Groep 7
Blok
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 1
1
21/03/2022 15:52
Pictoʼs Deze opdracht doe je als je tijd hebt. Deze opdracht doe je alleen. Deze opdracht doe je samen. Deze opdracht doe je in een groepje. Deze opdracht doe je met de hele klas. Dit is een bewegingsopdracht. Deze opdracht schrijf je op een blaadje.
Knipstrategie Luisterstrategie Onthoudstrategie Ook-zo-strategie Regelstrategie Werkwoord
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 2
21/03/2022 15:52
Blok 1
Hoe gaat het? ?⃝ Ik moet het nog leren.
Doelenkaart
⃝↑ Ik moet het nog oefenen. ⃝✓ Ik kan het!
Woordpakket 1 Werkwoordspelling • Ik kan de tegenwoordige tijd van werkwoorden goed schrijven.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan zelf nieuwe werkwoorden bedenken in de tegenwoordige tijd.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan meer woorden met au, auw, ou en ouw goed schrijven.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan zelf woorden met au, auw, ou en ouw bedenken.
?⃝
⃝↑
⃝✓
Woordpakket 2 Woorden met au, auw, ou en ouw
Woordpakket 3 Woorden waarin ik /t/ hoor en th schrijf • Ik kan woorden waarin ik /t/ hoor en th schrijf goed schrijven.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan zelf woorden waarin ik /t/ hoor en th schrijf bedenken.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan woorden en woordstukjes die eindigen op b goed schrijven.
?⃝
⃝↑
⃝✓
• Ik kan zelf woorden en woordstukjes die eindigen op b bedenken.
?⃝
⃝↑
⃝✓
Woordpakket 4 Woorden die eindigen op b
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 3
21/03/2022 15:52
Woordpakket 1
Werkwoordspelling
Les 1 woordenboekvorm
• Ik herhaal de persoonsvorm tegenwoordige tijd.
-> pv ->
tt
pv ev
pv mv
• stam -> ik-vorm
• wij-vorm
• jij-vorm
• jullie-vorm
• hij/zij-vorm
• zij-vorm (mv)
Werkwoorden werken ik werk jij werkt hij/zij werkt wij/jullie/zij werken
plakken ik plak jij plakt hij/zij plakt wij/jullie/zij plakken
toveren ik tover jij tovert hij/zij tovert wij/jullie/zij toveren
raden ik raad jij raadt hij/zij raadt wij/jullie/zij raden
snurken ik snurk jij snurkt hij/zij snurkt wij/jullie/zij snurken
knikken ik knik jij knikt hij/zij knikt wij/jullie/zij knikken
stotteren ik stotter jij stottert hij/zij stottert wij/jullie/zij stotteren
schelden ik scheld jij scheldt hij/zij scheldt wij/jullie/zij schelden
roeren ik roer jij roert hij/zij roert wij/jullie/zij roeren
rennen ik ren jij rent hij/zij rent wij/jullie/zij rennen
glijden ik glijd jij glijdt hij/zij glijdt wij/jullie/zij glijden
worden ik word jij wordt hij/zij wordt wij/jullie/zij worden
wonen ik woon jij woont hij/zij woont wij/jullie/zij wonen
staren ik staar jij staart hij/zij staart wij/jullie/zij staren
rijden ik rijd jij rijdt hij/zij rijdt wij/jullie/zij rijden
bidden ik bid jij bidt hij/zij bidt wij/jullie/zij bidden
bakken ik bak jij bakt hij/zij bakt wij/jullie/zij bakken
storen ik stoor jij stoort hij/zij stoort wij/jullie/zij storen
snijden ik snijd jij snijdt hij/zij snijdt wij/jullie/zij snijden
redden ik red jij redt hij/zij redt wij/jullie/zij redden
4
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 4
21/03/2022 15:52
De persoonsvorm tegenwoordige tijd (herhaling) Een werkwoord (ww) vertelt wat iets of iemand doet. Een werkwoord heeft verschillende vormen: • De woordenboekvorm is het werkwoord zoals het in het woordenboek staat. • De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord in een zin die bij iets of iemand hoort. De ik/jij/hij/zij-vorm noem je de persoonsvorm enkelvoud (pv ev), omdat het onderwerp dat erbij hoort, één ding of één persoon is. De wij/jullie/zij-vorm noem je de persoonsvorm meervoud (pv mv), omdat het onderwerp dat erbij hoort, meer dan één is (dingen en/of personen). Schrijfaanwijzing persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud (pv tt ev) Kijk altijd eerst naar de stam: de woordenboekvorm zoals je hem hoort zonder /un/. Van de stam maak je de ik-vorm volgens de gewone schrijfaanwijzingen. De persoonsvorm jij/hij/zij-vorm tegenwoordige tijd schrijf je als de ik-vorm + t.
Voorbeeld:
woordenboekvorm wonen worden
persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud (pv tt ev) stam /woonun/ /wordun/
ik-vorm ik woon ik word
jij-vorm jij woont jij wordt
hij/zij-vorm hij/zij woont hij/zij wordt
Als de stam van het werkwoord eindigt op /d/, schrijf je de ik-vorm dus met een d en de jij/hij/zij-vorm dus met dt! Schrijfaanwijzing persoonsvorm tegenwoordige tijd meervoud (pv tt mv) De persoonsvorm wij/jullie/zij-vorm tegenwoordige tijd schrijf je als de woordenboekvorm.
Voorbeeld:
woordenboekvorm wonen worden
persoonsvorm tegenwoordige tijd meervoud (pv tt mv) wij-vorm wij wonen wij worden
jullie-vorm jullie wonen jullie worden
zij-vorm (mv) zij wonen zij worden
Tip! Als je een zin schrijft met meer dan één persoonsvorm (een samengestelde zin), dan weet je soms niet wat de persoonsvorm is. Als je dat niet weet, kun je de werkwoordregels niet toepassen. Wat kun je doen? 1 Maak er in je hoofd twee losse zinnen van. In een zin met één persoonsvorm (een enkelvoudige zin) staan onderwerp en persoonsvorm namelijk altijd naast elkaar! 2 Check wat de persoonsvorm is. Dat kan op drie manieren: 1 Maak een vraag. 2 Verander de tijd van de zin. 3 Verander het onderwerp van de zin.
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 5
5
21/03/2022 15:52
1
Bekijk samen het woordpakket en de schrijfaanwijzing.
2
Wat is de persoonsvorm? 1 Leerling 1: lees zin a voor. Maak er twee losse zinnen van. Schrijf de twee losse zinnen op. Let op: je houdt het voegwoord over. Doe de vraagproef met de eerste losse zin. Zeg wat de persoonsvorm is. 2 Leerling 2: doe de vraagproef met de tweede losse zin. 3 Schrijf allebei de persoonsvormen op van zin a. 4 Ruil om en doe hetzelfde met zin b en c, maar gebruik voor zin b de getalproef en voor zin c de tijdproef.
Voorbeeld: Leert mijn moeder mij cake bakken? Persoonsvorm is leert.
a Mijn moeder leert mij cake bakken, terwijl mijn vader een taart bakt. b Als de postzegels geprint worden, plakken we ze op de envelop. c Mijn buren storen ons nooit, maar ze staren wel naar ons.
3
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd meervoud in. 1 2 3 4 5 6
Leerling 1: zorg dat je het woordpakket niet ziet. Leerling 2: lees zin a voor. Leerling 1: noem de persoonsvorm meervoud en vul die in. Doe dit ook met zin b. Ruil om en doe hetzelfde met zin c en d. Kijk samen na en verbeter.
a b c d
We schelden nooit in de klas. Mijn zus en ik worden later allebei verpleegkundige. Bidden jouw opa en oma ook altijd voor het eten? Twee buurjongens redden de dieren.
6
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 6
21/03/2022 15:52
4
Maak er een persoonsvorm enkelvoud van. 1 2 3 4 5
5
Leerling 1: zorg dat je het woordpakket niet ziet. Leerling 2: lees een persoonsvorm meervoud uit het woordpakket voor. Leerling 1: maak er een persoonsvorm enkelvoud van en vul die in. Doe dit met nog drie andere werkwoorden. Ruil om en doe hetzelfde met vier andere werkwoorden.
Kijk naar de plaatjes. Maak zinnen met een werkwoord uit het woordpakket in de tegenwoordige tijd. Onderstreep de persoonsvorm. 1
2
3
4
7
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 7
21/03/2022 15:52
Woordpakket 1
Les 2
Werkwoordspelling • Ik oefen de persoonsvorm tegenwoordige tijd.
Schrijfaanwijzing De persoonsvorm tegenwoordige tijd enkelvoud (pv tt ev) hoort bij ik, jij en hij/zij. ik-vorm = de stam geschreven volgens de gewone schrijfaanwijzingen. jij/hij/zij-vorm = ik-vorm + t De persoonsvorm tegenwoordige tijd meervoud (pv tt mv) hoort bij wij, jullie en zij. wij/jullie/zij-vorm = schrijf je als de woordenboekvorm.
1
Is het vetgedrukte woord de persoonsvorm enkelvoud of meervoud? Is de persoonsvorm enkelvoud? Maak er meervoud van en vul het in. Is de persoonsvorm meervoud? Maak er enkelvoud van en vul het in. 1 Later word ik banketbakker. 2 Ik bak de hele dag taarten en koekjes 3 Ik plak snoepjes op het glazuur. 4 Als het niet lukt, scheld ik tegen de snoepjes. Alsof die er wat aan kunnen doen!
5 Aan het eind van de dag knikken de andere bakkers tevreden naar mij.
6 We snijden de taarten in punten. 7 De klanten staren vol bewondering naar het mooie resultaat.
8 'Jullie toveren!’ zegt een klant.
8
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 8
21/03/2022 15:52
2
3
Wat is de persoonsvorm tegenwoordige tijd in elke zin? Vul de persoonsvorm in. Gebruik de proeven. 1 werken
Raoul
na schooltijd bij zijn opa.
2 wonen
Opa en oma
3 rennen
Raoul
4 roeren
In de keuken staat oma. Ze
5 stotteren
‘W-waar is opa?’
6 raden
'Je
7 snurken
Raoul loopt de tuin in. Opa
8 storen
‘Ik
niet ver van school. zo snel mogelijk naar hun huis. in een pan met soep. Raoul. het nooit!,' zegt oma' in een hangmat.
opa nu maar niet,’ denkt Raoul.
Lees de zinnen en vul de persoonsvorm in. 1 Op mijn kamerdeur hangt een bordje: niet storen. 2 Ik vind het namelijk leuk om te toveren. 3 Dan pak ik een flesje. 4 Ik doe er wat water in en een paar gekleurde blaadjes. 5 Langzaam kleurt het water groen, paars of geel. 6 Soms zijn die blaadjes zo scherp! 7 Dan snijd ik mij in mijn vingers. 8 Dan bid ik snel. 9 Dat redt me. 10 Vind jij dat raar?
9
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 9
21/03/2022 15:53
Woordpakket 1
Werkwoordspelling
Les 3 1
Vul het schema in. Vul de persoonsvorm enkelvoud en meervoud van de werkwoorden in. woordenboekvorm
glijden
rijden
bidden
redden
pv ev
ik
ik
ik
ik
jij
jij
jij
jij
hij/zij
hij/zij
hij/zij
hij/zij
wij
wij
wij
wij
jullie
jullie
jullie
jullie
zij
zij
zij
zij
pv mv
2
• Ik oefen de persoonsvorm tegenwoordige tijd. • Ik bedenk zelf van nieuwe werkwoorden de persoonsvorm tegenwoordige tijd.
glijd
glijden
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pv tt) van het werkwoord in. pv tt ev
1 oefenen
Je
pv tt mv
2 verzinnen
Jullie
pv tt ev
3 verkleden
Hij
pv tt ev
4 melden
Simone
pv tt ev
5 wedden
Ik
pv tt ev
6 winnen
Dirk
nu nieuwe werkwoorden. veel nieuwe woorden. zich voor het toneelstukje. zich na de les. dat je mij niet kunt bijhouden! de wedstrijd op het nippertje.
10
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 10
21/03/2022 15:53
3
Zoek vijf nieuwe werkwoorden in een leesboek. Vul de woordenboekvorm, de tegenwoordige tijd van de ik-vorm, de jij/hij/zij-vorm en de wij/jullie/zij-vorm in.
4
Maak een elfje. Gebruik in elke regel een werkwoord uit het woordpakket of een nieuw werkwoord uit opdracht 2 of 3. Voorbeeld: elfje ik verzin ik plak woorden dan knik ik blij gelukt
11
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 11
21/03/2022 15:53
Woordpakket 1
Les 4
Dit kan ik nog
Dit kan ik nu
• Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 6).
• Ik kan de persoonsvorm tegenwoordige tijd nu goed schrijven. • Ik kan woorden uit blok 5 (groep 6) nog goed schrijven.
Dit kan ik nog 1
Vul de persoonsvorm verleden tijd in de zin in. Kijk naar de woordenboekvorm. 1 schudden
Hij
bedroefd zijn hoofd.
2 begeleiden Ik
2
de bezoeker naar de voordeur.
3 gniffelen
Waarom
4 kussen
Hij
5 lusten
Ik
6 krabben
De hond
jullie zo? de bruid. vroeger geen spruitjes. zich met zijn achterpoot.
Welk woord past bij het plaatje? Vul het hele woord in.
1
Dit is een ring met een d…t.
2 Wat een heerlijke trak… .
3
Zij stofz… gisteren overal goed.
4 Een …af heeft een lange nek.
12
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 12
21/03/2022 15:53
3
Maak de puzzel. 1 een verslag in de krant of op tv 2 plaats waar je bent ten opzichte van iets anders 3 persoonsvorm verleden tijd enkelvoud van bloeden 4 uitgebreid ’s avonds eten 5 bedrag dat je kunt besteden 6 serie wedstrijden voor een kampioenschap
1
3
r 2
p
4
d
5
b
b
6
d
c
Welk woord lees je van boven naar beneden in de gekleurde vakjes?
13
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 13
21/03/2022 15:53
Dit kan ik nu Zo schrijf ik het goed
! ?
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Woorden uit blok 5 (groep 6)
! ?
1 2 3 4 5
Goed!
14
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 14
21/03/2022 15:53
15
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 15
21/03/2022 15:53
Spelen en bewegen 1
Raad mijn zin. Wat heb je nodig? • kladblaadjes 1 2 3 4
Iedereen schrijft op een blaadje een woordenboekvorm van woordpakket 1. De spelleider haalt de blaadjes op en geeft iedereen een blaadje met een werkwoord. Iedereen bedenkt een korte zin met de ik-, jij/hij/zij- of wij/jullie/zij-vorm van dat werkwoord. Iedereen loopt door de klas. Je geeft een high five als je een klasgenoot ontmoet. Dan spreek je af wie het eerst zijn zin uitbeeldt. 5 Beeld je zin uit en laat je klasgenoot hem raden. Verkeerd geraden? Beeld de zin nog een keer uit. Nu beeldt je klasgenoot zijn zin uit en raad jij. 6 Allebei goed geraden? Ga op zoek naar een andere klasgenoot. 7 De spelleider stopt het spel als iedereen een paar zinnen heeft uitgebeeld.
2
Stand in de mand. Wat heb je nodig? • een bal • het woordpakket 1 Eén klasgenootje is spelleider en heeft woordpakket 1 bij zich. Een ander krijgt de bal en is de gooier. 2 De gooier gooit de bal omhoog en roept: ‘Stand in de mand en de bal die is voor ...' Hij noemt een naam en de anderen rennen weg. 3 Is je naam geroepen? Vang of pak de bal en roep: ‘Stop!’ Iedereen staat stil en de spelleider stelt een vraag over woordpakket 1. Geeft de vanger geen goed antwoord? Dan mag hij de gooier blijven. Bij een goed antwoord kiest hij een nieuwe gooier.
Wat is de laatste letter van de jij-vorm tegenwoordige tijd van glijden?
Wat is de laatste letter van de ik-vorm tegenwoordige tijd van raden?
16
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 16
21/03/2022 15:53
17
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 17
21/03/2022 15:53
Spelling
Groep 7 Blok 1
9 789006 414332
TV_Spel_BASIS_G7_Blok1.indb 70
21/03/2022 15:55