Spelling
Groep 5
Blok
Groep 5 Blok 1 Handleiding
1
Handleiding 9 789006 240962
Cover Spelling_handleiding_groep 5 Blok 1.indd All Pages
19/04/2022 16:00
Spelling
Handleiding • Groep 5 • Blok 1
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 1
19/04/2022 15:57
Pictoʼs Deze opdracht doe je als je tijd hebt. Deze opdracht doe je alleen. Deze opdracht doe je samen. Deze opdracht doe je in een groepje. Deze opdracht doe je met de hele klas. Dit is een bewegingsopdracht. Deze opdracht schrijf je op een blaadje.
Knipstrategie Luisterstrategie Onthoudstrategie Ook-zo-strategie Regelstrategie Werkwoord
2
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 2
19/04/2022 15:57
Blok 1 Differentiatie
Cheeta-opdracht De cheeta-opdracht is een extra opdracht aan het eind van elke les, in te zetten als tempodifferentiatie.
Herhalen en toepassen Leerwerkschrift
Spel 1 De leerlingen schrijven een woord uit blok 1 op zonder de blauwe letters. De klasgenoot raadt om welk woord het gaat en schrijft het op. Hiermee oefenen de leerlingen de spellingsmoeilijkheden van de woorden uit blok 1. Spel 2 Dit spel wordt gespeeld met de hele groep om de goede schrijfwijze te bevorderen. De leerlingen spelen bingo met woorden uit blok 1. Begeleid de leerlingen bij het maken van een bingokaart. Jij bent de bingoleider. Spel 3 De leerlingen maken zelf een puzzel met woorden uit blok 1 en laten deze oplossen door een klasgenoot. Het spel bevordert de goede schrijfwijze van woorden.
Leerwerkschrift Maat
Spel 1 De leerlingen raden letters van woorden uit blok 1 en schrijven de woorden op. Hiermee wordt het spellingprobleem geoefend. Spel 2 De leerlingen prikken in een schijf en noemen een woord uit blok 1 met die letter (f, v, s, z, ei en ij). Hiermee worden woorden uit woordpakket 2 en 4 herhaald. Spel 3 De leerlingen oefenen de woorden uit blok 1 via het spel vier op een rij.
Pluswerk Woordpakket 1
In opdracht 1 oefenen de leerlingen door het bedenken van rijmwoorden de schrijfwijze van woorden met sch en schr. Bij opdracht 2 en 3 kunnen nieuwe woorden gemaakt worden die niet in het woordpakket staan. In opdracht 4 worden de woorden in een betekenisvolle context geoefend.
Woordpakket 2
De leerlingen oefenen woorden met s/z en f/v door het maken van een woordslang, het bedenken van rijmwoorden, het oplossen van rebussen en door het schrijven van een verhaal. De woordslang van opdracht 1 wordt door een andere spellingsterke leerling opgelost.
Woordpakket 3
In opdracht 1 wordt via klankherkenning (rijm), woordbetekenis en het maken van nieuwe woorden geoefend met woorden met de ook-zo-stukjes eer, oor, eur. Bij opdracht 2 en 3 wordt geoefend met zowel woorden uit het woordpakket als met nieuwe woorden.
Woordpakket 4
Bij alle opdrachten leren de leerlingen dat de klank /ij/ gelijk kan zijn, maar de schrijfwijze kan verschillen (ei of ij). Opdracht 2 en 3 kunnen door een spellingsterke klasgenoot opgelost worden. Bij opdracht 4 passen de leerlingen door het schrijven van een verhaal de woorden toe in een betekenisvolle context.
Mijn Pakket Voor elk woordpakket kunnen leerlingen extra oefenen. De leerling oefent op eigen niveau, afhankelijk van de resultaten. Zie de handleiding Leerlingsoftware in de cockpit onder ‘jaaroverzicht’.
3
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 3
19/04/2022 15:57
Wp1
Les 1
Woorden met sch en schr
Lesdoel
Lesvoorbereiding
Materiaal
• De leerling leert meer woorden schrijven met sch en schr.
• Bekijk woordpakket 1. • Zet les 1 klaar op het digibord. • Combinatiegroep: print de instaples bij deze les. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.
• • • • •
Woordpakket 1
Les 1
Woorden met sch en schr
1
Bekijk samen het woordpakket en de schrijfaanwijzing.
2
Beantwoord de vragen.
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat kladblaadje voor iedere leerling combinatiegroep: printblad Instaples
4
• Ik leer meer woorden schrijven met sch en schr.
1 Welke woorden met sch en schr zie je? Bedenk een verhaal bij het plaatje met zo veel mogelijk woorden met sch en schr. 2 Onderstreep elk woord met sch of schr.
1 Welke woorden kun je in twee woorden knippen? Schrijf er vier op.
schaatsen schaken je schamen schijnen
de schapen de schilder de schommel de schoolbus het scheenbeen
Bijvoorbeeld: de schapen, de schilder, het schrikdraad,
de school - bus, het scheen - been, de vriend - schap, het land - schap,
Ook-zo-woorden de vriendschap het landschap het windscherm het verschil
schrapen schrobben de schrijver de schroeven het schrikdraad
2 In welke vier woorden is de letterrover geweest? Schrijf ze op.
1 Luister naar het woord in je hoofd.
3 In welke twee woorden is de letterzetter geweest? Schrijf ze op.
1 2 3
de schommel, schrobben
a
3
Weet jij het verschil tussen schijven en schrijven? En tussen schapen en schrapen? Nee? De rrr!
Geef elkaar een dictee.
c
1 2 3 4 5 6 7 8
d
Kies samen een rijtje uit het woordpakket. Kies rijtje 1, 2, 3 of 4. Kijk goed hoe je de woorden schrijft. Leerling 1: zorg dat je het woordpakket niet ziet. Leerling 2: lees een woord uit het rijtje voor. Leerling 1: luister goed naar je klasgenootje. Schrijf het woord op. Doe dit met alle woorden van het rijtje. Ruil om. Doe hetzelfde met een ander rijtje. Kijk samen na en verbeter.
e f g h
Meerdere antwoorden mogelijk.
i
4 Lees nog een keer na of je het woord goed geschreven hebt.
j
4
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 4
5
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 5
23/02/2022 17:59
6
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 6
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 7
LEERWERKSCHRIFT EN LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 4 – 5 – 6
4
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 4
Lees de zinnen.
b
Voorbeeld: Je hoort /sgool-bus/. Je schrijft schoolbus. Je hoort /sgrik-draad/. Je schrijft schrikdraad.
2 Soms knip je het woord in twee woorden of in woordstukjes. 3 Hoor je /sg/ aan het begin van het woord of woordstukje? Schrijf dan altijd sch. Hoor je /sgr/ aan het begin van het woord of woordstukje? Schrijf dan altijd schr. sch en schr zijn ook-zo-stukjes. Je schrijft ze altijd hetzelfde.
1
schaken, schamen, de schapen, schrapen
Schrijf het ook-zo-stukje altijd hetzelfde. sch/schr
het landschap, het windscherm, verschrikt.
het wind - scherm, het schrik - draad, het school - schrift
verschrikt het schoolschrift
Kijk naar het plaatje.
19/04/2022 15:57
Woordpakket 1
Les 2
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Instructie
• Ga naar het digibord. Doe de oefening(en). • Vertel dat het woorden zijn uit groep 4. Weten de leerlingen nog meer woorden uit groep 4? • Leg uit dat dit de eerste les spelling van groep 5 is. In groep 5 zijn de woorden vaak langer. En er wordt een begin gemaakt met werkwoordspelling. • Tussen de woorden zit al één woord uit groep 5. Kijk nog even naar de schommel. Benoem waar je bij dit woord op moet letten (de sch aan het begin van het woord). • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen. Vertel de leerlingen dat ze deze week meer woorden met sch en schr leren schrijven.
Leerwerkschrift Maat Oefen samen met eenlettergrepige woorden. Laat de woorden op het digibord schrijven. Geef eventueel de volgende woorden weg: schaar, school, schrift, schreef. De leerling onderstreept in ieder woord het ook-zo-stukje. NT2 Van welke woorden kennen de leerlingen de betekenis niet? Laat ieder voor zich een lijstje maken. Bespreek de betekenis van die woorden of laat de woorden opzoeken. De leerlingen noteren de moeilijkste woorden (met betekenis). Dyslexie De leerlingen schrijven vooraf de beide ook-zo-stukjes een aantal keer op. Terwijl ze het opschrijven, kunnen ze de letters zeggen: /es/ /cee/ /haa/ voor sch en /es/ /cee/ /haa/ /er/ voor schr. Leerwerkschrift Maat en Dyslexie In verschillende lessen zullen de leerlingen gebruikmaken van letter, woord- of regelkaartjes. Leg een bakje aan waarin ze deze spellingskaartjes kunnen bewaren, zodat ze de kaartjes op ieder gewenst moment kunnen raadplegen. Uiteraard is het ook mogelijk om met een apart schriftje te werken.
Woorden met sch en schr
Instructie
• Ik oefen meer woorden met sch en schr.
• Bekijk samen de woordpakketwoorden. Laat de woorden hardop voorlezen en wijs steeds op de ook-zo-stukjes sch en schr. • Bespreek het pictogram boven het woordpakket. • Vraag welke andere spellingcategorieën de leerlingen in de woorden zien naast schrikdraad sch en schr. (stomme e, letterzetter, ...) schamen • Herhaal voorgaande schrijfaanwijzingen aan de hand van het woord schoolbus. schilder schrapen verschrikt Wijs tijdens deze modeling steeds de betreffende spellingscategorie aan op de vriendschap poster.verschil Gebruik de ik-vorm. schrobben • ‘Alslandschap ik hetschilder woord schoolbus ga schrijven, zeg ik het woord zachtjes voor mijzelf: schijnen /sgool - bus/. Ik knip het woord in twee woorden. Per woord bedenk ik hoe ik het schoolbus moet schrijven. Eerst /sgool/. Ik hoor /sg/ aan het begin. Ik schrijf dan altijd sch.’ windscherm (Schrijf school op.) ’sch is een ook-zo-stukje. Ik schrijf het altijd hetzelfde. Het tweede woord /bus/ schrijf ik zoals ik het hoor.’ (Schrijf bus erachter.) ‘Ik lees het woord nog een keer: schoolbus. Ik heb het goed geschreven.’ • Geef daarna beurten: laat enkele leerlingen op dezelfde manier hardop denkend de woorden per woord of klankgroep schrijven. • Bespreek de pictogrammen bij de schrijfaanwijzing. 7 • Bekijk samen de opdrachten in de leerwerkschriften. Lees de opdrachten voor en licht ze zo nodig toe. • Wijs op de poster deze spellingcategorie aan. Schrijfaanwijzing Hoor je /sg/? Schrijf dan sch. Hoor je /sgr/? Schrijf dan schr. schr
1
Lees de zinnen.
1 Kleur de woorden met sch geel. 2 Kleur de woorden met schr rood. 3 Vul daarna de woorden in. a Kijk uit! Dat is schrikdraad.
b Je hoeft je niet te schamen.
c De schilder moest zijn keel schrapen. d Wat kijk je verschrikt!
e Weet jij het verschil tussen vriendschap en liefde? f
Wil jij de keuken schrobben?
g ‘Het landschap is mooi,’ zegt de schilder. h Zie je de maan door de bomen schijnen? i
Gaan we met de schoolbus naar zwemles?
j
Ga jij maar op de schommel! Ik blijf achter het windscherm.
schommel
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 7
23/02/2022 17:59
Verwerking Opdrachten zijn gelijk voor het leerwerkschrift en het leerwerkschrift Maat. Opdracht 2 De leerlingen knippen de woorden in twee woordstukjes. Ze bepalen welke woorden samenstellingen zijn en in welke woorden de letterrover en letterzetter zijn geweest. Opdracht 3 De leerlingen geven elkaar een dictee. Daardoor leren ze goed te luisteren naar het woord en de ook-zo-stukjes goed te schrijven. Opdracht 4 De leerlingen maken een verhaal bij de afbeelding en gebruiken daarbij zo veel mogelijk woordpakketwoorden. Ze oefenen de schrijfwijze en de betekenis
Compactroute Opdracht 3.
Combinatiegroep Instaples combinatiegroep Heb je een combinatiegroep, geef een van de twee groepen dan het printblad van de instaples.
van de woorden.
Reflectie • Bespreek kort de antwoorden van opdracht 2 met behulp van het digibord. Laat daarna enkele verhalen van opdracht 4 voorlezen en tel samen de woorden met sch en schr.
5
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 5
19/04/2022 15:57
Wp1
Les 2
Woorden met sch en schr
Lesdoel
Lesvoorbereiding
Materiaal
• De leerling oefent meer woorden met sch en schr.
• Bekijk woordpakket 1. • Zet les 2 klaar op het digibord.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Woordpakket 1
Woorden met sch en schr
Les 2
2
• Ik oefen meer woorden met sch en schr.
1
a Kijk uit! Dat is schrikdraad.
schilder
schrapen
verschil
e Weet jij het verschil tussen vriendschap en liefde?
3
landschap
h Zie je de maan door de bomen schijnen?
schijnen
j
Gaan we met de schoolbus naar zwemles?
schilder
.
.
.
2
Bekijk het woordpakket nog eens.
Welke woorden staan er? Kies de goede letters. Schrijf het hele woord op. sch / schr
...ijver
schrijver
sch / schr
...ool..ift
schoolschrift
sch / schr
...eenbeen
scheenbeen
sch / schr
vriend...ap
vriendschap
sch / schr
ver...il
verschil
sch / schr
ver...ikt
verschrikt
1
schoolbus
schoppen
2
scharen
3
windscherm
Zoek zes woorden met sch en schr in de puzzel. Maak ze zo lang mogelijk. Kijk → en ↓ . 1 Streep de woorden met sch en schr door. 2 Vul het woord in.
1 Schrijf vijf woorden op die jij het moeilijkst vindt. Kijk na en verbeter als het fout is.
Ga jij maar op de schommel! Ik blijf achter het windscherm.
schommel
• Ik oefen meer woorden met sch en schr. • Ik bedenk zelf nieuwe woorden en sch en schr.
vriendschap
schrobben
g ‘Het landschap is mooi,’ zegt de schilder.
.
schoolschrift
6 Ik schrijf op school in mijn
verschrikt
Wil jij de keuken schrobben?
schrobben
5 Ik moet de vloer
schamen
c De schilder moest zijn keel schrapen. d Wat kijk je verschrikt!
schapen
4 In de wei lopen drie
Woorden met sch en schr
. 1
schrikdraad
b Je hoeft je niet te schamen.
Les 3
.
schroeven
3 Dit zijn geen spijkers, maar
1 Kleur de woorden met sch geel. 2 Kleur de woorden met schr rood. 3 Vul daarna de woorden in.
i
schaken
2 Wij zijn aan het
Lees de zinnen.
f
schaatsen
1 Kijk! Ze zijn aan het
Schrijfaanwijzing Hoor je /sg/? Schrijf dan sch. Hoor je /sgr/? Schrijf dan schr. schr
Woordpakket 1
Welk woord uit het woordpakket hoort bij het plaatje? Vul het woord in.
schrikken
4
c
h
o
p
p
e
g
s
v
y
w
d
n o
h
h
s
c
h
a
r
e
n
r
r
c
h
t
j
m
u
z
i
i
h
i
g
a
b
p
e
schipper
k
f
e
p
u
r
s
c
h
k
t
p
p
i
n
k
w
i
e
e
e
e
s
c
h
r
e
n
n
n
r
c
h
y
w
a
vriendschap, landschap, windscherm, schrikdraad 3 Je hebt nu vier woorden met d ingevuld. Teken het picto het betekent.
s c
schepen
schriften
5 2 Bij welke vier woorden van het woordpakket hoor je /t/ maar schrijf je een d? Schrijf die woorden op.
s c
bij de woorden en leg uit wat
Pas de regel toe: Hoor je /t/ aan het eind van een woord? Maak het woord langer. 7
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 7
23/02/2022 17:59
8
9
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 8
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 9
23/02/2022 17:59
LEERWERKSCHRIFT blz. 7 – 8
Woordpakket 1
Les 2
Woorden met sch en schr
2
• Ik oefen meer woorden met sch en schr.
c
h
s
c
h
3
s
c
h
r
4
s
c
h
aken
5
s
c
h
ijnen
Onthoud en vul in.
6
s
c
h
r
oeven
1 Kijk goed naar het plaatje. Onthoud de woorden met sch en schr. Zorg nu dat je de woorden niet meer ziet. 2 Vul de woorden uit je hoofd in. 3 Kijk zelf na. Is het goed? Kleur het hokje groen. Zijn niet alle hokjes groen? Vul de woorden die je fout had opnieuw in.
7
s
c
h
r
obben
8
s
c
h
ommel
9
s
c
h
ool
de schilder
3
Les 3
ap
2 Hoor je /sg/? Schrijf dan sch. Hoor je /sgr/? Schrijf dan schr. schr
1
s
1 vriend
Schrijfaanwijzing
Woordpakket 1
Maak woorden met sch en schr. Vul in elk leeg hokje een letter in.
aatsen
het landschap
1
s
scha schaat
c
h
r
schrij
ift
de schapen het schrikdraad
eerste woord
tweede woord
school | wind | vriend | scheen
scherm | been | schap | bus
schoolbus
2
windscherm
3
vriendschap
4
scheenbeen
Welke woorden staan er? 1 Kijk naar het voorbeeld. Kijk daarna naar de woordstukjes. 2 Trek een lijn naar het goede woordstukje uit het tweede rijtje. Vul de woorden in.
Maak samenstellingen.
1
• Ik oefen meer woorden met sch en schr. • Ik bedenk zelf nieuwe woorden en sch en schr.
apen
1 Plak de woorden aan elkaar. Vul de nieuwe samenstellingen met sch en schr in. 2 Maak met elk woord een zin. Vul de zinnen in.
verschrikt
Woorden met sch en schr
2
• • •
• ven • men • sen
• • scheen • ver
schroe
• ven • been • schil
schamen
verschil
schaatsen
schroeven
schrijven
scheenbeen
Zoek zes woorden met sch en schr in de woordrups. Streep de woorden met sch en schr door. Vul de woorden in.
het windscherm
verschrikt
de schapen
de schilder
het schrikdraad
het landschap
het winscherm
7
28/02/2022 08:59
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 7
28/02/2022 08:59
schoppen
schrikken
schriften
scharen
schipper
schepen
8
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 8
9
28/02/2022 08:59
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 9
28/02/2022 08:59
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 7 – 8
6
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 6
19/04/2022 15:57
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Instructie
Je kunt bij deze les een liedje laten beluisteren. • Vraag de leerlingen of ze nog weten wat een samenstelling is. Maak een samenstelling van twee woorden/voorwerpen die in de klas aanwezig zijn. Bijvoorbeeld: een poot van de tafel, een tafelpoot, of: een schrift voor school, een schoolschrift. • Laat de leerlingen ook enkele samenstellingen bedenken. Kunnen ze ook samenstellingen noemen van woorden met sch en schr? • Ga naar het digibord. Toon de samenstellingen. • Vraag de leerlingen wat ze als eerste moeten doen als ze dit soort woorden opschrijven. (het woord in twee woorden knippen) • Je kunt nu het liedje laten beluisteren. Welke woorden met sch en schr hebben ze gehoord? • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen. Vertel de leerlingen dat ze deze les verder oefenen met het schrijven van meer woorden met sch en schr.
Spellingsterk Laat leerlingen woorden noemen waarin een woord met sch of schr zit. Geef zelf een voorbeeld uit het woordpakket: schrik → verschrikt. Andere voorbeelden zijn: verschrikkelijk, beschermd, geschoold, schriftelijk. Leerwerkschrift Maat en NT2 Wijs leerlingen erop dat je niet altijd duidelijk /sgr/ hoort, maar vaak ook /sr/. Oefen de uitspraak van de woorden met schr.
Instructie • Wijs er nogmaals op dat elk woord met sch en schr ook zo in andere woorden (in samenstellingen) wordt geschreven. • Doe de oefening(en). • Kijk samen naar de verkorte schrijfaanwijzing in de leerwerkschriften en bespreek deze met de leerlingen. • Bekijk samen de opdrachten in de leerwerkschriften. Lees de opdrachten voor en licht ze zo nodig toe. • Laat de leerlingen bij opdracht 1 in het leerwerkschrift Maat de woorden zachtjes voor zichzelf zeggen, zodat ze sch of schr goed horen.
Verwerking
Coöperatieve werkvorm Opdracht 1 leerwerkschrift Maat De leerlingen bekijken de afbeelding en lezen om de beurt een woord. Leerling 1 legt een blaadje over de afbeelding en de woorden. Leerling 2 leest de zes woorden voor. Leerling 1 vult ze in zijn leerwerkschrift in. Dan wisselen ze van rol. De leerlingen controleren hun woorden en verbeteren.
Compactroute Opdracht 2 en 3.
Opdracht 1 Door de woorden met sch geel en met schr rood te kleuren, worden de leerlingen zich bewust van de r in het ook-zo-stukje. Maat De leerlingen prenten zes woorden met sch of schr in en proberen de woorden foutloos in te vullen. Opdracht 2 De leerlingen oefenen met deze opdracht zowel de woordbetekenis als schrijfwijze van de woorden. Maat Door woorden aan te vullen met de ook-zo-stukjes sch of schr worden de leerlingen zich bewust van de r in het ook-zo-stukje. Opdracht 3 De leerlingen reflecteren op de woordpakketwoorden door de vijf moeilijkste woorden op te schrijven. Daarna zoeken ze in het woordpakket vier woorden die eindigen op d (regel), tekenen het pictogram erbij en leggen uit wat dit betekent. Maat De leerlingen voegen de samenstellingen van het woordpakket samen en schrijven ze op.
Reflectie • Bespreek kort enkele antwoorden van de opdrachten met behulp van het digibord. • Vraag daarna of iedereen nu weet hoe je woorden met sch en schr schrijft: 1 Als je /sg/ aan het begin van een woord of woordstukje hoort, schrijf je sch. 2 Als je /sgr/ of soms alleen /sr/ aan het begin van een woord of woordstukje hoort, schrijf je schr. • Zet beide ook-zo-stukjes op het digibord. Laat de leerlingen uit het hoofd woorden noemen die met sch of schr beginnen. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.
7
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 7
19/04/2022 15:58
Wp1
Lesvoorbereiding
Materiaal
• De leerling oefent de woorden uit les 1 en bedenkt zelf nieuwe woorden met sch en schr.
• Bekijk woordpakket 1. • Zet les 3 klaar op het digibord. • Preteaching: zie de aanwijzingen bij Extra instructie.
• digibord • leerwerkschrift • leerwerkschrift Maat
Les 3
Woorden met sch en schr
3
• Ik oefen meer woorden met sch en schr. • Ik bedenk zelf nieuwe woorden en sch en schr.
Woordpakket 1
Maak nieuwe woorden. Zoek zeven nieuwe woorden met sch en schr in je leesboek of het (digitale) woordenboek of bedenk zelf woorden. Schrijf de woorden op.
Les 4
Meerdere antwoorden mogelijk.
Welke woorden staan er? Kies de goede letters. Schrijf het hele woord op. sch / schr
2
Woorden met sch en schr
Lesdoel
Woordpakket 1
1
Les 3
...ijver
• Ik kan woorden met sch en schr nu goed schrijven. • Ik kan woorden uit blok 5 (groep 4) nog goed schrijven.
Dit kan ik nog
sch / schr
...ool..ift
schoolschrift
sch / schr
...eenbeen
scheenbeen
sch / schr
vriend...ap
vriendschap
sch / schr
ver...il
verschil
sch / schr
ver...ikt
verschrikt
4
Maak zinnen met de woorden uit opdracht 3. Maak met vier woorden een zin. Schrijf de zinnen op.
1
Mama neemt een hap. ‘Bah,’ zegt mama, ‘de saus is lauw. Het vlees smaakt flauw. Er zit geen zout op. En de prei is ook niet lekker.’ ‘Het spijt mij,’ zegt papa. ‘Alles ging fout. Ik was het kookboek kwijt'.
Zoek zes woorden met sch en schr in de puzzel. Maak ze zo lang mogelijk. Kijk → en ↓ .
scharen schrikken
s
s
c
h
o
p
p
e
n
c
c
g
s
v
y
w
d
o
h
h
s
c
h
a
r
e
n
r
r
c
h
t
j
m
u
z
schepen
i
i
h
i
g
a
b
p
e
schipper
k
f
e
p
u
r
s
c
h
k
t
p
p
i
n
k
w
i
e
e
e
e
s
c
h
r
e
n
n
n
r
c
h
y
w
a
schriften
9
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 9
23/02/2022 17:59
Lees het verhaal. 1 Onderstreep de woorden met au, ou, ei en ij. 2 Zet de woorden in het goede rijtje.
Meerdere antwoorden mogelijk.
schoppen
23/02/2022 17:59
Dit kan ik nu
• Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 4).
schrijver
1 Streep de woorden met sch en schr door. 2 Vul het woord in.
d?
Dit kan ik nog
au
ou
ei
ij
saus
zout
prei
spijt
lauw
fout
kwijt
flauw
mij
10
11
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 10
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 11
23/02/2022 17:59
LEERWERKSCHRIFT blz. 9 – 10
Woordpakket 1
Les 3
Woorden met sch en schr
3
• Ik oefen meer woorden met sch en schr. • Ik bedenk zelf nieuwe woorden en sch en schr.
Woordpakket 1
Maak nieuwe woorden. Meerdere antwoorden mogelijk. Zoek zes nieuwe woorden met sch en schr in het woordenboek of bedenk zelf woorden.
Les 4
1 2
Dit kan ik nog
Dit kan ik nu
• Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 4).
• Ik kan woorden met sch en schr nu goed schrijven. • Ik kan woorden uit blok 5 (groep 4) nog goed schrijven.
3 1
Welke woorden staan er?
4
1 Kijk naar het voorbeeld. Kijk daarna naar de woordstukjes. 2 Trek een lijn naar het goede woordstukje uit het tweede rijtje. Vul de woorden in.
5
Dit kan ik nog
6 scha schaat schrij
in.
2
• • •
• ven • men • sen
• • scheen • ver
schroe
• ven • been • schil
schamen
verschil
schaatsen
schroeven
schrijven
scheenbeen
4
1
Lees het verhaal. Vul de blauwe woorden in het goede rijtje in. Mama neemt een hap. ‘Bah,’ zegt mama, ‘de saus is lauw. Het vlees smaakt flauw. Er zit geen zout op. En de prei is ook niet lekker.’ ‘Het spijt mij,’ zegt papa. ‘Alles ging fout. Ik was het kookboek kwijt.’
Maak zinnen met de woorden uit opdracht 3. Maak met drie woorden een zin. Schrijf de zinnen op.
Meerdere antwoorden mogelijk
Zoek zes woorden met sch en schr in de woordrups. Streep de woorden met sch en schr door. Vul de woorden in.
au
ou
ei
ij
flauw
zout
prei
spijt
lauw
fout
kwijt
saus
schoppen
schrikken
schriften
scharen
schipper
schepen
9
28/02/2022 08:59
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 9
28/02/2022 08:59
10
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 10
11
28/02/2022 08:59
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 11
28/02/2022 09:00
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 9 – 10
8
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 8
19/04/2022 15:58
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie
Opdracht 1
• Ga naar het digibord. Toon de zin. Vraag waarom deze zin goed bij het woordpakket van deze week past. (Er staan allemaal woorden in met sch.) • Daag de leerlingen uit de zin zo snel mogelijk hardop voor te lezen. Vertel dat deze zin een tongbreker wordt genoemd. Waarom zou dat zo zijn? (Tongbrekers zijn zinnen (of woorden) die moeilijk uit te spreken zijn. Bijvoorbeeld doordat alle woorden met dezelfde klank beginnen.) Kennen de leerlingen nog meer tongbrekers? • Bespreek kort het leerdoel met de leerlingen. Vertel de leerlingen dat ze deze les meer woorden leren schrijven met sch en schr.
Dyslexie De leerlingen doen deze opdracht mondeling. Daarbij kunnen ze per woord de losse woordstukje op kaartjes schrijven en met de kaartjes schuiven tot ze het woord gevormd hebben. Spellingsterk Laat de leerlingen als aanvulling op de opdracht met elk woord een zin maken.
Instructie
Opdracht 4
• Je kunt hier de jingle laten beluisteren. • Kijk samen naar de schrijfaanwijzing en laat deze voorlezen. Bespreek het voorbeeld. • Kijk samen met de leerlingen naar de korte schrijfaanwijzing in de leerwerkschriften en bespreek deze met de leerlingen. Laat ze in eigen woorden uitleggen wat ze doen (in hun hoofd) als ze woorden met sch en schr schrijven. Laat ook voorbeeldwoorden noemen. • Bekijk samen de opdrachten in de leerwerkschriften. Lees de opdrachten voor en licht ze zo nodig toe. • Geef bij opdracht 3 aan dat het woorden met twee of meer lettergrepen moeten zijn. Het woord(stukje) met sch(r) kan ook achteraan staan in het woord. • De leerlingen kunnen bij opdracht 4 eventueel ook het woordenboek gebruiken voor de betekenis van de nieuwe woorden.
NT2 Weten de leerlingen wat de nieuwe woorden (van opdracht 3) betekenen? Laat ze de betekenis opzoeken in het woordenboek en opschrijven. Daarna maken ze bij opdracht 4 zinnen met de nieuwe woorden. Spellingsterk De leerlingen maken een eigen tongbreker (zie introductie) met woorden met sch en/ of schr.
Verwerking
Compactroute Opdracht 2 en 3.
Opdracht 1 De leerlingen oefenen de schrijfwijze van de woordpakketwoorden door steeds het goede woordstukje te kiezen en het woord op te schrijven. Maat De leerlingen oefenen met de woordpakketwoorden door de woordstukjes aan elkaar te verbinden en de woorden goed op te schrijven. Opdracht 2 De leerlingen oefenen met nieuwe woorden met sch en schr door zes nieuwe woorden in de puzzel te zoeken en op te schrijven. Maat De leerlingen oefenen met nieuwe woorden met sch en schr door zes nieuwe woorden in de woordrups te zoeken en op te schrijven. Opdracht 3 De leerlingen breiden zelfstandig het woordpakket uit door nieuwe woorden in een woordenboek te zoeken of zelf te bedenken. Opdracht 4 De leerlingen maken zinnen met woorden uit opdracht 3. Ze oefenen de schrijfwijze en de betekenis van de nieuwe woorden.
Reflectie • Bespreek kort de antwoorden bij opdracht 3. Welke woorden hebben de leerlingen gevonden en kent iedereen de betekenis? • Doe de reflectieoefening(en) op het digibord. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.
9
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 9
19/04/2022 15:58
Wp1
Les 4
Woorden met sch en schr
Lesdoelen
Lesvoorbereiding
Materiaal
• De leerling kan de woorden met sch en schr nu goed schrijven. • De leerling kan de woorden uit blok 5 (groep 4) nog goed schrijven.
• Bekijk woordpakket 17, 18, 19 en 20 van groep 4. • Zet les 4 klaar op het digibord. • Schrijf 10 woorden op losse kaartjes/ blaadjes (zie introductie).
• • • •
Woordpakket 1
Les 4
Dit kan ik nog
Dit kan ik nu
• Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 4).
• Ik kan woorden met sch en schr nu goed schrijven. • Ik kan woorden uit blok 5 (groep 4) nog goed schrijven.
2
Dit kan ik nu
Welk woord staat er? Vul het hele woord in. = t of tt
= p of pp
= r of rr
= k of kk
Zo schrijf ik het goed
! ?
1 de peen
de
petten
2 de slaen
de
slakken
1
3 de zween
de
zwepen
2
4 de snoen
de
snorren
3
Lees het verhaal.
5 de straen
de
straten
4
1 Onderstreep de woorden met au, ou, ei en ij. 2 Zet de woorden in het goede rijtje.
6 de stien
de
stippen
5
7 de draen
de
draken
6
8 de muen
de
muren
7
Dit kan ik nog 1
digibord leerwerkschrift leerwerkschrift Maat kaartjes/blaadjes (per tweetal 1 kaartje) • groeischrift of scoreblad Spelling
Mama neemt een hap. ‘Bah,’ zegt mama, ‘de saus is lauw. Het vlees smaakt flauw. Er zit geen zout op. En de prei is ook niet lekker.’ ‘Het spijt mij,’ zegt papa. ‘Alles ging fout. Ik was het kookboek kwijt'.
8 3
Puzzel de woorden. Welke woorden staan er? Kijk naar het pictogram. Kies de goede letters. Vul het hele woord in.
au
ou
ei
ij
au/ou
bl
saus
zout
prei
spijt
oo/o
sch
lauw
fout
kwijt
p/pp
sti
flauw
9 10
blauw
w len en
Woorden uit groep 4 (blok 5)
scholen
! ?
stippen
mij
1 au/ou
sn
wt
snauwt
2
oo/o
dr
men
dromen
3
t/tt
pe
en
petten
4 5
Goed!
11
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 11
23/02/2022 17:59
12
13
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 12
23/02/2022 17:59
TV_Spel_BASIS_G5_Blok1.indb 13
23/02/2022 17:59
LEERWERKSCHRIFT blz. 11 – 12 – 13
Woordpakket 1
Les 4
Dit kan ik nog
Dit kan ik nu
• Ik herhaal woorden uit blok 5 (groep 4).
• Ik kan woorden met sch en schr nu goed schrijven. • Ik kan woorden uit blok 5 (groep 4) nog goed schrijven.
2
1 de petten
Lees het verhaal. Vul de blauwe woorden in het goede rijtje in. Mama neemt een hap. ‘Bah,’ zegt mama, ‘de saus is lauw. Het vlees smaakt flauw. Er zit geen zout op. En de prei is ook niet lekker.’ ‘Het spijt mij,’ zegt papa. ‘Alles ging fout. Ik was het kookboek kwijt.’
3 de straten
1
4 de draken
2
5 de slakken
3
6 de snorren
4
7 de stippen
5
8 de muren
6
9 de ballen
7
10 de sturen
8
11 de vlekken
au
ou
ei
ij
flauw
zout
prei
spijt
lauw
fout
3
kwijt
10
Woorden uit blok 5 (groep 4)
Welk woord staat er? Vul het hele woord in.
! ?
= au = ou = ei = ij
11
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 11
28/02/2022 09:00
1 2
1 blw
blauw
2 de ks
de
kous
4
3 het ft
het
feit
5
4 snwt
snauwt
5 trwt
trouwt
6 de prs
de
3
Goed!
prijs
12
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 12
9
12 de jaren
saus
28/02/2022 08:59
Zo schrijf ik het goed
! ?
2 de zwepen
Dit kan ik nog 1
Dit kan ik nu
Kies de woorden waarin de letterzetter een extra letter heeft gezet. Onderstreep de goede antwoorden.
13
28/02/2022 09:00
TV_Spel_MAAT_G5_Blok1.indb 13
28/02/2022 09:00
LEERWERKSCHRIFT MAAT blz. 11 – 12 – 13
10
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 10
19/04/2022 15:58
Lesinhoud
Extra instructie / differentiatie
Introductie Dit kan ik nog
Instructie
• Schrijf de woorden: de saus, gauw, oud, de vrouw, de ballen, de jassen, de jaren, de repen, de reis, kwijt, grauw en bouwt op losse kaartjes. Vorm tweetallen. Geef ieder tweetal een kaartje. Elk tweetal maakt met zijn woord een zin. • Vraag een tweetal naar hun zin. De andere leerlingen raden welk woord er op het kaartje staat. Ga naar het digibord. Schrijf het op. Zien de leerlingen dat er een dubbeling zit tussen woordpakket 17 en 20? • De tweetallen met een blanco kaartje schrijven zelf een woord op uit één van de vier categorieën en maken daar een zin mee. • Bespreek kort de leerdoelen met de leerlingen. Vertel de leerlingen dat ze deze week de woorden van blok 5 (groep 4) herhalen.
Leerwerkschrift Maat Besteed meer aandacht aan de schrijfaanwijzing van de letterzetter en de letterrover.
Instructie Dit kan ik nog • Kijk samen naar de schrijfaanwijzingen. Wat kunnen de leerlingen er zelf nog over vertellen? • Bespreek ook kort de woorden met au, ou, ei en ij. • Bespreek de opdrachten in de leerwerkschriften.
Opdracht 3 Spellingsterk De leerlingen maken een stripverhaal waarin zo veel mogelijk woorden uit blok 5 (groep 4) verwerkt zitten. Eerst bedenken ze waar het verhaal over gaat. Daarna tekenen ze en schrijven ze de strip. Een klasgenoot leest de strip en telt het aantal woorden van blok 5 (groep 4).
Compactroute Alle opdrachten.
Verwerking Dit kan ik nog Opdracht 1 De leerlingen onderstrepen en rubriceren de woorden met au, ou, ei en ij en herhalen zo de onthoudwoorden uit blok 5 (groep 4). Maat Vergelijkbaar met Basis, de leerlingen rubriceren de blauwe woorden uit het verhaal. Opdracht 2 De leerlingen lossen een geheimschrift op en oefenen woorden met de letterzetter en letterrover. Maat De leerlingen kleuren de woorden waarin de letterzetter een extra letter heeft gezet. Opdracht 3 De leerlingen laten in deze opdracht zien dat ze de woorden uit blok 5 (groep 4) nog herkennen en goed kunnen schrijven.
Dictee • Neem het dictee af. • Aanwijzingen voor de afname staan in de Handleiding Algemeen.
Reflectie • De leerlingen vullen in het groeischrift of op het scoreblad Spelling in hoeveel woorden ze goed hadden. • Kijk voor de antwoorden op het digibord.
Woorddictee Dit kan ik nu
Dit kan ik nog
1 2 3
Woorden uit blok 5 (groep 4) 1 Ik maak een vouw in het papier. 2 Mijn zus heeft lang haar met krullen. 3 Over de rivier liggen twee bruggen. 4 Weet jij waar de lijm is? 5 De kat haalt uit met zijn klauw.
Ik heb gisteren van mijn vader gewonnen met schaken. Raak dat hek niet aan, het is schrikdraad! Het waait hard aan zee, dus we zitten achter een windscherm. 4 Maak jij dit dictee in je schoolschrift? 5 Hij verft huizen. Hij is schilder. 6 Joost keek verschrikt om zich heen omdat iedereen gilde. 7 De vloer is vies, kun jij de vloer schrobben? 8 We gaan met de schoolbus naar het museum. 9 Moet je dit met spijkers of schroeven vastmaken? 10 Zie je de maan door de bomen schijnen?
11
TMH PIT BLOK5.1sp DEF.indd 11
19/04/2022 15:58