MODULE
1
Methodisch handelen
© Charlotte Bogaert
PEDAGOGISCH WERK
Een kind bekijkt een houten onderdeel. Een ander kind speelt met dierenfiguren op de vloer. Op de achtergrond kijkt een pedagogisch professional mee en noteert wat er gebeurt. Maar wat zie je feitelijk en welke betekenis geef je daar zelf aan? In je werk gebruik je de vijf stappen van methodisch handelen om zorgvuldig te kijken en doelgericht te handelen. Je verzamelt informatie en kiest een passende aanpak. Je onderbouwt die keuze met feitelijke informatie, het gegeven doel en de beroepscontext. Daarna kijk je wat de aanpak oplevert en bepaal je welke vervolgstap passend is. Auteur ThiemeMeulenhoff Redactie ThiemeMeulenhoff Judith Tadema
1
Methodisch handelen
Introductie Naomi wil niet te snel beslissen
© ThiemeMeulenhoff / AI
Na schooltijd ontvangt pedagogisch professional Naomi de kinderen op BSO De Ontdekking. Tariq van acht jaar loopt door de ruimte. Hij begint aan verschillende activiteiten, maar stopt steeds na enkele minuten. Als Naomi hem het keuzebord laat zien, duwt hij het weg. ‘Ik weet niet wat ik moet kiezen. Het is hier veel te druk’, zegt Tariq. Tariq heeft vaker moeite met kiezen. Het team heeft als doel dat Tariq rustig binnenkomt en met ondersteuning een activiteit kiest. Vandaag vertelt de leerkracht dat de schooldag anders dan normaal verliep. Een collega denkt dat Tariq duidelijke grenzen nodig heeft. Een andere collega stelt een rustige ontvangstplek voor. Naomi praat met Tariq en vraagt wat hem zou helpen. Ze heeft nu verschillende soorten informatie, maar weet nog niet welke aanpak past. Ze wil haar keuze kunnen uitleggen en later bekijken wat die keuze oplevert.
1
Naomi wil niet te snel beslissen a Wat er is professioneel aan het handelen van Naomi?
b Waarom is het belangrijk dat Naomi haar keuze kan onderbouwen?
2
c Welke kennis en vaardigheden heb je nodig om je keuze te onderbouwen?
2
Wat wil je leren? Kies één van de voorbeelden of schrijf zelf op waaraan je wilt werken.
• • •
De vijf stappen van methodisch handelen in een beroepssituatie in samenhang uitleggen. Feitelijke informatie en een interpretatie zorgvuldig uit elkaar houden. Een keuze onderbouwen met informatie, een gegeven doel en de beroepscontext.
a Aan het einde van de module wil ik kunnen ...
b Ik merk dat ik vooruitga wanneer ik ...
© ThiemeMeulenhoff / AI
3
1
Methodisch handelen
1 Methodisch handelen in vijf stappen Introductie Eerst kiezen of eerst kijken? casus
© ThiemeMeulenhoff / AI
Tijdens het drinkmoment stoot de driejarige Omar opnieuw zijn open beker om. Collega Noor zegt:
‘Geef hem voortaan een tuitbeker.’
Collega David zegt: ‘Nee, hij moet juist met een gewone beker blijven oefenen.’ Het team wil dat Omar met passende ondersteuning uit een open beker leert drinken. Pedagogisch professional Ayla wil daarom niet direct een oplossing kiezen.
1 Stap voor stap Wat zou jij eerst doen? Kies de eerste stap die volgens jou het best past.
• • •
Ayla geeft Omar voortaan een tuitbeker. Ayla laat Omar op dezelfde manier verder oefenen en geeft extra aanwijzingen. Ayla kijkt tijdens enkele drinkmomenten wanneer de beker omvalt en wat Omar dan doet.
Noteer een reden voor je keuze. Vergelijk daarna je antwoord met dat van een medestudent.
Waarom stap voor stap werken? In je werk zijn vaak verschillende keuzes mogelijk. Door methodisch te handelen kies je niet meteen een oplossing, maar werk je stap voor stap. De vijf stappen van methodisch handelen helpen je om informatie te verzamelen, doelgericht te handelen en je keuzes te onderbouwen.
4
1.1
1 Methodisch handelen in vijf stappen
Methodisch handelen in vijf stappen Leerdoel •
Je kunt de opbouw en samenhang van de vijf stappen van methodisch handelen uitleggen.
In je werk als pedagogisch professional maak je ontzettend veel keuzes. Bijvoorbeeld: je kiest steeds hoe je reageert op bepaald gedrag, welke activiteit je organiseert of hoe je een vaardigheid gaat oefenen. Als pedagogisch professional maak je deze keuzes bewust en handel je doelgericht. Kortom, je handelt methodisch. Methodisch handelen betekent dat je bewust en doelgericht werkt volgens vijf samenhangende stappen. Je verzamelt relevante informatie, werkt vanuit een doel, kiest een aanpak, voert deze uit en kijkt wat het resultaat is. Daarna bepaal je welke vervolgstap past. Je doorloopt dan opnieuw de stappen van methodisch werken. Methodisch handelen verloopt dus cyclisch. De vijf stappen zijn verbonden. Je gebruikt informatie over een kind, de groep en de situatie om een doel te bepalen en een plan te maken. Tijdens de verzorging, begeleiding of het uitvoeren van een activiteit volg je het plan en werk je bewust aan doelen. Tot slot kijk je wat je handelen heeft opgeleverd en of de doelen zijn behaald. Zo kun je uitleggen waarom je op een bepaalde manier handelt. In je werk als pedagogisch professional handel je in veel verschillende situaties methodisch. Bijvoorbeeld wanneer je een baby verzorgt, een overgangsmoment op de BSO begeleidt of een leerling ondersteunt bij een leeractiviteit. Je baseert je handelen op informatie over het kind, de groep en de situatie. Je werkt aan een afgesproken doel en kiest een aanpak die daarbij past. Daarbij volg je de afspraken op je werkplek.
© ThiemeMeulenhoff / AI
De vijf stappen van methodisch handelen
Stap
Kernvraag
1
Beginsituatie en behoeften verkennen
Wat gebeurt er en welke informatie is belangrijk?
2
Een doel formuleren
Wat willen we bereiken?
3
Een plan maken
Wat gaan we doen en wie doet wat?
4
Uitvoeren en begeleiden
Hoe verloopt de aanpak?
5
Evalueren en bijstellen
Wat heeft de aanpak opgeleverd en wat is nu nodig? 5
1
Methodisch handelen
uitleg
Taalhulp - de cyclus uitleggen Vind je het lastig om je de cyclus aan iemand uit te leggen? Gebruik dan de woorden en zinsstarter hieronder om de volgorde en samenhang tussen de stappen uit te leggen.
• • •
1.2
Gebruik woorden voor volgorde: eerst, daarna, vervolgens en tot slot. Gebruik woorden voor samenhang: omdat, daardoor en daarom. Zinsstarter: Deze stappen hangen samen, omdat ...
Vier kenmerken van methodisch handelen Leerdoel •
Je kunt de vier kenmerken van methodisch handelen herkennen in een beroepssituatie.
Als je methodisch handelt, doorloop je niet alleen vijf samenhangende stappen. Ook de manier waarop je binnen die stappen werkt is belangrijk. Tijdens een verzorgingsmoment, activiteit of leeractiviteit houd je het doel voor ogen. Je denkt vooraf na over het doel en je aanpak, volgt wat er tijdens de uitvoering gebeurt en kijkt bewust naar het effect van je aanpak. Deze manier van werken herken je aan vier kenmerken: doelgericht, planmatig, procesmatig en bewust handelen. Kenmerk
Centrale vraag
Waaraan herken je het?
Doelgericht
Wat wil ik bereiken?
Je gebruikt een doel om keuzes te maken. Later kijk je of de aanpak aan dat doel heeft bijgedragen.
Planmatig
Hoe wil ik dat bereiken?
Procesmatig
Hoe verloopt de aanpak?
Je volgt tijdens de uitvoering wat er gebeurt. Nieuwe informatie kan een reden zijn om de ondersteuning of aanpak aan te passen.
Waarom handel ik zo en welke invloed heb ik?
Je kunt je keuzes uitleggen. Ook denk je na over de invloed van je eigen gedrag op het kind, de groep en de situatie..
Bewust
Je denkt vooraf na over de aanpak. Je maakt afspraken over wat je doet, wanneer je dat doet en wie daarbij betrokken zijn.
Planmatig en procesmatig handelen hangen met elkaar samen, maar gaan over een ander moment. Bij planmatig handelen denk je vooraf na. Je bepaalt welke aanpak je gebruikt en welke afspraken daarvoor nodig zijn. Bij procesmatig handelen volg je tijdens de uitvoering hoe de aanpak verloopt. Je kijkt naar de reacties van het kind of de groep en past je handelen aan wanneer de situatie daarom vraagt.
6
1 Methodisch handelen in vijf stappen
voorbeeld
Rustig naar het eetmoment Voor het eetmoment is de peutergroep vaak onrustig. De kinderen stoppen op verschillende momenten met spelen en lopen door elkaar naar de tafel. Dina en haar collega hebben als doel dat de overgang rustiger en duidelijker verloopt. Zij spreken af dat Dina het eetmoment steeds op dezelfde manier aankondigt. Daarna zingen zij samen met de kinderen een
© arie kievit
opruimlied. Deze keuzes passen bij het doel. Dina handelt daarom doelgericht. Omdat de aanpak vooraf is bedacht en afgesproken, handelt zij ook planmatig. Tijdens de overgang kijkt Dina hoe de kinderen reageren. Zij merkt dat twee kinderen meer tijd nodig hebben om hun spel af te ronden. Dina geeft hun eerder een seintje en helpt hen als eerste met opruimen. Daarmee handelt zij procesmatig. Dina merkt ook dat zij zelf snel en luid praat wanneer het druk wordt. Daardoor worden sommige kinderen juist onrustiger. Zij vertraagt haar stem en geeft kortere aanwijzingen. Daarmee handelt zij bewust.
1.3 Systematisch handelen Leerdoel •
Je kunt uitleggen hoe systematisch handelen de uitvoering van methodisch handelen ondersteunt.
Als pedagogisch professional handel je methodisch. Je weet aan welke doelen je werkt en wat de afgesproken aanpak is. Ook houd je bij hoe een kind of jongere reageert op die aanpak. Dat lukt alleen als je werkwijze zorgvuldig en geordend is en als er duidelijke afspraken zijn met collega’s en andere betrokkenen. Je handelen is daarom ook altijd systematisch. Systematisch handelen betekent dat je geordend, zorgvuldig en volgens duidelijke afspraken werkt. Je gebruikt afgesproken aandachtspunten, legt relevante informatie steeds op een herkenbare manier vast en controleert of de afspraken zijn uitgevoerd. Daardoor kunnen jij en je collega’s terugvinden wat er is gedaan, wat goed ging en wat nog aandacht vraagt. Systematisch handelen ondersteunt methodisch handelen. Bij methodisch handelen doorloop je een samenhangende route van beginsituatie en behoefte naar doel, plan, uitvoering en evaluatie. Systematisch handelen gaat over de manier waarop je binnen die route werkt. Met andere woorden: Methodisch handelen bepaalt de route. Systematisch handelen helpt je om iedere stap geordend, zorgvuldig en controleerbaar uit te voeren.
7
1
Methodisch handelen
Stap
Hoe handel je systematisch
1
Beginsituatie en behoefte verkennen
Je verzamelt informatie uit verschillende bronnen. Je noteert wat relevant is. Bij observaties leg je vast waarop je let. Je beschrijft steeds wat er gebeurt, wat goed gaat en waarbij ondersteuning nodig is.
2
Een doel formuleren
Je legt het afgesproken of gegeven doel duidelijk vast. Je controleert of alle betrokken professionals hetzelfde doel gebruiken.
3
Een plan maken
Je noteert wie wat doet, wanneer de aanpak plaatsvindt en waarop je tijdens de uitvoering let.
4
Uitvoeren en begeleiden
Je werkt volgens de afspraken. Je legt vast wat goed gaat, welke veranderingen je ziet en wanneer de uitvoering anders verloopt dan gepland.
5
Evalueren en bijstellen
Je vergelijkt het resultaat met het afgesproken doel. Daarna leg je vast wat wordt behouden, wat wordt aangepast en wie de vervolgstap uitvoert.
Systematisch handelen betekent niet dat je op ieder moment alles moet opschrijven. Je legt alleen informatie vast die relevant is voor het doel en de gemaakte afspraken. Je gebruikt daarbij de werkwijze van je organisatie.
Methodisch en systematisch handelen in de praktijk Methodisch handelen komt in alle werkvelden van Pedagogisch werk voor. De situatie en je verantwoordelijkheid kunnen verschillen, maar de vijf stappen blijven hetzelfde. Systematisch handelen helpt je om die stappen zorgvuldig en volgens afspraken uit te voeren. voorbeeld
Noura ondersteunt Mila bij het starten Onderwijsassistent Noura begeleidt Mila in groep 7 tijdens zelfstandig rekenen. Na de gezamenlijke instructie begint Mila vaak pas wanneer iemand opnieuw uitlegt wat zij moet doen. Noura bespreekt dit met de leerkracht. 1
Beginsituatie en behoeften verkennen: Noura kijkt tijdens enkele lessen wat Mila na de instructie doet en vraagt wat zij lastig vindt.
© ThiemeMeulenhoff / AI
2 Een doel formuleren: Noura en de leerkracht werken vanuit het doel dat Mila
met ondersteuning zelfstandig aan de eerste opgave begint. 3 Een plan maken: Zij spreken af dat Mila een stappenkaart gebruikt. Noura geeft één korte aanwijzing en geeft Mila daarna tijd om zelf te beginnen. 4 Uitvoeren en begeleiden: Noura voert de afspraak uit en kijkt hoeveel ondersteuning Mila nog nodig heeft. 5 Evalueren en bijstellen: Na enkele lessen bespreken Noura en de leerkracht het resultaat en bepalen zij welke ondersteuning nog nodig is. De vijf stappen laten zien dat Noura methodisch handelt. Zij werkt vanuit informatie en een doel, voert een afgesproken aanpak uit en gebruikt het resultaat voor het vervolg. Noura handelt ook systematisch. Zij werkt tijdens de lessen volgens dezelfde afspraken en kijkt steeds naar dezelfde aandachtspunten. Zo kunnen Noura en de leraar de resultaten vergelijken. De leraar blijft verantwoordelijk voor het onderwijsproces.
8
2 Waarnemen, signaleren en observeren
2 Waarnemen, signaleren en observeren Introductie Wat is zichtbaar? casus
© ThiemeMeulenhoff / AI
1
Kijk en vergelijk Inez (tweede van links) zit met drie andere leerlingen aan tafel. De instructie is net afgelopen.
a Geef bij iedere uitspraak aan of het iets is dat je ziet of dat het een invulling is van iets dat je ziet. 1
Het werkblad van Inez is nog leeg.
2 Het potlood van Inez ligt op tafel. 3 Inez kijkt naar het werkblad van de leerling naast haar. 4 Inez begrijpt de opdracht niet.
b Vergelijk jouw antwoorden met die van een medestudent. Bedenk daarna samen één vraag die de onderwijsassistent aan Inez kan stellen om te weten te komen wat er aan de hand is.
9
1
Methodisch handelen
Waarom goed kijken? Voordat je bepaalt wat je doet, is het belangrijk dat je onderscheid maakt tussen wat je echt ziet en wat je denkt dat er aan de hand is. Zo voorkom je dat je te snel een conclusie trekt en kun je eerst meer informatie verzamelen. Op basis daarvan kun je een passende professionele keuze maken.
2.1
Waarnemen en interpreteren Leerdoel •
Je kunt feitelijk beschreven informatie en een interpretatie in een eenvoudige beroepssituatie onderscheiden.
Als pedagogisch professional neem je voortdurend waar wat er gebeurt. Je kijkt bijvoorbeeld hoe een kind reageert tijdens een verzorgingsmoment, hoe kinderen met elkaar spelen of hoe een leerling aan een opdracht begint. Daaruit trek je vaak conclusies. Bijvoorbeeld over wat goed gaat en waarbij een kind ondersteuning nodig heeft. Wat je opmerkt en welke betekenis je daaraan geeft, is dus heel belangrijk bij goed methodisch handelen.
2.1.1 Waarnemen Waarnemen betekent dat je informatie opneemt met je zintuigen. Je zintuigen zijn zien, horen, ruiken, voelen en proeven. Als pedagogisch professional gebruik je vooral wat je ziet en hoort. Bij de verzorging van jonge kinderen gebruik je ook wat je voelt en ruikt. Je neemt niet alleen informatie over één kind waar. Ook de groep en de omgeving geven informatie. Een kind kan in een rustige ruimte ander gedrag laten zien dan in een drukke groep. Daarom kijk je naar wat een kind doet en naar de situatie waarin dit gebeurt. voorbeeld
Tamara gebruikt verschillende zintuigen Tamara loopt stage op een dreumesgroep. Teun jammert en loopt onrustig door de ruimte. Tamara ziet hoe hij rondloopt en hoort hem jammeren. Wanneer zij hem optilt, voelt zij dat zijn luier zwaar is. Ook ruikt zij een sterke geur. Door verschillende zintuigen te gebruiken, krijgt Tamara meer informatie. Zij weet nu meer dan wanneer zij alleen naar het rondlopen van Teun had gekeken.
Prikkel Je merkt niet alle prikkels op. Een prikkel is iets uit de omgeving dat een zintuig bereikt. Denk aan een geluid, beweging, geur, aanraking, licht of temperatuur. Op ieder moment komen veel prikkels op je af. Je merkt daarom maar een deel bewust op. Wat je opmerkt, wordt onder andere beïnvloed door de volgende factoren.
10
2 Waarnemen, signaleren en observeren
Factor
Invloed op wat je opmerkt
Je zintuigen en je plaats in de ruimte
Je kunt alleen informatie opvangen die je zintuigen bereikt. In een vol klaslokaal, hoor je bijvoorbeeld niet alles wat een leerling zacht zegt.
Je aandacht en toestand
Als je één kind helpt, kun je ondertussen iets in de groep missen. Ook vermoeidheid, spanning of drukte kunnen ervoor zorgen dat je minder informatie opmerkt.
Je ervaring en verwachtingen
Ervaring helpt je om situaties sneller te herkennen. Verwachtingen kunnen je aandacht ook sturen. Als je verwacht dat een kind onrustig wordt, let je mogelijk vooral op onrust en minder op momenten waarop het juist goed gaat.
De aard van de prikkel
Een hard geluid of een plotselinge beweging valt meestal sneller op dan een kind dat stil wordt of zich langzaam terugtrekt.
Je kunt op één moment nooit alles zien, horen of voelen. Je eerste waarneming kan daarom onvolledig zijn. Zie je bijvoorbeeld één keer dat een kind tijdens het spelen apart gaat zitten, dan weet je nog niet of dit vaker gebeurt. Kijk daarom op een volgend moment opnieuw en let bewust op wat er gebeurt. Zo verzamel je meer informatie voordat je betekenis geeft aan wat je hebt gezien.
2.1.2 Interpreteren Interpreteren betekent dat je betekenis geeft aan wat je waarneemt. Je ziet bijvoorbeeld dat een kind zijn hoofd wegdraait. Je kunt denken dat het kind geen contact wil. Het kind kan echter ook reageren op een geluid achter zich. Het wegdraaien van het hoofd is de waarneming. De verklaring het kind wil geen contact is een interpretatie. Interpreteren is nodig om een situatie te begrijpen. Toch kan een interpretatie onjuist of onvolledig zijn. Daarom behandel je een interpretatie niet als een vaststaand feit.
© Mirador media / Koen Bakx
Hoe interpreteer jij de blik van deze kinderen?
11
1
Methodisch handelen
Context De context helpt je de situatie begrijpen. De context bestaat uit de omstandigheden waarin iets gebeurt. Je kijkt bijvoorbeeld naar:
• • • • •
wat er vlak ervoor gebeurde; wie aanwezig zijn; wat er in de ruimte gebeurt; hoe het kind daarna reageert; of hetzelfde gedrag ook op andere momenten voorkomt.
De context levert aanvullende informatie op. Als een leerling tijdens de uitleg naar het raam kijkt, kan dat verschillende betekenissen hebben. Wanneer buiten plotseling een sirene klinkt, helpt deze informatie om het wegkijken te begrijpen.
Refentiekader Je refentiekader kan je interpretatie beïnvloeden. Je referentiekader bestaat uit je eigen ervaringen, gewoonten, denkbeelden, waarden en normen. Dit kader helpt je om situaties snel te herkennen. Het kan ook een valkuil zijn. Misschien heb je vanuit eerdere ervaringen het idee dat een leerling die wegkijkt niet luistert. Daardoor kun je het gedrag sneller als ongeïnteresseerd uitleggen. Een andere pedagogisch professional kan hetzelfde gedrag zien als onzekerheid of behoefte aan rust. Je referentiekader is dus informatie die jij zelf meebrengt. Het zegt niet automatisch iets over wat er werkelijk bij het kind of de leerling speelt. Daarom vraag je jezelf af: Welke andere verklaring is mogelijk?
Eerst feiten, dan interpretatie Een interpretatie kan logisch klinken en toch niet kloppen. Daarom beschrijf je eerst wat je werkelijk ziet en hoort. Daarna benoem je een mogelijke verklaring. Feitelijk beschreven informatie
Mogelijke interpretatie
Welke informatie ontbreekt nog?
Sam kijkt naar het werkblad van de leerling naast hem. Zijn eigen werkblad is leeg.
Sam begrijpt de opdracht niet.
Weet Sam wat hij als eerste moet doen? Heeft hij materiaal nodig?
Nora kijkt tijdens de uitleg drie keer naar het raam. Daarna begint zij niet aan haar opdracht.
Nora is niet gemotiveerd.
Wat trok haar aandacht? Heeft zij de uitleg gehoord en begrepen?
De interpretaties kunnen kloppen, maar dat weet je nog niet. Daarom zeg je bijvoorbeeld: Ik zie dat Nora nog niet begint. Ik wil nagaan of zij weet wat de eerste stap is. Je zegt niet meteen: Nora is ongemotiveerd. De eerste zin houdt ruimte voor aanvullende informatie. De tweede zin presenteert een mogelijke verklaring als feit.
Kiezen op basis van feiten Bij methodisch handelen gebruik je informatie om een doel, aanpak of vervolgstap te kiezen. Daarom maak je onderscheid tussen wat je werkelijk hebt waargenomen en welke verklaring je daar zelf aan geeft. Als je interpretatie en feit door elkaar haalt, maak je een keus op wat je denkt dat je ziet, in plaats van wat je weet dat je ziet. Stel dat je denkt dat Nora niet gemotiveerd is, dan kies je misschien voor een beloning om haar aan het werk te krijgen. Maar als Nora de de eerste stap van de opdracht niet begrijpt, heeft ze een korte uitleg nodig en geen beloning. Controleer daarom altijd eerst of je genoeg feitelijke informatie hebt. 12
2 Waarnemen, signaleren en observeren
Je kunt:
• • • •
een vraag stellen aan het kind of de leerling; informatie controleren bij een collega; naar de context kijken; gerichter observeren.
Zo voorkom je dat je een doel, aanpak of vervolgstap op een aanname baseert. Je verzamelt de informatie die je nodig hebt om een onderbouwde keuze te maken.
© ThiemeMeulenhoff / AI
Van waarnemen naar interpreteren voorbeeld
Taalhulp - zorgvuldig beschrijven Gebruik deze taalhulp om te beschrijven wat je feitelijk waarneemt, welke verklaringen mogelijk zijn en welke informatie je nog nodig hebt.
• • • • •
Ik zie ... / Ik hoor ... Dit kan betekenen dat ..., maar ... Een andere verklaring is ... Nog niet duidelijk is ... Om meer informatie te krijgen, kan de professional ...
2.2 Signaleren Leerdoel •
Je kunt uitleggen wanneer feitelijke informatie een signaal is en waarom een signaal nog geen conclusie is.
Tijdens een werkdag zie en hoor je voortdurend wat kinderen en jongeren doen. Veel van deze waarnemingen horen bij het gewone verloop van de dag. Soms valt iets op dat belangrijk kan zijn voor je professionele handelen. Bijvoorbeeld: een baby voelt bij het verschonen erg warm aan, een kind begint plotsklaps te huilen of een drukke klas komt heel rustig binnen.
13
1
Methodisch handelen
2.2.1 Een signaal herkennen Soms neem je iets waar dat je opvalt en dat belangrijk kan zijn voor je professioneel handelen. Dat heet signaleren. Signaleren betekent dat je een verandering, bijzonderheid, probleem of risico opmerkt en herkent dat dit aandacht vraagt. Je bespreekt of meldt dit zo nodig, zodat er passend op kan worden gereageerd.. Het kan gaan om veiligheid, welbevinden, ontwikkeling, leren, deelname aan de groep of het effect van jouw begeleiding. Niet iedere losse waarneming is direct een signaal. Wat je opmerkt kan aandacht vragen wanneer:
• • • • • •
er direct gevaar is; gedrag duidelijk verandert; hetzelfde gedrag op meerdere momenten voorkomt en zo een patroon zichtbaar wordt; een kind ergens herhaaldelijk moeite mee heeft; je een behoefte, interesse, sterke kant of ontwikkelkans opmerkt; je merkt dat een aanpak wel of niet het bedoelde effect heeft.
Een patroon ontstaat wanneer je hetzelfde gedrag op meerdere momenten ziet. Een leerling begint bijvoorbeeld één keer niet aan een opdracht. Dat kan allerlei redenen hebben en hoeft niet direct bijzonder te zijn. Gebeurt dit tijdens meerdere lessen en wacht de leerling steeds op extra uitleg? Dan kan dit een signaal zijn dat meer informatie nodig is. Een signaal hoeft niet zorgelijk te zijn. Je kunt ook signaleren dat een kind ergens plezier in heeft, anderen goed helpt of steeds zelfstandiger wordt. Deze informatie kan wijzen op een sterke kant of ontwikkelkans waarop je verder kunt bouwen.
Direct gevaar vraagt direct handelen Een signaal kan wijzen op een direct onveilige situatie. Denk aan een peuter die een klein voorwerp in zijn mond stopt of een leerling die zonder te kijken de weg op loopt. Dan zorg je eerst voor veiligheid en handel je volgens de werkafspraken; daarna verzamel en bespreek je de informatie die nodig is voor het vervolg.
© ThiemeMeulenhoff / AI
14
2 Waarnemen, signaleren en observeren
2.2.2 Signalen en conclusies onderscheiden Een signaal vertelt je dat iets mogelijk belangrijk is. Het vertelt je nog niet wat de oorzaak is of welke aanpak nodig is. Daarom behandel je een signaal niet als een definitieve verklaring of conclusie. Feitelijk beschreven informatie
Waarom dit een signaal kan zijn
Wat je nog niet weet
De vierjarige Imane laat tijdens drie tekenmomenten haar stift meerdere keren vallen en pakt hem daarna weer op.
Het terugkerende patroon kan belangrijk zijn voor de ondersteuning die Imane nodig heeft bij het gebruiken van materialen.
Of Imane een achterstand in haar motorische ontwikkeling heeft en wat de oorzaak van het vallen is.
De tienjarige Lina legt tijdens meerdere BSO-activiteiten de regels van een balspel uit en helpt kinderen die niet weten wat zij moeten doen.
Dit kan wijzen op een interesse, sterke kant of ontwikkelkans in het samenwerken en begeleiden van anderen.
Of Lina dit ook in andere situaties laat zien en welke ondersteuning haar verder helpt.
Bij Imane kan de verklaring bijvoorbeeld zijn dat de stift glad of te dun is. Zij kan ook vermoeid zijn of nog weinig ervaring hebben met dit materiaal. De feitelijke informatie is daarom nog onvoldoende om te concluderen dat zij een motorische achterstand heeft. Bij Lina zie je gedrag waarop je kunt voortbouwen. Toch concludeer je niet direct dat zij altijd goed leiding kan geven. Je kijkt eerst of zij ook naar andere kinderen luistert, taken verdeelt en rustig blijft wanneer iemand niet meewerkt.
Meer informatie Na een signaal bepaal je welke informatie ontbreekt. Je kunt bijvoorbeeld:
• • • • •
iets vragen aan het kind of de leerling; informatie controleren die al beschikbaar is; overleggen met een collega; bekijken wat er vóór en na het gedrag gebeurt; nagaan of hetzelfde ook op andere momenten voorkomt;
Welke mogelijkheid past, hangt af van de situatie en van jouw rol. Een onderwijsassistent bespreekt een signaal over het leren of gedrag van een leerling bijvoorbeeld met de leerkracht. In de kinderopvang stemt de pedagogisch professional relevante bevindingen af met collega’s en volgt deze de afspraken van de organisatie.
Methodisch handelen Als je iets signaleert bij een kind of in de groep, verzamel je meestal eerst meer informatie. Je kijkt nauwkeuriger of er een behoefte, ontwikkelkans of risico bestaat. Of je kijkt nauwkeuriger naar het effect van jouw aanpak. Als je daarna conclusies trekt en nadenkt over het opstellen of aanpassen van doelen en een aanpak, ben je bezig met methodisch handelen. © ThiemeMeulenhoff / AI
Een signaal geeft niet direct aan of er een behoefte, risico of ontwikkelkans is. Als je iets
signaleert, vraagt iets je aandacht. Vervolgens onderzoek je wat er werkelijk aan de hand kan zijn. Een signaal bepaalt dus ook niet automatisch het doel of de aanpak. Daarvoor heb je eerst voldoende en betrouwbare informatie nodig.
15
1
Methodisch handelen
2.2.3 De beginsituatie verkennen Methodisch handelen begint met stap 1: Binnen methodisch handelen kan een signaal aanleiding zijn om de beginsituatie en behoeften gerichter te onderzoeken. Je verzamelt dan meer informatie om te begrijpen wat er speelt en of ondersteuning of een aanpassing nodig is. Een signaal is nog geen conclusie. Pas met voldoende informatie kun je bepalen wat de behoefte is en welke vervolgstap passend is.. Bij Imane kan de pedagogisch professional bijvoorbeeld nagaan of zij ook moeite heeft met dikkere potloden, krijtjes of ander materiaal. Ook kan diegene aan collega’s vragen wat zij op andere momenten zien. Zo wordt duidelijker welke ondersteuning mogelijk past. Signaleren vormt daarmee een verbinding tussen waarnemen en verder informatie verzamelen. Je herkent dat iets aandacht vraagt en onderzoekt vervolgens zorgvuldig wat er werkelijk aan de hand kan zijn.
2.3 Gericht observeren Leerdoel •
Je kunt uitleggen hoe gericht observeren informatie oplevert voor methodisch handelen.
Tijdens een verzorgingsmoment, activiteit of leeractiviteit neem je voortdurend informatie waar. Je ziet bijvoorbeeld hoe een kind reageert op jouw uitleg, hoe kinderen samenwerken of hoeveel ondersteuning een leerling nodig heeft. Soms is een eerste waarneming niet voldoende om de situatie goed te begrijpen. Dan richt je je aandacht bewust op bepaalde informatie. Een signaal kan een reden zijn om gerichter te kijken wat er aan de hand is. Je hebt dan iets opgemerkt dat mogelijk belangrijk is, maar je weet nog niet precies wat het betekent. Je merkt bijvoorbeeld dat:
• • • • •
een kind tijdens meerdere activiteiten snel afhaakt; een leerling steeds wacht op extra uitleg voordat die begint; twee kinderen elkaar tijdens het spelen vaak opzoeken; een kind een taak steeds zelfstandiger uitvoert; een nieuwe aanpak een ander effect heeft dan je verwachtte.
Je kan dan besluiten om gerichter te observeren. Gericht observeren helpt je om meer concrete informatie te verzamelen. Je kijkt dan niet naar alles wat er gebeurt, maar richt je aandacht op het onderwerp waarover je meer wilt weten. Observeren betekent dat je bewust, doelgericht en systematisch waarneemt om gerichte informatie te verzamelen over gedrag, ontwikkeling, een situatie of het effect van je eigen handelen. Observeren is niet alleen nodig wanneer iets moeilijk gaat. Je kijkt ook naar wat een kind al kan, welke interesses het laat zien en welke ontwikkeling zichtbaar wordt. © ANPfoto / Sabine Joosten
Observeren 16
2 Waarnemen, signaleren en observeren
Door op verschillende momenten gericht te kijken, kun je veranderingen volgen. Je merkt bijvoorbeeld dat een peuter steeds zelfstandiger eet, dat een kind op de BSO vaker initiatief neemt of dat een leerling minder aanwijzingen nodig heeft om aan een taak te beginnen. Eén observatie is een momentopname. Meerdere observaties kunnen samen laten zien of gedrag, betrokkenheid of zelfstandigheid verandert. Zo krijg je meer zicht op de ontwikkeling en het leren van een kind of leerling.
2.3.1 Observeren binnen methodisch handelen Gericht observeren kan op verschillende momenten informatie opleveren voor methodisch handelen. Moment binnen methodisch handelen
Welke informatie kan observeren opleveren?
Bij het verkennen van de beginsituatie
Wat gebeurt er? Wat gaat goed? Wat vraagt aandacht? Welke informatie ontbreekt nog?
Tijdens het uitvoeren en begeleiden
Hoe reageert het kind of de groep op de aanpak? Wat lukt zelfstandig? Waarbij is nog ondersteuning nodig?
Bij het evalueren en bijstellen
Welk zichtbaar resultaat heeft de aanpak? Wat is veranderd? Wat vraagt een vervolgstap?
Bij het verkennen helpt observeren om een eerste indruk aan te vullen. Tijdens de uitvoering kijk je hoe een kind of groep reageert op jouw begeleiding. Bij het terugkijken gebruik je de waargenomen resultaten om te bepalen wat goed gaat en wat nog aandacht vraagt. Observeren levert zo informatie op die je nodig hebt om een keuze of vervolgstap later te kunnen onderbouwen. voorbeeld
Selma volgt een sterke kant van Zoë Selma begeleidt sportactiviteiten op de BSO. Tijdens een balspel merkt zij dat de tienjarige Zoë de spelregels aan andere kinderen uitlegt. Ook helpt Zoë een kind dat niet weet waar het moet staan. Selma concludeert niet direct dat Zoë goed leiding kan geven. Tijdens volgende activiteiten kijkt zij gerichter. Zij let op de woorden die Zoë gebruikt, of zij naar andere
© ANPfoto / Henriette Guest Fotografie
kinderen luistert en hoe de kinderen op haar uitleg reageren. Selma ziet dat Zoë rustig uitlegt, vragen beantwoordt en andere kinderen ruimte geeft om mee te denken. Ook merkt zij dat Zoë soms zelf alle beslissingen neemt. Zo verzamelt Selma concrete informatie over een sterke kant én over wat Zoë nog kan leren. Deze informatie kan het team gebruiken om te bepalen welke verdere uitdaging of begeleiding bij Zoë past.
17
1
Methodisch handelen
2.3.2 Zorgvuldig observeren Bij gericht observeren beschrijf je zo concreet mogelijk wat je ziet en hoort. Je maakt duidelijk onderscheid tussen de waarneming en de betekenis die je eraan geeft. voorbeeld
Beschrijving Je beschrijft bijvoorbeeld: Zoë legt de regels uit, beantwoordt twee vragen en kiest daarna zelf de teams. Je beschrijft niet: Zoë is een goede leider. De eerste formulering beschrijft zichtbaar en hoorbaar gedrag. De tweede formulering is een interpretatie en geen observatie van waarneembaar gedrag. Ook de context blijft belangrijk. Misschien kent Zoë het spel goed en voelen de andere kinderen zich daardoor geholpen. Het kan ook zijn dat sommige kinderen weinig ruimte ervaren om zelf iets te beslissen. Daarom kijk je niet alleen naar één handeling, maar ook naar de situatie en de reacties van anderen. Door concreet te beschrijven voorkom je dat je al tijdens het observeren een conclusie trekt. Je kunt daarna beter bepalen:
• • •
welke informatie al duidelijk is; welke mogelijke verklaringen er zijn; welke informatie nog ontbreekt.
Gericht observeren helpt je zo om een eerste indruk te controleren. Je verzamelt concrete informatie waarmee je later je handelen kunt uitleggen en afstemmen.
18
3 Doelgericht handelen en keuzes onderbouwen
3 Doelgericht handelen en keuzes onderbouwen Introductie Welke keuze past bij het doel? casus
© Getty Images / VeeStudio89
Gespecialiseerd pedagogisch professional Malee begeleidt Mees (9) bij creatieve activiteiten op IKC De Waterkant. Malee weet:
• • •
Bij drie activiteiten in een groep van zes liep Mees binnen vijf minuten van tafel. Bij twee activiteiten met één ander kind bleef hij ongeveer tien minuten betrokken. Mees zei: ‘Als iedereen tegelijk praat, weet ik niet meer wat ik moet doen.’
Het gegeven doel is dat Mees met passende ondersteuning tien minuten deelneemt aan een gezamenlijke creatieve activiteit. Malee overweegt twee mogelijkheden. 1
Mees doet mee met de groep van zes kinderen. Malee geeft hem een vaste taak en blijft naast hem zitten.
2 Mees begint met één ander kind. Beide kinderen krijgen een duidelijke taak. Malee legt de eerste stap uit en neemt daarna meer afstand.
1
Kies en licht kort toe a Kies mogelijkheid 1 of 2 uit de casus. Ik kies voor mogelijkheid
b Vul aan. Deze keuze past bij de informatie en het doel, omdat
19
1
Methodisch handelen
c Vergelijk je antwoord met dat van een medestudent en bespreek met elkaar welke je het beste vindt.
Waarom doelgericht kiezen? Als pedagogisch professional maak je keuzes op basis van informatie en een doel. Het doel helpt je bepalen welke aanpak passend is. In dit hoofdstuk leer je je keuze te onderbouwen met feitelijke informatie, het gegeven doel en de beroepscontext. Daarna kijk je naar het resultaat om te bepalen wat een passende vervolgstap is.
3.1
Een gegeven doel gebruiken Leerdoel •
Je kunt uitleggen hoe een gegeven doel richting geeft aan een keuze.
Als pedagogisch professional kun je altijd uitleggen waarom je hebt gekozen voor een bepaalde reactie, interventie of activiteit. De aanpak die je kiest, draagt bij aan het behalen van de doelen die zijn opgesteld voor een kind, jongere of groep. De keuze voor jouw handelen kun je daarom altijd verantwoorden vanuit die doelen.
3.1.1 Doel en aanpak Een gegeven doel is een doel dat al is afgesproken door het team, de leerkracht of een andere verantwoordelijke pedagogisch professional. Het team, de leerkracht of een andere verantwoordelijke pedagogisch professional heeft het doel vastgesteld. Het doel helpt je om gericht naar de situatie te kijken en een passende aanpak te kiezen. Een doel beschrijft welk resultaat je voor een kind of groep wilt ondersteunen. Het helpt je om te bepalen:
• • • •
welke informatie uit de situatie belangrijk is; welke aanpak mogelijk bij het gewenste resultaat past; waarop je tijdens de uitvoering let; waarmee je het resultaat later vergelijkt.
Zonder een duidelijk doel kun je wel vertellen wat je doet. Maar je kunt dan minder goed uitleggen waarom juist die aanpak passend is. Ook weet je niet precies waarop je moet letten om te beoordelen of de aanpak helpt. Een doel geeft richting, maar garandeert niet dat het gewenste resultaat direct wordt bereikt. Een kind, leerling of groep kan anders reageren dan je verwacht. Het doel beschrijft welk resultaat centraal staat. De aanpak beschrijft wat de pedagogisch professional doet om aan dat resultaat bij te dragen.
20
3 Doelgericht handelen en keuzes onderbouwen
voorbeeld
Ilyas is afgeleid Pedagogisch professional Jamila begeleidt de negenjarige Ilyas op de BSO. Tijdens activiteiten in een grote groep loopt Ilyas vaak binnen enkele minuten weg. Jamila kan hem apart laten spelen, hem in een kleinere groep laten beginnen of hem extra uitleg geven. Voordat zij een aanpak kiest, moet duidelijk zijn welk resultaat het team voor Ilyas wil ondersteunen. Gegeven doel: Ilyas neemt met passende ondersteuning tien minuten deel aan een gezamenlijke activiteit. Aanpak: Ilyas begint met twee andere kinderen. De professional maakt de taken duidelijk en blijft eerst in de buurt. De kleine groep is niet het doel. Het is een mogelijke manier om Ilyas te ondersteunen bij het deelnemen aan een gezamenlijke activiteit. Voor hetzelfde doel kan een verschillende aanpak mogelijk zijn. Jamila kan bijvoorbeeld:
• • • •
Ilyas in een klein groepje laten beginnen; hem een vaste taak geven; een visueel stappenplan gebruiken; zorgen voor een rustige startplek.
Zij kiest niet automatisch één van deze mogelijkheden. Eerst beoordeelt zij welke aanpak het best past bij de informatie over Ilyas, de groep en de situatie.
3.1.2 Bepalen welke informatie relevant is In je werk heb je vaak veel informatie over een kind, een groep en de situatie. Bijvoorbeeld uit het intakegesprek, het kind- of leerlingvolgsysteem of uit eerdere observaties. Niet alle informatie is voor iedere keuze even belangrijk. Het gegeven doel helpt je om te bepalen welke informatie relevant is. Bij Ilyas is bijvoorbeeld de volgende informatie belangrijk: Feitelijke informatie
Waarom is deze informatie relevant?
In een groep van zes kinderen loopt Ilyas meestal binnen vijf minuten weg.
Deze informatie laat zien dat de huidige situatie nog niet bijdraagt aan het gegeven doel.
In een groepje van drie bleef Ilyas tijdens twee activiteiten ongeveer tien minuten betrokken.
Deze informatie laat zien dat een kleinere groep mogelijk helpt.
Ilyas zegt dat hij grote groepen druk vindt.
Deze informatie geeft zicht op hoe Ilyas de situatie zelf ervaart.
De informatie wijst nog niet automatisch naar één juiste aanpak. Twee momenten in een klein groepje zijn bijvoorbeeld onvoldoende om te concluderen dat deze aanpak altijd werkt. De informatie geeft wel een reden om de aanpak verder uit te proberen en tijdens de uitvoering te volgen. Je gebruikt vooral informatie die iets zegt over:
• • • •
de huidige situatie; het gegeven doel; de mogelijke aanpak; de ondersteuning die het kind of de groep nodig heeft.
21
1
Methodisch handelen
3.1.3 Het doel en de beroepscontext Een doel helpt je kiezen, maar vertelt niet precies wat je moet doen. Je houdt ook rekening met:
• • • • • •
wat het kind of de leerling zelf aangeeft; wat de groep nodig heeft; veiligheid en welbevinden; beschikbare tijd, ruimte en materialen; je eigen rol en verantwoordelijkheid; de afspraken binnen de organisatie.
Een onderwijsassistent stemt een aanpak bijvoorbeeld af met de leerkracht. In de kinderopvang of op de BSO bespreekt de pedagogisch professional relevante keuzes met collega’s. De verantwoordelijkheden verschillen per beroepscontext, maar het afgesproken doel blijft een gezamenlijk richtpunt. uitleg
Een professionele keuze Een professionele keuze verbindt drie onderdelen: feitelijke informatie uit de situatie + een gegeven doel + de beroepscontext Deze drie onderdelen gebruik je om uit te leggen waarom een aanpak op dat moment passend kan zijn. voorbeeld
Ilyas Pedagogisch professional Jamila heeft voor Ilyas het volgende doel opgesteld: Ilyas neemt met passende ondersteuning tien minuten deel aan een gezamenlijke activiteit. Jamila kiest ervoor om Ilyas in een kleine groep te laten werken. Jamila beoordeelt niet alleen of een kleine groep bij het doel past. Zij kijkt ook of deze aanpak uitvoerbaar is, of de andere kinderen voldoende begeleiding krijgen en of Ilyas zich prettig voelt bij de werkwijze.
3.2
Een keuze onderbouwen Leerdoel •
Je kunt een professionele keuze onderbouwen met feitelijke informatie, een gegeven doel en de beroepscontext.
In je werk maak je regelmatig keuzes over de begeleiding van een kind of groep. Je kiest bijvoorbeeld voor een bepaalde aanpak, activiteit of vorm van ondersteuning. Zulke keuzes bespreek je soms met een collega, het team of een leerkracht. Dan moet je kunnen uitleggen waarom jouw keuze passend is. Je moet dus je keuze kunnen onderbouwen.
22
3 Doelgericht handelen en keuzes onderbouwen
3.2.1 Onderbouwen Onderbouwen betekent dat je uitlegt waarop je een professionele keuze baseert. Je gebruikt daarvoor feitelijke informatie, het gegeven doel en de beroepscontext. Zo maak je duidelijk waarom een aanpak op dat moment passend kan zijn. Een persoonlijke voorkeur, gewoonte of aanname is geen professionele onderbouwing. De volgende uitspraken zijn bijvoorbeeld onvoldoende:
• • • •
‘Ik vind deze activiteit leuk.’ ‘We doen dit altijd zo.’ ‘Ilyas zal dit vast fijn vinden.’ ‘Deze aanpak werkt zeker.’
In deze uitspraken ontbreekt de onderbouwing. Ze maken niet duidelijk welke feiten de keuze ondersteunen, hoe de keuze bij het doel past en welke omstandigheden uit de beroepscontext belangrijk zijn. voorbeeld
Onderbouwing niet voldoende Tijdens het teamoverleg vraagt een collega aan Jamila waarom zij Ilyas in een klein groepje wil laten beginnen. Een antwoord als ‘dit lijkt mij het beste’ is dan niet voldoende. Jamila moet kunnen uitleggen waarop haar keuze is gebaseerd.
3.2.2 Vijf onderdelen van een onderbouwing Om te kunnen uitleggen waarom je een bepaalde keuze maakt, moet je deze kunnen onderbouwen. Een goede onderbouwing bestaat uit vijf onderdelen. Onderdeel
Kernvraag
1
Keuze
Wat ga je doen?
2
Feitelijke informatie
Welke informatie uit de situatie ondersteunt deze keuze?
3
Relatie met het doel
Hoe kan de keuze bijdragen aan het gegeven doel?
4
Beroepscontext
Past de keuze bij de groep, je rol, de veiligheid en de werkafspraken?
5
Aandachtspunt
Waarop let je tijdens de uitvoering?
De beroepscontext bestaat uit de omstandigheden en afspraken van je werk. Denk aan:
• • • • • •
de leeftijd en ondersteuningsbehoeften van de kinderen; de samenstelling van de groep; beschikbare tijd, ruimte en materialen; veiligheid; protocollen en teamafspraken; je eigen verantwoordelijkheid.
De beroepscontext bepaalt mede of een aanpak uitvoerbaar en verantwoord is. Een rustige start in een klein groepje kan bijvoorbeeld passend zijn, maar alleen wanneer ook de begeleiding van de andere kinderen goed is geregeld.
23
1
Methodisch handelen
voorbeeld
Mogelijke keuzes voor Ilyas Jamila overweegt drie mogelijkheden voor Ilyas. Mogelijkheid 1 Ilyas blijft voorlopig alleen spelen.. Deze aanpak vermindert de druk van de groep. De aanpak draagt echter niet direct bij aan het doel dat Ilyas deelneemt aan een gezamenlijke activiteit. Mogelijkheid 2 Ilyas begint met twee andere kinderen aan een korte activiteit. Jamila legt de taken uit en blijft bij de start in de buurt. Deze aanpak sluit aan bij de eerdere momenten waarop Ilyas in een klein groepje langer betrokken bleef. Mogelijkheid 3 Ilyas doet direct mee met de groep van zes. Jamila blijft naast hem zitten en geeft extra uitleg. Deze aanpak richt zich direct op deelname aan de grote groep. De informatie uit de situatie laat echter zien dat juist de drukte voor Ilyas lastig kan zijn.
Jamila kiest voorlopig voor mogelijkheid 2 Dit is haar onderbouwing: ‘Ik kies ervoor om Ilyas met twee andere kinderen aan een korte activiteit te laten beginnen. Tijdens twee eerdere activiteiten bleef hij in een klein groepje ongeveer tien minuten betrokken. Ook vertelde hij dat hij grote groepen druk vindt. Deze aanpak kan bijdragen aan het doel dat Ilyas met ondersteuning deelneemt aan een gezamenlijke activiteit. De aanpak is uitvoerbaar, omdat bij de start een professional in de buurt kan blijven en de begeleiding van de andere kinderen is geregeld. Tijdens de uitvoering letten we erop hoe lang Ilyas betrokken blijft en hoeveel uitleg hij nodig heeft.’ Onderdeel
Uitwerking in het voorbeeld
Keuze
Ilyas begint met twee andere kinderen aan een korte activiteit.
Feitelijke informatie
Hij bleef eerder in een klein groepje tien minuten betrokken en benoemde dat hij grote groepen druk vindt.
Relatie met het doel
De aanpak ondersteunt deelname aan een gezamenlijke activiteit.
Beroepscontext
Er is begeleiding beschikbaar en ook de andere kinderen krijgen voldoende aandacht.
Aandachtspunt
De professional let op betrokkenheid en de hoeveelheid uitleg die Ilyas nodig heeft.
In de onderbouwing zijn de vijf onderdelen herkenbaar.
Een collega kan deze redenering volgen. Ook is duidelijk welke informatie tijdens de uitvoering verzameld moet worden.
24
3.3
3 Doelgericht handelen en keuzes onderbouwen
Een vervolgstap onderbouwen Leerdoel •
Je kunt een passende vervolgstap onderbouwen op basis van gegeven resultaten.
Na de uitvoering kijk je naar het resultaat en vergelijk je dit met het gegeven doel. Daarna bepaal je wat een passende vervolgstap is. Je kunt de aanpak voortzetten, aanpassen of afronden. Soms is eerst meer informatie nodig. Het resultaat bepaalt niet automatisch wat je moet doen. Je gebruikt het resultaat samen met het gegeven doel om een vervolgstap te kiezen. Gegeven resultaat
Mogelijke vervolgstap
Het doel is behaald.
Je rondt de aanpak af, behoudt wat nodig is of vermindert de ondersteuning.
De aanpak helpt, maar het doel is nog niet bereikt.
Je zet de aanpak voort of past één onderdeel aan.
Het resultaat is onvoldoende of onduidelijk.
Je past de aanpak aan of verzamelt eerst meer informatie.
Een vervolgstap hoeft dus niet altijd een nieuwe aanpak te zijn. Je bouwt voort op wat je al weet en op wat tijdens de uitvoering wel of niet heeft gewerkt. voorbeeld
Kan Ilyas zelfstandiger werken? Ilyas bleef tijdens de activiteit tien minuten aan tafel. Daarmee is het gegeven doel behaald. Hij had daarbij nog wel na iedere stap een aanwijzing van Jamila nodig. Jamila behoudt daarom de kleine groep, maar vermindert bij de volgende activiteit de mondelinge aanwijzingen. Zo kan zij nagaan of Ilyas zelfstandiger verder kan werken.
Terugkijken en vooruitkijken Een onderbouwde vervolgstap bevat altijd twee richtingen. Terugkijken
Vooruitkijken
Wat gebeurde er tijdens de uitvoering?
Wat behouden, veranderen of onderzoeken we?
In hoeverre is het gegeven doel bereikt?
Wat doen we bij een volgend moment?
Wat werkte wel en wat werkte nog niet?
Waarop letten we tijdens de volgende uitvoering?
Een zorgvuldig onderbouwde aanpak kan anders uitpakken dan je verwacht. Dat betekent niet automatisch dat de eerdere keuze onprofessioneel was. Kinderen, groepen en situaties zijn niet volledig voorspelbaar. Het resultaat levert nieuwe informatie op. Die informatie gebruik je om uit te leggen waarom je de aanpak afrondt, voortzet, aanpast of verder onderzoekt.
25
1
Methodisch handelen
uitleg
Taalhulp – Een keuze of vervolgstap onderbouwen Gebruik deze taalhulp om uit te leggen waarom een keuze past bij de situatie en het gegeven doel. Je kunt de zinnen ook gebruiken om na de uitvoering te bepalen wat een passende vervolgstap is. Gebruik deze zinsstarters:
• • • • • • • • •
Ik kies voor …, omdat … Uit de situatie blijkt dat … Deze keuze kan bijdragen aan het gegeven doel, omdat … Binnen deze beroepscontext is belangrijk dat … Tijdens de uitvoering letten we op … Uit het resultaat blijkt dat … Daarom behouden we … We passen … aan, omdat … Eerst is meer informatie nodig over …
26
Begrippen
Begrippen beroepscontext
Omstandigheden en afspraken van je werk, zoals doelgroep, groep, tijd, materialen, veiligheid, protocollen en verantwoordelijkheid.
context
Situatie waarin gedrag plaatsvindt, inclusief wat eraan voorafgaat, wat eromheen gebeurt en wat erna volgt.
gegeven doel
Een doel dat al is afgesproken door het team, de leerkracht of een andere verantwoordelijke pedagogisch professional.
interpreteren
Betekenis geven aan iets, bijvoorbeeld aan iets dat je waarneemt.
methodisch handelen
Bewust en doelgericht handelen volgens vijf samenhangende stappen: informatie verzamelen, een doel gebruiken, een plan maken, uitvoeren en evalueren.
observeren
Bewust en gericht waarnemen om aanvullende informatie te verzamelen.
onderbouwen
Uitleggen waarom je een keuze maakt en waarop die keuze is gebaseerd.
planmatig
Vooraf nadenken over de aanpak en concrete afspraken maken over wie wat doet, wanneer en hoe.
prikkel
Informatie die via een zintuig binnenkomt, bijvoorbeeld een geluid, beweging, geur, aanraking of temperatuur.
procesmatig
Tijdens de uitvoering volgen wat er gebeurt en de aanpak zo nodig gericht aanpassen.
referentiekader
Je ervaringen, denkbeelden, gewoonten, waarden en normen die invloed hebben op hoe je een situatie uitlegt.
signaleren
Herkennen dat waargenomen informatie beroepsmatig aandacht vraagt.
systematisch handelen
Geordend, zorgvuldig en consequent werken met vaste afspraken en aandachtspunten, zodat anderen je werkwijze kunnen volgen.
waarnemen
Informatie opnemen met je zintuigen, zoals zien, horen, ruiken en voelen.
27