Skip to main content

Pit spelling - groep 6 - maat - blok 1

Page 1

Maat

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 1

Groep 6

Blok

1

23/03/2022 08:34


Pictoʼs Deze opdracht doe je als je tijd hebt. Deze opdracht doe je alleen. Deze opdracht doe je samen. Deze opdracht doe je in een groepje. Deze opdracht doe je met de hele klas. Dit is een bewegingsopdracht. Deze opdracht schrijf je op een blaadje.

Knipstrategie Luisterstrategie Onthoudstrategie Ook-zo-strategie Regelstrategie Werkwoord

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 2

23/03/2022 08:34


Blok 1

Hoe gaat het? ?⃝ ik moet het nog leren

Doelenkaart

⃝↑ ik moet het nog oefenen ⃝✓ ik kan het!

Woordpakket 1 Werkwoordspelling • Ik kan de woordenboekvorm, de ik-vorm, jij-vorm en de hij/zij-vorm goed schrijven.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan zelf nieuwe werkwoorden bedenken in de ik-vorm, jij-vorm en de hij/zij-vorm.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan meer woorden met v en z goed schrijven.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan zelf woorden met v en z bedenken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan meer woorden met ei en ij goed schrijven.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan zelf woorden met ei en ij bedenken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan meer woorden die eindigen op d goed schrijven.

?⃝

⃝↑

⃝✓

• Ik kan zelf woorden die eindigen op d bedenken.

?⃝

⃝↑

⃝✓

Woordpakket 2 Woorden met v en z

Woordpakket 3 Woorden met ei en ij

Woordpakket 4 Woorden die eindigen op d

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 3

23/03/2022 08:34


Woordpakket 1

Les 1

Werkwoordspelling • Ik herhaal de woordenboekvorm, de stam, de ik-vorm, jij-vorm en hij/zij-vorm.

pv ev woordenboekvorm

→ persoonsvorm:

• stam -> ik-vorm • jij-vorm: ik-vorm + t • hij/zij-vorm: ik-vorm + t

Werkwoorden pakken ik pak jij pakt hij/zij pakt

halen ik haal jij haalt hij/zij haalt

delen ik deel jij deelt hij/zij deelt

klauteren ik klauter jij klautert hij/zij klautert

kammen ik kam jij kamt hij/zij kamt

zweren ik zweer jij zweert hij/zij zweert

plagen ik plaag jij plaagt hij/zij plaagt

lezen ik lees jij leest hij/zij leest

klappen ik klap jij klapt hij/zij klapt

proberen ik probeer jij probeert hij/zij probeert

leven ik leef jij leeft hij/zij leeft

niezen ik nies jij niest hij/zij niest

schrappen ik schrap jij schrapt hij/zij schrapt

raken ik raak jij raakt hij/zij raakt

schrijven ik schrijf jij schrijft hij/zij schrijft

smoezen ik smoes jij smoest hij/zij smoest

zwemmen ik zwem jij zwemt hij/zij zwemt

slapen ik slaap jij slaapt hij/zij slaapt

beroven ik beroof jij berooft hij/zij berooft

bewijzen ik bewijs jij bewijst hij/zij bewijst

4

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 4

23/03/2022 08:34


Werkwoorden: de woordenboekvorm, stam en de persoonsvorm enkelvoud Een werkwoord (ww) vertelt wat iets of iemand doet. Een werkwoord heeft verschillende vormen: • De woordenboekvorm is het werkwoord zoals het in het woordenboek staat. • De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord in een zin die bij iets of iemand hoort. De persoonsvorm enkelvoud (pv en) en het onderwerp De persoonsvorm past bij het onderwerp. Ze horen bij elkaar! Het onderwerp is één ding of één persoon -> persoonsvorm enkelvoud. De persoonvorm enkelvoud heeft de ik-, jij- of hij/zij-vorm. Ik lees een boek. -> het onderwerp is ik en daarbij de pv ev (ik-vorm): lees. Hij schrijft een brief. -> het onderwerp is hij en daarbij hoort de pv ev (hij-vorm): schrijft. Het onderwerp bij de ik-vorm is altijd ik. Het onderwerp bij de jij-vorm is altijd jij/je of u. Het onderwerp bij de hij/zij-vorm kan zijn: • hij, zij, maar ook: ze, het • een naam (Stella, Joram) • een woordgroep (de hond, de auto).

Let op! Kun je een naam of woordgroep vervangen door hij, zij of het? Dan weet je dat je de hij/zijvorm van de persoonsvorm moet schrijven.

Schrijfaanwijzing persoonsvorm enkelvoud Kijk altijd eerst naar de stam: de woordenboekvorm zoals je hem hoort zonder /un/.

Voorbeeld: /leez/

/un/

stam = /leez/ Je schrijft de stam op volgens de gewone schrijfaanwijzingen. Dan heb je de ik-vorm: ik lees. De jij-vorm en de hij/zij-vorm schrijf je als de ik-vorm + t: jij/hij/zij leest.

Voorbeeld:

persoonsvorm enkelvoud (pv ev)

woordenboekvorm

stam

ik-vorm

jij-vorm ik-vorm + t

hij/zij-vorm ik-vorm + t

schrijven smoezen vinden

/sgrijvun/ /smoezun/ /vindun/

(ik) schrijf (ik) smoes (ik) vind

(jij) schrijft (jij) smoest (jij) vindt

(hij/zij) schrijft (hij/zij) smoest (hij/zij) vindt

Let op! Als de stam van het werkwoord eindigt op /d/, schrijf je de jij-vorm en de hij/zij-vorm met dt.

5

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 5

23/03/2022 08:34


1

Bekijk samen het woordpakket en de schrijfaanwijzing.

2

Wat is de stam en de ik-vorm? 1 Leerling 1: zorg dat je het woordpakket niet ziet. 2 Leerling 2: kies een woordenboekvorm uit rijtje 1 en lees die voor. 3 Leerling 1: zeg de stam, de laatste klank heel duidelijk. Bedenk de ik-vorm van dit werkwoord en vul deze in. 4 Ruil om en doe hetzelfde met een woordenboekvorm uit rijtje 2, 3 en 4. 5 Bespreek per werkwoord wat er verandert als je van de stam de ik-vorm maakt.

3

Wat is de ik-vorm en de jij/hij/zij-vorm van het werkwoord? 1 2 3 4 5

Leerling 1: zorg dat je het woordpakket niet ziet. Leerling 2: kies een woordenboekvorm uit rijtje 1 en lees die voor. Leerling 1: zeg de ik-vorm, jij-vorm en hij/zij-vorm van dit werkwoord en vul ze in. Ruil om en doe hetzelfde met een woordenboekvorm uit rijtje 2, 3 en 4. Kijk samen na.

6

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 6

23/03/2022 08:34


4

Vul de ik-vorm in. Zeg eerst de stam. Bedenk de ik-vorm en vul deze in. Welke letter is veranderd in de ik-vorm? Zet een streep onder die letter in de ik-vorm.

1 pakken

2 kammen

3 zwemmen

4 slapen

5 schrijven

f

6 lezen

7

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 7

23/03/2022 08:35


Woordpakket 1

Werkwoordspelling

Les 2

• Ik oefen de woordenboekvorm, de stam, de ik-vorm en de jij/ hij/zij-vorm.

Schrijfaanwijzing stam = woordenboekvorm zonder /un/ ik-vorm = de stam die je schrijft volgens de gewone schrijfaanwijzingen jij/hij/zij-vorm = ik-vorm + t

1

2

Vul de ik-vorm in. woordenboekvorm

stam

ik-vorm

kammen

/kamun

/

ik

niezen

/niezun

/

ik

schrijven

/sgrijvun

/

ik

schrappen

/sgrapun

/

ik

zweer

/zwirun

/

ik

kam

Vul de ik-vorm, de jij-vorm en de hij/zij-vorm in. woordenboekvorm

ik-vorm

leven

ik

delen

ik

jij

hij/zij

halen

ik

jij

hij/zij

plagen

ik

jij

hij/zij

lezen

ik

jij

hij/zij

zwemmen

ik

jij

hij/zij

leef

jij-vorm jij

leeft

hij/zij-vorm hij/zij

leeft

8

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 8

23/03/2022 08:35


3

Kijk naar de werkwoorden in het plaatje. Vul van elk werkwoord de ik-vorm, de jij-vorm en de hij/zij-vorm in.

kammen

schrijven

niezen

klauteren lezen klappen pakken

woordenboekvorm

ik-vorm

jij-vorm

hij/zij-vorm

klauteren

ik

jij

hij/zij

klappen

ik

jij

hij/zij

kammen

ik

jij

hij/zij

schrijven

ik

jij

hij/zij

lezen

ik

jij

hij/zij

niezen

ik

jij

hij/zij

pakken

ik

jij

hij/zij

9

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 9

23/03/2022 08:35


Woordpakket 1

Werkwoordspelling

Les 3 1

• Ik oefen de woordenboekvorm, de stam, de ik-vorm en de jij/ hij/zij-vorm. • Ik bedenk zelf de woordenboekvorm, de ik-vorm en de jij/hij/ zij-vorm van nieuwe werkwoorden.

Wat staat er onder de vlek? Schrijf de persoonsvorm achter de zin. 1 Een dief pro 2 Hij ber

door het raam te klimmen.

de mensen die er wonen.

3 Het is nog stil in huis. De hele familie sl 4 Oh! Door de tocht kl 5 De inbreker r 6 Een dag later p

de deur dicht.

in paniek en rent weg. de politie hem op.

7 Een voetafdruk bew

2

.

dat hij het heeft gedaan.

Vul de ik-vorm, de jij-vorm en de hij/zij-vorm in. woordenboekvorm

stam

ik-vorm

jij-vorm

hij/zij-vorm

erven

/ervun/

erf

erft

erft

durven

/durvun/

drijven

/drijvun/

reizen

/reizun/

wijzen

/wijzun/

verliezen

/verliezun/

10

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 10

23/03/2022 08:35


3

Zoek vijf nieuwe werkwoorden in een tijdschrift. Vul van elk werkwoord de woordenboekvorm, de ik-vorm en de jij/hij/zij-vorm in.

4

Teken het werkwoord. 1 Kies uit opdracht 2 en 3 ten minste twee werkwoorden. 2 Maak een kleine tekening van elk werkwoord. 3 Schrijf onder elke tekening de ik-vorm, jij-vorm en hij/zij-vorm van het werkwoord.

11

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 11

23/03/2022 08:35


Woordpakket 1

Les 4

Dit kan ik nog

Dit kan ik nu

• Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 5).

• Ik kan de woordenboekvorm, de stam, de ik-vorm en de jij/hij/zij-vorm nu goed schrijven. • Ik kan woorden uit blok 5 (groep 5) nog goed schrijven.

Dit kan ik nog 1

Kies steeds twee woorden in elke zin. Kies uit: sportieve | hardloper | huisvrouw | wereldberoemd | muizen | doodstil | benauwd | restaurant 1 Het is

, zelfs de

hoor ik niet.

2 De

heeft de wedstrijd gewonnen.

3 In het

is het erg

4 Die bijzondere

2

.

is nu

.

Welk woord uit blok 5 hoort bij het plaatje? Vul het woord in de goede zin in.

De man zaagt de boom om voor

Het

Deze

.

smult van de regenwormen.

zijn bijna even groot.

12

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 12

23/03/2022 08:35


3

Vul in. Kijk naar het werkwoord voor de zin. Vul de ik-vorm van het werkwoord in. 1 fietsen

Ik

elke dag naar school.

2 zingen

Ik

graag vrolijke liedjes.

3 aaien

Ik

de hond van de buren.

13

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 13

23/03/2022 08:35


Dit kan ik nu Zo schrijf ik het goed

! ?



1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Woorden uit blok 5 (groep 5)

! ?



1 2 3 4 5

Goed!

14

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 14

23/03/2022 08:35


15

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 15

23/03/2022 08:35


Spelen en bewegen 1

Dobbelen. Wat heb je nodig? • dobbelsteen 1 Gooi om de beurt met de dobbelsteen. Wie het hoogst gooit, is spelleider. 2 Spelleider: kies een werkwoord uit woordpakket 1. Zeg het werkwoord. 3 Spelers: gooi om de beurt met de dobbelsteen. Vul voor 1 tot en met 5 de werkwoordsvorm in. Zeg voor 6 de laatste klank van de stam. Of zeg dat het een werkwoord met ch is. 4 De spelleider controleert je antwoord. Is het antwoord goed? Dan heb je een punt verdiend. Wie heeft de meeste punten? Dat is de winnaar!

ik ...

het meisje ...

jij ...

woordenboekvorm

de man ...

laatste letter van de stam

16

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 16

23/03/2022 08:35


2

Ren je rot! Wat heb je nodig? • twee grote vellen papier • een dikke viltstift 1 Schrijf op twee grote vellen papier: vel 1: ik-vorm vel 2: jij-vorm en hij/zij-vorm 2 Hang de vellen op een afstandje van elkaar. 3 Kies een spelleider. 4 De spelleider roept steeds een werkwoordsvorm uit woordpakket 1. Is het een ik-vorm of een jij/hij/zij-vorm? Ren naar het goede vel. Sta je bij het verkeerde vel? Dan ben je af. 5 Herhaal zes keer. 6 Wie zijn de winnaars?

17

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 17

23/03/2022 08:35


Spelling

Maat • Groep 6  Blok 1

9 789006 841381

TV_Spel_MAAT_G6_Blok1.indb 66

23/03/2022 08:37


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Pit spelling - groep 6 - maat - blok 1 by ThiemeMeulenhoff - Issuu