Skip to main content

Pit taal - groep 4 - pluswerk

Page 1

Pluswerk

G4_Taal_Voorwerk.indd 1

Groep 4

05/04/2022 08:05


G4.indb 2

29/03/2022 16:25


Taal

Pluswerk • Groep 4 Antwoorden

G4.indb 1

29/03/2022 16:25


Blok 1

Hoofdstuk 1

1

Woordenschat • Ik oefen de betekenis van nieuwe woorden uit les 1, 3 en 4.

Vul de woorden in. 1 Welke woorden passen bij het onderwerp? Schrijf ze in het goede rijtje. Sommige woorden passen in beide rijtjes. Let op: niet alle woorden passen. Kies uit: de steiger | de graankorrels | de schildpad | de maag | de dinosaurus | de goudvis | de bodem | de hamster | de palmboom | de parkiet 2 Bedenk er zelf nog woorden bij. het aquarium

2

de kooi

Welk woord hoort in de zin? 1 De vetgedrukte woorden staan nu verkeerd. Zet ze achter de goede zin. a De postbode stopte de parkiet in de brievenbus. b Als je duikt, heb je een halsband nodig. c De ansichtkaart vloog de kooi in. d De hond wilde zijn snorkel niet om.

2

G4.indb 2

29/03/2022 16:25


2 Bedenk nu zelf twee gekke zinnen. a b

3

4

Maak een woordparaplu. 1 Lees de onderstreepte woorden in de zin. 2 Vul eerst de goede woorden in. 3 Past het woord bij wonen? Zet dat woord dan ook in de woordparaplu. 4 Bedenk er zelf nog twee woorden bij.

wonen

a Dit huisje zet je met touwen vast.

Het is een

.

b Heerlijk, lekker nietsdoen.

Je bent aan het

.

c In welke straat en stad woon jij?

Op welk

d Met dit huis kun je rijden.

Het is een

woon jij? .

Wie ben ik? 1 Los het raadsel op. a Ik ben een roofvogel. Ik lust graag muizen. b Ik ben een dier. Andere dieren lusten mij graag. c Het eten gaat door mij heen. Ik ben een hele lange buis. d Ik ben stevig en sterk. Spieren zitten aan mij vast. 2 Bedenk zelf nog twee raadsels. a b 3

G4.indb 3

29/03/2022 16:25


Blok 1

Taal verkennen

Hoofdstuk 1

1

2

• Ik oefen het herkennen van woorden en namen voor mensen, dieren en dingen.

Maak de puzzel. 1 Zoek tien woorden voor mensen. Kijk → en ↓. De eerste letter van elk woord is vet. 2 Schrijf de woorden naast de puzzel. 3 Kies drie woorden uit. 4 Maak er een zin mee. Schrijf de zin op. a

s

o

l

d

a

a

t

b

m

o

q

n

l

d

t

k

o

g

m

j

u

f

b

h

j

e

b

e

g

s

l

a

g

e

r

h

e

e

m

k

k

a

i

p

l

s

p

d

o

k

t

e

r

v

t

e

u

k

e

t

u

i

k

e

i

z

e

r

r

s

n

t

r

m

c

b

d

l

n

s

Raad het woord. Lees de zin. Wie is het? 1 Zij is de zus van je moeder.

je

2 Hij is de vader van je vader.

je

3 Hij is de broer van je vader.

je

4 Zij is de moeder van je moeder.

je

5 Hij is de zoon van je moeder.

je

6 Zij is de dochter van je tante.

je

4

G4.indb 4

29/03/2022 16:25


3

Vul de rijtjes in. 1 Bedenk vier woorden voor dieren en vier woorden voor dingen. 2 Schrijf ze in het goede rijtje. woorden voor dieren

woorden voor dingen

3 Maak een tekening van één van de dingen. 4 Bedenk zelf namen voor de dieren erbij. Schrijf ze op. a dier:

naam:

b dier:

naam:

c dier:

naam:

d dier

naam:

5 Maak een tekening van één van de dieren.

4

Lees de zin. Welk dier is het? 1 Gigi is haar vacht aan het likken.

de

2 Bello trekt hard aan zijn halsband.

de

3 Bertha wordt gemolken door de boer.

de

4 Snuffie knabbelt aan een wortel.

het

5

G4.indb 5

29/03/2022 16:25


Blok 1

Hoofdstuk 2

1

Woordenschat • Ik oefen de betekenis van nieuwe woorden uit les 1, 3 en 4.

Maak met twee of drie woorden grappige zinnen. Maak ten minste drie zinnen. Kies uit: blazen | het insect | verdieping | de sprong | de voetstap | de regenpijp | de rotstreek | de geur | sluipen | dagelijks Voorbeeld: Het insect sluipt door de regenpijp.

2

Wat betekent het? Schrijf de betekenis erachter. 1 bliksemsnel 2 het kabaal 3 bezorgd zijn 4 de belevenis 5 je een hoedje schrikken 6 rot

6

G4.indb 6

29/03/2022 16:25


3

Welke woorden uit hoofdstuk 2 passen bij het plaatje? Schrijf zo veel mogelijk woorden op.

7

G4.indb 7

29/03/2022 16:25


Blok 1

Taal verkennen

Hoofdstuk 2

1

• Ik oefen het herkennen van enkelvoud en meervoud.

Maak van enkelvoud meervoud. Bedenk voor elk rijtje nog vier woorden erbij. Geef de meervoudstukjes een kleur. enkelvoud één

2

lamp

meervoud veel

één inbreker

veel

één insect

veel

één drempel

veel

één

veel

één

veel

één

veel

één

veel

lampen

Wat neem je mee op reis? Schrijf in elk rijtje vijf dingen op. één

zeepdoos

zeven

één

twee

één

drie

één

zes

één

acht

één

veel

onderbroeken

8

G4.indb 8

29/03/2022 16:26


3

Maak de zinnen af. Gebruik de zelfstandige naamwoorden. 1 Lees de zinnen. Zet op de plek van een nummer een woord. Kies een woord uit het goede rijtje. Je mag het woord vaker gebruiken. Schrijf de woorden in de zin. Het mag best een gekke zin worden! 1 woorden voor mensen

2 woorden voor dieren

3 woorden voor dingen

mijn neef

het paard

de kom

mijn oom

de poes

de kapstok

onze buurman

de hond

het hoge hek

de boerin

de vis

de jas

haar broer

het varken

de bank

a

(1)

wandelt met (2)

b

(1)

zit met (2)

op (3)

c

(1)

maakt (3)

van (2)

d

(3)

van (1)

hangt nog aan (3)

e

(2)

van (1)

springt over (3)

naar (3)

. . schoon. . .

2 Bedenk zelf nog een paar zinnen. Kies uit elk rijtje een woord. a b c

9

G4.indb 9

29/03/2022 16:26


Blok 2

Hoofdstuk 3

1

Woordenschat • Ik oefen de betekenis van nieuwe woorden uit les 1, 3 en 4.

Zet de goede woorden achter de zin. 1 Het is zwart met wit en je kunt er overheen lopen. 2 Het is om mee te betalen en je kunt het opvouwen. 3 Het is een machine om iets van je computer op papier te krijgen. 4 Het is een plaatje dat je maakt met een camera.

2

Maak de omschrijvingen. Bedenk zes zinnen bij de volgende woorden. De zinnen beginnen met ‘Het is ...’ 1 de bijnaam

Het is

2 de cel

Het is

3 het luikje

Het is

4 de bekende

Het is

5 het vak

Het is

6 de mobiele telefoon

Het is

10

G4.indb 10

29/03/2022 16:26


3

Maak de Als... dan... zinnen af. 1 Kijk goed naar het onderstreepte deel in de zin. 2 Geef van dat stuk de betekenis. 3 Schrijf een zin met de onderstreepte woorden. a Als je aangifte doet dan

b Als je contact opneemt dan

c Als het is mislukt dan

d Als iets interessant is dan

e Als iets voor elkaar komt dan

4

Maak een woordspin. 1 Kies een woord uit opdracht 2 of 3. 2 Schrijf het woord in de woordspin. 3 Bedenk er zes woorden bij en vul ze in.

11

G4.indb 11

29/03/2022 16:26


Taal

Pluswerk • Groep 4

9 789006 663020

G4_Taal_Nawerk.indd 54

29/03/2022 16:13


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Pit taal - groep 4 - pluswerk by ThiemeMeulenhoff - Issuu