Skip to main content

Traject Welzijn Zorg voor omgeving PW

Page 1

BASISBOEK NIVEAU 3 &  4

Zorg voor de omgeving PW

pedagogisch werk


Zorg voor de omgeving PW NIVEAU 3&4


THEORIEBOEK

NIVEAU 3&4

Zorg voor de omgeving PW J.H.M. JACOBS-LAAGLAND Onder redactie van: M.H.A.J. GLOUDEMANS R.F.M. VAN MIDDE

pedagogisch werk


Colofon Auteur

Fotografie

J.H.M. Jacobs-Laagland

KHW-Geschwenda © blz. 72 (onder) Marijke van Eijkeren © blz. 14, 22, 28

Redactie

Mirador Media / Anke Gielen, Koen Bakx, Maria van der

M.H.A.J. Gloudemans

Heyden © blz. 26, 61 (links), 69, 70, 76

R.F.M. van Midde

Remko Scheepens Fotografie © blz. 64 Shutterstock © blz. 12, 17, 56, 61 (rechts), 71 (3x), 72 (boven),

Taalkundige redactie

73, 101, 103, 109 (links), 115

Op schrift, Enschede

Met dank aan Professor Groenschool te Amsterfoort en Kinderopvang ‘Op de boerderij’ te Herpen.

Vormgeving en omslag Studio Fraaj, Rotterdam Fotografie omslag Mathilde Karrèr Photography, Rotterdam Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort Illustraties Cartoons © Roel Seidell, Nijmegen Technisch tekenwerk © TiekstraMedia, Groningen

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 033 448 38 00 ISBN 978 90 066 2222 5 Eerste druk, eerste oplage, 2016 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2016 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www. auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Ten geleide

De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor Maatschappelijke zorg, Pedagogisch werk en Sociaal werk aangepast aan de ontwikkelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitgewerkt in nieuwe kwalificatiedossiers. Deze kwalificatiedossiers, opgebouwd uit kerntaken en werkprocessen, vormen de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen binnen Welzijn. De leermiddelen van Traject Welzijn zijn ontwikkeld voor en sluiten aan bij deze kwalificatiedossiers. De Pedagogisch werker Pedagogisch werkers werken in de kinderopvang, het onderwijs of in een combinatievorm van beide. De student kan kiezen voor het profiel pedagogisch medewerker kinderopvang, gespecialiseerd medewerker kinderopvang of onderwijsassistent. De doelgroep van de pedagogisch werker is zeer divers, en bestaat onder andere uit: • kinderen tot twaalf jaar zonder problemen; • kinderen tot twaalf jaar met een achterstand, een leer- of gedragsprobleem; • jongeren vanaf twaalf jaar zonder problemen; • jongeren met gedrags- en opvoedingsproblemen; • kinderen en jongeren met een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperking. Het kwalificatiedossier Pedagogisch werk vormt de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen voor beroepen in dit domein. Het leermiddelenaanbod voor de opleiding Pedagogisch werk – die deel uitmaakt van Traject Wel-

zijn – is gebaseerd op vier belangrijke uitgangspunten: • de leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Het beroepsonderwijs binnen Traject Welzijn wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de ondersteuningsvragen en door de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt; • sterk didactisch concept. De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van mbo-studenten. Traject Welzijn houdt rekening met de verschillende leerstijlen van mbo-studenten en verschillende onderwijsstijlen van docenten; • bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de basisfase en de profielfase; • er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4. Het didactisch concept van Traject Welzijn gaat nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt. Traject Welzijn houdt bovendien rekening met de mbo-student door het taalniveau (2F voor de basisfase, 3F voor de profielfase niveau 4) af te stemmen op de doelgroep en door (praktijk) voorbeelden en (praktijk)opdrachten zo te formuleren dat de mbo-student zich aangesproken voelt. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel mbo-studenten met een meer theoretische, als mbo-studenten met een meer praktische inslag er gebruik van kunnen maken. Traject Welzijn is inzetbaar binnen elk didactisch model en biedt


de docent de ruimte om zelf invulling te geven aan zijn rol. Traject Welzijn sluit volledig aan bij actuele opvattingen over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat er gewerkt wordt met uitgaven die ingedeeld zijn in thema’s die bestaan uit theorie en de daarbij behorende verwerkingsopdrachten, praktijksituaties en evaluatie middels de studiehulp. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de houdingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening. Theoretische onderbouwing Het onderdeel ‘theorie’ voor de basisfase Pedagogisch werk bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij de betreffende werkprocessen. De leerstof bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De theorieboeken voor de profielfase Pedagogisch werk gaan verdiepend in op de verschillende profielen die worden onderscheiden: P1: Pedagogisch medewerker kinderopvang P2: Gespecialiseerd pedagogisch medewerker P3: Onderwijsassistent Werkboeken De werkboeken sluiten, dankzij hun thema- en hoofdstukindeling, naadloos aan bij de leerstof en indeling van de theorie. Dit geldt zowel voor de leermiddelen gericht op de basisfase als voor de leermiddelen gericht op de profielfase. Via de werkboeken kunnen de studenten zich de leerstof eigen maken door middel van: • verwerkingsopdrachten voor de leerstof in de theorie; • praktijksituaties met opdrachten. De praktijksituaties geven realistische beschrijvingen van de praktijk in het Pedagogisch werk. Hierin komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van hen

verwacht wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen; • het aanleren van beroepsvaardigheden. Het onderdeel ‘vaardigheden’ biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden; • thema-opdrachten gericht op integrale verwerking van de afzonderlijke thema’s; • evaluatie met behulp van de studiehulp en reflectie. Deze onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject Welzijn. De combinatie van deze onderdelen maakt het leren vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een onderwijssituatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden. Wij hopen dat gebruikers, zowel mbo-studenten als docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject Welzijn kunnen werken. Heeft u vragen of suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.

Amersfoort, 2016 Redactie en uitgever


Inhoud

Thema 1 Ruimte en inrichting 1 1.1 1.2 1.3

1.4

1.5 1.6 1.7

2 2.1 2.2

13

Een functionele en sfeervolle ruimte 14 Inleiding 15 Voorbereiding 15 Praktische inrichting 16 1.3.1 Meubels op een logische plek 17 1.3.2 Aparte hoeken maken 18 1.3.3 Een gevoel van ruimte creëren 18 1.3.4 Gebruikers betrekken bij de inrichting 18 1.3.5 Opbergmeubels 19 1.3.6 Inrichten van een werkplek 20 Kleurgebruik en sfeer 21 1.4.1 Muren en plafond 21 1.4.2 De vloer 22 1.4.3 Gordijnen 22 1.4.4 Accessoires 23 1.4.5 Verlichting 23 Slaapkamers inrichten 23 Speciale doelgroepen 24 Inrichting van de buitenruimte 25 1.7.1 Zones 25 1.7.2 Rekening houden met de seizoenen 25 Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen 28 Inleiding 29 Baby’s en peuters in de dagopvang 29 2.2.1 Ruimte voor baby’s 30 2.2.2 Ruimte voor peuters 30 2.2.3 Inrichting die past bij visie 31 2.2.4 Regels en structuur in de ruimte 31 2.2.5 Motoriek ontwikkelen 32 2.2.6 Inrichting die aansluit bij behoeften 33 2.2.7 Een uitdagende buitenruimte 35

1 7


2.3

2.4

Ruimten voor basisschoolkinderen 35 2.3.1 Uitdagend en veilig 36 2.3.2 Aansluiten bij de bewegingsbehoefte 2.3.3 Aansluiten bij de leeftijd 37 2.3.4 De leeromgeving 37 2.3.5 De buitenschoolse opvang 39 Leeromgevingen in het voortgezet onderwijs

Begrippen

36

40

42

Thema 2 Spel- en ontwikkelingsmaterialen 3 3.1 3.2 3.3 3.4

3.5 3.6

3.7 4 4.1 4.2 4.3 4.4

4.5

45

Spel- en ontwikkelingsmaterialen in de reguliere opvang Inleiding 47 Ontwikkelingsmaterialen 47 Spelmaterialen 48 Spelen en ontwikkelen 48 3.4.1 Spelen 49 3.4.2 Ontwikkelen 49 3.4.3 Leren 49 3.4.4 Conformeren 50 Voor- en vroegschoolse educatie 50 Soorten materialen 51 3.6.1 Speelgoed 52 3.6.2 Creatieve materialen 52 3.6.3 Gezelschapsspellen 53 3.6.4 Multimedia 53 3.6.5 Kinderboeken 54 3.6.6 Spelmaterialen in de buitenruimte 54 Buitenschoolse opvang 55

46

Spel- en ontwikkelingsmaterialen op de basisschool en in het vervolgonderwijs Inleiding 57 Ontwikkelingsmaterialen voor schoolkinderen 57 Leermiddelen 58 Kerndoelen 59 4.4.1 Nederlandse taal 59 4.4.2 Engelse Taal 59 4.4.3 Rekenen en wiskunde 60 4.4.4 OriĂŤntatie op jezelf en de wereld 60 4.4.5 Kunstzinnige oriĂŤntatie 60 4.4.6 Sport en bewegen 62 Ontwikkelingsmaterialen in het vervolgonderwijs 63

1 8

56


5 5.1 5.2

5.3

Spel- en ontwikkelingsmaterialen in de gespecialiseerde kinderopvang en het speciaal onderwijs 64 Inleiding 65 Materialen in de gespecialiseerde kinderopvang en het speciaal basisonderwijs 65 5.2.1 Ge誰ntegreerde opvang versus doelgroepenopvang 66 5.2.2 Het medisch kinderdagverblijf 67 5.2.3 Het kinderdagcentrum 67 5.2.4 Speciaal basisonderwijs, clusterscholen 67 Soorten materialen 69

Begrippen

75

Thema 3 Schoon en ordelijk 6 6.1 6.2

6.3

7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6

77

Een schone en ordelijke omgeving 78 Inleiding 79 Opgeruimd, schoon en verzorgd 79 6.2.1 Een vaste plek 79 6.2.2 Schoon 80 6.2.3 Verzorgd 81 Samenwerken 81 6.3.1 Taakverdeling en afspraken 81 6.3.2 Samen houd je de ruimte opgeruimd

82

7.7 7.8

Onderhoud van de ruimte en materialen Inleiding 84 Schoonmaakprotocol 84 Schoonmaakfrequentie 84 Werkplanning 86 Schoonmaakmethoden 86 Schoonmaakmaterialen 87 7.6.1 Hulpmiddelen 87 7.6.2 Schoonmaakmiddelen 88 7.6.3 Kleurcode 89 Ergonomisch en veilig werken 90 Milieu 91

8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Ondersteunen en begeleiden bij een schone en ordelijke omgeving Inleiding 93 Kleine kinderen in de kinderopvang 93 Kinderen op de basisschool 94 Kinderen met beperkingen 95 Jongeren 96

Begrippenlijst

83

97

1 9

92


Thema 4 9 9.1 9.2

9.3

9.4

9.5 9.6 9.7

9.8 10 10.1 10.2

10.3 10.4

Veilig en gezond

99

Veiligheid en gevaar 101 Inleiding 102 Veilige omgeving 102 9.2.1 Zorgen voor een veilige omgeving 102 9.2.2 Regels 103 9.2.3 Risico-inventarisatie 105 9.2.4 Leren omgaan met gevaar 105 9.2.5 Afspraken 106 9.2.6 Op de juiste manier reageren 106 9.2.7 Incidentmelding en incidentanalyse 107 Veilig buiten spelen 107 9.3.1 Omheining 107 9.3.2 Speeltoestellen 107 9.3.3 Ondergrond en beplanting 109 9.3.4 Toezicht en regels 109 9.3.5 Uitstapjes 110 9.3.6 Verkeer 111 Voorkomen van gevaar 111 9.4.1 Het gedrag van de doelgroep 111 9.4.2 Je eigen gedrag 112 9.4.3 Ongevallen voorkomen 112 Gevaarlijke stoffen 113 Elektriciteit 114 Brand 114 9.7.1 Spelen met vuur 115 9.7.2 Open vuur 116 9.7.3 Veiligheidsmaatregelen 116 9.7.4 Hoe te handelen bij brand 116 Bedrijfshulpverleners 117 Hygiënisch en gezond 118 Inleiding 119 Hygiëne 119 10.2.1 Hygiënisch handelen bij lichamelijke verzorging 10.2.2 Houd de ruimten goed schoon 120 10.2.3 Ga hygiënisch om met levensmiddelen 120 Gezond binnenklimaat 120 Ergonomisch werken 122

1 10

119


11 11.1 11.2 11.3

Het milieu is onze verantwoordelijkheid Inleiding 124 Bewust kopen 124 Bewust gebruik van materialen 125

Begrippenlijst

Register

123

127

128

1 11


1 1


1 THEMA

Ruimte en inrichting

Kern

Een goede inrichting van de verblijfsruimte is belangrijk voor kinderen om er fijn te spelen en te leren. Dat geldt zowel voor de kinderopvang als op school. Vaak wordt een ruimte voor meerdere activiteiten gebruikt. Met de inrichting houd je daar rekening mee. De inrichting van een ruimte moet functioneel, maar ook sfeervol zijn. Het is belangrijk dat de kinderen en jongeren zich in de ruimte optimaal kunnen ontwikkelen. Bovendien wil jij als pedagogisch medewerker kinderopvang, gespecialiseerd pedagogisch medewerker of onderwijsassistent natuurlijk prettig kunnen werken in de ruimte.

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen Je hebt kennis van de doelgroep nodig om een ruimte goed in te richten. Je moet weten in welke ontwikkelingsfase kinderen zijn en waaraan zij in die fase behoefte hebben. Je kunt vaak in één oogopslag al zien voor welke doelgroep de ruimte bedoeld is. Ruimtes voor baby’s zijn anders ingericht dan een peuterspeelzaal, basisschool of middelbare school. Elke doelgroep heeft namelijk een andere ontwikkelingsbehoefte. De buitenschoolse opvang, waar kinderen in hun vrije tijd zijn is vaak huiselijk ingericht.

Beroepshouding

Een functionele en sfeervolle inrichting Voordat je een ruimte gaat inrichten bedenk je wat de functie is en wie er gebruik van maken. Ook houd je rekening met randvoorwaarden, zoals het budget. Je wilt een ruimte zo inrichten dat de doelgroep uitgedaagd en gestimuleerd wordt om activiteiten te ondernemen. Ook wil je de inrichting gemakkelijk kunnen aanpassen aan de activiteiten die je in de ruimte gaat doen. Een prettige sfeer is belangrijk om je prettig te voelen in een ruimte. Sfeer in de ruimte kun je creëren met kleuren en allerlei accessoires, zoals kussentjes en posters.

Je zorgt ervoor dat de inrichting van de ruimte past bij de activiteiten. Je helpt mee om een prettige sfeer in de ruimte te creëren. Je richt de ruimte zo in dat kinderen en jongeren zich optimaal kunnen ontwikkelen. Je evalueert regelmatig met je collega’s of de inrichting nog optimaal is.

1 13


1 Een functionele en sfeervolle ruimte Een nieuwe inrichting Farida werkt als pedagogisch medewerker bij peuterspeelzaal Nijntje. Er is budget voor een nieuwe inrichting van de ruimte. Farida en haar collega’s mogen daarover meedenken. Samen met haar collega’s tekent ze eerst een plattegrond. Daarop staan de afmetingen van de ruimte en alle vaste onderdelen zoals wastafels en stopcontacten. Daarna maken ze met elkaar een lijst met alle activiteiten die de kinderen doen. Ze moeten kunnen bewegen, maar er moet ook plek zijn voor rustige activiteiten. Daarom gaan ze aparte hoeken maken voor verschillende activiteiten. De glijbaan moet natuurlijk voldoende ruimte hebben. De poppenhoek maken ze knus door er lage kastjes omheen te zetten. Dan kunnen de leidsters de kinderen toch goed zien als ze daar spelen. In de leeshoek komt een bank met veel kussens. Natuurlijk moeten er ook voldoende opbergmeubels zijn. Schuifdeurtjes zijn handig, zodat kinderen zelf hun spulletjes kunnen pakken en opruimen. Ook mogen Farida en haar collega’s meedenken over de kleuren. Zachtgeel op de muren vinden ze mooi. Veel speelgoed is fel van kleur en dan is een rustige kleur op de wand prettig. Bovendien lijkt de ruimte er groter door. Farida komt erachter dat er veel is om over na te denken als je een ruimte opnieuw gaat inrichten.

1 14


1

1.1

Inleiding

maken er gebruik van de ruimte? Wat zijn activiteiten die er plaatsvinden?

Door de juiste keuzes te maken, kun je van elke ruimte een fijne plek maken om te werken met kinderen of jongeren. Voordat je gaat beginnen met het inrichten van de ruimte denk je na over de functie van de ruimte en de doelgroep. Ook bekijk je met welke randvoorwaarden je te maken hebt, zoals het budget en de grootte van de ruimte. In een ruimte vinden vaak verschillende activiteiten plaats, daarom is een praktische inrichting belangrijk. Maar natuurlijk wil je ook dat de ruimte een sfeer uitstraalt die past bij de doelgroep. Met kleurgebruik en accessoires kun je veel bereiken. In de kinderopvang slapen de jonge kinderen ook. Je wilt dat de kinderen zich veilig en vertrouwd voelen in de slaapruimte. Speciale doelgroepen, zoals kinderen in een rolstoel of kinderen met een allergie stellen weer andere eisen aan de inrichting van een ruimte. Van de buitenruimte kun je met weinig middelen een avontuurlijke en uitdagende plek maken voor kinderen. Het is belangrijk dat ze lekker kunnen bewegen, maar de buitenruimte moet ook veilig zijn. Je kunt daar met een goede inrichting voor zorgen.

Functie en doelgroep De functie van de ruimte en de doelgroep zijn bepalend bij het inrichten van een ruimte. Een klas op de basisschool of in het beroepsonderwijs, richt je anders in dan een peuterspeelzaal of de ruimte voor de buitenschoolse opvang. Je houdt rekening met de smaak en voorkeur van iedereen die de ruimte gebruikt. Je houdt ook rekening met de leeftijd en de achtergrond van de gebruikers. Je houdt ook rekening het aantal kinderen dat tegelijkertijd van de ruimte gebruikmaakt. Het kan voorkomen dat verschillende gebruikersgroepen dezelfde ruimte gebruiken. We spreken dan van een multifunctionele ruimte. Dat wil zeggen geschikt voor meerdere doeleinden. Denk hierbij aan de ruimte in een sociaal-cultureel centrum die ’s morgens als peuterspeelzaal wordt gebruikt, ’s middags als buitenschoolse opvang en ’s avonds voor de bingoavond of kaartavond van de buurtbewoners. Bij de inrichting let je erop dat de ruimte zonder al te veel inspanning kunt aanpassen aan de gebruikersgroep. Randvoorwaarden Als je gaat nadenken over de (her)inrichting van een ruimte heb je altijd te maken met randvoorwaarden. Voorbeelden van randvoorwaarden zijn: de grootte van de ruimte, je kunt een plattegrond maken met de afmetingen van de ruimte; vaste elementen in de ruimte, zoals wasbakken of tussenmuurtjes; beschikbare meubels en accessoires zoals vloerkleden en schilderijen; beschikbaar budget om te besteden aan de (her) inrichting. Er is natuurlijk een verschil tussen het herinrichten van een ruimte en het helemaal opnieuw aankleden en inrichten van een ruimte. Bij de herinrichting ga je de meubels bijvoorbeeld op

Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • voorbereiding; • praktische inrichting; • kleurgebruik en sfeer; • inrichten van een werkplek; • slaapkamers inrichten; • speciale doelgroepen; • inrichting van de buitenruimte.

1.2

Een functionele en sfeervolle ruimte

Voorbereiding

Als je een ruimte wilt inrichten of veranderen, begin je met het stellen van vragen zoals: wie

1 15


Ruimte en inrichting

een andere manier in de ruimte zetten. Misschien mag je de muur in een andere kleur verven? Als je een ruimt helemaal opnieuw mag inrichten en aankleden, dan heb je met hele andere keuzes te maken. Wat komt er op de vloer? Welke kleur gordijnen komen er? Welke meubels ga je aanschaffen? Bij alle keuzes die je samen met je collega’s maakt is het belangrijk dat de inrichting praktisch is, zodat de gebruikers en jij er prettig in kunnen spelen, leren en werken.

belangrijk zijn. Waar is bijvoorbeeld het toilet, de keuken of de natte ruimte? Is er een gang die je bij de leefruimte kunt betrekken of een ruimte buiten? Het is ook handig om in te tekening te zetten waar het zuiden is. Dan weet je hoe de lichtinval is. Een plattegrond kun je het best met potlood op ruitjespapier tekenen. Je maakt de tekening op schaal. Een schaal van 1:100 wil zeggen dat 1 cm op papier in werkelijkheid 100 cm is. Als je het nog duidelijker wilt maken, kies je voor een schaal van 1:25 of 1:10. Je kunt natuurlijk ook gebruikmaken van een computerprogramma om een plattegrond te maken. Je kunt ook een maquette maken als hulpmiddel om de ruimte opnieuw in te richten. Een maquette geeft een extra goed idee van hoe de ruimte eruit komt te zien. Je kunt meubels uit piepschuim snijden of karton, kurk of hout en in de maquette plaatsen.

Plattegrond tekenen Van de ruimte die je gaat inrichten kun je een plattegrond tekenen, of je maakt gebruik van de bouwtekening als die er is. Op de plattegrond geef je nauwkeurig aan wat de afmetingen zijn, waar deuren en ramen zitten en wat de draairichting van deze deuren en ramen is. Dat laatste is belangrijk bij het plaatsen van de meubels. Praktische zaken teken je ook in, zoals de aansluiting water en de plaats van stopcontacten. Meubels die een vaste plek hebben, teken je ook op de plattegrond in. De ligging ten opzichte van andere ruimten kan

1.3

Praktische inrichting

In een praktisch ingerichte ruimte kunnen jouw cliënten fijn spelen en leren. Een voorbeeld: als je ergens een stoel neerzet, dan moet de ge-

Plattegrond in 3D Figuur 1.2 Plattegrond

1 16


1

Een functionele en sfeervolle ruimte

Er zijn op de doelgroep afgestemde en duurzame meubels te koop. Je kunt kijken in winkels, catalogussen en op internet. Het is ook leuk om eens naar de onderwijsbeurs (NOT) te gaan om ideeĂŤn op te doen.

bruiker voldoende beenruimte hebben. Bij de keuze van meubels en materialen let je er dus op of ze praktisch zijn in gebruik. Een hoogpolig tapijt geeft sfeer, maar is voor een kinderdagverblijf niet functioneel. Daar kies je voor een gladde vloer. Bedenk bij de keuze van meubels of je ze echt nodig hebt. Hoeveel stoelen gebruik je dagelijks? Als je een keer meer stoelen nodig hebt, kun je gebruikmaken van klapstoelen, of je schuift stoelen aan die normaal op een andere plek staan. De grootte van de meubels speelt ook een rol. In een grote toonzaal merk je niet hoeveel ruimte een bank inneemt. Neem daarom de maat en bekijk op een plattegrond of die wel past in de ruimte. Het meubilair in een school, een kinderdagverblijf, of buitenschoolse opvang wordt intensief gebruikt. Dat betekent dat er hoge eisen worden gesteld aan de kwaliteit ervan. Praktisch meubilair moet tegen een stootje kunnen. Ook moet het meubilair gemakkelijk schoon te maken zijn en lang meegaan.

1.3.1

Meubels op een logische plek

Zet de meubels op een logische plek in de ruimte. Het is bijvoorbeeld logisch om de eethoek in de buurt van de keuken te plaatsen. Een kast met serviesgoed plaats je in de buurt van de afwasmachine, het aanrecht en de eettafel. Creatieve materialen staan in een kast vlakbij de tafel waaraan kinderen werken. Let ook op de afstand tussen meubels. Tussen tafel en muur/kast houd je 100 cm ruimte voor de stoelen, zodat je die gemakkelijk achteruit kunt schuiven. Bij het aanrecht houd je minimaal 120 cm bewegingsruimte vrij en voor een bank is minimaal 60 cm vrije beenruimte nodig. Bij kasten houd je rekening met deuren en laden die

Figuur 1.3 Meubels op een logische plek

1 17


Ruimte en inrichting

1.3.3

open moeten kunnen. Maak in een kleine ruimte gebruik van nissen of van een wandkast.

Een ruimte waar alles dicht op elkaar staat geeft een benauwd gevoel. Je kunt je opgesloten voelen en het kan onrust onder de gebruikers veroorzaken. Ook het aantal meubels en de plaats waar ze staan heeft invloed op de sfeer. Je kunt de inrichting op verschillende manieren verbeteren. Bedenk of je alle meubels wel echt nodig hebt. Misschien is het mogelijk om meubels weg te doen? Denk vervolgens na over een goede opstelling.

Looproutes Als je een ruimte gaat inrichten is het handig om op de plattegrond de looproutes in te tekenen. Is de looplijn van de ene plek naar de andere logisch? Is er kans dat je anderen hindert als je van de ene plek naar de andere plek loopt? Houd ook rekening met de schoonmakers. Informeer wat zij belangrijk vinden. Ze hebben vaak maar weinig tijd om een ruimte schoon te maken en zullen de voorkeur geven aan een praktische inrichting met weinig losse spulletjes. Het is niet goed voor hun rug als ze zich in allerlei bochten moeten wringen om ergens bij te kunnen. Lastige hoekjes zullen daarom vaker worden overgeslagen. 1.3.2

Een gevoel van ruimte creëren

Rust en ruimte Met de kleur van de meubels kun je voor rust en ruimte zorgen. Neutrale natuurtinten geven rust en hebben een ruimtelijk effect. Je kunt ook een gevoel van ruimte creëren door vrij zicht te geven op ramen. ‘Buiten’ wordt zo gevoelsmatig een onderdeel van ‘binnen’. Je kunt dit beeld versterken door de aangrenzende buitenruimte dezelfde sfeer te geven als de binnenruimte. Als terrastegels in dezelfde kleur kiest als de vloer in de binnenruimte, dan lijkt het net alsof beide ruimtes in elkaar overlopen. Dat geeft een ruim gevoel. Verschillende ruimten kun je groter maken door ze met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door de deur eruit te halen. Je kunt ook met een schuifwand werken. Dan ben je flexibel in de keuze: gesloten of open.

Aparte hoeken maken

In het pedagogisch werk en in het onderwijs, vinden in dezelfde ruimte vaak tegelijkertijd verschillende activiteiten plaats. Het is belangrijk dat de activiteiten elkaar niet storen. Bij de (her)inrichting van de ruimte kun je bijvoorbeeld in hoeken te denken. Elke hoek heeft een eigen functie en eigen sfeer. In de tv-hoek kun je tv kijken zonder dat anderen daar last van hebben, in de bouwhoek kun je bouwen zonder het risico te lopen dat je bouwwerk per ongeluk wordt omgegooid. Een hoek hoef je niet letterlijk te nemen. In een grote ruimte kun je ook halverwege een muur een afscheiding maken, zodat er twee ruimtes ontstaan. Je kunt bijvoorbeeld een bank, een lage open kast of een lage tafel dwars tegen de muur plaatsen. Als je met lage meubels werkt, dan blijft de ruimte licht. Achter een bank kun je een lage kast of een lage tafel plaatsen. Door een vloerkleed neer te leggen maak je ook een aparte plek.

1.3.4

Gebruikers betrekken bij de inrichting

Als professional kun je goed beoordelen hoe je een ruimte passend bij de doelgroep kunt inrichten, maar laat de ‘gebruikers’ ook zelf meedenken. Kinderen en jongeren die mee mogen denken over de inrichting van een ruimte, voelen zich meer betrokken bij de zorg en het beheer ervan.

1 18


1

Een functionele en sfeervolle ruimte

Zorg voor voldoende kastruimte op de plek waar je de spullen nodig hebt. Er zijn allerlei handige en functionele opbergmeubels met laatjes, een handige vakindeling, plankjes en bakjes. Een slimme indeling zorgt ervoor dat alles netjes op een vaste plek opgeborgen kan worden. Opbergmeubels stem je af op wat erin moet worden opgeborgen. Als de kasten niet geschikt zijn, levert dit elke keer dat je in de kast moet zijn ergernis op. Oriënteer je goed op de mogelijkheden. Er is een ruim aanbod aan verschillende meubels. Voor speelgoed kies je lage, deels open kasten. Laden zijn handig om kleine spulletjes in op te bergen. Materialen die voor jou en je collega’s bestemd zijn, berg je op in hogere, gesloten kasten. Persoonlijke spulletjes van de kinderen in de opvang, berg je op in een eigen laatje, een doos of een mandje. Zo blijft de indeling overzichtelijk.

Figuur 1.4 Jongeren kiezen graag een eigen plekje om te zitten

Als jongeren voor de overblijfruimte op school bijvoorbeeld zelf een bank mogen uitzoeken, zullen ze er meestal zorgvuldiger mee omgaan dan wanneer de bank simpelweg is neergezet. Nu is het immers hun bank. Je kunt op verschillende manieren de wensen van de doelgroep inventariseren. Houd je ogen en oren open. Dan weet je wat er leeft bij de kinderen, waar ze enthousiast over zijn of waar ze een hekel aan hebben. Je kunt ook in gesprekken met de hele groep of in kleine groepjes naar wensen vragen. Wat je ook kunt doen is een enquête houden of een ideeënbus plaatsen. Kinderen hun wensen laten tekenen is ook nog een mogelijkheid. Maak wel duidelijk hoe je de wensen en ideeën gaat gebruiken. Dat voorkomt teleurstelling achteraf. Niet iedere wens kan in vervulling gaan.

Figuur 1.5 Persoonlijke spulletjes van de kinderen berg je op in mandjes met hun naam erop

1.3.5

Opbergmeubels

Een ruimte ziet er overzichtelijk uit als de materialen opgeborgen zijn in afgesloten kasten. Voor de peuterspeelzaal en de buitenschoolse opvang kun je daarvoor het beste kasten met schuifdeurtjes kiezen. Dan kunnen de kinderen gemakkelijk zelf hun spullen pakken. Op een peuterspeelzaal is het belangrijk dat er voldoende kasten op peuterhoogte zijn. Kasten voor kinderen op de buitenschoolse opvang mogen hoger zijn.

Let er ook op dat je materialen die je vaak nodig hebt niet op de onderste plank zet. Het is natuurlijk ook niet handig als je telkens een krukje moet pakken wanneer je iets nodig hebt. Kast als afscheidingswand Kasten zet je niet alleen tegen de muur. Een kast is prima te gebruiken als afscheidingswand om hoeken te creëren. De achterkant van de kast is daarom ook belangrijk. Die moet er niet alleen

1 19


Ruimte en inrichting

netjes uitzien, het is ook handig als je die functioneel kunt gebruiken. Je kunt er bijvoorbeeld een schoolbord of prikbord op hangen. Een kast die los in de ruimte staat en die je als afscheiding gebruikt, moet natuurlijk wel stabiel staan. Als een kind er iets uitpakt mag er geen gevaar bestaan dat de kast omvalt. 1.3.6

Tip Ga voor jezelf na welke handeling je regelmatig uitvoert en welke materialen je vaak nodig hebt. Kijk dan hoe je die materialen een goede plaats kunt geven.

Inrichten van een werkplek De juiste werkhoogte Let op de juiste werkhoogte. In een keuken moet je bijvoorbeeld met je hand de bodem van de spoelbak kunnen aanraken zonder voorover te buigen. Een oven of magnetron kunnen het best op een hoogte van 100 tot 140 centimeter staan. Hete spullen haal je er dan horizontaal uit, je hoeft een hete schaal of bakplaat niet op te tillen of te laten zakken. De hoogte van 100 tot 140 cm is hoog genoeg om te voorkomen dat kleine kinderen er gemakkelijk bij kunnen komen.

Bij de inrichting van een werkplek let je erop dat je gemakkelijk en veilig kunt werken. Of het nu om een keukenblok gaat, een commode, een bureau, een handvaardigheidshoek of speelhoek, de richtlijnen hiervoor lijken op elkaar. Zorgt ervoor dat je niet meer hoeft te lopen dan nodig is en niet onnodig ver hoeft te reiken. Zorg voor een logische indeling van de werkplek.

Figuur 1.6 Alle benodigdheden binnen handbereik

1 20


1

Een functionele en sfeervolle ruimte

Bij een commode zorg je dat alle benodigdheden binnen handbereik liggen, zonder dat je hoeft te bukken. Je hebt dan altijd één arm om het kind vast te houden. Een in hoogte verstelbaar werkvlak is ideaal, omdat mensen met een verschillende lichaamslengte gebruikmaken van dezelfde werkplek. In aanschaf is het duurder, maar de werkgever bespaart er wel ziektekosten mee. Een in hoogte verstelbare stoel of kruk zorgt ook voor een goede werkhouding. In de kinderopvang mogen leidsters niet werken aan lage tafels of op lage stoeltjes. Er zijn verschillende oplossingen voor gevonden om kinderen veilig aan een hoge tafel te laten zitten.

1.4

Kleurgebruik en sfeer

Kleuren hebben een grote invloed op de sfeer die een ruimte uitstraalt. Kleuren geven een bepaald karakter aan een ruimte. Door slim kleurgebruik kun je een ruimte groter of kleiner laten lijken. Met kleuren kun je een warme, rustige of juist een actieve sfeer scheppen. Bij de keuze van kleuren houd je rekening met: • de persoonlijke smaak van de doelgroep; • de functie die de ruimte heeft; • de lichtinval; • de kleuren van elementen die in de ruimte blijven staan. 1.4.1

Figuur 1.7 Ruimte en inrichting

In een lichte ruimte op het zuiden kun je voor de muren en het plafond kiezen voor koele tinten, bijvoorbeeld lichtblauw of lichtgrijs. Je kunt ook experimenteren met wat gewaagdere kleuren. Maar beperk je dan bij voorkeur tot één wand. Een donkere ruimte op het noorden lijkt warmer en lichter als muren en plafond zachtgeel of roomwit zijn.

Muren en plafond

Optische truc

De muren en het plafond beslaan een groot oppervlak in de ruimte. De kleur ervan is dus erg bepalend voor de sfeer. Je kunt het beste kiezen voor lichte tinten voor op de muren en het plafond. De ruimte lijkt daardoor groter. Donkere kleuren maken een ruimte al snel somber en komen op je af. Bovendien passen lichte, neutrale tinten gemakkelijker bij de rest van de inrichting. Licht wil niet zeggen dat de muren en het plafond helemaal wit moeten zijn. Je kunt bijvoorbeeld kiezen voor zachtgeel of roomwit.

Je kunt optische trucs uithalen door de muur net een tikkeltje donkerder of lichter te maken dan het plafond. Als je een ruimte met hoge plafonds lager wilt laten lijken, verf je een strook (van ongeveer 30 cm) aan de bovenkant van de muur mee in de kleur van het plafond. Omgekeerd lijkt een ruimte hoger als het plafond een lichtere tint heeft. Je kunt dit effect versterken door de kleur van de

1 21


Ruimte en inrichting

1.4.2

muur een klein stukje door te laten lopen in het plafond.

De vloer

De kleur en het materiaal van de vloerbedekking hebben effect op de sfeer. Met een lichte natuurtint loop je het minste risico. Die past overal bij. Je voorkomt ermee dat de vloer te bepalend wordt voor de sfeer die een ruimte uitstraalt. Tapijt heeft een warmere uitstraling dan linoleum of tegels. Maar is minder makkelijk schoon te houden dan een gladde vloer. Als je er toch een gladde vloer komt in de ruimte waar jij werkt, dan kun je met de kleur toch een bepaalde sfeer creëren. Linoleum is bijvoorbeeld in heel veel kleuren leverbaar. 1.4.3

Gordijnen

Gordijnen hebben verschillende functies: ze zijn decoratief; ze filteren fel zonlicht; ze voorkomen inkijk; ze voorkomen dat je als het donker is in een donker gat kijkt; ze dempen geluid; ze houden de kou tegen; je kunt er een ruimte mee verduisteren. Met gordijnen geef je sfeer aan een ruimte door de kleur en materiaalkeuze. Laat je bij de keuze van het materiaal op de eerste plaats leiden door de functie. Let bij de keuze ook op de mate waarin gordijnen stof vasthouden. Jaloezieën Nogal wat kinderen en jongeren blijken allergisch voor stof te zijn. Vaak wordt om die reden gekozen voor verticale of horizontale jaloezieën of voor rolgordijnen. Jaloezieën hebben een wat koelere uitstraling, maar het voordeel is dat je het licht dat ze doorlaten kunt regelen. Daarnaast zijn jaloezieën praktisch in het gebruik omdat ze glad zijn, je kunt ze dus goed schoonhouden. Bovendien kun je kiezen uit verschillende kleuren, zodat je er toch de sfeer mee kunt beïnvloeden.

Figuur 1.8

De illustraties laten zien wat voor effect deze trucs kunnen hebben.

1 22


1

1.4.4

1.4.5

Accessoires

Een functionele en sfeervolle ruimte

Verlichting

Goede verlichting is belangrijk. ’s Avonds is die erg bepalend voor de sfeer in een ruimte. Met een juiste verlichting kun je een ruimte levendiger maken en ruimer. Je hebt de basisverlichting in de ruimte, maar je kunt ook voor sfeerverlichting zorgen door bijvoorbeeld een extra lamp in de hoek van de ruimte te plaatsen. Directe verlichting geeft direct licht op een object, bijvoorbeeld een werkblad of een kunstvoorwerp. Verlichting die weerkaatst via het plafond of de muur, is indirect. Dit soort verlichting is niet fel en daardoor geschikt als sfeerverlichting. Ook de kleur en de sterkte van het licht spelen een rol. Je kunt lampen kiezen in verschillende tinten. Met een dimmer kun je de hoeveelheid licht afstemmen op de sfeer die je wilt oproepen: sterker licht als er gewerkt wordt en gedimd licht als er ontspannen met elkaar gekletst wordt.

Met de aankleding van de muren kun je een heel eigen sfeer scheppen. In een klaslokaal of een kantoor is een deel van wat aan de muren hangt functioneel. Denk aan een digibord, een verfbord, een planbord of kalender. Met wanddecoraties als tekeningen, schilderijen, affiches en foto’s, kun je de ruimte de sfeer geven die past bij de doelgroep. Hoewel je de eigen smaak niet helemaal kunt uitschakelen, kan die op je werk niet de boventoon voeren. Spreken de posters, foto’s en affiches of schilderijen de doelgroep aan? Passen ze bij hun leeftijd en sociaal-culturele achtergrond? Hangen ze op de juiste hoogte? Let erop dat de muren niet te vol hangen. Dat kan de omgeving erg onrustig maken. Juist in de eenvoud komen de dingen het meest tot hun recht. Denk erover na hoe je wanddecoraties het best kunt bevestigen. Als je posters op de muren hangt met punaises of plakband, beschadig je de muur of ontstaan er lelijke plekken. Informeer of hier voorschriften voor bestaan en sla niet zomaar een spijker in de muur. Probeer je ook met de keuze voor accessoires, zoals kussentjes op de bank of planten, te verplaatsen in de belevingswereld van de doelgroep.

Een lichtplan Maak een lichtplan en teken op de plattegrond waar je welke soort licht wilt hebben. Houd daarbij rekening met contactpunten, zodat je niet te veel last hebt van lange snoeren. Vraag eventueel advies in een goede verlichtingszaak.

Iedereen voelt zich thuis

1.5

In de kinderopvang en in het onderwijs werk je met mensen die verschillen in culturele achtergrond. Bij de inrichting houd je daar rekening mee. Iedereen moet zich er thuis kunnen voelen. Je kunt met foto’s, kunst en gebruiksvoorwerpen veel verschillende culturen samen laten komen, zonder dat het een rommeltje in de ruimte wordt.

Slaapkamers inrichten

In een kinderdagverblijf spelen kinderen niet alleen, ze slapen er ook. De slaapkamers zijn meestal klein. Er is precies genoeg ruimte voor de bedjes. Om te voorkomen dat kinderen wakker worden van elkaar, is het plezierig als er meerdere kamers zijn voor een groep. Kies voor rustige kleuren en gedempt licht. Als er genoeg ruimte is, dan is het erg handig om er een gemakkelijke (schommel)stoel te plaatsen. Je kunt die gebruiken om een baby rustig te

1 23


Ruimte en inrichting

voeden of een kind op schoot te nemen dat zich ongelukkig voelt alleen in zijn bedje. Een veilige plek om te slapen Voor bedden is er keuze uit vele soorten, maten en vormen. Er zijn stapelbedden, maar ook bedden waar kinderen zelf in en uit kunnen klimmen. De bedden zijn vanzelfsprekend veilig voor de kinderen, maar ook veilig voor de rug van de pedagogisch medewerkers. Het beddengoed voldoet aan de veiligheidseisen en is gemakkelijk te verschonen. Voor de kinderen is het fijn als ze altijd in hetzelfde bed slapen. Een apart kleurtje, een kleurige afbeelding, een eigen kinderdagverblijfknuffel, of een tekening boven het bed zorgen ervoor dat het kind zijn eigen bed herkent. Elk bed heeft zo iets eigens.

Figuur 1.10 Snoezelruimte

Voor kinderen en jongeren met een ernstig verstandelijke beperking kun je een snoezelruimte inrichten. In een snoezelruimte wordt het gebruik van de zintuigen gestimuleerd. Het is een rustige, sfeervolle ruimte, waarin je zintuiglijke prikkels selectief aanbiedt. Rekening houden met rolstoelgebruikers In een omgeving voor kinderen met beperkingen, houd je rekening met toegankelijkheid van de ruimte voor rolstoelgebruik en andere hulpmiddelen. Je houdt daar bij de inrichting direct rekening mee.

Rolstoelgebruikers Figuur 1.9 Een eigen plekje

1.6

Een ruimte die volledig is ingericht op rolstoelgebruikers heeft de volgende kenmerken: • er is extra bewegingsruimte; • gangen en deuropeningen zijn breed genoeg (minimaal 1 meter respectievelijk 75 centimeter) en zijn obstakelvrij; • er zijn geen drempels; • knoppen en schakelaars zitten op 90 tot 120 centimeter hoogte; • de vloerbedekking is glad en slijtvast; • er is een mogelijkheid om de rolstoel onder tafelbladen te rijden; • er is een aangepast rolstoeltoilet.

Speciale doelgroepen

Kinderen met een beperking Er zijn kinderen die het beste functioneren als er niet te veel prikkels zijn. Voor hen maak je een prikkelarme ruimte, daarin zijn de prikkels voor het kind of de jongere minimaal. Alle aanwezige prikkels zijn zorgvuldig geselecteerd en gedoseerd.

1 24


1

Kinderen met een allergie Er kunnen ook andere beperkingen in het spel zijn. Sommige kinderen worden in hun mogelijkheden beperkt door een allergie. Dit is een overgevoeligheid van het lichaam voor bepaalde stoffen. Of ze lijden aan een vorm van astma. Dit is een longaandoening met aanvallen van benauwdheid en kortademigheid, veroorzaakt door vernauwing van de kleinere luchtwegen. Let er daarom bij de inrichting van de ruimte op dat deze goed schoon te houden is. Als je schoonmaakt doe je dat op een manier waardoor er weinig stof opdwarrelt. Huisdieren zijn geen goed idee, alleen vissen zullen voor niemand problemen opleveren. Let er bij de keuze van planten op dat ze geen allergische reactie kunnen oproepen. Meer informatie hierover vind je op de website van het astmafonds.

1.7

middelen een spannende buitenruimte maken voor de kinderen. Gras Naast een betegeld gedeelte is er gras, het liefst met een heuveltje. Gras is lekker zacht en het is fijn om de grassprietjes te voelen en te proeven. Kinderen kunnen er lekker op liggen, stoeien, madeliefjes plukken, in een opblaasbadje spelen en de hele kleintjes kunnen er op een kleed liggen. Paadjes en struiken Spannende paadjes in verschillende soorten bestrating of van boomsnippers, leiden naar de verschillende speelplekken. Lage struiken rond de schommels voorkomen dat kinderen rakelings langs een schommelend kind rennen of fietsen. Zandbak en water De zandbak kun je een aparte vorm geven of in meerdere stukken verdelen. Via het pad ertussen ontstaat zo op een natuurlijke manier contact tussen de spelers in de zandbak en de fietsers. Dat kan leiden tot allerlei fantasiespelletjes. Water maakt het spel compleet. Dat kan gewoon uit kraan komen, maar ook uit een, op de kraan aangesloten, stelsel van buizen.

Inrichting van de buitenruimte

Buiten spelen en sporten is goed voor de gezondheid en de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het weer is geen excuus om kinderen binnen te houden. Je kunt ze erop kleden. De buitenlucht is gezond en kinderen hebben buiten volop de ruimte om te bewegen, te klimmen, te rennen en te fietsen. Buiten zijn kinderen ook intensief met elkaar bezig. Zo worden ze sociaal vaardig. In een spannend ingerichte buitenruimte valt veel te ontdekken. Als er bomen, struiken en planten in staan komen ze in aanraking met de natuur. Ze leren spelenderwijs om respectvol met de natuur om te gaan. Alle reden dus om de buitenruimte serieus te nemen.

Bloemen en planten In de bloementuin bloeien alle soorten bloemen. Kinderen kunnen eraan ruiken, de vlinders en insecten bekijken die eropaf komen en een mooi boeketje maken voor in een vaasje. In de moestuin zien de kinderen hoe radijsjes, aardbeien, worteltjes en kruiden groeien. En tijdens de lunch proeven ze van de oogst. 1.7.2

1.7.1

Een functionele en sfeervolle ruimte

Rekening houden met de seizoenen

Zones Als het nat is Het is plezierig als kinderen in elk seizoen een zo groot mogelijk deel van de buitenruimte kunnen gebruiken. Dat kan als er bij elk weertype een prettige plek is om te spelen. De ondergrond is

Je kunt de buitenruimte indelen in zones met elk een eigen sfeer. Dat nodigt uit tot verschillende spelvormen. Het is mogelijk om met weinig

1 25


Ruimte en inrichting

Figuur 1.11 Ingerichte buitenruimte

Bij veel wind Ook met de wind moet je rekening houden. Spelen in de wind is avontuurlijk, maar het kan voor kleine kinderen ook wel eens te heftig waaien. Het is dan fijn als er ook een windluwe plek is.

zo gekozen dat het bij zonnig, droog weer en bij nat, koud weer prettig is om buiten te spelen. Een goede drainage voorkomt dat kinderen in een natte periode alleen een modderpoel buiten aantreffen. Drainage zorgt ervoor dat het water gemakkelijk in de grond zakt en niet in een plas blijft staan.

Sterke en zwakke punten Om de sterke en zwakke punten van de buitenspeelruimte te ontdekken, kun je gedurende een jaar een dagboek bijhouden. Daarin noteer je wat voor weer het was, hoe lang je met de kinderen buiten was, op welke plekken ze welk spel speelden en hoe de stemming was. Welke invloed hadden regen, zon en wind op het buitenspelen? Had de inrichting van de buitenspeelruimte daar mee te maken? Wat zou er moeten gebeuren om het aangenamer te maken? Bij een herinrichting van de buitenruimte heb je hier houvast aan. Misschien kunnen kleine ingrepen de buitenruimte aantrekkelijker maken.

Als het buiten heet is Bij warm weer en felle zon is schaduw ook heel fijn. Dat kan de natuurlijke schaduw van een boom zijn, maar ook een slimme, flexibele voorziening zoals een grote parasol. Zo kun je bij fris weer genieten van de zon en bij warm weer beschermen tegen de felle zon. Metalen voorwerpen worden gloeiend heet in de zon. Die kunnen daarom beter op een schaduwrijke plek staan.

1 26


1

Een functionele en sfeervolle ruimte

Checklist buitenruimte • Ziet de buitenruimte er leuk en aantrekkelijk uit? Kinderen zullen er dan graag spelen en jij gaat gemakkelijker met de groep naar buiten. Als de kinderen niet graag naar buiten gaan, is de buitenruimte vast aan een opknapbeurt toe. • Kun je het hele terrein overzien? Is er een omheining? Als kinderen steeds dingen doen die niet mogen of steeds ruzie maken op plekken die jij moeilijk in de gaten kunt houden, is de ruimte niet goed ingericht. • Zijn er plekken waar kinderen zich kunnen terugtrekken om rustig alleen te spelen (bijvoorbeeld in een zitkuil), zonder dat je ze uit het oog verliest? Als ze zo’n plek niet hebben zullen de kinderen steeds opnieuw naar plaatsen gaan waar ze niet mogen komen, omdat ze nu eenmaal behoefte hebben aan privacy. Of ze gaan juist erg aan jou hangen, om zo even bij de andere kinderen weg te zijn. • Is de buitenruimte verdeeld in verschillende sferen en zones? Dit helpt om kinderen van verschillende leeftijdsgroepen, en kinderen die met verschillend spel bezig zijn goed uit elkaar te houden. • Is er voldoende ruimte om samen te spelen, eventueel ook met andere leeftijdsgroepen? • Is er voldoende plek om te rijden of te fietsen? Is het duidelijk waar je mag fietsen? Anders zullen de ‘mobiele’ kinderen het hele terrein overheersen en constant andere kinderen in hun spel storen. • Is er genoeg ruimte voor klimmende kinderen? Zijn de klimplekken niet rond de plekken waar kinderen bouwen? Als ze op een kluitje moeten spelen, zullen ze al gauw een aanvaring met elkaar krijgen. • Is er een plek waar de kinderen zich even bij jou kunnen terugtrekken, zoals een bank? • Is al het spelmateriaal veilig, compleet en heel? • Zijn de klimtoestellen veilig en geschikt voor de leeftijdsgroep? Word je nerveus als je ze bovenop het klimrek ziet staan? Gebeuren er te veel ongelukken? Als je vaak te hulp moet schieten, is het voor de kinderen niet veilig om hun gang te gaan of ze spelen er helemaal niet op. • Is er voldoende spelmateriaal? Hiermee voorkom je dat kinderen onnodig op elkaar moeten wachten, en zich in de tussentijd gaan misdragen. Ook voorkom je dat jij steeds moet ingrijpen om bijvoorbeeld vechtende kinderen uit elkaar te halen. • Is er een schone zandbak met gevarieerd speelgoed? Als kinderen weinig in de zandbak spelen of steeds speelgoed bij anderen wegpakken, is het tijd om daar wat aan te doen. • Is de buitenruimte uitdagend, met steeds weer nieuwe dingen om te ontdekken? Als je afwisseling brengt in het spelmateriaal, zullen de kinderen zich niet snel vervelen. • Nodigt de buitenruimte uit tot verschillende soorten spel? Kom je ook bij het buiten spelen verschillende spelvormen tegen? • Is er een plek voor baby’s waar ze veilig kunnen liggen, rollen en kruipen?

1 27


2 Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen Thuis voelen Marlies gaat met haar dochter op kennismakingsbezoek bij haar toekomstige basisschool. Het is dezelfde school waar Marlies vroeger op zat. Marlies herinnert zich nog de brede lege gangen en de gesloten leslokalen. Dat is nu wel anders. Overal zijn hoekjes en werkplekken gecreëerd: in de klaslokalen zelf, maar ook in de brede gangen en de hal. Kinderen werken daar in kleine groepjes of alleen. Op de meeste werkplekken staat minstens één computer. Een van de oude klaslokalen is omgebouwd tot multimediale ruimte. Veel groepjes werken zelfstandig. Het valt Marlies op hoe ‘bezig’ de kinderen zijn. Ze schreeuwen niet en hollen niet door het gebouw. Leerkrachten lopen langs of geven instructie aan een klein groepje kinderen. Nergens ziet Marlies een leerkracht die aan de hele klas lesgeeft. Er is veel bedrijvigheid. Toch ziet de ruimte er gestructureerd, verzorgd en ordelijk uit. Marlies’ eerste indruk is heel positief: hier zal haar dochter zich wel thuis voelen.

1 28


2

2.1

Inleiding

2.2

Met de inrichting van een ruimte kun je een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. In dit hoofdstuk is vooral aandacht voor de inrichting van de verblijfsruimte voor de volgende doelgroepen: baby’s en peuters, basisschoolkinderen en jongeren.

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen

Baby’s en peuters in de dagopvang

Baby’s en peuters in de dagopvang maken pas gebruik van de mogelijkheden die een ruimte hen biedt, als ze zich veilig voelen. Een veilige omgeving heeft te maken met emotionele veiligheid en met fysieke veiligheid. Emotionele veiligheid wil zeggen dat het kind zich durft te uiten als het boos, verdrietig, of blij is. Fysieke veiligheid wil zeggen dat het kind zich beschermd voelt tegen gevaren en zich vrij durft te bewegen.

Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • inrichting van de ruimte voor baby’s en peuters in de dagopvang; • inrichting van de ruimte voor basisschoolkinderen; • inrichting van de ruimte in het voortgezet onderwijs.

Emotionele veiligheid heeft te maken met geborgenheid, het gevoel dat iemand kan zijn wie hij is en beschermd wordt tegen negatief gedrag van anderen.

Figuur 2.2 Kleurendomino, in de kring

1 29


Ruimte en inrichting

2.2.1 Fysieke veiligheid heeft te maken met het voorkomen van lichamelijke verwondingen.

Ruimte voor baby’s

Voor een baby betekent veiligheid vooral voorspelbaarheid en rust. Een baby is nog heel hard bezig om alle indrukken te verwerken. Van thuis naar de kinderopvang is een grote verandering. Dat zorgt voor veel prikkels. Er is constant actie en rumoer. Een baby kan daardoor in verwarring raken en zich onveilig voelen. In een ruimte voor baby’s zijn lichte pasteltinten, zoals zachtgeel, een goede keus. Zorg ervoor dat er niet meer in staat dan nodig is. Met zorg uitgekozen accessoires, denk aan kussentjes of schilderijtjes, geven een eigen sfeer aan de ruimte. Hang niet te veel aan de muren.

Vertrouwen Het eerste levensjaar is erg bepalend voor het vertrouwen dat een kind opbouwt, een fundamenteel vertrouwen in zichzelf en in de ander. Je noemt dat basisvertrouwen. Vanuit dit basisvertrouwen kan een kind zich verder ontwikkelen. Je kunt bijdragen aan het basisvertrouwen door te zorgen voor een warme en veilige sfeer in de ruimte. Hoe die sfeer moet zijn, hangt af van de leeftijd van de kinderen en het doel van de opvang. Een ruimte waar kinderen van nul tot vier jaar verblijven, ziet er anders uit dan een ruimte die uitsluitend is bestemd voor baby’s of alleen voor peuters.

Voorspelbaar Baby’s genieten van herhaling en vaste, voorspelbare dingen. Een wandkleed met een simpele voorstelling zal niet snel vervelen, maar juist vertrouwen geven. Activiteiten met baby’s zijn vaak gericht op de taalontwikkeling van het kind. Je kunt samen met de baby naar het wandkleed of een schilderij kijken en er een passend liedje bij zingen. Een gemakkelijke stoel nodigt uit om de baby op de arm te nemen bij het voeden. Dat voelt voor de baby warmer en veiliger dan een fles krijgen in de maxi cosi. Akoestiek Bij verbouw en nieuwbouw is de akoestiek een belangrijk aandachtspunt. Dat is alles wat met horen en geluiden te maken heeft. Het hoeft niet helemaal stil te zijn in de groepsruimte van de baby’s, maar het is wel zo prettig als geluiden in de leefruimte zelf en uit de rest van het gebouw gedempt worden. 2.2.2

Ruimte voor peuters

Een peuter kan meer indrukken verwerken dan een baby. Dat komt omdat peuters geleerd hebben de wereld om zich heen te ordenen. Ze zijn nog volop in ontwikkeling en moeten nog veel leren. Daar zijn ze de hele dag mee bezig.

Figuur 2.3 Baby’s genieten van herhaling en voorspelbare dingen

1 30


2

2.2.3

Ze rennen, klimmen, fietsen en spelen tot ze erbij neervallen. Omdat ze van zichzelf al druk genoeg zijn, is het belangrijk dat de verblijfsruimte, naast voldoende prikkels, rust biedt. Een rustgevende tint voor de muren en de vloer draagt daaraan bij. De spelmaterialen zorgen al voor kleur genoeg.

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen

Inrichting die past bij visie

Niet alle kinderdagverblijven zien er hetzelfde uit. Waar een kinderdagverblijf voor kiest, hangt samen met de pedagogische ideeën en de doelstelling. In een kinderdagverblijf waar kinderen zelfstandig hun activiteiten mogen kiezen, vind je open kasten waarin alles op kinderhoogte staat. Een kindercentrum dat met verticale groepen werkt, en een huiselijke sfeer wil bieden, zal de groepsruimte inrichten als een huiskamer. Een organisatie heeft een bepaalde kijk op kinderopvang. Dat noem je de visie. Die visie bepaalt bijvoorbeeld de grootte van de groepen, welke ontwikkeling gestimuleerd wordt bij de kinderen. Maar de visie bepaalt dus ook de inrichting van de ruimte.

Rust Zorg altijd voor een hoek waar peuters tot rust kunnen komen. Een bank leent zich daar prima voor. Je kunt die hoek combineren met de boekenhoek. Vanuit de bank kan de peuter, lekker dicht tegen je aan, tot rust komen. Voor kinderen die nog niet gewend zijn of voor wie de drukte te heftig is, is de rustige hoek een veilige plek om de omgeving te verkennen. Oogcontact De ruimte is zo ingericht dat peuters overal oogcontact met je kunnen houden. Kinderen zoeken oogcontact op momenten dat ze zich onzeker of bedreigd voelen, of niet weten of wat ze aan het doen zijn wel mag. Zo’n kort moment van oogcontract is vaak voldoende om ze vertrouwen te geven.

2.2.4

Regels en structuur in de ruimte

Regels en structuur geven veiligheid. Ze voorkomen chaos. Denk maar eens aan het verkeer op de weg. Als we geen verkeersregels hadden zouden we nooit met zoveel mensen tegelijk gebruik kunnen maken van de weg. De regels over een geordend gebruik van de ruimte, maken dat de ruimte voor een kind veilig en overzichtelijk is en dat kinderen er ontwikkelingsmogelijkheden hebben. Kinderen leren die regels voor een belangrijk deel spelenderwijs. Een regel kan bijvoorbeeld zijn dat voor de lunch alle spelmaterialen weer op de vaste plek gelegd worden. Een andere regel die vaak gehanteerd wordt is om met elkaar voor het eten een liedje te zingen. Daarna gaat de groep met elkaar eten.

Inrichting De spelmaterialen staan op een vaste plek. Peuters weten waar ze alles kunnen vinden en kunnen het ook zelf weer terugleggen. Een open kast is handig, maar het oogt wel al snel onrustig. Gesloten kasten zijn rustiger om naar te kijken. Als je pictogrammen op de deuren en laden van de kasten plakt, zie je goed waar de verschillende materialen liggen. Je kunt ook de keuzemogelijkheid beperken en het spelmateriaal regelmatig afwisselen. Een familiemuur met foto’s van familieleden van de kinderen, brengt een stukje van de vertrouwde thuissituatie bij de kinderen. Hang de foto’s van het kind, zijn familie en zijn thuis op peuterhoogte. Dat kan op de muur zelf of op een prikbord.

1 31


Ruimte en inrichting

Figuur 2.4 Een gewone beker is beter voor de motoriek dan een tuitbeker

2.2.5

Motoriek ontwikkelen

Een babystoeltje is handig voor de pedagogisch werkers. Baby’s zitten er rustig en veilig in. Maar ze zijn wel passief. Het is niet goed een baby te lang in de maxi cosi te zetten. Het zou hun ontwikkeling kunnen beperken. Baby’s gebruiken meer dan alleen hun ogen en oren om de omgeving te verkennen en de wereld om zich heen te ontdekken. Ze willen zich kunnen verplaatsen. Jij moet er als pedagogisch werker voor zorgen dat de ruimte geschikt is voor baby’s om zich te ontwikkelen. Dat doe je bijvoorbeeld door een apart hoekje met een kleed te maken waar de baby veilig kan omrollen.

Jonge kinderen ‘werken’ heel hard aan hun ontwikkeling. De eerste jaren verloopt die supersnel.

Sensomotoriek In een uitdagende ruimte valt veel te ontdekken. De baby focust zich op een voorwerp met zijn ogen en wil het pakken met zijn handjes. Deze combinatie van zien en bewegen noem je sensomotoriek. Bij de sensomotorische ontwikkeling staat de afstemming tussen de zintuiglijke en motorische ontwikkeling centraal. De baby krijgt steeds meer grip op de dingen die gebeuren. Het is voor jou als pedagogisch werker erg belangrijk om te zien wát precies het kind uitdaagt. Dan kun je vervolgens de ruimte bieden die het ‘vraagt’. Let goed op de veiligheid.

Figuur 2.5 Baby’s werken ‘hard’ aan hun ontwikkeling

Ontwikkeling van de motoriek Baby’s hebben ruimte nodig om te rollen, te kruipen en zich op te trekken tot staan. Met een kleed op de grond, een ruime box of een stevige lage ronde tafel, bied je volop mogelijkheden. Zo kan de baby zijn motoriek ontwikkelen.

Met motoriek bedoelen we het beheersen van de spieren.

1 32


2

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen

fietslijnen. Zijn er veel conflicten of kleine ongelukjes, observeer het spel dan eens heel gericht. Denk vanuit het kind. Hoe komt de ruimte op ze over? Kun je door een andere indeling meer structuur geven aan de kinderen? Een te grote open ruimte nodigt bijvoorbeeld uit tot kriskras rondcrossen. Dat zorgt eerder voor ongelukken. Fijne motoriek Het beheersen van spieren kun je verdelen in grove motoriek en fijne motoriek. Onder de fijne motoriek verstaan we de beheersing van kleine, precieze bewegingen, uitgevoerd met de handen en voeten. Er zijn allerlei materialen die je kunt gebruiken om de fijne motoriek te verbeteren. Denk aan: papier en schaar, plakstift, kralen, kleurstiften enzovoort.

Figuur 2.6 Combinatie van zien en bewegen

Grove motoriek Peuters hebben ruimte en materialen nodig om te rennen, te fietsen en te klimmen. Zo oefenen ze hun grove motoriek. Onder grove motoriek verstaan we het beheersen van de spieren voor de grotere bewegingen, bijvoorbeeld lopen en klimmen. In de groepsruimte kan dat maar beperkt. Een ruime en uitdagende speelruimte buiten is daarom onmisbaar. Met laarsjes en een regenjas aan kunnen ze daar ook bij slecht weer terecht. Een speelhal of speellokaal binnen is prettig voor de echt slechte dagen. Als die een beetje slim is ingericht, kunnen kinderen van verschillende groepen er met groot materiaal spelen en fietsen zonder dat dit gevaar oplevert voor de anderen. Net als in de leefruimte denk je bij de inrichting van een speellokaal in hoeken en loop- en

2.2.6

Inrichting die aansluit bij behoeften

Autonomie is een basisbehoefte van kinderen. Autonomie betekent dat iemand zijn eigen beslissingen kan nemen. Kinderen ontdekken dat ze een eigen persoontje zijn met een eigen wil. Ze willen steeds meer zelf de regie voeren over hun leven (‘ikke zelf doen’). De behoefte aan autonomie is belangrijk voor de inrichting van een ruimte.

Figuur 2.7 Ik wil het zelf doen

1 33


Ruimte en inrichting

Voorzieningen op kindhoogte Voorzieningen op kindhoogte geven kinderen de mogelijkheid om zelf te doen wat ze zelf kunnen. Zo zijn ze niet afhankelijk van de hulp van een volwassene. Dat is goed voor hun zelfvertrouwen en autonomie en maakt hen al vroeg zelfstandig.

kijken? Een brede vensterbank met een paar veilige treden is misschien een goede oplossing. Dit komt meteen tegemoet aan de behoefte van peuters om te klauteren.

In een peutergroep hebben peuters hun eigen aanrecht om hun handen te wassen, te spelen met water, en af te wassen. Speelgoed en materialen die kinderen zelf mogen pakken, zijn zo opgeborgen dat ze het zonder hulp kunnen, ook in de babygroep. De kapstok is op peuterhoogte, zodat kinderen zelf hun jasjes kunnen pakken. Ergonomische eisen voor medewerkers Ergonomie is de wetenschap die de aanpassing van de werkomstandigheden aan de mens bestudeert. Het doel is om jouw werk zo efficiënt en gezond mogelijk te maken. Het gaat dan vaak om aanpassingen aan de werkplek. Ergonomische eisen waaraan de ruimte moet voldoen voor de medewerkers, kunnen wel eens botsen met de behoeften van de kinderen. Meehelpen met de tafel dekken en afruimen is voor peuters lastig als de kinderen en medewerkers samen aan een hoge tafel eten. Voor de rug van pedagogisch medewerkers is het niet goed als ze steeds moeten bukken, of op een te lage stoel zitten. Bij de keuze van meubels let je daarom op beide aspecten. Een aankleedtafel is bijvoorbeeld instelbaar op de hoogte van de pedagogisch werker, maar een peuter kan er wel zelf via een trapje op klimmen.

Figuur 2.8 Voorzieningen op kindhoogte

Kijk door de ogen van het kind

Een eigen plek Het is belangrijk dat kinderen een eigen plek hebben om spulletjes op te bergen, vooral als ze veel tijd doorbrengen in de opvang. Afhankelijk van de mogelijkheden en de aard van de opvang (kinderdagverblijf of peuterspeelzaal) kan dat een kastje zijn, een laatje of een mandje. Het is ook belangrijk dat kinderen zich alleen of met z’n tweeën kunnen terugtrekken uit het groepsgebeuren. Dat kan bijvoorbeeld een nis zijn in de

Beleef de ruimte eens door de ogen van een kind. Kan het zelfstandig naar buiten kijken of naar de spelende peuters in de centrale hal? Een raam laag bij de grond, geeft baby’s die kunnen kruipen de kans om zelf te kiezen of ze willen meegenieten van de drukte in de hal. Zijn de ramen in de peutergroep zo hoog dat ze niet zonder hulp naar buiten kunnen

1 34


2

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen

rennen en te fietsen, maar niet uitdagend genoeg voor kleine kinderen.

muur, een erker of een ruimte onder een verhoogde box. Met een gordijntje of doeken kunnen kinderen zelf kiezen hoeveel persoonlijke vrijheid of privacy ze op dat moment willen. Signalen oppikken Kinderen zullen het goed doen in een ruimte die emotioneel veilig en stimulerend is, en waar aandacht is voor de eigenheid van elk kind. Dat zie je aan hun uitstraling. Ze zijn gezond, emotioneel vrij, betrokken en actief. Als je goed naar kinderen kijkt, kun je hun signalen oppikken. Dat noem je signaleren. Als je op een juiste manier reageert op de signalen, versterk je de autonomie en zelfstandigheid van kinderen. Soms geven kinderen een signaal dat ze zich niet prettig voelen in de ruimte, bijvoorbeeld omdat ze een bepaald spel niet kunnen spelen. Jij kunt naar ze luisteren en kijken of je de ruimte zo kunt veranderen dat de kinderen zich er wel prettig voelen.

Figuur 2.10 Een uitdagende buitenruimte

Het is goed voor de ontwikkeling van kinderen als er verschillende plekken zijn waar wat valt te beleven. Speeltoestellen voorzien in de bewegingsbehoefte, maar kinderen kunnen er ook fantaseren en hun fantasiespel spelen. Een klimen glijbaanhuisje is voor veel kinderen een geliefde plek. Een zandbak, een schommel en een wipkip horen meestal ook tot de vaste elementen. Fietsjes, karren, klossen, doeken, touwen, ballen, scheppen en emmertjes zijn voor het peuterspel onmisbaar. Maar ook met bezems en tuingereedschap in kinderformaat hebben peuters veel plezier. Zorg ervoor dat al het losse materiaal voor buiten netjes en veilig opgeborgen is.

Figuur 2.9 Je bevestigt de autonomie van het kind als je alert en op de juiste wijze reageert op de signalen die het kind uitzendt

2.2.7

2.3

Ruimten voor basisschoolkinderen

Een uitdagende buitenruimte De ruimten in de basisschool zijn ingericht, zodat kinderen er kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen. Belangrijk is dat kinderen zich er zich veilig voelen en op hun gemak. Als onderwijsassistent richt je de ruimte in en ruimt die op. Je doet dit natuurlijk in overleg en in samenwerking met je collega’s. Je leert kinderen ook om zelf voor hun omgeving te zorgen.

Buiten is er meer ruimte om te rennen en te fietsen, en je mag er lekker hard schreeuwen. Toch is er vaak niet veel geld beschikbaar voor de inrichting van de buitenruimte. Het resultaat is een kaal betegeld plein met een zandbak voor de kleintjes, en als je geluk hebt een klimrek en een schommel. Zo’n inrichting is genoeg om te

1 35


Ruimte en inrichting

2.3.1

2.3.2

Uitdagend en veilig

Aansluiten bij de bewegingsbehoefte

Kleuters hebben behoefte aan beweging. Die bewegingsbehoefte hebben ze ook in de klas. De ruimte in de kleuterklas moet zo ingericht zijn dat ze zich kunnen bewegen. Want kleuters ontwikkelen hun sociale, motorische en emotionele vaardigheden al spelend en bewegend. Kleuters weten wat gevaar is, ze weten wat wel en niet mag, maar soms gaan ze te veel op in hun spel om het te zien. De ruimte is daarom zo ingericht dat je kleuters in de gaten kunt houden. Jij zorgt immers voor hun fysieke veiligheid. Ook moeten kleuters je gemakkelijk kunnen vinden als ze je hulp of steun nodig hebben, want jouw nabijheid geeft de kleuters steun en vertrouwen. Even oogcontact kan al genoeg zijn. Dan moet de ruimte dus zo ingericht zijn dat jullie elkaar gemakkelijk kunnen zien. Lage kastjes zijn als begrenzing van een speelhoek dus meer geschikt dan hoge kasten.

Kinderen in de basisschoolleeftijd hebben behoefte aan een uitdagende verblijfsruimte. Maar wat bedoelen we precies met uitdagend? Een paar voorbeelden: kinderen die vrij bij de materialen kunnen, om ze te pakken en weer op te ruimen, spelen vrijer dan kinderen die niets zelf mogen pakken. Kinderen die alles moeten vragen of moeten wachten tot de juf of meester het materiaal uitdeelt spelen minder vrij. Een verblijfsruimte is ook uitdagend als er iets te kiezen valt. Kinderen moeten wel kunnen overzien waaruit ze uit kunnen kiezen. Te veel aanbod leidt tot chaos. De verblijfsruimte voor basisschoolkinderen moet naast uitdagend ook veilig zijn. Dat betekent dat kinderen zich er op hun gemak voelen en er graag verblijven. In een veilige ruimte kunnen niet gemakkelijk gevaarlijke situaties ontstaan.

Figuur 2.11 Overzichtelijkheid draagt bij aan veiligheid

1 36


2

2.3.3

2.3.4

Aansluiten bij de leeftijd

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen

De leeromgeving

De leeromgeving is de ruimte waarin de kinderen leren en spelen. Tegelijk is het ook de werkplek van de onderwijskundig medewerkers. Het is belangrijk dat jij en je collega’s er prettig kunt werken en de kinderen zich thuis en op hun gemak voelen. In zo’n omgeving zullen ze meer plezier hebben in leren.

Vanaf een jaar of zeven zijn de meeste kinderen zichtbaar kleuter-af. Ze ogen lang en slank. Hun manier van doen is veranderd, ze maken zich op een andere manier nieuwe dingen eigen en gaan anders om met anderen. Ze zijn geen kleuters meer en dat willen ze laten zien ook. Dat vraagt om aanpassingen in de ruimte waar ze verblijven. Voor schoolkinderen geen posters met illustraties uit prentenboeken aan de muur, maar posters met afbeeldingen uit de jeugdliteratuur, van popsterren, sporthelden of over natuur, wetenschap en techniek. Buiten hebben kinderen vanaf een jaar of zeven nieuwe uitdagingen nodig. Op school krijgen ze hun eigen tafeltje met een laatje voor hun eigen spullen. Op de buitenschoolse opvang maakt het fantasiespeelgoed uit de kleutertijd plaats voor het speelgoed van ‘grote’ kinderen.

Figuur 2.13 Ieder plekje krijgt een functie, zelfs de vloer

Door nieuwe ontwikkelingen, zoals adaptief (passend) onderwijs (onderwijs op maat) en intensief gebruik van de computer, worden ruimten in de bestaande school meestal multifunctioneel, voor meer doelen, gebruikt. Ieder plekje, ook in de gang en de hal krijgt een functie. Het inrichten van een rijke leeromgeving die past bij de huidige visie op onderwijs, is een creatieve en uitdagende taak. Je bent daarbij gebonden aan vaste elementen in het gebouw, zoals de grootte van de ruimtes, de breedte van de gangen, de plaats van stopcontacten en ramen. Ook moet je rekening houden met aanwezige meubels en het beschikbare budget.

Figuur 2.12 Kinderen van zeven zijn kleuter-af en willen dat ook laten zien

Schoolkinderen willen serieus genomen worden en zich gehoord voelen. Je betrekt kinderen actief bij het maken van afspraken en het inrichten van de verblijfsruimte. Samen kijk je naar de mogelijkheden van de binnenruimte of buitenruimte. Wat kan er allemaal en welke aanpassingen zijn er mogelijk?

Leerklimaat Ontwikkelen en leren lukt het best in een groeibevorderend en stimulerend leerklimaat. De inrichting en materialen dagen kinderen uit om nieuwe dingen te leren. De omgeving nodigt ze uit om over onderwerpen na te denken, en om zich te verwonderen. De omgeving sluit aan bij

1 37


Ruimte en inrichting

zijn bijvoorbeeld spulletjes die kinderen meegenomen hebben van huis. Zoiets geeft aan dat er veel aandacht is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Mis je die elementen, dan zal het onderwijs meer uitgaan van de leerstof en heb je mogelijk te maken met leerstofgericht onderwijs.

hun eigen belangstelling en leefwereld. Er zijn verrassende elementen die vragen oproepen en de nieuwsgierigheid prikkelen. Er is ook voldoende rust en structuur. Kinderen weten waar ze spullen kunnen vinden. Er zijn rustige werkplekken met weinig prikkels voor kinderen die snel zijn afgeleid.

Didactisch concept De manier waarop de tafeltjes en stoeltjes staan, bijvoorbeeld in kleine groepjes of in rijen, zegt iets over de onderwijsactiviteiten. Werken kinderen veel in groepjes gewerkt of werken ze individueel aan taken? Als je de klas inricht kijk je daarom eerst naar het didactisch concept van de school: dat is de praktische uitvoering van de visie op hoe mensen leren. Wat doen de kinderen, wat doet de leerkracht, hoe doen ze het en wat hebben ze daarvoor nodig? Welke activiteiten vinden in de klas plaats en wat is hiervoor nodig?

Tip Merk je dat kinderen weinig betrokken spelen en leren, en snel afgeleid zijn? Kijk dan eens goed naar de leeromgeving. Wat kun je daarin veranderen om het leren te bevorderen?

Naast leren biedt de ruimte mogelijkheden voor ontspanning. De leeshoek is een voorbeeld van zo’n plek waar kinderen zich rustig terug kunnen trekken met een boekje. Voor kinderen die tussen de middag op school overblijven, zou er ook een ruimte in het schoolgebouw moeten zijn waar zij zich kunnen ontspannen. Leerkracht De inrichting van de klas zegt iets over de persoonlijkheid van de leerkracht en hoe hij lesgeeft. Aan de inrichting herken je de leerkracht. Ziet de klas er rommelig uit, dan is de kans groot dat de leerkracht wat chaotisch is. Bij een keurig opgeruimde klas verwacht je een ordelijke leerkracht. Een warme aankleding past bij een leerkracht die een warme en gezellige sfeer weet te scheppen bij de lessen. Een zakelijke inrichting past bij een leerkracht die prettig, maar efficiënt met de kinderen werkt.

Figuur 2.14 Samenwerken in kleine groepjes

Voorwaarden scheppen Met de inrichting van de leeromgeving schep je de voorwaarden om te werken volgens het didactisch concept. • Als kinderen vaak op hetzelfde moment aan verschillende activiteiten werken in verschillende werkvormen, richt je de ruimte zo in dat ze dit ongestoord kunnen doen. • Als je wilt dat kinderen nieuwsgierig zijn en uit zichzelf nieuwe dingen willen leren, zorg je

Onderwijsopvatting Ook zie je de onderwijsopvatting terug in de inrichting van de ruimte. Zijn er veel persoonlijke elementen van de kinderen te zien dan gaat het onderwijs waarschijnlijk sterk uit van de belevingswereld van het kind. Persoonlijke elementen

1 38


2

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen

dat er in de leeromgeving elementen zijn die kinderen uitdagen. • Als je wilt dat kinderen zelfstandig zijn, richt je de ruimte zo in dat kinderen zelfstandig materialen kunnen pakken en terugleggen. • Als je wilt dat kinderen met elkaar samenwerken, zonder dat ze anderen storen, dan maak je aparte ruimtes bijvoorbeeld met kasten of flexibele wanden. In de onderbouw ziet het didactisch concept er anders uit dan in de bovenbouw, omdat kleuters op een andere manier leren. Dat zie je terug in de inrichting van het klaslokaal. In de bovenbouw zijn er tafelgroepjes, in de onderbouw zie je de bouwhoek, de huishoek en de taalhoek. De mediatheek, een overblijflokaal, een handenarbeidlokaal of een multifunctionele ruimte voor het werken en begeleiden in kleine groepjes, zien er anders uit dan een klaslokaal. Steeds vaker doorbreken scholen het jaarklassensysteem. Sommige scholen werken met groepen van honderd kinderen. Ze werken steeds in verschillende groepjes van wisselende aan taken die ze zelf mogen kiezen. Dat heeft gevolgen voor de indeling en inrichting van de school. Je denkt niet meer in klaslokalen, maar in activiteitenplekken. 2.3.5

Figuur 2.15 Ongestoord kunnen ‘werken’

Verschillende leeftijden in een ruimte De leeftijd van de kinderen in een groep voor buitenschoolse opvang kan variëren van vier tot twaalf jaar. Dat is een groot leeftijdsverschil. In de praktijk blijkt het niet eenvoudig om al die kinderen in één groep op te vangen. Een tienjarige heeft gewoon andere behoeften dan een vierjarige. Een buitenschoolse opvang werkt daarom vaak met aparte groepen voor vier tot acht jaar en van acht tot twaalf jaar. Als de verschillende leeftijdsgroepen toch samen gebruikmaken van een ruimte, richt die dan zo in dat er aparte activiteitenplekken zijn. Zorg ook voor plekken waar kinderen zich terug kunnen trekken, dan kunnen ze beter omgaan met vermoeidheid of frustratie.

De buitenschoolse opvang

Tip

Op de buitenschoolse opvang hebben kinderen vrije tijd: ze willen zelf kiezen wat ze doen en of ze wat doen. Een buitenschoolse opvang heeft daarom een heel andere inrichting dan een school. Het meubilair komt bij voorkeur niet van een firma die schoolartikelen verkoopt. Natuurlijk is dat meubilair degelijk en functioneel, maar het doet vaak schools aan. Je wilt in de buitenschoolse opvang graag een huiselijke sfeer creëren.

Kinderen vinden het vaak leuk om betrokken te zijn bij de inrichting van de ruimte. Dan wordt het als het ware ‘hun plek’. Je kunt samen met kinderen een plattegrond van de ruimte maken als je die gaat (her) inrichten. Laat ze meedenken over welke accessoires er komen, denk aan kussentjes op de bank of posters aan de muur. Misschien is er een klein budget beschikbaar, zodat je wat nieuwe spulletjes kunt kopen die sfeer brengen in de ruimte.

1 39


Ruimte en inrichting

2.4

Leeromgevingen in het voortgezet onderwijs

Andere middelbare scholen leggen het accent op creativiteit. Zij maken dat zichtbaar in de inrichting van creatieve ruimten waar de vakken handvaardigheid, tekenen, muziek gegeven worden. Ze hebben ook vaak een podium met veel uitstraling. Op deze scholen hangen vaak zelfgemaakte kunstwerken van leerlingen aan de wanden. Of er staan in de hal vitrinekasten met kunstwerken van leerlingen. Scholen die veel met digitale leermiddelen werken hebben ruimtes met voldoende computers. Daar moet goed nagedacht worden over hoe je de elektriciteitsdraden van alle apparaten handig wegwerkt. De meeste middelbare scholen hebben een aantal aparte computerlokalen. Sommige scholen hebben een aparte klas voor hoogbegaafden. Deze kinderen leren anders en werken aan speciale projecten. De vmbo-scholen hebben hun opleidingsaanbod ondergebracht in onderwijssectoren, bijvoorbeeld zorg en welzijn, economische opleidingen, technische opleidingen en agrarische opleidingen. Er zijn speciale scholen voor voortgezet onderwijs voor jeugdige talenten op het gebied van muziek, ballet of sport. Het voert hier te ver om op de inrichting van die scholen in te gaan. Op vso-scholen (voortgezet speciaal onderwijs) komen kinderen met een indicatie op basis van een bepaalde beperking of ontwikkelingsachterstand.

Aan het einde van de basisschool maken kinderen een keuze voor het voortgezet onderwijs. Hoe de ruimtes op een middelbare school zijn ingericht hangt af van het type onderwijs en van de pedagogische visie.

Figuur 2.16 Computer ruimte om alleen of in kleine groepjes te werken

Verschillen tussen scholen Er zijn scholen die het accent leggen op de talen. Zij bieden bijvoorbeeld tweetalig onderwijs aan, waar de voertaal Engels is. In die lokalen zal je veel sfeerelementen, denk aan posters of landkaarten, uit Engeland of Amerika tegenkomen.

Figuur 2.17 Digitale mogelijkheden en/of een presentatie opdracht

1 40


2

Het zal duidelijk zijn dat scholen de inrichting van de ruimte aanpassen aan de doelstellingen en de doelgroep. De ruimte in een vmbo-afdeling voor zorg en welzijn ziet er anders uit dan bij bouw en timmeren of bij elektrotechniek. Leerlingen leren beroepsvaardigheden met hulp van gebruiksvoorwerpen, materialen en gereedschappen uit de beroepspraktijk. De praktijklokalen op een vmbo lijken dan ook vaak op een bedrijfsruimte, een kinderdagverblijf of ziekenhuiskamer. De opstelling De leerkracht bepaalt hoe de stoelen en tafels in de ruimte moeten staan. De manier waarop ze staan noem je de opstelling. Afhankelijk van hoe de les eruitziet kan de leerkracht de opstelling veranderen. De leerlingen verplaatsen vaak zelf de stoelen en de tafels. Als er een activiteit in een kring is, bijvoorbeeld bij een muziekles, dan gaan alle tafels aan de kant zodat er een kring van stoelen gemaakt kan worden. Na aoop zetten de leerlingen de tafels en stoelen weer terug in de oorspronkelijke opstelling. Er is leerstof die gericht is op groepsdiscussie. De tafels en stoelen in het lokaal moeten zo staan dat een groepsdiscussie gemakkelijk te voeren is. Als leerlingen een PowerPoint-presentatie geven, dan is het belangrijk dat alle leerlingen goed zicht hebben op het digibord. Ontmoetingsplaats De school is niet alleen een plaats om te leren, maar ook een plaats waar leerlingen elkaar kunnen ontmoeten, bijvoorbeeld in de aula of op het schoolplein. Er moeten zowel binnen als buiten voldoende plekken zijn waar de leerlingen in groepjes kunnen zitten.

1 41

Inrichting op basis van ontwikkelingsdoelen


Begrippen Allergie

Overgevoeligheid van het lichaam voor bepaalde stoffen.

Astma

Chronische ontsteking van de luchtwegen met als gevolg klachten als hoesten, piepende ademhaling, benauwdheid en kortademigheid.

Autonomie

Situatie van onafhankelijkheid, waarbij iemand zijn eigen beslissingen kan nemen.

Basisvertrouwen

Fundamenteel vertrouwen in jezelf en de ander waarvoor de basis gelegd wordt in het eerste levensjaar.

Budget

Van tevoren vastgestelde hoeveelheid geld die aan een bepaald doel besteed kan worden.

Didactisch concept

De praktische uitvoering van de visie op hoe mensen leren.

Emotionele veiligheid

Een gevoel van geborgenheid, het gevoel dat iemand kan zijn wie hij is en beschermd wordt tegen negatief gedrag van anderen.

Fijne motoriek

Het beheersen van de spieren waarmee ďŹ jne bewegingen worden gemaakt, bijvoorbeeld kralen rijgen of schrijven.

Fysieke veiligheid

Veiligheid die betrekking heeft op het voorkomen van lichamelijke verwondingen.

Grove motoriek

Het beheersen van de spieren waarmee grotere bewegingen worden gemaakt, bijvoorbeeld lopen en klimmen.

Motoriek

Het beheersen van de spieren.

Sensomotorische ontwikkeling

Ontwikkeling waarbij de afstemming tussen de zintuiglijke en motorische ontwikkeling centraal staat.

Signaal

Teken of aanwijzing om iets te doen of juist na te laten.

Signaleren

Opmerken, constateren. Opvangen van tekens dat er iets niet klopt.

1 42


Begrippen

Snoezelruimte

Rustige, sfeervolle ruimte waarin zintuiglijke prikkels selectief kunnen worden aangeboden.

Visie

Bepaalde kijk op iets, gezichtspunt, richtinggevende zienswijze.

1 43


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Traject Welzijn Zorg voor omgeving PW by ThiemeMeulenhoff - Issuu