Skip to main content

Vivo 4 vmbo-k - HS 8

Page 1


BIOLOGIE

Slim leren, zeker slagen

Wil jij slim leren, zeker slagen?

Examenbundel

Oefen met echte examenopgaven per onderwerp en met complete examens. In het boek en online.

Oefenen, oefenen, oefenen

Uitleg b� de antwoorden

Oriëntatietoets geeft aan hoe je ervoor staat

Examenidioom

Speciaal voor de examens Duits, Engels en Frans.

Een grote woordenschat zorgt voor beter tekstbegrip

Duidel� ke voorbeeldzinnen

Ook voor de schoolexamens

Samengevat

De perfecte samenvatting om je voor te bereiden op je examen.

Zo leer je precies wat je moet weten.

Complete examenstof

R� tjes en defi nities

Geen lappen tekst

Zeker Slagen!

Zo leer je efficiënter leren.

J e leert hoe je moet leren

Hulp b� plannen

Je kr� gt zelfi nzicht en zelfvertrouwen

BIOLOGIE

4 VMBO-K DEEL A

Beste leerling,

Dit boek gebruik je samen met de digitale leeromgeving. Het is van jou, dus je mag je aantekeningen erin schrijven. Na dit schooljaar mag je het boek houden.

Veel succes en plezier met de voorbereiding op je eindexamen biologie!

Team Vivo

COLOFON

Auteurs

Rob Melchers, Rik Smale, Willy Stein

Eindredactie

Ilse Gmelig, Ramon Verwijst

Taalredactie

Suzanne Loohuis en Marcella Sleeuwenhoek

Illustraties

Gemma Stekelenburg, Rogier Trompert, Marjolein Luiken

Ontwerp

Omslag: Carlo Polman - OudZuid Ontwerp

Binnenwerk: Tom Lamers - Reclamers

Opmaak

Crius Group, Hulshout

Omslagbeeld

Shutterstock / Jack.Q

Over ThiemeMeulenhoff

ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.

Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

ISBN 978 90 06 73125 5 Editie 1, druk 1, oplage 1, 2026 � ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2026

Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AI-training en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.

ClimatePartner

certified product climate-id.com/YI43H3

CO2 measure reduce contribute

INHOUD

Deel A

Hoofdstuk 7 Waarnemen en reageren 6

7.1 Hoe weet je lichaam wat het moet doen? 8

7.2 Het zintuigstelsel 13

7.3 Het zenuwstelsel 25

7.4 De huid 39

7.5 Horen 51

7.6 Zien 62

7.7 Hormonen 76

7.8 Alles in samenhang 88

7.9 Examenopgaven 90

Hoofdstuk 8 Voeding en verteren 100

8.1 Waarom kun je niet zonder voedsel? 102

8.2 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen 109

8.3 Verteren van mond tot maag 122

8.4 Verteren van maag tot endeldarm 134

8.5 Het gebit 145

8.6 Gezond eten 158

8.7 Aanpassingen aan voedsel 172

8.8 Alles in samenhang 184

8.9 Examenopgaven 186

Register 194 Knipbladen 197 Illustratieverantwoording 199

Online vind je extra Examenvoorbereiding. Deze module helpt je de belangrijkste leerstof nog eens door te nemen, met een zelftoets per hoofdstuk, tips over hoe je kunt leren en extra examenopgaven om mee te oefenen.

Deel B

Hoofdstuk 9 Ademhalen en verbranden

9.1 Waarom haal je adem?

9.2 Ademhalen

9.3 Gaswisseling

9.4 Verbranding en energie

9.5 Gezond ademen

9.6 Aanpassingen aan de omgeving

9.7 Alles in samenhang

9.8 Examenopgaven

9.8 Examenopgaven

Hoofdstuk 10 Transport en afweer

10.1 Hoe transporteert het lichaam stoffen?

10.2 Bloedsomloop

10.3 Het hart

10.4 Bloed

10.5 Lymfevaten

10.6 Transport van afvalstoffen

10.7 Afweersysteem

10.8 Alles in samenhang

10.9 Examenopgaven

ZO WERK JE MET VIVO – De biologie van je leven

In Vivo vind je alles wat je nodig hebt voor de voorbereiding op je examen. Hieronder zie je alle onderdelen van een hoofdstuk uitgelegd.

1.1 Hoe hangt al het leven samen? In

STARTEN MET HET HOOFDSTUK

• Het hoofdstuk start met de grote vraag

Deze vraag ga je aan de hand van het hoofdstuk beantwoorden.

• De hoofdstukvraag staat in een overzichtstekening: het grote plaatje Daarin zie je de samenhang met andere hoofdstukken en de belangrijkste zaken van dit hoofdstuk om te onthouden.

• In de eerste paragraaf ontdek je waarom het onderwerp van het hoofdstuk belangrijk is, voor jouw leven én onze planeet. Ook ontdek je hoe het onderwerp samenhangt met andere onderwerpen in de biologie.

WERKEN MET DE PARAGRAFEN

• Bij de paragraaftitel zie je aan de iconen welke hoofdpunten uit het grote plaatje in de paragraaf terugkomen.

• Aan de leerdoelen zie je wat je in deze paragraaf gaat leren.

• Bij de practica ga je zelf iets onderzoeken: je docent bepaalt welke je gaat doen. Je vindt deze online.

• In de practica en opdrachten oefen je ook met verschillende vaardigheden die nodig zijn voor je examen. Bijvoorbeeld met een microscoop werken of tabellen gebruiken. Hiervoor zijn online vaardigheidskaarten te vinden.

• De paragraaf begint met een startopdracht. In deze opdracht ga je meteen actief aan de slag met het onderwerp van de paragraaf. Zo ontdek je wat je al weet en begrijp je de stof sneller en beter.

WERKEN IN HET BOEK OF ONLINE

Je kunt aan de slag in je leerwerkboek of online. In je boek vind je alles wat je nodig hebt: theorie en opdrachten. Deze staan natuurlijk ook online, plus handige extra’s.

Boek

• Theorie

• Opdrachten

• Examenvoorbereiding Online

• Theorie

• Opdrachten

• Examenvoorbereiding

• Verder oefenen op maat (Herhaling en Plus)

• Practica en vaardigheidskaarten

• Kennistoets en proeftoets

WERKEN MET DE PARAGRAFEN

• In de theorie zie je blauwgedrukte woorden: de belangrijkste begrippen

• In groene kaders staan weetjes. Je ziet bijvoorbeeld hoe het onderwerp van de paragraaf terugkomt in het dagelijks leven.

• Iedere paragraaf heeft acht basisopdrachten. Daarna is er een Terugkijkopdracht om te zien of je de leerdoelen al beheerst. Wat gaat goed en waar moet je nog aan werken?

• Online krijg je na de basisopdrachten een advies op maat om verder te oefenen: Herhaling of Plus. In het boek zie je ook altijd een herhaalopdracht en een plusopdracht

• Bij de opdrachten staat soms een icoon.

Staat bij opdrachten waar je samenwerkt met klasgenoten.

Staat bij opdrachten waar je iets moet doen. Leren door te doen!

Staat bij opdrachten waar je kritisch nadenkt.

ALLES IN SAMENHANG

• Je kijkt terug op het grote plaatje Begrijp je de verbanden en kun je de hoofdstukvraag beantwoorden met wat je hebt geleerd?

• Aan je docent kun je ook een samenvatting van het hoofdstuk vragen.

• Wil je verder oefenen? Met de afsluitende examenopgave in de Examenparagraaf oefen je de stof uit het huidige en andere hoofdstukken in combinatie.

• Met de online kennistoets en proeftoets controleer je of je de theorie goed hebt geleerd.

• Bij elke opgave hoort ook een hint je bij

EXAMENPARAGRAAF

• Hier vind je eindexamenopgaven die horen bij de theorie van het hoofdstuk. Bij elke paragraaf die over eindexamenstof gaat, horen één of meer opgaven. Ook is er een grote examenopgave waarin de stof van meerdere hoofdstukken wordt gecombineerd. Zo kun je je goed voorbereiden.

8 Voeding en verteren

INHOUD

Basis

8.1 Waarom kun je niet zonder voedsel? 102

8.2 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen 109

8.3 Verteren van mond tot maag 122

8.4 Verteren van maag tot endeldarm 134

8.5 Het gebit 145

8.6 Gezond eten 158

8.7 Aanpassingen aan voedsel 172 Afsluiting

8.8 Alles in samenhang 183

8.9 Examenopgaven 185

VAARDIGHEDEN

- tabellen en diagrammen maken - werken met indicatoren

8.1 Waarom kun je niet zonder voedsel?

In dit hoofdstuk leer je over voeding en verteren. In het 'grote plaatje' zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

H7 - Waarnemen en reageren voedingsgedrag

H9 - Ademhalen en verbranden energie

1 Het grote plaatje

Wat leer je in dit hoofdstuk?

Waarom kun je niet zonder voedsel?

Door verteren neem je voedingsstoffen op

Aan de bouw zie je wat dieren eten

Gezond eten is belangrijk

De lever breekt schadelijke stoffen af

Zonder voedsel kun je niet leven

Al voor je geboorte heb je energie nodig om te bewegen, te groeien en je te ontwikkelen. Die energie haal je uit het voedsel. In de baarmoeder krijg je voedsel via de placenta. In de eerste periode van je leven na de geboorte krijg je alleen dierlijk voedsel: (moeder)melk (figuur 2). Als je ouder wordt, krijg je ook plantaardig voedsel, zoals groenten en fruit. Al dat voedsel moet je lichaam eerst verteren voordat het de voedingsstoffen die erin zitten kan opnemen. Via het bloed gaan de voedingsstoffen dan naar de juiste plekken van je lichaam. Het is belangrijk en gezond om gevarieerd te eten, zodat je alle voedingsstoffen binnenkrijgt die je nodig hebt.

Welke verbanden zijn er?

Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

• Roofdieren zijn vleeseters die hun prooi moeten vangen. Daarvoor gebruiken ze hun zintuigen (hoofdstuk 7).

• Voor verbranding zijn zuurstof en brandstof nodig. Hierbij komt energie vrij. Onze voeding bevat brandstoffen (hoofdstuk 9).

Wat leer je in dit hoofdstuk?

Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

• Door verteren neem je voedingsstoffen op.

Verteren is het kleiner en oplosbaar maken van grote brokken voedsel. Dat gebeurt al in de mond door te kauwen met je gebit. Stoffen in verteringssappen maken steeds kleinere stukjes van het voedsel, die uiteindelijk als voedingsstoffen door de darmwand in het bloed komen.

• Gezond eten is belangrijk. Gezond eten is voldoende eten en drinken: niet te veel en niet te weinig. Dit zorgt ervoor dat je goed groeit en genoeg energie hebt voor je activiteiten. Gezond eten is ook gevarieerd eten. Daardoor zorg je dat je alle voedingsstoffen binnenkrijgt die je nodig hebt. Het is ook belangrijk om goed met eten om te gaan, zodat het niet bederft en je er ziek van wordt.

• Alcohol heeft invloed op je gezondheid. Je lever is een belangrijk orgaan met verschillende taken. Een van die taken is helpen bij de vertering van vetten. Een andere taak van de lever is het onschadelijk maken van giftige stoffen in je voeding, zoals alcohol. Het drinken van alcohol heeft invloed op de werking van de hersenen. Ook kan leverschade ontstaan.

• Aan de bouw zie je wat dieren eten.

Je kunt zoogdieren verdelen in planteneters, vleeseters en alleseters. Planten zijn moeilijker te verteren dan vlees (door de taaie celwanden). Het gebit en het verteringsstelsel van planteneters, alleseters en vleeseters zijn aangepast aan het soort voedsel dat ze eten.

2 Moedermelk heb je nodig om te leven.

OPDRACHTEN

1 Kool en zuurkool

Bekijk de volgende voedingsmiddelentabel en beantwoord daarna de vragen.

Analyse per 100 gram voedingsmiddel:

a Kijk naar de tabel.

Welke bewering is juist?

● Voedingsmiddelen zitten in voedingsstoffen.

● Voedingsstoffen zitten in voedingsmiddelen.

b Welke voedingsstoffen staan in de tabel?

c Bij welk voedingsmiddel moet je meer kauwen: rauwe of gekookte?

Leg je antwoord uit.

d Wanneer moet je verteringsstelsel harder werken: als je rauwe groente eet of gekookte?

e Wat gebeurt er met de vitamine C als je voedsel kookt?

f Stel, je eet 300 gram rauwe witte kool.

Welke en hoeveel voedingsstoffen neem je dan op?

g Harry doet zwaar lichamelijk werk.

Wat kan hij het best kiezen om dat werk vol te houden?

Leg je antwoord uit.

2 Gevarieerd eten

Je eet gevarieerd als je elke maaltijd iets uit alle vakken van de Schijf van Vijf kiest.

water, thee en koffie

brood, graanproducten en aardappelen

groente en fruit oliën en vetten

peulvruchten, noten, vis, ei, vlees en zuivel(alternatieven)

a Vul het schema in en maak een gevarieerd dagmenu met dingen die jij lekker vindt.

vak 1 vak 2 vak 3 vak 4 vak 5

ontbijt lunch

avondeten

b Vul het schema in met wat jij gisteren hebt gegeten en gedronken.

vak 1 vak 2 vak 3 vak 4 vak 5

ontbijt

lunch

avondeten

c Welke vakken zijn niet ingevuld en wat betekent dat?

d Wat kun je verbeteren?

Alcohol

De heer K. heeft te veel bier gedronken. Lallend en met onvaste stappen loopt hij naar zijn auto en stapt in. Het duurt zeker drie minuten voordat hij het sleuteltje in het contactslot krijgt. Dan rijdt hij schokkend en zigzaggend weg. Al snel staat hij stil tegen een dikke betonnen paal.

In de tekst staan verschillende gedragingen die er op wijzen dat het vermogen van de heer K. om zijn spieren goed te laten samenwerken door de alcohol is verminderd.

a Van waaruit stuurt je lichaam spieren aan, zodat ze goed samenwerken?

b Geef minstens vier voorbeelden waaruit het effect van de alcohol blijkt.

c Waar in het lichaam breek je alcohol vooral af?

● in de darmen

● in de hersenen

● in de lever

● in de maag

d Welke voedingsstof verteer je minder goed als dit orgaan niet goed werkt?

4 Plantaardig of dierlijk voedsel

a Zijn planten moeilijk of gemakkelijk verteerbaar?

Leg je antwoord uit.

b Is de darm van een planteneter daardoor korter of langer dan de darm van een vleeseter?

c Bekijk de dieren op de foto’s. Vul daarna het schema in.

Is het een planteneter of een vleeseter? Waaraan kun je dit zien?

dier planten- of vleeseter? Waaraan kun je dit zien?

5 Waarom kun je niet zonder voedsel?

De grote vraag van dit hoofdstuk is: Waarom kun je niet zonder voedsel?

Wat is jouw antwoord op deze vraag?

Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

8.2 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• vier functies van voedingsstoffen beschrijven.

• zes soorten voedingsstoffen beschrijven.

• de voedingswaarde en de Schijf van Vijf gebruiken om gezonde keuzes te maken.

• dierlijke en plantaardige voedingsmiddelen onderscheiden.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• Aantonen van zetmeel

• De eetmeter

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT

1 Suiker in voedingsmiddelen

Van nature is suiker te vinden in fruit en melk. Suiker wordt ook vaak voor de smaak toegevoegd aan voedingsmiddelen zoals snoep, frisdrank en koek. Bij deze producten lees je de ingrediënten op het etiket. Toch is het woord ‘suiker’ daar vaak niet te vinden.

In deze opdracht beantwoord je eerst twee vragen. Daarna ga je etiketten beter bekijken.

Dit heb je nodig:

• vijf voedingsmiddelen met een etiket, bijvoorbeeld cola, pindakaas, hagelslag, ketchup en vanillevla

• of het knipblad etiketten

Dit ga je doen:

1 Werk in een tweetal.

2 Beantwoord de vragen a en b.

3 Zet de vijf producten in volgorde van veel suiker per 100 gram naar weinig suiker per 100 gram.

4 Bekijk nu de etiketten op de producten.

5 Klopte jullie volgorde? Pas de volgorde zo nodig aan.

6 Beantwoord de vragen c en d.

a Er zijn zes soorten voedingsstoffen. Welke voedingsstoffen zijn dat?

V M of z V W

b Bij welke soort voedingsstof horen de suikers?

c Wat viel je op of wat verbaast jullie?

d Welke andere namen kun je op etiketten tegenkomen in plaats van suiker?

THEORIE

Functies van voedingsstoffen

Om te leven, heb je voedsel nodig. Zonder voedsel kun je het behoorlijk lang volhouden. Dat komt doordat je lichaam reserves heeft opgeslagen. Zonder water kun je maar heel kort in leven blijven. Alles wat je eet en drinkt, noem je voedingsmiddelen (figuur 1).

1 Verschillende voedingsmiddelen in een winkel

Voedingsmiddelen bestaan uit allerlei voedingsstoffen. Deze hebben verschillende functies:

• Bouwstoffen gebruik je voor de aanmaak van nieuwe cellen (groei en ontwikkeling) en voor vervanging en herstel van cellen en weefsels.

• Energieleverende stoffen gebruik je als brandstof. Bij de verbranding van die stoffen komt energie vrij voor lichaamsfuncties zoals denken en bewegen (figuur 2).

• Reservestoffen slaat je lichaam op en gebruik je als ze later nodig zijn.

• Beschermende stoffen ondersteunen het afweersysteem en helpen je lichaam gezond te houden.

2 De wielrenner vult met het sportdrankje brandstoffen aan voor extra energie.

Soorten voedingsstoffen

Voordat je lichaam ze kan gebruiken, breekt het verteringsstelsel de meeste voedingsstoffen eerst af. Dit proces noem je verteren Vervolgens komen de voedingsstoffen terecht in het bloed en gaan ze naar de lichaamscellen (figuur 3). Alleen plantaardig voedsel bevat koolhydraten, zoals zetmeel. Zetmeel kun je aantonen met jodium. Het kleurt dan van geel naar donkerblauw. Zo’n aantoonstof noem je een indicator (figuur 4).

3 Door voldoende bouwstoffen in je voeding groei je.

Er zijn zes soorten voedingsstoffen:

zetmeeloplossing toevoegen jodium verkleuring als zetmeel aanwezig is

4 Werken met jodium als een indicator

1 Koolhydraten zoals glucose en zetmeel zijn energieleverende stoffen. Wat je te veel binnenkrijgt, zet je lichaam om in vet en gebruik je als reservestof.

2 Vetten zijn energieleverende stoffen. Wat je te veel binnenkrijgt, gebruikt je lichaam als reservestof. Vetten dienen ook als bouwstof.

3 Eiwitten zijn bouwstoffen die nodig zijn voor de opbouw van je spieren. Wat je te veel binnenkrijgt, zet je lichaam om in koolhydraten of vetten en gebruik je als energieleverende stof of reservestof.

4 Water is een bouwstof. 70% van het lichaam bestaat uit water. Cellen bestaan voor het een groot deel uit water. Water zorgt ook voor transport door het lichaam. Lymfe en bloed bevatten veel water.

5 Mineralen of zouten zijn bouwstoffen of beschermende stoffen. Het mineraal kalk zorgt bijvoorbeeld voor de opbouw en stevigheid van botten. IJzer is nodig voor het maken van rode bloedcellen.

6 Vitamines zijn beschermende stoffen, die belangrijk zijn bij de afweer tegen ziekteverwekkers. Vitamines geef je aan met een letter en soms een getal, bijvoorbeeld vitamine A, C en D en vitamine B6.

Gezonde keuzes maken

In een supermarkt vind je een enorme keuze aan voedingsmiddelen. Op de verpakkingen staat productinformatie, zoals de voedingswaarde en de ingrediënten. Met behulp daarvan kun je gezonde keuzes maken. De voedingswaarde geeft aan hoeveel energie en voedingsstoffen het voedingsmiddel per 100 gram bevat (figuur 5). De hoeveelheid energie druk je uit in joules (J) of calorieën (cal).

Een kilojoule (kJ) is 1000 joule. Een kilocalorie (kcal) is 1000 calorieën. 1 kcal = 4,2 kJ

Voedingswaarden

Energie

Vetten waarvan verzadigde enkelvoudig onverzadigde meervoudig onverzadigde

Koolhydraten waarvan suikers

Vezels

Eiwitten

Zout

Vitamine B3 (niacine)

Vitamine E

Fosfor

Magnesium

Zink

5 Een etiket met de voedingswaarde

Ook de Schijf van Vijf kan je helpen om gezonde keuzes te maken. De voedingsmiddelen zijn per groep ingedeeld in vakken. Hoe groter het vak, hoe meer je ervan nodig hebt (figuur 6). Er zijn ook voedingsmiddelen die niet in de Schijf van Vijf horen, bijvoorbeeld snoep, frisdrank en snacks. Je hebt ze voor je gezondheid niet nodig. Ze bevatten veel suiker, zout of verzadigd vet.

water, thee en koffie: bevatten veel water

brood, graanproducten en aardappelen: bevatten veel koolhydraten, vezels, vitamine B

6 De Schijf van Vijf helpt om gezonde keuzes te maken.

Plantaardig en dierlijk voedsel

groente en fruit: bevatten veel vitamine C, mineralen, vezels

oliën en vetten: bevatten veel vetten, vitaminen A, D, E

peulvruchten, noten, vis, ei, vlees en zuivel(alternatieven): bevatten veel eiwitten, ijzer, vitamine B12

Mensen eten plantaardige en dierlijke voedingsmiddelen (figuur 7). Vlees, vis, eieren en zuivel (zoals melk, vla, yoghurt en kaas) zijn dierlijke voedingsmiddelen. Ook honing is dierlijk. Voorbeelden van plantaardige voedingsmiddelen zijn groenten, fruit en aardappels. Snoep is vaak plantaardig, maar kan ingrediënten bevatten die afkomstig zijn van dieren (zoals melk in chocola).

Cellen van planten en dieren verschillen van elkaar. Om de cellen van planten zit een celwand die bestaat uit cellulose, wat zorgt voor stevigheid van de plant. Door het eten van plantaardige voedingsmiddelen krijg je cellulose binnen. Cellulose is een vezel en belangrijk voor het goed werken van je verteringstelsel. Ook vitamine C en koolhydraten (zoals glucose en zetmeel) komen alleen in plantaardige voedingsmiddelen voor. Eiwitten, vetten, mineralen en vitaminen zitten zowel in plantaardige als dierlijke voedingsmiddelen.

7 Plantaardige en dierlijke voedingsmiddelen

WIST JE DAT?

Insecten als voedsel

Heb jij weleens meelwormen gegeten? In sommige landen staan ze al op het menu. Meelwormen, krekels en sprinkhanen kun je gebruiken als ‘vleesvervanger’.

Veel mensen vinden het griezelig om gebakken insecten op hun bord te zien. Daarom worden insecten tot meel vermalen en gebruikt in chips, crackers of sportvoeding.

Insectenvlees bevat veel eiwitten, gezonde vetten en mineralen zoals ijzer. Een ander voordeel van insectenvlees is de duurzaamheid. Insecten kun je snel kweken, waarbij minder water, voedsel en ruimte nodig zijn dan bij ander vlees. Ook zorgt het voor minder afval en komen er minder broeikasgassen vrij.

Sprinkhaan als vleesvervanger

OPDRACHTEN

2 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

a Wat is het verschil tussen een voedingsmiddel en voedingsstoffen?

Geef van beide een voorbeeld.

b Voedingsstoffen hebben verschillende functies. Vul het schema verder in.

voedingsstoffen functie

worden opgeslagen in je lichaam beschermende stoffen

worden gebruikt voor de aanmaak en het herstel van cellen en weefsels

energieleverende stoffen

Coeliakie

Coeliakie is een auto-immuunziekte. Bij deze ziekte bestrijden de eigen bloedcellen van de patiënt het eiwit gluten. Gluten komen voor in bepaalde voedingsmiddelen. Doordat de bloedcellen gluten bestrijden, raakt bij mensen met coeliakie het darmslijmvlies beschadigd. Op lange termijn ontstaat dan botontkalking door een gebrek aan kalkzouten. Bij botontkalking neemt de sterkte van de botten af en heb je een verhoogd risico op botbreuken.

a Is gluten een voedingsmiddel of een voedingsstof?

Leg je antwoord uit.

b Tot welke groep voedingsstoffen behoren kalkzouten?

c Welke functie hebben kalkzouten?

d Welke organisatieniveaus kom je in deze vraag tegen?

■ cellen

■ weefsels

■ organen

■ orgaanstelsels

■ organismen

e Noteer achter de organisatieniveaus een voorbeeld uit de tekst. cellen

weefsels organen orgaanstelsels

organismen

4 Functies van voedingsstoffen

a Welke functies hebben de zes voedingsstoffen?

Zet een kruisje in de juiste vakjes.

eiwitten vetten koolhydraten mineralen vitaminen water

brandstof

bouwstof

reservestof

beschermende stof

b Welke voedingsstoffen zijn energieleverende stoffen?

5

c Uit welke voedingsstoffen kun je geen energie halen?

Engelse ziekte

Ondervoede kinderen krijgen soms Engelse ziekte. Dit is een stoornis in de botgroei, waarbij de botten van vooral de benen buigen. Door een tekort aan vitamine D kan het lichaam een stof waaruit bot is opgebouwd niet goed uit de voeding in het bloed opnemen.

a Om welke stof gaat het hier?

b Wat is de functie van de voedingsstof vitamine D?

● bouwstof

● beschermende stof

● energieleverende stof

● reservestof

Voedingswaardetabel

In de tabel zie je een aantal voedingsmiddelen. De tabel geeft aan hoeveel energie ze leveren en hoeveel voedingsstof er per 100 gram in het voedingsmiddel zit.

voedingsmiddel

a Waarmee krijg je het meeste eiwit binnen?

• met 100 gram rijst

• met 150 gram patat

• met 200 gram aardappels

Reken het uit met de gegevens uit de tabel.

Berekening:

b Isa eet 100 gram gekookte aardappelen, 200 gram andijvie, 50 gram rundvlees en 100 gram yoghurt.

Hoeveel energie krijgt Isa binnen?

Schrijf je berekening op.

c Wat gebeurt er met de vitamine C als je een maaltijd kookt?

7 Een gezond ontbijt

Je gaat een gezond ontbijt bedenken met behulp van de Schijf van vijf.

TIP Scan de QR-code en ga naar de website van het Voedingscentrum.

Dit heb je nodig:

• papieren kaartjes (A5)

Dit ga je doen:

1 Werk in een tweetal.

2 Noteer producten die passen in jullie gezonde ontbijt.

3 Schrijf alle producten op een kaartje.

4 Ruil jullie kaartje met een ander tweetal. Controleer of het andere ontbijt aan de Schijf van Vijf voldoet. Zit er van elke vak van de Schijf van Vijf iets in?

5 Probeer het ontbijt van het andere tweetal op één punt nog gezonder te maken.

6 Overleg met je docent of jullie de ontbijtjes ook gaan maken voor elkaar.

8 Plantaardig of dierlijk

Geef in het schema met een kruisje aan of de voedingsmiddelen plantaardig of dierlijk zijn.

plantaardig dierlijk boter

appelstroop

pindakaas

honing

suiker

kaas

9 Veganist en vegetariër

Niet iedereen eet dierlijke voedingsmiddelen.

a Een veganist eet geen dierlijke voedingsmiddelen. Een vegetariër eet geen vlees of vis.

Wat eten zij? En wat eet jij? Vul het schema in door kruisjes te zetten.

dierlijke voedingsmiddelen Dit eet een veganist. Dit eet een vegetariër. Dit eet jij.

zuivelproducten eieren

brood aardappelen

gebakken vis karbonade

b In welke van deze voedingsmiddelen kun je met jodium zetmeel aantonen?

Leg je antwoord uit.

c Welke kleur krijgen deze voedingsmiddelen door het jodium?

d Hoe noem je een stof die een andere stof kan aantonen?

10 Terugkijken

Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt?

Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed.

Je kunt ... opdrachten score extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. vier functies van voedingsstoffen beschrijven. 2, 3

2. zes soorten voedingsstoffen beschrijven. 4, 5

3. de voedingswaarde en de Schijf van Vijf gebruiken om gezonde keuzes te maken. 6, 7

4. dierlijke en plantaardige voedingsmiddelen onderscheiden. 8, 9

H12

H13, P15

H14, P17

H11, P16

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opdracht waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets.

TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 8.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS

Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Een indicator gebruiken

Roos onderzoekt vier reageerbuizen. De buizen bevatten 20 mL water en 1 gram voedingsstof. Aan de reageerbuizen voegt ze jodium toe. inhoud

buis 1 eiwitten

buis 2 vetten

buis 3 vitamine C

buis 4 zetmeel

Welke buis kleurt donkerblauw?

Leg uit waarom.

15 Voedselweb in de Noordzee

Bekijk het voedselweb van de Noordzee. dierlijk plankton haring kabeljauw zeehond mossel schol plantaardig plankton

a Welke voedsel eet de zeehond?

b Welke voedingsstoffen krijgt de zeehond vooral binnen?

● eiwitten en koolhydraten

● eiwitten en vetten

● koolhydraten en vetten

c Welke organismen in de Noordzee bevatten veel koolhydraten?

EXAMENOPGAVEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Eten koken gaat maken.

8.3 Verteren van mond tot maag

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• benoemen waarvoor voedsel wordt verteerd.

• beschrijven hoe voedsel wordt verteerd.

• de functies van de organen van het verteringsstelsel benoemen.

• beschrijven hoe darmperistaltiek werkt.

Bij deze paragraaf hoort het volgende practicum:

• Werking van enzymen in speeksel

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT

1 Voedselbrokken zoals blokken

Je kauwt voedsel, zodat de voedselstukken door je keelgat passen. Maar dat is niet de enige reden. Aan de buitenkant van de voedselbrok werken stoffen in, wat nodig is om het voedsel verder te verteren. Maar de binnenkant is niet direct te bereiken. Dat kan pas als de voedselbrok in stukjes uit elkaar is gevallen.

Dit heb je nodig:

• vier 4×2-blokjes

• geodriehoek

Werk in een tweetal. Noteer je antwoorden in de tabel. Gebruik de schrijflijnen voor je berekeningen.

a Maak van de vier blokjes een groter blok.

Uit hoeveel vlakken bestaat het grote blok?

b Meet de lengte en de breedte van de vlakken. Bereken de oppervlakte van alle vlakken samen.

Wat is bij het grote blok de oppervlakte van alle vlakken samen?

c Haal nu het grote blok uit elkaar, zodat je weer vier losse blokjes hebt.

Wat is de totale oppervlakte van een los blokje?

d Wat is de totale oppervlakte van de vier losse blokjes?

e Noteer de uitkomsten van je berekeningen in het schema.

grote blok 1 los blokje 4 losse blokjes

totale oppervlakte van zes vlakken

f Vergelijk de oppervlakte van het grote blok met de totale oppervlakte van de losse blokjes.

Wat valt je op?

g Het grote blok stelt een voedselbrok voor. Door te kauwen ontstaan kleinere brokjes.

Wat betekent dit voor de stoffen die inwerken op de buitenkant van het voedsel?

Verteren en verteringssappen

Je lichaam heeft voeding nodig. Daarvoor gaan voedingsstoffen naar de cellen. Je spiercellen hebben bijvoorbeeld glucose nodig. Door de verbranding van glucose komt energie vrij. Dat zorgt ervoor dat je spieren kunnen samentrekken en je lichaam kan bewegen.

Die voedingsstoffen komen niet zomaar in de cellen terecht. Het bloed zorgt voor verdere transport door je lichaam (figuur 1).

dunne darm geeft voedingsstoffen af aan bloed

voedingsmiddelen verteren tot kleine brokjes voedingsstoffen

verteringsstelsel

zuurstof uit de lucht opnemen, koolstofdioxide en waterdamp afstaan

door verbranding van glucose komt energie vrij en kunnen spieren bewegen

het bloed transporteert voedingsstoffen naar de cellen

het hart pompt het bloed met stoffen rond

longen geven zuurstof af aan bloed

bloedvatenstelsel spierstelsel

koolstofdioxide, warmte en water komen vrij

je bloed geeft koolstofdioxide en water af aan je longen

ademhalingsstelsel

koolstofdioxide, water en afvalstoffen komen in je bloed vanuit de cellen

1 Het verteringsstelsel werkt samen met het bloedvatenstelsel en het spierstelsel.

De vertering gebeurt in een buis die begint bij je mond en eindigt bij je anus. Deze buis noem je het verteringskanaal. Hier komen verteringssappen bij de voedselbrij. Deze sappen maken de voedingsstoffen steeds kleiner en oplosbaar. Dit gebeurt bij eiwitten, vetten en grote koolhydraten. Het kleine koolhydraat glucose, vitaminen, mineralen (zouten) en water zijn klein genoeg om direct in de darmen te worden opgenomen.

Mechanische en chemische vertering

Als je voedsel kauwt, maakt je gebit het voedsel kleiner. Het voedsel kleiner maken door beweging noem je mechanische vertering. Hierdoor ontstaan kleinere voedselbrokken die bij elkaar een groter oppervlak hebben. Door deze oppervlaktevergroting werken de verteringssappen op meer plekken in en gaat de vertering beter en sneller (figuur 2).

2 Oppervlaktevergroting schematisch weergegeven

Ook enzymen in verteringssappen maken voedingsstoffen kleiner. Een enzym is een stof die de vertering versnelt. Dit noem je chemische vertering (figuur 3). Verteringssappen bevatten verschillende enzymen. Elk enzym past maar bij één voedingsstof, net als een sleutel in een slot past. Zo kunnen de enzymen in speeksel alleen zetmeel in kleinere stukjes afbreken.

mechanische vertering chemische vertering

3 Mechanische en chemische vertering

De maagsapklieren maken maagsap met enzymen. Deze enzymen werken het best in een zure omgeving. Enzymen uit het speeksel werken daar door de zuurgraad niet. De meeste enzymen werken het best bij lichaamstemperatuur.

Van mond tot maag

Wanneer je lekker voedsel ziet, maken je speekselklieren speeksel aan. De vertering start in je mondholte.

• Het gebit maakt door te kauwen het voedsel kleiner.

• De enzymen in je speeksel beginnen met de vertering van de grote koolhydraten in de voedselbrij. Het slijmerige speeksel bevat behalve water en enzymen ook stoffen die schadelijke bacteriën doden. Door het slijm kun je het voedsel bovendien gemakkelijk doorslikken.

• De voedselbrij gaat via de keelholte en de slokdarm naar je maag. De slokdarm is een gespierde buis naar de maag (figuur 4).

gebit

mond- en keelholte

speekselklieren

slokdarm

4 Het verteringsstelsel

maag

twaalfvingerige darm

5 De maag met onderdelen

• De maag is een gespierd orgaan waarin je voedsel opslaat en verteert. De maagsapklieren maken maagsap. Dit bevat een enzym dat begint met de vertering van eiwitten. Het zure maagsap doodt ook bacteriën en schimmels in de voedselbrij.

• De maagportier sluit de uitgang van de maag af. Deze kringspier laat steeds kleine hoeveelheden van de voedselbrij door naar de twaalfvingerige darm (figuur 5).

slokdarm

maagportier

maagwand met maagsapklieren

Darmperistaltiek

In het verteringskanaal duwt een ‘knijpbeweging’ de voedselbrij verder. Dit zijn de peristaltische bewegingen (figuur 6). Ze ontstaan door het afwisselend samentrekken van de spieren in de darmwand. Peristaltische bewegingen vinden plaats in je slokdarm en je maag. In de maag kneden ze de voedselbrij en mengen die met maagsap.

samengetrokken kringspieren

kringspier lengtespier

6 Peristaltische bewegingen

WIST JE DAT?

Dieren met meerdere magen

voedselbrok

Sommige dieren hebben meerdere magen om voedsel te verteren. Herkauwers zoals koeien, schapen, herten en giraffen hebben vier magen: de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag (de lebmaag kun je het best vergelijken met de menselijke maag). Dit helpt om moeilijk verteerbare planten af te breken. De dieren slikken voedsel snel door en herkauwen het later om de vezels beter stuk te maken. Kamelen hebben drie magen (ze missen de boekmaag). Ze halen voedingsstoffen uit droge, vezelrijke planten in de woestijn en hun vertering is heel efficiënt.

De magen van een koe

OPDRACHTEN

2 Vertering

a Wat is verteren?

b In een voedselbrok bevinden zich koolhydraten, eiwitten en zouten. Verteert het verteringskanaal van de mens deze stoffen alle drie?

c Waarom moet je lichaam de voedingsstoffen heel klein maken?

d Leg uit waarom het belangrijk is dat je lichaam de voedingsstoffen in je bloed opneemt.

3 Oplossen van suiker

Timo gaat een proefje doen over de oplosbaarheid van suiker. Hij pakt twee glazen en vult die voor de helft met lauw water. Dan slaat hij een suikerklontje met een hamer tot poeder en doet dat in het ene glas. In het andere glas doet hij een heel suikerklontje. Hij roert met een lepeltje in beide glazen tegelijkertijd.

a Hoe kun je dit proefje met vertering in de mond vergelijken?

Leg uit.

TIP Je kunt dit proefje ook in de klas of thuis uitvoeren.

b In welk glas lost de suiker het snelst op?

c Verklaar je antwoord bij b.

d Je kunt dit proefje ook doen met water met verschillende temperaturen, bijvoorbeeld 7 ºC en 37 ºC.

Bij welke temperatuur lost de suiker het snelst op?

Leg je antwoord uit.

e Lost een stof sneller op in een glas koud water of in een glas warme thee?

4 Enzymwerking

Enzymen kunnen bij de vertering maar één stof afbreken. Hierna is schematisch een enzym getekend.

a Teken hoe de voedingsstof er schematisch uitziet.

b Teken een voedingsstof die deze enzymen niet kunnen afbreken.

c Is dit een voorbeeld van mechanische of chemische vertering?

5 Speeksel

Bekijk de vier diagrammen over enzymwerking in speeksel.

a Welke grafiek is juist?

Leg ook uit waarom.

b Bij welke temperaturen stoppen de enzymen met werken?

6 Functies van speeksel

Speekselklieren maken speeksel. Welke drie functies heeft speeksel?

in °C

7 Verteren van brood

De vertering van brood begint al in de mondholte. In brood zit veel zetmeel. Zetmeel kun je aantonen met de indicator jodium.

Dit heb je nodig:

• twee kleine stukjes brood

• jodium

• vaardigheidskaart Werken met indicatoren

Dit ga je doen:

1 Gebruik het ene stukje brood om zetmeel aan te tonen. Doe hiervoor een druppel jodium op het brood.

2 Gebruik het andere stukje brood om de vertering van zetmeel aan te tonen. Stop hiervoor het stukje brood in je mond. Slik het niet door, maar kauw er een beetje op.

a Hoe toon je zetmeel in brood aan? Hoe kun je dat zien?

b Wat gebeurt er met de smaak?

Leg je antwoord uit.

8 Braken

Naomi is na een barbecue misselijk. Daardoor moet ze braken. Net voor en tijdens het braken gebeurt er van alles in haar lichaam.

a Tijdens het eten is het voedsel door knijpbewegingen van spieren van de slokdarm in de maag gekomen. Hoe heet deze beweging?

b Bij het braken drukt het middenrif tegen de maag. Dit perst de maaginhoud uit de maag. Bevindt de maag zich boven of onder het middenrif?

c In welke richting drukt het middenrif als je braakt?

d Waar komt de vieze smaak van het braaksel vandaan?

e In het maagsap zitten ook enzymen.

Wat is de functie van enzymen?

● Enzymen activeren speekselklieren.

● Enzymen doden bacteriën.

● Enzymen verteren voedingsstoffen.

9 Handstand

Silke maakt een handstand en slikt per ongeluk de kauwgum door die ze in haar mond heeft. Welke weg volgt het stukje kauwgum in haar lichaam?

Leg je antwoord uit.

TIP Misschien is er iemand in de klas die het doorslikken tijdens de handstand wil demonstreren. Gebruik dan een stukje brood in plaats van kauwgum.

10 Terugkijken

Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt?

Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed.

Je kunt ... opdrachten score extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. benoemen waarvoor voedsel wordt verteerd. 2, 3

2. beschrijven hoe voedsel wordt verteerd. 4, 5

3. de functies van de organen van het verteringsstelsel benoemen. 6, 7

4. beschrijven hoe darmperistaltiek werkt. 8, 9

H11

H12, P16

H13, P17

H14, P15

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opdracht waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets.

TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 8.8 Alles in samenhang

HERHALING EN PLUS

Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Voedingsstoffen verteren

a Welke voedingsstoffen worden in het verteringskanaal verteerd?

■ eiwitten

■ koolhydraten

■ mineralen

■ vetten

■ vitaminen

■ water

b Je lichaam verteert niet alle koolhydraten.

Welk koolhydraat niet?

Leg uit waarom niet.

15 Darmperistaltiek

In de afbeelding zie je de darmperistaltiek in de slokdarm. Kringspieren en lengtespieren werken samen om een knijpbeweging te maken. Als een kringspier knijpt, dan ontspant de lengtespier en andersom.

Zijn de spieren op plaats 1 ontspannen of samengetrokken?

● De kringspieren zijn bij 1 ontspannen, de lengtespieren zijn samengetrokken.

● De kringspieren zijn bij 1 ontspannen, de lengtespieren ook.

● De kringspieren zijn bij 1 samengetrokken, de lengtespieren zijn ontspannen.

● De kringspieren zijn bij 1 samengetrokken, de lengtespieren ook.

EXAMENOPGAVEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Melk gaat maken.

8.4 Verteren van maag tot endeldarm

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• de functies van de organen van het verteringsstelsel benoemen.

• uitleggen hoe voedingsstoffen uit de dunne darm in het bloed komen.

• verschillende functies van de lever benoemen.

• uitleggen hoe niet-verteerde stoffen het lichaam verlaten.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• Emulgeren van vet

• Werkplan vet in melk

• Model van vertering Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT

1 Een woordzoeker

Het verteringsstelsel bestaat uit verschillende organen. Zoek de vijftien woorden die over het verteringsstelsel gaan:

12vingerige darm | alvleesklier | anus | blindedarm | dikke darm | dunne darm | endeldarm | galblaas | gebit | keelholte | lever | maag | mondholte | slokdarm | speekselklieren

THEORIE

Van maag tot dunne darm

Vanuit de maag gaat voedselbrij in kleine porties via de maagportier naar de twaalfvingerige darm. Het voedsel is al gedeeltelijk verteerd en gaat nu verder het verteringskanaal in (figuur 1).

galblaas alvleesklier

lever wormvormig aanhangsel

blinde darm

1 Het verteringsstelsel

maag slokdarm maagportier

maag

2 De twaalfvingerige darm

twaalfvingerige darm

dunne darm dikke darm

endeldarm anus

• In de twaalfvingerige darm komen vanuit de lever en de alvleesklier gal en verteringssappen bij de voedselbrij (figuur 2). Peristaltische bewegingen duwen het voedsel en de sappen voort en mengen ze.

• De lever maakt gal. Gal is geen verteringssap, omdat het geen enzymen bevat. Gal wordt opgeslagen in de galblaas en komt via een afvoerbuis in de twaalfvingerige darm terecht. Gal verdeelt vet in kleine druppeltjes. Dit proces noem je emulgeren (figuur 3).

• De alvleesklier maakt alvleessap. De enzymen in alvleessap verteren eiwitten, vetten en koolhydraten verder.

galblaas

lever alvleesklier

twaalfvingerige darm

dunne darm

vetklont gal

3 Emulgeren

klein druppeltje vet

• Peristaltische bewegingen verplaatsen de voedselbrij verder naar de dunne darm, die wel vijf meter lang is. Enzymen in het dunnedarmsap zorgen voor de laatste stap van de vertering van eiwitten, vetten en koolhydraten. De voedingsstoffen zijn dan klein genoeg om door de dunnedarmwand te worden opgenomen in het bloed.

TIP Wil je meer weten over dit onderwerp? Scan de QR-code en bekijk het filmpje over vertering.

Opname van voedingsstoffen

De dunne darm is een kronkelige buis met darmplooien. In die darmplooien zitten uitstulpingen met bloedvaten: de darmvlokken (figuur 4). De darmplooien en darmvlokken vergroten het oppervlak van de dunne darm. Voedingsstoffen komen hierdoor sneller in het bloed terecht.

uitsteeksel van de darmcel celkern bloedvat

darmplooi bloedvaten darmvlokken

4 Oppervlaktevergroting door darmplooien en darmvlokken

dunne darm

De functies van de lever

De lever is een groot orgaan met verschillende functies (figuur 5):

• helpen bij de vertering door het maken van gal;

• de glucose opslaan die niet meteen nodig is;

• teveel aan eiwitten omzetten in ureum, dat je uitscheidt via de urine;

• dode rode bloedcellen afbreken, waardoor galkleurstoffen ontstaan. Deze voert het lichaam via de darm af. Ze kleuren poep bruin;

• afbreken en onschadelijk maken van stoffen die je lichaam niet kan gebruiken of die giftig zijn, zoals alcohol en medicijnen.

5 De lever is een groot orgaan met veel functies.

Van dunne darm tot anus

Het niet-verteerde deel van de voedselbrij gaat door peristaltische bewegingen van de dunne darm naar de dikke darm.

De voedselbrij gaat langs de blindedarm met een uitsteeksel: het wormvormig aanhangsel (figuur 6). Dit uitsteeksel heeft geen functie voor de vertering. Als het ontstoken is, spreek je van een blindedarmontsteking.

In de dikke darm komen veel nuttige bacteriën voor. Deze zetten niet-verteerde stoffen om in vitaminen. Ook haalt het lichaam het meeste water en de laatste mineralen hier uit de voedselbrij.

Wat er dan nog over is van de voedselbrij, is ontlasting of poep en wordt in de endeldarm opgeslagen.

Een kringspier, de anus, sluit de endeldarm af. Als die zich ontspant, ga je poepen.

blindedarm wormvormig aanhangsel

6 Het laatste deel van het verteringsstelsel

dunne darm dikke darm endeldarm anus

Poepen gaat gemakkelijker als je voldoende vezels eet. Vezels trekken water uit de voedselbrij aan en geven je een verzadigd gevoel (‘je zit vol’). Vezels zorgen voor gezonde peristaltiek doordat ze de spieren in de darmwand trainen. En verder zijn vezels voeding voor de darmbacteriën.

WIST JE DAT?

Bacteriën maken je gelukkig

Als je het over de darmflora hebt, dan gaat het niet over planten in je darmen. Het gaat over de miljarden bacteriën in je darmkanaal. Al deze bacteriën bij elkaar wegen zo’n twee kilogram. Ze bevinden zich vooral in de dikke darm en zijn erg belangrijk voor je gezondheid. Het lijkt erop dat sommige darmbacteriën stoffen maken die ook in de hersenen worden geproduceerd. Deze stoffen beïnvloeden je stemming positief. Ze zorgen voor minder stress, angst en depressies. Dit wordt verder onderzocht. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat informatie wordt uitgewisseld tussen je darmen, je darmbacteriën en je hersenen.

OPDRACHTEN

2 Verteringssappen

In het verteringsstelsel zijn verschillende verteringssappen actief.

a Waar maakt je lichaam de verteringssappen aan en welke voedingsstoffen verteren deze?

Vul het schema verder in.

plaats klier verteringssap verteren van mond speekselklieren

maagsap alvleesklier

b Gal staat niet in het schema. Waarom hoort gal niet in dit schema thuis?

vetten, eiwitten, koolhydraten

darmsap

c Wat is de functie van gal?

a Zet de juiste naam van het orgaan achter het nummer.

b Bij welk orgaan neemt het lichaam de meeste voedingsstoffen in het bloed op?

Noem het nummer en de naam.

c Bij welk orgaan komt water in het bloed?

d Welke verteringssappen komen bij nummer 2 (de twaalfvingerige darm) in de voedselbrij?

4

Darmvlokken

Aan de binnenkant van de dunne darm zitten uitsteeksels.

a In welk deel van het darmkanaal komen darmvlokken voor?

b Wat is de functie van darmvlokken?

● de darmwand beschermen tegen scherpe voedselbestanddelen

● de oppervlakte van de darm vergroten

● verteringssappen produceren

● voedsel in de darm verplaatsen

c Waardoor kan het bloed sommige onderdelen van de voedselbrij niet opnemen?

5 Gluten

Ahmed kan niet tegen gluten: hij heeft coeliakie. Gluten zijn stoffen die voorkomen in meel van tarwe, rogge of gerst. In Ahmeds lichaam treedt een afweerreactie op als hij een voedingsmiddel met gluten eet. Daardoor sterven cellen in het slijmvlies van de dunne darm af en verdwijnen de darmvlokken (zie de microscopische foto's). Hierdoor krijgt hij onder andere gebrek aan vitaminen en mineralen.

a Waardoor krijgt een coeliakiepatiënt een tekort aan vitaminen en mineralen?

b Welke problemen kan een patiënt hierdoor krijgen?

Stukje darmwand met darmvlokken (links), stukje darmwand van een coeliakie-patiënt (rechts)

6 De lever en alcohol

Youri drinkt elke dag vier glazen alcohol. Doordat zijn lever zoveel alcohol moet verwerken, is er een grote kans dat Youri een leverbeschadiging krijgt.

a Wat doet een gezonde lever met alcohol?

b Welk verteringsproces in de darm kan minder goed verlopen als gevolg van een leverbeschadiging?

c Hoe heet de stof die de lever maakt en die helpt bij het verteringsproces?

d Waar wordt deze stof opgeslagen?

e Het afbreken van één glas alcohol kost de lever ongeveer anderhalf uur. Hoelang duurt het voordat vier glazen alcohol zijn afgebroken?

Schrijf je berekening op.

7 Geelzucht

In de afbeelding zie je een doorsnede van het lichaam van een volwassen mens onder het middenrif, van bovenaf gezien.

a Welk cijfer staat bij de lever?

b Bij cijfer 4 slaat het lichaam stoffen op die de lever maakt. Hoe heet dit orgaan? Wat slaat het lichaam hier op?

c Mevrouw Herkens heeft in haar jeugd geelzucht gehad. Daardoor is haar lever blijvend beschadigd. Ze heeft een vetarm dieet, omdat ze vet minder snel kan verteren.

Leg uit waardoor de vertering van vet bij mevrouw Herkens minder snel gaat omdat haar lever beschadigd is.

8 Het laatste deel van het verteringskanaal

Drie functies van delen van het verteringsstelsel zijn:

• het verteringskanaal afsluiten;

• onverteerde voedselresten tijdelijk opslaan;

• vocht uit de brij van onverteerde voedselresten halen.

a Welke van deze functies vervult de endeldarm?

b Welke van deze functies vervult de anus?

c Op welke drie manieren zijn vezels belangrijk voor de dikke darm?

9 Antibiotica

Bij bepaalde ziekten die veroorzaakt worden door bacteriën schrijft de huisarts antibiotica voor. Antibiotica doodt bacteriën. Het gebruik van antibiotica heeft ook nadelen.

a Wat kan er door antibiotica met bacteriën in de dikke darm gebeuren?

b Welke bijwerkingen kan antibiotica hierdoor hebben op het verteringsstelsel?

Terugkijken

Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt?

Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed.

Je kunt ... opdrachten score extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functies van de organen van het verteringsstelsel benoemen. 2, 3

2. uitleggen hoe voedingsstoffen uit de dunne darm in het bloed komen. 4, 5

3. verschillende functies van de lever benoemen. 6, 7

4. uitleggen hoe niet-verteerde stoffen het lichaam verlaten. 8, 9

H13, P15, P17

H12, P16, P17

H11

H14, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opdracht waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets.

Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 8.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS

Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11 Gal

Bij een patiënt is de afvoerbuis van de lever afgesloten. Als gevolg hiervan komt er geen gal meer in de twaalfvingerige darm.

a Welke bewering over deze patiënt is juist?

● Emulgeren van vetten vindt niet meer plaats.

● Glucose wordt niet meer opgeslagen in de lever.

● Rode bloedcellen worden niet meer afgebroken.

● Vertering van vetten vindt niet meer plaats.

b Soms wordt de galblaas bij een operatie verwijderd.

Wat gebeurt er dan met de gal?

15

c Wat zijn de gevolgen daarvan voor de vertering?

d Welk advies zal de arts de patiënt geven over zijn voeding?

Blindedarmontsteking

De meeste buikpijn gaat vanzelf weer over, maar bij een blindedarmontsteking word je vaak meteen geopereerd.

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over blindedarmontsteking.

a Waar in je lichaam zit de blindedarm?

b Klopt de naam van de ontsteking wel?

Leg uit.

c Wat doet de arts meestal bij een blindedarmontsteking?

EXAMENOPGAVEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Galstenen gaat maken.

8.5 Het gebit

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• de functie van het gebit en de verschillende tanden benoemen.

• de opbouw van een gebit beschrijven.

• de delen van een tand benoemen.

• uitleggen hoe tandbederf ontstaat en hoe je het kunt voorkomen.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

• Tandplak

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT

1 Je eigen gebit

Je gebit bestaat uit tanden en kiezen die op een rijtje in de onder- en bovenkaak staan. In de figuur zie je een schematische weergave van het gebit.

Legenda:

K = kies

H = hoektand

S = snijtand

a Hoeveel tanden en kiezen heeft een volwassen gebit?

b Hoeveel kiezen, hoektanden en snijtanden heeft een volledig volwassen gebit?

c De buitenste kiezen zijn verstandskiezen. Hoeveel verstandskiezen heb je?

d Je gaat nu je eigen gebit onderzoeken. Bekijk je gebit met een spiegel. Hoeveel tanden en kiezen tel je?

e Welke tanden en kiezen heb je (nog) niet en waar zouden ze moeten komen?

Geef deze in de afbeelding aan met een kleur (snijtanden, hoektanden en kiezen een verschillende kleur, maak een legenda).

f Wat is de oorzaak dat je (nog) tanden mist?

Het gebit

Als je lacht, is je gebit te zien. Je gebit zit in de mondholte en bestaat uit een onderkaak en bovenkaak met tanden en kiezen. Samen verdelen ze het voedsel dat je eet in kleine stukjes. Je snijtanden en hoektanden zitten vooraan in je mond. Snijtanden zorgen voor het vastpakken en afbijten van voedsel. Hoektanden kunnen stukken voedsel vastgrijpen en afscheuren. Verder naar achteren zitten je kiezen. Tijdens het kauwen pletten ze het voedsel en malen het fijn. Ook wordt het voedsel met speeksel gemengd (figuur 1).

bovenkaak

onderkaak

snijtand

hoektand

hoektand kies kies

snijtand

1 Mensen hebben snijtanden, hoektanden en kiezen.

Van melkgebit naar volwassen gebit

De tanden van een pasgeboren baby zijn nog in de kaak verborgen. Na ongeveer een halfjaar komt de eerste melktand door. Daarna volgen tijdens de eerste levensjaren alle andere tanden van het melkgebit (figuur 2). Omdat de kaken van een kind nog klein zijn, bevatten ze minder tanden en kiezen dan een volwassen gebit. De tanden en kiezen zijn ook wat kleiner. Het melkgebit bevat uiteindelijk acht snijtanden, vier hoektanden en acht kiezen.

2 Röntgenfoto van een kaak met het melkgebit. De aanwezige volwassen tanden zijn ook al te zien.

Tussen het zesde en dertiende jaar vallen de melktanden uit en krijgen kinderen de blijvende tanden en kiezen van het volwassen gebit (figuur 3). Doordat de kaak groeit, ontstaat er meer ruimte voor meer en grotere tanden en kiezen. Een blijvend gebit bestaat uit acht snijtanden, vier hoektanden en zestien kiezen. Later komen daar meestal nog vier verstandskiezen bij.

Soms breken niet alle verstandskiezen door. De verstandskiezen zijn dan wel aanwezig, maar er is geen plaats in de kaak. Vroeger waren de kaken van de mens groter, maar door evolutie zijn ze kleiner geworden.

3 Tanden wisselen

Je kunt de plaats en het aantal kiezen, hoektanden en snijtanden van het gebit schematisch weergeven met een tandformule (figuur 4).

bovenkaak links bovenkaak rechts

K H S S H K

K H S S H K

onderkaak links onderkaak rechts

4 a Een tandformule

Legenda:

S = snijtand

H = hoektand

K = kies

b De tandformule van een volwassene

De bouw van een tand

Tanden en kiezen zien er verschillend uit, maar hebben dezelfde bouw. Het zichtbare gedeelte van de tand heet de kroon. De tand zit met de wortel vast in het kaakbeen. Het kaakbeen is bedekt met tandvlees.

De buitenkant van de kroon is bedekt met een keiharde witte laag: het glazuur. Dit beschermt de tand tegen beschadigingen door bijvoorbeeld zuur of bacteriën. Onder het glazuur bevindt zich het veel zachtere tandbeen. Daarbinnen zit de tandholte met bloedvaten en zenuwen. De tandholte in de wortel noem je het wortelkanaal. De wortel is omgeven door een laagje cement (figuur 5).

glazuur

kroon

tandbeen

wortel

Tandbederf

tandvlees

5 Lengtedoorsnede van een kies

kaakbot tandholte met bloedvaten en zenuwen cement

wortelkanaal

Elke keer als je iets eet, blijft er een dun laagje op je tanden zitten. Dit heet tandplak.

Tandplak bestaat uit voedselresten, bacteriën en speeksel. Het speeksel doodt de meeste bacteriën die tandbederf veroorzaken. De bacteriën die overblijven, leven van de suikers en andere koolhydraten in tandplak. Ze scheiden een zuur uit dat de glazuurlaag aantast. Zo ontstaan gaatjes en wordt het zachtere tandbeen aangetast (figuur 6). Tanden met gaatjes zijn gevoelig en kunnen pijn doen, omdat de zenuwen in de tandholte bloot komen te liggen.

6 Tandbederf: tandplak en tandsteen (links) en gaatjes (rechts)

Tandplak verwijder je door tweemaal daags je tanden te poetsen met fluoridetandpasta. Fluoride maakt het glazuur sterker. Het is belangrijk dat je vooral tussen je tanden en bij de overgang naar het tandvlees goed poetst. Daar blijft vaak een beetje tandplak zitten en kan het tandvlees gaan ontsteken. Tandplak dat lang blijft zitten, wordt tandsteen. Dit heeft een gele of bruine kleur, is hard en kun je zelf niet verwijderen. Ga hiervoor naar de tandarts of mondhygiënist.

WIST JE DAT?

Verstandiger met verstandskiezen?

De verklaring voor de naam ‘verstandskiezen’ is waarschijnlijk dat deze kiezen pas tussen je 17e en 25e doorbreken. Op die leeftijd word je geacht verstandiger te worden. Als je last krijgt van je verstandskiezen omdat ze scheef zitten of infecties veroorzaken, haalt de tandarts of kaakchirurg ze eruit. Zo niet, dan kunnen ze gewoon blijven zitten.

OPDRACHTEN

2 Bijten en kauwen

Met je gebit kun je bijten en kauwen. Geef aan of je te maken hebt met bijten of kauwen.

bijten kauwen

Hiervoor gebruik je snijtanden en hoektanden. ● ●

Hiervoor gebruik je kiezen. ● ●

Hierdoor wordt het voedsel met speeksel vermengd. ● ●

Hierdoor wordt het voedsel gemalen en geplet. ● ●

Geen ruimte voor een scheve verstandskies

3 Het gebit van de mens

Het gebit bestaat uit snijtanden, hoektanden en kiezen. Tandartsen geven deze allemaal een eigen nummer. Dit zie je in de afbeelding.

● 1.1

● 2.6 ● 4.2

a Welk nummer geeft een kies aan?

b Welke tanden in het bovengebit gebruik je voor het afbijten van het voedsel?

Geef ze een kleur.

c Zijn de gekleurde tanden snijtanden, hoektanden of kiezen?

d Zie je in de afbeelding een volwassen gebit of een melkgebit?

Leg je antwoord uit.

4 Melkgebit

Merel kreeg haar eerste tandjes toen ze 6 maanden oud was. Bekijk de foto.

a Welke delen van het gebit kreeg Merel als eerste?

b Wat kan Merel op dit moment nog niet met haar gebit?

c Wat is op dit moment de tandformule van Merel?

5 De tandformule

Een gebit kun je schematisch weergeven door middel van een tandformule.

a Wat is de tandformule van een volledig melkgebit?

b Wat is de tandformule van jouw gebit?

TIP Kijk nog eens naar de startopdracht.

c De 30-jarige Jack heeft nog geen verstandskiezen en één kies rechtsboven is getrokken. Wat is zijn tandformule?

6 Hoektand van een hond

In de afbeelding zie je de doorsnede van een hoektand van een hond. De bouw en de onderdelen van een tand van een hond en een mens zijn hetzelfde.

a Maak de tekening af.

Geef in de tekening de volgende onderdelen aan:

A = kroon, B = wortel, 1 = glazuur, 2 = cement, 3 = tandbeen, 4 = tandholte, 5 = bloedvaten en zenuwen

b Schrijf de naam van het deel van de tand achter de omschrijving in het schema.

het hardste onderdeel van de tand hiermee zit de tand in de kaak hierin bevinden zich bloedvaten dit deel van de tand steekt buiten de kaak uit glazuur bedekt dit deel van de tand

7 Een wortelkanaalbehandeling

Jeroen heeft een ontstoken kies, dat doet veel pijn. Hij gaat naar de tandarts voor een wortelkanaalbehandeling. In de afbeelding zie je een doorsnede van een kies.

a Voor de wortelkanaalbehandeling boort de tandarts een gaatje in de kies om de tandholte met de wortelkanalen open te maken en een onderdeel te verwijderen. Daarbij boort hij door de lagen waarbij in de afbeelding een P en een Q staan.

Wat zijn de namen van P en Q?

P = Q =

b Wat verwijdert de tandarts bij de behandeling? Waarom?

c Is een verdoving nodig bij een tweede behandeling van dezelfde kies? Leg je antwoord uit.

d Wat is er nog meer in de tandholte te vinden?

8 Ouder worden

In het verleden verloren veel ouderen hun tanden en kiezen. Het gebit was niet versleten, maar aangetast door tandbederf. Nu komt tandbederf minder voor en hebben de meeste mensen tot op hoge leeftijd hun eigen gebit.

Noem twee mogelijke oorzaken waardoor tegenwoordig minder tandbederf voorkomt.

9

Je gebit onderhouden

Ook al poets je je gebit nog zo goed, er blijft altijd wel wat tandplak achter omdat je met de tandenborstel niet elke plaats bereikt.

Je onderzoekt samen hoe jullie je gebit onderhouden.

Dit ga je doen:

1 Werk samen in een groepje van 2-4 personen.

2 Verzamel in je groepje de volgende gegevens:

- Hoe vaak poets je je tanden per dag?

- Gebruik je een gewone tandenborstel of een elektrische?

- Welke andere middelen gebruik je (flosdraad, tandenstokers, tandenragers, iets anders)?

- Hoe vaak per jaar ga je naar de tandarts of mondhygiënist?

3 Kies een van deze vragen uit.

4 Verzamel van die vraag de gegevens van de hele klas.

5 Teken op ruitjespapier een staafdiagram waarin je de gegevens van de klas weergeeft.

10 Terugkijken

Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt?

Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed.

Je kunt ... opdrachten score extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functie van het gebit en de verschillende tanden benoemen. 2, 3

2. de opbouw van een gebit beschrijven. 4, 5

3. de delen van een tand benoemen. 6, 7

4. uitleggen hoe tandbederf ontstaat en hoe je het kunt voorkomen. 8, 9

H12, P16

H13, P15

H14, P17

H11

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opdracht waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets.

TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 8.8 Alles in samenhang

HERHALING EN PLUS

Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11 Tandbederf

Om tandbederf te helpen tegengaan, kun je tandpasta met fluoride gebruiken.

a Wat is de functie van fluoride?

● bacteriën doden

● helpen bij de vertering

● de glazuurlaag versterken

b Hoe ontstaan gaatjes in de tanden?

Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde.

Er ontstaat een gaatje.

Je poetst je tanden niet goed.

De bacteriën in tandplak maken een zuur.

Er ontstaat tandplak.

Het zuur tast het glazuur aan.

Je eet iets.

15 Verschillende beugels

Veel jongeren krijgen een beugel om hun tanden en kiezen recht te zetten of om hun beet te corrigeren. Dit gebeurt meestal tussen 10 en 16 jaar, omdat de kaak dan nog in ontwikkeling is.

Dit ga je doen:

1 Inventariseer eerst klassikaal welke soorten beugels er zijn en waarvoor ze dienen.

2 Maak een staafdiagram waarin je laat zien welke verschillende soorten beugels je klasgenoten gebruiken. Geef ook het aantal klasgenoten zonder beugel aan.

3 Vergelijk je staafdiagram met dat van een klasgenoot en pas het zo nodig aan.

a Inventariseer eerst klassikaal welke soorten beugels er zijn en waarvoor ze dienen.

b Wat zijn een overbeet en een onderbeet?

c Je ziet ook volwassenen met een beugel. Waarom zouden ze hiervoor kiezen?

d Als je een beugel draagt of hebt gedragen: ben je er (achteraf) blij mee of niet? En als je er nooit een hebt gehad: zou je een beugel willen hebben?

EXAMENOPGAVEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een tandvleesontsteking gaat maken.

8.6 Gezond eten

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• uitleggen hoe je energiebalans in evenwicht blijft.

• uitleggen hoe ondervoeding of overvoeding ontstaat en welke gevolgen het heeft.

• uitleggen dat het gebruik van alcohol, medicijnen en drugs invloed heeft op organen.

• benoemen op welke manieren je voedsel kunt conserveren.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• Een recept beoordelen

• Voedselbederf

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT

1 Tussendoortjes

Veel mensen eten drie maaltijden per dag: ’s ochtends het ontbijt, ’s middags de lunch en ’s avonds het avondeten.

a Eet jij drie maaltijden op een dag? Of sla jij wel eens een van deze drie maaltijden over?

Leg uit waarom je dat doet.

b Welke nadelen heeft het overslaan van een maaltijd voor je lichaam?

c Alles wat je buiten de drie maaltijden eet of drinkt, noem je tussendoortjes. Veel tussendoortjes staan niet in de Schijf van Vijf, omdat ze veel zout, suiker en verzadigde vetten bevatten of weinig vezels. Deze tussendoortjes zijn minder gezond. Welke tussendoortjes gebruik jij wel eens? Kruis ze aan.

Vul eventueel de lijst aan.

glas water plak cake candy bar

glas vruchtensap chips patat

glas frisdrank pinda’s kauwgom

glas melk ijsje appel

kop koffie drop banaan

kop thee gevulde koek mandarijn

biscuitje chocola peer

koekje snoepje wrap met kip

d Noteer de door jou gekozen tussendoortjes die niet in de Schijf van Vijf staan.

THEORIE

De energiebalans

Je lichaam krijgt energie door het verbranden van energieleverende stoffen. Als je te weinig koolhydraten en vetten binnenkrijgt, gaat je lichaam eiwitten verbranden om energie te krijgen. Eiwitten zijn eigenlijk vooral nodig als bouwstof.

Hoeveel energie je nodig hebt, is voor iedereen verschillend. Het hangt onder andere af van je leeftijd, je lichaamsbouw en lengte en hoe actief je bent (figuur 1). Je lichaam heeft allereerst energie nodig voor de normale lichaamsfuncties zoals ademhalen, rondpompen van bloed en een constante lichaamstemperatuur. Dit noem je de grondstofwisseling. Verder heb je energie nodig om te bewegen, te denken en te groeien. De hoeveelheid energie druk je uit in joules (J) of calorieën (cal).

Een kilojoule (kJ) is 1000 joule. Een kilocalorie (kcal) is 1000 calorieën.

1 kcal = 4,2 kJ

1 De gemiddelde energiebehoefte (in cal) per leeftijd voor jongens en meisjes

Als je evenveel energie binnenkrijgt als je verbruikt, dan is je energiebalans in evenwicht (figuur 2). Is de energieopname hoger, dan slaat je lichaam de overtollige energie op als vet. Dit gebeurt in je onderhuidse vetweefsel en rond je organen. Je wordt dan dikker. Word je te zwaar, dan heb je overgewicht. Als je te weinig energie binnenkrijgt, ben je eerder moe bij inspanning. Ook val je af. Word je te licht, dan heb je ondergewicht energiebalans

energieleverende stoffen krijg je binnen met voeding

2 Energieleverende stoffen

Te veel of te weinig

energie die je verbruikt bij activiteit

Om gezond te blijven, is het belangrijk om voldoende en gevarieerd te eten. Zo krijg je alle verschillende voedingsstoffen in de juiste hoeveelheden binnen. Als je bepaalde voedingsmiddelen maar weinig eet, kun je een tekort krijgen aan voedingsstoffen zoals ijzer of vitamine C. Een tekort aan voedingsstoffen door eenzijdige voeding noem je ondervoeding. Als je te veel van bepaalde voedingsstoffen binnenkrijgt, noem je dat overvoeding. De hoeveelheid die je gemiddeld aan voedingsstoffen nodig hebt, is de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (adh) (figuur 3).

Aanbevolen dagelijkse hoeveelheden vitaminen en mineralen van 14-17 jarigen

jongens meisjes

3 De adh van vitaminen en mineralen voor jongeren

Wanneer er voedselschaarste is, is gevarieerd eten een luxe. Mensen krijgen dan niet alleen te weinig energie binnen, maar eten ook te eenzijdig en krijgen zo een tekort aan bepaalde voedingsstoffen (figuur 4).

4 Voedselschaarste door bijvoorbeeld een slechte oogst of oorlog

Voeding en gezondheid

Je voeding heeft veel invloed op je uiterlijk en je organen, zoals je huid en hart. De lever breekt schadelijke stoffen in je voeding af. Alcohol is zo’n schadelijke stof, die giftig en verslavend is. Als iemand alcohol drinkt, komt deze stof via de maag en dunne darm in het bloed terecht en verspreidt zich zo door het lichaam. Alcohol heeft onder andere invloed op de werking van de hersenen en het gedrag. De lever kan één glas alcohol in ongeveer anderhalf uur afbreken, onafhankelijk van het geslacht of gewicht. Als de lever overbelast wordt door te veel alcohol, gaat hij steeds slechter werken. Ook medicijnen en drugs kunnen leiden tot een slecht werkende lever.

De nieren filteren je bloed. Je lichaam scheidt afvalstoffen daarna via de urine uit. Zo wordt de hoeveelheid zout in je lichaam geregeld. Voedingsmiddelen bevatten vaak meer zout dan de adh. Door te veel zout wordt de bloeddruk hoger en moet je hart harder werken. Ook je nieren moeten extra hard werken, om het zout via de urine weer kwijt te raken. Dat kan leiden tot nierschade, met als gevolg dat afvalstoffen zich ophopen in je lichaam (figuur 5).

5 Bij nierdialyse neemt een machine het werk over van slecht werkende nieren.

Voedingsmiddelen bewaren

Voedsel kan bederven door micro-organismen, zoals bacteriën en schimmels. Als je bedorven voedsel eet, kun je een voedselvergiftiging krijgen. Door producten te bewaren in de koelkast rem je het delen van micro-organismen. In een vriezer stopt het delen zelfs. Er zijn allerlei manieren om voedsel zo te bewerken dat het langer houdbaar is. Dit noem je conserveren (figuur 6). Een voorbeeld daarvan is steriliseren, waarbij door verhitting boven de 100 °C micro-organismen doodgaan. Bij pasteuriseren verhit je het voedsel tot ongeveer 72 °C. Daarbij dood je alleen micro-organismen die zich snel delen. Je kunt ook conserveermiddelen toevoegen die delingen remmen. Deze staan op het etiket met E-nummers (figuur 7).

afkoelen

18 °C vriezen 4 °C koelen

verhitten behandelen

hoger dan 100 °C 72 °C

steriliseren fermenteren

pasteuriseren

drogen

verpakken conserveermiddelen toevoegen

lang verhitten en inblikken

zuurstofarm verpakken

azijn toevoegen

suiker toevoegen

vacuüm verpakken zout toevoegen

6 Manieren van conserveren

Productinformatie

Voorgebakken worstenbroodjes

280 gram ℮

Ingrediënten: tarwebloem, water, 24% varkensvlees, paneermeel, plantaardige olie, bakkersgist, glucosestroop, dextrose, gejodeerd zout, magere melkpoeder, lupinemeel, weipoeder, suiker, tarwezetmeel, zout, scharrelei, specerijen, rundereiwit, varkenseiwit, lactose, smaakversterker (E621), emulgatoren (E450, E452, E471, E472e), conserveermiddel (E282).

7 Etiket met E-nummers

TIP Wil je meer weten over hoe je een voedingsmiddel bewaart?

Scan de QR-code.

TIP Wil je meer weten over veilig eten?

Scan de QR-code.

WIST JE DAT?

De hongerklop

Heb je weleens last gehad van een hongerklop? Dan heb je ineens geen kracht meer, je spieren trillen, je begint te zweten en je bent extreem moe. De belangrijkste oorzaak is dat je een tekort hebt aan koolhydraten als energiebron. Je lichaam schakelt dan over op vetverbranding. Dit kan een ‘energiecrash’ veroorzaken. Het beste is dan om druivensuiker, sportdrank of een banaan te nemen. Doe even rustig aan om je lichaam de tijd te geven om de suikers op te nemen. Drink iets om uitdroging te voorkomen. En zorg in de toekomst dat je op tijd eet en voldoende koolhydraten binnenkrijgt.

OPDRACHTEN

2 Energiebehoefte

Je energiebehoefte is onder andere afhankelijk van je leeftijd en hoe je bent gebouwd (lichaamsvorm).

a Noem nog twee andere factoren waarvan de energiebehoefte afhankelijk is.

b Tess ontbijt niet voordat ze naar school gaat. Leg uit waarom dat onverstandig is.

3 BMI

Louella is een vrouw van 1,65 m en wil op een gezonde manier afvallen. Ze overlegt met een diëtist over een duurzaam dieet en een beweegplan. Op aanraden van de diëtist weegt ze zich één keer per week. Ze zet de resultaten uit in een diagram.

Om het gewicht van Louella te beoordelen, gebruikt de diëtist een hulpmiddel: de bodymassindex (BMI). De BMI bereken je als volgt: BMI = gewicht in kg / (lengte in m)2

Bij een BMI van meer dan 25 heb je overgewicht. Bij een BMI van minder dan 20 heb je ondergewicht. De BMI is een handige eerste check, maar voor een écht beeld van je gezondheid moet je ook kijken naar je vetpercentage, de omvang van je buik en je bloedwaarden.

a Wat is het gewicht van Louella na 35 weken?

b Wat is haar BMI op dat moment, afgerond op één decimaal?

Schrijf je berekening op.

c Heeft Louella op dat moment een gezond gewicht?

Leg je antwoord uit.

4 Ondervoeding en overvoeding

a Wat is ondervoeding?

b Wat betekent de afkorting adh?

c Hoe kun je een tekort aan vitamine C oplopen?

d Hoe kun je een teveel aan vitamine C binnenkrijgen?

e Wat gebeurt er met een teveel aan vitamine C?

Je mag online informatie zoeken.

5 Vitamines en adh

In de tabel zie je de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (adh) voor een aantal vitaminen. Daaronder zie je een deel van een voedingsmiddelentabel.

soort vitamine adh (mg)

soort fruit gewicht

a Drie groepen voedingsstoffen zijn: beschermende stoffen, bouwstoffen en energieleverende stoffen. Tot welke groep voedingsstoffen behoren vitaminen?

b Suzanne eet op een dag drie appels. Elke appel weegt 100 gram. Hoeveel vitamine C leveren deze drie appels?

c Is dat meer, minder of evenveel als de adh?

d Welke twee vruchten van 100 gram moet je eten om precies aan de adh te komen?

6 Overgewicht

Onderzoek laat zien dat het aantal jongeren met overgewicht tussen 18 en 25 jaar in Nederland toeneemt.

a Noem twee mogelijke oorzaken van overgewicht.

b Welke voedingsstoffen zorgen ervoor dat je lichaamsgewicht toeneemt?

c Waar slaat je lichaam het teveel aan energierijke voedingsstoffen op?

d Welke gewrichten hebben veel te lijden als je overgewicht hebt?

Leg je antwoord uit.

e Wat kunnen ouders, scholen, sportclubs, gemeenten en de overheid doen om kinderen gezond te laten opgroeien?

Geef minstens drie tips.

7

Alcohol in het lichaam

Mo, Joost en Niek (zie tekening) drinken elk twee glazen rode wijn. De alcohol uit de wijn komt door de maag- en darmwand in het lichaam terecht.

een man van 60 kg bevat ongeveer 40 liter vocht

een man van 75 kg bevat ongeveer 50 liter vocht

een man van 120 kg bevat ongeveer 60 liter vocht

a Is het alcoholgehalte in het lichaam van de drie mannen hetzelfde na het drinken van de wijn?

Leg je antwoord uit.

b In hoeveel uur zijn de twee glazen wijn bij Mo afgebroken? En bij Niek?

8 Voedsel bewaren

Veel voedingsmiddelen bewaar je een tijd voordat je ze eet. Om ervoor te zorgen dat ze niet bederven, kun je ze bijvoorbeeld bevriezen, drogen of inblikken. Als dat niet zou gebeuren, zou je bijvoorbeeld doperwten alleen maar kunnen eten in het oogstseizoen van mei tot juli. In deze opdracht onderzoek je wanneer voedselgewassen worden geoogst en of ze op dit moment te koop zijn in de winkel.

Dit heb je nodig:

• de groente- en fruitkalender (scan de QR-code).

a Werk in een tweetal.

Zoek van vijf groenten of vruchten in welke maanden je ze in Nederland kunt oogsten.

Vul in het schema de oogstmaanden in met het maandnummer (januari = 1). Geef aan of er op dit moment verse Nederlandse producten in de winkel kunnen liggen.

Controledatum:

groente/vrucht oogstmaanden in Nederland status in de winkel (vers, bewaard, niet aanwezig) aardbeien

appel

bloemkool andijvie

paprika

b Noem twee manieren van conserveren die niet in de tekst hierboven staan.

c Groente en fruit kopen buiten de oogstmaanden is minder duurzaam dan in de oogstmaanden.

Leg dit uit.

9 Conserveren van melk

Melk kan zuur worden door bacteriën. Om dat te voorkomen, kun je de melk door verhitting pasteuriseren of steriliseren.

a Welke uitspraken zijn juist?

■ Door pasteuriseren rem je een sterke toename van bacteriën een paar dagen.

■ Door steriliseren rem je een sterke toename van bacteriën een paar dagen.

■ Door pasteuriseren dood je alle bacteriën.

■ Door steriliseren dood je alle bacteriën.

b Worden voedingsmiddelen in blik of glas eerst gesteriliseerd of gepasteuriseerd?

Leg je antwoord uit.

c In de supermarkt staan producten in de koeling of erbuiten in de schappen. Waar vind je in de supermarkt gesteriliseerde producten, zoals lang houdbare melk? En waar gepasteuriseerde melk?

10 Terugkijken

Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt?

Noteer 0, – –, –, + of + +.

0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed.

Je kunt ... opdrachten score extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe je energiebalans in evenwicht blijft.

2. uitleggen hoe ondervoeding of overvoeding ontstaat en welke gevolgen het heeft.

3. uitleggen dat het gebruik van alcohol, medicijnen en drugs invloed heeft op organen.

2, 3

4, 5

6, 7

4. benoemen op welke manieren je voedsel kunt conserveren. 8, 9

H11, P16

H12, P17

H13

H14, P15

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opdracht waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets.

TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 8.8 Alles in samenhang

HERHALING EN PLUS

Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Naar school

Olivier heeft voor zijn verjaardag een scooter gekregen, waarmee hij voortaan naar school gaat. Hij doet daar twintig minuten per dag over. Voor zijn verjaardag ging hij altijd op de fiets naar school, dat duurde per dag dertig minuten. Door met de scooter naar school te gaan, verbruikt Olivier per dag minder energie dan met de fiets.

(kJ/min)

a Hoeveel energie verbruikte Olivier met de fiets? Schrijf je berekening op.

b Hoeveel energie verbruikt Olivier met de scooter? Schrijf je berekening op.

c Hoeveel energie verbruikt Olivier per dag minder als hij met de scooter naar school gaat in plaats van met de fiets?

d Wat moet Olivier aanpassen om zijn energiebalans in evenwicht te houden?

● met het eten evenveel energie binnenkrijgen

● met het eten meer energie binnenkrijgen

● met het eten minder energie binnenkrijgen

15

Ten minste houdbaar tot en te gebruiken tot Op de verpakking van voedingsmiddelen staat hoelang je ze kunt bewaren: de houdbaarheidsdatum. Voor voedingsmiddelen zijn er twee soorten: ‘te gebruiken tot’ (tgt) en ‘ten minste houdbaar tot’ (tht).

a Zoek uit wat het verschil is tussen tht en tgt en voor welke voedingsmiddelen je ze gebruikt.

Je mag online informatie zoeken.

Het nieuwste advies van het Voedingscentrum op het etiket ziet er als volgt uit:

b Wat is het doel van het advies in het linkerplaatje?

c Zou jij dit advies opvolgen? Waarom wel/niet?

EXAMENOPGAVEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De ziekte van Wilson gaat maken.

8.7 Aanpassingen aan voedsel

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• aan de hand van het gebit uitleggen wat een dier eet.

• aan de hand van de bouw van het verteringskanaal uitleggen wat een dier eet.

• aan de hand van de snavel van een vogel uitleggen wat een dier eet.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

• Snavelvorm

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT

1 De tandformule van een koe

Op de foto’s zie je de onderkaken en de schedel van een koe. Een koe heeft in totaal 32 tanden.

a Vergelijk de tanden in de bovenkaak en de onderkaak. Wat valt je op?

b In de onderkaak zit per kaakhelft één kleine hoektand. De twee hoektanden zien er hetzelfde uit als de snijtanden. Je ziet ze op de tekening niet. Wat is de tandformule van deze koe?

c Misschien zijn er in het biologielokaal schedels te zien. Van welk dier? Maak van het gebit de tandformule.

Dier:

Tandformule:

THEORIE

Het gebit van zoogdieren

Zoogdieren zijn consumenten, maar eten niet allemaal hetzelfde. Je kunt ze verdelen in planteneters, vleeseters en alleseters (figuur 1). Alleseters eten zowel planten als vlees. Aan het gebit en het verteringsstelsel kun je zien wat zoogdieren eten. De bouw van het gebit en het verteringsstelsel is aangepast aan hun voedsel, dat ze daarmee goed kunnen verteren.

1 Planteneter, vleeseter en alleseter

Planteneters zoals koeien en paarden hebben platte plooikiezen met harde richels van glazuur. Bij het kauwen bewegen ze de onderkaak zo dat de richels van de kiezen loodrecht op die van de bovenkaak bewegen. Daardoor malen ze de vezels goed fijn. De snijtanden van planteneters zijn groot en sterk en kunnen de wortels, stengels en bladeren goed afbijten. Planteneters hebben meestal geen hoektanden (figuur 2).

stevige snijtanden om plantendelen af te bijten

geen of kleine hoektanden platte plooikiezen

2 Schedel met tanden van een planteneter

Vleeseters zoals katten en wolven hebben puntige knipkiezen die taaie pezen in het vlees doorknippen. Doordat de bovenkaak groter is dan de onderkaak, glijden de kiezen langs elkaar heen en werken zo als een schaar. De snijtanden zijn klein en scherp, zodat de dieren het vlees goed kunnen afbijten. De hoektanden van vleeseters zijn meestal extra groot en puntig. Ze zijn scherp en het dier gebruikt ze om de prooi vast te grijpen en te doden (figuur 3).

scherpe kleine snijtanden om stukken vlees af te bijten

grote hoektanden om een prooi te grijpen

knipkiezen om vlees te knippen

3 Schedel met tanden van een vleeseter

Alleseters zoals apen en varkens hebben knobbelkiezen. Deze kiezen zijn zo gebouwd dat ze planten goed vermalen en ook stukken vlees kunnen knippen. De snijtanden zijn klein, stomp en stevig en kunnen goed stukken voedsel afbijten. De grootte van de hoektanden is verschillend. De mens, ook een alleseter, heeft kleine hoektanden. Bij dieren zijn ze meestal wat groter en worden ze ook gebruikt als wapen tegen vijanden (figuur 4).

snijtanden om delen van planten, schimmels en

middelgrote hoektanden

knobbelkiezen om zowel planten te vermalen als vlees te knippen

4 Schedel met tanden van een alleseter

Het verteringsstelsel

Ook de bouw van het verteringskanaal laat zien wat dieren eten. Plantaardig voedsel is moeilijker te verteren dan vlees. Dit komt door de celwanden om de plantencellen heen, die bestaan uit taaie vezels van cellulose. Dierlijke cellen hebben geen celwanden. Sommige planteneters (zoals koeien, schapen en herten) zijn herkauwers. Zij kauwen het voedsel een aantal keren. Tussendoor gaat het voedsel heen en weer tussen de bek en de maag. Als het voedsel ver genoeg verteerd is, gaat het verder in het verteringskanaal. Planteneters hebben een lang verteringskanaal. Het is tien tot twaalf keer zo lang als hun lichaamslengte. Planteneters hebben dus darmen die veel ruimte innemen. Daardoor hebben ze een bolle buik (figuur 5).

5 De neushoorn is een planteneter.

Vleeseters hebben een kort verteringskanaal. Het is tussen de drie en zes keer zo lang als hun lichaamslengte. Vleeseters hebben een terugwijkende buik (figuur 6).

6 Het jachtluipaard is een vleeseter.

De lengte van het verteringskanaal van alleseters zit tussen dat van een vleeseter en een planteneter in. Het is tussen de zeven en tien keer zo lang als hun lichaamslengte. Alleseters hebben een rechte buik (figuur 7).

7 De bruine rat is een alleseter.

Snavels van vogels

De snavel van vogels dient om voedsel te grijpen, vast te pakken en in stukken te scheuren. De snavelvorm is aangepast aan het voedsel dat ze eten (figuur 8). Vogels kauwen niet, ze slikken het voedsel meteen door. Vogels hebben twee magen. De voorste maag is de kliermaag en werkt als menselijke maag. De volgende maag is de spiermaag, met een heel gespierde wand. Bij vogels die plantaardig voedsel eten, malen steentjes in de spiermaag het voedsel voordat het naar de darmen gaat. Deze vogels eten bewust steentjes en ‘kauwen’ dus met hun maag.

roodborst winterkoning

koolmees pimpelmees

merel spreeuw

mus halsbandparkiet

ekster zwarte kraai

wilde eend

fuut

knobbelzwaan

blauwe reiger

Vorm snavel Voedsel

dun en spits

insecten

kort en spits

insecten en kleine zaden

lang en spits

insecten, wormen en bessen

kort en dik

harde zaden

spits, groot en stevig

platte zeef

zeer spits en lang

insecten, aas, bessen en grote zaden

kleine waterplanten

vis (reiger eet ook muizen en kikkers)

krom, scherp en puntig

torenvalk buizerd

8 Overzicht vogelsnavels en voedsel

vlees

WIST JE DAT?

Olifanten wisselen kiezen

Olifanten eten zo’n 160 kilogram planten op een dag en poepen wel twee of drie keer. Ze hebben veel energie nodig voor hun grote lichaam. Door al het kauwen slijten hun plooikiezen af. Een versleten kies wordt langzaam vervangen door een nieuwe. Deze kiezen komen niet door vanuit de kaak (zoals bij de mens), maar verplaatsen zich van achter naar voren in de bek. De oude kies valt uit of de olifant slikt hem door. Dit gebeurt ongeveer om de tien jaar. Als de olifant zijn laatste set kiezen heeft versleten, is hij ongeveer 60 jaar oud. Hij kan dan geen voedsel meer kauwen en gaat uiteindelijk dood.

De kiezen van een olifant

OPDRACHTEN

2 Vleermuizen

Vleermuizen komen in grote delen van de wereld voor. Sommige soorten in de tropen leven van vruchten of van nectar en stuifmeel. Er zijn ook vleermuizen die vlees eten, zoals vissen of kikkers. In Nederland zijn de meeste vleermuizen vleeseters. Ze jagen ’s nachts op insecten.

a Hoe noem je vleermuizen die alleen vruchten en nectar eten?

● alleseters

● planteneters

● vleeseters

b In de afbeelding zie je de kaak van een vleermuis.

Welk soort voedsel eet deze soort vleermuis?

Noem een eigenschap van het gebit waaraan je dat kunt zien.

3 Kauwende zoogdieren

Op de foto zie je de onderkaak van een zoogdier.

a Is het voedsel dat dit dier eet vooral plantaardig of vooral dierlijk?

Leg je antwoord uit.

b Welke pijl geeft de richting aan waarmee dit dier bij het kauwen de onderkaak langs de bovenkaak beweegt?

Leg je antwoord uit.

c De bovenkaak en de onderkaak van dit dier zien er hetzelfde uit. Wat is de tandformule van het dier?

4 Schedels en darmlengte

Op de foto's zie je drie schedels van zoogdieren.

Zet in de juiste volgorde: van het dier met een in verhouding korte darm naar het dier met een in verhouding lange darm.

5 Verteringskanaal en gebit

Bij onderzoek van twee zoogdieren blijkt het volgende:

1 Dier P en Q zijn even groot.

2 Het verteringskanaal van dier P is veel langer dan het verteringskanaal van dier Q.

3 Dier Q heeft knobbelkiezen.

a Wat voor dier is dier Q?

● een planteneter

● een vleeseter

● een alleseter

b Welke soort kiezen heeft dier P waarschijnlijk en welke soort voedsel eet dit dier?

● knipkiezen, dierlijk voedsel

● knipkiezen, plantaardig voedsel

● plooikiezen, dierlijk voedsel

● plooikiezen, plantaardig voedsel

6 Een vogelsnavel

De vorm van de snavel past bij het voedsel dat de vogel eet.

a Maak de juiste combinaties.

lang en spits

platte zeef

spits en dun

•

• vis, muizen, kikkers

• • harde zaden

• • insecten, wormen en bessen krom, scherp en puntig

•

spits, groot en stevig

heel spits en lang

insecten en kleine zaden

• • insecten

•

• kleine waterplanten kort en dik

kort en spits

• • insecten, bessen, aas, grote zaden

• • vlees

b Op de foto zie je de snavel van een vogel.

Voor welk voedsel is deze spitse snavel geschikt?

● het eten van insecten

● het eten van planten

● het eten van grote harde zaden

● het verscheuren van dieren

7 Kauwen

Door te kauwen, wordt het voedsel kleiner.

a Vogels kunnen niet kauwen.

Waarom niet?

b Op welke manier maken vogels hun voedsel dan wel klein?

8 Terugkijken

Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt?

Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed.

Je kunt ... opdrachten score extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. aan de hand van het gebit uitleggen wat een dier eet.

2, 3

2. aan de hand van de bouw van het verteringskanaal uitleggen wat een dier eet. 4, 5

3. aan de hand van de snavel van een vogel uitleggen wat een dier eet. 6, 7

H11, P15

H12, P16

H13, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opdracht waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets.

TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 8.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS

Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11 Resten van uitgestorven dieren

In Azië is een kaakbeen met kiezen van een oerwalvis gevonden (zie tekening). Men schat dat de resten 48 miljoen jaar oud zijn. In Nederland worden regelmatig resten gevonden van uitgestorven mammoeten. In de tekening zie je een schedel en een kies van zo’n mammoet.

mammoet kiezen oerwalvis mammoetkies bovenaanzicht

Was het voedsel van de oerwalvis dierlijk of plantaardig? En van de mammoet?

Leg je antwoord uit.

15 Honden- en kattenvoer

Honden en katten hebben allebei het gebit van een vleeseter. Toch is honden- en kattenvoer verschillend van samenstelling. Hoe zit dat?

Je mag online informatie zoeken.

Dit ga je doen:

1 Werk in een tweetal.

2 Zoek uit wat het verschil in samenstelling is.

3 Zoek uit wat duurder is: hondenvoer of kattenvoer.

4 Beantwoord de volgende vragen.

a Welke bewering is juist?

● Hondenvoer is alleen geschikt voor honden, niet voor katten.

● Kattenvoer is alleen geschikt voor katten, niet voor honden.

b Leg je antwoord uit.

c Wat zal duurder zijn, honden of kattenvoer?

Leg uit waarom.

EXAMENOPGAVEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Vossen in de duinen gaat maken.

8.8 Alles in samenhang

TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE

1 Voeding en verteren

Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'.

Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Voeding en verteren en andere hoofdstukken?

Noteer je antwoorden in de vakjes.

H7 Waarnemen en reageren: voedingsgedrag

H9 Ademhalen en verbranden: energie

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd?

Noteer je antwoorden in de vakjes.

Kijk terug naar paragraaf 2, 3 en 4.

Door verteren neem je voedingsstoffen op.

Kijk terug naar paragraaf 2, 5 en 6.

Gezond eten is belangrijk.

Kijk terug naar paragraaf 4, 6

De lever breekt schadelijke stoffen af.

Kijk terug naar paragraaf 5 en 7.

Aan de bouw zie je wat dieren eten.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Waarom kun je niet zonder voedsel?

Wat is nu je antwoord op de grote vraag?

Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN

Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Darmbacteriën gaat maken.

Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

8.9 Examenopgaven

Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter in deze paragraaf voor de hints bij elke opgave.

VOEDINGSMIDDELEN EN VOEDINGSSTOFFEN

1 Eten koken

Uit: Examen KB 2021-1

Ruben wil gezond eten. Hij zoekt informatie op over de voedingswaarden van enkele voedingsmiddelen.

Voedingswaarde per 100 gram gekookt voedingsmiddel.

aardappelen rijst

1p

1p

a In de tabel ontbreken gegevens van een bepaalde groep voedingsmiddelen. Schrijf de naam op van de ontbrekende groep voedingsstoffen.

b Ruben bereidt een maaltijd die bestaat uit 150 gram aardappelen, 200 gram bloemkool en 75 g karbonade.

Hoeveel energie bevat deze maaltijd?

1608 kJ

1708 kJ

1808 kJ

1908 kJ

1p

c Ruben heeft aardappelen gekozen in plaats van rijst, omdat hij die gezonder vindt. Geef met behulp van de informatie een reden waarom Ruben aardappelen gezonder vindt dan rijst.

VERTEREN VAN MOND TOT MAAG

2 Melk

Uit: Examen KB 2014-2

In de afbeelding staan enkele gegevens over de voedingswaarde van halfvolle melk.

3,5% eiwitten

1,5% vetten

4,8% koolhydraten

0,7% vitamines en mineralen

1p

1p

a Enkele van de voedingsstoffen in melk kunnen pas in het bloed opgenomen worden nadat ze zijn verteerd, bijvoorbeeld koolhydraten. Andere voedingsstoffen, zoals vitamines, kunnen direct in het bloed opgenomen worden. Welke van de overige voedingsstoffen uit de afbeelding kunnen ook direct opgenomen worden in het bloed?

● alleen eiwitten

● alleen mineralen

● alleen vetten

● eiwitten en mineralen

● eiwitten en vetten

● mineralen en vetten

b De vertering van een deel van de voedingsstoffen in melk begint in de maag door enzymen in het maagsap. Naast enzymen bevat het maagsap ook zuur. Wat is de functie van maagzuur?

VERTEREN VAN MAAG

3 Galstenen

Uit: Examen KB 2023-1

Soms ontstaan er vaste deeltjes in de gal die is opgeslagen in de galblaas. Deze deeltjes worden galstenen genoemd. Als een galsteen in de afvoerbuis van de galblaas terechtkomt, kan de gal niet goed doorstromen. De spijsvertering werkt dan minder goed.

a Geef de naam van het orgaan dat gal maakt.

b In welk deel van het verteringsstelsel komt de gal bij het voedsel?

● in de dikke darm

● in de maag

● in de slokdarm

● in de twaalfvingerige darm

c Je ziet de Schijf van Vijf. De Schijf van Vijf bestaat uit vijf groepen voedingsmiddelen.

Als er weinig gal is, worden bepaalde voedingsstoffen minder goed verteerd. Welke voedingsstoffen worden dan minder goed verteerd?

Noteer ook het nummer van de groep waarin voedingsmiddelen met vooral die voedingsstoffen zitten.

Schrijf je antwoord zo op:

Naam voedingsstoffen: ...

Zitten vooral in groep: ...

groep 5
groep 1
groep 2
groep 3
groep 4

1p

4 Een tandvleesontsteking

Uit: Examen KB 2017-1

Als je je tanden niet goed poetst, kunnen bacteriën die in de tandplak achterblijven een tandvleesontsteking veroorzaken. Ook een schimmel kan de oorzaak zijn van een ontsteking van het tandvlees.

a Edwin heeft een tandvleesontsteking. Om de oorzaak te achterhalen wordt wat slijm uit zijn mond onderzocht. In het slijm zijn cellen aanwezig met een celkern en een celwand.

Kunnen deze cellen bacteriën zijn? En kunnen het schimmelcellen zijn?

● geen bacteriën en geen schimmelcellen

● alleen bacteriën

● alleen schimmelcellen

● zowel bacteriën als schimmelcellen

b Onderzoek toont aan dat een verminderde speekselproductie een oorzaak is van de tandvleesontsteking van Edwin.

Leg uit dat verminderde speekselproductie kan leiden tot een tandvleesontsteking.

GEZOND ETEN

1p 1p

5 De ziekte van Wilson

Uit: Examen KB 2016-2

Je lichaam heeft een kleine hoeveelheid koper nodig. Dit koper neem je op uit je voedsel. De lever voert overtollig koper af naar de twaalfvingerige darm. Bij mensen met de ziekte van Wilson is de lever niet in staat het teveel aan koper uit te scheiden. Koper hoopt zich dan op in de lever en in andere delen van het lichaam en kan daar schade veroorzaken. Iemand met de ziekte van Wilson moet erop letten niet te veel koper op te nemen met het voedsel.

De ziekte van Wilson kan schade aan de lever en aan de nieren tot gevolg hebben. Als je let op de hierboven genoemde taak van de lever, kun je de lever tot hetzelfde orgaanstelsel rekenen als de nieren.

Wat is de taak van dit orgaanstelsel?

AANPASSINGEN AAN

6 Vossen in de duinen

Uit: Examen KB 2015-2

In een duingebied doen enkele biologen onderzoek naar het voedsel dat vossen gegeten hebben. Ze bekijken hiervoor de maaginhoud van dode vossen. Daarnaast verzamelen ze vossenkeutels en onderzoeken die.

rode vos Rode vos

1p

1p

a Aan de inhoud van een vossenmaag kunnen de biologen beter zien wat het dier gegeten heeft dan aan zijn keutels.

Leg uit dat voedselresten uit de maaginhoud beter te herkennen zijn dan voedselresten uit keutels.

2p

b Vossen eten vooral dierlijk voedsel, bijvoorbeeld konijnen. Dat ze vooral vlees eten is te zien aan de kiezen van een vos.

Welk type kiezen heeft een vos?

● knipkiezen

● knobbelkiezen

● plooikiezen

c Een jaar lang verzamelen de biologen om de twee maanden keutels uit drie verschillende terreinen van het duingebied. Op elk terrein rapen ze steeds 50 keutels per keer. Ze noteren wat ze in de keutels aantreffen.

Een deel van de resultaten staat in het diagram.

25 50 75 100 deel van de keutels waarin konijnenresten voorkomen (%) maanden

Legenda: terrein 1 terrein 2 terrein 3

dec/jan feb/mrt apr/mei jun/jul aug/sep okt/nov

Hoeveel keutels verzamelen de biologen in dit jaar in totaal?

Leg je antwoord uit met een berekening.

ALLES IN SAMENHANG

7 Darmbacteriën

Uit: Examen KB 2016-1

In de dikke darm breken bacteriën onverteerde voedselresten af. Daarbij komen veel gassen vrij. Deze gassen kunnen zich ophopen in het laatste deel van de darmen. Als iemand een wind laat, komen deze gassen via de anus naar buiten.

1p

a In de afbeelding zie je een deel van het verteringsstelsel.

1p

De letter P geeft een deel van de darmen aan waarin gassen zich kunnen ophopen. Hoe heet dit deel tussen de dikke darm en de anus?

b Eén van de gassen in een wind is koolstofdioxide. Dit gas ontstaat als bacteriën glucose afbreken met behulp van zuurstof. Bij dit proces komt energie vrij. Geef de naam van dit stofwisselingsproces.

Leg uit waardoor de meeste bacteriën uit die zuiveldrankjes niet levend in de twaalfvingerige darm aankomen. 2

c Darmbacteriën maken enzymen om stoffen in onverteerde voedselresten af te breken.

Verteringssappen die door verteringsklieren van de mens gemaakt worden, bevatten ook enzymen voor de afbraak van voedingsstoffen.

Noem twee verteringssappen die verteringsenzymen bevatten.

d Er zijn verschillende zuiveldrankjes te koop die zeer veel bacteriën bevatten. De fabrikanten van de drankjes beweren dat deze bacteriën een positieve invloed hebben op de werking van de darmen. De meeste van die bacteriën komen echter niet levend in de twaalfvingerige darm aan na inname via de mond.

HINTS BIJ EXAMENOPGAVEN

Eten koken

• vraag a: IJzer en kalk horen bij deze groep.

• vraag b: In de tabel staat alles per 100 gram, 200 gram is twee keer zoveel.

• vraag c: Vergelijk de getallen in de tabel, een aantal getallen bij aardappelen is gezonder.

Melk

• vraag a: Stoffen die oplossen in water.

• vraag b: Welke organismen worden gedood?

Galstenen

• vraag a: Dat orgaan is niet de galblaas.

• vraag b: Het half verteerde voedsel komt uit de maag in deze darm.

• vraag c: Gal emulgeert vetten.

Een tandvleesontsteking

• vraag a: Alleen bacteriën hebben geen celkern.

• vraag b: Een ontsteking wordt door bacteriën veroorzaakt.

De ziekte van Wilson

• vraag a: De nieren behoren tot het uitscheidingsstelsel.

Vossen in de duinen

• vraag a: Waar is de vertering het verst?

• vraag b: De kiezen van vleeseters zijn puntig.

• vraag c: De onderzoekers rapen zes keer.

Darmbacteriën

• vraag a: Hier wordt de poep opgeslagen.

• vraag b: Glucose is de brandstof.

• vraag c: Die sappen worden gemaakt door verteringsklieren.

• vraag d: Bacteriën worden gedood door een zuur.

15 tot 25 testvragen

Slim leren, zeker slagen

Score per examenonderwerp

Gericht verder leren en oefenen

Gratis quickscan Test snel je kennis

Wil je snel inzicht in wat je al beheerst van de examenstof en waar je nog aan moet werken? Maak per vak de gratis quickscan op examenbundel.nl/quickscan en check hoe je ervoor staat.

Met handige verw�zingen naar de leerstof in Samengevat!

#ikgazekerslagen

Slim leren, zeker slagen met Examenbundel

Op examenbundel.nl vind je niet alleen de beste producten om je voor te bereiden op het examen, maar ook gratis examentips en meer. Weet je niet waar je moet beginnen? Maak eerst de quickscan!

Vi·vo - ik leef; levend

Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.

De biologie van je leven

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook