Hoofdstuk 11
Hoe gaat het? ?⃝ ik moet het nog leren
Doelenkaart
⃝↑ ik moet het nog oefenen ⃝✓ ik kan het!
Spreken en luisteren • Ik kan een dialoog voeren.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan vragen stellen om de ander beter te begrijpen.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan gericht luisteren naar een verhaal.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan een verhaal samenvatten.
?⃝
⃝↑
⃝✓
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan een gebruiksaanwijzing (instructietekst) herkennen.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik weet wat ik kan doen als ik een woord niet begrijp.
?⃝
⃝↑
⃝✓
?⃝
⃝↑
⃝✓
?⃝
⃝↑
⃝✓
Woordenschat • Ik ken de betekenis van 45 nieuwe woorden.
Lezen
Taal verkennen • Ik kan een zin ontleden in zinsdelen.
Schrijven • Ik kan een verslag schrijven.
Hoofdstuk 11
Les 9 De titel van een verslag is kort en maakt direct duidelijk waar het verslag over gaat. In de inleiding staat wat het onderwerp is. Je schrijft in het kort waar het verslag over gaat. Je schrijft over iets wat echt is gebeurd.
In de kern beschrijf je de belangrijkste gebeurtenissen. Je vertelt ze in de goede volgorde. Je vertelt alleen de feiten en je verzint er niets bij.
In het slot schrijf je wat je ervan hebt geleerd, of je geeft je mening of een tip. Schrijf je naam onder het verslag.
34
Schrijven • Ik oefen het schrijven van een verslag.
1
Bedenk een onderwerp voor je verslag. 1 Waar ga jij een verslag over schrijven? Bedenk een onderwerp voor je verslag. Denk aan een bezoek aan een museum met je groep. Of aan een schoolreisje. Of misschien ben je wel eens met je sportclub op kamp geweest. Vul het onderwerp in:
2 Wat is een goede titel voor je verslag? Vul de titel in bovenaan je verslag.
2
Schrijf de inleiding. Vul in de inleiding in waar je naartoe bent geweest, wanneer dat was en met wie.
3
Bedenk woorden bij het onderwerp. 1 Wat heb je gedaan? Wat heb je gezien? Schrijf zo veel mogelijk losse woorden op, dus geen zinnen.
2 Heb je veel woorden opgeschreven? Kies dan de woorden die het belangrijkst zijn voor je verslag. Zet een rondje voor alle woorden waarover je gaat schrijven. 3 Bepaal nu de volgorde van de gebeurtenissen. Schrijf nummers in de rondjes bij de woorden.
4
Schrijf de kern. Maak zinnen van de woorden. Kies de goede volgorde in wat je gedaan en gezien hebt.
35
5
Schrijf het slot. Wat vond je van de excursie/het schoolreisje/het kamp? Wat heb je ervan geleerd? Heb je nog een tip voor kinderen die van plan zijn om er ook naartoe te gaan? Vul het slot in van je verslag. Schrijf als laatste je naam onder het verslag.
6
Ben je tevreden met je verslag? Lees je verslag na. En let daarbij op het volgende: 1 2 3 4 5 6 7
7
Staan de belangrijkste dingen die je wilde vertellen erin? Staan de gebeurtenissen in de goede volgorde? Heb je alleen de feiten verteld en niets verzonnen? Heb je alinea's gemaakt, bijvoorbeeld door witregels? Heb je alle leestekens en hoofdletters goed gebruikt? Zijn de zinnen goed? Zitten er geen spelfouten in de woorden? Vraag een klasgenoot jouw verslag te lezen. Kunnen er dingen beter?
Wat zou je willen veranderen aan je verslag? Mijn verbeterpunt:
36
8
Maak een tekening bij je verslag. Bij een verslag staat vaak een plaatje. Maak een tekening of zoek een plaatje in tijdschriften of op internet.
37
Hoofdstuk 11
Les 10
Taal verkennen Dit kan ik nog • Ik herhaal het herkennen en gebruiken van het voltooid deelwoord en het gezegde uit blok 4.
Dit kan ik nu • Ik herhaal het ontleden van een zin in zinsdelen.
Dit kan ik nog 1
Maak de zinnen af met een voltooid deelwoord. Gebruik het werkwoord dat voor de zin staat. 1 bouwen
Deze zomer hebben we zandsculpturen
2 zoeken
We hebben eerst heel goed zand
3 reizen
Daarvoor zijn we helemaal naar Duitsland
. . .
4 meenemen We hebben een flinke voorraad 5 winnen
2
En we hebben de tweede prijs
Wat is het gezegde? Onderstreep het goede antwoord. 1 Kasia heeft die film gisteravond gezien. 2 Marek gaat hem morgen bekijken. 3 Kim is de film op dit moment aan het kijken. 4 Ze vraagt aan haar vader chips en cola. 5 Voor haar broertje is de film te griezelig.
38
. .
3
Ontleed de zinnen. Schrijf van elke zin de persoonsvorm, het gezegde, het voltooid deelwoord en het hele werkwoord op. Let op: Niet elke zin heeft een voltooid deelwoord of heel werkwoord. 1 De ijscarver schaaft zijn sculpturen. persoonsvorm: gezegde: voltooid deelwoord: hele werkwoord: 2 Hij heeft eerst een blok ijs gemaakt. persoonsvorm: gezegde: voltooid deelwoord: hele werkwoord: 3 Daarna is hij even gestopt. persoonsvorm: gezegde: voltooid deelwoord: hele werkwoord: 4 Hij wilde even uitrusten. persoonsvorm: gezegde: voltooid deelwoord: hele werkwoord: 5 Nu zit hij lekker koffie te drinken. persoonsvorm: gezegde: voltooid deelwoord: hele werkwoord:
39
Dit kan ik nu 1
Vul het onderwerp en het lijdend voorwerp in. 1 Op de markt droegen veel mensen zware tassen. Onderwerp: Lijdend voorwerp: 2 Het oude vrouwtje gaat eerst bij de bakker een slagroomtaart kopen. Onderwerp: Lijdend voorwerp: 3 De slager op de hoek verkoopt ook heerlijke vleeswaren. Onderwerp: Lijdend voorwerp: 4 Oma heeft nog een oud fotoboek in de la liggen. Onderwerp: Lijdend voorwerp: 5 In het fotoboek heeft oma's haar nog donkere krullen. Onderwerp: Lijdend voorwerp:
2
Wat is het vetgedrukte zinsdeel? Onderstreep het goede antwoord. Kijk naar de vetgedrukte woorden. 1 Youssef heeft geld gekregen voor zijn verjaardag. onderwerp
ander zinsdeel | lijdend voorwerp |
2 Hij heeft er een nieuwe spijkerbroek voor gekocht. ander zinsdeel | lijdend voorwerp | onderwerp 3 De spijkerbroek heeft een mooie lichtblauwe kleur. onderwerp
ander zinsdeel | lijdend voorwerp |
4 Hij kocht een leuke dvd en een poster voor de rest van het geld. ander zinsdeel | lijdend voorwerp | onderwerp
40
5 De mooie poster plakte hij op de deur van zijn kamer. onderwerp
ander zinsdeel | lijdend voorwerp |
3
Vul het gezegde, onderwerp en het lijdend voorwerp in. 1 Inge heeft de kopjes en borden afgewassen. Gezegde: Onderwerp: Lijdend voorwerp: 2 Arif liet per ongeluk het dienblad vallen. Gezegde: Onderwerp: Lijdend voorwerp: 3 De moeder van Inge haalt de pannen en schalen uit de vaatwasser. Gezegde: Onderwerp: Lijdend voorwerp: 4 De vader van Inge wast graag zelf de kopjes en schoteltjes af. Gezegde: Onderwerp: Lijdend voorwerp: 5 Na de afwas drinken ze samen een lekker kopje thee. Gezegde: Onderwerp: Lijdend voorwerp:
41