Taal
Groep 5
Blok
Groep 5 Blok 1 Handleiding
1
Handleiding 9 789006 663075
Covers Taal_Handleiding_groep 5 blok 1.indd All Pages
20/04/2022 12:49
Taal
Handleiding • Groep 5 • Blok 1
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 1
20/04/2022 12:47
Pictoʼs Deze opdracht doe je als je tijd hebt. Deze opdracht doe je alleen. Deze opdracht doe je samen. Deze opdracht doe je in een groepje. Dit is een bewegingsopdracht. Deze opdracht schrijf je op een blaadje.
2
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 2
20/04/2022 12:47
Blok 1 Differentiatie
Cheeta-opdracht De cheeta-opdracht is een extra opdracht aan het eind van elke les, in te zetten als tempodifferentiatie.
Herhalen en toepassen
Extra oefeningen voor Woordenschat en Taal verkennen. Leerwerkschrift
Opdracht 1 De leerlingen verbinden een zin met figuurlijk taalgebruik aan de betekenis ervan. Opdracht 2 De leerlingen schrijven het goede woord bij de omschrijving in de puzzel. Opdracht 3 De leerlingen lezen in tweetallen het briefje met een probleem. Ze schrijven de werkwoorden op en schrijven samen een brief met daarin vijf tips. Opdracht 4 De leerlingen lossen twee rebussen op. Opdracht 5 De leerlingen maken zelf vijf rebussen van de doelwoorden uit blok 1. Een klasgenoot lost de rebussen op.
Leerwerkschrift Maat
Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 woorden.
De leerlingen verbinden een zin met figuurlijk taalgebruik aan de betekenis ervan. De leerlingen schrijven vijf woorden in een woordrups op. De leerlingen bekijken de afbeelding en schrijven vijf zinnen op die erbij passen. De leerlingen maken, in groepjes, van diverse gegeven letters zo veel mogelijk nieuwe
Pluswerk Woordenschat
De leerlingen oefenen met de doelwoorden in een puzzel, een woordtrap en een woordspin, en door te rijmen met de woorden.
Taal verkennen
De leerlingen oefenen met zelfstandige naamwoorden, verkleinwoorden en lidwoorden. Welk zelfstandig naamwoord is een ander woord voor een persoon?
Woordenschat
De leerlingen oefenen met de doelwoorden in zinnen en in een puzzel. Ze geven een omschrijving van een persoon en ze maken de legenda bij een plattegrond.
Taal verkennen
De leerlingen oefenen met telwoorden en werkwoorden. Ze maken zinnen met woorden die zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord kunnen zijn.
Mijn pakket Voor Woordenschat en Taal verkennen kunnen leerlingen extra oefenen. De leerling oefent op eigen niveau, afhankelijk van de resultaten. Zie de handleiding Leerlingsoftware in de cockpit onder ‘jaaroverzicht’.
Spitswerk Dit werkschrift is bedoeld voor de meerbegaafde leerling en benadert taal vanuit een ander perspectief. De uitdagende taken doen een beroep op hogere cognitieve vaardigheden van de leerling.
3
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 3
20/04/2022 12:47
H1 Les 1
Spreken en luisteren
Woordenschat
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Spreken en luisteren • De leerling leert een monoloog houden in een kleine groep. • De leerling leert duidelijk verwoorden wat hij bedoelt. Woordenschat • De leerling leert de betekenis van 20 nieuwe woorden.
• Zet les 1 klaar op het digibord. • Bereid het semantiseren van de doelwoorden voor. • Combinatiegroep: print de instap-les bij deze les. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.
• • • •
Kijkwoorden
Leeswoorden
Weetwoorden
• • • • •
• • • • •
• • • • •
het aanplakbiljet de eikenboom het plantsoen scoren de teckel
Hoofdstuk 1
Les 1
Spreken en luisteren • Ik leer een monoloog houden in een kleine groep. • Ik leer duidelijk verwoorden wat ik bedoel.
het evenwicht verliezen geïrriteerd een kreet slaken overdrijven verkennen
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat combinatiegroep: printblad Instap-les
de bushalte het fietspad grinniken het huizenblok je dood vervelen
• • • • •
Voetballen!
Woordenschat • Ik leer de betekenis van 20 nieuwe woorden.
2
het litteken onbekend stuiteren wagenwijd open werpen
Hoofdstuk 1
Maak de vragen. 1 Paul is verhuisd. Denk je dat Paul nu in een leukere buurt woont? Waarom denk je dat?
Meerdere antwoorden mogelijk.
2 Ben jij zelf weleens verhuisd? Hoe vond je dat?
Kijkwoorden
Leeswoorden
3
Luister en kijk naar het verhaal.
het aanplakbiljet
het evenwicht verliezen: omvallen als je dat niet wilt Doordat de hond aan de riem trekt, verliest de mevrouw bijna haar evenwicht. geïrriteerd: een beetje boos zijn door iets Mama zegt geïrriteerd: ‘Jongen, daar heb ik nu écht geen tijd voor!’
4
Zou jij wel of niet willen verhuizen? Vertel het in een monoloog.
1
Meerdere antwoorden mogelijk.
2
de eikenboom
het plantsoen
1
Doe het zo:
een kreet slaken: een schreeuw geven Mama slaakt een kreet: ‘Ah!’
1 Maak eerst afspraken: • Een van jullie is de spreker. De rest is luisteraar.
overdrijven: iets groter, mooier of erger maken dan het is ‘Opschepper! Jij bent altijd aan het overdrijven.’ verkennen: overal rondkijken om te ontdekken hoe het ergens is Paul is net verhuisd. Hij gaat de buurt verkennen.
4 5
3
3 Voor de luisteraar: • Na afloop mag je aangeven wat je van de monoloog vindt. • Je mag daarbij vragen stellen aan de spreker.
5
de bushalte het fietspad grinniken het huizenblok je dood vervelen
3
2 Voor de spreker: • Wat wil je precies vertellen? • Welke woorden kies je om goed te vertellen wat je bedoelt? • Spreek duidelijk en kijk de anderen aan.
Weetwoorden scoren
2
Spreektip Bedenk wat je wilt vertellen. Blijf bij je onderwerp. Heb je verteld wat je wilde vertellen?
1
2
In wat voor huis zou jij wel willen wonen? Vul ook in hoe je kamer eruitziet.
3
Meerdere antwoorden mogelijk.
het litteken onbekend stuiteren wagenwijd open werpen
4 5 6
1
Bekijk de tekening.
de teckel
6
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 6
7
12/01/2022 11:56
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 7
12/01/2022 11:56
8
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 8
12/01/2022 11:56
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 9
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 6 – 7 – 8
4
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 4
20/04/2022 12:48
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Preteaching
• Ga naar het digibord en bespreek met de leerlingen of ze nog weten waar het verhaal in groep 4 over ging. Weten ze nog wie de hoofdpersonen waren? Vonden ze het spannend, leuk, grappig? Vertel dat het verhaal dit jaar verdergaat. Elk hoofdstuk is weer een stukje van een groot verhaal. • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen. Leg uit hoe de leerdoelen in de les naar voren komen.
Laat de Maat-leerlingen de doelwoorden van deze les bekijken en lezen. Laat ze elk moeilijk woord opschrijven bij Mijn pittige woorden. Bekijk de aanwijzingen hierna voor een uitgebreide uitleg.
Mijn pittige woorden
Instructie • Semantiseer een aantal kijk- en leeswoorden. Je kunt de leeswoorden bijvoorbeeld uitbeelden (het evenwicht verliezen: loop over een denkbeeldig koord en val om). • Laat de leerlingen de rijtjes weetwoorden doorlezen en bespreek de voor hen moeilijke woorden. • Oefen de woorden plantsoen en verkennen door samen met de leerlingen een woordtrap en een woordspin in te vullen. Gebruik hiervoor de schema’s op het digibord. Voorbeeld: - woordtrap: het plantsoen → tuin – plantsoen – park – bos – oerwoud - woordspin: verkennen → de buurt – de stad – de padvinder – ontdekken Opdracht 1 Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding. Opdracht 2 Bespreek opdracht 2. De leerlingen proberen zich in te leven in de Spreken en luisteren Woordenschat nieuwe situatie waarin Paul zich bevindt. Opdracht 3 Start op het digibord de verhaalanimatie Voetballen!. Stel na afloop controlevragen over het verhaal: Waarom loopt Paul met zijn voetbal op straat? Wie ontmoet Paul op straat?
Hoofdstuk 1
Les 2 1
Luister naar het verhaal.
2
Bij wie hoort de zin? Kies het goede antwoord.
• Ik leer luisteren naar een verhaal. • Ik leer de hoofdgedachte uit een verhaal halen en een verhaal samenvatten.
• Ik oefen de betekenis van de 20 woorden uit les 1.
Verwerking Paul
3
Jamal
Nina
Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 4 • Vorm groepjes van drie of vier leerlingen. De leerlingen houden om de beurt een monoloog. • Leg het begrip monoloog uit. Een monoloog is geen gesprek; er is één spreker en de rest is luisteraar. is aan het voetballen/uit het raam aan het staren/verveelt zich • Bespreek de punten die genoemd worden en de spreektips. verkennen/ Hij gaat de buurt bekijken • Benadruk het spreekdoel, het woordgebruik en de samenhang in de monoloog Jamal en Nina/ Buiten ontmoet hij een jongen en een meisje van de spreker. tegen een boom schoppen vliegt door een raam naar binnen Opdracht 5 De leerlingen beschrijven hun ideale huis. 1 Ik zie de teckel bij het huizenblok.
▢
▢
▢
2 Ik heb een litteken op mijn hand.
▢
▢
▢
3 Ik lees het aanplakbiljet bij de bushalte.
▢
▢
▢
4 Ik vind Jamal een opschepper.
▢
▢
▢
5 Ik schiet de bal door het raam dat wagenwijd openstaat.
▢
▢
▢
Achter in elk leerwerkschrift kunnen de leerlingen bij Mijn pittige woorden gedurende het gehele blok moeilijke woorden verzamelen die ze in de taallessen tegenkomen. De leerlingen kunnen de moeilijke woorden op elk moment terugzoeken en aanvullen. Als de leerlingen bij een nieuw blok een nieuw leerwerkschrift krijgen, schrijven ze de woorden die ze nog lastig vinden daarin over.
Opdracht 5 NT2 Wanneer je veel NT2-leerlingen in de klas hebt, kun je voor hen opdracht 5 aanpassen door hen te laten praten over het land van herkomst: hoe de familie daar woont, hoe het huis en de kamers eruitzien en hoe het is om daar te wonen.
Compactroute Woorden en definities lezen, opdracht 2.
Wat gebeurt er in het verhaal? Maak de zinnen af.
1 Paul is net verhuisd. Hij zit op zijn kamer en
.
2 Hij gaat de buurt
.
3 Buiten ontmoet hij
.
4 Jamal wil de voetbal
.
5 De bal suist door de lucht en
.
6 Jamal trekt Paul en Nina
achter een auto
.
Reflectie
Combinatiegroep Instap-les combinatiegroep Als je lesgeeft aan een combinatiegroep, geef een van de twee groepen dan het printblad van de instap-les.
9
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 9
• Laat een leerling zijn monoloog kort herhalen. Vraag de andere leerlingen of zij het verhaal goed konden begrijpen. Was het een goede monoloog? 12/01/2022 11:56
5
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 5
20/04/2022 12:48
H1 Les 2
Spreken en luisteren
Woordenschat
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Spreken en luisteren • De leerling leert luisteren naar een verhaal. • De leerling leert de hoofdgedachte uit een verhaal halen en een verhaal samenvatten. Woordenschat • De leerling oefent de betekenis van de 20 woorden uit les 1.
• Zet les 2 klaar op het digibord. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Hoofdstuk 1
Spreken en luisteren
Les 2
Woordenschat
• Ik leer luisteren naar een verhaal. • Ik leer de hoofdgedachte uit een verhaal halen en een verhaal samenvatten.
4
7
Meerdere antwoorden mogelijk.
• Ik oefen de betekenis van de 20 woorden uit les 1.
Welk woord past in de zin? Kies uit: me dood vervelen | geïrriteerd | onbekend | kreet | litteken | overdrijven | stuiteren | grinniken | verkennen | verlies je evenwicht 1 Ik schrik en slaak een
kreet
: ‘Wahhhh!’
2 Ik geloof nooit dat je zo sterk bent! Niet zo
1
2
Heb je verteld wat je wilde vertellen?
3
Bij wie hoort de zin? Kies het goede antwoord. Paul
Jamal
Nina
1 Ik zie de teckel bij het huizenblok.
▢
▢
▢
2 Ik heb een litteken op mijn hand.
▢
▢
▢
3 Ik lees het aanplakbiljet bij de bushalte.
▢
▢
▢
4 Ik vind Jamal een opschepper.
▢
▢
▢
5 Ik schiet de bal door het raam dat wagenwijd openstaat.
▢
▢
▢
6 Ik ben vorig jaar op mijn knie gevallen. Nu heb ik een
4 Jamal wil de voetbal
6 Jamal trekt Paul en Nina
.
verlies je evenwicht
.
niet!
stuiteren
10 We voetbalden op het fietspad. De agent keek erg
.
geïrriteerd
.
Maak nieuwe zinnen. Kies vier woorden uit opdracht 7 en bedenk vier nieuwe zinnen.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Kijk naar de plaatjes. Bedenk een zin met de twee woorden die erbij staan.
het plantsoen, de eikenboom
Meerdere antwoorden mogelijk.
.
tegen een boom schoppen
5 De bal suist door de lucht en
litteken
onbekend
Meerdere antwoorden mogelijk.
.
Jamal en Nina/ Buiten ontmoet hij een jongen en een meisje
.
9 Bij tennis mag de bal maar één keer
is aan het voetballen/uit het raam aan het
verkennen/ Hij gaat de buurt bekijken
grinniken
Wat vind je van het verhaal? Waarom vind je dat?
.
3 Buiten ontmoet hij
.
vliegt door een raam naar binnen
.
achter een auto
werpt, scoort
.
9
12/01/2022 11:56
5 Zachtjes lachen, noem je
8
.
.
Meerdere antwoorden mogelijk.
8 Loop over de balk en 5
6
1 Paul is net verhuisd. Hij zit op zijn kamer en
me dood vervelen
Hoe zou het verhaal verder kunnen gaan? Maak de strip af.
7 Ik weet niet waar dat is. Dit adres is mij
Wat gebeurt er in het verhaal? Maak de zinnen af.
staren/verveelt zich
4 Er is hier niets te doen. Ik zal
!
verkennen
3 Op de eerste dag van de vakantie ging ik het dorp
Luister naar het verhaal.
2 Hij gaat de buurt
overdrijven
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 9
12/01/2022 11:56
10
11
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 10
12/01/2022 11:56
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 11
12/01/2022 11:56
LEERWERKSCHRIFT blz. 9 – 10 – 11
Hoofdstuk 1x
Les 2 x
Spreken en luisteren • Ik leer luisteren naar een verhaal. • Ik leer de hoofdgedachte uit een verhaal halen en een verhaal samenvatten.
Woordenschat
4
• Ik oefen de betekenis van de 20 woorden uit les 1.
Hoe zou het verhaal verder kunnen gaan? Wat zegt de mevrouw? Maak de strip af.
7
Maak de zinnen af. Kies uit: verveel me dood | verkennen | kreet | grinniken | overdrijven 1 Ik slaak een
Kies uit: Geef mijn bal terug! | Ga ergens anders voetballen! | Ik ga snel weg!
kreet
: ‘Wahhhh!’
2 Je maakt het veel erger dan het is. Niet zo
overdrijven
hoor!
3 Ik was er voor het eerst en wilde weten wat er te doen was. 1
Dus ging ik het dorp
Luister naar het verhaal.
verkennen
4 Er is hier niets te doen. Ik 2
Heb je verteld wat je wilde vertellen?
3
waar
niet waar
1 Paul ziet de teckel bij het huizenblok.
◯
◯
2 Jamal heeft een litteken op zijn wang.
◯
◯
3 Paul leent de voetbal van Jamal.
◯
◯
Wat vind je van het verhaal? Waarom vind je dat?
4 Het raam staat wagenwijd open.
◯
◯
Meerdere antwoorden mogelijk.
5 Jamal schiet de bal per ongeluk door het raam.
◯
Meerdere antwoorden mogelijk.
5
1 Paul is net verhuisd. Hij speelt op zijn kamer met zijn
lego | voetbal.
8
•
•
•
•
•
•
knikkeren | voetballen naast het fietspad. door een raam | op een dak.
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 9
.
evenwicht
. . niet!
stuiteren
.
geïrriteerd
!
Maak met vier woorden een nieuwe zin. 1 Kies vier woorden uit opdracht 7. 2 Maak met deze woorden nieuwe zinnen.
In het plantsoen staat een eikenboom.
Meerdere antwoorden mogelijk.
9
12/01/2022 16:36
onbekend
9 Bij tennis mag de bal maar één keer
lezen het aanplakbiljet bij de bushalte.
de buurt verkennen | een boodschap gaan doen.
6 De bal suist door de lucht en verdwijnt
litteken
7 Ik weet niet waar dat is. Dit adres is mij 8 Loop over de balk en verlies je
Welk plaatje past bij de zin? Teken een lijn.
2 Hij speelt een leuk spel | verveelt zich.
5 Ze willen gaan
6 Ik ben vorig jaar gevallen. Nu heb ik een
10 Heb je een slecht humeur? Je bent zo snel
6
grinniken
Kies uit: stuiteren | onbekend | geïrriteerd | evenwicht | litteken
◯
Welk woord past in de zin? Kies het goede antwoord.
4 Paul wil
.
5 Nina maakt een grapje en daar moest Paul om
Waar of niet waar? Kies het goede antwoord.
3 Devi en Emre | Jamal en Nina
.
verveel me dood
12/01/2022 16:36
Als het raam wagenwijd openstaat, kan de bal het huis in stuiteren.
Robin scoort als hij de bal in het netje werpt.
10
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 10
11
12/01/2022 16:36
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 11
12/01/2022 16:37
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 9 – 10 – 11
6
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 6
20/04/2022 12:48
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Preteaching
• Vraag wat de leerlingen nog weten over het verhaal uit les 1. Welke woorden weten ze nog? Waar ging het verhaal over? • Ga naar het digibord en bespreek de leerdoelen met de leerlingen.
Laat de leerlingen de doelwoorden van les 1 nog een keer bekijken, lezen en eventueel bij Mijn pittige woorden opschrijven. Laat het verhaal uit les 1 individueel op de computer beluisteren en bekijken.
Instructie • Geef aan waar de leerlingen op moeten letten bij het luisteren naar het verhaal. Besteed aandacht aan de aspecten begrijpen, evalueren en samenvatten. Begrijpen: wat is het belangrijkste wat over het onderwerp wordt verteld (hoofdgedachte)? Evalueren: wat vonden de leerlingen van de luistertekst en kunnen ze dit uitleggen? Samenvatten: kunnen de leerlingen het verhaal in het kort navertellen? • Laat de verhaalanimatie nog een keer op het digibord horen.
Instructie
Verwerking
NT2 Besteed speciaal aandacht aan figuurlijk taalgebruik: het evenwicht verliezen, een kreet slaken, je dood vervelen. Beeld deze doelwoorden nog eens op een andere manier uit of laat de leerlingen ze uitbeelden in een toneelstukje.
Laat vooraf de luisteropdrachten lezen. Opdracht 1 De leerlingen luisteren naar het verhaal.
Opdracht 2 tot en met 8
Opdracht 2 De leerlingen geven aan bij wie de gegeven zin past. Maat De leerlingen geven aan welke zin waar of niet waar is. Opdracht 3 De leerlingen maken de zinnen af in een voorgestructureerde samenvatting. Ze geven zo de hoofdlijnen van het verhaal weer. Maat De leerlingen onderstrepen het juiste woord in een zin. Ze geven zo de hoofdlijnen van het verhaal weer. Opdracht 4 De leerlingen kiezen een logisch vervolg op het verhaal op grond van de cliffhanger. Maat De leerlingen kiezen uit drie mogelijkheden een logisch vervolg op het verhaal aan de hand van de cliffhanger. Opdracht 5 De leerlingen geven hun mening over het verhaal en evalueren daarmee het verhaal. Opdracht 6 De leerlingen bedenken een zin met twee doelwoorden die bij een afbeelding staan. Maat De leerlingen verbinden de goede zin met de afbeelding. In de zinnen zijn steeds twee doelwoorden verwerkt. Opdracht 7 De leerlingen schrijven de doelwoorden in de juiste context. Maat De leerlingen kiezen uit vijf doelwoorden en schrijven het goede woord in de zin. Vervolgens wordt deze oefening herhaald met vijf andere doelwoorden en zinnen. Opdracht 8 De leerlingen schrijven vier nieuwe zinnen op met de woorden uit
Dyslexie Laat een taalsterke leerling de opdrachten voorlezen, terwijl een dyslectische leerling meeleest. Laat ze daarna zelfstandig de opdrachten maken.
Opdracht 2 en 3 Leerwerkschrift Maat Laat Maat-leerlingen de opdrachten samen maken met een taalsterke leerling. Laat ze samen overleggen wat het goede antwoord is en waarom.
Opdracht 3 Taalsterk Laat de leerlingen in plaats van opdracht 3 een samenvatting van het verhaal maken.
Opdracht 7 Taalsterk Laat de leerlingen met elk gegeven woord een woordspin, woordparaplu, woordtrap of woordkast maken.
opdracht 7.
Reflectie • Bespreek met de leerlingen of ze het verhaal hebben begrepen. Wat is de hoofdgedachte van het verhaal? Wie kan het verhaal kort samenvatten? • Doe de oefening(en) op het digibord. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.
Coöperatieve werkvorm Opdracht 5 Geef de opdracht om eerst individueel het verhaal een cijfer te geven van 0 tot 10. Daarna motiveren ze hun cijfer in het groepje. Dan komt het groepje tot één gemeenschappelijk cijfer en onderbouwen deze keuze.
Compactroute Opdracht 2, 4 en 5.
7
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 7
20/04/2022 12:48
H1 Les 3
Lezen
Woordenschat
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Woordenschat • De leerling leert de betekenis van 15 nieuwe woorden. Lezen • De leerling leert een beeldverhaal herkennen. • De leerling leert voorspellen waar een verhaal over gaat. • De leerling leert een mening geven over een verhaal.
• Zet les 3 klaar op het digibord. • Bereid het semantiseren van de doelwoorden voor. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Kijkwoorden
Leeswoorden
Weetwoorden
• • • • •
• • • • •
• • • • •
afstoffen de kastanjeboom stapelen de veranda zemen
Hoofdstuk 1x
Les 3 x Kijkwoorden
afstoffen
Woordenschat • Ik leer de betekenis van 15 nieuwe woorden.
een glimp opvangen de schoonmaak uit het zicht iets uitslaan zich voorstellen
Een nieuwe buur
Lezen • Ik leer een beeldverhaal herkennen. • Ik leer voorspellen waar een verhaal over gaat. • Ik leer vertellen wat ik van een verhaal vind en waarom.
de kastanjeboom
uit het zicht: niet meer te zien Door de boom is de kar uit het zicht.
stapelen
je voorstellen: vertellen hoe je heet en wie je bent Hij stelt zich stotterend voor: ‘Ik ben meneer Duizendpoot.’
zemen
en
afstoffen
9 Wat vind je van het verhaal? Vul in wat je leuk vindt en wat je niet leuk vindt.
Meerdere antwoorden mogelijk.
.
de schoonmaak
5
Bedenk een kort verhaaltje. 1 Bedenk bij elk plaatje één zin. 2 Lees de vier zinnen. Staat er in het kort wat er in het verhaal gebeurt? Verbeter zo nodig.
zemen
afstoffen 1
3 Welke twee woorden zie je in ‘kastanjeboom’? Wat betekent kastanjeboom dus? Een kastanjeboom is een
boom
waaraan
kastanjes
groeien.
stof
kunt
4 Welke twee woorden zie je in ‘stofdoek’? Wat betekent stofdoek dus? Een stofdoek is een weghalen.
doek
Meerdere antwoorden mogelijk.
2
waarmee je
1
Bekijk de tekst en de tekeningen.
2
Maak de vragen.
Om naar zijn nieuwe buurvrouw te kijken.
1 Dit is een beeldverhaal. Waarom zou het zo heten?
6 Wat had er kunnen staan in plaats van ‘zwaait ... open’? Onderstreep het goede antwoord.
5 Waarom opent meneer Duizendpoot het raam?
Meerdere antwoorden mogelijk.
Weetwoorden de veranda
8 Welk stukje vind je spannend? Waarom vind je dat?
2 Maak de woordparaplu af. Bedenk nog twee woorden.
Je raadt het vast. Nu zijn ze getrouwd. Meneer Duizendpoot mag elke dag de schoonmaak doen. En zijn vrouw? Die mag nergens aan zitten. Daarna ... drinken ze een kopje koffie op de veranda.
iets uitslaan: hard zwaaien zodat het vuil eruit gaat Hij opent het raam en slaat zijn stofdoek uit.
Lees het beeldverhaal nog eens. Maak de vragen.
De woorden
Even later klopt hij bij zijn nieuwe buur aan. Meteen zwaait de deur open. (6) Daar staat ze dan. Met haar grote ogen. Meneer Duizendpoot stelt zich stotterend voor. Zijn buurvrouw glimlacht naar hem. ‘Kom binnen. Dan maak ik thee.’
de schoonmaak: in huis schoonmaken door te stoffen, dweilen, wassen, poetsen en stofzuigen Hij poetst alles in huis. Elke dag houdt hij een grote schoonmaak.
Lees het beeldverhaal.
1 Welke twee woorden passen het best bij de schoonmaak in dit stukje?
Meneer Duizendpoot opent het raam. Zogenaamd om zijn stofdoek uit te slaan. (4) Hij leunt naar voren en wappert ermee. Zo, nu kan hij een glimp opvangen van zijn nieuwe buur. (5) Een grote doos op hoekige poten, meer ziet hij niet. Daar moet hij meer van weten.
een glimp opvangen: er even een klein stukje van zien Hij kan alleen een glimp opvangen van zijn nieuwe buur.
3
4
Meerdere antwoorden mogelijk.
Zou dat de nieuwe buurman zijn? Meneer Duizendpoot stopt met zemen en met het stapelen van schone borden. Alleen zijn achterste poot gaat gewoon door met afstoffen. Hij is bezig met de schoonmaak. (1) (2) Nieuwsgierig staart hij door de ruit. Een kar met spullen stopt bij het huis naast hem. Maar door de kastanjeboom is hij uit het zicht. (3)
Leeswoorden
ergens aan zitten hoekig naar voren leunen openzwaaien zogenaamd
ergens aan zitten hoekig naar voren leunen openzwaaien zogenaamd
a gaat open
Tip Een onbekend woord? Zoek de betekenis op in het woordenboek.
b
valt open
3
c
waait open
7 Welk stukje vind je grappig? Waarom vind je dat?
2 Wat denk je dat er in het verhaal gebeurt? Waarom denk je dat?
4
Meerdere antwoorden mogelijk.
Meerdere antwoorden mogelijk.
zemen
13
12/01/2022 11:56
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 13
12/01/2022 11:56
14
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 14
15
12/01/2022 11:56
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 15
12/01/2022 11:56
16
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 16
12/01/2022 11:56
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 17
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 13 – 14 – 15 – 16
8
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 8
20/04/2022 12:48
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Preteaching
• Kom terug op verhuizen in les 1 van dit hoofdstuk. Wie is wel eens verhuisd? Wat moest er allemaal gebeuren? • Ga naar het digibord en bespreek de leerdoelen met de leerlingen. Leg uit hoe de leerdoelen in de les naar voren komen.
Laat de dyslectische leerlingen de tekst alvast lezen. Gebruik hiervoor het printblad met aangepast lettertype. Laat ze elk moeilijk woord bij Mijn pittige woorden schrijven.
Instructie
Opdracht 1
• Semantiseer een aantal kijkwoorden aan de hand van de afbeeldingen en een aantal leeswoorden aan de hand van de definities en de voorbeeldzinnen. Beeld ook woorden uit als: naar voren leunen en hoekig. • Laat de leerlingen de rijtjes weetwoorden doorlezen en bespreek voor hen moeilijke woorden. Controleer of ze de betekenis kennen. • Oefen de woorden de kastanjeboom en de schoonmaak door samen met de leerlingen een woordparaplu en een woordspin in te vullen. Gebruik hiervoor de schema’s op het digibord. Voorbeeld: - woordparaplu: de boom → de kastanjeboom – de eikenboom – dennenboom – beuk – berk - woordspin: de schoonmaak → zemen – afstoffen – stofzuigen – dweilen – afwassen. Opdracht 1 Bekijk samen met de leerlingen de tekst en de afbeedingen. Opdracht 2 Bespreek de kenmerken van een beeldverhaal: de afbeeldingen zijn leidend en er zit een duidelijke volgorde in. Leg uit hoe de leerlingen aan de hand van de titel en afbeeldingen al kunnen voorspellen waar het verhaal over gaat. Voorspellen doe je voordat je gaat lezen. Wijs de leerlingen op het verschil tussen voorspellen en reflecteren. • In opdracht 3 bij vraag 7 en 8 reflecteren de leerlingen op de tekst. Geef aan dat je reflecteert nadat je de tekst gelezen hebt. Opdracht 3 Lees samen met de leerlingen de tekst.
Dyslexie Geef het printblad met de leestekst Een nieuwe buur in aangepast lettertype.
Verwerking Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 4 De leerlingen lezen de tekst zelfstandig nog een keer en maken na elk (blauw) nummer de bijbehorende vragen. Benadruk dat de leerlingen bij vraag 7, 8 en 9 hun eigen mening over het verhaal moeten geven. Opdracht 5 De leerlingen schrijven bij elke afbeelding een samenvattende zin. Daarbij is het van belang dat in de vier zinnen een korte samenvatting van het verhaal ontstaat. 17
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 17
12/01/2022 11:56
Reflectie • Vraag de leerlingen wat ze van het verhaal vonden en waarom. Vraag of ze weten wat een beeldverhaal is en welke nieuwe woorden ze geleerd hebben die ze in twee woorden kunnen knippen. • Doe de oefening(en) op het digibord.
Opdracht 2 en 4 Leerwerkschrift Maat Laat de taalsterke leerlingen het verhaal samen met een Maat-leerling lezen. Laat ze samen de opdrachten maken. Besteed voor de leerlingen met een woordenschatachterstand specifiek aandacht aan de weetwoorden. Laat ze bij Mijn pittige woorden bij de voor hen moeilijke doelwoorden de betekenis tekenen of verduidelijken met een van de schema’s (woordtrap, woordparaplu, woordspin of woordkast).
Opdracht 4 NT2 Vraag aan de leerlingen of hun moedertaal ook samenstellingen kent, zoals kastanjeboom. Laat ze een voorbeeld geven.
Coöperatieve werkvorm Opdracht 4 Vorm tweetallen. Laat vraag 2 individueel maken. De andere vragen worden mondeling besproken. Leerling 1 leest de vraag voor en hij geeft ook het antwoord. Leerling 2 luistert en zegt waarom hij het ermee eens of oneens is. Dan wisselen ze van rol voor de volgende vraag.
Compactroute Woorden en definities lezen, opdracht 1 en 2.
Combinatiegroep Startopdracht combinatiegroep Laat de leerlingen met potlood zinnen maken met de weetwoorden uit deze les. Laat de weetwoorden uitgummen. De opdracht wordt vervolgd in de afsluitopdracht. Afsluitopdracht combinatiegroep De leerlingen ruilen van leerwerkschrift en maken elkaars zinnen van de startopdracht af.
9
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 9
20/04/2022 12:48
H1 Les 4
Lezen
Woordenschat
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Woordenschat • De leerling leert de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3. Lezen • De leerling leert een informatieve tekst herkennen. • De leerling leert voorspellen waar de tekst over gaat.
• Zet les 4 klaar op het digibord. • Kopieer de puzzel uit het Antwoordenboek Leerwerkschrift, opdracht 5 voor taalsterke leerlingen. • Preteaching: laat de leerlingen de doelwoorden van les 3 nog een keer bekijken.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Schooltaalwoorden bekend zijn met de chip eigenlijk instellen de kilometer
Hoofdstuk 1
Les 4
• • • • •
Woordenschat • Ik oefen de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3.
Lezen
het kompas minstens ruim scannen zo (op die manier)
3
• Ik leer een informatieve tekst herkennen. • Ik leer voorspellen waar de tekst over gaat.
1
5
niet minder dan tien x duizend meter
de kilometer
•
•
ruim een uur
•
•
7b
het alarm instellen
•
•
je zou kunnen zeggen dat het op die manier beter is
eigenlijk is het beter zo
•
•
duizend meter
•
het kompas
de chip van de kat scannen (lees: /skennen/)
4
Bekijk de titel en de afbeelding bij de tekst Help! Kat weg! Lees de tekst nog niet.
m
p
k
10
o
m
p
a
s
z
9
o
g
e
n
a
a
r
2
u
i
m
t
s
l
a
a
u
i
1
d
2
u
3
i
4
z
5
e
b
6
n
7
5
11
8
k
e
d
8
•
•
iets meer dan een uur
Welk woord hoort bij het nummer?
Maak een woordparaplu met het woord huis. Bedenk zoveel mogelijk nieuwe woorden.
Meerdere antwoorden mogelijk.
het huis
i
3
p
9
e
o
n
o
10
11
7
t
m
6
1
d
n
d
?
• 6
op die manier iets meer dan
4
l
Kijk naar de nummers in de hokjes. Vul de letters hieronder in. Hoeveel pootjes heeft een
kent hij
g
1 Ik stond niet vooraan. Maar toch kon ik een ... opvangen van de filmster. 2 De naald van het ... wijst altijd het noorden aan. Daardoor kun je de weg terugvinden. 3 Als we spelen, is Babet ... mijn moeder. 4 We zijn ... een week op vakantie geweest. We waren acht dagen in Spanje. 5 Wil jij het kleed even buiten ... ? Zo gaan de kruimels eraf. 6 Ben je ... met deze buurt? Ken je de namen van minstens tien straten?
het alarm klaarmaken voor gebruik
Welk woord hoort er niet bij? Onderstreep het goede antwoord.
Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?
1 de schoonmaak:
afstoffen | ergens aan zitten | zemen
2 de techniek:
het kompas | de chip | stapelen
3 het huis:
het fietspad | de veranda | het balkon
4 zien:
uit het zicht | je voorstellen | een glimp opvangen
Kies uit: stapelen | naar voren leunen | afstoffen | de veranda | hoekig | zemen | de kastanjeboom 1
2
Welk woord hoort in de zin? Kies uit: glimp | zogenaamd | bekend | uitslaan | ruim | kompas
Help! Kat weg! Het zal je maar gebeuren! Je bent net verhuisd. En dan is je kat weg. Jouw lieve Poeska. Twee dagen zoek je. Poeska is nergens te vinden. Maar dan wordt er opgebeld. Het zijn de mensen die nu in jullie oude huis wonen. Daar zit Poeska voor de deur! Je poes heeft minstens tien kilometer gelopen. Alleen maar om zijn oude huis terug te vinden. Maar hoe wist hij de weg? Woont een kat een tijd op dezelfde plek, dan vindt hij altijd de weg terug. Dicht bij huis is hij bekend met alle geurtjes. Verder weg gebruikt hij een soort kompas in zijn hoofd. Toch kan hij verdwalen. Daarom is het goed om de kat een chip te geven. Elke dierenarts heeft een ding om de chip te scannen (lees /skennen/). Dan weet hij waar de kat woont. Als de kat verhuist … moet hij zijn kompas eigenlijk opnieuw instellen. Houd hem daarom de eerste tijd binnen. Zo kan hij goed wennen. Na ruim twee weken mag hij naar buiten.
Wat hoort bij elkaar? Teken een lijn.
minstens tien tot ruim tweehonderd
• • • • •
4
5
7a
Waar gaat de tekst over, denk je? Kies het goede antwoord. Lees daarna de tekst.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Maak een woordparaplu met het woord techniek. Bedenk nog 3 nieuwe woorden. de techniek
◯ een kat gaat op reis ◯ het dierenasiel 3
2
◯ verschillende soorten katten ◯ wat gebeurt er met je kat als je verhuist
6
1
afstoffen
4
naar voren leunen
2
stapelen
5
de kastanjeboom
3
zemen
6
hoekig
7
de veranda
7
18
19
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 18
12/01/2022 11:56
de chip
het kompas
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 19
12/01/2022 11:57
20
21
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 20
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 21
12/01/2022 11:57
LEERWERKSCHRIFT blz. 18 – 19 – 20 – 21
Lezen
3
• Ik leer een informatieve tekst herkennen. • Ik leer voorspellen waar de tekst over gaat.
1
Bekijk de titel en de afbeelding bij de tekst Help! Kat weg! Lees de tekst nog niet.
2
Waar denk je dat de tekst over gaat? Kies het goede antwoord. Lees daarna de tekst.
5
Welk woord hoort in de zin?
7b
Kies uit: bekend | uitslaan | kompas | zogenaamd
de kilometer
Help! Kat weg! Het zal je maar gebeuren! Je bent net verhuisd ... En dan is jouw lieve kat Poeska weg. Maar dan wordt er opgebeld. Het zijn de mensen die nu in jullie oude huis wonen. Daar zit Poeska voor de deur! Je poes heeft minstens tien kilometer gelopen. Alleen maar om zijn oude huis terug te vinden. Dicht bij huis, is de kat bekend met alle geurtjes. Verder weg, gebruikt hij een soort kompas in zijn hoofd. Toch kan hij verdwalen. Daarom is het goed om de kat een chip te geven. Elke dierenarts heeft een ding om de chip te scannen (lees /skennen/). Dan weet hij waar de kat woont. Als de kat verhuist ... moet hij zijn kompas eigenlijk opnieuw instellen. Houd hem daarom de eerste tijd binnen. Zo kan hij goed wennen. Na ruim twee weken mag hij naar buiten.
Wat hoort bij elkaar? Teken een lijn.
niet minder dan tien x duizend meter kent hij
op die manier iets meer dan
4
•
•
ruim een uur
•
•
het alarm klaarmaken voor gebruik
het alarm instellen
•
•
je zou kunnen zeggen dat het op die manier beter is
eigenlijk is het beter zo
•
•
duizend meter
het kompas
•
•
de chip van de kat scannen (lees: /skennen/)
•
•
1 De naald van het ... wijst altijd het noorden aan. 2 We spelen vadertje en moedertje. Babet is ... mijn moeder. 3 Wil jij het kleed even buiten ... ? 4 Ben je ... met deze buurt? Ken jij de namen van minstens tien straten?
k
10
4
z
9
o
2
u
3
i
b
5
e
m
o
11
a
s
g
e
n
a
a
t
s
l
a
a
k
e
n
7
Kijk naar de nummers in de hokjes. Vul die letters hieronder in. Hoeveel pootjes heeft een
6
7a
Wat hoort bij elkaar? Vul het woord op de goede plek in.
d
2
u
3
i
4
z
5
e
6
n
7
d
8
m 6
1
d
n
p
9
o
o
10
11
d
t
Welk woord hoort er niet bij? Onderstreep het goede antwoord. 1 vormen:
iets meer dan een uur
1
Maak een woordparaplu met het woord huis. Bedenk er ten minste 3 woorden bij. het huis
p
8
antwoord:
Woordenschat • Ik oefen de betekenis van 10 nieuwe woorden en van de woorden uit les 3.
minstens tien tot
Les 4
ruim tweehonderd
Hoofdstuk 1
rond – hoekig – je voorstellen
2 het huis:
ergens aan zitten – veranda – balkon
3 zien:
een glimp opvangen – openzwaaien – uit het zicht
4 natuur:
kastanjeboom – eikenboom – pindakaas
Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?
Maak een woordparaplu met het woord schoonmaak. Bedenk nog 3 nieuwe woorden. de schoonmaak
◯ een kat gaat op reis ◯ wat gebeurt er met je kat als je verhuist
afstoffen zemen
afstoffen
18
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 18
stapelen
zemen
19
12/01/2022 16:37
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 19
12/01/2022 16:37
20
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 20
21
12/01/2022 16:37
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 21
12/01/2022 16:37
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 18 – 19 – 20 – 21
10
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 10
20/04/2022 12:48
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Introductie
• Wat weten de leerlingen nog over het verhaal uit les 3? Vraag welke twee dieren (insecten) in het verhaal voorkwamen (een duizendpoot en een sprinkhaan). • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.
NT2 Beeld de woorden uit les 3 uit in een toneelstukje. Licht ze toe: • een glimp opvangen (ik zie maar een klein stukje van ...); • uit het zicht (nu zie ik niets meer van ...); • iets uitslaan (wat sla ik nu uit? denkbeeldig kleed); • ergens aan zitten (waar zit ik nu aan? de computer); • naar voren leunen (leun jij eens naar voren).
Instructie • Bekijk de tekst Help! Kat, weg!. Vertel dat dit een informatieve tekst, oftewel weettekst is. Deze termen zijn bekend bij de leerlingen, in groep 4 werd het een weettekst genoemd, vanaf groep 5 worden deze teksten informatief genoemd. • Benoem de structuur: begin, midden en eind van de tekst. Vraag de leerlingen wat deze woorden betekenen. Herhaal hoe je kunt voorspellen waar een tekst over gaat (titel, kopjes, afbeeldingen). Doe de oefening op het digibord. • Wijs erop dat de betekenis van vijf doelwoorden gegeven is. Opdracht 1 Bekijk samen met de leerlingen de tekst en de afbeelding.
Verwerking Opdracht 2 De leerlingen voorspellen waar de tekst over gaat. Daarna lezen ze de tekst. Opdracht 3 De leerlingen semantiseren nieuwe schooltaalwoorden. Ze verbinden woorden met de betekenis. Opdracht 4 De leerlingen consolideren doelwoorden uit les 3 door ze bij het goede nummer uit de afbeelding op te schrijven. Maat De leerlingen consolideren drie doelwoorden uit les 3 door het juiste woord onder de afbeelding te schrijven. Opdracht 5 De leerlingen lezen de zinnen en schrijven het goede woord in de puzzel. Om de antwoorden te vinden, moeten ze de context van de zinnen begrijpen. Opdracht 6 De leerlingen onderstrepen het woord dat niet in het rijtje thuishoort. Opdracht 7 De leerlingen maken woordparaplu’s met de woorden de techniek en het huis. Maat De leerlingen maken woordparaplu’s met de woorden de schoonmaak en het huis.
Reflectie • Vraag de leerlingen of ze nu weten wat een informatieve tekst is en waar ze die aan kunnen herkennen. • Bespreek opdracht 7 met behulp van het digibord. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.
Opdracht 1 Dyslexie Geef het printblad met de leestekst Help! Kat weg! in aangepast lettertype.
Opdracht 5 Taalsterk Geef deze leerlingen de ingevulde puzzel en laat de leerling er zelf de omschrijvingen bij maken.
Coöperatieve werkvorm Opdracht 5 Leerling 1 leest de zin die bij de puzzel staat. Leerling 2 geeft het antwoord. Pas als ze het eens zijn, schrijven ze ieder het woord in hun puzzel. Dan wisselen ze van rol.
Compactroute Opdracht 1 en 4.
Bewegend leren Bied de leerlingen een bewegingsactiviteit aan. Deze activiteiten staan in de cockpit.
11
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 11
20/04/2022 12:49
H1 Les 5
Woordenschat
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Dit kan ik nog • De leerling herhaalt woorden uit blok 5 (groep 4). Dit kan ik nu • De leerling herhaalt woorden uit les 1, 3 en 4.
• Print voor iedere leerling het scoreblad Woordenschat of gebruik het groeischrift.
• • • •
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat groeischrift of scoreblad Woordenschat
Ontwerpend en onderzoekend leren Werk je met de projectmap, dan kun je deze les vervangen door stap 1 van project 1.
Hoofdstuk 1
Les 5
Woordenschat Dit kan ik nog • Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 4).
2 Dit kan ik nu • Ik herhaal woorden uit les 1, 3 en 4.
Wat betekent hetzelfde? Kijk naar de vetgedrukte woorden. Let op: je houdt twee antwoorden over.
1 Ik zal je snel een e-mail sturen.
3 Sem, je moet gauw wakker worden. Je komt bijna te laat.
Wat is het? Schrijf het goede antwoord bij de letter. Let op: je houdt twee antwoorden over.
4 In onze tuin zijn heel erg veel mieren.
d
3
Welk woord past in de zin? Let op: je houdt twee antwoorden over.
meest
de vleermuis
b
de poster
c
de zolderkamer
d
de balk
e
neerknielen
Daar heeft ze het
3
zin in.
de voetballer de zeehond de riem de kring
Wat betekent hetzelfde? Kijk naar de vetgedrukte woorden. Let op: je houdt twee antwoorden over.
1 In de supermarkt hebben ze een ding om de prijs te lezen.
scannen
2 Ik moet morgen om zeven uur op. Wil jij de wekker even zetten?
instellen
3 Nou oké. Ik blijf nog even, maar in werkelijkheid moet ik naar huis.
eigenlijk
4 Ik heb meer dan tien euro gespaard in twee weken.
ruim
5 De koning wist op die manier de stad te veroveren.
zo
het feest + de
1
2 Kies uit:
lidwoord .
teckel
2 Een groot papier waarop staat waar en wanneer iets is, is een aa 3 Een doelpunt maken bij een wedstrijd, noem je sc 4 De ramen schoonmaken, noem je de ramen z
.
.
.
de
aanplakbiljet
het
scoren
een
zemen
5 Als je van blokjes een toren maakt, dan ben je de blokjes aan het st
22
.
stapelen 23
12/01/2022 11:57
enkelvoud (ev)
Wat staat er onder de vlek? 1 Een kleine hond met een lang lijf is een t
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 22
in
Dit kan ik nu 1
Een
je evenwicht verliezen
een kreet slaken
Kies uit: eigenlijk | bekend zijn met | instellen | scannen | minstens | ruim | zo
het westen
zin in. Bij haar oma helpt ze altijd met de afwas.
minst
je voorstellen
5 een schreeuw geven
Dat is vlakbij de kust . Ze moet dan wel een poos de trein zitten. Anna houdt erg van spelen op het strand. Daar heeft ze het e
uit het zicht
een glimp opvangen
4 omvallen zonder dat je dat wilt
gluren
In de herfstvakantie logeert Anna bij haar oma. Haar oma woont in van Nederland.
b
a
3 je naam zeggen
ontwaken
Kies uit: meest | beroemd | de kust | het westen | verstaan | minst | een poos
a
c
2 heel even iets zien
het vervoersbewijs
het stikt er van de
5 Wat sta jij nieuwsgierig naar binnen te kijken!
Kies uit: het treinstel | de poster | neerknielen | de zolderkamer | de vleermuis | treffen | de balk
1 niet meer kunnen zien
spoedig
2 We gaan met de trein naar oma. We kopen eerst een kaartje.
Hoofdstuk 1
Wat hoort bij elkaar? Let op: je houdt twee antwoorden over. Kies uit: je voorstellen | iets uitslaan | uit het zicht | je evenwicht verliezen | overdrijven | een kreet slaken | een glimp opvangen
Kies uit: ontwaken | gluren | ergens terecht komen | het vervoersbewijs| spoedig | de winterslaap | het stikt er van de
Dit kan ik nog 1
2
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 23
12/01/2022 11:57
24
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 24
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 25
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 22 – 23 – 24
12
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 12
20/04/2022 12:49
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Woordenschat Pitstop
• Herinner de leerlingen aan het verhaal uit blok 5 van groep 4. Tanja, Paul, Devi en Emre gaan met de trein naar België. Daar bezoeken ze een attractiepark. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). Noem een paar doelwoorden die de leerlingen deze week geleerd hebben. Laat ze raden in welk verhaal het woord voorkwam (in les 1, 3 of 4).
Dyslexie Geef de dyslectische leerlingen meer tijd. Eventueel kunnen ze de test in een aparte ruimte maken.
Compactroute
Instructie
Alle opdrachten.
• De leerlingen maken zelfstandig de zelftest over de woorden uit blok 5 (groep 4) en uit dit hoofdstuk. Bespreek de opdrachten met de leerlingen. Ga niet in op de inhoud. Benadruk dat er bij elke opdracht (behalve bij opdracht 1 van Dit kan ik nu) twee antwoorden overblijven.
Verwerking Hoofdstuk 1
Les 6
Dit kan ik nog Taal verkennen
Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen schrijven de goede woorden op bij de afbeelding. Opdracht 2 De leerlingen schrijven het goede woord op bij de omschrijving. Opdracht 3 De leerlingen vullen het goede woord in het verhaal in. Ze maken daarbij gebruik van de context. • Ik leer zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en verkleinwoorden herkennen en gebruiken. • Ik leer enkelvoud en meervoud herkennen en gebruiken. • Ik leer samenstellingen herkennen en gebruiken.
Herhaling: zelfstandig naamwoord, lidwoord, verkleinwoord
Een zelfstandig naamwoord (z nw) is een woord voor een mens, dier of ding. Voor een zelfstandig naamwoord kun je een lidwoord (lidw) zetten: de, het, een. enkelvoud (ev) één mens, één dier, één ding de voetballer de zeehond de riem de kring
Herhaling: samenstelling
meervoud (mv) meer dan één: -en, -s
verkleinwoord -je, -tje, -pje, -etje
de voetballers de zeehonden de riemen de kringen
het voetballertje het zeehondje het riempje het kringetje
Dit kan ik nu
Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen schrijven het goede woord onder de vlek. Opdracht 2 De leerlingen schrijven het goede woord op bij de omschrijving. Opdracht 3 De leerlingen schrijven gegeven woorden op die hetzelfde betekenen als de omschrijving.
Als je twee (of meer) woorden aan elkaar plakt, krijg je een samenstelling. het feest + de jurk = de feestjurk de voet + de bal + de schoen = de voetbalschoen
1
Bekijk het uitlegblokje.
2
Vul de woorden in het goede rijtje in.
Kies uit: schilders | schriftje | een | schipper | het | schapen | scholieren | schroefje | schelp | schrijvers | de lidwoord
Reflectie zelfstandig naamwoord enkelvoud
zelfstandig naamwoord meervoud
de
schroefje
schilders
het een
•schriftje Bespreek schapen de opdrachten met behulp van het digibord. Laat de leerlingen de schipper resultatenscholieren invullen in het groeischrift of op het scoreblad Woordenschat. Laat ze schelp schrijvers de grafiek bijwerken, zodat ze hun vorderingen kunnen zien. 25
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 25
12/01/2022 11:57
13
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 13
20/04/2022 12:49
H1 Les 6
Taal verkennen
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Taal verkennen • De leerling leert zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en verkleinwoorden herkennen en gebruiken. • De leerling leert enkelvoud en meervoud herkennen en gebruiken. • De leerling leert samenstellingen herkennen en gebruiken.
• Zet les 6 klaar op het digibord. • Combinatiegroep: print het printblad Pimpam-pet een aantal keer. • Preteaching: laat de startopdracht maken.
• • • •
Hoofdstuk 1
Les 6
Taal verkennen
3
• Ik leer zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en verkleinwoorden herkennen en gebruiken. • Ik leer enkelvoud en meervoud herkennen en gebruiken. • Ik leer samenstellingen herkennen en gebruiken.
Kijk naar het plaatje. Lees wat er op de dozen staat.
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat combinatiegroep: kranten en het printblad Pim-pam-pet
6
1 Hoe noem je de onderstreepte woorden?
Kijk naar de blauwe woorden. 1 Zet de woorden in het goede rijtje. 2 Onderstreep het verkleinwoord. Het jongetje mag de paarden in de stal een wortel geven.
zelfstandige naamwoorden
lidwoord
zelfstandig naamwoord enkelvoud
zelfstandig naamwoord meervoud
Herhaling: zelfstandig naamwoord, lidwoord, verkleinwoord
◯ ja
het
jongetje
paarden
Een zelfstandig naamwoord (z nw) is een woord voor een mens, dier of ding. Voor een zelfstandig naamwoord kun je een lidwoord (lidw) zetten: de, het, een.
◯ nee
de
stal
de
wortel
2 Kun je voor elk onderstreept woord de, het of een zetten?
enkelvoud (ev) één mens, één dier, één ding
meervoud (mv) meer dan één: -en, -s
verkleinwoord -je, -tje, -pje, -etje
de voetballer de zeehond de riem de kring
de voetballers de zeehonden de riemen de kringen
het voetballertje het zeehondje het riempje het kringetje
4
1 2 3 4
Herhaling: samenstelling Als je twee (of meer) woorden aan elkaar plakt, krijg je een samenstelling. het feest + de jurk = de feestjurk de voet + de bal + de schoen = de voetbalschoen
1
een
Welke woorden zie je? Kleur het woord waar je het voor kunt zetten met rood. Kleur de woorden waar je de voor kunt zetten met blauw. Onderstreep de woorden in meervoud (waar heb je de voor gezet?). Zet een rondje om de twee samenstellingen.
poes
strips
speelgoed
reismand
spelletjes
spullen
blikjes
meisjes
hamster
7
1 Kleur de lidwoorden met rood. 2 Kleur de zelfstandige naamwoorden met blauw. a De nieuwe school van Paul is nog niet begonnen. b Paul ziet een jongen lopen.
jongens
Bekijk het uitlegblokje.
5
c Daarnaast loopt het meisje Nina. d De kinderen spelen buiten met elkaar.
Welk lidwoord hoort erbij?
e Dan klinkt er een boze stem.
1 Schrijf op welk lidwoord altijd bij meervoud hoort. 2
Bij meervoud hoort altijd het lidwoord
Vul de woorden in het goede rijtje in. Kies uit: schilders | schriftje | een | schipper | het | schapen | scholieren | schroefje | schelp | schrijvers | de zelfstandig naamwoord enkelvoud
zelfstandig naamwoord meervoud
de
schroefje
schilders
het
schriftje
schapen
een
schipper
scholieren
schelp
schrijvers
Bij verkleinwoord enkelvoud hoort altijd het lidwoord
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 25
f
.
het
8
.
Het groepje schrikt even heel erg.
Vul zoveel mogelijk zelfstandige naamwoorden in. 1 Kijk om je heen. 2 Vul zo veel mogelijk zelfstandige naamwoorden (z nw) in. 3 Schrijf voor elk zelfstandig naamwoord een lidwoord: de, het of een.
Meerdere antwoorden mogelijk.
25
12/01/2022 11:57
de
2 Schrijf op welk lidwoord altijd bij een verkleinwoord in enkelvoud hoort.
lidwoord
Kleur de woorden in elke zin.
12/01/2022 11:57
26
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 26
27
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 27
12/01/2022 11:57
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 25 – 26 – 27
14
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 14
20/04/2022 12:49
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Opdracht 1 tot en met 8
Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.
NT2 Niet alle talen hebben lidwoorden of het onderscheid tussen mannelijk/vrouwelijk en enkelvoud/meervoud. Vraag leerlingen met een andere moedertaal hoe het bij hen is. Weten ze dat? Besteed extra aandacht aan het gebruik van lidwoorden.
Instructie • Bespreek het uitlegblok in het leerwerkschrift. Bespreek het verschil tussen de, het en een. Geef aan dat bij een samenstelling het laatste woord bepaalt of het de of het wordt. • Ga naar het digibord en volg de stappen. 1 Laat zo veel mogelijk zelfstandige naamwoorden enkelvoud (ev) en meervoud (mv) noemen, ook verkleinwoorden en schrijf ze op het digibord. 2 Benoem een zelfstandig naamwoord enkelvoud uit de woorden die net opgeschreven zijn en vraag de leerlingen of ze ook de andere kunnen benoemen. Schrijf ze op. 3 Vraag wat het meervoud is van deze woorden en schrijf het op. 4 Laat van de zelfstandige naamwoorden enkelvoud de verkleinwoorden maken door -je, -tje, -etje of -pje erachter te zetten. Schrijf ze op. 5 Doe hetzelfde met het meervoud. Vraag wat opvalt aan het meervoud van verkleinwoorden. Dat eindigt altijd op een -s. 6 Bespreek welke lidwoorden erbij geschreven kunnen worden. Schrijf de goede lidwoorden op. • Bespreek de opdrachten in het leerwerkschrift. Opdracht 1 De leerlingen bestuderen het uitlegblok.
Verwerking Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 2 De leerlingen verdelen de gegeven woorden in een zelfstandig naamwoord enkelvoud, zelfstandig naamwoord meervoud en lidwoord. Opdracht 3 De leerlingen beantwoorden vragen over zelfstandig naamwoord en lidwoord. Opdracht 4 De leerlingen classificeren de gegeven woorden: ze geven aan wat hetwoorden, de-woorden, meervouden en samenstellingen zijn. Opdracht 5 De leerlingen beantwoorden vragen over lidwoorden. Opdracht 6 De leerlingen verdelen de woorden in een gegeven zin in zelfstandig naamwoord enkelvoud, zelfstandig naamwoord meervoud en lidwoord. Ze onderstrepen het verkleinwoord. Opdracht 7 De leerlingen kleuren de lidwoorden en zelfstandige naamwoorden in de zinnen. Opdracht 8 De leerlingen schrijven zo veel mogelijk zelfstandige naamwoorden inclusief bijbehorend lidwoord op van de dingen om hen heen.
Opdracht 2 en 3 Leerwerkschrift Maat Laat Maat-leerlingen deze opdrachten samen met taalsterke leerlingen maken.
Opdracht 6 Taalsterk Laat de leerlingen extra oefenen door zelfgezochte woorden in de rijtjes in het schrift erbij te zetten.
Coöperatieve werkvorm Opdracht 7 Vorm groepjes van vier. Eerst werken de leerlingen in tweetallen samen. Leerling 1 maakt de vraag en leerling 2 luistert en coacht. Dan wisselen ze van rol tot de acht vragen zijn gemaakt. Als het andere tweetal ook klaar is, checken ze elkaars antwoorden. Is het niet goed, dan coachen ze elkaar tot iedereen het eens is.
Compactroute Lezen theorie, opdracht 2 en 3.
Combinatiegroep Startopdracht combinatiegroep De leerlingen schrijven zo veel mogelijk woorden voor mensen, dieren en dingen op. Afsluitopdracht combinatiegroep
Reflectie • Doe de oefening(en) op het digibord.
Laat de leerlingen in groepjes Pimpam-pet spelen met het printblad. De spelleider leest de omschrijvingen voor en prikt (bij een zelfstandig naamwoord) blind een letter in een boek of krant.
15
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 15
20/04/2022 12:49
H1 Les 7 Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Taal verkennen • De leerling oefent het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en verkleinwoorden. • De leerling oefent het herkennen en gebruiken van enkelvoud en meervoud. • De leerling oefent het herkennen en gebruiken van samenstellingen.
• Zet les 7 klaar op het digibord.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Hoofdstuk 1
Taal verkennen
Les 7 1
Taal verkennen
3
• Ik oefen het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en verkleinwoorden. • Ik oefen het herkennen en gebruiken van enkelvoud en meervoud. • Ik oefen het herkennen en gebruiken van samenstellingen.
Vul de rijtjes in. Kijk naar de plaatjes en het voorbeeld. In elk rijtje staat een lidwoord (lidw) en een zelfstandig naamwoord (z nw). enkelvoud
1
Bedenk zelf nieuwe zelfstandige naamwoorden.
de teckel
5
meervoud
verkleinwoord meervoud
het teckeltje
de teckels
de teckeltjes
z nw voor mensen
z nw voor dieren
z nw voor dingen
vader
hondje
riem
Meerdere antwoorden mogelijk.
de boom
het boompje
de bomen
de boompjes
3
4
2
Bekijk de zelfstandige naamwoorden (z nw). Is het woord enkelvoud of meervoud? En maak met elk z nw een zin. ev
5
de schaats
het schaatsje
de schaatsen
de schaatsjes
het plantsoen
het plantsoentje
de plantsoenen
de plantsoentjes
de ring
het ringetje
de ringen
de ringetjes
de
Het lidwoord
.
2 Het zelfstandig naamwoord (z nw) prinsesje is een verkleinwoord enkelvoud (ev). Welk lidwoord (lidw) hoort altijd bij een verkleinwoord enkelvoud (ev)?
het
Het lidwoord
1 Kijk naar het voorbeeld. 2 Vul in elk rijtje nog vier zelfstandige naamwoorden (z nw) in. 2
Maak de vragen. 1 Het zelfstandig naamwoord (z nw) heksen is meervoud. Welk lidwoord (lidw) hoort altijd bij een meervoud (mv)?
verkleinwoord enkelvoud
.
3 Bedenk samenstellingen. Vul het goede lidwoord (lidw) erbij. 1
huis
2
schrift
3
deur
Meerdere antwoorden mogelijk.
Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?
mv
Meerdere antwoorden mogelijk.
1 schapen
◯
◯
2 prinsesje
◯
◯
3 frisdrank
◯
◯
Maak samenstellingen. Zet er de of het voor. Het lidwoord (lidw) hoort bij het laatste woord.
4 schilders
◯
◯
Voorbeeld: de school + het schrift = het schoolschrift
5 laarzen
◯
◯
1 het huis + de deur =
6 windscherm
◯
◯
2 de fiets + het mandje =
7 schoolschrift
◯
◯
3 de soep + het bord =
het soepbord
8 scheenbeen
◯
◯
4 het haar + de speld =
de haarspeld
9 heksen
◯
◯
10 fotograaf
◯
◯
4
de huisdeur het fietsmandje
28
29
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 28
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 29
12/01/2022 11:57
30
31
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 30
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 31
12/01/2022 11:57
LEERWERKSCHRIFT blz. 28 – 29 – 30 – 31
Hoofdstuk 1
Les 7
Taal verkennen
2
• Ik oefen het herkennen en gebruiken van zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en verkleinwoorden. • Ik oefen het herkennen en gebruiken van enkelvoud en meervoud. • Ik oefen het herkennen en gebruiken van samenstellingen.
Herhaling: zelfstandig naamwoord, lidwoord, verkleinwoord Een zelfstandig naamwoord (z nw) is een woord voor een mens, dier of ding. Voor een zelfstandig naamwoord kun je een lidwoord (lidw) zetten: de, het, een. enkelvoud (ev) één mens, één dier, één ding
meervoud (mv) meer dan één: -en, -s de voetballers de zeehonden de riemen
de voetballer de zeehond de riem
verkleinwoord -je, -tje, -pje het voetballertje het zeehondje het riempje
Herhaling: samenstelling
Is het zelfstandig naamwoord (z nw) enkelvoud (ev) of meervoud (mv)? Kies het goede antwoord ev mv 1 schapen
◯
◯
2 prinsesje
◯
◯
3 frisdrank
◯
◯
4 schilders
◯
◯
4
Voor meervoud kan altijd het lidwoord
3
Voor een verkleinwoord enkelvoud kan altijd
5 laarzen
◯
◯
6 windscherm
◯
◯
7 schoolschrift
◯
◯
8 scheenbeen
◯
◯
9 heksen
◯
◯
10 fotograaf
◯
◯
kooi
schildpad
dokter
1 2
de
.
Vul het lidwoord (lidw) de of het in. Weet je het niet? Kijk dan naar het uitlegblokje.
het
teckeltje
het
boompje
De school is nog niet open.
3
Ik hoor een teckel blaffen .
3
De honden spelen met elkaar.
4
Het stoeltje is omgevallen.
29
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 29
de
4
hondenriem
28
de
2
5
12/01/2022 16:37
Ter beoordeling van de leerkracht.
.
Voor een verkleinwoord meervoud kan altijd het lidwoord
5
6
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 28
Pak je leesboek. Zoek drie zelfstandige naamwoorden in je boek. Maak er een tekening van. Schrijf het goede lidwoord (lidw) erbij. Kan je klasgenootje raden wat het is?
3 Snoepjes is een verkleinwoord meervoud. Welk lidwoord hoort altijd bij meervoud, ook al is het een verkleinwoord?
1 Zet een rondje om het zelfstandig naamwoord. 2 Welk lidwoord (lidw) hoort erbij? Zet daar een streep onder.
hamstertje
1 2 3 4
.
het
Teken zelfstandige naamwoorden (z nw).
In elke zin staat één zelfstandig naamwoord (z nw) met de, het of een ervoor.
Kleur de zelfstandige naamwoorden (z nw). Kleur een zelfstandig naamwoord voor een mens geel. Kleur een zelfstandig naamwoord voor een dier groen. Kleur een zelfstandig naamwoord voor een ding blauw.
kind
de
2 Prinsesje is een verkleinwoord enkelvoud. Welk lidwoord kan daar altijd voor?
1
het feest + de jurk = de feestjurk de voet + de bal + de schoen = de voetbalschoen
7
1 Heksen is meervoud. Welk lidwoord kan daar altijd voor?
Als je twee (of meer) woorden aan elkaar plakt, krijg je een samenstelling.
1
Lees wat er staat. Maak de vragen. Vul de of het in.
12/01/2022 16:37
de
teckels
bomen
boompjes
Kies de woorden die samenstellingen zijn. ▢ schoolschrift
▢ soepbord
▢ huidskleur
▢ hoekig
▢ meisje
▢ haarspeld
▢ fietsmandje
▢ werpen
Ben jij al in beweging geweest? Wat heb je geoefend?
30
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 30
31
12/01/2022 16:38
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 31
12/01/2022 16:38
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 28 – 29 – 30 – 31
16
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 16
20/04/2022 12:50
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Introductie
Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Vraag de leerlingen of ze nog weten wat een zelfstandig naamwoord en wat een lidwoord is. Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.
NT2 Laat leerlingen voorbeelden geven van zelfstandige naamwoorden uit hun moedertaal. Heeft hun moedertaal ook lidwoorden?
Instructie • Doe de oefening(en) op het digibord. Laat de leerling die een goed antwoord geeft, zijn antwoord uitleggen.
Verwerking Opdracht 1 De leerlingen schrijven zelfstandige naamwoorden voor mensen, dieren en dingen in de tabel. Maat De leerlingen kleuren de zelfstandige naamwoorden voor mensen, dieren en dingen. Opdracht 2 De leerlingen geven aan of een woord in enkelvoud of meervoud staat. Ze maken een goede zin met het woord. Maat De leerlingen geven aan of een woord in enkelvoud of meervoud staat. Opdracht 3 De leerlingen schrijven de verkleinwoorden in enkelvoud en meervoud en het meervoud van het gegeven woord en de afbeelding, steeds met het bijbehorende lidwoord. Maat De leerlingen omcirkelen de zelfstandige naamwoorden en onderstrepen de lidwoorden die erbij horen.
Opdracht 5 Taalsterk (vraag 3 leerwerkschrift) Laat de leerling meer samenstellingen opschrijven in hun schrift. Hoeveel samenstellingen hebben ze bedacht?
Compactroute Opdracht 1, 3 en 5.
Bewegend leren Bied de leerlingen een bewegingsactiviteit aan. Deze activiteiten staan in de cockpit.
Opdracht 4 De leerlingen schrijven samenstellingen op met het goede lidwoord erbij. Maat De leerlingen beantwoorden vragen over lidwoorden bij meervoud, verkleinwoord enkelvoud en verkleinwoord meervoud. Opdracht 5 De leerlingen beantwoorden vragen over lidwoorden en enkelvoud en meervoud bij verkleinwoorden. Ze maken zelf nieuwe samenstellingen en schrijven de goede lidwoorden erbij. Maat De leerlingen vullen het goede lidwoord in. Maat opdracht 6 De leerlingen geven aan welke woorden samenstellingen zijn. Maat opdracht 7 De leerlingen zoeken in hun leesboek drie zelfstandige naamwoorden. Ze maken hier een tekening van.
Reflectie • Weten de leerlingen na deze les wat een zelfstandig naamwoord is? Weten ze wat een lidwoord is? Doe de oefening(en) op het digibord. • Laat een aantal leerlingen een zin bedenken met daarin een lidwoord en een zelfstandig naamwoord in enkelvoud, meervoud of een verkleinwoord. Schrijf de zinnen op het digibord. Laat een andere leerling de woorden benoemen. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.
17
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 17
20/04/2022 12:50
H1 Les 8
Schrijven
Lesdoel
Lesvoorbereiding
Materiaal
Schrijven • De leerling leert hoe hij een brief schrijft.
• Zet les 8 klaar op het digibord. • Combinatiegroep: leg voor de startopdracht voor elke leerling een kaartje van A6-formaat klaar
• • • •
Hoofdstuk 1
Les 8
Schrijven
2
• Ik leer hoe ik een brief schrijf.
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat combinatiegroep: voor elke leerling een kaartje van A6-formaat
Maak de vragen. 1 Voor wie is deze brief?
5
Devi, Emre en Tanja
2 Van wie is deze brief? Van
Paul
▢ Ik hoop snel van jullie te horen!
.
▢ Willen jullie weten hoe het met mij is?
3 Boven aan de brief staat: Hoi..... Aan wie zou je dat wel en niet schrijven? Bovenaan schrijf je de plaats waar jij bent en de datum waarop je de brief schrijft. Boven aan de brief schrijf je de aanhef. In het begin vraag je vaak hoe het is met de persoon aan wie je schrijft. Ook schrijf je hoe het met je zelf gaat. Je vertelt waarom je de brief schrijft. In het midden schrijf je over iets wat je hebt meegemaakt of nog gaat doen.
▢ Gaan jullie me nou nog vertellen hoe het zit?
– wel: vrienden, familie;
▢ Ik ben benieuwd hoe het met jullie gaat!
– niet: de dokter, de burgemeester, de directeur van de school.
Hoi Devi, Emre en Tanja,
4 Lees de brief.
6
Hoe gaat het met jullie? Met mij ... . 3
De verhuizing was heel druk. We zijn een hele dag bezig geweest! Ik mocht meerijden in de verhuiswagen, dat was super! In ons nieuwe huis heb ik, denk ik wel honderd dozen uitgepakt.
Heel veel groetjes,
Helemaal onderaan schrijf je je naam.
Paul
a de burgemeester b de dokter
Meerdere antwoorden mogelijk.
Schrijven jullie snel terug? Dat lijkt me heel erg leuk.
Onder aan de brief, boven je naam, zeg je nog gedag.
Kies uit: Hoi | Geachte | Hallo | Beste | Lieve Je mag een woord meer dan één keer gebruiken.
Met mij
4
Wat kun je boven een brief schrijven? Boven de brief staat: Hoi Davi, Emre en Tanja. 1 Wat schrijf je boven een brief aan de volgende personen?
De brief is nog niet af. Lees het begin nog eens. Paul wil zijn vrienden laten weten hoe het met hem gaat. 1 Maak de zin Met mij ... af. 2 Bedenk er nog een zin bij.
Ons nieuwe huis is ... . Mijn nieuwe kamer ... ... . Ik heb al wat nieuwe vrienden hier. Zij ... ... .
Aan het eind kun je nog iets vragen.
▢ Laten jullie me snel weten hoe het met jullie is?
Bijvoorbeeld: Amersfoort, 12 september 2021
Lees het eind nog eens. Wat had er ook kunnen staan? Kies drie zinnen.
c je moeder d de moeder van je vriend
Lees het midden nog eens. Paul vertelt hier iets over de verhuizing.
e je vriendin
1 Wat vertelt Paul over de verhuizing? Noem drie dingen.
Bijvoorbeeld:
2 Wat is een raar begin? Vul een raar begin in.
– de verhuizing was heel druk,
Voorbeeld: Geachte mama, …
– ze zijn de hele dag bezig geweest,
Meerdere antwoorden mogelijk.
– Paul mocht meerijden in de verhuiswagen, – hij heeft wel honderd dozen uitgepakt. 2 Paul vertelde nog meer, kun je de zinnen afmaken?
1
Bekijk de brief. Lees wat er bij de brief staat.
1 Ons nieuwe huis is
.
2 Mijn nieuwe kamer
.
3 Ik heb al wat nieuwe vrienden hier. Zij
.
32
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 32
33
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 33
12/01/2022 11:57
34
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 34
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 35
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 32 – 33 – 34
18
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 18
20/04/2022 12:50
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Opdracht 3
• Ga naar het digibord en doe de oefening(en). Bespreek kort het verhaal dat in les 1 en 2 aan de orde kwam. • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen. Wie heeft wel eens een brief geschreven? Aan wie? Waar ging de brief over?
Taalsterk Laat de leerlingen bij vraag 2 meer zinnen opschrijven. Leerwerkschrift Maat Laat Maat-leerlingen enkel vraag 1 maken.
Instructie • Om een goede brief te schrijven, moet je vooraf een aantal dingen bedenken: - Waarom schrijf je de brief? (schrijfdoel) Wil je iemand vertellen hoe het met je gaat, of heb je een vraag en wil je graag een antwoord? - Aan wie schrijf je de brief? (publiek) Schrijf je aan je vriendje, je oma of aan de directeur van de school? - Hoe bouw je je brief op? Gebruik je alinea’s? Is de brief een logisch geheel? • Bespreek de voorbeeldbrief. Benoem de vaste kenmerken van een brief: datering, aanhef, indeling en ondertekening. Opdracht 1 De leerlingen bekijken de brief en lezen wat erbij staat. Opdracht 2 Bespreek de vragen bij opdracht 2 en maak deze samen. • Laat de verschillende onderdelen van de brief afzonderlijk op het digibord voorlezen door leerlingen. Laat ook de toelichting bij elk onderdeel voorlezen. • Bespreek opdracht 3 tot en met 6.
Verwerking
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 35
Opdracht 4 Leerwerkschrift Maat Laat Maat-leerlingen deze opdracht samen maken met een taalsterke leerling.
Opdracht 4 en 5 Dyslexie Help deze leerlingen met het maken van goede zinnen. Stimuleer ze om woorden te gebruiken die ze geleerd hebben. Let op het gebruik van lidwoorden.
Compactroute Opdracht 1 en 2.
Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 3 De leerlingen lezen het begin van de brief nog eens. Daarna schrijven ze het begin van de brief verder af. Opdracht 4 De leerlingen lezen het midden van de brief nog eens. Ze schrijven op wat Paul over de verhuizing vertelt en maken de zinnen over de andere onderwerpen af. Op deze manier zien ze een voorbeeld van de opbouw van een 35 brief. Opdracht 5 De leerlingen bedenken welke drie van de vijf zinnen ook hadden gepast aan het eind van de brief. Opdracht 6 De leerlingen bedenken welke aanhef ze gebruiken als ze schrijven aan vrienden, familie en personen met een specifiek beroep. Ze mogen ook een rare aanhef bedenken. 12/01/2022 11:57
Reflectie • Laat drie leerlingen voorlezen wat zij in de brief hebben geschreven. Klopt de opbouw? • Wie heeft bij de cheeta-opdracht een heel raar begin van een brief bedacht?
Combinatiegroep Startopdracht combinatiegroep De leerlingen schrijven met potlood een ansichtkaart voor iemand die verhuisd is. Op de voorkant mogen ze een tekening maken en er eventueel wat bij schrijven. Op de achterkant schrijven ze iets over zichzelf. Afsluitopdracht combinatiegroep Laat de leerlingen de ansichtkaart die ze bij de startopdracht hebben gemaakt aanvullen, verbeteren en met pen overschrijven.
19
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 19
20/04/2022 12:50
H1 Les 9
Schrijven
Lesdoel
Lesvoorbereiding
Materiaal
Schrijven • De leerling oefent het schrijven van een brief.
• Zet les 9 klaar op het digibord.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Hoofdstuk 1
Les 9
Schrijven
1
• Ik oefen het schrijven van een brief.
Je gaat een brief schrijven.
7
1 Lees nog eens wat er bij de brief staat. Schrijf de plaats en de datum op. 2 Bedenk aan wie je een brief wilt sturen. 3 Waarmee begint je brief? Met Beste ... of Hoi ... of iets anders? Schrijf het in de aanhef.
Linksboven schrijf je de plaats waar jij bent en de datum waarop je de brief schrijft. Boven aan de brief schrijf je de aanhef. In het begin vraag je vaak hoe het is met de persoon aan wie je schrijft. Ook schrijf je hoe het met je zelf gaat. Je vertelt waarom je de brief schrijft.
2
Waarom schrijf je de brief? Begin daarmee. Bedenk ten minste twee zinnen. Schrijf de zinnen bij het begin.
3
Waar wil je meer over schrijven in de brief? Je weet nu aan wie je de brief schrijft. Je weet ook waarom je de brief schrijft.
Hoofdstuk 1
Aan wie heb je de brief geschreven? 1 Vul in hoe hij of zij eruitziet. 2 Doe het zo dat je klasgenootje hem of haar zou kunnen tekenen.
Meerdere antwoorden mogelijk.
1 Let op:
1 Wat wil je vertellen in het midden van de brief? 2 In welke volgorde ga je dat vertellen? Wat schrijf je eerst? Wat daarna? 3 Heb je iets bedacht? Schrijf het bij het midden.
In het midden schrijf je over iets wat je hebt meegemaakt of nog gaat doen.
1 2
4
5 Aan het eind kun je nog iets vragen.
Maak je brief af.
3
1 Bedenk een vraag voor het eind. Schrijf er nog een zin achter. 2 Wat moet er nog onder komen te staan? Maak je brief af. Vergeet niet je naam eronder te zetten!
4
Ben je tevreden met je brief? Waarom wel of niet? Lees je brief na en verbeter. Let daarbij op het volgende: 1 2 3 4
Onder aan de brief, boven je naam, zeg je nog gedag.
5
2
Staat alles erin wat je wilt zeggen? Is je brief netjes geschreven? Kijk nog eens naar je zinnen. Beginnen je zinnen met een hoofdletter? Staat er na elke zin een punt (.) een vraagteken (?) of een uitroepteken (!)? Kijk naar elk woord. Weet je zeker dat het goed is geschreven? Zoek het woord anders op.
Kies uit:
1 2 Nora tekent
Helemaal onderaan schrijf je je naam.
6
Laat je brief lezen aan een klasgenootje.
3 In de pauze
1 Is je brief netjes geschreven? Zitten er nog fouten in de brief? 2 Begrijpt hij wat je schrijft? Vindt hij je brief leuk? 3 Laat je klasgenootje opschrijven wat hij van jouw brief vond.
4
36
5
37
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 36
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 37
12/01/2022 11:57
38
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 38
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 39
LEERWERKSCHRIFT blz. 36 – 37 – 38
Hoofdstuk 1
Les 9
Schrijven
1
• Ik oefen het schrijven van een brief.
5
1 Lees nog eens wat er bij de brief staat. Vul de plaats en de datum in. 2 Bedenk aan wie je een brief wilt sturen. 3 Vul de naam in achter Hallo ... .
2 Linksboven schrijf je de plaats waar jij bent en de datum waarop je de brief schrijft. Boven aan de brief schrijf je de aanhef.
Je gaat een brief schrijven. Schrijf met potlood.
Hallo
3
In het begin vraag je vaak hoe het is met de persoon aan wie je schrijft. Ook schrijf je hoe het met je zelf gaat. Je vertelt waarom je de brief schrijft.
1 2 3 4
4
Is het duidelijk wat je vertelt? Heb je netjes geschreven? Beginnen je zinnen met een hoofdletter? Staat er na elke zin een punt (.), een vraagteken (?) of een uitroepteken (!)? Kijk naar elk woord. Weet je zeker dat het goed geschreven is? Zoek het woord anders op.
Vul in of je wel of niet tevreden bent en waarom.
Waarom schrijf je de brief? Begin daarmee. Schrijf de zin bij het begin. Begin met: Ik schrijf je omdat ...
Meerdere antwoorden mogelijk.
Dit kan ik n
Waar wil je nog meer over schrijven?
1
1 Wat wil je vertellen in het midden van je brief? Je kunt schrijven over iets wat je hebt meegemaakt. Of je schrijft over iets wat je nog gaat doen. 2 Heb je iets bedacht? Schrijf het op.
In het midden schrijf je over iets wat je hebt meegemaakt of nog gaat doen.
Hoofdstuk 1
Ben je tevreden met je brief? Lees je brief na. En let daarbij op het volgende:
6
Maak je brief af.
7
1 Bedenk een vraag voor het eind. Kies uit: Schrijf je me snel terug? | Wanneer zie ik je weer? | Wat heb jij meegemaakt?
Laat je brief lezen aan een klasgenootje.
Let op:
1 Is je brief netjes geschreven? Zitten er nog fouten in de brief? 2 Begrijpt hij wat je schrijft? Vindt hij je brief leuk? 3 Schrijf je brief nu in het net.
1 2 3
Aan wie heb je de brief geschreven? Schrijf iets over hem of haar. Hoe ziet hij of zij eruit? Vind je hem of haar aardig? Waarom?
4 5
Meerdere antwoorden mogelijk.
Schrijf er nog een zin achter. 2 Maak je brief af.
2
Kies uit: Veel liefs, | Groetjes, | Hartelijke groet,
Kies uit:
Vergeet niet je naam eronder te zetten!
Aan het eind kun je nog iets vragen.
1 2 Nora tekent
Onder aan de brief, boven je naam, zeg je nog gedag.
3 In de pauze 4 5
Helemaal onderaan schrijf je je naam.
36
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 36
37
12/01/2022 16:38
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 37
12/01/2022 16:38
38
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 38
12/01/2022 16:38
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 39
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 36 – 37 – 38
20
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 20
20/04/2022 12:50
Hoofdstuk 1
Les 10 Dit kan ik nog 1
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Opdracht 3
Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). Wat weten de leerlingen nog over de indeling van een brief? • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen.
Taalsterk Stimuleer de leerlingen een uitgebreide brief te schrijven. Stel hogere eisen aan de formulering van de zinnen.
Instructie
Opdracht 5
• Bespreek de opdrachten met de leerlingen. Bespreek ook de toelichtingen die naast de brief staan. Benadruk dat de leerlingen voordat ze gaan schrijven goed nadenken waarom ze de brief schrijven (schrijfdoel) en aan wie ze schrijven (het Taal verkennen publiek). • Wijs ze ook op het belang van opdracht 5 en 6: ze kijken zelf hun brief na (samenhang, interpunctie, netheid) en laten dat ook door een klasgenoot doen. Neem de aandachtspunten door.
Leerwerkschrift Maat Laat de leerlingen vooral letten op duidelijkheid en netheid en op hoofdletters en punten.
Dit kan ik nog • Ik herhaal hoofdletters en punten uit blok 5 (groep 4). • Ik herhaal het verdelen van zinnen in zinsdelen uit blok 5 (groep 4).
Dit kan ik nu • Ik herhaal zelfstandige naamwoorden enkelvoud en meervoud. • Ik herhaal lidwoorden.
Zijn de zinnen goed of fout geschreven? Kies het goede antwoord. Let op: hoofdletters en punten.
Verwerking
goed
fout
1 gisteren was mijn broertje jarig
◯
◯
2 We hebben het samen gevierd.
◯
◯
3 na schooltijd kwamen opa en oma op bezoek.
◯
◯
4 Papa had een lekkere appeltaart gebakken
◯
5 We hebben er allemaal een stukje van gegeten.
◯
Opdracht 1 De leerlingen bedenken aan wie ze gaan schrijven (publiek) en schrijven een aantal vaste kenmerken van de brief op.
2
◯
Opdracht 2 De leerlingen bedenken waarom ze de geadresseerde schrijven. Ze denken na over het schrijfdoel en schrijven het begin. ◯
Welke zinsdelen horen bij elkaar? Zoek twee zinsdelen die bij elkaar passen. Maak daarmee de zin af.
Opdracht 3 De leerlingen denken na over wat ze in het midden van de brief schrijven en in welke volgorde. De brief wordt een logisch geheel.
Kies uit: een poppetje | mogen we | spelen we | een verhaaltje | op het digibord | fluisteren | in haar schrift | een som | op het plein | leest ... voor
een som op het digibord
.
2 Nora tekent
een poppetje in haar schrift
.
3 In de pauze
spelen we op het plein
1 Meester schrijft
4 De juf van groep 3 5 Tijdens de rekenles
Opdracht 4 De leerlingen maken hun brief af door het eind en de afsluiting te leest een verhaaltje voor schrijven. mogen we fluisteren Maat De leerlingen maken hun brief af door het eind te schrijven en af te sluiten. Ze kunnen daarbij kiezen uit voorbeeldzinnen. .
Coöperatieve werkvorm Opdracht 1, 2, 3 en 6 Vorm tweetallen. De leerlingen maken eerst individueel de opdrachten 1 en 2 (denken). Daarna lezen ze aan elkaar voor wat ze opgeschreven hebben (delen), geven hun mening en vullen aan elkaar. Ze brainstormen vervolgens samen over wat ze in het midden van de brief willen schrijven. Ze wisselen ideeën uit voordat ieder de brief gaat schrijven. Bij opdracht 6 controleren ze uiteindelijk elkaars brief.
. .
Compactroute Opdracht 1 tot en met 4.
39
Opdracht 5 De leerlingen reviseren hun brief op netheid, duidelijkheid, interpunctie en spelling.
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 39
12/01/2022 11:57
Hoofdstuk 1
Les 10 Dit kan ik nog 1
Opdracht 6 De leerlingen laten hun brief aan een klasgenoot lezen. Ook nu wordt weer gelet op netheid, duidelijkheid, interpunctie en spelling. Uiteindelijk schrijven Taal verkennen de leerlingen hun brief in het net, met pen, op. Dit kan ik nog • Ik herhaal hoofdletters en punten uit blok 5 (groep 4). • Ik herhaal het verdelen van zinnen in zinsdelen uit blok 5 (groep 4).
Dit kan ik nu • Ik herhaal zelfstandige naamwoorden enkelvoud en meervoud. • Ik herhaal lidwoorden.
Opdracht 7 De leerlingen omschrijven de persoon (aan wie ze de brief hebben geschreven) zo, dat een ander hem of haar zou kunnen tekenen. Maat De leerlingen omschrijven de persoon (aan wie zij de brief hebben geschreven) aan de hand van een aantal vragen.
Zijn de zinnen goed of fout geschreven? Kies het goede antwoord. Let op: hoofdletters en punten.
Reflectie
goed
fout
1 gisteren was mijn broertje jarig
◯
◯
2 We hebben het samen gevierd.
◯
◯
• Neem de aandachtspunten door. Laat enkele leerlingen hun brief voorlezen. Vraag de andere leerlingen of de brief duidelijk is en een goede opbouw heeft.
2
3 na schooltijd kwamen opa en oma op bezoek.
◯
◯
4 Papa had een lekkere appeltaart gebakken
◯
◯
5 We hebben er allemaal een stukje van gegeten.
◯
◯
• Kijk voor de antwoorden op het digibord.
Welke zinsdelen horen bij elkaar? Zoek twee zinsdelen die bij elkaar passen. Maak daarmee de zin af.
Kies uit: een poppetje | mogen we | spelen we | een verhaaltje | op het digibord | fluisteren | in haar schrift | een som | op het plein | leest ... voor
een som op het digibord
.
2 Nora tekent
een poppetje in haar schrift
.
3 In de pauze
spelen we op het plein
.
1 Meester schrijft
4 De juf van groep 3 5 Tijdens de rekenles
leest een verhaaltje voor mogen we fluisteren
. .
39
TV_Taal_MAAT_G5_Blok1.indb 39
12/01/2022 16:38
21
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 21
20/04/2022 12:50
H1 Les 10
Taal verkennen
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
Dit kan ik nog • De leerling herhaalt hoofdletters en punten uit blok 5 (groep 4). • De leerling herhaalt het verdelen van zinnen in zinsdelen uit blok 5 (groep 4). Dit kan ik nu • De leerling herhaalt zelfstandige naamwoorden, enkelvoud en meervoud. • De leerling herhaalt lidwoorden.
• Print voor iedere leerling het scoreblad Taal verkennen of gebruik het groeischrift.
• • • •
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat groeischrift of scoreblad Taal verkennen
Ontwerpend en onderzoekend leren Werk je met de projectmap, dan kun je deze les vervangen door stap 2 van project 1.
Hoofdstuk 1
Les 10
Taal verkennen Dit kan ik nog • Ik herhaal hoofdletters en punten uit blok 5 (groep 4). • Ik herhaal het verdelen van zinnen in zinsdelen uit blok 5 (groep 4).
3 Dit kan ik nu • Ik herhaal zelfstandige naamwoorden enkelvoud en meervoud. • Ik herhaal lidwoorden.
2
Zijn de zinnen goed of fout geschreven? Kies het goede antwoord. Let op: hoofdletters en punten.
2
1 Lees de zin. 2 Schrijf de zin met hoofdletters en punten op. 3 Zet een schuine streep tussen de zinsdelen. Kijk eerst naar het voorbeeld.
goed ◯
◯
2 We hebben het samen gevierd.
◯
◯
3 na schooltijd kwamen opa en oma op bezoek.
◯
◯
a het roze varkentje rolt door de modder
‘Tja,’ sprak het beest, ‘dat tomt er van
Het roze varkentje / rolt / door de modder.
als men de ta niet zeggen tan.’
b de kippen lopen door de tuin
De schrijver van dit gedicht is Kees Stip.
De kippen / lopen / door de tuin.
Bron: Kees Stip, Op een konijn
Boer Jan / melkt / de koeien.
3
d de tractor stopt op het erf
4 Papa had een lekkere appeltaart gebakken
◯
◯
5 We hebben er allemaal een stukje van gegeten.
◯
◯
1
Kies uit: een poppetje | mogen we | spelen we | een verhaaltje | op het digibord | fluisteren | in haar schrift | een som | op het plein | leest ... voor
◯
e de poes vangt een muis
2 de folder
◯
◯
De poes / vangt / een muis.
3 de spreekbeurt
◯
◯
4 de schroeven
◯
◯
5 de prinses
◯
◯
In welke vier zinnen staat een zelfstandig naamwoord? Kies de goede antwoorden. Onderstreep het zelfstandig naamwoord (z nw). Voorbeeld: We gaan op vakantie.
een som op het digibord
. .
▢ We gaan fietsen.
▢ Mijn been is gebroken!
3 In de pauze
spelen we op het plein
.
▢ De eerste kilometers gaan heel gemakkelijk.
▢ Ik krijg er gips omheen.
.
▢ Maar opeens val ik heel hard.
.
▢ Ik schrik heel erg.
5 Tijdens de rekenles
mogen we fluisteren
meervoud
◯
een poppetje in haar schrift
leest een verhaaltje voor
enkelvoud
1 de schaatsen
2 Nora tekent
4 De juf van groep 3
Is het enkelvoud of meervoud? Kies het goede antwoord.
De tractor / stopt / op het erf.
Dit kan ik nu
Welke zinsdelen horen bij elkaar? Zoek twee zinsdelen die bij elkaar passen. Maak daarmee de zin af.
1 Meester schrijft
Bij Noordwijk zwom een nat konijn temidden van een school tonijn.
c boer jan melkt de koeien
fout
1 gisteren was mijn broertje jarig
Wat is het lidwoord? Lees het gedichtje. In elke regel staat een lidwoord. Onderstreep de goede woorden. Op een konijn
Voorbeeld: De oude mevrouw / wandelt / met haar hondje.
Dit kan ik nog 1
Hoe schrijf je de zin?
▢ Nu lig ik maar wat voor me uit te staren. ▢ Gelukkig kan ik veel spelen!
▢ Ik word naar het ziekenhuis gebracht.
39
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 39
12/01/2022 11:57
40
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 40
41
12/01/2022 11:57
TV_Taal_BASIS_G5_Blok1.indb 41
12/01/2022 11:57
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 39 – 40 – 41
22
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 22
20/04/2022 12:50
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Taal verkennen Pitstop
Je kunt bij deze les een instructiefilmpje inzetten. • Bespreek met de leerlingen dat in groep 4 in blok 5 hoofdletters en punten en het verdelen van zinnen in zinsdelen aan de orde zijn geweest. • Bespreek kort wat de leerlingen deze week geleerd hebben over het zelfstandig naamwoord, lidwoord, enkelvoud en meervoud. • Ga naar het digibord en doe de oefening(en). • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen.
Dyslexie Geef de dyslectische leerlingen meer tijd. Eventueel kunnen ze de test in een aparte ruimte maken.
Compactroute Alle opdrachten.
Instructie • De leerlingen maken zelfstandig de zelftest Taal verkennen. Bespreek de opdrachten met de leerlingen. Ga niet in op de inhoud.
Verwerking Dit kan ik nog Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen geven aan of de zin goed of fout is geschreven. Het gaat hierbij om het gebruik van hoofdletters en punten. Opdracht 2 De leerlingen maken de zinnen af met de gegeven zinsdelen. Opdracht 3 De leerlingen schrijven de zinnen met hoofdletters en punten en verdelen de zinnen in zinsdelen.
Dit kan ik nu Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 1 De leerlingen geven aan in welke zinnen een zelfstandig naamwoord staat en onderstrepen deze. Opdracht 2 De leerlingen onderstrepen de lidwoorden in een gedicht. Opdracht 3 De leerlingen geven aan of woorden in enkelvoud of in meervoud geschreven zijn.
Reflectie • Bespreek de opdrachten met behulp van het digibord. Laat de leerlingen de resultaten invullen in het groeischrift of op het scoreblad Taal verkennen. Laat ze de grafiek bijwerken, zodat ze hun vorderingen kunnen zien.
23
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 23
20/04/2022 12:50
TMH PIT BLOK5.1 DEF.indd 55
20/04/2022 12:54
Taal
Groep 5
Blok
Groep 5 Blok 1 Handleiding
1
Handleiding 9 789006 663075
Covers Taal_Handleiding_groep 5 blok 1.indd All Pages
20/04/2022 12:49