek naar de manosfeer was wat Sjoukje Mos, adviseur bij Stichting School & Veiligheid, steeds vaker tegenkwam in workshops over spanningen en polarisatie. “Andrew Tate of vergelijkbaar gedachtengoed kwam steeds terug”, vertelt ze. “In Nederland wisten we nog weinig over wat onderwijsprofessionals hier concreet van merken.”
Voor het onderzoek zijn 487 onderwijsprofessionals uit groep 7 en 8, het voortgezet onderwijs en het mbo bevraagd. Wat zij signaleren, varieert van vrouwonvriendelijke opmerkingen en denigrerende grappen tot intimiderend gedrag richting meiden en transgender, non-binaire of homoseksuele leerlingen. Ook zien respondenten dat jongens elkaar onder druk zetten om te voldoen aan een smal beeld van mannelijkheid: vrouwen kleineren, succes afmeten aan geld en zich macho, dominant en emotieloos gedragen. Volgens Bas Zwiers, directeur van Emancipator, is dat niet volledig nieuw. “Die norm van mannelijkheid is al veel langer aanwezig op school. Denk aan het

Bas Zwiers
schelden met homo, of het idee dat je als jongen hard en dominant moet zijn. Wat veranderd is, is dat de online wereld dit enorm versterkt.”
Meer dan extreme influencers
De manosfeer is een breed online ecosysteem van content waarin zeer traditionele rolpatronen worden bevestigd en uitvergroot. Het gaat niet alleen om extreme influencers. Juist dat maakt het ingewikkeld. Sjoukje: “Veel van die content zit verweven in ogenschijnlijk onschuldige video’s over fitness, succes, ondernemen of relaties. Daar is op zichzelf niets mis mee. Het geniepige zit in de overgang naar vrouwonvriendelijkheid.” Volgens Bas is het daarom niet altijd zinvol om precies af te bakenen waar de manosfeer begint en eindigt. Belangrijker is dat
scholen herkennen wat de gevolgen zijn voor de sociale veiligheid. “Als leerlingen elkaar gaan kleineren of bepaalde groepjes worden gemeden, dan moet je er iets mee.”
Jongeren zijn zoekend
Dat jongeren gevoelig kunnen zijn voor dit soort boodschappen, verbaast de onderzoekers niet. De puberteit is een fase van identiteitsvorming, onzekerheid en zoeken naar houvast. “Jongeren vragen zich af: wie ben ik, hoe hoor ik erbij, wat is succes?” vertelt Sjoukje. “Precies daar kan manosfeer-content op inspelen.”

Sjoukje Mos
Beide experts waarschuwen ervoor om niet te snel te denken in ‘foute jongens’. Onder het gedrag zitten vaak vragen, onzekerheden en behoefte aan erkenning. Bas: “De interessante vraag is niet alleen: kijkt een leerling hiernaar? Maar vooral: wat zoekt hij daar?”
Daar ligt ook een belangrijke taak voor leraren. Niet door leerlingen als persoon af te wijzen, wel door schadelijke uitspraken direct te begrenzen. Dat onderscheid is cruciaal. Sjoukje: “Je moet duidelijk zijn: deze woorden kunnen niet. Maar je wijst de leerling niet af. Je blijft nieuwsgierig en vraagt: wat maakt dat je dit zegt?”
Begrenzen én uitnodigen
Die combinatie van begrenzen en uitnodigen vraagt iets van de professionele houding van de leraar. Openheid, nieuwsgierigheid en de bereidheid om te luisteren zijn essentieel. Je hoeft niet alle online termen te kennen om een goed gesprek te voeren. “Docenten denken soms dat ze eerst alles moeten weten,” zegt Sjoukje. “Maar uiteindelijk gaat het erom dat je het gesprek opent.”
Volgens Bas helpt het bovendien om niet altijd de manosfeer zelf centraal te stellen. “Je kunt ook praten over vragen als: wat betekent succes voor jou of wie is een belangrijk voorbeeld in je leven? Dan kom je bij de wortels onder dit soort denkbeelden.”
Niet alleen een taak van de docent Tegelijkertijd mogen leraren hier niet alleen voor staan. De invloed van rigide ideeën over mannelijkheid raakt de sociale veiligheid in de hele school en vraagt om een gezamenlijke aanpak. Schoolleiders en teams spelen daarin een sleutelrol, bijvoorbeeld door samen duidelijke normen te formuleren en af te spreken hoe je reageert op seksistische of denigrerende opmerkingen. Ook structurele ondersteuning is nodig, zoals intervisie en professionalisering. “Docenten worstelen met hun reactie doordat sommige situaties ambigu zijn en niet altijd expliciet problematisch, vooral wanneer leerlingen ironisch of ‘half grappend’ spreken”, zegt Sjoukje. “Dan moet je voorkomen dat iedereen zelf het wiel gaat uitvinden.” Preventie begint bovendien klein: in hoe je leerlingen begroet, in de relatie die je opbouwt en in de manier waarop je verwachtingen uitspreekt. Ook daarin kunnen stereotiepe gendernormen ongemerkt worden bevestigd, of juist worden verruimd.
De praktijk laat zien dat leraren wél verschil kunnen maken. “Als leerlingen voelen dat je hen ziet en tegelijk duidelijke grenzen stelt, dan doet dat ertoe. Daar begint sociale veiligheid”, aldus Sjoukje. Haar advies: “Werk aan een warme relatie en begrens altijd wanneer uitspraken anderen onveilig maken. Die twee versterken elkaar.”
Meer weten over wat leraren aan manosfeer zien op school? En wil je meer tips & tools? Kijk dan op de pagina ‘Invloed van de manosfeer op de sociale veiligheid in het onderwijs’ bij School & Veiligheid.
Heb je nog vragen?
Neem contact op met het Adviespunt van School & Veiligheid. Dat kan op schooldagen van 09.00 tot 16.00 uur via tel.nr. 030 285 66 16 of via adviespunt@schoolenveiligheid.nl

Digitalisering heeft het onderwijs veel gebracht, maar ook versnippering. Scholen werken dagelijks met een groeiend aantal systemen voor administratie, lesmateriaal, toetsen en begeleiding. Tegen die achtergrond ontstond Edu-V. Scholen en leveranciers maken binnen Edu-V afspraken die bijdragen aan veilige, gestandaardiseerde gegevensuitwisseling tussen digitale systemen in het onderwijs.
Tekst: Marco van den Berg
Want eerlijk is eerlijk: digitale onderwijs- en leermiddelen sluiten niet altijd goed op elkaar aan. Gegevens moeten dubbel worden ingevoerd, koppelingen zijn kwetsbaar en vragen over privacy blijven terugkomen. Goede afspraken en samenwerking zijn dus bijzonder belangrijk.
Edu-V is een initiatief van de PO-raad, VO-raad, MBO-Raad, MEVW, VDOD, VEDN en het ministerie van OCW en wordt mede mogelijk gemaakt door het Nationaal Groeifonds. Binnen Edu-V werken publieke en private partijen samen aan een digitaal ecosysteem voor gegevensuitwisseling waarin scholen en leveranciers eenvoudig, veilig en betrouwbaar data kunnen delen. Edu-V is sinds mei 2025 een officiële stichting. In de eerste periode is het afsprakenstelsel opgebouwd en hebben zich al veel leveranciers aangesloten. Scholen zijn nauw betrokken geweest door praktijkervaringen te delen waarop de afspraken zijn gebaseerd.
‘Steeds meer leveranciers sluiten zich aan bij Edu-V en doorlopen het kwalificatieproces’, vertelt Hedy van der Ende, directeur-bestuurder van Stichting Edu-V. ‘In het kwalificatieproces tonen leveranciers aan dat hun
Hoe meer leveranciers zich
kwalificeren, hoe groter de keuzevrijheid voor het onderwijs
product voldoet aan belangrijke eisen voor privacy en informatiebeveiliging en dat de gegevensuitwisseling met andere systemen gestandaardiseerd verloopt.’ Op dit moment zijn 43 leveranciers als deelnemer opgenomen in het keurmerkregister. Van deze groep hebben 19 leveranciers in totaal 23 keurmerken ontvangen op een product. In het toetredingsproces zijn nog 67 andere leveranciers bezig met kwalificeren.
‘Met elke uitreiking van Edu-V keurmerken zetten we een nieuwe stap. Ons doel blijft dat het keurmerk de vanzelfsprekende standaard wordt voor digitale oplossingen in het onderwijs’, stelt Van der Ende. ‘Achter elk keurmerk zit een belofte aan scholen: deze oplossing is veilig, voldoet aan afspraken en werkt goed samen met andere systemen. Hoe meer leveranciers zich kwalificeren, hoe groter de keuzevrijheid voor het onderwijs.’
Voor scholen betekent dat vooral minder gedoe achter de schermen. Producten met een Edu-V keurmerk voldoen aan belangrijke eisen voor privacy en informatiebeveiliging en gegevensuitwisseling gebeurt op een gestandaardiseerde manier. Dankzij Edu-V kunnen scholen hun digitale onderwijs goed regelen en houden ze de regie over de gegevens van hun leerlingen. Dat geeft rust, overzicht en meer tijd voor de kern van hun werk: goed onderwijs.
Ook voor leveranciers levert het afsprakenstelsel voordelen op. Door te werken met één gezamenlijke standaard hoeven zij niet telkens aparte koppelingen te bouwen voor verschillende systemen. Dat versnelt innovatie en verlaagt de drempel voor nieuwe aanbieders. Volgens betrokken partijen zorgt het Edu-V keurmerk bovendien voor een gelijker speelveld, waarin kwaliteit en betrouwbaarheid zwaarder wegen dan de grootte van een aanbieder.
Dankzij Edu-V kunnen scholen hun digitale onderwijs goed regelen en houden ze de regie over de gegevens van hun leerlingen
Dat merkt ook Berna Laumen van Stichting Quadraam, waar veertien middelbare scholen onder vallen in de regio Arnhem, de Liemers en Overbetuwe. Laumen is teamleider van het leermiddelenfonds. Zij ziet het Edu-V-keurmerk als een kans om orde te scheppen in een versnipperd landschap. ‘Het is belangrijk dat de data-uitwisseling efficiënter gaat. Want dat is in het onderwijs echt een probleem.’ Vanuit haar rol houdt zij zich bezig met het samenstellen van leermiddellijsten, het bestellen van leermiddelen en het verspreiden daarvan binnen de scholen van Quadraam. Juist daar merkt zij dagelijks hoe weinig uniformiteit er nu bestaat. ‘De data ten aanzien van leermiddelen worden niet op dezelfde manier door uitgevers weergegeven. De ene uitgever zet heel veel informatie in zijn titelveld, bijvoorbeeld over de editie. Dat is super relevant. Maar de ander doet het op een andere plek. Daardoor kun je leermiddelen lastig met elkaar vergelijken.’
Dat lijkt misschien een detail, maar in de praktijk heeft het grote gevolgen. Niet alleen titels worden verschillend aangeleverd, ook prijzen en bestelgegevens zijn lang niet altijd eenduidig opgebouwd. Daardoor kost iets eenvoudigs als vergelijken, inkopen of controleren veel meer tijd dan nodig is. ‘Bestellingen plaatsen, bijvoorbeeld. Ook daar wordt niet op dezelfde manier door de verschillende partijen gewerkt.
Dat is bijzonder inefficiënt.’ Volgens Laumen is de druk op scholen bovendien groter geworden. Waar distributeurs vroeger veel regelwerk uit handen namen, kopen scholen tegenwoordig vaker rechtstreeks in bij uitgevers. Dat heeft te maken met veranderde inkoopstrategieën. ‘Het betekent dat scholen het werk moeten doen dat eerder de distributeurs deden. Daar zijn ze gewoon niet op ingericht. Dat is niet hun core business.’
Laumen zit zelf in de werkgroep ‘Verwerven en in gebruik nemen’ van Edu-V. Daarnaast werkt het schoolbestuur aan de doorontwikkeling van een eigen leermiddelenapplicatie. ‘Daar implementeren we meteen al de Edu-V-standaarden. Zodat die applicatie daar nu al aan voldoet.’

Hedy van der Ende
Ze vindt het belangrijk dat scholen zelf aan tafel zitten wanneer standaarden worden ontwikkeld. Leveranciers en ICT-specialisten beschikken over veel technische kennis, maar zij kennen niet altijd de dagelijkse praktijk binnen scholen. Die inbreng moet vanuit het onderwijs zelf komen, weet Laumen. Ze wil scholen daarom oproepen een bijdrage te leveren.
Want ook het tempo van de ontwikkeling mag omhoog, vindt Laumen. ‘De behoefte aan duidelijke standaarden is groot. Als we het hogere doel voor ogen houden, dan moeten we samenwerken en sneller stappen zetten. Daarom staan we vierkant achter dit keurmerk en hopelijk gaan meer scholen ons voorbeeld volgen.’
Meer informatie Ga naar www.edu-v.org of scan de QR-code.

Voorlezen is meer dan een rustmoment. Het is een manier om verbinding te maken, gesprekken op gang te brengen en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar hoe zet je voorlezen bewust in als onderdeel van je onderwijs? Astrid Sy, historicus, schrijver, presentator en de nieuwe Kinderboekenambassadeur, ziet volop kansen voor de klas. Als voorzitter van de jury van De Nationale Voorleeswedstrijd wil ze laten zien wat lezen kinderen kan brengen: verwondering, verdieping en nieuwe kennis.
Tekst: Wiesette Haverkamp
Astrid noemt zichzelf in de eerste plaats kinderboekenschrijver, al bestrijkt haar werkterrein veel meer. Ze werkte voor musea, televisie, podcasts en jeugdprogramma’s, vaak vanuit haar fascinatie voor geschiedenis. Verhalen zijn voor haar het vertrekpunt. “Boeken zijn een manier om de wereld te leren kennen”, zegt ze. “Om alles wat het betekent om mens te zijn tot je te nemen op een manier die niet dwingt.”
Daarin ziet ze ook de kracht van kinderboeken. “Lezen is niet alleen nuttig als vaardigheid, maar vooral een opstap naar meer. Naar willen weten, willen begrijpen en willen onderzoeken. Een verhaal kan een vonkje zijn dat overslaat naar andere vakken en onderwerpen.” Astrid geeft een voorbeeld uit haar eigen gezin. Als ze met haar zoon leest over een familie die zonder elektriciteit leeft, ontstaat vanzelf de vraag hoe elektriciteit eigenlijk werkt en sinds wanneer die bestaat. Zo leidt een verhaal naar geschiedenis, techniek en natuurkunde. Die bredere blik wil ze als Kinderboekenambassadeur nadrukkelijk onder de aandacht brengen. “Nieuwsgierigheid creëren”, noemt ze het. Een boek kan het begin zijn van een gesprek, een museumbezoek of een vergelijking met een film. Zeker in het onderwijs liggen daar kansen. Verhalen maken onderwerpen tastbaar en persoonlijk.
Dat geldt volgens Astrid ook voor voorlezen. “Voorlezen is samen lezen”, zegt ze. “Het verbindt je met elkaar.” Die verbinding is voor haar een belangrijke reden om voorlezen serieus te nemen, óók in de klas. Waar kinderen zelfstandig lezend in hun eigen wereld verdwijnen, ontstaat bij voorlezen iets gezamenlijks. Je zit letterlijk op hetzelfde moment in hetzelfde verhaal. Daardoor kun je samen reageren, vragen stellen en betekenis geven.

Astrid ziet voorlezen ook als een moment van intimiteit en rust. Thuis, maar net zo goed op school. “Je creëert een veilige bubbel”, zegt ze. “Even bestaat er niks anders dan dat verhaal dat je samen leest.” In een tijd waarin kinderen veel prikkels krijgen en rust schaars is, vindt ze dat van grote waarde. Voorlezen helpt leerlingen even stil te vallen, te luisteren en zich te concentreren. Maar het opent ook de deur naar verdieping. Gesprekken over geloof, geschiedenis, rechtvaardigheid of techniek ontstaan vaak juist tijdens het samen lezen, merkt ze.
Voor oudere leerlingen is dat niet anders. Volgens Astrid is het een misvatting dat voorlezen alleen iets is voor jonge kinderen. “Eigenlijk gaat het gewoon om verhalen vertellen”, zegt ze. “Dat is zo oud als de mensheid. Het idee dat daar een leeftijd aan vastzit, slaat nergens op.” Ze wijst op podcasts, luisterboeken en hoorspelen: ook volwassenen luisteren graag naar verhalen. Het medium verschilt, maar de behoefte blijft dezelfde.
Dat maakt ook De Nationale Voorleeswedstrijd relevant, vindt ze. Natuurlijk is er een wedstrijdelement, maar voor haar zit de waarde vooral in alles wat daarvoor nodig is. Een leerling die voorleest, moet een tekst echt begrijpen. Wat staat er? Waar leg je de nadruk? Hoe verandert de betekenis van een zin als je de intonatie verschuift? Voorlezen raakt daarmee aan tekstbegrip, presentatievaardigheden en zelfvertrouwen. “Je bent het eigenlijk aan het voordragen, dan moet je echt snappen wat je vertelt.”

werken. Tegelijkertijd denkt ze dat er nog veel te winnen valt. “Eigenlijk zou je elke dag met kinderen moeten lezen.”
Voor leraren die twijfelen of denken dat ze niet goed genoeg kunnen voorlezen, heeft ze een geruststellende boodschap. Perfect hoeft het niet te zijn. “Kinderen zijn vergevingsgezind”, zegt ze. “Je moet gewoon beginnen. Kies een boek dat je zelf interessant vindt of dat past bij een thema in de klas. Lees rustig, laag in je stem en maak het niet te ingewikkeld. Een foutje is niet erg. Belangrijker is dat je het samen doet en er plezier in hebt.”
Dat is ook precies wat ze scholen wil meegeven die nog twijfelen over deelname aan De Nationale Voorleeswedstrijd. “Meedoen is een cadeau aan je leerlingen. Niet alleen vanwege de spanning en het plezier, maar omdat het een laagdrempelige manier is om lezen en voorlezen echt een plek te geven in de klas.” Wat hoopt ze uiteindelijk dat leerlingen meenemen van een voorlezende leraar? “Dat ze genieten”, zegt Astrid. “Dat die klepjes opengaan. Dat ze nieuwsgierig worden, vragen gaan stellen en zich gaan verhouden tot wat ze horen.” Want daar begint het volgens haar: bij een verhaal dat binnenkomt en iets in beweging zet.
Voorlezen werkt voor elke leeftijd
Een verhaal kan een vonkje zijn
dat overslaat naar andere vakken en onderwerpen
Dat wedstrijdelement helpt bovendien om lezen en voorlezen in het zonnetje te zetten. Scholen creëren er aandacht, enthousiasme en een gezamenlijk doel mee. “Een wedstrijd is gewoon een leuke, positieve en spannende manier om ergens aandacht voor te krijgen”, aldus Astrid. Ze vergelijkt het met jonge kinderen die zich ineens razendsnel aankleden zodra er een wedstrijdje van wordt gemaakt. Winst is leuk, maar niet het belangrijkst. Het gaat om de lol, de inzet en de ervaring van alle leerlingen die meedoen. Op scholen merkt ze dat voorlezen en vrij lezen de laatste jaren meer aandacht krijgen. Ze hoort van leeshoekjes, boekenclubs en initiatieven op pabo’s om aankomende leraren meer met kinderboeken te laten
Bij Stichting Lezen vind je kennis uit onderzoek én tips voor de praktijk.
Scan de QR-code voor bijvoorbeeld hoe herhaling, illustraties en vragen stellen begrip en woordenschat versterken
Of ontdek hoe je het komende schooljaar kunt meedoen aan de De Nationale Voorleeswedstrijd.
Scan de QR-code
Wil je meer weten?
Bezoek dan Lezen.nl , het kennisplatform van Stichting Lezen.

NiEUW: SameN boUWeN aan actief burgerschap! Dit jaar krijgt de kinderpostzegelactie een nieuw onderdeel: de Actieportemonnee. Iedere groep krijgt 150 euro om te besteden aan een lokaal zelfgekozen doel, om het verschil te maken voor kinderen in kwetsbare situaties.

wisT Je DaT... ...de kinderpostzegelactie veel minder tijd kost dan vroeger?
onTvang 150 euro om tE

De acTiEporTemoNnEe: Een eenvoudige manier om samen te bouwen aan actief burgerschap en dit toepasbaar te maken in jullie omgeving. Niet verplicht maar wel heel leerzaam!
DoEt joUW schooL ook mEe?
meEr wEtE E






In de stad, op het land, in de lucht en in het water, natuur is overal!
In ARTIS houden we van natuur in alle vormen; van het allerkleinste leven in ARTIS-Micropia tot het allergrootste in het ARTIS-Planetarium en al het leven daartussenin in ARTIS-Park.
PrimaOnderwijs & ARTIS



Werkblad: Water & leven
Via interactieve lessen met ARTIS-docenten, liveshows en werkbladen verwonderen leerlingen zich spelenderwijs over natuur. ARTIS biedt voor onderwijs een breed en gevarieerd aanbod dat naadloos aansluit bij de kerndoelen. Kom op educatief schoolreisje over natuur midden in het centrum van Amsterdam.
Vanaf 13 juni is het weer mogelijk: oog in oog met een zeekat, luipaardtrekkervis of anemoon. Het ARTIS-Aquarium is na een grondige restauratie weer open. In 2026 staan alle locaties van ARTIS in het teken van water, ook voor het onderwijs.

€6,50 per leerling incl. entree ARTIS Zonder water kunnen dieren, waaronder de mens, planten en microben niet overleven. Ontdek hoe water en leven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hoe wordt water in Nederland op een verantwoorde manier gebruikt, en wat je zelf kan doen!
Watermissie
€6,50 per leerling incl. entree ARTIS en het ARTIS-Aquarium
Bezoek het nieuwe ARTISAquarium met je klas met de watermissie. Gele koffervissen, oranje kwallen, roze koralen en zeekatten die van kleur veranderen: het leven onderwater is veel diverser dan je denkt. Met deze watermissie leerlingen leren hoe belangrijk water is voor al het leven op aarde.
Micromissie: zuurstof

€6,50 per leerling incl. entree ARTIS- Micropia
In het enige microbenmuseum ter wereld ontdek je onzichtbaar leven, de wereld van microben. Wist je dat niet alleen planten maar ook microben zuurstof produceren. Door puzzels te maken en opdrachten te doen, verzamelen leerlingen letters en kennis over zuurstof.
Bekijk het complete onderwijsaanbod op artis.nl/onderwijs

In een speellokaal kruipen kinderen door een mond naar binnen. Even later staan ze oog in oog met opdrachten over het lichaam. Elders in de school praten kleuters over het skelet en geven (hoog)begaafde leerlingen uit de Explora-klas mini-colleges aan jongere leerlingen. Wie op de brede school Het Anker in Wijk bij Duurstede rondloopt, ziet geen losse lessen naast elkaar, maar een school waarin kennis zich opbouwt en steeds terugkomt.
Tekst: Esmee Weerden
De school werkt al enkele jaren thematisch, met rijke teksten en een doordachte opbouw van groep 1 tot en met groep 8. Toen de nieuwe kerndoelen in beeld kwamen, voelde dat voor Jeanette Brinksma en Marjolein Vrauwdeunt als herkenning. “De nieuwe kerndoelen waren voor ons eigenlijk de bevestiging dat we de goede weg op waren gegaan.” Deze bieden namelijk meer samenhang binnen en tussen de leergebieden en concrete handvatten voor versteviging van de basisvaardigheden.
Een curriculum dat past bij de schoolpopulatie
De school koos heel bewust voor deze manier van werken. Met een brede populatie – van reguliere en hoogbegaafde leerlingen tot nieuwkomers en leerlingen uit het speciaal (basis)onderwijs – groeide de behoefte aan een aanpak die recht doet aan al die verschillen. “Een manier om alle kinderen eerlijke kansen te geven, is door vanaf dag één dezelfde kennis aan te bieden”, vertelt Jeanette.
Daarom werkt de school met diverse thema’s die per leerjaar verdiept worden en terugkeren. Vanuit de vraag wat leerlingen aan het eind van groep 8 moeten kennen en kunnen, wordt het onderwijs opgebouwd.
Schoolleider Jeanette bewaakt die lijn en houdt het gesprek daarover gaande. “We blijven steeds teruggaan naar de vraag: wat hebben deze kinderen nodig?” Die focus helpt om keuzes te maken en het onderwijs stapsgewijs aan te scherpen.
Binnen de thema’s wordt bewust gezocht naar samenhang. Jeanette en Marjolein spreken niet over afzonderlijke vakken die ergens in het rooster een plek moeten krijgen, maar over een leeromgeving waarin kennis en ervaringen op het gebied van taal, lezen, schrijven, burgerschap en digitale geletterdheid in elkaar grijpen.
Marjolein Vrauwdeunt, coördinator thematisch werken op Het Anker


Marjolein: “Neem als voorbeeld digitale geletterdheid. We willen het koppelen aan de wereld waarin leerlingen zich gaan bewegen. Denk hierbij aan het schrijven van een tekst: die werken ze dan ook uit in een programma als Word. Bij presentaties oefenen ze met PowerPoint. En wanneer ze bijvoorbeeld een trema leren schrijven, hoort daar ook bij hoe je die op het toetsenbord maakt. Tegelijk leren ze hoe je informatie opzoekt, hoe je bronnen beoordeelt en hoe je je online gedraagt. Wat doe je als iets niet klopt? Hoe ga je om met wat je tegenkomt? Zo groeit digitale geletterdheid mee met taal en kennis, binnen hetzelfde thema.”
Jeanette vult aan: “De methode blijft ondersteunend. Leerkrachten gebruiken wat nodig is en passen aan waar dat beter aansluit bij het doel. De nieuwe kerndoelen helpen daarbij om scherper te kijken: welke doelen zijn leidend en hoe vertalen we die naar de les?”
Investeren in professionalisering
Het Anker investeert bewust in professionalisering. Binnen de school werken specialisten die het thematisch werken ondersteunen, zoals een coördinator thematisch werken, rekenspecialist, taalspecialist, specialist hoogbegaafdheid, specialist nieuwkomers en coaches op close reading
De specialisten combineren hun rol met het werk in de klas, waardoor nieuwe ideeën direct worden uitgeprobeerd en bijgesteld. Marjolein speelt daarin
als coördinator thematisch werken een belangrijke rol. “We doen het echt samen”, zegt ze. “Je hebt mensen nodig die het voortouw nemen en collega’s die het gaan uitproberen.”
Kinderen staan ‘aan’
In de klassen is het effect zichtbaar. Leerlingen zijn actiever en meer betrokken bij de lessen. Ze bouwen kennis op die ze kunnen gebruiken in andere vakken en in nieuwe situaties. “Kinderen staan hier echt ‘aan’”, zegt Jeanette.
Een kennisbasis blijkt ook belangrijk voor andere vaardigheden. Begrijpend lezen krijgt meer diepgang wanneer leerlingen beschikken over voldoende achtergrondkennis.
Dat vertaalt zich ook in resultaten. Alle leerlingen behalen het 1F-niveau voor lezen en de scores op de doorstroomtoets zijn de afgelopen jaren boven het gemiddelde uitgekomen. Daarnaast merken ouders verschil. Leerlingen vertellen thuis enthousiast over wat ze leren en kunnen beter uitleggen waar ze mee bezig zijn.
Ondersteuning en samenwerking
De school kreeg ondersteuning vanuit het Masterplan basisvaardigheden. Daarmee kon het team investeren in materialen en expertise. “Niet alleen het geld, maar ook de begeleiding heeft ons echt geholpen”, zegt Marjolein. “Het was fijn om samen te werken en te denken over verbetering van het onderwijs op onze school.” Ook voor de curriculumvernieuwing op scholen zal het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) ondersteuning opzetten.
Onderwijscoördinator bij het ministerie van OCW Martine van Schaik was vanuit de subsidie Verbetering basisvaardigheden betrokken bij Het Anker.
“Wat deze school sterk doet, is dat zij goed kijken naar wat de leerlingen nodig hebben en dat meenemen in de opbouw van hun schooleigen curriculum. Ze zetten in op samenwerking en een professionele leercultuur in het team, waardoor ontwikkelingen breed gedragen worden. Ook onderzoekt het team met elkaar wat werkt.” Voor andere scholen is haar advies: “Begin bij de leerlingen: wat hebben zij nodig? Werk van daaruit met elkaar aan het curriculum van de school. De nieuwe kerndoelen geven richting, maar de vertaling gebeurt in de school.”

Martine van Schaik,
onderwijscoördinator bij het ministerie van OCW
Meer informatie:
Wil je ook aan de slag met het nieuwe curriculum? Kijk dan op www.masterplanbasisvaardigheden.nl/

Elke leerling rekensterk!
Maak rekenhiaten inzichtelijk met Bareka, oefen daarna gericht met Rekensprint.
Scan de QR-code en probeer Bareka en Rekensprint gratis uit!
Bareka Rekensprint






Driekwart (75%) van de kinderen in Nederland heeft met geweld te maken gehad. Dat blijkt uit onderzoek van het NOS Jeugdjournaal en De Kindertelefoon. Eén op de vijf kinderen is daarbij zelf slachtoffer van geweld.
Een groot deel van deze kinderen weet niet goed wat ze kunnen doen wanneer ze in een gewelddadige situatie terechtkomen.
Geweld komt het vaakst voor op het schoolplein, gevolgd door op straat. Daardoor voelen veel kinderen zich op die plekken onveilig. Geweld kan ook online plaatsvinden, bijvoorbeeld via bedreigingen, pesten of stalken. In het onderzoek geven vooral meisjes aan dit te hebben meegemaakt. Jongens krijgen vaker te maken met schoppen of slaan.
De Kindertelefoon
De vrijwilligers van De Kindertelefoon horen dagelijks hoe dichtbij geweld voor kinderen kan zijn. Vaak gaat het om ervaringen die niet altijd zichtbaar zijn: geweld dat genormaliseerd wordt, verwarrend voelt of verborgen blijft door loyaliteit en schaamte. Door écht te luisteren naar wat kinderen vertellen, ontstaat ruimte voor inzicht en erkenning. En soms ook voor een eerste stap richting hulp.
Tijdens de extra NOS Jeugdjournaaluitzending in de themaweek van Zapp Doorbreekt: Geweld, werd geweld bespreekbaar gemaakt voor kinderen. In hun taal, vanuit hun beleving en met aandacht voor wat zij nodig hebben om te begrijpen wat er gebeurt. Ook vertelde werkbegeleider Nathalie wat er gebeurt wanneer kinderen contact opnemen met De Kindertelefoon: een gesprek zonder oordeel, zonder druk en met respect
voor hun tempo. Het kind houdt zelf de regie, of het nu gaat om een volgende stap of alleen even gehoord worden. Scan de QR-code voor het uitgebreide item.
Ook Het Klokhuis en SchoolTV verwezen in speciale thema afleveringen over geweld naar De Kindertelefoon. Zo kregen kinderen via verschillende kanalen dezelfde boodschap te horen: je hoeft het niet alleen te dragen en je kunt met je verhaal bij iemand terecht.
Wanneer kinderen zichzelf herkennen in wat zij zien en horen in de media, gebeurt er iets wezenlijks. Ze ervaren erkenning. Er ontstaat ruimte om te denken: wat ik meemaak doet ertoe. Én er ontstaat ruimte om te voelen: ik mag hierover praten.
Over De Kindertelefoon




Al ruim 45 jaar is De Kindertelefoon er voor kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar. Goed opgeleide vrijwilligers voeren gemiddeld 900 gesprekken per dag via telefoon en chat. De gesprekken gaan over van alles, van verliefdheid tot verwaarlozing en dus ook over geweld. Het drukbezochte forum biedt jongeren vanaf 12 jaar een veilige online plek om elkaar te steunen. Chatten en bellen met De Kindertelefoon is gratis en anoniem en kan via 0800-0432 en kindertelefoon.nl


















Beeld gegenereerd met AI


De nieuwe kerndoelen voor rekenen-wiskunde zijn volgens hogeschooldocent en rekenspecialist Belinda Terlouw veel meer dan een actualisatie op papier. Ze bieden scholen de kans om doordacht met het rekenonderwijs aan de slag te gaan: minder dichtgetimmerd, meer samenhangend en met meer ruimte voor denkwerk van kinderen. “Geef ze de ruimte, wees nieuwsgierig en heb vertrouwen in hun ontwikkelkracht.”
Tekst: Wiesette Haverkamp
Belinda werkt 27 jaar bij Hogeschool KPZ en leidt leerkrachten op tot rekencoördinator. Daarnaast begeleidt ze scholen en ontwikkelde ze een eigen methodiek: Kijken naar Kinderen in de rekenles. Die aanpak sluit volgens haar naadloos aan bij wat de nieuwe kerndoelen vragen. “Leerkrachten doen ontzettend goed werk en verzorgen hun aanbod vaak prima”, zegt ze. “Maar heel gericht kijken naar wat kinderen precies laten zien in de rekenles en dat ook goed duiden, is soms lastig.”
Ze is blij met de nieuwe kerndoelen. De vorige versie stamde uit 2006. “De wereld is in twintig jaar enorm veranderd. Daarnaast waren de oude kerndoelen globaal en vrijblijvend.” De opbouw in drie samenhangende domeinen spreekt haar erg aan: wiskundige concepten, wiskundige denkwerkwijzen en wiskunde en de wereld. Vooral dat laatste noemt ze een grote winst. “Rekenen-wiskunde is veel meer dan regeltjes en procedures. Kinderen moeten ook leren hoe wiskunde werkt in de werkelijkheid om hen heen. Denk aan data, grafieken, verhoudingen en kritisch kijken naar informatie. Dat is óók burgerschap.”
De nieuwe kerndoelen doen volgens haar meer recht aan het vak. “Het is nu echt een vlechtwerk geworden. Geen losse lesjes, maar samenhang. Niet alleen:
kun je deze som uitrekenen? Maar ook: begrijp je wat hier gebeurt, kun je redeneren, kun je een probleem op verschillende manieren aanpakken?”
Gevangen
Nog vaak wordt rekenen gereduceerd tot het oefenen van voorgeschreven strategieën. Dat doet iets met kinderen. Belinda vertelt over een leerling die zij ooit interviewde. “Hij vertelde: ‘Wij zitten gevangen in ons rekenonderwijs en de boeken zijn onze bewakers. Pas als we alles goed hebben, laten ze ons weer vrij.’” Deze uitspraak is bijgebleven en beschrijft haar zorg: in veel klassen krijgen kinderen nog weinig ruimte om zelf na te denken. Er is een vaste aanpak, een vaste tussenstap, een juist antwoord. Andersdenkenden vallen vaak buiten de boot. Zelfs als hun antwoord klopt. “Denk aan een kind dat zegt dat 8 plus 7 vijftien is, maar het niet heeft berekend via de strategie van de vorige les. Dan krijgt het impliciet het signaal dat het niet goed is, terwijl dat kind het antwoord weet. Dat is zo’n keurslijf.”
Belinda ziet hoe kansengelijkheid soms in het geding komt. “We doen soms te snel aannames over wat kinderen wel of niet kunnen. Daarom ben ik geen voorstander van differentiëren aan de voorkant. Geef eerst iedereen de ruimte om te denken. Anders zie je kinderen over het hoofd die heel sterk zijn, maar anders denken.”
Dat is Belinda’s methodiek. “Bij kijken naar kinderen in de rekenles zet je tijdelijk de pedagogische bril af om de vakinhoudelijke bril op te zetten. Wat laat een kind zien? Welke denkstap maakt het? Waar zit een misconcept? Wat doet het leerkrachtgedrag met het denkwerk van leerlingen? Als je kinderen zelf laat denken en je bent in staat om te duiden wat je ziet, kun je deze vragen beantwoorden en het kind verder helpen.”
Om rekencoördinatoren hiermee op weg te helpen, gebruikt Belinda foto’s, filmfragmenten en praktijkvoorbeelden. Leerkrachten analyseren wat kinderen doen en reflecteren op hun eigen rol; rekencoördinatoren kijken mee met de leerkrachten en sporen blinde vlekken op. Belinda leidt ze hierin op en kijkt mee in het beeldmateriaal. Dat maakt professionele ontwikkeling duurzaam, vindt ze. “Ik geloof er niet in dat iemand van buiten moet komen vertellen: stap 1 doe je dit, stap 2 doe je dat. Dan wordt het niet van henzelf.”
Kranten en tape
Wat vragen de nieuwe kerndoelen van degenen voor de klas? Goede opdrachten. Rijke rekenvragen die open genoeg zijn om ieder kind te laten instappen, en uitdagend genoeg om door te denken. Ze noemt een voorbeeld uit groep 3 met NT2-leerlingen die nauwelijks spraken. De leerkracht liet foto’s zien van bekende

torens in Europa en zette vervolgens bakken met kranten en tape op tafel. De opdracht: bouw samen een toren, zo hoog en zo stevig mogelijk. “Even gebeurde er niets: ze keken alleen maar. Maar na vijf minuten was iedereen aan het bouwen, overleggen en uitproberen. Uiteindelijk stonden er zeven verschillende torens.” De kinderen kwamen los. “Ze struikelden over hun woorden, zó graag wilden ze vertellen wat ze hadden ontdekt. Kinderen kunnen dit dus, als je ze ruimte geeft.”
Bij kijken naar kinderen in de rekenles zet je tijdelijk de pedagogische bril af om de vakinhoudelijke bril op te zetten
Belinda vindt de basis voor een wiskundige attitude: nieuwsgierigheid, zelfvertrouwen en plezier in denken. “Ieder kind is nieuwsgierig. Geef een opdracht die uitnodigt tot onderzoeken, dan komen kinderen in beweging.”
Belinda raadt scholen af om te wachten op aangepaste methodes. Juist nu moeten teams zich afvragen: wat willen wij onze leerlingen meegeven en hoe willen wij dat vormgeven? Daarin ziet zij een sleutelrol voor de rekencoördinator. Niet als uitvoerder van nieuw beleid, maar als aanjager van professionele gesprekken. Wat doen we al? Wat nog niet? Welke kerndoelen vinden we spannend? Hoe maken we de les van morgen al een beetje kerndoelproof?
“Vertrouw op het vakmanschap van leerkrachten.
De nieuwe kerndoelen bieden perspectief, als we ze niet vertalen naar een nieuw dichtgetimmerd systeem. Kinderen hebben leerkrachten nodig die durven kijken, durven vragen en durven afwijken van het vaste spoor.
De kern van goed rekenonderwijs: niet voorzeggen hoe het moet, maar ruimte maken voor wat kinderen zelf denken.”




















































Horen, Zien en Schrijven is al jarenlang een vertrouwd fundament binnen het NT2-onderwijs. Door de duidelijke structuur, de stapsgewijze opbouw en de focus op functioneel taalgebruik sluiten de materialen nauw aan op de leerlijn van NT2-leerlingen.


Niveau 3 Vanaf nu beschikbaar!


















































Breng je klas naar het Van Gogh Museum en laat leerlingen het werk van Vincent van Gogh van dichtbij ervaren en kunst écht beleven. Kies voor een rondleiding, workshop of zelfstandig museumbezoek dat aansluit bij jouw klas.
PrimaOnderwijs & Van Gogh Museum
Wil je het bezoek verdiepen of voorbereiden? Maak gebruik van onze online lessen in de klas of kies voor een programma bij jullie op school. Zo haal je nóg meer uit het museumbezoek. Voor het basisonderwijs bieden wij de (theatrale) rondleidingen Camille & Kleur en Famille van Camille aan. Daarnaast kun je ook een rondleiding met of zonder workshop boeken.
Voor het voortgezet onderwijs bieden we programma’s rond thema’s als kunst, identiteit en mentaal welzijn, die aansluiten op onder meer CKV, burgerschap en mentoraat. Een bijzonder voorbeeld is Open Up met Vincent: een persoonlijk programma waarin leerlingen kijken, reflecteren en met elkaar in gesprek gaan over mentale gezondheid, expressie en beeldvorming. Plan op tijd jullie museumbezoek. Nu het aanbod live staat, kun je direct boeken voor 2026/2027.


Boek nu Scan de QR-code om je bezoek te boeken.









De definitieve conceptkerndoelen voor sport en bewegen zijn geformuleerd. Vrijwel iedereen is het erover eens dat beweging belangrijk is. Maar volgens orthopedisch chirurg Piet van Loon is er een verschil tussen véél bewegen en góed bewegen. En juist daar gaat het volgens hem steeds vaker mis.
Tekst: Wiesette Haverkamp
Piet werkte jarenlang als wervelkolomchirurg en onderzocht en behandelde kinderen met scoliose en andere rugproblemen. Wat opvalt: de klachten beginnen steeds jonger. “Ik kwam steeds vaker jonge mensen tegen met lelijke rug- en houdingsproblemen”, zegt hij. Daarom vraagt hij al jaren aandacht voor het zorgen voor een gezonde houding en lichamelijke ontwikkeling, ook in het onderwijs. In de nieuwe kerndoelen staan brede motorische ontwikkeling en variatie centraal. Piet mist daarin een belangrijk element: kennis over houding en de reden dat we steeds stijver worden.
Volgens Piet is de achteruitgang geleidelijk gegaan door onze leefstijl. Eerst kwam de televisie in de huiskamer, daarna de auto in vrijwel elk gezin, de computer, de games en uiteindelijk de smartphone. Vooral die laatste heeft veel veranderd: “De smartphone is de kei die de emmer heeft doen overlopen.” Dat ziet hij terug in de houding van kinderen en jongeren. Schouders hangen vaker naar voren, het hoofd komt voor het lichaam te staan en ze lopen stijver en minder soepel. Ook klachten nemen toe:
pijn in de onderrug, nekklachten en sneller vermoeid zijn. “Als je je spieren niet gebruikt, ben je sneller moe. If you don’t use it, you lose it.” Daarbij gaat het niet alleen om te weinig bewegen, maar ook om langdurig verkeerd zitten. Kinderen zitten veel op school, thuis op de bank en tussendoor vaak ook nog achter een scherm. Daardoor ontwikkelen spieren, gewrichten en houding zich minder gunstig.
Het lichaam is geen bijzaak
Van Loon vindt dat scholen het lichaam serieuzer mogen nemen als onderdeel van ontwikkeling. “Lekker in je vel zitten begint met lekker in je lichaam zitten.”
Onderwijs is vaak sterk gericht op cognitieve ontwikkeling, terwijl lichamelijke ontwikkeling een belangrijke voorwaarde is om goed te kunnen functioneren op alle fronten. “We geven nu vooral neurocognitief onderwijs, maar dat hoort gelijk op te gaan met goed lichamelijk onderwijs.”
Dat betekent niet dat scholen ineens medisch moeten gaan denken. Wel dat zij bewuster mogen kijken naar hoe kinderen zitten, bewegen en hun lichaam gebruiken. “Op scholen wordt vooral gefocust op sport. Maar er zit een groot verschil tussen sport en gymnastiek.
Sport is waardevol, maar gymnastiek had van oorsprong ook een opvoedkundig doel: het lichaam evenwichtig ontwikkelen.”
Vroegere gymdocenten keken volgens hem niet alleen of een kind enthousiast meedeed, maar ook of het soepel bewoog, kracht opbouwde en alle spiergroepen gebruikte. Klimmen, hangen, zwaaien en klauteren waren daarin belangrijk. Niet als losse onderdelen, maar als basis voor een gezond bewegingsapparaat. Juist daar ziet hij kansen in de nieuwe kerndoelen. Onderdelen als balanceren, klimmen, springen, zwaaien en bewegen op muziek kunnen veel bijdragen aan een goede ontwikkeling. Mits leraren weten waar ze op kunnen of moeten letten.
Kleine ingrepen, groot verschil
Verder zijn er veel kleine, praktische aanpassingen die direct toepasbaar zijn op school. Zo pleit hij voor korte onderbrekingen tijdens de lesdag. Even gaan staan, knieën hoog optillen, op tenen en hakken wippen, strekken of molenwieken: simpele bewegingen die weinig tijd kosten en kinderen letterlijk in beweging brengen. Ook zingen ziet hij als een waardevol beweegmoment. “Met zingen sta je vanzelf rechtop en breng je je schouders naar achteren door diep in te ademen.” Zijn advies aan basisscholen is daarom: zing staand.
Ook in de gymzaal is winst te behalen. Niet te snel alleen teamspelen aanbieden, maar eerst zorgen voor een brede basis met rekken, strekken, klimmen, klauteren, draaien en balanceren. En met elkaar oefenen en kracht zetten. Dat helpt alle kinderen, maar vooral degenen die al motorisch minder sterk zijn. Zij haken nu volgens hem vaak als eersten af, juist omdat sportvormen snel draaien om het presteren en vergelijken.
Ook de stoel doet ertoe
Van Loon pleit niet alleen voor méér bewegen, maar ook voor anders zitten. Actief zitten noemt hij belangrijk: zitten op een manier die beweging en een rechtere houding ondersteunt. “Als jij je voeten onder je zitvlak kunt brengen, ga je bijna automatisch rechterop zitten.” Nodigen stoelen in de klas uit tot actief zitten, of juist tot onderuitzakken? Het is zinvol om daar kritisch naar te kijken. Het was niet voor niets dat artsen de kinderen op schoolbanken gingen zetten! Een ergonomische oplossing, die we weggedaan hebben.
Voor leraren die zich afvragen hoe zij houdingsproblemen kunnen signaleren, noemt Van Loon een eenvoudige observatie: de finger-floor test. Daarbij kijk je of een kind met gestrekte benen en een relatief rechte rug met de vingers bij de grond kan komen.
Dat zegt iets over soepelheid en stijfheid. Ook de rugvorm tijdens het vooroverbuigen kan veel verraden. Zo’n test is geen diagnose, maar het kan wel helpen om scherper te kijken. Juist dat kijken naar het lichaam van kinderen is volgens Van Loon in de loop der jaren minder vanzelfsprekend geworden.
De nieuwe kerndoelen sport en bewegen bieden scholen de kans om opnieuw te doordenken wat lichamelijke ontwikkeling vraagt, ook qua kennis over houding, variatie en opbouw. Piet vat samen: “Het spelenderwijs ontwikkelen van een gezond lichaam levert ook spelenderwijs een gezond brein en een gezond verstand op.” Kinderen hebben volwassenen nodig die dat zien, begeleiden en er bewust ruimte voor maken.


Video
Op zoek naar een explainer van Gen Z voor Gen Z? Piet werkte aan eentje mee:































Op geldlessen.nl vind je alles voor e ectieve nanciële educatie in de klas, trainingen voor docenten, verdiepende kennissessies en bovenal: heel veel lesmaterialen over omgaan met geld voor het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo.
initiatief van


omgaan met geld in de klas geldlessen.nl
















Column
De onderwijswereld van Esther van der Knaap onderwijswereld-po.nl


Met de komst van nieuwe kerndoelen ligt een oude reflex op de loer: we gaan de kerndoelen vertalen naar een nieuw systeem, herschrijven naar leerlijnen, wellicht naar een nieuwe methode, een nieuw dichtgetimmerd schema. Begrijpelijk, maar precies de verkeerde beweging. Want de kerndoelen geven juist zoveel ruimte om onderwijs te ontwerpen dat past. Bij de school, bij de kerndoelen en bovenal: bij de leerlingen.
Vanuit de kerndoelen worden er leerlijnen uitgewerkt. Heel handig, want die geven ons (meer) inzicht in het pad dat bewandeld zou kunnen worden. Zou. Kunnen. Worden… Leerlijnen zijn namelijk geen keurslijf. Ze geven een kader, een kompas. Ze geven aan wat leerlingen moeten kennen en kunnen, maar laten bewust open hoe je daar komt.
Dat is geen gebrek aan duidelijkheid, maar een uitnodiging tot professioneel handelen.
Toch zie ik het vaak gebeuren. Scholen zoeken houvast en grijpen naar uitgewerkte leerlijnen alsof het voorschriften zijn.
Ze willen zekerheid: als we dit volgen, doen we het goed.
Maar die zekerheid is schijn. Wie een leerlijn één-op-één overneemt, ruilt ruimte in voor routine.
De bedoeling is juist dat scholen zelf keuzes maken.
Dat ze kijken naar hun leerlingen, hun team, hun visie.
Dat ze bepalen: wat vinden wij belangrijk, waar leggen wij accenten, hoe bouwen wij dit op? Leerlijnen kunnen daarbij helpen, maar alleen als voorbeeld. Niet als blauwdruk.
Dat vraagt iets anders van scholen. Minder volgen, meer ontwerpen. Minder uitvoeren, meer doordenken. Het betekent dat teams samen moeten bepalen wat kwaliteit is, in plaats van dat ze die uitbesteden aan een methode of schema.
Dat is lastiger. Het kost tijd, gesprek en soms ook ongemak.
Maar het is ook de enige manier waarop kerndoelen gaan leven in de praktijk. Zet de nieuwe kerndoelen en de uit te werken leerlijnen komend schooljaar dus op de agenda: structureel. Om te kijken op welke manier ze voor jullie school passend worden.
Wie de kerndoelen behandelt als een afvinklijst, mist de kern. Wie ze gebruikt als richting, creëert ruimte voor onderwijs dat past. En precies daar zit de bedoeling. Op naar een mooi nieuw schooljaar!
Maar voor nu wens ik jullie eerst een heerlijk zonnige zomervakantie toe!
Esther van der Knaap

De tienertijd is een periode van kansen en mogelijkheden, aldus Jelle Jolles, emeritus hoogleraar neuropsychologie. Leraren en ouders hebben echter verwachtingen die tieners nog niet kunnen waarmaken. Leerlingen in deze leeftijdsgroep zijn nog volop bezig met het ontwikkelen van de basisvaardigheden die essentieel zijn voor hun leren en functioneren. Tieners en hun brein zijn nog letterlijk ‘werk in uitvoering’. Dat vraagt om een andere houding van volwassenen: minder verwachten wat er nog niet is, en meer gericht steun, sturing en inspiratie bieden.
Tekst: Jelle Jolles, m.m.v. Brigitte Bloem
Autonomie, zelfregie en eigenaarschap zijn kernbegrippen in veel schoolbeleidsplannen. Maar hoeveel verantwoordelijkheid kunnen leerlingen daadwerkelijk aan?
Is een brugklasser in staat om zijn leerproces te organiseren, en kan een vijftienjarige de gevolgen van zijn keuzes overzien?
Leerlingen kunnen veel, maar nog lang niet alles
Veel tieners hebben moeite met het stellen van prioriteiten en het onderscheiden van belangrijke en minder relevante informatie. Ook het overzien van consequenties en het maken van weloverwogen keuzes ontwikkelt zich nog, vaak tot ver na de middelbare school. Toch doen we in het onderwijs alsof leerlingen al begrijpen wat ze moeten leren, en hoe ze dat moeten aanpakken. Maar hoe maak je goede keuzes als je de alternatieven niet kent? Hoe neem je verantwoordelijkheid voor een leerproces waarvan je het doel niet overziet?
Leerlingen hebben doorgaans nog geen realistisch beeld van de samenleving en hun eigen toekomst. Ze onderschatten het belang van kennis en ervaren weinig eigenaarschap over hun leren. Sommigen overschatten zichzelf, anderen onderpresteren of ervaren stress, en velen ontwikkelen een negatieve attitude jegens school en leren. Dat komt niet door onwil, maar doordat zelfinzicht en levenservaring nog in ontwikkeling zijn. Jongeren zijn nog bezig met het opdoen van ervaringen die nodig zijn om zicht te krijgen op zichzelf, op anderen en op de complexe wereld waar we in leven.
Tieners onderschatten het belang van kennis en ervaren weinig eigenaarschap over hun leren
De rol van de leraar is de afgelopen jaren verschoven van kennisoverdrager naar coach. Dat is in de praktijk niet altijd effectief. Coachen werkt immers alleen als leerlingen beschikken over voldoende kennis, vaardigheden en overzicht – en juist dat ontbreekt vaak. Voordat leerlingen kunnen reflecteren op hun leerproces, moeten ze eerst beschikken over basiskennis en een beeld hebben van mogelijkheden en alternatieven, inclusief de voor- en nadelen daarvan.
Onderwijs draait niet om wat de leraar aanbiedt, maar om wat de leerling oppakt. Daarom is een verschuiving nodig ‘van teaching naar learning’. Leren ontstaat niet vanzelf: leerlingen moeten zich een voorstelling kunnen maken van de te verwerven kennis, en begrijpen wat de essentie ervan is en waar die toe dient. Dat vraagt om expliciete aandacht voor het waaróm van leren: wat betekent deze kennis en wat kun je ermee? In elke les is het van belang om dit zichtbaar te maken.
De leraar moet zien wat een
individuele leerling al kan, maar ook wat nog ontbreekt, en daarop inspelen
daarop inspelen. Aandacht en betrokkenheid maken daarbij een groot verschil. Leerlingen die zich gezien voelen durven meer, leren actiever en ontwikkelen zich beter. Zij voelen ruimte om te proberen, te falen en opnieuw te beginnen. Door te praten, vragen te stellen en te benoemen wat er gebeurt, help je leerlingen hun denken te ordenen. Taal speelt daarin een cruciale rol: het is het voertuig van het denken.
De overtuiging dat leerlingen zelf de regie moeten voeren over hun leerproces heeft veel aanhangers. Daarom vraagt het moed om te erkennen dat we het belang van zelfstandigheid hebben overschat. Autonomie, regie en eigenaarschap zijn belangrijk, maar vooral als ontwikkeldoel: iets wat bereikt wordt in de jonge volwassenheid. Zolang we verwachten dat leerlingen al zelfstandig kunnen wat ze nog moeten leren, blijven we hen tekortdoen. Het leerproces blijft dan oppervlakkig en de studiemotivatie kwetsbaar. Juist hier ligt een belangrijke opdracht voor de leraar; niet als begeleider op afstand, maar als professional die actief steun, sturing en inspiratie biedt. Dat betekent niet dat de leraar alles bepaalt, maar wel dat hij richting geeft, uitdaagt en duidelijk maakt wat nodig is. Niet om controle te houden, maar om leerlingen daadwerkelijk verder te brengen in hun ontwikkeling.
De leraar helpt door opties te tonen, structuur aan te brengen en leerlingen te laten nadenken over de consequenties van keuzes. Kennis en vaardigheden moeten expliciet worden aangeboden, ingeoefend en toegepast. Door gebruik te maken van voorbeelden, verhalen en gesprekken krijgt leerstof betekenis en wordt deze beter verankerd. Leren vraagt om gerichte begeleiding.
Pedagogisch vakmanschap
Ons onderwijs richt zich sterk op cognitieve vaardigheden en rationeel denken, zoals analyseren en begrijpen. Daarnaast zijn sociaal-emotionele en neuropsychologische vaardigheden essentieel voor het functioneren van leerlingen. Hoe werk je samen? Hoe ga je om met frustratie? Hoe bied je weerstand aan groepsdruk? Deze vaardigheden beïnvloeden in hoge mate het leerrendement, maar krijgen in de praktijk nog relatief weinig expliciete aandacht. Dat vraagt om pedagogisch vakmanschap. De leraar moet zien wat een individuele leerling al kan, maar ook wat nog ontbreekt, en
Jelle Jolles is publicist en emeritus hoogleraar neuropsychologie, gespecialiseerd in leren, geheugen, ontplooiing en het brein. Zijn jongste boek ‘Het tienerbrein, een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders’ (november 2025) biedt onderwijsprofessionals en andere volwassenen praktische handvatten. Deze zijn onder meer uitgewerkt in zes rollen die leraren en ouders (kunnen) vervullen: manager, supporter, coach, inspirator, mentor en adviseur.





PrimaOnderwijs mag drie exemplaren van het boek weggeven. Scan de QR-code om mee te doen.
Sommige boeken verdienen het om keer op keer herlezen te worden. Ze inspireren, geven heldere antwoorden en helpen je verder in je professionele ontwikkeling. Voor leerkrachten die willen groeien, zijn onze zorgvuldig geselecteerde toptitels een onmisbare bron van kennis en praktijk. Of je nu een startende leraar bent of een doorgewinterde professional, er is altijd een boek dat aansluit bij jouw vragen en ambities.


Breinkracht
Duik in de fascinerende wereld van het brein en ontdek krachtige strategieën die je direct kunt toepassen in de klas.

Bouwen aan onthouden

Leer hoe je met vier concrete instructietechnieken het leren en onthouden van je leerlingen duurzaam versterkt.


Leer gedrag begrijpen
Druk, teruggetrokken, moeite met contact: gedrag is een signaal van het kind. In Gedrag is een vak/gedrag is een signaal ontdek je hoe je deze signalen kunt herkennen. Hoe ga je daar vervolgens mee om in de groep? Hier krijg je concrete handvatten voor.

Teach Like a Champion 3.0

Deze must-read biedt vernieuwde technieken die direct toepasbaar zijn in het Nederlandse onderwijs, ondersteund door online beeldmateriaal.
Elk van deze boeken is een bron van inspiratie en een praktische gids om jouw onderwijspraktijk te verrijken. Ontdek
























Hoe leg je uit hoe besluitvorming werkt in Nederland? En hoe zorg je dat leerlingen niet alleen begrijpen wat democratie is, maar ook ervaren wat het betekent?


De Derde Kamer is ontwikkeld door de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, in samenwerking met ProDemos. Het vernieuwde lespakket ondersteunt leerkrachten om democratie en rechtsstaat op een toegankelijke en betekenisvolle manier in de klas te behandelen, met lesmateriaal dat aansluit bij de belevingswereld van leerlingen en ruimte biedt voor gesprek, re ectie en eigen inbreng. Nu óók voor groep 5 en 6!
Over het lespakket
Het compleet vernieuwde lespakket bestaat uit twee programma’s van elk ongeveer vier uur. Elk programma is afgestemd op een speci eke lee ijdsgroep. Het materiaal wordt geleverd in het bekende lesko ertje, waarmee je direct in de klas aan de slag kunt.
Interactief, herkenbaar en actueel
In de interactieve lessen spelen korte video’s en animaties een belangrijke rol. Max, Sita, Tijn en het roodborstje Robin nemen leerlingen mee in herkenbare situaties.
Het lesmateriaal is volledig vernieuwd, met een eigentijdse stijl én gespeeld door kinderen waardoor het dichtbij voelt en aansluit bij hun belevingswereld.

Nu ook voor groep 5 en 6

In groep 5 en 6 maken leerlingen kennis met democratische basiswaarden en de Grondwet.
In groep 7 en 8 verdiepen ze zich in de werking van de parlementaire democratie. Ook ontdekken ze hoe zij zelf invloed kunnen uitoefenen – zelfs onder de 18 jaar.

Leerlingen gaan niet alleen kijken en luisteren, maar vooral zelf aan de slag. Met activerende opdrachten en gesprekken in de klas werken ze aan thema’s zoals:
• de Grondwet
• vrijheid, gelijkheid en solidariteit
• verkiezingen en media
• invloed uitoefenen






Bestel je gratis lesko ertje voor volgende schooljaar via: derdekamer.nl . Let op: het pakket wordt na de zomer geleverd.
















Na schooltijd blijven ze hangen. Op straat, bij een jongerencentrum, soms nog even op het schoolplein. Kinderen en jongeren die liever nog ergens anders zijn dan thuis, laten iets zien van de wereld waarin ze opgroeien.
Tekst: Esmee Weerden
In Arnhem-Oost kijken ze juist naar dit soort momenten. Wat maakt dat een kind liever buiten blijft? Wat zegt dat over de omgeving waarin het opgroeit? Daar begint de Pedagogische Wijk. Geen programma met een einddatum, maar een beweging die uitgaat van een ander vertrekpunt: opgroeien gebeurt in samenhang.
‘Een kind is niet alleen van zijn ouders’ Kinderen groeien op tussen mensen. Thuis, op school en in de wijk. Wat ze daar meemaken, werkt door in hoe ze leren, zich gedragen en naar zichzelf kijken. Burgemeester Ahmed Marcouch, tevens voorzitter van het Nationaal Programma Arnhem-Oost, herkent dat vanuit zijn eigen jeugd. In de buurt waar hij opgroeide, hield opvoeden niet op bij de voordeur. Een leraar sprak je ook buiten school aan. Buren keken mee. Volwassenen voelden zich betrokken. “De mensen met wie je omgaat, vormen je”, zegt hij.
In veel stedelijke wijken zijn die werelden uit elkaar gegroeid. Thuis, school en straat functioneren langs elkaar op. Dat heeft gevolgen voor kinderen en jongeren. In Arnhem-Oost proberen ze die werelden opnieuw met elkaar te verbinden. Burgemeester Marcouch: “Een kind is niet alleen van zijn ouders.
Een kind is niet alleen van zijn ouders. We zijn ergens kwijtgeraakt dat we samen verantwoordelijk zijn voor hoe kinderen opgroeien

We zijn ergens kwijtgeraakt dat we samen verantwoordelijk zijn voor hoe kinderen opgroeien.”
Kijken naar de context
De Pedagogische Wijk vertrekt vanuit de omgeving van het kind en de jongere. Ouders, verzorgers, scholen, jongerenwerk, zorg en veiligheid vormen samen het netwerk waarin ze opgroeien. Als je er op die manier naar kijkt, dan verandert hoe situaties worden geduid. Gedrag krijgt betekenis wanneer je de context kent. De burgemeester noemt jongens van twaalf of dertien jaar oud die met cocaïnebolletjes op straat worden aangetroffen. “Die jongens doen dat niet alleen uit bravoure. Ze zeggen: mijn moeder heeft schulden. Als ik een paar weken deal, kan ik dat oplossen.”
Zo’n verhaal laat zien wat er onder gedrag ligt. Het vraagt om een reactie die verder kijkt dan het moment zelf. Ook Monaïm Benrida, directeur van het Nationaal Programma Arnhem-Oost, ziet hoe belangrijk dat perspectief is. In Arnhem-Oost ontstond ruimte om anders te werken. “We hebben een plek gecreëerd tussen de instituties”, zegt hij. “Een ruimte waar mensen elkaar ontmoeten en initiatief nemen.”
Meer ademruimte
Die beweging laat zich zien in kleine, concrete situaties. Moeders die elkaar ondersteunen. Inwoners die activiteiten opzetten voor kinderen. Jongeren die leren spreken, debatteren en hun mening onder woorden brengen. Voor gezinnen betekent dat vaak iets praktisch. Kinderen doen mee aan activiteiten of blijven langer op school. Voor ouders ontstaat daardoor ruimte om stappen te zetten. Monaïm ziet wat dat doet: “Een kind dat extra uren op school zit of meedoet aan een initiatief in de wijk, krijgt meer kansen om zich te ontwikkelen. Voor een ouder kan dat net genoeg ademruimte geven.” Wat begint als iets kleins, werkt door op meerdere plekken tegelijk.
Veiligheid als basis
Een kind ontwikkelt zich wanneer de omgeving veiligheid biedt. Dat begint vroeg, in de eerste levensjaren, en loopt door in de schooltijd en de adolescentie. De Pedagogische Wijk kijkt daarom naar het hele ontwikkelpad van kinderen en jongeren. Van de periode vóór de geboorte tot het moment waarop zij zelfstandig hun weg vinden. In elke fase spelen andere vragen. Hechting, leren, identiteit en toekomstperspectief bouwen op elkaar voort. Wat eerder gebeurt, werkt later door. Die lange lijn helpt om eerder te zien waar iets vastloopt en om ondersteuning beter te laten aansluiten.


De resultaten van de aanpak laten zich nog niet volledig vangen in harde conclusies, aldus burgemeester Marcouch en Monaïm. Maar langzaam krijgen de wijken in Arnhem-Oost meer lucht. “Meer kinderen en jongeren doen mee aan activiteiten. Nieuwe vaardigheden worden zichtbaar. Het vertrouwen onder inwoners groeit.” Ook bij professionals verandert er iets. Zij krijgen meer ruimte om aan te sluiten bij wat er nodig is in het dagelijks leven van gezinnen. “Mensen ervaren meer werkplezier omdat ze het gevoel hebben dat ze echt verschil kunnen maken”, aldus Monaïm.
de instituties. Een ruimte waar mensen elkaar ontmoeten en initiatief nemen




Wat in Arnhem-Oost gebeurt, laat zien wat er ontstaat wanneer een wijk zich actief rond opgroeien organiseert. Verbindingen versterken, samenhang aanbrengen en verantwoordelijkheid delen krijgen daar concreet vorm.
De Pedagogische Wijk is een beweging die zich blijft ontwikkelen. In het magazine over de Pedagogische Wijk wordt zichtbaar hoe deze aanpak in de praktijk vorm krijgt, met verhalen van kinderen, ouders en professionals.
Vraag het magazine aan en ontdek hoe Arnhem-Oost werkt aan een omgeving waarin opgroeien weer een gezamenlijke verantwoordelijkheid is.

‘Monitoren en evalueren betekent ook anders kijken naar toetsen’

Toetsen bepalen in sterke mate wat er in de klas gebeurt. Wat gemeten wordt, krijgt aandacht. En wat buiten beeld blijft, verdwijnt. Dat ziet ook Karen Heij. Zij volgt al jaren de ontwikkeling van het leesonderwijs, zowel als taalkundige als toetsdeskundige. In 2021 promoveerde zij op de rol van de eindtoets in het basisonderwijs. Vanuit die ervaring maakt zij zich zorgen: door de dominante rol van toetsen komt breed, inhoudelijk leesonderwijs steeds verder onder druk te staan.
“In leestoetsen draait het vooral om vergelijkbaarheid,” zegt Heij. “Leerlingen moeten onderling te rangschikken zijn. Daardoor zijn vragen met één juist antwoord de norm geworden.”
Terwijl lezen juist iets anders vraagt: zoeken naar betekenis, interpreteren, twijfelen. Dat proces laat zich niet vangen in goed of fout. “Lezen leer je door goed leesonderwijs,” zegt ze. “Niet door steeds smaller te toetsen.”
Kritisch kijken naar wat lezen vraagt
Samen met Elisabeth Langeveld wil Karen Heij scholen helpen om kritischer te kijken naar hun eigen leesonderwijs. Niet door meteen te meten, maar door eerst andere vragen te stellen: Wat bieden wij leerlingen aan? Hoe rijk zijn onze teksten en toetsen? Hoe voeren we gesprekken over wat we lezen?
Scholen die zichzelf dit soort vragen stellen, krijgen beter zicht op wat leerlingen nodig hebben. Op de website lezeninhetpo.nl van Stichting Lezen en SLO,
vinden zij hiervoor handvatten bij de bouwsteen ‘Monitoren en evalueren’, één van de acht bouwstenen voor effectief leesonderwijs. “Monitoren en evalueren betekent ook anders kijken naar toetsen,” zegt Heij. “Niet als startpunt, maar als één van de onderdelen.”
Dat betekent ook anders kijken naar toetsen. Op de website worden de voor- en nadelen van veelgebruikte leestoetsen helder uitgelegd, zodat scholen beter kunnen bepalen wat ze wel en niet uit de resultaten kunnen aflezen. Tegelijkertijd laat de bouwsteen zien hoe je breder kunt kijken naar leesontwikkeling, passend bij een thematische aanpak van onderwijs. “Toetsen geven een beperkt beeld. Als je wilt weten hoe het echt gaat met lezen, moet je ook kijken naar het aanbod en naar wat leerlingen doen met teksten.”
Goed leesonderwijs begint volgens Karen bij rijke, authentieke teksten. “Geen versimpelde fragmenten, maar teksten die betekenis hebben voor leerlingen. Verhalen, informatieve teksten, maar ook poëzie.” Die teksten vormen de basis voor gesprekken. Leerlingen leren hardop denken, vragen stellen en verbanden
leggen. “Lezen is bij uitstek iets wat je samen doet. Je onderzoekt een tekst. Je vraagt je af wat er staat. Je toetst je eigen begrip.”
Ook het handelen van de leerkracht is van groot belang. Hardop denken, voordoen, twijfels benoemen. “Laat zien hoe je zelf een tekst aanpakt. Wat doe je met een woord dat je niet kent? Hoe pak je een moeilijke zin aan? Dat helpt leerlingen om hun eigen leesproces te ontwikkelen.”
Kennis van de wereld
Daarbij speelt kennis van de wereld een grote rol. Hoe meer een leerling weet, hoe beter hij teksten begrijpt. “Leesvaardigheid is sterk verbonden met kennis. Daarom is het zo belangrijk dat leerlingen veel leren over de wereld.” In de praktijk gebeurt vaak het tegenovergestelde. Leerlingen die laag scoren op toetsen krijgen extra leesondersteuning buiten de klas, juist tijdens vakken als geschiedenis en aardrijkskunde. “Dan moeten ze op de gang oefenen. Maar die vakken voeden het lezen. Dus die moeten ze juist wél volgen.”
Er zijn scholen die deze aanpak al toepassen. Karen noemt het bekende voorbeeld van de Alan Turingschool in Amsterdam. “Daar wordt sterk taalonderwijs gegeven. Leerlingen lezen rijke teksten, voeren gesprekken en bouwen kennis op. Ze ontwikkelen zich zichtbaar als lezers.” Tegelijkertijd lopen deze scholen aan tegen het huidige toetssysteem. “De toets meet iets anders. Daarom voeren veel scholen een dubbel beleid. Ze geven goed onderwijs en trainen daarnaast voor de toets.”
In Arnhem ziet ze vergelijkbare voorbeelden, zoals basisschool Het Mozaïek. “Daar zie je hoe kennisopbouw en taalontwikkeling samenkomen. Leerlingen debatteren, lezen, schrijven en praten. Dat zijn krachtige leeromgevingen.”
Hoe vergroot je kennis over effectief leesonderwijs?
Op lezeninhetpo.nl staan meer voorbeelden om scholen te ondersteunen die deze kant op willen bewegen. Daarnaast biedt de website handvatten en denkkaders om leesonderwijs én de evaluatie daarvan sterker neer te zetten. “We zeggen niet dat toetsen moeten verdwijnen. Maar we willen wel dat scholen kritisch kijken. Wat zegt een toets wel en wat zegt die niet? En wat heb je daarnaast nodig om zicht te krijgen op leesontwikkeling?”
De kennis is er, benadrukt ze. “We weten al jaren hoe goed leesonderwijs eruitziet. Daar is veel onderzoek naar gedaan en er zijn veel boeken over geschreven. We moeten het alleen weer in de praktijk gaan bren -

gen.” De uitdaging zit in de manier waarop het systeem is ingericht. “We zijn kwaliteit gaan koppelen aan cijfers. Daardoor is het zicht op wat echt belangrijk is, naar de achtergrond verdwenen.”
Karen hoopt dat ook de Onderwijsinspectie met deze inzichten aan de slag gaat, zodat leesonderwijs niet gericht is op het leren geven van het juiste antwoord op een meerkeuzevraag. “Gelukkig zijn er scholen die dit zelf al oppakken en de oplossing ligt dichtbij”, zegt ze. “We moeten weer durven kijken naar wat er in de klas gebeurt, de blik verbreden en het gesprek openen. Lezen opent een wereld. Die moeten we weer laten zien.”


In de aanloop naar Wereldschoolmelkdag op 23 september a.s. kun je meedoen aan de landelijke ontwerpwedstrijd voor basisschoolleerlingen. Drink een lekker glas melk, laat je fantasie de vrije loop en ontwerp jouw eigen LEGO®-puzzel! Van de winnende ontwerpen wordt een echte puzzel van LEGO-blokjes ontworpen. Zo kun je jouw ontwerp steeds weer opnieuw bouwen!
De hoofdprijs?
Zo doe je mee
• Download het sjabloon op www.wereldschoolmelkdag.nl en maak jouw ontwerp
• Lever je ontwerp t/m 22 september digitaal in via de website
Wat kun je winnen?
In drie leeftijdscategorieën (4 t/m 6 jaar, 7 t/m 8 jaar en 9 t/m 11 jaar) worden per groep vijf winnaars gekozen. De winnaars ontvangen hun eigen ontworpen LEGO®-puzzel.
Eén creatieve topper wint een uitstapje met de hele klas naar LEGO® Discovery Centre in Scheveningen!
Download nu het sjabloon via de QR-code en doe mee! Doe dit t/m 22 september.




In jullie school spelen eetmomenten een grote rol. Van traktaties en het paasontbijt tot pepernoten bakken en schoolreisjes: waardevolle, gezellige momenten. Voor kinderen met coeliakie zijn dit ook situaties waarin het mis kan gaan. Zij worden ziek als ze gluten binnenkrijgen. Een kruimel kan al klachten veroorzaken zoals buikpijn, vermoeidheid en hoofdpijn.
PrimaOnderwijs & Nederlandse Coeliakie Vereniging
De vraag is dus: hoe zorgen we er samen voor dat deze leerlingen veilig kunnen eten én gewoon mee kunnen doen? Speciaal daarvoor zijn er nu twee nieuwe, praktische tools: een poster voor in de lerarenkamer en een afsprakenkaart voor ouders en leerkrachten . Deze zijn speciaal ontwikkeld om basisscholen te ondersteunen bij het organiseren van veilige en inclusieve eetmomenten op school.
De poster en afsprakenkaart zijn ontwikkeld voor en door ouders én leerkrachten , in samenwerking met de Nederlandse Coeliakie Vereniging. In focusgroepen werd duidelijk dat er behoefte is aan meer kennis, overzicht en houvast. Wat moet je weten? Waar moet je op letten? En hoe maak je goede afspraken? Deze tools geven daar concrete antwoorden op.
Veilig meedoen
Eén van de mensen die meedacht is schoolleider en leerkracht Jaap Vollenbroek uit Oldenzaal. Hij heeft zelf coeliakie en zijn dochter van 7 ook. Vanuit zijn ervaring weet hij hoe belangrijk het is dat scholen hierin hun verantwoordelijkheid nemen. “Het hoeft niet voor iedereen glutenvrij”, zegt hij, “maar zorg er wel voor dat een kind met coeliakie veilig kan meedoen. Dat vraagt om afstemming en duidelijke afspraken.” En juist daar helpen deze tools bij. De afsprakenkaart maakt het eenvoudig om samen met ouders vast te leggen wat nodig is rondom eten op school, bij uitjes en tijdens feestdagen. De poster biedt een overzicht van de belangrijkste aandachtspunten voor het hele team, zoals het voorkomen van kruisbesmetting.




















































De poster is bij deze editie van PrimaOnderwijs gevoegd.
De afsprakenkaart kun je downloaden via www.glutenvrij.nl/basisschool







Voor meer informatie over coeliakie en het glutenvrijdieet kun je terecht op www.glutenvrij.nl.
Door hier aandacht aan te besteden, creëren basisscholen een omgeving waarin leerlingen met coeliakie zich veilig voelen en niet buitengesloten worden. Zij kunnen dan net als ieder ander kind, meedoen met traktaties, feestjes en andere eetmomenten: zonder zorgen.
Alle basisscholen in Nederland ontvangen de poster voor in de lerarenkamer. De afsprakenkaart kunnen jullie samen met ouders gebruiken om afspraken duidelijk vast te leggen en te delen.






maar uitnodigen om zelf richting te geven?
In gesprekken die ik de afgelopen maanden voerde met schoolleiders, leraren en kwaliteits-coördinatoren merk ik dat de nieuwe kerndoelen regelmatig onderwerp van gesprek zijn. Soms met enthousiasme, soms met een zucht: “Weer iets nieuws.” Op sommige scholen wordt de urgentie nog niet echt gevoeld of geagendeerd. Niet uit onwil, maar omdat de agenda vol is. Het gesprek over de inhoud van het curriculum schuift dan naar later.
Prima Onderwijs & Jaap ter Steege van CPS
Uitstel levert weinig op. Want deze herziening gaat niét over een extra taak, maar over de kern van ons onderwijs: wat wij onze leerlingen willen meegeven. Wanneer we dáár het gesprek over voeren, verandert de toon. Want dan gaat het over keuzes. Over identiteit. Over ambitie. En precies daar raakt deze herziening aan iets wezenlijks.
Met de vaststelling van de nieuwe kerndoelen in 2026 begint een nieuwe fase voor het primair onderwijs, het (s)bo én voor de onderbouw van het vo en het vso. Het is groter dan een sectorvraagstuk. Het gaat over een gezamenlijke basis en over hoe wij leerlingen voorbereiden op hun volgende stap.
Doorlopende leerlijnen
Het invoeren van het nieuwe curriculum is hét moment
om de doorgaande leerlijn opnieuw te bekijken. Ik vraag teams vaak: wat moet een leerling écht beheersen bij het verlaten van groep 8? En weten we hoe collega’s in het vo daarop voortbouwen?
De inhoudelijke verschuivingen zijn geen nuanceverschillen, maar fundamenten. Wat leerlingen in de basisschool opbouwen, vormt de basis voor wat zij in de brugklas en daarna nodig hebben. De nieuwe kerndoelen sluiten inhoudelijk op elkaar aan en de concept-eindexamenprogramma’s bouwen daarop voort.
Dat raakt ook aan kansrijk adviseren. Wanneer de basis stevig is – cognitief én in vaardigheden als analyseren, reflecteren en doorzetten – kunnen scholen leerlingen gerichter en met meer vertrouwen adviseren. Een doordacht curriculum draagt zo bij aan leerresultaten én aan eerlijke kansen. Want een sterk
fundament geeft leerlingen merkbaar meer zelfvertrouwen in hun verdere schoolloopbaan.
Samenhang, heldere doelen, professionele ruimte
Wat mij vooral opvalt is dat taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid niet langer als losse blokken worden gepresenteerd, maar als samenhangende domeinen. Het gaat om kennis en vaardigheden, het toepassen van die kennis en om inzicht in hoe leerlingen zich verhouden tot wat zij leren. Dat sluit aan bij wat leraren al lang weten: leren krijgt betekenis wanneer leerlingen verbanden zien!
De nieuwe kerndoelen zijn duidelijker over wat leerlingen moeten kennen en kunnen, maar schrijven niet voor hoe je dat organiseert. En hier liggen de kansen in de vrije ruimte van het curriculum. Dat vraagt iets van de school: nadenken over opbouw en samenhang en bewuste keuzes maken die passen bij de ambities van de school.
In teams waar ik mee werk, zie ik dat dit soms spannende gesprekken oplevert. Over prioriteiten. Over wat je eventueel loslaat. Maar ook over waar je trots op bent. In een teamgesprek zei een leraar: “Het is best spannend om minder op de methode te leunen. Dan moeten we zelf keuzes maken. Maar juist dat gesprek over wat we belangrijk vinden, maakt ons onderwijs sterker.”
Wat vraagt dit van leraren en schoolleiders?
Verandering begint klein: een studiedag waarin je samen de inhoud verkent. Een leerteam dat leerlijnen naast elkaar legt. Een gesprek met de vo- of po-school in de buurt. Juist die eerste stappen maken het verschil.

Jaap ter Steege is adviseur en trainer bij CPS onderwijsontwikkeling en advies. Hij ondersteunt scholen bij vraagstukken over (persoonlijk) leiderschap en schoolontwikkeling en is o.a. gespecialiseerd in curriculumontwikkeling en Covey voor het onderwijs.
Voor leraren vraagt dit ook om een gezamenlijke professionele dialoog. Over wat leerlingen nodig hebben om verder te kunnen. Tijdens een vaksectieoverleg zei een docent: “We hebben het vaak over roosters en toetsresultaten, maar ik zou zo graag vaker samen praten over de inhoud. Daar zit onze grootste winst.”
Voor schoolleiders begint dit bij onderwijskundig leiderschap. Vanuit visie en ambitie, ruimte organiseren en regie voeren. Richting geven zonder alles dicht te regelen. In scholen waar dat lukt, ontstaat energie. “Toen we het curriculum weer samen bespraken, merkte ik hoeveel energie dat gaf. Niet alles dichtregelen, maar ruimte maken voor het gesprek over wat ertoe doet”, aldus een schoolleider.
Tot slot
De nieuwe kerndoelen zijn geen eindpunt, maar een uitnodiging: om onderwijs bewuster en samenhangender vorm te geven en leerlingen een steviger fundament te bieden. Voor leraren raakt die beweging ook aan de kern van hun vak. Zoals een leraar na een curriculumgesprek zei: “Dit is waarom ik ooit voor het onderwijs koos: samen iets opbouwen dat er echt toe doet voor onze leerlingen.”
Ondersteuning bij curriculumontwikkeling
In mijn werk bij CPS ondersteun ik samen met collega’s scholen bij precies die gesprekken. We verkennen wat de nieuwe kerndoelen betekenen en vertalen die naar een samenhangend én uitvoerbaar curriculum. Dat gaat over leerlijnen en over de praktische kant: hoe leermiddelen, toetsing en lespraktijk aansluiten bij wat je als school wilt bereiken. We verbinden wettelijke kaders aan schooleigen ambities en versterken het curriculumbewust handelen in teams. Altijd maatwerk, want elke school is anders. De kernvraag blijft: hoe bouwen we aan een curriculum dat betekenisvol is voor leerlingen én werkbaar voor leraren?
Kijk voor meer informatie op www.cps.nl/curriculum




























































Hoe ga ik de speelhoek inrichten?







Scan de code en laat je inspireren! Oké!



























Oracy, de kracht van spreken, denken en luisteren
Hoe verwerk jij de kerndoelen voor mondelinge taalvaardigheid in je onderwijs? Laat je inspireren door Oracy. Het integreren van mondelinge taal in je totale onderwijsaanbod was nog nooit zo effectief.
Dit boek geeft je zowel systematisch als praktisch richting om mondelinge taal in je totale onderwijsaanbod te integreren.
Prijs € 37,95
Auteurs Miriam Op de Beek en Bob Coenraats
ISBN 9789065083081
Sector po





Scan & registreer direct




















Exposanten | workshops | ontmoeten



Tekst: Esmee Weerden





Hoe geef je de nieuwe kerndoelen betekenis in de dagelijkse schoolpraktijk? Op SBO De Bloeiwijzer in Amstelveen zoeken ze het antwoord niet in een beleidsdocument. De school kiest voor een ervaring. Leren begint hier met verwondering. De redactie van PrimaOnderwijs kreeg een rondleiding.


Een groepje leerlingen loopt door het Bloeiseum. Het licht is gedimd. In de eerste ruimte liggen platte stenen alsof je een grot binnenstapt. Boven hun hoofd fonkelen kleine lichtjes. Leerlingen kijken om zich heen. Sommigen fluisteren, anderen wijzen naar de wand. Ze zijn aangekomen in de Wondergrot, het begin van een interactieve reis door het burgerschapsmuseum van De Bloeiwijzer. “Kinderen moeten zich eerst kunnen verwonderen”, zegt schoolleider Ronald Bouwman. “Daarna ontstaat nieuwsgierigheid. En nieuwsgierigheid vormt het begin van leren.” Het Bloeiseum is de meest zichtbare uitwerking van de visie van de school. Om te begrijpen waarom deze plek bestaat, doen we eerst een stap terug.
De rode draad
Tijdens de rondleiding komt Bouwman steeds terug bij dezelfde gedachte: onderwijs moet zichtbaar zijn. Toen hij enkele jaren geleden begon met het verder vormgeven van de school, stelde hij zichzelf een eenvoudige vraag: wat moet een leerling op deze school meemaken?
Het antwoord werd geen dikke beleidsnota. Bouwman koos voor een paar heldere uitgangspunten. “We proberen dingen simpel te maken”, zegt hij.
Hij wijst naar drie principes die overal in de school terugkomen:
- Bespreekbaar maken is beheersbaar maken
- Zichtbaar maken
- Elke leerling is van iedereen
“Als iets niet bespreekbaar is, kun je er ook niet op sturen. En zonder zichtbaarheid blijft veel onduidelijk.” De derde uitspraak – elke leerling is van iedereen – gaat misschien nog het verst. Verantwoordelijkheid ligt nooit bij één leerkracht. “Onderwijs is een teamsport. En kinderen voelen dat.”
Van visie naar praktijk
Op De Bloeiwijzer krijgt deze visie op leren concreet vorm. Het Bloeiseum speelt daarin een belangrijke rol. Leerlingen openen een kasteeldeur, lopen door een gang met teksten over kinderrechten en ontdekken later hoe de digitale wereld werkt. Even verderop ontmoeten ze wereldburgers uit het verleden en het heden. Elke ruimte raakt een ander onderdeel van burgerschap. In elke zone voeren leerlingen opdrachten uit. Als die lukken, verdienen ze kristallen voor de Wondergrot waar hun reis begon. Zo ontdekken leerlingen spelenderwijs wat burgerschap betekent en welke rol zij zelf in de wereld kunnen spelen. De thema’s die hier zichtbaar worden, lopen door in de hele school.
Het team in actie
Later die ochtend schuiven enkele leerkrachten en onderwijsondersteuners aan bij een zogenoemde stand-up. Het is geen lange vergadering met een agenda en notulen, maar een kort overleg waarin het team stilstaat bij vragen die op dat moment spelen. Op tafel ligt een nieuw thema: het waterschap. Hoe maak je zo’n onderwerp begrijpelijk voor kinderen?
Hoe sluit je aan bij hun belevingswereld en bij de nieuwe kerndoelen? De ideeën volgen elkaar snel op. Teamleden bespreken welke rol een waterschap heeft en hoe je waterbeheer zichtbaar maakt voor leerlingen, ook in hun eigen omgeving.
Bouwman luistert en stelt af en toe een vraag. “Wat willen we dat kinde ren hier echt van meenemen?” Even wordt het stil. Daarna gaat het gesprek verder, scherper nu. Over Nederland als waterland. Over samenwerken. Over verantwoordelijkheid. Langzaam ontstaat een plan: hoe het thema terugkomt in lessen, gesprekken in de klas en ook in een route door het Bloeiseum.

Die gedachte zie je terug in de manier waarop De Bloeiwijzer met thema’s werkt. Onderwerpen zoals waterbeheer, gezondheid of de digitale wereld verbinden verschillende vakken met elkaar. In het Bloeiseum en in de klas komen kennis, ervaringen en gesprekken over de samenleving samen. Leerlingen rekenen, schrijven, onderzoeken en discussiëren binnen één context. “Het is onze manier om leren betekenisvoller te maken”, aldus Bouwman.

Overal voelbaar Tijdens de rondleiding valt op dat de schoolvisie breed gedragen wordt. In lokalen, gangen en overlegmomenten keren dezelfde ideeën terug. Leerkrachten spreken over zichtbaar maken, over gezamenlijke verantwoordelijkheid en over het betrekken van leerlingen bij hun eigen leerproces. Veel leerlingen op De Bloeiwijzer hebben een extra ondersteuningsvraag. Tegelijkertijd ligt de uitstroom van de school hoog. Volgens Bouwman hangt dat samen met de manier van werken.
In heel Nederland bereiden scholen zich voor op de nieuwe kerndoelen. Voor veel teams roept dat vragen op: hoe geef je daar vorm aan in de praktijk? Bouwman verwijst daarvoor naar een model dat hij hoog heeft zitten. “Ik kom elke keer terug op mijn driehoekje”, zegt hij. “Wetenschap, pragmatiek en ethiek. Onderwijs moet kloppen vanuit kennis, uitvoerbaar zijn in de praktijk en aansluiten bij wat je kinderen wilt meegeven.”
“Als je duidelijk maakt wat je doet en waarom je het doet, ontstaat er rust. Leerlingen begrijpen beter waar ze naartoe werken.” Dat zie je terug in kleine dingen in de klas. Tijdens een les rekenen bijvoorbeeld bespreken leerlingen eerst het doel van de opdracht. Wat ga je leren? Waarom is dat belangrijk? Nieuwsgierigheid aanwakkeren vormt daarbij de kern. “Uiteindelijk willen we dat al onze leerlingen Bloeiburgers worden”, besluit Bouwman. “Kinderen die nieuwsgierig blijven, die begrijpen hoe de wereld werkt en die weten dat zij daar zelf een belangrijk onderdeel van zijn.”







Verbeter de schrijfvaardigheid van je leerlingen met de aanpak uit The Writing Revolution 2.0: vertaald en bewerkt voor het Nederlandse onderwijs.
Nu bestellen en in september als eerste ontvangen!
Prijs € 54,95
Auteurs Judith C. Hochman, Kathleen Maloney, Natalie Wexler
Vertalers/ bewerkers Yonina Pullens, Bob Coenraats, Mirjam de Bruijne
ISBN 9789065083128
Sector po, vo en mbo



Natuurlijk: in het onderwijs moet er meer aandacht zijn voor het schrijfproces, meer integratie met andere vakken en een focus op tekstsoorten. Maar laten we het fundament niet vergeten waarmee alles staat of valt: een goed geformuleerde inhoudelijke zin én het schrijven inzetten om tussentijds te verwerken, te ordenen en dieper te denken.
In de Verenigde Staten is daarvoor een zeer succesvolle aanpak ontwikkeld: The Hochman Method® die is beschreven in The Writing Revolution 2.0. Internationaal zetten inmiddels duizenden leraren deze aanpak succesvol in. De schrijfrevolutie biedt een haalbare, stapsgewijze aanpak voor elke leraar, in elke klas. Leerlingen gaan niet alleen beter schrijven, maar ook beter lezen, denken én leren.
Van beter schrijven naar dieper denken en beter leren De voordelen van schrijven volgens De schrijfrevolutie:
1. Geeft inzicht in kennisbeheersing
2. Versterkt tekstbegrip
3. Verhoogt de leeropbrengsten, in alle vakken
4. Verbetert spreekvaardigheid
5. Versterkt studievaardigheden

Bekijk ‘m hier!
...elke 7minuten krijgt iemand in Nederland de diagnose huidkanker
2.300 leerkrachten werken al met dit programma 80%
...van de gebruikers ziet dat leerlingen meer kennis hebben over zonkracht en zonbescherming
4 ...online lessen voor alle klassen inclusief werkbladen































3 manieren van beschermen Weren, Kleren en Smeren































































Help je leerlingen met zonbescherming én het voorkomen van huidkanker met het gratis ✔ZonSlim-programma van het Nationaal Huidfonds. Met de kant-en-klare online lessen en het fysieke voorlichtingspakket voor in de klas kun je meteen aan de slag.
Ook aan de slag?
Ga naar onderwijsinformatie.nl/zonslim en meld je meteen gratis aan











De eerste universitaire basisschool opent in augustus 2027 haar deuren. De Radboud Universiteit en scholenkoepel Conexus uit Nijmegen starten een nieuwe basisschool in de wijk Dukenburg. De universitaire basisschool wordt een school waar onderwijs en wetenschap elkaar versterken. Kennis en onderzoek worden verbonden aan de praktijk van de nieuwe school. Onderwijsprofessionals, studenten en onderzoekers werken samen op deze school.
Tekst: Mar Irrgang
“Op deze school brengen we wetenschap en praktijk samen zonder dat we de dagelijkse gang van zaken storen. Drie scholen van Conexus vormen de nieuwe basisschool. Dit zijn de Brede school Aldenhove, de Meiboom en Nutsschool Lankhorst. Daarnaast werken we samen met de lerarenopleiding van de Radboud Universiteit”, vertelt Eddie Denessen, hoogleraar onderwijs en sociale ongelijkheid aan de Radboud Universiteit.
Geen proeftuin
De school wordt een plek waarin wetenschap en onderwijs elkaar versterken. Inzichten uit onderzoek op de school kunnen snel worden toegepast en zo
kunnen ook de effecten op de leerlingen goed gevolgd worden. “Het wordt zeker geen proeftuin. We kunnen elke handeling uitleggen en beschrijven waarom we iets doen. Op de school merk je in eerste instantie ook niet dat er onderzoek plaatsvindt. Het is vooral een gewone school waar ook stagiaires rondlopen. Dat zijn vaak studenten van de opleiding van de Radboud Universiteit. Daarnaast wordt er lesgegeven door een team van onderwijsprofessionals. Die zijn gewoon goed in hun werk en moeten hun werk gewoon kunnen uitvoeren. We willen wetenschap en praktijk samenbrengen zonder dat we de dagelijkse gang van zaken op een school verstoren. Net als op een gewone school zijn er overleggen nadat de lessen zijn afgelo-
pen en worden dan onderwijskundige zaken besproken. Als er onderzoek plaatsvindt, worden ouders en kinderen wel actief geïnformeerd. Net als op een gewone basisschool is er de keuze om een kind hieraan mee te laten doen”, verklaart Eddie.
De wijk waar de school wordt gebouwd is niet een van de rijkste wijken van Nijmegen. Hier wonen kinderen met een sociale achterstand. “Er speelt sociale problematiek en er zijn soms achterstandsproblemen. Juist deze kinderen hebben hulp nodig. Wij willen helpen om de kansenongelijkheid te verkleinen. Dat is wel een uitdaging”, legt de hoogleraar uit.
Vliegwielwerking
Alle leerkrachten zijn in dienst van Conexus. Ze werken voor deze drie scholen of de andere 29 scholen van de stichting. Ze verhuizen zoveel mogelijk mee naar de nieuwe fusieschool. “We nemen de tijd om de universitaire basisschool goed voorbereid te starten. Er is daarom ook een behoorlijke aanloop zodat we straks rustig kunnen aanvangen. Binnen de Radboud Universiteit willen heel veel collega’s graag meewerken. Helpen in de praktijk is voor de wetenschapper een prachtige manier om de kloof tussen onderwijs en wetenschap te verkleinen. Soms bereikt kennis de praktijk niet en als we allemaal in een school samenwerken, dan is er een vliegwielwerking. De school heeft een onderwijsagenda en er is een wetenschapsagenda. Door die twee te combineren hopen we relevante dingen in het onderwijs te verbeteren. We versterken elkaar”, aldus Eddie.
In het onderwijs wordt op dit moment hard gewerkt aan nieuwe leerdoelen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat we nog steeds achterlopen en slecht scoren op het gebied van rekenen en schrijven. “Dat we hard moeten werken aan deze leerdoelen begrijp ik. Daar past ons onderzoek ook bij. We doen bijvoorbeeld onderzoek naar de effectiviteit van bepaalde instructievormen. Hoe kun je een leerling het beste laten leren? Uitkomsten kunnen een bijdrage leveren aan de verbetering van rekenen en schrijven”, vertelt de hoogleraar.
Niet op schoot van de onderwijzer
“Je kunt de universitaire basisschool een beetje vergelijken met een academisch medisch centrum. Daar worden ook mensen opgeleid en wordt onderzoek gedaan. Zowel de leraren, de schoolleiding en de onderzoekers hebben oog voor verbetering van de onderwijspraktijk. Scholen hebben al veel informatie over hun kwaliteit en er wordt op veel scholen al onderzoek gedaan. We moeten goed gaan nadenken over welke gegevens er al zijn en wat al bekend is uit onderzoek, voordat we nieuw onderzoek starten. De school heeft al een systeem van kwaliteitszorg en
volgen de ontwikkeling van de leerlingen. Die gegevens geven al veel informatie over de school. Daarnaast is het belangrijk dat iedereen zich bij zijn of haar eigen specialiteit houdt. We willen als onderzoekers niet op de stoel van de leraar gaan zitten”, verklaart Eddie.
Een voorbeeld is het volgen van de leerprestaties op uiteenlopende gebieden van kinderen met verschillende sociaal-culturele achtergronden
“We gaan onderzoek doen waarin we de ontwikkeling van leerlingen volgen en de kwaliteit van het onderwijs in kaart brengen. Dat doen we zowel bij leerkrachten als bij de schoolorganisatie. Het onderzoek moet sterk praktijkgericht zijn en directe aanknopingspunten opleveren voor de leerkrachten en de school om kinderen zo goed mogelijk te ondersteunen in hun ontwikkeling. Een voorbeeld is het volgen van de leerprestaties op uiteenlopende gebieden van kinderen met verschillende sociaal-culturele achtergronden”, legt Denessen uit.
Of er over jaren door heel Nederland universitaire basisscholen ontstaan is de vraag. Het vergt samenwerking en tijd. “Ik hoop dat er meerdere universitaire scholen komen. Zo kunnen we meer over onderwijs leren en samenwerken aan goed onderwijs. We worden overigens geen experimentele school. Wij willen het beste onderwijs voor leerlingen met een groot risico op achterstand, daarom hebben we ook gekozen voor een plek in de wijk Dukenburg in Nijmegen. Ons doel is die achterstand zoveel mogelijk weg te werken en ons onderwijs te verrijken door samenwerking en onderzoek”, besluit Eddie.


































"Mijn Breukenkist maakt breuken duidelijk en concreet voor leerlingen. De speelse materialen zorgen voor meer motivatie in de les."
SCHUBITRIX SPELLEN

Waarom Schubitrix een favoriet is in de klas:
Flexibel: Speel met 1 tot 4 leerlingen.
Zelfcorrigerend: Direct resultaat zonder nakijkwerk.



Een complete set boordevol uitdagende spellen en oefeningen!








































Compleet: Dubbelzijdige kaarten voor urenlang leerplezier. Bekijk hem hier! Schoolmaterialen.nl/ breukenkist




Bestel snel en ontvang ze nog voor de zomervakantie! 20







DOCENTENAGENDA





















✓ Cijferlijsten
✓ Lesroosters
✓ Rekentabellen
✓ Jaar-en maandplanners
























































































DOCENTENAGENDA 24









































































































































25








































De docentenagenda zit vol met...
✓ Schoolvakanties per regio
✓ Overzicht bijzondere dagen
✓ Overzicht centrale eindexamens
✓ Energizers
10 Stuks of meer bestellen?
docentenagenda.primaonderwijs.nl



















Een goede werkagenda is essentieel. De Docentenagenda is een praktische agenda die volledig afgestemd is op de behoeften van docenten! Te bestellen in ringband of gebonden versie.
✓ Handige adressen voor leerlingen én docenten
✓ Adreslijsten a t/m z
✓ Veel ruimte voor aantekeningen
Wil je minder dan 10 stuks bestellen? Ga dan naar de webshop van Educatheek www.educatheek.nl/docentenagenda
