Skip to main content

Inkijkexemplaar Pit taal groep 5 - december2021

Page 1

Hoofdstuk 8

Hoe gaat het? ?⃝ ik moet het nog leren

Doelenkaart

⃝↑ ik moet het nog oefenen ⃝✓ ik kan het!

Spreken en luisteren • Ik kan een discussie voeren.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik weet hoe ik kan zeggen wat mijn mening is en of ik het wel of niet met iemand eens ben.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan terugkijken op het luisteren naar een verhaal.

?⃝

⃝↑

⃝✓

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan mijzelf vragen stellen tijdens het lezen van een verhaal.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan signaalwoorden en verbanden in een tekst herkennen.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan nieuwe informatie over het onderwerp van een tekst opzoeken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik weet wat een voegwoord is.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan voegwoorden gebruiken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

?⃝

⃝↑

⃝✓

Woordenschat • Ik ken de betekenis van 45 nieuwe woorden.

Lezen

Taal verkennen

Schrijven • Ik kan een formulier invullen.


Hoofdstuk 8

Les 6

Taal verkennen • Ik leer wat een voegwoord is.

Voegwoord Voegwoorden zijn woorden die twee zinnen aan elkaar plakken. Maarten blijft thuis. Hij is ziek. Maarten blijft thuis, omdat hij ziek is. Sabien gaat niet mee. Ze heeft de film al gezien. Sabien gaat niet mee, want ze heeft de film al gezien. Voorbeelden van voegwoorden zijn: omdat, want, maar, en, hoewel, dus

1

Bekijk het uitlegblokje.

2

Maak van twee zinnen één zin. Lees de zinnen. Gebruik het woord dat ervoor staat. 1 want – Peter bloost tijdens de spreekbeurt. Hij is onzeker.

2 omdat – Mama gaat met de auto naar het werk. Het regent.

3 maar – Mijn zus wil een spel doen. Ik wil een film kijken.

4 en – Anna schrijft een verhaal. Frederiek maakt een tekening.

58


3

Welke woorden zijn voegwoorden? Onderstreep de voegwoorden. 1 Morgen ben ik jarig en dan geef ik een feest. 2 Ik nodig negen vrienden uit, want ik word negen jaar! 3 We wilden eerst gaan zwemmen, maar ik vond dat saai. 4 We gaan schaatsen, omdat ik dat superleuk vind. 5 Ik ga nu snel slapen, want ik moet morgen fit zijn.

4

Welk voegwoord past in de zin? Kies uit: want | omdat | maar | en 1 Ga maar naar je kamer,

je maakt het nu echt te bont.

2 Mijn broertje plaagt de kat,

ik krijg de schuld.

3 Jona voert de vissen,

ze honger hebben.

4 Ik smeer een boterham

5

schenk een beker melk in.

Welke zinnen horen bij elkaar? Teken een lijn. De secretaresse typt een brief. Het regent in Nederland. Mijn broer eet een appel. Emma ligt languit in een plas.

• • • •

• • • •

Ze is gestruikeld over haar losse veter. Dat is gezond. In Spanje schijnt de zon. Ze print hem uit.

59


6

Voeg zinnen samen. Maak van twee zinnen één lange zin. Gebruik het goede voegwoord. Kies uit: maar | omdat | en | want Voorbeeld: De professor is erg opgetogen. Hij heeft een belangrijke ontdekking gedaan. De professor is erg opgetogen, want hij heeft een belangrijke ontdekking gedaan.

De secretaresse typt een brief. Ze print hem uit.

Het regent in Nederland. In Spanje schijnt de zon.

Mijn broer eet een appel. Dat is gezond.

Emma ligt languit in een plas. Ze is gestruikeld over haar losse veter.

7

60

Bedenk zinnen met voegwoorden. Plak aan deze zin zo veel mogelijk nieuwe zinnen: Ik ren naar school. Je gebruikt steeds een ander voegwoord. Maak de zinnen steeds anders af. 1 Ik ren naar school, omdat

.

2 Ik ren naar school, maar

.

3 Ik ren naar school, want

.

4 Ik ren naar school en

.

5 Ik ren naar school,

.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar Pit taal groep 5 - december2021 by ThiemeMeulenhoff - Issuu