Skip to main content

Pit taal - groep 7 - handleiding - blok 1

Page 1

Taal

Groep 7

Blok

Groep 7  Blok 1 Handleiding

1

Handleiding 9 789006 600100

Covers Taal_Handleiding_groep 7 blok 1.indd All Pages

21/04/2022 08:54


Taal

Handleiding • Groep 7 • Blok 1

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 1

20/04/2022 12:58


Pictoʼs Deze opdracht doe je als je tijd hebt. Deze opdracht doe je alleen. Deze opdracht doe je samen. Deze opdracht doe je in een groepje. Dit is een bewegingsopdracht. Deze opdracht schrijf je op een blaadje.

2

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 2

20/04/2022 12:58


Blok 1 Differentiatie

Cheeta-opdracht De cheeta-opdracht is een extra opdracht aan het eind van elke les, in te zetten als tempodifferentiatie.

Herhalen en toepassen

Extra oefeningen voor Woordenschat en Taal verkennen. Leerwerkschrift

Opdracht 1 De leerlingen gebruiken na het dobbelen twee woordsoorten samen in één zin. Ze controleren elkaars werk. Opdracht 2 De leerlingen beelden de uitdrukkingen uit. Opdracht 3 De leerlingen schrijven het vetgedrukte woord bij de goede zinnen.

Leerwerkschrift Maat

Opdracht 1 De leerlingen beelden de uitdrukkingen uit. Opdracht 2 De leerlingen bedenken met dobbelen zinnen met verschillende woordsoorten. Opdracht 3 De leerlingen schrijven het doelwoord op dat past bij de gegeven omschrijvingen.

Pluswerk Woordenschat

De leerlingen oefenen met de doelwoorden door een verhaal te schrijven bij een afbeelding en door de betekenis van woorden in eigen woorden te omschrijven. Ze maken twee soorten puzzels: een lettergrepenpuzzel en een puzzel waarbij ze moeten bedenken welke letters bij de nummers horen. Deze productieve oefeningen hebben als doel de woorden te consolideren.

Taal verkennen

De leerlingen verdiepen hun kennis over stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden die bijvoeglijk gebruikt worden. Tevens oefenen ze met de woordsoorten zelfstandig naamwoord, werkwoord, lidwoord, voorzetsel, telwoord, voegwoord en persoonlijk voornaamwoord.

Woordenschat

De leerlingen bedenken een korte strip bij een uitdrukking uit dit blok. Daarnaast oefenen ze met de doelwoorden, door ze aan omschrijvingen te koppelen. Door tekeningen te maken bij omschrijvingen wordt de visuele representatie van de doelwoorden in het geheugen opgenomen.

Taal verkennen

De leerlingen verdiepen hun kennis over gezegde, persoonsvorm en onderwerp in de zin door bewust en consequent de stappen te herhalen.

Mijn Pakket Voor Woordenschat en Taal verkennen kunnen de leerlingen extra oefenen. De leerling oefent op eigen niveau, afhankelijk van de resultaten. Zie de handleiding Leerlingsoftware in de cockpit onder ‘jaaroverzicht’.

Spitswerk Dit werkschrift is bedoeld voor de meerbegaafde leerling en benadert taal vanuit een ander perspectief. De uitdagende taken doen een beroep op hogere cognitieve vaardigheden van de leerling.

3

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 3

20/04/2022 12:58


H1 Les 1

Spreken en luisteren

Woordenschat

Lesdoelen

Lesvoorbereiding

Materiaal

Spreken en luisteren • De leerling leert overleggen in een kleine groep. • De leerling leert over de rollen die nodig zijn bij een groepsgesprek. Woordenschat • De leerling leert de betekenis van 20 nieuwe woorden.

• Zet les 1 klaar op het digibord. • Bereid het semantiseren van de doelwoorden voor. • Combinatiegroep: print de instap-les bij deze les. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.

• • • • •

Kijkwoorden

Leeswoorden

Weetwoorden

• • • • •

• • • • •

• • • • •

de boetiek de claxon het rijbewijs het transportmiddel de vreugde

Hoofdstuk 1

Les 1 Kijkwoorden

Spreken en luisteren • Ik leer overleggen in een kleine groep. • Ik leer over de rollen die nodig zijn bij een groepsgesprek.

de aandacht gevangen houden de campagne de overdaad uit je doppen kijken het voortgezet onderwijs

aandacht schenken aan alert de blikvanger de instructeur/instructrice de kanker

De dag van ...

Woordenschat • Ik leer de betekenis van 20 nieuwe woorden.

digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat één of meer kalenders combinatiegroep: printblad Instap-les

2

Beantwoord de vragen. Leg ook uit waarom je dat denkt.

• • • • •

Meerdere antwoorden mogelijk.

5

2

Welke bijzondere dagen ken je? 1 Pak een kalender of zoek er één op internet op. Kies een maand. 2 Vul alle bijzondere dagen in. 3 Denk ook aan bijzondere dagen van je familie.

1 Darren en Karel houden een presentatie. Waarover gaan ze vertellen?

Leeswoorden

origineel de presentatie presenteren de slogan de verplichting

Waarom denk je dat?

Bijvoorbeeld:

Heb jij wel eens een presentatie gehouden?

– De verjaardag van mama / papa / broer / zus / oma / opa / vrienden.

3 Waar ging die over?

– Vaderdag of Moederdag

4 Hoe vond je het om dat te doen?

– Feestdagen – De verjaardag van iemand van het Koninklijk Huis.

de boetiek

de aandacht gevangen houden: de aandacht vasthouden Tijdens de presentatie kunnen Darren en Karel de aandacht gevangen houden van de groep. de campagne: grote openbare actie Darren en Karel houden een campagne voor veiliger verkeer.

de claxon

Luister en kijk naar het verhaal.

4

Wat vind jij van de campagne: De scholen zijn weer begonnen? Praat er samen over.

Gesprekstip

• De voorzitter leidt het Doe het zo: gesprek. 1 Maak eerst afspraken. • De verslaggever schrijft op • Wie zorgt ervoor dat het gesprek goed loopt? wat er gezegd wordt. • Wie schrijft de mening van het groepje op en vertelt die straks • De tijdbewaker houdt de aan de klas? tijd in de gaten. • Wie let op dat iedereen evenveel aan de beurt komt? • De aanmoediger zorgt • Wie spoort de anderen aan om mee te denken en te praten? dat iedereen blijft 2 Vertel elkaar: meedoen. • Waarom is er zo'n campagne? Helpt het, denk je? • Welk verkeerspunt bij jullie in de buurt is gevaarlijk? Leg uit waarom. • Welke slogan vinden jullie beter? 'De scholen zijn weer begonnen' of 'Kijk uit je doppen, zodat je tijdig kunt stoppen.' • Waarom kiezen jullie voor deze slogan?

de overdaad: de overvloed, het teveel Er zijn heel veel bijzondere dagen: het is een overdaad! uit je doppen kijken: goed uitkijken Kijk uit je doppen, zodat je tijdig kunt stoppen.

het rijbewijs

3

het voortgezet onderwijs: onderwijs na de basisschool Alle kinderen van 12 jaar en ouder gaan naar het voortgezet onderwijs.

Weetwoorden het transportmiddel

aandacht schenken aan alert de blikvanger de instructeur/instructrice de kanker

de presentatie presenteren origineel de slogan de verplichting 1

de vreugde

Bekijk de afbeelding.

6

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 6

7

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 7

23/03/2022 11:11

8

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 8

9

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 9

23/03/2022 11:11

LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 6 – 7 – 8 – 9

4

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 4

20/04/2022 12:58


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Preteaching

• Dit is de eerste taalles van dit schooljaar. Bespreek met de leerlingen of ze nog weten waar het verhaal in groep 6 over ging. Weten ze nog wie de hoofdpersonen waren? Vertel dat het verhaal dit jaar gaat over groep 7 van basisschool De Vlieger. In elk hoofdstuk spelen twee leerlingen uit de klas van meester Henk een belangrijke rol. In hoofdstuk 1 zijn dat Darren en Karel. • Bespreek de personages kort: Meester Henk is een zelfverzekerde leerkracht die het beste met zijn de leerlingen voor heeft. Darren is een vlotte jongen afkomstig uit Zuid-Afrika. Hij is twaalf jaar en treedt graag op de voorgrond. Karel is elf. Hij is open en vrolijk van aard. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.

Laat de leerlingen eerst de doelwoorden lezen. Leg uit wat een campagne is en een slogan. Vraag ook om een voorbeeld van een blikvanger.

Instructie • Semantiseer de uitdrukkingen de aandacht gevangen houden en aandacht schenken aan. Geef aan dat je nu het woord campagne gaat uitleggen en vraag de leerlingen op te letten of het lukt om de aandacht van de hele klas gevangen te houden. Vraag de leerlingen straks te vertellen hoe je dat hebt gedaan. • Leg dan uit dat nu aandacht geschonken is aan het woord campagne en de twee uitdrukkingen die bij de doelwoorden staan. • Laat de leerlingen de doelwoorden lezen en bespreek de moeilijke woorden. • Doe de oefening(en) op het digibord. Opdracht 1 Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding. Opdracht 2 Maak samen met de leerlingen de oriënterende vragen en vraag hoe het is om een presentatie te houden voor een groep. Opdracht 3 Vraag aan de leerlingen hoe ze kunnen laten zien dat ze klaarzitten om te luisteren naar het verhaal. Start daarna op het digibord de verhaalanimatie De dag van ... Bespreek na afloop kort wat jou opviel aan de luisterhouding van de leerlingen. • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe. Vorm voordat ze beginnen aan opdracht 4 groepjes van vier. Bespreek de rollen die bij de afspraken horen en laat de leerlingen ze onderling verdelen. Bespreek daarna de vragen.

Mijn pittige woorden Achter in elk leerwerkschrift kunnen de leerlingen bij Mijn pittige woorden gedurende het gehele blok moeilijke woorden verzamelen die ze in de taallessen tegenkomen. De leerlingen kunnen de moeilijke woorden op elk moment terugzoeken en aanvullen. Als de leerlingen bij een nieuw blok een nieuw leerwerkschrift krijgen, schrijven ze de woorden die ze nog lastig vinden daarin over.

Opdracht 4 Leerwerkschrift Maat De leerlingen praten veel met elkaar tijdens deze opdracht. Zorg ervoor dat ook de minder taalvaardige leerlingen aan bod komen.

Opdracht 5 NT2 Laat de NT2-leerlingen bijzondere dagen in het land van herkomst opschrijven.

Compactroute Woorden en definities lezen, opdracht 2 en 3.

Verwerking Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 4 De leerlingen praten na het maken van afspraken over de campagne De scholen zijn weer begonnen. Opdracht 5 De leerlingen schrijven hun eigen bijzondere dagen op.

Reflectie

Combinatiegroep Instap-les combinatiegroep Geef je les aan een combinatiegroep, geef een van de twee groepen dan het printblad van de instap-les.

• Bespreek de opdrachten met behulp van van het digibord. Vraag wat de voorzitters ervaren hebben bij het leiden van het gesprek. Hebben de verslaggevers goed kunnen opschrijven wat er gezegd werd? Ga zo alle rollen langs.

5

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 5

20/04/2022 12:58


H1 Les 2

Spreken en luisteren

Woordenschat

Lesdoelen

Lesvoorbereiding

Materiaal

Spreken en luisteren • De leerling leert gericht luisteren naar een verhaal. • De leerling leert vertellen wat hij van een verhaal vindt en waarom. Woordenschat • De leerling oefent de betekenis van de 20 woorden uit les 1.

• Zet les 2 klaar op het digibord. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.

• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat

Hoofdstuk 1

Spreken en luisteren

Les 2

Woordenschat

• Ik leer gericht luisteren naar een verhaal. • Ik leer vertellen wat ik van een verhaal vind en waarom.

4

• Ik oefen de betekenis van de 20 woorden uit les 1.

Wat vind je van het project 'De dag van ...'? Vul dat in en leg uit waarom.

6

Meerdere antwoorden mogelijk.

1 de aandacht gevangen houden 2 aandacht schenken aan 3 uit je doppen kijken

Bijvoorbeeld: Ik vind het een goed idee, omdat ... of Ik vind het een slecht idee, omdat ...

1

Luister naar het verhaal. Onthoud zeven voorbeelden van De dag van… die genoemd worden.

2

Welke zeven dagen uit het verhaal heb je onthouden? Bedenk er ook nog drie dagen bij. Uit het verhaal:

3

5

Welk woord past in de zin? Kijk naar de vetgedrukte woorden. Vul het woord in de puzzel in. Kies uit: transportmiddel | blikvanger | vreugde | overdaad | kanker | voortgezet | verplichting | claxon

Door mij bedacht:

dierendag

1

2

vaderdag

2

3

moederdag

3

4

1 april

5

de dag van de lach

1 2 3 4 5 6 7 8

6

pannenkoekendag

1

c1 l

7

de dag voor een ziekte als kanker

2

o

v

e

3

t

r

a

4

v

e

r

5

b

l

i

k

6

v

o

o

r

7

k

a

n7 k

e

r

8

v

r

e8 u

g

d

Welk woord past in de zin? Kies uit: origineel | presenteren | houden de aandacht gevangen | alert | kijk uit je doppen | de presentatie | slogan

2 Aan het einde van de week 3 Darren en Karel 4 Darren is niet 5 Tijdens

7

idee. zij samen hun plan.

houden de aandacht gevangen

alert

.

1

a

x

o

r

d

a2 a

n

s

p

o

r

t

m3 i

d

p4 l

i

c

h

t

i

g

v

a5 n

g

e

r

t

g6 e

z

e

t

de colonne

n d n

d

e

l de parkeerzone

e

c

2

a

3

m

4

p

5

a

6

g

7

n

8

tanken

e

Maak met dit woord een zin.

valt Karel van het podium.

slogan

de ambulance

De instructeur pakt zijn rijbewijs en drukt op zijn toeter. Hij gebruikt zijn … . Darren en Karel hebben heel veel gelezen. Zij hebben een … aan informatie. De vrachtwagen zit vol goederen. Dat … ligt zwaar op de weg. Zo hebben we het afgesproken. Dan moeten wij die … ook nakomen. Die tas heeft een heel opvallende kleur! Een echte … . Marjan is dertien jaar. Zij zit op het … onderwijs. De dokter schenkt aandacht aan mijn tante die ernstig ziek is. Zij heeft … . De man was erg blij met de opening van zijn boetiek. Hij was vol … .

Kijk naar de gekleurde cijfers. Vul de letters uit die vakjes hieronder in.

genoeg.

de presentatie

6 Hun nieuwe

origineel

presenteren

Meerdere antwoorden mogelijk. Kijkwoorden

1

1 Elke week schenken twee kinderen aandacht aan een

Hoofdstuk 1

Lees de drie uitdrukkingen. Bedenk wat de verschillen zijn. Maak met elke uitdrukking een zin. Gebruik ook de woorden instructeur en rijbewijs.

luidt:

Kijk

het tankstation

uit je doppen zodat je tijdig kunt stoppen!

10

11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 10

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 11

23/03/2022 11:11

12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 12

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 13

LEERWERKSCHRIFT blz. 10 – 11 – 12

Hoofdstuk 1

Les 2 1

2

Spreken en luisteren • Ik leer luisteren naar een verhaal. • Ik leer vertellen wat ik van een verhaal vind en waarom.

Woordenschat

4

• Ik oefen de betekenis van de 20 woorden uit les 1.

Luister naar het verhaal De dag van ... . Onthoud ten minste vijf dagen die genoemd worden.

Hoofdstuk 1

Bedenk zinnen. Meerdere antwoorden mogelijk. Kijk naar de afbeelding. Bedenk bij elk woord een zin. Vul de zin in.

Meerdere antwoorden mogelijk.

1 instructeur

Bijvoorbeeld:

Bijvoorbeeld: De instructeur geeft instructies tijdens het rijden.

Ik vind het een goed idee, omdat ...

2 aandacht schenken aan

of Ik vind het een slecht idee, omdat ...

Bijvoorbeeld: De instructeur vertelt waar je extra aandacht aan moet schenken.

Kijkwoorden

3 rijbewijs 5

Vul ten minste vijf dagen uit het verhaal in.

Bijvoorbeeld: De jongen wil graag zijn rijbewijs halen.

Welk woord past in de zin?

1

dierendag

Kies uit: transportmiddel | blikvanger | boetiek | overdaad | kanker | voortgezet | verplichting | claxon

2

vaderdag

1 Wat een lawaai! Wie drukt daar nu zo hard op die

3

moederdag

2 De bakker heeft heel veel gebak. Echt een

4

1 april

3 Alle goederen worden in het

5

pannenkoekendag

4 We moeten die afspraak nakomen. We hebben een

6

dag van de lach

5 Die tas valt op! Die kleur is een echte

7

dag voor de ziekte kanker

6 Marjan is dertien jaar. Zij zit op het

Elke week komen twee kinderen met een heel nieuw idee.

•

•

alert te zijn op

Darren en Karel vertellen als eerste hun idee aan de klas.

•

•

presenteren

Darren en Karel zorgen ervoor dat alle kinderen goed luisteren.

•

•

origineel

Darren vergeet even om goed te letten op Karel tijdens de presentatie.

•

•

houden de aandacht gevangen

4 vreugde

Bijvoorbeeld: Als hij zijn rijbewijs haalt, is zijn vreugde groot.

?

de ambulance

aan taarten. geladen.

verplichting

blikvanger

.

.

voortgezet

de colonne

onderwijs.

kanker

8 Wat een fantastische kleding verkopen ze in deze

Welk ander woord past in de zin? Lees de zin. Let goed op de vetgedrukte woorden. Teken een lijn.

claxon

overdaad

transportmiddel

7 Mijn tante is ernstig ziek. Zij heeft 3

6

De leerkrachten hebben een project verzonnen over ‘De dag van ...’. Wat vind je van dat idee? Vul dat in en leg uit waarom.

.

boetiek

.

7

de parkeerzone

Meerdere antwoorden mogelijk.

Maak de uitdrukkingen af. Kijk eerst naar het voorbeeld.

Voorbeeld: Ik kijk uit mijn doppen als ik de straat over moet steken. Ik kijk uit mijn doppen als

ik fiets

.

1 Ik schenk aandacht aan mijn zieke tante. Ik schenk aandacht aan

mijn presentatie

tanken .

2 Ik houd hun aandacht gevangen door heel mooi te zingen. Ik houd hun aandacht gevangen door

een boeiend verhaal te vertellen

. het tankstation

10

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 10

11

24/03/2022 09:10

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 11

24/03/2022 09:10

12

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 12

24/03/2022 09:10

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 13

LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 10 – 11 – 12

6

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 6

20/04/2022 12:58


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Preteaching

• Vraag de leerlingen wat ze nog weten over het verhaal uit les 1. Wie hielden een presentatie en wat gebeurde er toen? • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.

Vraag de leerlingen om de uitdrukkingen de aandacht gevangen houden, aandacht schenken aan en kijk uit je doppen uit te leggen. Hebben ze de verschillen goed in de gaten?

Instructie • Vertel de leerlingen dat ze gaan luisteren naar het verhaal. • Laat vooraf de luisteropdrachten doorlezen, zodat de leerlingen weten waar ze op moeten letten tijdens het luisteren. • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe.

Hoofdstuk 1

Les 3 Kijkwoorden

Opdracht 3

Opdracht 1 De leerlingen luisteren naar het verhaal en onthouden zeven dagen die genoemd worden. Maat Vergelijkbaar met Basis; de leerlingen onthouden ten minste vijf dagen.

Taalsterk Laat deze leerlingen zelf nog synoniemen bedenken van de doelwoorden uit deze opdracht. NT2 Geef eerst uitleg over het woord origineel. Vraag of ze iets origineels uit hun land van herkomst kunnen noemen. Dyslexie Laat de leerlingen zichzelf controleren. Ze lezen de zin nog een keer in zichzelf en zeggen daarbij het doelwoord nog een keer hardop.

Woordenschat

Lezen

• Ik leer de betekenis van 15 nieuwe woorden.

• Ik leer het doel van de schrijver herkennen. • Ik leer welk doel bij een bepaalde tekstsoort hoort.

Leeswoorden

Opdracht 2 De leerlingen schrijven zeven bijzondere dagen uit het verhaal op en bedenken er zelf nog drie bij. Maat Vergelijkbaar met Basis; de leerlingen schrijven (minimaal vijf) dagen op. geen overbodige luxe: erg nodig Verkeerslichten zijn hier geen overbodige luxe.

te doen zijn om: daar gaat het om; dat is belangrijk Een veilige oversteekplaats voor iedereen, daar is het mij om te doen.

de colonne

Opdracht 3 De leerlingen schrijven de doelwoorden op de goede plek in de samenvatting. Maat De leerlingen verbinden een doelwoord met de contextzin met de vetgedrukte betekenis. het verbod: dat wat verboden is Er komt een verbod op te hard rijdende auto's.

zich beklagen: een klacht indienen; laten weten dat iets niet goed is Ik wil mij beklagen over de onveilige fietsroute.

Tip

de parkeerzone

Een onbekend woord? Bedenk de betekenis.

Opdracht 4 De leerlingen geven hun mening over het idee van de leerkrachten van basisschool De Vlieger. Stap 1: Kijk naar het woord zelf. Stap 2: Is er een plaatje dat iets over de betekenis vertelt? Stap 3: Kijk naar de context van het woord. Wordt de betekenis gegeven? Staat er een woord dat hetzelfde of juist het tegengestelde betekent? Staan er andere woorden die iets over de betekenis vertellen? Stap 4: Bedenk wat er in plaats van het onbekende woord kan staan. Stap 5: Controleer of jouw betekenis in de tekst past. Stap 6: Twijfel je? Zoek de betekenis op of vraag de betekenis aan iemand.

Weetwoorden Opdracht 5 De leerlingen kiezen het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord en schrijven het in de puzzel. Maat De leerlingen kiezen het goede doelwoord en schrijven het in de zin.

tanken

de chaos de situatie verzoeken wijzigen zich bevinden

het tankstation

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 13

Opdracht 6 De leerlingen maken met drie uitdrukkingen een zin met toevoeging van 13 de woorden instructeur en rijbewijs. Maat De leerlingen gebruiken de vier doelwoorden bij de foto in een zin. 23/03/2022 11:11

Maat opdracht 7 De leerlingen maken de gegeven zinnen af. Hoofdstuk 1

Les 3 Kijkwoorden

Reflectie Woordenschat

• Ik leer de betekenis van 15 nieuwe woorden.

Lezen • Ik leer het doel van de schrijver herkennen. • Ik leer welk doel bij een bepaalde tekstsoort hoort.

• Bespreek met de leerlingen wat er nodig is om het idee van De dag van ... uit te voeren. Leeswoorden • Maak een lijstje op het digibord. • Kijk voor de antwoorden op het digibord. ergens werk van maken: iets doen met Ik hoop dat u werk maakt van mijn tips.

de ambulance

geen overbodige luxe: erg nodig Verkeerslichten zijn hier geen overbodige luxe.

Coöperatieve werkvorm Opdracht 3 en 5 Vorm tweetallen van Maat-leerlingen en tweetallen van Basis-leerlingen. De opdrachten in de leerwerkschriften verschillen namelijk. De leerlingen lezen eerst voor zichzelf de zinnen van de opdracht en nemen bedenktijd om de goede doelwoorden te vinden. Na deze voorbereiding leest leerling 1 de zin en noemt leerling 2 het woord. Had leerling 1 dat woord ook in gedachten? Als ze het eens zijn, schrijven ze het antwoord in hun schrift. Dan wisselen ze van rol.

Compactroute

te doen zijn om: daar gaat het om; dat is belangrijk Een veilige oversteekplaats voor iedereen, daar is het mij om te doen.

de colonne

NT2 Laat het verhaal uit les 1 individueel op de computer beluisteren en bekijken.

Verwerking

ergens werk van maken: iets doen met Ik hoop dat u werk maakt van mijn tips.

de ambulance

Opdracht 1

Opdracht 2, 4 en 5.

het verbod: dat wat verboden is Er komt een verbod op te hard rijdende auto's. zich beklagen: een klacht indienen; laten weten dat iets niet goed is Ik wil mij beklagen over de onveilige fietsroute.

Tip Een onbekend woord? Bedenk de betekenis.

de parkeerzone

Weetwoorden tanken

de chaos de situatie verzoeken wijzigen zich bevinden

het tankstation

Stap 1: Kijk naar het woord zelf. Stap 2: Is er een plaatje dat iets over de betekenis vertelt? Stap 3: Kijk naar de context van het woord. Wordt de betekenis gegeven? Staat er een woord dat hetzelfde of juist het tegengestelde betekent? Staan er andere woorden die iets over de betekenis vertellen? Stap 4: Bedenk wat er in plaats van het onbekende woord kan staan. Stap 5: Controleer of jouw betekenis in de tekst past. Stap 6: Twijfel je? Zoek de betekenis op of vraag de betekenis aan iemand.

13

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 13

24/03/2022 09:10

7

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 7

20/04/2022 12:59


H1 Les 3

Lezen

Woordenschat

Lesdoelen

Lesvoorbereiding

Materiaal

Woordenschat • De leerling leert de betekenis van 15 nieuwe woorden. Lezen • De leerling leert het doel van de schrijver herkennen. • De leerling leert welke tekstsoort past bij verschillende doelen.

• Zet les 3 klaar op het digibord. • Bereid het semantiseren van de doelwoorden voor. • Combinatiegroep: print de start- en afsluitopdracht bij deze les. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.

• • • •

Kijkwoorden

Leeswoorden

Weetwoorden

• • • • •

• • • • •

• • • • •

de ambulance de colonne de parkeerzone tanken het tankstation

Hoofdstuk 1

Les 3 Kijkwoorden

Woordenschat • Ik leer de betekenis van 15 nieuwe woorden.

ergens werk van maken geen overbodige luxe te doen zijn om het verbod zich beklagen

Lezen

te doen zijn om: daar gaat het om; dat is belangrijk Een veilige oversteekplaats voor iedereen, daar is het mij om te doen.

de colonne

Ik ben de chaos bij de oversteekplaats zat. Het moet anders! Daarom wil ik de gemeente verzoeken de situatie bij de oversteekplaats te veranderen. Dit zou u moeten wijzigen: 1. Weg met auto’s die te hard rijden! Er moet een verbod komen op die auto’s. 2. Verkeerslichten op de kruising Katjeskade-Willemsweg zijn geen overbodige luxe. Verkeerslichten plaatsen dus alstublieft. 3. De parkeerzone met de busjes moet op een andere plek komen. 4. Maak een verkeersdrempel tussen het tankstation en de Katjeskade.

het verbod: dat wat verboden is Er komt een verbod op te hard rijdende auto's. zich beklagen: een klacht indienen; laten weten dat iets niet goed is Ik wil mij beklagen over de onveilige fietsroute.

Tip

de parkeerzone de ambulance

▢ instructie geven

▢ iets uitleggen

▢ zijn mening geven

▢ overtuigen

het verbod

Kinderen die zelfstandig

elkaar fietsen. Dat levert gevaar De kinderen lopen zelf ook risico. Vanzelfsprekend veilige fiets. Dat wil zeggen het goed moeten doen.

Welke tekstsoort past bij welk tekstdoel? Teken een lijn. de schrijver wil de lezer vermaken

•

•

verhaal

de schrijver wil zijn mening geven over een onderwerp

•

•

informatieve tekst

• •

• •

de schrijver wil de lezer informeren de schrijver wil de lezer iets verkopen

Over het algemeen kind goed voorbereiden op De hoofdzaak moet gedragen.

reclametekst betoog

6

Ik hoop dat u werk maakt van mijn tips. Een veilige oversteekplaats voor iedereen, daar is het mij om te doen.

Een onbekend woord? Bedenk de betekenis.

de parkeerzone

Les 4

het tankstation

2 Wat is de bedoeling van Roel? Kies de goede antwoorden.

4

Hoofdstuk 1

Welke vijf woorden horen bij het plaatje? Kies uit de kijk-, lees- en weetwoorden van deze les. Maak met elk woord een zin. Laat duidelijk zien wat het woord betekent.

tanken

◯ Een verhaal over een gevaarlijke oversteekplaats.

Er zijn geen verkeerslichten op het oversteekpunt. Ik durf vaak niet over te steken of ik moet lang wachten tot alle auto’s voorbij zijn. Ik kom daardoor regelmatig te laat op school. Vlak in de buurt zit ook een begraafplaats. Vaak rijdt er een colonne auto’s langs die op weg is naar die begraafplaats. Ook dan moet je weer wachten tot die auto’s voorbij zijn en je de weg over kunt. Vorige week ging het mis. Een meisje op de fiets wilde oversteken. Ze zag een auto niet aankomen en ze werd aangereden. Een ambulance heeft haar naar het ziekenhuis gebracht.

geen overbodige luxe: erg nodig Verkeerslichten zijn hier geen overbodige luxe.

5

◯ Een brief over een onveilige oversteekplaats.

Ik zal u uitleggen wat er zo gevaarlijk is aan het oversteekpunt. Dat bevindt zich dus op de kruising van de Katjeskade-Willemsweg. Stelt u zich voor dat ik sta te wachten op deze kruising. Aan de linkerkant staan allemaal busjes geparkeerd. Die busjes zijn van Heen en Weer, een bedrijf waar je busjes kunt huren. Een parkeerzone op die plek is onhandig. Als ik naar links kijk, kan ik bijna niks zien. Aan de rechterkant staat een tankstation. Hier komen veel mensen tanken. Als de auto’s weer wegrijden, komen ze uit op de Katjeskade. Precies op de plek waar ik en andere fietsers staan te wachten om over te steken. Veel auto’s rijden daar te hard op de fietsers af.

Leeswoorden

Beantwoord de vragen. 1 Wat voor soort tekst is dit? Kies het goede antwoord.

In deze brief wil ik mij beklagen over de onveilige fietsroute van mijn huis naar school. Elke schooldag fiets ik van mijn huis op de Katjeskade naar basisschool De Vlieger. Om bij mijn school te komen, moet je de superdrukke Willemsweg oversteken. De situatie bij het oversteekpunt is rommelig. Je kunt het verkeer niet goed zien aankomen. De auto’s op de Willemsweg rijden vaak heel hard.

ergens werk van maken: iets doen met Ik hoop dat u werk maakt van mijn tips.

de ambulance

de chaos de situatie verzoeken wijzigen zich bevinden

3

Geachte mevrouw Vermeer,

• Ik leer het doel van de schrijver herkennen. • Ik leer welk doel bij een bepaalde tekstsoort hoort.

digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat combinatiegroep: printblad Start- en afsluitopdracht

Teken een plattegrond van de levensgevaarlijke kruising. Lees de omschrijving van Roel en teken een plattegrond.

1 1

Ter beoordeling van de leerkracht.

Vriendelijke groet van Roel (groep 7 basisschool De Vlieger)

Weetwoorden tanken

de chaos de situatie verzoeken wijzigen zich bevinden

het tankstation

Stap 1: Kijk naar het woord zelf. Stap 2: Is er een plaatje dat iets over de betekenis vertelt? Stap 3: Kijk naar de context van het woord. Wordt de betekenis gegeven? Staat er een woord dat hetzelfde of juist het tegengestelde betekent? Staan er andere woorden die iets over de betekenis vertellen? Stap 4: Bedenk wat er in plaats van het onbekende woord kan staan. Stap 5: Controleer of jouw betekenis in de tekst past. Stap 6: Twijfel je? Zoek de betekenis op of vraag de betekenis aan iemand.

2

13

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 13

23/03/2022 11:11

1

Bekijk de tekst door oriënterend te lezen. Bedenk wat je nu al weet.

2

Lees de tekst.

Leestip Oriënterend lezen. Bekijk eerst de opmaak van de tekst. Lees de titel en eventueel vetgedrukte woorden en zinnen. Vaak heb je dan al een idee van de tekstsoort, het onderwerp, de schrijver en het tekstdoel.

3

4 Lees nu de hele tekst.

14

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 14

15

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 15

23/03/2022 11:11

16

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 16

23/03/2022 11:11

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 17

LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 13 – 14 – 15 – 16

8

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 8

20/04/2022 12:59


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Preteaching

• Vertel de leerlingen hoe je elke werkdag van huis naar school gaat. Of beschrijf een andere route. Benoem daarbij enkele gevaarlijke punten in de route. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). Vertel de leerlingen dat ze leren hoe ze het doel van de schrijver van het verhaal leren herkennen en wat voor tekstsoort er bij dat doel hoort. • Leg uit dat Roel ook elke dag naar school moet en dat hij het niet veilig vindt onderweg. Hij wil daar iets aan doen. Geef aan dat de leerlingen vandaag zijn betoog lezen. Vraag of de leerlingen nog weten wat een betoog is. (een tekst bedoeld om de lezer te overtuigen) • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.

Laat de tekst alvast lezen en de vier dingen noemen die Roel zo gevaarlijk vindt aan de oversteekplaats (de tweede en derde alinea samenvatten).

Instructie

Hoofdstuk 1

Les 4

• Vraag welke doelwoorden bij een betoog passen. (ergens werk van maken, zich beklagen, verzoeken, te doen zijn om) Vraag waarom juist die woorden bij een betoog passen en wat het verschil is tussen ergens werk van maken en te doen zijn om. • Laat de leerlingen de doelwoorden lezen en bespreek de moeilijke woorden. • Doe de oefening(en) op het digibord. Bespreek de verschillende doelen die een schrijver van een tekst kan hebben. Wil hij iets uitleggen, wil hij informeren, iets verkopen, zijn mening geven of je vermaken? Wat voor tekstsoorten kunnen de leerlingen daarbij bedenken? • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe. Opdracht 1 Bekijk samen de tekst, leg uit wat oriënterend lezen is. Opdracht 2 Lees de tekst samen met de leerlingen volledig.

Woordenschat

• Ik oefen de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3.

Hoe veilig fietst uw kind?

Kinderen die zelfstandig naar school fietsen, moeten zichzelf in het verkeer kunnen redden. Ze moeten zich bewust zijn van hun gedrag: richting aangeven en niet met z’n drieën naast elkaar fietsen. Dat levert gevaar op voor andere weggebruikers. De kinderen lopen zelf ook risico. Vanzelfsprekend moet de fiets voldoen aan eisen voor een veilige fiets. Dat wil zeggen dat de remmen en de verlichting het goed moeten doen.

Lezen

• Ik leer mijn leesdoel bepalen bij het lezen van een informatieve tekst. • Ik leer voorspellen waar de tekst over gaat.

doorhebben; weten dat het zo is

kans dat iets wat ongewenst is toch gebeurt het hoeft niet te worden uitgelegd

Verwerking

Nog even samen oefenen? Dat kan het best op zondag. Over het algemeen is het dan rustiger op straat. Zo kunt u uw kind goed voorbereiden op de fietstocht. Bekijk samen welke drukke punten uw zoon of dochter het best kan vermijden. De hoofdzaak is dat uw kind weet hoe het zich in het verkeer moet gedragen.

1

meestal

Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 3 De leerlingen beantwoorden vragen over tekstsoort en tekstdoel. Opdracht 4 De leerlingen verbinden tekstsoorten met tekstdoelen. Opdracht 5 De leerlingen zoeken in de tekening naar vijf doelwoorden en maken zinnen met deze woorden. Opdracht 6 De leerlingen tekenen een plattegrond van het onveilige kruispunt dat Roel omschrijft in zijn brief. het belangrijkste; voornaamste

Kijk naar het plaatje bij de tekst. Lees de titel en de blauwe woorden.

1 Wat weet je al en wat wil je nog te weten komen over dit onderwerp?

Meerdere antwoorden mogelijk.

2 Wat is jouw leesdoel als je deze tekst gaat lezen?

3 Waar zal de tekst over gaan, denk je?

4 Lees nu de hele tekst.

17

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 17

Reflectie

23/03/2022 11:11

• Bespreek de opdrachten aan de hand van het digibord. Vraag wat de leerlingen van het betoog van Roel vinden. Wat was zijn doel? • Heeft Roel zijn doel bereikt? Waarom wel of niet? • Kunnen de leerlingen zich een voorstelling maken van het kruispunt dat Roel beschrijft? Laat een van de leerlingen die een plattegrond getekend heeft bij opdracht 6 zijn plattegrond tekenen op het digibord.

Opdracht 5 Taalsterk Laat taalsterke leerlingen langere zinnen maken met de doelwoorden. Stel hoge eisen. Dyslexie Deze opdracht kan mondeling uitgevoerd worden. Laat een taalsterke leerling helpen.

Coöperatieve werkvorm Opdracht 4 Deze opdracht kan mondeling uitgevoerd worden. Laat de leerlingen samen voorbeelden zoeken bij de verschillende tekstsoorten. Deze bespreken ze in groepjes van drie of vier leerlingen.

Leren woorden te leren Een onbekend woord? In groep 6 is deze woordleerstrategie aan bod geweest. Activeer de voorkennis. Lees de stappen voor. Laat in tweetallen voor stap 1 tot en met 4 een voorbeeldwoord zoeken en bedenken hoe de betekenis daarvan kan worden afgeleid. Voorbeelden: Stap 1 samenstelling/stukjes van het woord zijn bekend → de parkeerzone → een zone om te parkeren Stap 2 afbeelding: hier bij alle kijkwoorden; Stap 3 + 4 context: de ambulance → andere woorden die iets over de betekenis vertellen zijn: aangereden + ziekenhuis; in plaats van de ambulance had er kunnen staan ziekenauto/ziekenwagen → de ambulance = de ziekenauto.

Compactroute Woorden en definities lezen, opdracht 3 en 4.

Combinatiegroep Startopdracht combinatiegroep De leerlingen maken de startopdracht op het printblad. Ze beschrijven hoe ze van huis naar school toe gaan. De vragen helpen daarbij. Afsluitopdracht combinatiegroep De leerlingen maken de afsluitopdracht op het printblad. Bij de routebeschrijving van de startopdracht wordt een plattegrond getekend. 9

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 9

20/04/2022 12:59


H1 Les 4

Lezen

Woordenschat

Lesdoelen

Lesvoorbereiding

Materiaal

Woordenschat • De leerling oefent de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3. Lezen • De leerling leert het leesdoel bepalen bij het lezen van een informatieve tekst. • De leerling leert voorspellen waar de tekst over gaat.

• Zet les 4 klaar op het digibord. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.

• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat

Schooltaalwoorden • • • • •

dat wil zeggen de hoofdzaak opleveren over het algemeen het risico

Hoofdstuk 1

Les 4

Woordenschat

• • • • •

vanzelfsprekend vermijden voorbereiden op zelfstandig zich bewust zijn van

Lezen

• Ik oefen de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3.

2

• Ik leer mijn leesdoel bepalen bij het lezen van een informatieve tekst. • Ik leer voorspellen waar de tekst over gaat.

Welke uitdrukking hoort erbij?

geen overbodige luxe dat wil zeggen

3 ik bedoel het zo

Hoe veilig fietst uw kind?

1

5 meestal doorhebben; weten dat het zo is

over het algemeen

6 het belangrijkste

kans dat iets wat ongewenst is toch gebeurt het hoeft niet te worden uitgelegd

3

meestal

risico

4 Dat kan een hoop problemen geven.

opleveren

r

3 Waar zal de tekst over gaan, denk je?

17

23/03/2022 11:11

zpeaonewekr

parkeerzone

3 Het betekent dat het echt niet mag.

bvored

verbod

4 Het is het belangrijkste.

ofohdazak

hoofdzaak

5 Het is niet meer te overzien.

achos

chaos

6 Het is een heel lange rij.

lnnocoe

colonne

i

Hoofdstuk 1

Wat vind jij?

Les 5

1 Schrijf ten minste twee dingen op die jij geen overbodige luxe vindt.

Meerdere antwoorden mogelijk.

2 Bedenk daarna ten minste twee dingen die jij het liefst wilt wijzigen. Schrijf die ook op.

Dit kan ik nog 1

3 Schrijf dan op waarom je die dingen geen overbodige luxe vindt of juist wilt wijzigen.

Kies uit:

1

origineel | tanken | de pomp

de chaos | verzoeken | zich bevinden in Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?

2

5 het gevaar: de parkeerzone | het verbod | de chaos

i

s

c

o

s

v

h

k

l

r

w

t

u

p

h

j

l

p

u

c

z

t

g

a

n

z

e

l

f

s

t

p

r

e

k

e

n

d

f

r

t

ij

o

e

m

j

u

s

r

l

p

w

z

d

r

o

p

b

v

g

e

v

t

m

m

f

r

s

l

a

n

g

t

o

m

s

m

z

e

l

f

s

d

i

t

i

f

p

o

r

b

t

a

v

r

k

s

o

g

r

e

m

v

e

r

m

ij

d

e

n

p

i

l

h

u

i

s

b

n

j

r

u

s

t

z

o

p

h

3

k

18

19

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 18

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 19

23/03/2022 11:12

20

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 20

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 21

LEERWERKSCHRIFT blz. 17 – 18 – 19 – 20

Hoofdstuk 1

Meerdere antwoorden mogelijk.

Les 4

Woordenschat

Lezen

• Ik oefen de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3.

2

• Ik leer mijn leesdoel bepalen bij het lezen van een informatieve tekst. • Ik leer voorspellen waar de tekst over gaat.

Welke uitdrukking hoort erbij? Teken een lijn.

iets doen met erg nodig ik bedoel het zo

Hoe veilig fietst uw kind? Kinderen die veilig zelfstandig naar school fietsen, zijn zich bewust van hun gedrag. Zo fietsen ze niet met z’n drieën naast elkaar. Dat levert gevaar op voor anderen. De kinderen lopen hierdoor zelf ook risico. Vanzelfsprekend moet de fiets voldoen aan eisen voor een veilige fiets. Dat wil zeggen dat de remmen en de verlichting het goed doen. Wilt u uw kind voorbereiden op de fietstocht? Oefen dan samen op zondag. Over het algemeen is het dan rustig buiten. Bekijk welke drukke punten hij het best kan vermijden. De hoofdzaak is dat uw kind weet hoe het zich in het verkeer moet gedragen.

1

het gaat mij om meestal

doorhebben; weten dat het zo is kans dat iets wat ongewenst is toch gebeurt het hoeft niet te worden uitgelegd

5

• • • • • • •

eerst maar eens oefenen

beseffen

• • • • • • •

1 het tankstation:

over het algemeen

2 de situatie:

voorbereiden op

3 het ziekenhuis: de politiewagen | de ambulance

zich bewust zijn van dat wil zeggen

6

ergens werk van maken

Wat vind jij?

Meerdere antwoorden mogelijk.

1 Vul ten minste twee dingen in die jij geen overbodige luxe vindt.

Bijvoorbeeld: straatlantaarns langs donkere wegen

Welk woord past bij de zin? Kies uit: vermijden | zelfstandig | vanzelfsprekend | opleveren | de hoofdzaak

het belangrijkste; voornaamste

1 Kun jij dit helemaal alleen?

3 Dit is het belangrijkste.

5 Zo gebeurt het eigenlijk altijd.

4

2 Wat is jouw leesdoel als je deze tekst gaat lezen?

2 Bedenk daarna ten minste twee dingen die jij het liefst wilt wijzigen. Schrijf die ook op.

vermijden

vanzelfsprekend

een lange rij van bijvoorbeeld auto's op een bepaalde plaats zijn

4 Lees nu de hele tekst.

een klacht indienen kans dat iets wat ongewenst is toch gebeurt wijzigen

24/03/2022 09:10

Bijvoorbeeld: de inhoud van je kledingkast

opleveren

Wat hoort bij elkaar? Lees de woorden en de omschrijvingen in de vakken. Geef de vakken die bij elkaar horen dezelfde kleur.

3 Waar zal de tekst over gaan, denk je?

17

Bijvoorbeeld: de fouten die je hebt gemaakt in je schrift

de hoofdzaak

4 Dat kan een hoop problemen geven.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Bijvoorbeeld: een goed regenpak als je vaak door de regen fietst

zelfstandig

2 Je kunt er beter niet mee te maken hebben.

Kijk naar het plaatje bij de tekst. Lees de titel en de blauwe woorden.

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 17

tanken | het verbod

de chaos | verzoeken

4 parkeren: bomen | parkeerzone

te doen zijn om

meestal

1 Wat weet je al en wat wil je nog te weten komen over dit onderwerp?

24/03/2022 09:10

Welk woord hoort er niet bij? Onderstreep het woord dat niet bij het vetgedrukte woord hoort.

geen overbodige luxe

Bijvoorbeeld: verkeerslichten bij een druk kruispunt 3

Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?

veranderen zich bevinden risico colonne zich beklagen

18

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 18

19

24/03/2022 09:10

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 19

24/03/2022 09:10

LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 17 – 18 – 19

10

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 10

Let op:

Welk woord hoort er niet bij? Onderstreep het woord dat niet bij het vetgedrukte woord hoort.

4 belangrijk vinden: te doen zijn om | hoofdzaak | wijzigen

v

i

2 Het is een plaats om je auto te zetten.

3 de situatie:

c

f

4 Lees nu de hele tekst.

wijzigen

vanzelfsprekend

5 Zo gebeurt het eigenlijk altijd.

2 Wat is jouw leesdoel als je deze tekst gaat lezen?

zeniwgij

2 het tankstation:

vermijden

3 Er is een grote kans dat het misgaat.

Meerdere antwoorden mogelijk.

6

1 Het betekent veranderen.

1 rijden: de ambulance | het rijbewijs | zich beklagen

zelfstandig

2 Je kunt er beter niet mee te maken hebben.

Kijk naar het plaatje bij de tekst. Lees de titel en de blauwe woorden.

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 17

5

Welk woord past bij de zin? Zoek en kleur het in de puzzel en schrijf het woord achter de zin. 1 Kun jij dit helemaal alleen?

het belangrijkste; voornaamste

Ra, ra wat is het? Zet de letters in de goede volgorde.

de hoofdzaak

zich bewust zijn van

7 beseffen

1 Wat weet je al en wat wil je nog te weten komen over dit onderwerp?

23/03/2022 11:11

te doen zijn om

4 daar gaat het mij om

Nog even samen oefenen? Dat kan het best op zondag. Over het algemeen is het dan rustiger op straat. Zo kunt u uw kind goed voorbereiden op de fietstocht. Bekijk samen welke drukke punten uw zoon of dochter het best kan vermijden. De hoofdzaak is dat uw kind weet hoe het zich in het verkeer moet gedragen.

voorbereiden op

1 eerst maar eens oefenen 2 erg nodig

Kinderen die zelfstandig naar school fietsen, moeten zichzelf in het verkeer kunnen redden. Ze moeten zich bewust zijn van hun gedrag: richting aangeven en niet met z’n drieën naast elkaar fietsen. Dat levert gevaar op voor andere weggebruikers. De kinderen lopen zelf ook risico. Vanzelfsprekend moet de fiets voldoen aan eisen voor een veilige fiets. Dat wil zeggen dat de remmen en de verlichting het goed moeten doen.

4

Kies uit: dat wil zeggen | over het algemeen | zich bewust zijn van | te doen zijn om | de hoofdzaak | voorbereiden op | geen overbodige luxe

20/04/2022 12:59

de kleedruimte


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Preteaching

• Vraag de leerlingen hoe zij hebben leren fietsen, wie hen dat geleerd heeft, wat ze dan geleerd hebben en of ze vinden dat ze daardoor nu goed en veilig naar school kunnen fietsen. • Ga naar het digibord en bespreek de leerdoelen met de leerlingen.

Laat de leerlingen de tekst alvast lezen. Bespreek de doelwoorden. Besteed aandacht aan het woord vanzelfsprekend. Is het een samenstelling van stukjes die ze al kennen?

Instructie • Vraag de leerlingen of ze ná het lezen nu meer weten over het onderwerp dan vóór het lezen. Hebben ze hun leesdoel bereikt? • Vraag wat de hoofdgedachte van de tekst is, wat de schrijver wil uitleggen en of dat gelukt is. • Bespreek de doelwoorden. • Doe de oefening(en) op het digibord.

Verwerking Opdracht 1 Maak samen met de leerlingen de oriënterende vragen bij de tekst. Opdracht 2 De leerlingen schrijven de uitdrukking achter de gegeven omschrijving. Maat De leerlingen verbinden de uitdrukking met de omschrijving. Opdracht 3 De leerlingen zoeken in de puzzel het doelwoord dat bij de zin past. Maat De leerlingen kiezen het doelwoord en schrijven het achter de beschrijving. Hoofdstuk 1

Opdracht 4 De leerlingen schrijven het doelwoord achter de omschrijving met behulp van het woord met letters in gehusselde volgorde. Maat De leerlingen geven de vakken met het woord en de beschrijving ervan dezelfde kleur.

Woordenschat

Les 5

Dit kan ik nog • Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 6).

Dit kan ik nog 1

Welk woord past bij het plaatje? Let op: je houdt twee antwoorden over.

Dit kan ik nu • Ik herhaal woorden uit les 1, 3 en 4.

Kies uit: de verkeersregelaar | de sfinx | de mummie | het formulier | de website | de piramide | de kleedruimte

1

de sfinx

4

2

de mummie

5

3

de website

Opdracht 5 De leerlingen onderstrepen van drie woorden het woord dat niet bij het doelwoord hoort. Maat Vergelijkbaar met Basis, met twee woorden om uit te kiezen. de piramide

het formulier

Opdracht 6 De leerlingen beschrijven ten minste twee voorbeelden van overbodige luxe, en geven aan wat ze daaraan willen wijzigen en waarom. Maat Vergelijkbaar met Basis; zonder argumentatie.

Reflectie • Bespreek met de leerlingen wat het doel van de schrijver van de leestekst was. Herhaal nog eens de verschillende doelen die een schrijver kan hebben. Hij kan de lezer informeren, zijn mening geven, iets uitleggen, iets proberen te verkopen of de lezer vermaken. • Weten de leerlingen nog wat er in de tekst gezegd werd over een veilige fiets? (goede remmen en verlichting) Vraag de leerlingen hoe veilig hun fiets eigenlijk is en of er dingen aan verbeterd moeten worden. • Kijk voor de antwoorden op het digibord. 21

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 21

23/03/2022 11:12

Opdracht 2 NT2 en Dyslexie Geef extra instructie over de woordbetekenissen van de uitdrukkingen in deze opdracht.

Opdracht 5 Taalsterk Deze leerlingen bedenken zelf nog meer woorden die bij het gegeven doelwoord passen. Leerwerkschrift Maat Laat de leerling eerst de betekenis van het doelwoord vertellen. Laat hem uitleggen waarom het woord er dan wel of niet bij past.

Coöperatieve werkvorm Opdracht 3 Leerling 1 leest de omschrijving. Leerling 2 kiest het goede woord. Wanneer ze het eens zijn zoeken ze samen het woord in de puzzel. Na het kleuren wisselen ze van rol.

Transfer Leestip: Oriënterend lezen Vraag of de leerlingen nog weten wat ze geleerd hebben in les 3 over het lezen van een tekst. Wanneer kunnen ze oriënterend lezen goed gebruiken? (Als je goede informatie zoekt over een bepaald onderwerp. Daardoor kun je snel de juiste teksten kiezen: door oriënterend te lezen weet je snel of je die tekst kunt gebruiken voor jouw taak of opdracht of juist niet.)

Compactroute Opdracht 1, 3 en 5.

Bewegend leren Bied de leerlingen een bewegingsactiviteit aan. Deze activiteiten staan in de cockpit.

11

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 11

20/04/2022 12:59


H1 Les 5

Woordenschat

Lesdoelen

Lesvoorbereiding

Materiaal

Dit kan ik nog • De leerling herhaalt woorden uit blok 5 (groep 6). Dit kan ik nu • De leerling herhaalt woorden uit les 1, 3 en 4.

• Print voor iedere leerling het scoreblad Woordenschat of gebruik het groeischrift.

• • • •

digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat groeischrift of scoreblad Woordenschat

Ontwerpend en onderzoekend leren Werk je met de projectmap, dan kun je deze les vervangen door stap 1 van project 1.

Hoofdstuk 1

Woordenschat

Les 5

Dit kan ik nog • Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 6).

2 Dit kan ik nu • Ik herhaal woorden uit les 1, 3 en 4.

Als het niet door kan gaan, moet je niet gelijk treurig en teleurgesteld zijn.

Welk woord past bij het plaatje? Let op: je houdt twee antwoorden over.

Haha, niemand kan verantwoordelijk zijn voor het slechte weer toch?

Kies uit: de verkeersregelaar | de sfinx | de mummie | het formulier | de website | de piramide | de kleedruimte

de sfinx

1

1

Mooi weer zal belangrijk zijn bij het houden van die buitensportdag.

Dit kan ik nog 1

Dit kan ik nu

Wat betekent hetzelfde? Kijk naar de vetgedrukte woorden. Teken een lijn. Let op: je houdt twee antwoorden over.

de piramide

4

•

• • • • • • •

• •

Juffen of meesters zijn namens de directeur aanwezig bij de uitreiking van de medailles.

•

De winnaars die zo'n medaille krijgen zijn erg vrolijk.

•

Wat betekent hetzelfde? Lees de zinnen. Kijk naar de blauwe woorden. Let op: je houdt twee antwoorden over.

in de put zitten

Kies uit: de vreugde | de parkeerzone | de boetiek | het rijbewijs | de claxon | het tankstation | de colonne

in de wolken zijn

1 Yvonne danst en springt door de kamer van blijdschap.

de vreugde

verwonden

2 In de winkel wordt de nieuwe herfstmode opgehangen.

de boetiek

een rol spelen

3 Mijn tank is bijna leeg. Ik moet langs de benzinepomp.

in gebreke blijven

4 Als ik het pasje met foto laat zien, weet de agent dat ik auto mag rijden.

aansprakelijk zijn voor

5 Er rijdt een lange stoet auto’s naar de begraafplaats.

iemand vertegenwoordigen

2

het tankstation het rijbewijs

de colonne

Welk woord past in de zin? Let op: je houdt twee antwoorden over. Kies uit: te doen zijn om | het voortgezet onderwijs | het verbod | geen overbodige luxe | de campagne | een overdaad | zich beklagen

3

de mummie

2

het formulier

5

bestaan uit

2 Ze vallen

de website

4 Soms zijn de waterdruppeltjes zo lucht zweven.

21

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 21

3

23/03/2022 11:12

afhankelijk

Een gezond milieu is goed voor iedereen, dus een algemeen belang.

•

•

niet automatisch

Het is heus niet zo vanzelfsprekend dat wij elk jaar op vakantie kunnen gaan.

•

•

er zomaar aan beginnen

Ze moeten zich bewust zijn van het verbod. Ik heb ze gewaarschuwd.

•

•

opleveren

Je moet je goed voorbereiden op dit moeilijke werk.

•

•

specifiek

Mijn oma wordt wel ouder maar ze kan nog veel dingen zelfstandig.

•

•

vermijden

•

niet doorhebben

5 Misschien kan de leerlingenraad

door

. van Veilig Verkeer

dat ze twee schooltassen heeft meegenomen. aan boeken! Kan de school de lesstof niet digitaal ter

zich beklagen

bij de directeur.

dat ze niet vallen maar in de

informatie, kijk op de website van het KNMI.

22

23

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 22

Les 6

•

minuscuul

behoefte hebt aan

Hoofdstuk 1

Welk woord is het tegengestelde? Kijk naar de vetgedrukte woorden. Teken een lijn. Let op: je houdt twee antwoorden over.

vervangen

geen overbodige luxe

4 Wat een overdaad beschikking stellen?

omlaag als regen.

3 Maar als ze bevriezen, worden de regendruppels hagelstenen of sneeuwvlokken.

5 Als je nog meer

3 Nou, het is

heel kleine waterdruppeltjes.

voornamelijk

het voortgezet onderwijs

2 Ze stapt op haar fiets en ziet onderweg de campagne Nederland. Op de nieuwe school haalt ze haar boeken op.

Kies uit: voornamelijk | geenszins | uiterst | bestaan uit | minuscuul | behoefte hebt aan | vervangen 1 Wolken

3

1 Karlijn gaat vandaag voor het eerst naar

Welk woord past in de zin? Let op: je houdt twee antwoorden over.

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 23

23/03/2022 11:12

Taal verkennen • Ik herhaal het herkennen en gebruiken van: zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

Herhaling: woordsoorten benoemen Elk woord hoort bij een woordsoort. Die woordsoorten kun je benoemen. zelfstandig naamwoord (z nw)

woord voor een mens, dier of ding

lidwoord (lw)

de, het, een

werkwoord (ww)

woord dat vertelt wat iets of iemand doet, of wat er gebeurt

bijvoeglijk naamwoord (bijv nw)

woord dat iets vertelt over het zelfstandig naamwoord

persoonlijk voornaamwoord (pers vnw)

woord dat naar iemand of iets verwijst (ik, mij, jij, jou, hij, hem, het, wij, ons, jullie, zij, hen, hun)

voorzetsel (vz) (tijd, plaats)

woord dat aangeeft wanneer of waar iets is of gebeurt

telwoord

woord dat laat zien hoeveel er van iets is of wat de volgorde is

voegwoord (vw)

woord dat twee zinnen aan elkaar plakt

vraagwoord (vraagw)

woord waarmee je een vraag kunt beginnen (wie, wat, hoe, ...)

Herhaling: bijvoeglijk naamwoord Een bijvoeglijk naamwoord vertelt meer over een zelfstandig naamwoord. Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord vertelt van welk materiaal iets gemaakt is: leer, hout, ijzer, papier, ... het zadel is van leer – het leren zadel de broek is van katoen – de katoenen broek Een bijvoeglijk naamwoord kan afgeleid zijn van een werkwoord. de baby lacht – de lachende baby de brief is verstuurd – de verstuurde brief de muur is gewit – de gewitte muur

24

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 24

25

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 25

23/03/2022 11:12

LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 21 – 22 – 23 – 24 / blz. 20 – 21 – 22 – 23

12

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 12

20/04/2022 12:59


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Woordenschat Pitstop

• Herinner de leerlingen aan het verhaal en de doelwoorden uit blok 5 van groep 6. (Romeo, Nina, Jolanda en Sjoerd hebben de kist met de zwembroek gekozen en gaan naar Egypte.) • Noem een paar doelwoorden die de leerlingen deze week geleerd hebben. Laat ze raden uit welk verhaal (in les 1, 3 of 4) deze komen. Vraag of ze nog weten wat de woorden betekenen. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.

Dyslexie Geef dyslectische leerlingen meer tijd. Eventueel kunnen ze de test in een aparte ruimte maken.

Compactroute Alle opdrachten.

Instructie • Vertel dat de leerlingen zelfstandig de test gaan maken over de doelwoorden van blok 5 van groep 6 en het hoofdstuk van deze week. • Bespreek kort de opdrachten, maar ga niet in op de inhoud. Benadruk dat de leerlingen bij elke opdracht twee antwoorden overhouden.

Verwerking Dit kan ik nog Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen schrijven het woord bij de afbeelding op. Opdracht 2 De leerlingen verbinden de vetgedrukte woorden in de zinnen met doelwoorden. Opdracht 3 De leerlingen vullen de juiste woorden in de zinnen in.

Dit kan ik nu Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen kiezen het juiste synoniem van het blauwe woord in de zinnen. Opdracht 2 De leerlingen schrijven het passende woord in de contextzinnen. Opdracht 3 De leerlingen verbinden het woord dat vetgedrukt is aan een tegenstelling.

Reflectie • Bespreek de opdrachten met behulp van het digibord. Laat de leerlingen de resultaten invullen in het groeischrift of op het scoreblad Woordenschat. Laat ze de grafiek bijwerken, zodat ze hun vorderingen kunnen zien.

13

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 13

20/04/2022 12:59


H1 Les 6

Taal verkennen

Lesdoel

Lesvoorbereiding

Materiaal

Taal verkennen • De leerling herhaalt het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

• Zet les 6 klaar op het digibord. • Combinatiegroep: print de start- en afsluitopdracht bij deze les. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.

• • • •

Hoofdstuk 1

Les 6

Taal verkennen • Ik herhaal het herkennen en gebruiken van: zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

1

Bekijk het uitlegblokje.

2

Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord? Onderstreep het goede antwoord.

digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat combinatiegroep: printblad Start- en afsluitopdracht

5

Doe het zo: 1 = De wollen sjaal is van mij.

– Het gespaarde zakgeld is van hem.

1 In die boetiek hebben ze papieren tassen. Herhaling: woordsoorten benoemen

2 Het servies staat in de glazen kast.

Elk woord hoort bij een woordsoort. Die woordsoorten kun je benoemen.

3 De leeuwen zitten in een ijzeren kooi.

zelfstandig naamwoord (z nw)

woord voor een mens, dier of ding

4 De oude boerderij heeft een nieuw rieten dak.

lidwoord (lw)

de, het, een

werkwoord (ww)

woord dat vertelt wat iets of iemand doet, of wat er gebeurt

bijvoeglijk naamwoord (bijv nw)

woord dat iets vertelt over het zelfstandig naamwoord

persoonlijk voornaamwoord (pers vnw)

woord dat naar iemand of iets verwijst (ik, mij, jij, jou, hij, hem, het, wij, ons, jullie, zij, hen, hun)

voorzetsel (vz) (tijd, plaats)

woord dat aangeeft wanneer of waar iets is of gebeurt

telwoord

woord dat laat zien hoeveel er van iets is of wat de volgorde is

voegwoord (vw)

woord dat twee zinnen aan elkaar plakt

vraagwoord (vraagw)

woord waarmee je een vraag kunt beginnen (wie, wat, hoe, ...)

3

– Het houten vakantiehuisje is van ons. – De schreeuwende broer is van haar.

6

Is het een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord? Kies het goede antwoord. Let op het vetgedrukte woord.

ja

nee

◯

◯

1 Nadat hij lang gezocht had, vond hij vijf gouden munten onder de grond.

2 de spinnende kat

◯

◯

2 Er komen vier stalen hekken voor het kantoor, want er is ingebroken.

3 de kartonnen doos

◯

◯

3 Mijn hemd was kwijt, omdat hij tussen drie paar wollen sokken lag.

4 de linnen broek

◯

◯

het zadel is van leer – het leren zadel de broek is van katoen – de katoenen broek

de wollen sjaal

3

de schreeuwende broer

2

het gespaarde zakgeld

4

het houten vakantiehuisje

bijvoeglijke naamwoorden

de baby lacht – de lachende baby de brief is verstuurd – de verstuurde brief de muur is gewit – de gewitte muur

die vertellen waar iets van gemaakt is:

die van een werkwoord zijn gemaakt:

wollen

gespaarde

houten

schreeuwende

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 25

23/03/2022 11:12

1 een

2 een

3 een een

26

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 26

leren

een

jas jas

ijzeren

een

Een bijvoeglijk naamwoord kan afgeleid zijn van een werkwoord.

25

23/03/2022 11:12

1

Bedenk waarvan het gemaakt kan zijn. Verzin zelf waarvan het ook gemaakt kan zijn en vul het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in. Doe het zo: • een katoenen jas • een houten kist • een gouden ring

Wat zegt het vetgedrukte woord? Vul het bijvoeglijk naamwoord in het goede rijtje in.

Herhaling: bijvoeglijk naamwoord Een bijvoeglijk naamwoord vertelt meer over een zelfstandig naamwoord. Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord vertelt van welk materiaal iets gemaakt is: leer, hout, ijzer, papier, ...

Kleur de woordsoorten. Kleur in de zinnen: • het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord rood • het voorzetsel blauw • het telwoord geel • het voegwoord paars • het zelfstandig naamwoord en het lidwoord groen

1 de stenen muur

7

4

Lees de woordgroepen van opdracht 4 nog eens. Maak er een zin van met een persoonlijk voornaamwoord.

kist kist

zilveren

ring ring

27

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 27

23/03/2022 11:12

LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 25 – 26 – 27 / blz. 24 – 25 – 26

14

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 14

20/04/2022 13:00


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Preteaching

Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen.

Leg nog een keer uit wat een werkwoord en een zelfstandig naamwoord zijn. Laat de leerlingen voorbeelden bedenken en die in een zin gebruiken.

Instructie • Haal de kennis op over de woordsoorten zelfstandig naamwoord, lidwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk voornaamwoord, voorzetsel, telwoord en voegwoord door voorbeelden te vragen en onderlinge verschillen aan te geven. • Doe de oefening(en) op het digibord. Opdracht 1 Bespreek het uitlegblokje over het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord afgeleid van een werkwoord. • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe.

Verwerking Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 2 De leerlingen onderstrepen het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord. Opdracht 3 De leerlingen geven met ja of nee aan of de vetgedrukte woorden een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zijn. Opdracht 4 De leerlingen plaatsen verschillende bijvoeglijke naamwoorden in het goede rijtje. Opdracht 5 De leerlingen gebruiken de antwoorden van opdracht 4 om zinnen te maken met een persoonlijk voornaamwoord. Opdracht 6 De leerlingen kleuren de woordsoorten bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel, telwoord, voegwoord, zelfstandig naamwoord en lidwoord in de zinnen. Opdracht 7 De leerlingen schrijven bij een gegeven zelfstandig naamwoord een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord.

Reflectie • Toon nog een keer het schema van de woordsoorten op het digibord. Vraag de leerlingen met welke woordsoorten ze nog moeite hebben. Onthoud dat en kom daar de volgende dag op terug bij de instructie.

Opdracht 3 Taalsterk Deze leerlingen maken na het kiezen van ja of nee een zin met de woorden. Bijvoorbeeld: De stenen muur – De muur is van steen.

Opdracht 6 Leerwerkschrift Maat Herhaal de instructie over de woordsoorten. Geef het schema op tafel als steun bij het maken van de opdrachten. Dyslexie Controleer of de schriftelijke instructie goed begrepen is. Geef het schema op tafel als steun bij het maken van de opdrachten.

Coöperatieve werkvorm Opdracht 6 Leerling 1 pakt zes kleuren en leest de eerste zin voor. Leerling 2 zoekt de woordsoorten in die zin op. Hij zegt wat leerling 1 moet doen en met welke stift. Dan wisselen ze van rol en maken zo eerst alle zinnen in het eerste leerwerkschrift. Let op! Bij het tweede leerwerkschrift begint leerling 2 met het lezen van zin 1.

Compactroute Lezen theorie, opdracht 3, 4 en 5.

Combinatiegroep Startopdracht combinatiegroep De leerlingen worden zich bewust van welk materiaal voorwerpen zijn gemaakt, ter voorbereiding op de les over stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Afsluitopdracht combinatiegroep De leerlingen gebruiken het schema van de startopdracht. Ze maken een korte zin met het voorwerp en het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord.

15

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 15

20/04/2022 13:00


H1 Les 7

Taal verkennen

Lesdoel

Lesvoorbereiding

Materiaal

Taal verkennen • De leerling oefent het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

• Zet les 7 klaar op het digibord.

• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat

Hoofdstuk 1

Taal verkennen

Les 7 1

houten schuur

leren riem

2 Een riem gemaakt van leer is een

3 Een schaal gemaakt van glas is een

. .

glazen schaal

4 Een zakdoek gemaakt van papier is een

6

zelfstandig naamwoord

werkwoord

bijvoeglijk naamwoord

de hond

blaffen

de blaffende hond

het boek

kaften

het gekafte boek

de remmen

piepen

de piepende remmen

de auto

wassen

de gewassen auto

de baby

lachen

de lachende baby

7

papieren zakdoek

.

4

.

Vervang het vetgedrukte woord door een persoonlijk voornaamwoord.

1 Darren vraagt aan Karel of hij mee wil doen aan de presentatie.

1 De koperen vaas staat op de grote kast.

Hij vraagt aan hem of hij mee wil doen aan de presentatie.

Meerdere antwoorden mogelijk.

2 Darren en Karel stappen op het podium dat de leerkracht in elkaar heeft getimmerd.

2 De dikke man eet een gebakken vis.

Zij stappen op het podium dat hij in elkaar heeft getimmerd.

vz

voegw

▢

▢

▢

2 De kinderen geven één bal door aan elkaar.

▢

▢

▢

3 Youssef raadt wie de bal heeft, nadat hij goed gekeken heeft.

▢

▢

▢

Maak ten minste twee zinnen.

1

zes boeken zes dikke boeken leggen op De leerkracht legt zes dikke boeken op de tafel.

Meerdere antwoorden mogelijk.

2 3 4

3 Darren en ik hebben een nieuwe slogan bedacht.

Wij hebben hem bedacht.

3 In het donkere bos hoorde zij krakende takken.

telw

1 De leerkracht zet vier kinderen voor het bord.

Voorbeeld: 1 2 3 4

Voorbeeld: De leerkracht geeft een compliment aan Darren en Karel. Hij geeft een compliment aan hen.

Verander de blauwe bijvoeglijke naamwoorden in andere bijvoeglijke naamwoorden.

Lees de zinnen. Wat zijn de blauwe woorden?

Doe het zo: 1 Bedenk een zelfstandig naamwoord met een telwoord ervoor. Schrijf de woorden op. 2 Verzin er een bijvoeglijk naamwoord bij. Schrijf het zindsdeel op. 3 Bedenk er een werkwoord en een voorzetsel bij. Schrijf de woorden op. 4 Maak een zin van de woorden die je bedacht hebt.

.

linnen broek

5 Een broek gemaakt van linnen is een

Maak van het werkwoord een bijvoeglijk naamwoord. Voorbeeld: de steen – glimmen – de glimmende steen

Ra, ra, wat is het? Maak de zin af. Gebruik een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. 1 Een schuur gemaakt van hout is een

2

3

• Ik oefen zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

1 2

4 De kwakende eend verdween in het heldere water.

5

5 Het bange meisje draagt de rode tas.

3

Kleur de woordsoorten. Kleur in de zinnen: • de lidwoorden blauw • de voegwoorden rood • de persoonlijke voornaamwoorden geel

4

1 De tuinman heeft het gras gemaaid, want het was heel hoog. 2 Voor de schutting staan nu struiken, omdat mijn moeder hem niet meer mooi vond. 3 In de vijver heeft hij waterlelies geplant, ze zijn wit en roze.

Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?

4 Toen de lente begon, zaaide hij vergeet-me-nietjes in een bak.

28

29

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 28

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 29

23/03/2022 11:12

30

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 30

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 31

LEERWERKSCHRIFT blz. 28 – 29 – 30

Hoofdstuk 1

Taal verkennen

Les 7

4

• Ik oefen zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

Vervang de vette woorden door een persoonlijk voornaamwoord.

hem

Meerdere antwoorden mogelijk. Bijvoorbeeld:

of hij mee wil doen.

Omdat ik graag buiten speel, ben ik blij als het droog is en de zon schijnt.

2 Darren en Karel stappen op het podium dat de leerkracht heeft gemaakt.

Waar is het van gemaakt? Maak de zin af. 1 Een houten schuur is gemaakt van 2 Een glazen schaal is gemaakt van

hout

Zij

.

glas

3 Een papieren zakdoek is gemaakt van

2

vraagt aan

Wij

.

5

Vul het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in. 1 katoen

katoenen

kleding prikt niet.

2 zilver

Oma poetst de

zilveren

3 wol

Mijn zusje heeft een

wollen

hij

Ik dans en zing graag, want ik houd van muziek.

heeft gemaakt.

3 Darren en ik hebben een nieuwe slogan bedacht.

.

papier

stappen op het podium dat

Maak een lange zin over jezelf met twee voegwoorden. Kies uit: omdat | terwijl | want | en | of

1 Darren vraagt aan Karel of hij mee wil doen.

Hij 1

7

Voorbeeld: De leerkracht geeft een compliment aan Darren en Karel. Hij geeft een compliment aan hen.

hebben

hem

bedacht.

Kleur de woordsoorten. Kleur in elke zin: • de lidwoorden blauw • de persoonlijke voornaamwoorden geel

Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?

1 De tuinman heeft het gras gemaaid, want het was heel hoog.

lepels.

2 Voor de schutting staan nu struiken, omdat mijn moeder hem niet meer mooi vond.

trui gekocht.

3 In de vijver heeft hij waterlelies geplant, ze zijn wit en roze. 3

Wat hoort bij elkaar? 1 Teken een lijn. Een baby die lacht. Een hond die blaft. Het boek dat is gekaft. De remmen die piepen. De auto die is gewassen.

6

• • • • •

• • • • •

2 Het onderstreepte woord is een: 3 Het omcirkelde woord is een:

Een blaffende hond.

Maak een nieuwe zin. Verander het voorzetsel, het telwoord en het zelfstandig naamwoord. Vul de nieuwe zin in. Voorbeeld: Doe het zo: Drie paarden staan op stal. Zeven paarden staan in de wei.

De piepende remmen. Een lachende baby.

1 Boven mijn bed hangen zes foto's.

De gewassen auto.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Het gekafte boek.

2 Uit school speel ik met drie vrienden.

lidwoord / zelfstandig naamwoord / werkwoord

lidwoord / zelfstandig naamwoord / werkwoord

4 Het blauwe woord is een: lidwoord / zelfstandig naamwoord / werkwoord

27

24/03/2022 09:10

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 27

24/03/2022 09:10

28

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 28

29

24/03/2022 09:10

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 29

24/03/2022 09:10

LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 27 – 28 – 29

16

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 16

20/04/2022 13:00


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Opdracht 4 en 5

Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Vraag de leerlingen of ze nog weten wat een zelfstandig naamwoord en wat een werkwoord is. Laat ze enkele voorbeelden noemen en in een zin gebruiken. • Laat de leerlingen in de klas voorwerpen aanwijzen en er zelf een bijvoeglijk naamwoord bij bedenken. • Ga naar het digibord en bespreek het leerdoel met de leerlingen.

Leerwerkschrift Maat Controleer of de instructie duidelijk is en laat deze in het kort navertellen. NT2 Geef deze leerlingen extra instructie over de voornaamwoorden en de lidwoorden. Juist vanuit andere talen is het lastig om het goede lidwoord bij een zelfstandig naamwoord te plaatsen. Dyslexie Laat deze opdrachten mondeling maken met ondersteuning van een taalsterke leerling. Laat de taalsterke leerling de zinnen voorlezen. Daarna leest de dyslectische leerling de zin ook op.

Instructie • Doe de oefening(en) op het digibord. Bespreek de woordsoorten waarvan de leerlingen gisteren aan het eind van de les aangaven dat ze die moeilijk vonden. • Herhaal de uitleg van les 6 over het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord. • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe.

Verwerking Opdracht 1 De leerlingen schrijven het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op. Maat De leerlingen zoeken het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de zin en schrijven het materiaal op. Opdracht 2 De leerlingen veranderen het bijvoeglijk naamwoord en maken zo een nieuwe zin. Maat De leerlingen schrijven het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de zin. Opdracht 3 De leerlingen maken een bijvoeglijk naamwoord van een werkwoord. Maat De leerlingen verbinden de woordcombinaties die bij elkaar horen en geven aan welke woordsoort de onderstreepte woorden zijn.

Compactroute Opdracht 4, 5 en 6.

Bewegend leren Bied de leerlingen een bewegingsactiviteit aan. Deze activiteiten staan in de cockpit.

Opdracht 4 De leerlingen vervangen vetgedrukte woorden door persoonlijke voornaamwoorden en maken nieuwe zinnen. Maat Vergelijkbaar met Basis; de leerlingen vullen de persoonlijke voornaamwoorden in.

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 31

Opdracht 5 De leerlingen31 kleuren de woordsoorten lidwoord, voegwoord en persoonlijk voornaamwoord in zinnen. Maat Vergelijkbaar met Basis, met minder zinnen en zonder voegwoorden. 23/03/2022 11:12

Opdracht 6 De leerlingen geven aan welke woordsoort de blauwe woorden zijn. Maat De leerlingen veranderen de voorzetsels, telwoorden en zelfstandig naamwoorden en schrijven een nieuwe zin op. Opdracht 7 De leerlingen gebruiken steeds meer woordsoorten om een lange zin te maken. Maat De leerlingen schrijven een lange zin over zichzelf met gebruik van twee voegwoorden.

Reflectie • Bespreek de opdrachten. Welke leerlingen hebben nog moeite met bepaalde woordsoorten? Doe de oefening(en) op het digibord met deze leerlingen. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.

17

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 17

20/04/2022 13:00


H1 Les 8

Schrijven

Lesdoel

Lesvoorbereiding

Materiaal

Schrijven • De leerling leert hoe hij een betoog schrijft.

• Zet les 8 klaar op het digibord. • Combinatiegroep: print de start- en afsluitopdracht bij deze les. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.

• • • •

Hoofdstuk 1

Schrijven

Les 8

1

Bekijk het betoog van Roel. Lees wat er bij de toelichtingen staat.

2

Lees het eerste stuk van het betoog bij de oranje lijn.

• Ik leer hoe ik een betoog schrijf.

1 Voor wie is deze brief bedoeld? Hier lees je aan wie Roel het betoog schrijft.

digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat combinatiegroep: printblad Start- en afsluitopdracht

Daar is het je om te doen, Roel!

De brief is bedoeld voor iemand

van de gemeente waarin Roel woont, in dit geval mevrouw Vermeer.

Geachte mevrouw Vermeer,

2 Waarover wil Roel zich beklagen?

Hier lees je wat Roel wil.

In deze brief wil ik mij beklagen over de onveilige fietsroute van mijn huis naar school. Elke schooldag fiets ik van mijn huis op de Katjeskade naar basisschool De Vlieger. Om bij mijn school te komen, moet je de superdrukke Willemsweg oversteken. De situatie bij het oversteekpunt is rommelig. Je kunt het verkeer niet goed zien aankomen. De auto’s op de Willemsweg rijden vaak heel hard.

In het middenstuk lees je argumenten waarom Roel dat wil.

Ik zal u uitleggen wat er zo gevaarlijk is aan het oversteekpunt. Dat bevindt zich dus op de kruising van de Katjeskade-Willemsweg. Stelt u zich voor dat ik sta te wachten op deze kruising. Aan de linkerkant staan allemaal busjes geparkeerd. Die busjes zijn van Heen en Weer, een bedrijf waar je busjes kunt huren. Een parkeerzone op die plek is onhandig. Als ik naar links kijk, kan ik bijna niks zien.

3

1 De parkeerzone is onhandig, omdat

2 De plek van het tankstation is niet goed, want

3 Ik kom regelmatig te laat op school, omdat

Vlak in de buurt is ook een begraafplaats. Vaak rijdt er een colonne auto’s langs die op weg is naar die begraafplaats. Ook dan moet je weer wachten tot die auto’s voorbij zijn en je de weg over kunt. Vorige week ging het mis. Een meisje op de fiets wilde oversteken. Ze zag een auto niet aankomen en ze werd aangereden. Een ambulance heeft haar naar het ziekenhuis gebracht.

Hier lees je waar het Roel om te doen is.

Ik hoop dat u werk maakt van mijn tips. Een veilige oversteekplaats voor iedereen, daar is het mij om te doen.

je niets kunt zien als je

Signaalwoorden voor een argument. Gebruik ‘omdat’ en ‘want’ in je betoog. Daarna volgt je argument.

daar staan fietsers te wachten om over

te steken.

Er zijn geen verkeerslichten op het oversteekpunt. Ik durf vaak niet over te steken of ik moet lang wachten tot alle auto’s voorbij zijn. Ik kom daardoor regelmatig te laat op school.

Hier lees je hoe Roel dingen wil veranderen.

Schrijftip

Lees het middenstuk van het betoog. Vul de argumenten van Roel in.

naar links kijkt.

Aan de rechterkant staat een tankstation. Hier komen veel mensen tanken. Als de auto’s weer wegrijden, komen ze uit op de Katjeskade. Precies op de plek waar ik en andere fietsers staan te wachten om over te steken. Veel auto’s rijden daar te hard op de fietsers af.

Ik ben de chaos bij de oversteekplaats zat. Het moet anders! Daarom wil ik de gemeente verzoeken de situatie bij de oversteekplaats te veranderen. Dit zou u moeten wijzigen: 1. Weg met auto’s die te hard rijden! Er moet een verbod komen op die auto’s. 2. Verkeerslichten op de kruising Katjeskade-Willemsweg zijn geen overbodige luxe. Verkeerslichten plaatsen dus alstublieft. 3. De parkeerzone met de busjes moet op een andere plek komen. 4. Maak een verkeersdrempel tussen het tankstation en de Katjeskade.

Roel beklaagt zich over de

onveilige fietsroute van huis naar school.

ik niet over durf te steken en lang moet

wachten. 4 Vaak komt er ook een colonne auto’s langs, want

er is een begraafplaats in de buurt.

Vriendelijke groet van Roel (groep 7 basisschool De Vlieger)

32

33

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 32

4

23/03/2022 11:12

Welk woord past in de zin?

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 33

6

2 Je wilt iemand

overtuigen

3 Daarvoor bedenk je

.

Meerdere antwoorden mogelijk.

.

argumenten

4 Je gebruikt daarbij de woorden

5

je mening vertellen

Denk je dat de tips in het betoog van Roel zullen helpen? 1 Zullen er voortaan geen aanrijdingen meer op de oversteekplaats gebeuren? 2 Vul je mening in. Leg ook uit waarom je dat vindt.

Kies uit: overtuigen | je mening vertellen | omdat en want | argumenten 1 Als je een betoog schrijft, wil je

23/03/2022 11:12

.

omdat en want

.

Lees het laatste stuk van het betoog bij de blauwe lijn Roel wil vier dingen. Bedenk de argumenten voor en tegen. Roel wil

argumenten voor

argumenten tegen

een verbod op auto’s die te hard rijden

Bijvoorbeeld: Dan wordt

Bijvoorbeeld: Het is

7

Hoe voelde Roel zich? Bedenk hoe Roel zich voelde toen hij hoorde dat het meisje was aangereden op de oversteekplaats.

het veiliger op straat.

onmogelijk om altijd en

Meerdere antwoorden mogelijk.

overal te controleren op te hard rijden. verkeerslichten

Bijvoorbeeld: Dan kan

Bijvoorbeeld:

iedereen om de beurt veilig

Verkeerslichten verbruiken

oversteken.

energie en dat kost geld en is slecht voor het milieu.

de parkeerzone verplaatsen

Bijvoorbeeld: Fietsers

Bijvoorbeeld: Klanten van

kunnen nu links bijna niets

Heen en Weer moeten dan

zien.

veel verder lopen naar de busjes.

een verkeersdrempel

Bijvoorbeeld: Na het tanken

Bijvoorbeeld:

rijden veel auto's te hard

Verkeersdrempels

op de fietsers af.

kunnen geluidsoverlast veroorzaken.

34

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 34

35

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 35

23/03/2022 11:12

LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 32 – 33 – 34 – 35 / blz. 30 – 31 – 32 – 33

18

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 18

20/04/2022 13:00


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Preteaching

Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Laat de leerlingen de brief van Roel in deze les nog een keer lezen. Vertel dat zijn brief als voorbeeld van een betoog wordt gebruikt. • Vraag de leerlingen of ze een voorbeeld kunnen geven van een betoog dat ze kort geleden gehoord hebben. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen.

Bespreek alvast met de leerlingen wat een betoog is. Geef ook voorbeelden.

Instructie • Bespreek alle toelichtingen die bij de tekst staan en bespreek de bouwstenen bij opdracht 2. • Wijs de leerlingen erop dat je vaak de woorden omdat en want gebruikt, als je je mening geeft en iemand wilt overtuigen. • Doe de oefening op het digibord. • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe.

Verwerking Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen bekijken het betoog en lezen de toelichtingen. Opdracht 2 De leerlingen lezen het eerste stuk van het betoog en beantwoorden de vragen. Opdracht 3 De leerlingen lezen het middenstuk van het betoog en vullen de argumenten van Roel in. Opdracht 4 De leerlingen schrijven de goede woorden in de zinnen. Opdracht 5 De leerlingen schrijven argumenten voor en tegen op bij verschillende meningen. Opdracht 6 De leerlingen schrijven op of het betoog voldoende overtuigend is voor anderen. Opdracht 7 De leerlingen leven zich in in de gevoelens van de schrijver.

Reflectie • Roel zag dat er een meisje werd aangereden en schreef mede daardoor zijn betoog. Vraag de leerlingen naar hun mening. Vraag of je in een betoog ook iets mag vertellen over hoe je je voelt en of dat verstandig is, en waarom wel of niet.

Opdracht 3 NT2 Doe deze opdracht mondeling. Lees de eerste zin voor en laat hem afmaken met gebruik van het woord omdat. Gebruik daarna dezelfde zin, maar maak hem af met het woord want. Voelen de leerlingen het verschil aan?

Opdracht 5 Leerwerkschrift Maat en Dyslexie Geef de leerlingen meer tijd voor deze opdracht en laat ze opdracht 6 overslaan.

Coöperatieve werkvorm Opdracht 5 De leerlingen werken samen de argumenten voor en tegen uit. Leerling 1 bedenkt het eerste argument vóór. Leerling 2 luistert en zegt: ‘Daar ben ik het niet mee eens, omdat (of want).’ Hij maakt zo het argument tegen. Als ze beiden vinden dat ze dan een goed argument vóór en tegen hebben, schrijven ze deze argumenten op. Dan wisselen ze van rol.

Compactroute Opdracht 1 tot en met 5.

Combinatiegroep Startopdracht combinatiegroep De leerlingen verdiepen zich in een tekst over fietsroutes. Ze oefenen alvast het gebruik van argumenten bij een mening. Ze tekenen een bovenaanzicht van een fietsroute. Afsluitopdracht combinatiegroep De leerlingen gebruiken de tekst van de startopdracht om te oefenen met het formuleren van tegenargumenten bij het schrijven van een betoog.

19

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 19

20/04/2022 13:00


H1 Les 9

Schrijven

Lesdoel

Lesvoorbereiding

Materiaal

Schrijven • De leerling oefent het schrijven van een betoog.

• Zet les 9 klaar op het digibord.

• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat

Hoofdstuk 1

Les 9

Schrijven

1

Bekijk het model. Lees wat er bij de toelichtingen staat.

2

Je gaat een betoog schrijven. Vul het schema hieronder in. Bedenk twee mogelijkheden

5

Blijf je bij je mening? Ja? Schrijf je betoog op bladzijde 36. Nee? Denk er nog even over na. Schrijf daarna je betoog op bladzijde 36.

6

Ben je tevreden met je betoog? Kijk je betoog na. En let daarbij op het volgende:

• Ik oefen het schrijven van een betoog.

Wat zou ik graag willen wijzigen?

Daar is het mij om te doen!

1

Hier schrijf je aan wie je het betoog schrijft.

Meerdere antwoorden mogelijk.

2

Aan wie kan ik dat het beste schrijven? 1

1 2 3 4

2

Hoofdstuk 1

Heb je de woorden omdat en want op de goede manier gebruikt? Heb je goede argumenten en voldoende tips gegeven? Heb je alinea's gebruikt? Zijn de zinnen goed en zonder spelfouten geschreven?

Hier schrijf je wat je wilt. 7 3 Hier schrijf je argumenten waarom je het wilt.

1 Bedenk argumenten om anderen te overtuigen van je mening. 2 Schrijf op waarom je het wilt veranderen. Gebruik de woorden omdat of want. Ik wil dat graag,

1

Maak twee tekeningen bij je betoog. 1 Teken de situatie zoals die nu is. 2 Teken daarna de situatie als jouw tips worden uitgevoerd.

Waar gaat je betoog over? Kijk naar opdracht 2. Maak nu je keuze.

1 2

Ter beoordeling van de leerkracht.

3

Meerdere antwoorden mogelijk.

4 5

2 4

Bedenk argumenten voor en tegen. Gebruik de woorden omdat of want. Ik vind het een goed idee, 1

Hier schrijf je hoe je dingen wilt veranderen.

36

Meerdere antwoorden mogelijk.

1 Joris en Marco

Ik vind het een slecht idee,

2 In /

1

2

2

3

3

3 Een masseur / 4 Tot slot / 5 Een tijdje /

3

Hier schrijf je waar het je om te doen is.

in | werkte |

37

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 36

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 37

23/03/2022 11:12

38

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 38

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 39

LEERWERKSCHRIFT blz. 36 – 37 – 38

Hoofdstuk 1

Les 9

Schrijven

1

Bekijk het model. Lees wat er bij de toelichtingen staat.

2

Je gaat een betoog schrijven. Bekijk de zinnen hieronder. Bedenk zelf nog twee onderwerpen en twee personen erbij.

5

Blijf je bij je mening? Ja? Schrijf je betoog op bladzijde 34. Nee? Denk er nog even over na. Schrijf daarna je betoog op bladzijde 34.

6

Ben je tevreden met je betoog? Kijk je betoog na. En let daarbij op het volgende:

• Ik oefen het schrijven van een betoog.

Wat zou ik graag willen wijzigen?

Daar is het mij om te doen! Hier schrijf je aan wie je het betoog schrijft.

Het pesten op school.

1

2

Meerdere antwoorden mogelijk.

2

3

Hier schrijf je wat je wilt.

Aan wie kan ik dat het beste schrijven?

1

Mijn klasgenoten.

1 2 3 4

3

Hoofdstuk 1

Heb je de woorden omdat en want op de goede manier gebruikt? Heb je goede argumenten en voldoende tips gegeven? Heb je alinea's gebruikt? Zijn de zinnen goed en zonder spelfouten geschreven?

Vul in of je wel of niet tevreden bent en waarom. 3

Meerdere antwoorden mogelijk.

Waar gaat je betoog over? Kijk naar opdracht 2. Maak nu je keuze. Bedenk twee argumenten om anderen te overtuigen van je mening. Leg uit waarom je het wilt veranderen. Gebruik de woorden omdat of want.

1

1

1 Ik wil dat graag,

Hier schrijf je argumenten waarom je het wilt.

7 2 Ik wil dat graag,

2

Maak een tekening bij je betoog. Teken de situatie zoals die wordt als jouw tips worden uitgevoerd.

3

Ter beoordeling van de leerkracht.

4 5

4

Bedenk argumenten voor en tegen. Gebruik de woorden omdat of want. Ik vind het een goed idee, 1

Hier schrijf je hoe je dingen wilt veranderen.

Meerdere antwoorden mogelijk.

2

Ik vind het een slecht idee, 1

2

2

3

3

1 Joris en Marco 2 In / 3 Een masseur / 4 Tot slot / 5 Een tijdje /

3

34

Hier schrijf je waar het je om te doen is.

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 34

in | werkte |

35

24/03/2022 09:11

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 35

24/03/2022 09:11

36

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 36

24/03/2022 09:11

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 37

LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 34 – 35 – 36

20

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 20

20/04/2022 13:00


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Opdracht 2 en 3

• Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Weten de leerlingen nog welke voegwoorden belangrijk zijn als je iemand wilt overtuigen, je mening wilt geven? (omdat en want) • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen.

Leerwerkschrift Maat Geef deze leerlingen extra begeleiding bij het brainstormen over onderwerpen voor het betoog. Help hen bij het bepalen van hun definitieve keuze.

Instructie

Hoofdstuk 1

Les 10

• Laat de leerlingen de nieuwe toelichtingen lezen en vraag naar de verschillen met die uit les 8. •TaalVertel verkennen de leerlingen dat ze stap voor stap in deze les hun eigen betoog gaan schrijven. Laat ze alvast een onderwerp bedenken en argumenten formuleren in een zin met omdat en want. • Doe de oefening(en) op het digibord. • Bekijk samen de opdrachten, lees ze voor en licht ze zo nodig toe. Dit kan ik nog • Ik herhaal zinsdelen in een zin herkennen uit blok 5 (groep 6). • Ik herhaal het verdelen van een zin in zinsdelen uit blok 5 (groep 6).

Dit kan ik nu • Ik herhaal het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

Verwerking

Hoeveel zinsdelen heeft de zin?

2

3

4

5

6

Opdracht 1 De leerlingen bekijken het model en lezen de toelichtingen.

1 Mijn opa gaf mijn jarige zusje een cadeau.

◯

◯

◯

◯

◯

2 Wij gaan naar de bioscoop.

◯

◯

◯

◯

◯

3 Juf Senna maakt nooit grapjes in de klas.

◯

◯

◯

◯

◯

4 Gaan jullie met het schoolreisje naar een pretpark?

◯

◯

◯

◯

◯

5 Ik oefen vaak met mijn nieuwe camera.

◯

◯

◯

◯

◯

Opdracht 2 De leerlingen bedenken mogelijke onderwerpen en lezers voor hun betoog. Maat Vergelijkbaar met Basis; voorbeeld is gegeven.

2

Waar staat het streepje fout? De zinnen zijn verdeeld in zinsdelen. Onderstreep het streepje dat fout staat.

Opdracht 3 De leerlingen bepalen hun definitieve onderwerp en bedenken argumenten door de zin aan te vullen. Maat Vergelijkbaar met Basis, met voorgedrukte structurering.

1 Joris en Marco / gaan / naar / een Romeins / badhuis. 2 In / de zweetruimte / hangt / een dichte mist.

3 Een masseur / masseert / de vader / van Marco.

4 Tot slot / duiken / Joris en / Marco / in een koudwaterbad.

Opdracht 4 De leerlingen bedenken voor- en tegenargumenten.

5 Een tijdje / later / lopen / zij / fris en schoon / naar buiten.

3

Opdracht 5 De leerlingen bedenken of ze bij hun mening blijven en schrijven daarna hun betoog.

Wat kan een zinsdeel zijn? Onderstreep de goede woorden.

in | werkte | gisteren | de | de school | oma | de spreekbeurt

39

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 39

Opdracht 6 De leerlingen controleren kritisch hun betoog door antwoord te geven op de vragen en brengen eventueel verbeteringen aan. Maat Vergelijkbaar met Basis; de leerlingen vullen in of ze tevreden zijn of niet en waarom. 23/03/2022 11:12

Hoofdstuk 1

Les 10 Dit kan ik nog 1

2

NT2 Leg uit dat argumenten tegen, geen argumenten ter verdediging zijn, maar juist om aan te geven waarom je iets niet goed vindt of waarom je het niet wilt.

Opdracht 5 en 6

Dit kan ik nog 1

Opdracht 4

Taal verkennen

Leerwerkschrift Maat Ondersteun deze leerlingen door ze voorbeeldzinnen aan te reiken.

Transfer Signaalwoorden voor een argument Vraag aan de leerlingen of ze de tip nog weten van les 8. Laat de tip uitleggen door de groep. Vraag waarom deze kennis handig is. (Bij lezen: je weet dat er een argument komt; bij schrijven: je weet welke voegwoorden je voor een argument moet gebruiken.) Spoor de leerlingen aan er bij de zaakvakken eens extra op te letten.

Compactroute Opdracht 1 tot en met 5.

Opdracht 7 De leerlingen tekenen de oude situatie en de nieuwe situatie met verwerking van hun tips. Maat Vergelijkbaar met Basis; de leerlingen tekenen alleen de nieuwe situatie. Dit kan ik nog • Ik herhaal zinsdelen in een zin herkennen uit blok 5 (groep 6). • Ik herhaal het verdelen van een zin in zinsdelen uit blok 5 (groep 6).

Dit kan ik nu • Ik herhaal het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

Reflectie • Laat enkele leerlingen hun betoog voorlezen aan de klas. Bespreek de opdrachten aan de hand van het digibord. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.

Hoeveel zinsdelen heeft de zin?

2

3

4

5

6

1 Mijn opa gaf mijn jarige zusje een cadeau.

◯

◯

◯

◯

◯

2 Wij gaan naar de bioscoop.

◯

◯

◯

◯

◯

3 Juf Senna maakt nooit grapjes in de klas.

◯

◯

◯

◯

◯

4 Gaan jullie met het schoolreisje naar een pretpark?

◯

◯

◯

◯

◯

5 Ik oefen vaak met mijn nieuwe camera.

◯

◯

◯

◯

◯

Waar staat het streepje fout? De zinnen zijn verdeeld in zinsdelen. Onderstreep het streepje dat fout staat. 1 Joris en Marco / gaan / naar / een Romeins / badhuis. 2 In / de zweetruimte / hangt / een dichte mist. 3 Een masseur / masseert / de vader / van Marco. 4 Tot slot / duiken / Joris en / Marco / in een koudwaterbad. 5 Een tijdje / later / lopen / zij / fris en schoon / naar buiten.

3

Wat kan een zinsdeel zijn? Onderstreep de goede woorden. in | werkte | gisteren | de | de school | oma | de spreekbeurt

37

TV_Taal_MAAT_G7_Blok1.indb 37

24/03/2022 09:11

21

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 21

20/04/2022 13:01


H1 Les 10

Taal verkennen

Lesdoelen

Lesvoorbereiding

Materiaal

Dit kan ik nog • De leerling herhaalt het herkennen van zinsdelen in een zin uit blok 5 van groep 6. • De leerling herhaalt het verdelen van een zin in zinsdelen uit blok 5 groep 6. Dit kan ik nu • De leerling herhaalt het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

• Print voor iedere leerling het scoreblad Taal verkennen of gebruik het groeischrift.

• • • •

digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat groeischrift of scoreblad Taal verkennen

Ontwerpend en onderzoekend leren Werk je met de projectmap, dan kun je deze les vervangen door stap 2 van project 1.

Hoofdstuk 1

Les 10

Dit kan ik nu

Taal verkennen Dit kan ik nog • Ik herhaal zinsdelen in een zin herkennen uit blok 5 (groep 6). • Ik herhaal het verdelen van een zin in zinsdelen uit blok 5 (groep 6).

Dit kan ik nu • Ik herhaal het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en telwoorden.

1

1 Hun glazen

3 De drie rieten

1

Hoeveel zinsdelen heeft de zin?

2

3

4

5

6

1 Mijn opa gaf mijn jarige zusje een cadeau.

◯

◯

◯

◯

◯

2 Wij gaan naar de bioscoop.

◯

◯

◯

◯

◯

3 Juf Senna maakt nooit grapjes in de klas.

◯

◯

◯

◯

◯

4 Gaan jullie met het schoolreisje naar een pretpark?

◯

◯

◯

◯

◯

5 Ik oefen vaak met mijn nieuwe camera.

◯

◯

◯

◯

◯

2

⃝↑ Ik moet het nog oefenen. ⃝✓ Ik kan het!

Bijvoorbeeld daken of manden. Bijvoorbeeld eitjes, pannenkoeken of hamburgers.

Bijvoorbeeld T-shirt, pyjama of broek.

Spreken en luisteren

Zoek de woordsoorten. Doe het zo: 1 2 3 4

Kleur het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord rood. Onderstreep het bijvoeglijk naamwoord dat van een werkwoord is gemaakt. Kleur het telwoord blauw. Omcirkel het lidwoord.

• Ik kan een fragment uit een boek boeiend voorlezen.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan luisteren naar hoe een verhaal wordt voorgelezen en vertellen wat ik hiervan vind.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan verschillende manieren van voorlezen met elkaar vergelijken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan het lees- en schrijfdoel bij een sprookje benoemen.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik weet dat ik tijdens het lezen mijn voorspellingen over een tekst soms moet aanpassen.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik weet hoe ik kritisch kan lezen.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik weet hoe ik kan zien of informatie in een tekst betrouwbaar is.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan teksten met elkaar vergelijken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik weet wat het gezegde is.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan het gezegde in een zin herkennen en gebruiken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan zinsdelen in een zin benoemen.

?⃝

⃝↑

⃝✓

?⃝

⃝↑

⃝✓

Woordenschat • Ik ken de betekenis van 45 nieuwe woorden.

De acht gebakken eitjes liggen op onze glazen borden.

Lezen 3

2

Doelenkaart

Bijvoorbeeld brief, boek of gedicht.

4 De acht gebakken 5 Mijn katoenen

Hoe gaat het? ?⃝ Ik moet het nog leren.

Bijvoorbeeld vaas, bol of kas.

2 Een geschreven

Dit kan ik nog

Hoofdstuk 2

Welk zelfstandig naamwoord past in de zin? Vul de zinnen aan met een zelfstandig naamwoord.

Welk voegwoord past in de zin? 1 Vul het goede voegwoord in. 2 Onderstreep in elke zin het voorzetsel. Let op: Je houdt twee antwoorden over.

Waar staat het streepje fout? De zinnen zijn verdeeld in zinsdelen. Onderstreep het streepje dat fout staat.

Kies uit: maar | nadat | of | dus | terwijl | want | omdat

1 Joris en Marco / gaan / naar / een Romeins / badhuis.

a Darren zit achter de computer,

terwijl

2 In / de zweetruimte / hangt / een dichte mist.

b Ligt die map nu op zolder,

3 Een masseur / masseert / de vader / van Marco.

c Meester Henk loopt naast zijn fiets,

4 Tot slot / duiken / Joris en / Marco / in een koudwaterbad.

d

5 Een tijdje / later / lopen / zij / fris en schoon / naar buiten.

e Zij poetst de lamp boven de tafel,

nadat

of

Karel een vriend opbelt.

Taal verkennen

in de woonkamer?

want

zijn band is lek.

iedereen een bal voor zijn voet had gelegd, blies de trainer op zijn fluitje.

omdat

hij vuil is.

Schrijven 3

• Ik kan een recensie schrijven.

Wat kan een zinsdeel zijn? Onderstreep de goede woorden. in | werkte | gisteren | de | de school | oma | de spreekbeurt

39

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 39

23/03/2022 11:12

40

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 40

23/03/2022 11:12

TV_Taal_BASIS_G7_Blok1.indb 41

23/03/2022 11:12

LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 39 – 40 / blz. 37 – 38

22

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 22

20/04/2022 13:01


Lesinhoud

Extra instructie / differentiatie

Introductie

Taal verkennen Pitstop

• Bespreek met de leerlingen dat in groep 6 van blok 5 het herkennen van zinsdelen en het verdelen van een zin in zinsdelen aan de orde zijn geweest. • Bespreek kort de woordsoorten die de leerlingen deze week hebben herhaald. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.

Dyslexie Geef dyslectische leerlingen meer tijd. Eventueel kunnen ze de test in een aparte ruimte maken.

Instructie

Compactroute Alle opdrachten.

• De leerlingen maken zelfstandig de zelftest Taal verkennen. Bespreek de opdrachten kort, maar ga niet op de inhoud in.

Verwerking Dit kan ik nog Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen geven aan uit hoeveel zinsdelen de zin bestaat. Opdracht 2 De leerlingen onderstrepen de verkeerd geplaatste streepjes. Opdracht 3 De leerlingen onderstrepen alleen de mogelijke zinsdelen.

Dit kan ik nu Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen bedenken een zelfstandig naamwoord achter een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en schrijven dit op. Opdracht 2 De leerlingen zoeken in de gegeven zin vier verschillende woordsoorten. Opdracht 3 De leerlingen onderstrepen het voorzetsel en vullen een voegwoord in.

Reflectie • Bespreek de opdrachten met behulp van het digibord. Laat de leerlingen de resultaten invullen in het groeischrift of op het scoreblad Taal verkennen. Laat ze de grafiek bijwerken, zodat ze hun vorderingen kunnen zien.

23

TMH PIT BLOK7.1 DEF.indd 23

20/04/2022 13:01


TMH PIT BLOK8.1 DEF.indd 54

20/04/2022 13:36


Taal

Groep 7

Blok

Groep 7  Blok 1 Handleiding

1

Handleiding 9 789006 600100

Covers Taal_Handleiding_groep 7 blok 1.indd All Pages

21/04/2022 08:54


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Pit taal - groep 7 - handleiding - blok 1 by ThiemeMeulenhoff - Issuu