Skip to main content

Traject Welzijn - Pedagogisch klimaat - module 2 Diversiteit

Page 1

PEK MOD ULE

2

Diversiteit In deze module staat diversiteit centraal, de verschillen tussen mensen en hoe je daarmee omgaat in je beroepspraktijk. Je leert hoe je rekening houdt met verschillen in leefregels en gewoonten. Je leert in deze module over verschillende bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond in Nederland. Ook doe je kennis op over de vijf belangrijkste wereldgodsdiensten. Waarin geloven mensen? Welke leefregels horen bij het geloof? En welke invloed heeft hun levensbeschouwing op hun dagelijks leven? Je leert hoe je binnen een organisatie omgaat met diversiteit en hoe je omgaat met diversiteit in de groep. Hoe kun je bijvoorbeeld kinderen vertrouwd maken met diversiteit?

Auteur M.C. Baseler Eindredactie R.F.M. van Midde


PEK MODULE 2 Diversiteit

©

Je helpt Lana zich thuis te voelen Lana (8) komt uit Syrië. Ze is nog maar kort in Nederland en spreekt de taal niet. Vandaag komt ze voor het eerst op de bso en jij bent gevraagd haar te helpen zich thuis te voelen. Je probeert je voor te stellen hoe Lana zich voelt; verlegen, alleen, onzeker? Voor haar komst leg je aan de andere kinderen uit dat Lana nog geen Nederlands spreekt en vraag je hoe ze haar zouden kunnen helpen. Een paar kinderen zeggen meteen dat ze haar maatje willen zijn en haar wegwijs willen maken op de groep. Ze laten zien hoe ze dit met gebaren kunnen doen. Andere kinderen zeggen dat ze plaatjes kunnen maken met de woorden stoel en tafel zodat Lana al wat woordjes kan leren. Op de dag van haar komst observeer je hoe Lana zich beweegt in de groep. Speelt ze? Doet ze mee aan de groepsrituelen? Probeert ze contacten te leggen? Vindt ze het leuk om samen met andere kinderen lekkere fruithapjes te maken? Je gebruikt gebaren in combinatie met eenvoudige gesproken taal. Je praat langzaam en duidelijk en maakt gebruik van liedjes en rijmpjes zodat Lana ook spelenderwijs nieuwe woorden leert. Je geeft haar kaartjes met plaatjes van emoties die ze kan gebruiken om te laten merken hoe ze zich voelt. Je maakt contact met haar moeder en ontdekt dat die enkele woorden Engels spreekt. Zo kom je wat meer te weten over Lana en daar kun je de volgende dag bij aansluiten. Dat helpt: Lana voelt zich al snel thuis.

2


ORIËNTATIE

1 V E R S C H I L L E N E N OV E R E E N KO M ST E N Diversiteit is alles waarin mensen van elkaar verschillen. Werk bij deze opdracht samen met iemand anders uit je groep. Bespreek met elkaar in welk opzicht jullie van elkaar verschillen. Maak ieder een lijstje van tien verschillen. Maak vervolgens samen een lijstje van tien overeenkomsten. Verschillen

Overeenkomsten

2 P O S I T I E V E I N V L O E D VA N V E R S C H I L L E N I N D E W E R KS I T UAT I E Diversiteit is alles waarin mensen van elkaar verschillen. Werk bij deze opdracht samen met iemand anders uit je groep. In welk opzicht kunnen de verschillen tussen jullie een positieve invloed hebben op jullie werk als collega's in een organisatie? Bespreek met elkaar ten minste drie punten die je zou kunnen toepassen in je toekomstige werksituatie. Werk deze punten uit.

3


PEK MODULE 2 Diversiteit

3 M O E I L I J K E WO O R D E N I N D E Z E M O D U L E In deze module kunnen woorden voorkomen waarvan je de betekenis nog niet kent. Dit kunnen beroepswoorden of vaktaalwoorden zijn, die je nog nooit eerder hebt gelezen. Zorg ervoor dat je ze begrijpt en kunt gebruiken in de module. Als je de woorden begrijpt, is het gemakkelijker om opdrachten in deze module te maken. Noteer tijdens het lezen van de theorie de woorden die je niet begrijpt. Geef van elk woord de betekenis en een voorbeeldzin. Woord

Betekenis

Voorbeeldzin

Tip:  In de begrippenlijst van deze module vind je alvast een selectie van vaktaalwoorden die met deze module te maken hebben. 4


Diversiteit in de maatschappij

1

Diversiteit in de maatschappij 1 LEERDOELEN

• • • • • • •

Je kunt beschrijven wat diversiteit betekent. Je kunt uitleggen wat culturele diversiteit is. Je kunt beschrijven wat cultuur betekent. Je kunt uitleggen wat een multiculturele samenleving is. Je kunt omschrijven wat de grootste bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond in Nederland zijn. Je kunt benoemen wat de vijf grootste wereldgodsdiensten zijn. Je kunt beschrijven wat de belangrijkste kenmerken van deze wereldgodsdiensten zijn.

Kinderen en jongeren groeien op in een kleurrijke samenleving. Alle mogelijke verschillen tussen mensen onderling, bepalen de diversiteit in de maatschappij. In de meeste gevallen zijn deze verschillen goed zichtbaar bij mensen, zoals leeftijd, geslacht of huidskleur. In andere gevallen zijn ze niet meteen te zien, zoals geloofsovertuiging, persoonlijke voorkeuren en talenten.

1.1

Samen verschillend

een migratieachtergrond. Het is in een samenleving soms lastig om rekening te houden met zoveel verschillende meningen en voorkeuren. Bij een grote culturele diversiteit, kost het soms energie en moeite om mensen te leren kennen en te begrijpen die anders doen en denken dan jij. Diversiteit vormt daarom een uitdaging, maar soms tegelijkertijd een probleem.

Sommige verschillen tussen mensen zijn zichtbaar, andere niet. Sommige verschillen zijn inspirerend en prikkelend, andere zorgen voor wrijving en geven je een ongemakkelijk gevoel. Diversiteit heeft te maken met het herkennen en erkennen van verschillen tussen mensen.

Diversiteit betekent: verscheidenheid. Diversiteit wil dus zeggen dat mensen verschillen in afkomst, leeftijd, sekse, nationaliteit, seksuele geaardheid, religie, taalgebruik, enzovoort.

Culturele diversiteit is de verscheidenheid aan culturen die er bestaat in een land, regio of de wereld in zijn geheel. Het houdt dus in dat er verschillen tussen mensen zijn in de manier waarop ze met elkaar omgaan en over allerlei onderwerpen denken en oordelen.

Diversiteit gaat over alle verschillen tussen mensen, dus niet alleen over verschillen tussen mensen met een Nederlandse achtergrond en die met 5


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

Aandacht voor diversiteit heeft niet alleen te maken met aandacht voor verschillen. Naast verschillen zijn er ook altijd overeenkomsten tussen mensen. Diversiteit is soms lastig, maar levert ook veel op. Als je goed kunt omgaan met diversiteit wil dat zeggen dat je om kunt gaan met verschillende mensen. Een open, belangstellende houding helpt je om je aan te passen aan ouders en kinderen met een andere levenswijze en verschillende sociale situaties. Hierdoor krijg je als mens een flexibele houding en ontwikkel je inlevingsvermogen waarvan je ook in het dagelijks leven profijt kunt hebben. Een bredere kijk op de wereld maakt je werk boeiender en je leven rijker. Je ontdekt dat er naast verschillen tussen groepen mensen ook altijd veel is dat ze bindt. Om diversiteit goed te benutten maak je duidelijk dat ieders inbreng even belangrijk is en dat ieders kwaliteiten worden gezien en benut.

meer aan op hun eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheid. Begrippen als 'eigen kracht' en 'zelfredzaamheid' staan daarbij centraal. Vooral sociaal zwakkere en kwetsbare mensen zijn hiervan de dupe, want niet iedereen is tot zelfstandigheid in staat. Ook in het pedagogisch werk is, vooral in de grote steden, diversiteit duidelijk zichtbaar. In Nederland heeft ongeveer een kwart van de bewoners een migrantenachtergrond. Iemand met een migratieachtergrond is een persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Op sommige scholen en kindercentra zie je wel tien verschillende nationaliteiten, en dat geldt ook voor de collega's en vrijwilligers met wie je te maken krijgt. Een kindercentrum of school is een maatschappij in het klein. Kinderen hebben er baat bij als zij al jong leren hoe ze moeten omgaan met verschillen, die ze nu en later in de maatschappij tegenkomen. In een multiculturele samenleving zullen kinderen ontdekken dat mensen met zeer verschillende sociale of culturele achtergronden soms onderling problemen hebben, maar ook heel goed samen problemen kunnen oplossen. Aandacht voor diversiteit betekent ook het bieden van gelijke kansen. Je probeert daarmee als organisatie elk kind een goede startpositie te geven voor de toekomst.

Voorbeeld Samir (46) is getouwd en heeft drie kinderen. Zijn collega Laura (net 19) is single. Beiden werken ze in hetzelfde gezinshuis. Ze zijn totaal verschillend, maar hebben hetzelfde gevoel voor humor. Laura ligt dubbel van het lachen als Samir zegt: 'Ik noem jou voortaan gewoon Luira. Jeetje, wat ben jij een lui mens, zeg!'

1.2 Veranderingen in de maat­ schappij Onze samenleving zag er nog nooit zo divers uit. Het traditionele gezin van vader, moeder en kinderen is geen standaard meer. Steeds meer mensen met een migrantenachtergrond vestigen zich in de Nederlandse samenleving. Er is veel onrust in de wereld. Daardoor zoeken mensen een veilig heenkomen. Anderen verlaten om economische redenen hun land om zich in West- Europa te vestigen. Deze toestroom van nieuwkomers zorgt hier en daar voor spanningen en minder tolerantie. De terugtrekkende overheid legt de verantwoordelijkheid voor het maatschappelijk functioneren meer bij het individu en spreekt mensen steeds

Figuur 1.1  Kinderen groeien op in een kleurrijke

samenleving  © Shutterstock / Cloud Mine Amsterdam

6


Diversiteit in de maatschappij

1

1.3 Culturele verschillen Veel van de verschillen tussen mensen hebben te maken met hun cultuur. Daarom besteden we daar in dit thema extra aandacht aan. Kennis over verschillende culturen helpt je om beter met elkaar om te gaan. Vanuit de cultuur waarin je bent opgegroeid, kun je je verbazen over verschillen in gewoonten van mensen met een andere achtergrond: hun communicatie, gedrag, hun kleding, tradities, waarden en normen.

Figuur 1.2  De straattaal die sommige jongeren spreken is

een mix van talen  © Mirador media / Anke Gielen

Iedereen behoort tot meer dan één groep. In een klein land als Nederland vind je de Nederlandse, Surinaamse, Antilliaanse, Turkse, Marokkaanse, Chinese, Hindoestaanse en Friese cultuur. En nog veel meer. Iemand kan zich Surinaams voelen, Brabantse en feminist.

Tradities zijn de gebruiken en gewoonten die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven.

Als pedagogisch werker met een migrantenachtergrond sta je misschien wel gek te kijken van het sinterklaasfeest. Die man met die witte nepbaard en een mijter, op een paard, en dan nog die pieten. Wat een vreemd feest! Andersom kijkt iemand met een Nederlandse achtergrond misschien verbaasd op over tradities van moslims en vraagt hij zich af wat er nou erg is aan het eten van varkensvlees.

Voorbeeld Pim (18): 'Eens even kijken tot welke groepen ik behoor? Ik ben Nederlander, jong, man en homo. Ik ben op mijn vijftiende uit de kast gekomen en heb op dit moment geen vriend. Ik zit bij een eetgroepje. We koken elke donderdag voor elkaar. Verder zit ik op atletiek en ben daar een van de snelste sprinters. Ik ben student en heb binnen mijn studie een speciale interesse voor het inzetten van sociale media binnen een organisatie.'

Onder cultuur wordt verstaan het geheel van waarden, normen, opvattingen en gewoonten binnen een bepaalde groep of samenleving.

1.4 De multiculturele samen­ leving Zolang Nederland bestaat zijn er mensen weggegaan en mensen bijgekomen. We noemen ze migranten, vluchtelingen of asielzoekers. Deze nieuwkomers brengen hun eigen gebruiken, taal, gewoonten en religie mee. Nederland is daarmee een multiculturele samenleving.

Elke groep kent zijn eigen cultuur en culturele identiteit. Denk aan de jongerencultuur met hun eigen gewoonten en zelfs taal. Voorbeeld Jongeren overbruggen hun verschillen onder andere door het delen van een gezamenlijke straatcultuur en het spreken van een gemeenschappelijke straattaal. Jongeren hebben vaak hun eigen taalgebruik, een mix van Nederlands, Surinaams, Turks en Marokkaans.

Een multiculturele samenleving is een maatschappij waarin mensen met verschillende culturele achtergronden op basis van gelijkwaardigheid naast en door elkaar leven. 7


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

en achtergronden te begrijpen en ontdek hoe boeiend die kunnen zijn. Besef wel dat het bijna onmogelijk is alles te weten te komen. Bovendien heeft elk individu binnen een bepaalde cultuur toch weer zijn eigen opvattingen die misschien anders zijn dan die van de cultuur waarin hij is opgegroeid. Maar het is natuurlijk wel prettig als de ander merkt dat jij iets over zijn of haar achtergrond weet of hebt opgezocht en dat je bijvoorbeeld een paar woordjes in iemands taal kent. Waar het om gaat is dat je een positieve houding ontwikkelt voor alles wat voor jou onbekend is. Dat je de ander met een open blik tegemoet treedt.

Figuur 1.3  In Nederland wonen diverse groepen bij elkaar  © Charlotte Bogaert

In Nederland leven naar schatting zo'n honderdvijftig verschillende nationaliteiten afkomstig uit allerlei culturen met elkaar samen. Dat zie je ook terug op de kinderopvang en in het onderwijs. Kinderen met verschillende culturele achtergronden zitten bij elkaar in de groep en op straat ontmoet je mensen uit andere delen van de wereld. Er zijn veel manieren om kennis te maken met mensen uit andere culturen en landen. • Om het ijs te breken is het handig een paar woordjes in een andere taal te leren. Natuurlijk heb je dan nog niet meteen een echt gesprek, maar je laat wel interesse zien in de taal die iemand van huis uit spreekt. • Wees nieuwsgierig naar andere culturen en religies. Er is altijd wel een aanleiding voor een gesprekje. • Toon belangstelling voor gewoonten en gebruiken die anders zijn dan je gewend bent. • Stel vragen als je iets niet begrijpt. Vraag ook door naar het waarom. Probeer de betekenis

Vluchtelingen In Nederland verblijven asielzoekers vanuit de hele wereld, bijvoorbeeld uit Syrië, Afghanistan, Irak, Iran, Eritrea en Somalië.

Een asielzoeker is iemand die in een ander land de vluchtelingenstatus aanvraagt.

Hij vraagt in dat land 'asiel' aan. Het land waar asiel wordt gevraagd moet nagaan of de asielzoeker valt onder het Vluchtelingenverdrag. Dit gebeurt in de asielprocedure. Volgens het Vluchtelingenverdrag is een vluchteling iemand die in zijn thuisland het risico loopt dat hij wordt vervolgd.

Tabel 1.1  Hoe zeg je het in het Nederlands, Turks en Marokkaans? Nederlands

Turks

Marokkaans

Hoe maakt u het?

Nasilsiniz?

Kif daier?

Alles goed?

Ie-jie mie-sie-niez?

Laabès?

Alstublieft (als je iets geeft)

Boe-joe-roen

Tfàddùl

Alstublieft (als je iets vraagt)

Luut-fèn

Min fàdlùk

Goedendag

Mèr-ha-ba

Sàlaamoe àlèkjoem

Bedankt

Tè-sjèk kuur-è-dè-riem

sjoekràn

Niets te danken

Rie-dzjaa-è-dè-riem

Blaa zjmiel

Tot ziens

Guu-lè guu-lè

B'slaamà

Opmerking: de klemtoon ligt op de lettergreep die vet staat. 8


Diversiteit in de maatschappij

1

(Sranantongo). Het aantal inwoners van het land is ongeveer 540.000.

Een vluchteling is iemand die uit gegronde vrees voor vervolging uit zijn land van herkomst is gevlucht en die een asielvergunning krijgt in een ander land.

Cabaretier Roué Verveer, afkomstig uit Suriname, ziet verschillen tussen wat hij noemt de slappe opvoeding van Hollandse ouders die geen grenzen stellen en de strenge opvoeding die hij zelf in Suriname heeft gehad. Een citaat: 'Tim, heerlijke jongen, als we zo naar binnen gaan, zie je een heleboel interessante dingetjes. Ik wil dat we rustig door de paden lopen. Als je dat doet, mag je aan het einde iets lekkers uitzoeken. Afgesproken Tim?' Tweeënhalve minuut later ligt Tim, de heerlijke jongen, krijsend op de vloer. Nee, dan mijn moeder. Die instrueerde mij luid en duidelijk: 'Roué, daar is de supermarkt, we gaan naar binnen, maar: Je wilt niks, je vraagt niks en je neemt niks.' Bron: Roué Verveer, 'Waarom? Daarom! Opvoeden op zijn Surinaams'

Redenen voor vervolging kunnen zijn: ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of seksuele voorkeur. Vluchtelingengezinnen komen soms uit een oorlogsgebied en hebben vaak trauma's opgelopen. In hun nieuwe land proberen ze weer een bestaan op te bouwen. Vaak verblijven zij langere tijd, soms wel jaren, in een asielzoekerscentrum.

1.5 Land van herkomst Naast de mensen met een Nederlandse achtergrond zijn de grootste bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond in ons land afkomstig uit Marokko en Turkije. Daarnaast kent Nederland een aanzienlijke groep inwoners met een Surinaamse en Antilliaanse achtergrond. Het land van herkomst bepaalt voor de ouders een groot deel van hun gebruiken en gewoonten. In genoemde landen zijn moeders over het algemeen meer verantwoordelijk voor de opvoeding en zijn de familiebanden sterk. Veel Turken en Marokkanen vestigden zich in de jaren zestig van de vorige eeuw op uitnodiging van de Nederlandse regering als gastarbeiders in Nederland. In de traditionele Turkse en Marokkaanse opvoeding is de groep belangrijker dan het individu. In deze gezinnen worden jongens soms minder streng opgevoed dan meisjes, vooral in de puberteit.

Keti Koti Voor Surinamers is 1 juli een belangrijke dag. Keti Koti is een Surinaams begrip en betekent: 'verbroken ketenen.' Op deze dag vieren zij de afschaffing van de slavernij en ook in Nederland wordt er dan op veel plaatsen uitbundig feest gevierd. Feestvierders dragen soms traditionele kleding en vieren deze dag met veel muziek, lekker eten en dans.

1.5.2 Antillen Antillianen komen van de eilanden Curaçao, Aruba, Bonaire, Sint-Maarten, Sint-Eustatius en Saba. Deze eilanden liggen allemaal in het Caribisch gebied. Het Nederlands is nog steeds de officiële taal. Daarnaast wordt er veel Papiaments en Caribisch Engels gesproken.

1.5.1 Suriname Suriname ligt in het noordelijk deel van ZuidAmerika en heeft als hoofdstad Paramaribo. Suriname is, net als de Antillen, een voormalige kolonie van Nederland. De bevolking van Suriname bestaat uit veel verschillende culturele groepen, zoals de creolen en Hindoestanen. De taal die er wordt gesproken is Nederlands en Surinaams

1.5.3 Marokko Marokko ligt in Noordwest-Afrika. De twee belangrijkste bevolkingsgroepen zijn de Berbers en de Arabieren. Marokko heeft twee officiële talen: het Arabisch en het Berbers. Ook spreken veel bewoners Frans. Marokko is een koninkrijk. 9


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

Een levensbeschouwing is het samenhangend geheel aan opvattingen over het leven, waar mensen zingeving aan ontlenen.

Voorbeelden De moeder van Elke heeft de katholieke levensbeschouwing en gaat elke zondag naar de kerk. • De vader van Samira heeft de islamitische levensbeschouwing en gaat op vrijdag naar de moskee.

• Figuur 1.4  Veel moslima's dragen een hoofddoek  © Mirador media / Anke Gielen

Het dragen van een hoofddoek Veel moslima's vinden het vanuit hun geloof belangrijk bepaalde delen van hun lichaam te bedekken. Wanneer een moslimmeisje de puberteit bereikt, kan ze ervoor kiezen de haren te bedekken. Veel moslima's dragen een hoofddoek omdat zij dit als een islamitisch voorschrift zien of er zich prettiger bij voelen. 'Het dragen ervan zorgt ervoor dat, wanneer mensen naar me kijken, ik het gevoel heb dat ze niet naar me kijken vanwege hoe mijn lichaam eruitziet, maar vanwege wat ik doe en bijdraag.'

Een levensbeschouwing heeft niet altijd te maken met een religie. Steeds vaker ontwikkelen mensen een meer individuele invulling van hun levensbeschouwing. Zo eten veel mensen vanuit hun levensovertuiging geen vlees, niet vanuit een religie maar omdat zij geen dode dieren willen eten en van mening zijn dat het eten van vlees slecht is voor het milieu. Gezinnen verschillen in de manier waarop ze tegen het leven aankijken, wat ze als de zin van het leven ervaren en in wat ze in de opvoeding aan hun kinderen willen overdragen. Je houdt als pedagogisch werker zo goed mogelijk rekening met de afkomst, levensbeschouwing van kinderen en hun ouders en de richtlijnen volgens welke zij willen leven.

1.5.4 Turkije Turkije is een groot land met veel verschillende bevolkingsgroepen. Het ligt voor een deel in Azië en voor een deel in Oost-Europa. Turks is de moedertaal. Turkije is een republiek en heeft een president.

Voorbeeld Levensbeschouwing kan een belangrijke rol spelen bij communicatie. Mensen die geloven, kunnen zich er bijvoorbeeld aan storen als de naam van God oneigenlijk wordt gebruikt. Wat voor de ene persoon een vloek is, is voor de ander een stopwoordje.

1.6 Mensen en hun levens­ beschouwing Je komt in je werk mensen uit alle werelddelen tegen. In het contact met ouders houd je rekening met hun levensbeschouwelijke achtergrond, hun visie op het leven: wat het leven betekent, wat de waarde ervan is en hoe het geleefd moet worden. Een levensbeschouwing of levensovertuiging geeft inhoud aan iemands gedrag in het dagelijks leven.

Geloven geeft steun Bij sommige groeperingen speelt het geloof of de levensovertuiging een grote rol. Religie en de gebruiken die daarbij horen, maken ook deel uit van een cultuur. Voor veel gelovigen is religie een belangrijk steunpunt in hun leven. Een godsdienst geeft mensen steun op moeilijke momenten en is daarnaast ook een richtlijn voor goed en kwaad. 10


Diversiteit in de maatschappij

•

Een geloof geeft houvast omdat het de gelovige een juiste manier van leven leert. Door het geloof kunnen ze gemakkelijker begrijpen wat de zin is van het leven, maar ook van het lijden en de dood. Gelovigen menen dat er een hogere macht is die de wereld gemaakt heeft en er nu toezicht op houdt.

•

Het ontstaan van godsdiensten In alle tijden en alle culturen zijn mensen op zoek gegaan naar het waarom van hun bestaan en hebben zij zich vragen gesteld over de zin van het leven. Hoe is de aarde ontstaan? Is er leven na de dood? Hebben de dingen die mij overkomen een bepaalde betekenis? Een godsdienst of religie probeert antwoord te geven op die vragen. Mensen trokken vroeger van het ene gebied naar het andere en wisselden verhalen uit. Verhalen werden op die manier doorverteld over grenzen heen. En uit al die verschillende verhalen zijn uiteindelijk vijf wereldgodsdiensten ontstaan. Christendom, islam, boeddhisme, hindoeïsme, jodendom Religies kennen veel vaste gebruiken en tradities. Een aantal ervan zijn hierna beschreven. Het kerkbezoek in Nederland loopt terug, de islam is de enige godsdienst die onder jongeren meer aanhang krijgt. Veel kindercentra en scholen vieren de traditioneel christelijke feesten maar er is in grotere steden ook plaats voor het Suikerfeest. Of de organisaties bedenken hun eigen tradities zoals een lentefeest en vredesfeest die religieuze feesten zoals Pasen en het Kerstfeest vervangen.

Vrede Het woord 'islam' komt van het Arabische woord voor vrede 'salaam'. Dat is bijna hetzelfde als het Hebreeuwse woord voor vrede 'shalom'. Dé levensles van elk geloof Elke godsdienst heeft als levensles dat je een ander moet behandelen, zoals je ook zelf behandeld wilt worden. Dat is de overeenkomst tussen álle godsdiensten. Deze belangrijke levensregel wordt door elke godsdienst op een iets andere manier verwoord:

• •

Islam: Doe datgene voor anderen als je voor jezelf wenst. Jodendom: Heb uw naaste lief als uzelf.

Kortom, geloof lijkt een garantie voor vrede maar blijkt dat in werkelijkheid niet altijd. Hoe komt dat? De ware redenen voor aanslagen, oorlog en geweld in de wereldgeschiedenis hebben niet altijd met religie te maken, maar zijn veelal sociaal, economisch of politiek van aard.

Overeenkomsten en verschillen tussen godsdiensten Godsdiensten hebben veel met elkaar gemeen. Joden, christenen en moslims geloven in hetzelfde scheppingsverhaal en geloven in één God. Ze geloven dat God de wereld geschapen heeft. Alle godsdiensten vinden het belangrijk dat mensen elkaar helpen als dat nodig is. Ze leren je eerlijk zijn, niet liegen, bedriegen, stelen of iemand doden. Ook leert elke godsdienst je dat je moet kunnen vergeven als iemand een fout maakt en dat je diegene de kans geeft om opnieuw te beginnen. Behalve overeenkomsten zijn er ook verschillen. Hindoes geloven niet in één god, maar in meerdere goden. Het boeddhisme wordt vaak als religie gezien, maar is dat niet echt. Er is bij het boeddhisme geen sprake van een god. Boeddhisme is meer een levensbeschouwing.

•

1

Christendom: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Boeddhisme: Kwets anderen niet door iets te doen dat jou zou kwetsen. Hindoeïsme: Doe anderen niet aan wat jij onaangenaam zou vinden. 11


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

WERELDRELIGIES

Christendom

Islam

Hindoeïsme

Boedhisme

Chinese religies

Joods

Figuur 1.5  Verdeling van de wereldgodsdiensten  © Shutterstock

1.6.1 Christendom

Leefregels Alle christenen geloven in één God die de schepper is van hemel en aarde en dus ook van de mensen. Toch zijn er veel verschillende kerken en stromingen binnen het christendom. Denk maar aan katholieken en protestanten, die ook zelf weer allerlei stromingen kennen. Voor christenen is zondag een heilige dag. De kerkklokken luiden op zondagochtend en roepen daarmee de gelovigen op om in de kerk bij elkaar te komen. Ze luisteren naar de preek door een priester of dominee, ze bidden en zingen. Christenen bidden op verschillende plaatsen en momenten, zoals voor het eten of slapen gaan. Soms knielen ze daarbij. Kinderen komen al vroeg met de kerk in aanraking, doordat zij na hun geboorte gedoopt worden. Vanaf dat moment hoor je bij de kerk.

Het christendom is de grootste godsdienst op de wereld. Het heeft zijn wortels in het jodendom. Centraal in het christendom staat Jezus Christus, ook bekend als Jezus van Nazareth. Christenen geloven dat Jezus de zoon is van God. Hij kwam op de aarde voor de mensen. De boodschap van Jezus is: heb God en andere mensen lief. In Nederland wonen ook veel christenen met een andere achtergrond, bijvoorbeeld uit Ghana, Syrië, Afghanistan, Iran, Eritrea, Ethiopië en Kaap- Verdië. Voor deze mensen zijn er migrantenkerken met kerkdiensten in hun eigen taal. De migrantenkerken spelen een belangrijke rol. Het is, behalve een kerk, een centrum waar migranten samenkomen, kunnen praten over problemen en elkaar ondersteunen waar het nodig is.

12


Diversiteit in de maatschappij

Protestante kinderen komen bij elkaar in de zondagsschool waar ze uitleg krijgen over de bijbel. In de katholieke kerk doen kinderen hun communie als ze zeven of acht jaar oud zijn. Dat is de eerste keer dat ze meedoen aan een eucharistieviering. Rond hun twaalfde jaar gaan ze door het vormsel echt meetellen als volwassen gelovige.

1

landen is het de gewoonte elkaar met Kerstmis cadeautjes te geven en die onder de kerstboom te leggen. Veel scholen en kindercentra proberen alle kinderen mee te laten genieten van de kerstsfeer. Zij doen dat door de nadruk niet te leggen op de viering van de geboorte van Jezus, maar op thema's als: 'vrede op aarde' en 'lichtjesfeest'. Het kerstfeest is dan vooral een gezellig feest met opvoeringen, kringgesprekken en een gezamenlijke maaltijd aan mooi gedekte tafels.

Eten en vasten Christenen bidden meestal voor en na het eten. Kinderen leren vaak een gebed dat ze hardop opzeggen, zoals: 'Here zegen deze spijzen, amen'. Tijdens de vastenperiode na carnaval werd er vroeger gedurende veertig dagen geen vlees, snoep en ander lekkers gegeten. Kinderen hadden een vastentrommeltje, waarin ze hun snoep bewaarden. Alleen op zondag mochten ze daar een snoepje uit halen. De rest van het snoepgoed bewaarden de kinderen tot na de vasten. De vastentijd lijken de meeste carnavalsvierders nu over te slaan. Belangrijkste boek Voor christenen is de bijbel het belangrijkste boek. De bijbel bestaat uit het Oude en Nieuwe testament. In het Oude Testament staan verhalen over Adam en Eva, de ark van Noah en de aartsvaders. In het Nieuwe testament wordt het leven van Jezus beschreven. Het woord bijbel is afgeleid van het Griekse woord 'biblia' dat 'boeken' betekent. De bijbel is namelijk niet één boek maar een verzameling van meer dan zestig boeken. De bijbel is het meest verkochte boek ter wereld.

Figuur 1.6  Veel scholen en kindercentra vieren kerst met

een kerstontbijt  © Mirador media / Anke Gielen

Het kerstverhaal Het kerstverhaal gaat over Jozef en zijn hoogzwangere vrouw Maria. Samen zijn ze op weg naar Bethlehem. Ze kunnen geen slaapplaats vinden in een herberg en slapen daarom in een stal. In die stal wordt Jezus geboren. Maria legt hem in een kribbe met stro. Ze weet dan al dat Jezus de zoon is van God. Dat is haar door een engel verteld. Pasen Pasen is een echt lentefeest. Het is een vruchtbaarheidsfeest en het feest van nieuw leven. De natuur komt in de lente weer tot bloei en alles wat dood leek, komt weer tot leven. Eerste paasdag valt elk jaar op een andere datum, namelijk op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Deze feestdag begint in veel gezinnen met het verstoppen en zoeken van paaseieren. De traditie van het eieren verstoppen is te danken aan de oude gewoonte om eieren in akkers te begraven om de grond vruchtbaar te maken. Want het

Kerstfeest Met Kerstmis vieren christenen de geboorte van Jezus. Het kerstfeest wordt al eeuwenlang door christenen over de hele wereld gevierd. Veel mensen gaan op kerstavond naar de nachtmis en luisteren met elkaar naar het verhaal van de geboorte van Jezus. Mensen maken het gezellig in huis met kaarsjes, een kerstboom en speciale kerstversiering. Ook veel mensen met een niet-Christelijke achtergrond 'vieren' het kerstfeest als een dag van de vrede. Zij komen bijeen om samen te eten. In veel 13


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

symbool van nieuw leven en vruchtbaarheid is een ei. Tegenwoordig zeggen ouders dat de paashaas de eieren heeft verstopt. Ook een uitgebreid paasontbijt of een paasbrunch hoort bij Pasen, met eiergerechten en een paasstol.

Leefregels De islam is meer dan een godsdienst. Het is een manier van leven. De islam speelt een grote rol bij geboorte, huwelijk en dood in het leven van de moslim. Een gelovig moslim laat zich in zijn dagelijks leven leiden door de leefregels en plichten van het geloof. Zo zal hij zich proberen te houden aan de vijf belangrijkste voorschriften.

Het paasverhaal Met Pasen vieren christenen dat Jezus Christus uit zijn graf is opgestaan, nadat hij twee dagen eerder op Goede Vrijdag was gekruisigd. Met Pasen wordt de lijdensweg van Jezus herdacht, die voorafging aan zijn kruisiging.

Vijf regels van de islam Moslims proberen de vijf belangrijke voorschriften van de koran op te volgen: 1 Het geloof uitspreken: 'Er is geen andere God dan Allah en Mohammed is zijn profeet.' 2 Vijf keer per dag bidden, met je gezicht naar Mekka gekeerd in de juiste bidhouding. 3 Eén keer per jaar een periode vasten van zonsopgang tot zonsondergang (de ramadan). 4 Geld geven aan armen. 5 Eens in je leven op bedevaart naar Mekka gaan.

1 Witte Donderdag: Jezus eet voor het laatst samen met zijn twaalf vrienden (apostelen) het Laatste Avondmaal. Tijdens de maaltijd voorspelt hij dat één iemand aan tafel hem later zal verraden. 2 Goede Vrijdag: De voorspelling komt uit. Jezus wordt door Judas verraden, vervolgens gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Hij sterft door kruisiging. 3 's Nachts wordt hij van het kruis gehaald en in een graf gelegd. Goede vrijdag is een dag van rouw. Toch heet deze dag 'goed' omdat volgens christenen het sterven van Jezus de mensheid verlossing en verzoening heeft gebracht. 4 Pasen: Op de zondag na Zijn dood wilde men het lichaam van Jezus balsemen, maar het graf bleek leeg te zijn. Jezus was opgestaan uit zijn graf.

Volgens het moslimgeloof is het je plicht als een goed en gezond mens te leven. Het is belangrijk te zorgen voor de mensen om je heen. Veel moslimvrouwen bedekken hun hoofd met een hoofddoek en laten daarmee zien dat ze niet voor elke man beschikbaar zijn. Bij moslims speelt het familieleven een grote rol. De kinderen horen respect te hebben voor hun ouders en voor hen te zorgen als deze oud zijn. Moslims bidden vijf keer per dag. Zij wassen zich eerst volgens de regels, want pas als je schoon bent kun je met God praten. Op vrijdag, de heilige dag voor moslims, houdt de imam een preek in de moskee. Jongens gaan meestal met hun vader mee naar de moskee. Voor vrouwen is er een aparte gebedsruimte. De imam geeft meestal ook les aan kinderen op de koranschool. Kinderen lezen daar teksten uit de koran en leren die uit het hoofd. Ook horen ze welke gebruiken je als moslim moet kennen en welke plichten je hebt. Iedere moslim, die het kan betalen, moet één keer in zijn leven op bedevaart naar Mekka gaan. Mekka is de geboortestad van Mohammed. In Mekka staat de Kaba. Dat is een kubusvormig

1.6.2 Islam De islam is de een na grootste godsdienst in de wereld. De koran is voor moslims het heilige boek. Islam betekent: vrede of overgave aan Allah. Allah is een ander woord voor God. Het overgrote deel van de Turken en Marokkanen in Nederland is islamitisch. Verder vind je in Nederland moslims met een Surinaamse, Syrische, Afghaanse, Somalische, Iraanse, Iraakse en Nederlandse achtergrond. In Nederland wonen rond de 875.000 moslims; dit komt neer op ruim 5% van de bevolking. 14


Diversiteit in de maatschappij

heilig gebouw, waarin een zwarte steen is gemetseld. Volgens de verhalen was die steen eerst wit, maar is die door de menselijke zonde dofzwart geworden. Moslims geloven dat als je die steen aanraakt, je zonden worden vergeven.

1

Wat is ritueel slachten? Moslims eten alleen vlees dat ritueel, dus volgens de godsdienstige voorschriften geslacht is. Voor het slachten wordt eerst een gebed opgezegd. Ritueel slachten betekent dat er zo veel mogelijk bloed (dat als onrein wordt beschouwd) wegloopt en de dieren zo min mogelijk pijn hebben. Het dier mag niet onnodig lijden en moet in één keer worden gedood. In Nederland gebeurt dat door speciale slachters in het slachthuis.

Bidden Moslims bidden vijf keer per dag. Dat gebeurt in de moskee, maar het kan ook op andere plekken, zoals thuis, op het werk of op school. Zij gebruiken daar meestal een gebedskleedje voor. Het bidden gebeurt altijd naar het oosten gericht met het gezicht naar Mekka, ook als je niet thuis bent. Dit zijn de tijden waarop moslims tijd nemen voor gebed: voor zonsopgang, vlak na het middaguur, voor zonsondergang, voor de nacht valt en voor het slapen gaan.

Ramadan Ramadan is de jaarlijks terugkerende vastenmaand in de islam. Tijdens deze periode eten en drinken moslims een maand lang niet tussen zonsopgang en zonsondergang. Het vasten is bedoeld om stil te staan bij arme mensen die het hele jaar weinig te eten hebben. Tijdens de ramadan kun je voelen wat het is om honger of dorst te hebben. Je leert dat je met wat minder ook best kunt leven. Veel mensen voelen zich rustig en vredig tijdens de ramadan. Het samen vasten is ook bedoeld om de onderlinge band te versterken. Sommige kinderen vasten ook een paar dagen mee. De meeste kinderen doen vanaf hun puberteit mee met de echte vastentijd. Kleine kinderen, oude mensen, zieken of zwangere vrouwen hoeven niet te vasten. Voor veel islamitische kinderen is de ramadan de leukste tijd van het jaar. Ook veel volwassenen kijken uit naar deze maand van bezinning en gebed. Zodra de zon onder is, komen mensen bij elkaar om samen te eten. Die maaltijd bestaat uit dadels, zoete gebakjes en toetjes om energie op te doen en soep. Daarna volgt het gebed. In de winter is vasten gemakkelijker dan in de zomer. Het is eerder donker en je hebt minder snel dorst. Voor moslimkinderen kan het op school moeilijk zijn om te vasten, terwijl andere kinderen wel eten. Ook kan het lastig zijn om een proefwerk te maken of je te concentreren in de klas als je honger hebt. Voor volwassenen is de tijd van de ramadan soms moeilijk te combineren met hun werk. Vooral in de zomermaanden als het warm is en ze overdag niet mogen drinken.

Belangrijkste boek De koran is de levensgids voor moslims. In dit boek staat hoe een moslim moet leven. Volgens hen is dit het letterlijke woord van Allah, zoals hij dat uitsprak aan Mohammed. Het gaat om de plichten die moslims hebben tegenover God en tegenover de mensen om hen heen. De koran bevat dus geen verhalen of beschrijvingen, maar alleen teksten van Allah die als richtlijn dienen voor het leven van een moslim. Eten en vasten Moslims eten geen varkensvlees. Zij zien het varken als een onrein dier omdat het alleseters zijn. Verder eten zij alleen vlees van dieren die op een speciale godsdienstige manier (ritueel) geslacht zijn. Volgens de islam is het drinken van alcohol verboden omdat de mens helder moet kunnen denken. Niet iedere moslim houdt zich aan dit verbod. Bij een warme maaltijd eet men meestal ook brood en drinkt men zoete thee met muntbladeren uit kleine glaasjes. Delen met anderen is een belangrijke gewoonte. Moslims zijn gewend om gasten uitgebreid te ontvangen met eten en drinken. Daarom is er altijd ruim voldoende eten, zodat iedereen mee kan eten.

15


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

Suikerfeest Tijdens de ramadan eten en drinken moslims niet tussen zonsopgang en zonsondergang. Na de ramadan is er voor alle moslims in de wereld het Suikerfeest. Bij Marokkanen heet het Suikerfeest 'Eid-al-Fitr'. In het Turks heet het Suikerfeest 'Eker Bayrami'. De mannen vieren in de ochtend samen het eind van de ramadan met een ochtendgebed in de moskee. Thuis leggen de vrouwen en meisjes de laatste hand aan de maaltijd en dan komt het eten op tafel. Er zijn lekkere hapjes, zoals gebakjes en andere zoetigheid. De mannen vertellen over de preek van de imam. Daarna gaan familieleden, vrienden en bekenden bij elkaar op bezoek. Ze nemen zelfgebakken zoetigheden mee, feliciteren en omhelzen elkaar en wensen elkaar een gezegend Suikerfeest. Tijdens het Suikerfeest ziet iedereen er piekfijn uit. Het is de gewoonte om nieuwe, mooie kleren te dragen. Iedereen probeert aardig te zijn voor elkaar. Ook is het de bedoeling geld aan de moskee te geven. Veel Nederlandse moslims sturen geld naar familie in het buitenland. Kinderen krijgen koek, snoepjes, speelgoed en geld toegestopt. Sommige kinderen krijgen een cadeautje omdat ze het vasten hebben volgehouden.

Figuur 1.7  Voor veel kinderen is de ramadan de leukste

tijd van het jaar  © Marja Baseler

Besnijdenis Veel islamitische en Joodse jongens worden besneden. Bij de besnijdenis wordt een klein stukje van de voorhuid van hun penis weggesneden. Dit gebeurt om religieuze en hygiënische redenen. Gastvrijheid In de meeste Turkse en Marokkaanse gezinnen is het de gewoonte bij de voordeur de schoenen uit te trekken. Zo komt het vuil van straat niet in huis. Ook van bezoek wordt verwacht dat die de schoenen uitdoen. Vaak staan er pantoffels of sloffen klaar voor de gasten. Men biedt je bij binnenkomst meestal niet meteen iets te drinken aan. Dat zou kunnen overkomen alsof men haast heeft en het bezoek snel de deur uit wil hebben, maar dat is niet zo. Het is de gewoonte om eerst een praatje te maken en pas dan iets aan te bieden. Bij een kopje koffie of glaasje thee biedt men ook altijd iets lekkers aan en verwacht dat je daar ook wat van neemt. Het is een goede gewoonte te accepteren wat je aangeboden krijgt, maar laat altijd iets over als teken dat je niet gekomen bent voor het eten en drinken. Als je genoeg thee hebt gedronken kun je dat laten merken door je theelepeltje dwars op het lege glas te leggen.

Figuur 1.8  Door ouders zelfgemaakte hapjes op het

Suikerfeest  © Mirador media / Koen Bakx

Offerfeest Het offerfeest, slachtfeest of schapenfeest vindt ruim twee maanden na de ramadan plaats. Het is een belangrijk feest voor alle moslims. Het is vooral een feest van samen delen en goede daden. 16


Diversiteit in de maatschappij

Het is traditie een schaap te slachten en te delen met vrienden, armen en familie. Wat over is, gaat in de diepvries. Het feest duurt drie dagen lang. Op de eerste dag is het de gewoonte vroeg naar de moskee te gaan om daar het gebed van het slachtfeest te bidden. Als je met iemand ruzie hebt, is het de bedoeling het weer goed te maken. De mannen gaan vanuit de moskee naar huis en daarna naar de plek waar het schaap op een rituele manier wordt geslacht door een slager. De rest van de dag is ingeruimd voor familiebezoek.

1

ze wierook. Ook staat er vaak water, koffie, snoep of wat eten op het altaar. Het is de gewoonte te buigen als je iets neerlegt uit respect en dankbaarheid voor boeddha. Het huisaltaar is ook een plek om te bidden, mediteren, nadenken en stilstaan bij het leven of voorouders te herdenken. Boeddhisten beschouwen het hoofd als de drager van de ziel en deze zou wel eens beschadigd kunnen worden. Daarom is het beter nooit het hoofd van een boeddhistisch kind aan te raken. Boeddha De naam Boeddha betekent 'verlichte' of 'hij die weet'. Boeddha was een Indiase prins die 2500 jaar geleden leefde. Hij leefde in grote rijkdom, maar voelde zich daar niet prettig bij. Hij kwam tot de conclusie dat mensen ongelukkig waren omdat ze nooit tevreden zijn en altijd meer wilden. Daarom ging hij op zoek naar de werkelijke betekenis van het bestaan. Boeddha koos ervoor te gaan leven in armoede en zonder bezittingen. Zijn doel was om andere mensen te helpen om beter te gaan leven. Zijn uitgangspunt was dat iedereen verantwoordelijk is voor zichzelf en moet proberen verlichting te bereiken door wijsheid, meditatie en zelfbeheersing. Boeddhisten geloven dat iedereen in principe een boeddha kan zijn.

1.6.3 Boeddhisme De meeste boeddhisten wonen in Azië. Het boeddhisme heeft zich vanuit India over de hele wereld verspreid. Het baseert zich op de leer van Boeddha. Er wonen ongeveer 50.000 boeddhisten in Nederland. De meeste van hen zijn van oorspronkelijk Nederlandse afkomst. De anderen zijn onder meer afkomstig uit China, Japan, Vietnam en Thailand. Leefregels In het boeddhisme staat alles in het teken van zuiver denken en zuiver handelen. Het uiteindelijke doel is steeds het realiseren van verlichting. Verlicht ben je als het je lukt om geluk en waarheid te vinden. Een boeddhist streeft ernaar om innerlijke rust te bereiken: het nirwana. Een belangrijke leefregel is om niets voor jezelf te willen en eenvoudig te leven. Ook het loslaten van begeerten en verlangens speelt daarbij een rol. Meditatie kan helpen bij het ontspannen en jezelf te ontwikkelen. Boeddhisten in India kiezen soms voor een leven in een klooster om daar hun leven te wijden aan meditatie. Ook in Nederland vind je boeddhistische kloosters en centra. Mensen met een boeddhistische achtergrond ontmoeten daar vrienden en praten met kloosterlingen. Ook verblijven ze soms wat langere tijd in het centrum om er de regels van het geloof te leren, te mediteren en bidden. Boeddhisten hebben thuis vaak een klein huisaltaar ingericht met een boeddhabeeldje en een kaarsje. Bij het altaar offeren ze verse bloemen en branden

Voorschriften van het Boeddhisme Boeddhisten proberen in hun dagelijks leven het goede te doen en de voorschriften van Boeddha na te leven. Dit zijn de belangrijkste leefregels: 1 Geen levende wezens kwaad doen. 2 Niet stelen. 3 Verstandig leven. 4 Niet onvriendelijk zijn of liegen. 5 Geen alcohol of drugs gebruiken. Eten en vasten Vele boeddhisten zijn vegetariër vanwege de eerste van de vijf leefregels. Zij vinden het niet nodig een dier te doden om op te eten. Ook willen zij geen alcohol of verdovende middelen gebruiken omdat je daardoor niet meer helder kunt denken. Boeddhistische monniken eten niet meer na 12 uur 's middags. Boeddhisten geloven dat vasten 17


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

een manier is om je te kunnen concentreren op wijsheid en inzicht.

daarom is het ook heel gebruikelijk je te wassen voordat je gaat bidden of de tempel binnengaat. Belangrijkste boek Hindoes hebben niet één boek, zoals de bijbel of koran. De belangrijkste geschriften zijn de Veda's. Deze werden eeuwenlang doorverteld en later opgeschreven. Het woord Veda betekent 'kennis'. Het hindoeïsme is rijk aan verhalen.

1.6.4 Hindoeïsme Het hindoeïsme is de oudste godsdienst ter wereld, maar wanneer het precies is ontstaan weet niemand meer. Het hindoeïsme komt oorspronkelijk uit India en verspreidde zich van daaruit naar diverse landen en werelddelen. Het is na het christendom en de islam de derde godsdienst. In Nederland wonen naar schatting 100.000 hindoes. De meeste van hen komen oorspronkelijk uit Suriname, een kleinere groep is afkomstig uit India.

Goden en godinnen Het hindoeïsme kent niet één god, maar verschillende goden. De belangrijkste goden zijn Brahm, Vishnu en Shiva. Hindoes geloven dat een stukje van Brahm in ieder mens aanwezig is. Dit is het diepste innerlijk van de mens, vergelijkbaar met de 'ziel'. De goden en godinnen worden op veel verschillende manieren afgebeeld op prenten in huis, schilderijen in de tempels en in beelden. Je ziet ze vaak afgebeeld met veel armen, omdat ze machtiger zijn dan gewone mensen.

Leefregels Hindoes leven volgens de heilige wet van Dharma. Dat wil zeggen: 'doen wat goed voor je is'. Ze hebben bepaalde plichten, zoals het opzeggen van gebeden en de zorg voor ouderen. Hindoes geloven in reïncarnatie; dit betekent dat je na je dood weer op aarde terugkomt, maar dan in een ander lichaam. Je wordt dus steeds weer opnieuw geboren. Volgens de hindoes word je beloond voor de manier waarop je leeft. Hoe beter je leeft, hoe beter je terechtkomt in een volgend leven. Dit heet de wet van Karma. Het hindoeïsme kent veel rituelen, waaronder het brengen van offers. In huis hangen vaak kleurige afbeeldingen van goden en godinnen. Hindoes zijn niet verplicht naar een tempel te gaan. In verschillende plaatsen in Nederland zijn tempels te vinden waar ze bij elkaar komen voor religieuze bijeenkomsten. Dat gebeurt meestal op zondag. De tempels zien er vaak heel feestelijk uit. Het ruikt er naar gebrande wierookstokjes. Ook klinkt er vaak religieuze muziek. Kinderen komen op woensdagmiddag naar de tempel om Hindi te leren. Dat is de taal van India. Ze willen die taal graag leren om contact te hebben met hun familie in het buitenland. Een schoon lichaam bevordert een schone geest zeggen de hindoes. Twee keer per dag in bad of onder de douche is voor veel hindoes dan ook heel normaal. De tempel is een heilige plek,

Eten en vasten Hindoes geloven in reïncarnatie. Om die reden is voor hen alles wat leeft heilig. Veel hindoes zijn dan ook vegetariër. Vegetarische hindoes eten meestal ook geen eieren, omdat een ei het begin is van nieuw leven. Ze drinken wel melk. Hindoes die niet vegetarisch zijn, eten over het algemeen geen rundvlees. De gedachte daarachter is dat een dier dat melk geeft, niet gedood mag worden. De koe is dan ook een heilig dier. Vasten is een belangrijk onderdeel in het leven van de hindoe. Je kunt ervoor kiezen één dag of meerdere dagen niet te eten. Daar zijn geen vaste regels voor. Er kunnen allerlei redenen zijn om te vasten, bijvoorbeeld voorafgaand aan een godsdienstig feest of om geld te besparen dat je dan aan de armen kunt geven. Veel hindoes eten met hun handen. Ze genieten daarmee extra van hun eten omdat ze het dan niet alleen proeven en ruiken, maar ook aanraken. De Indiase keuken is kruidig en lekker pittig. Bij het avondeten wordt vaak rijst en roti, een soort pannenkoek, gegeten.

18


Diversiteit in de maatschappij

Holi Het Holifeest is een echt lentefeest en wordt door hindoes over de hele wereld gevierd. Het is een vrolijk feest van de overwinning van de lente op de winter en van het goede op het kwade. Op de ochtend van het Holifeest doet iedereen witte en liefst oude kleding aan. Het hoogtepunt van het feest is als iedereen gekleurde poeders, gekleurd water, parfum en confetti naar elkaar gooit. Die gekleurde poeders staan symbool voor de kleurenpracht van het voorjaar. Elkaar plagen mag ook bij Holi. Men houdt elkaar voor de gek en trekt zingend en dansend langs de huizen. Nadat iedereen zich gewassen heeft en schone kleren aangetrokken heeft, gaan de feestvierders bij elkaar op bezoek en geven elkaar cadeautjes en wensen elkaar het allerbeste toe. Ruzies worden met Holi bijgelegd en iedereen maakt een nieuw begin. In Nederland wordt het feest vooral ook door Surinamers met voorouders uit India gevierd. In Suriname is Holi een nationaal feest, dat ook door niet-hindoes wordt gevierd.

1

dagen. Divali valt eind oktober, begin november en is een soort nieuwjaarsdag. Het feest begint overdag met een grote schoonmaak, want nieuwjaar betekent een nieuw begin dus moet alles schoon zijn. Vaak eten hindoes in de week voor Divali geen vlees en drinken ze geen alcohol. Zo maken ze zich ook van binnen schoon. Familie en vrienden zoeken elkaar op om elkaar 'Subh Divali' (veel geluk) te wensen. Voor kinderen is er snoep, pannenkoekjes met suiker en cakes. Mensen gaan bij elkaar op bezoek en familieleden geven elkaar cadeautjes. In iedere kamer van het huis branden kaarsen of aardewerken lampjes. Wanneer het avond wordt, steekt men de lampjes aan om de god Rama de weg te wijzen. Al die lichtjes verlichten het innerlijk van de mensen, om met een schone lei het nieuwe jaar te beginnen. In het gezin is Divali dan ook een moment van bezinning. Men vraagt voorspoed voor het nieuwe jaar. Ook is het een feest van vergeven, want door anderen te vergeven word je schoon van binnen. Je moet oude ruzies eerst bijleggen. Pas dan kun je vrolijk zijn en feesten. Er zijn altijd veel zoete lekkernijen. Bidden en lekker eten en drinken hoort er ook bij. Hindoes in Nederland vieren Divali vooral door het organiseren van feesten met zang en dans. Kinderen mogen lang opblijven. In grote steden vinden lampionnenoptochten plaats, waarbij het licht van de fakkels staat als bron voor waarheid, geluk en vrede. Toch blijft Divali een echt familiefeest. Wat is de oorsprong van Divali? Divali komt van het woord Deepavali, dat 'rij lichtjes' betekent. Bij het Divalifeest staat de overwinning van het licht op de duisternis en van het goed op het kwaad centraal. Lakshmi is de godin van licht en geluk en voorspoed. Via haar vereren hindoes de vrouw als moeder en spil van het gezin. Divali is dan ook een soort Moederdag.

Figuur 1.9  Holi is een echt lentefeest

Divali Met het Divalifeest vieren hindoes de overwinning van het licht op de duisternis en van het goede op het kwade. Divali of 'lichtjesfeest' is een groot feest voor hindoes. Het feest duurt drie tot vijf

1.6.5 Jodendom Joden wonen overal op de wereld, maar ze delen één geschiedenis. Joden geloven in één god. Volgens het joodse geloof heeft deze god de aarde 19


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

gemaakt en waakt over de aarde. Abraham wordt gezien als de vader van het Jodendom. De Joden hebben bijna twee eeuwen lang geen eigen land meer gehad en zijn in veel landen vervolgd. In 1948 kregen zij een eigen staat: Israël. Sindsdien is er vaak oorlog gevoerd tussen Israël en de Arabieren. Er is nog steeds geen oplossing voor een verdeling van het land, waarover beide partijen tevreden zijn. In Nederland wonen ongeveer 40.000 Joden.

Eten en vasten Joden hebben veel leefregels, bijvoorbeeld voor voedsel. Ze mogen alleen 'rein' of koosjer voedsel eten. Koosjer wil zeggen: geschikt om te eten of drinken. Zo moeten ze vlees en melk altijd apart houden en mag je bijvoorbeeld geen yoghurt nemen na een maaltijd met vlees. In de thora staat dat je bepaald voedsel, zoals varkensvlees en schaal- of schelpdieren, niet mag eten. Chanoeka Het Joodse Chanoeka is een lichtfeest. Het valt in december, de donkerste tijd van het jaar en duurt acht dagen. Omdat Joden de maankalender volgen, verandert de datum van het chanoekafeest elk jaar. Families vieren het feest in huiselijke kring. Voor kinderen en volwassenen is het vooral een gezelligheidsfeest met spelletjes en lekkere hapjes. Centraal bij het feest staat een kandelaar met acht kaarsjes. Elke dag wordt een kaarsje aangestoken, zodat aan het einde van het feest alle acht kaarsen branden. Kinderen hebben vaak een eigen kandelaar die ze mogen aansteken. Meestal staat de kandelaar voor het raam. Kinderen krijgen cadeautjes, vaak elke dag één. Voor ouderen heeft Chanoeka een ernstiger kant. Zij denken terug aan de geschiedenis van het Joodse volk.

Leefregels Elke week vieren Joden de sabbat. Dat is een rustdag die duurt van zonsondergang op vrijdagavond totdat de eerste sterren zaterdagavond aan de hemel staan. Mensen met een joodse achtergrond werken met sabbat niet, maken het huis niet schoon, kijken geen televisie en gebruiken hun mobiel niet. Veel Joden houden zich niet meer strikt aan deze regels. Toch is voor de meeste van hen de sabbat op zaterdag heilig. Met feestelijk eten op zaterdagavond wordt de sabbat afgerond. De meeste joodse gezinnen hebben een chanoeka, een kandelaar met acht lichtjes die wordt gebruikt op het chanoekafeest. Joden lezen in hun heilige boek, de thora, en gaan naar de synagoge om te bidden, te studeren en te praten over de thora. Synagoge betekent ontmoetingsplaats. Joden bidden driemaal per dag in de richting van Jeruzalem. Jongens en mannen dragen dan een keppel, dat is een klein rond petje. Bij het ochtendgebed wordt ook vaak een gebedsmantel gedragen. Dat is een grote witte doek met zwarte of blauwe strepen. Jeruzalem is de belangrijkste stad. Belangrijkste boek Voor joden is de thora het belangrijkste boek. Het is geschreven in het Hebreeuws. In de synagoge wordt elke week hardop een gedeelte uit de thora gelezen. De thora zegt de mensen hoe ze moeten leven volgens de aanwijzingen van God: dat je God moet liefhebben en zorgzaam voor elkaar moet zijn. Kinderen bestuderen de teksten ook al op jonge leeftijd. Op alle feesten wordt uit de thora voorgelezen. Ook de gebeden worden in het Hebreeuws opgezegd. Hebreeuws schrijf je van rechts naar links.

Figuur 1.10  Chanoeka is een lichtfeest  © MediaNews Group via Getty Images

Hoe is Chanoeka ontstaan? Chanoeka betekent 'inwijding'. Tijdens het feest wordt de herovering gevierd van de heilige tempel in Jeruzalem op de Syriërs. Na de herovering 20


Diversiteit in de maatschappij

moest de tempel opnieuw ingewijd worden tijdens een feest dat acht dagen zou duren. In de heilige tempel brandde één speciale kandelaar die altijd moest blijven branden, maar die lamp was tijdens de verwoesting van de tempel gedoofd. Voor het inwijden van de tempel hadden de Joden olie nodig voor het aansteken van die speciale kandelaar. Volgens het verhaal konden ze maar één kruikje bruikbare olie vinden, genoeg om de kandelaar één dag te laten branden. Tot hun grote verbazing brandde de kandelaar toch acht dagen lang op het kleine beetje olie.

21

1


1

PEK MODULE 2 Diversiteit

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 Gedrag en kleding zeggen iets over iemands cultuur.

◯

◯

2 Een ander woord voor culturele diversiteit is traditie.

◯

◯

3 Nederland is een voorbeeld van een monoculturele samenleving.

◯

◯

4 Joden, christenen en moslims geloven in één God.

◯

◯

5 Met Pasen wordt de lijdensweg van Jezus herdacht.

◯

◯

6 De Koran is de levensgids voor moslims.

◯

◯

7 De ramadan is de jaarlijks terugkerende vastenweek van moslims

◯

◯

8 Met Divali vieren hindoes de overwinning van het goede op het kwade.

◯

◯

9 Een boeddhist streeft naar ‘nirwana’, innerlijke rust.

◯

◯

10 Hindoes geloven in reïncarnatie.

◯

◯

22


Diversiteit in de organisatie

2

Diversiteit in de organisatie 2 LEERDOELEN

• • • • • • •

Je kunt beschrijven wat intercultureel werken is. Je kunt benoemen wat de verschillen zijn tussen een open en een gesloten team. Je kunt beschrijven wat het verschil is tussen een homogeen en een heterogeen team. Je kunt uitleggen op welke manier je diversiteit in een team kunt gebruiken. Je kunt beschrijven wat voorbeelden zijn van de invloed van jouw waarden en normen in je omgang met andere mensen. Je kunt uitleggen wat een referentiekader is. Je kunt benoemen wat de aandachtspunten zijn bij interculturele communicatie.

In dit hoofdstuk lees je hoe je binnen een organisatie en als lid van een team om kunt gaan met diversiteit. Je leert hoe jouw persoonlijke achtergrond invloed heeft op je contact met anderen en de manier waarop je met hen communiceert. Je komt te weten hoe je rekening kunt houden met verschillen tussen mensen.

2.1 De taak van de organisatie

Wat je wilt bereiken is dat kinderen zich een houding eigen maken waarin ze openstaan voor de verschillen die ze nu of later tegen zullen komen: in de opvang, in de buurt, op school en in hun latere leven op het werk. Op die manier leg je bij kinderen de basis voor hun ontwikkeling tot evenwichtige leden van de samenleving. Je wilt eraan bijdragen dat zij over voldoende sociale vaardigheden beschikken om zich te handhaven in die maatschappij. Niet elk kinderdagverblijf, elke school, elke bso of andere organisatie vormt een afspiegeling van de diverse samenleving. Juist op een niet-gemengde school zou daarom extra aandacht moeten zijn voor diversiteit. Je zult er juist meer moeite voor moeten doen om kinderen kennis te laten maken met de kleurrijke buitenwereld om hen heen. Aandacht voor verschillen betekent ook grenzen durven stellen. Enerzijds persoonlijke grenzen als het gedrag van een ander tegengesteld is aan jouw eigen waarden en normen. Bijvoorbeeld als

Het is de taak van elke school en elk kindercentrum om intercultureel te werken.

Intercultureel werken is een manier van werken die rekening houdt met en respect toont voor andere culturen.

Het gaat daarbij niet alleen om interculturele kennis, inzicht en vaardigheden, maar ook om wat je ermee doet in de praktijk. Daarnaast heeft elke organisatie de taak om aandacht te besteden aan diversiteit en kinderen te leren omgaan met verschillen. Opvoeden betekent namelijk: kinderen vertrouwd maken met de wereld om hen heen en voorbereiden op die wereld. En in die wereld bestaan er nou eenmaal verschillen tussen mensen. 23


2

PEK MODULE 2 Diversiteit

iemand vloekt in jouw bijzijn en jij daar moeite mee hebt. Anderzijds gezamenlijke grenzen als een team dat met elkaar afspreekt dat men kwetsend gedrag van een kind of ouder ten opzichte van anderen niet tolereert.

De organisatie: • Maakt diversiteit duidelijk zichtbaar in de samenstelling van het team. Elke sollicitant heeft evenveel kans de baan te krijgen. • Zorgt voor een sfeer van veiligheid en verbondenheid. Ze zoekt daarbij naar evenwicht tussen de individuele belangen en groepsbelangen. • Staat open voor meningen van iedereen. De organisatie luistert naar ieders mening en neemt gevoelens, wensen en behoeften van alle medewerkers serieus. • Biedt ruimte voor diversiteit. Er is respect voor de verschillen tussen mensen, het 'anders' mogen zijn. Respect benadrukt de gelijkwaardigheid tussen mensen, ondanks of juist dankzij die verschillen. • Laat alle kinderen ervaren dat zijzelf een eigen bijdrage kunnen leveren aan het welzijn van de groep door de afspraken die zij samen maken en de verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag en de directe omgeving.

Het is de taak van de school en de kinderopvang om aandacht te besteden aan diversiteit en kinderen te leren omgaan met verschillen.

Figuur 2.1  Diversiteit op school  © Shutterstock / wavebreakmedia

2.2 Diversiteit in het team

Voorbeeld Het is de visie van kindercentrum De Vlindertuin om een plek te bieden aan kinderen en medewerkers met verschillende achtergronden, met en zonder beperking. Op hun website staat: 'Ons centrum wil een kleurrijke plek zijn waar ieder kind en iedere medewerker zich welkom voelt en wordt uitgedaagd zich te ontwikkelen en ontplooien op een manier die past bij zijn of haar individuele mogelijkheden.'

Als pedagogisch werker ben je lid van een team.

Een team is de groep medewerkers die samen een of meerdere taken uitvoeren en daarvoor verantwoordelijk zijn.

Je moet goed kunnen samenwerken met je collega's, ook als die heel anders denken en doen dan jij. Samenwerken is het werken aan een gemeenschappelijk doel door met elkaar te overleggen en samen naar oplossingen te zoeken. In een goed werkend team streven medewerkers naar evenwicht tussen geven en nemen, met respect voor zichzelf en de ander. Een team kan bestaan uit mannen en vrouwen, van verschillende leeftijden, achtergronden, geloofsovertuiging, land van herkomst, vooropleiding, specialisatie en werkervaring. Niet de feitelijke verschillen, maar de betekenis die mensen aan deze

Een organisatie kan op beleidsniveau duidelijk maken op welke manieren zij aandacht besteedt aan diversiteit. Dit omschrijft de organisatie in haar visie en doelen.

Een visie is een bepaalde kijk op iets, gezichtspunt, richtinggevende zienswijze.

24


Diversiteit in de organisatie

verschillen geven is bepalend voor hoe mensen met elkaar omgaan en met elkaar samenwerken. Naast de verschillen tussen medewerkers zijn er vaak ook veel overeenkomsten. Denk aan hobby's, vakantiebestemmingen, muziekvoorkeur of het al dan niet hebben van kinderen. Belangstelling voor elkaars wereld zorgt niet alleen voor een gezamenlijk gespreksonderwerp en een gevoel van verbondenheid. In een team waarin iedereen de kracht van verschillen weet te benutten, werken mensen ook beter en plezieriger samen. Die band helpt mee aan de vorming van een gezonde teamcultuur.

2

Maar in een dergelijk team bestaat het gevaar dat je routinematig gaat werken. In hoeverre het lukt om diversiteit in praktijk te brengen, hangt vooral ook af van het klimaat: heerst er in de groep medewerkers een open of een gesloten groepsklimaat? In een open groepsklimaat kunnen groepsleden zichzelf zijn. Door directe en persoonlijke communicatie en goede samenwerking ontstaat er een goede sfeer, die het gemakkelijker maakt om doelen te bereiken. Soms komt het voor dat een team té nauw met elkaar samenwerkt. Dan ontstaat een té hechte band tussen de teamleden. Zo'n team sluit zich af voor invloeden van buiten. Als je in een té hecht team je BPV doet, kun je het gevoel krijgen dat je er niet echt bij hoort. Collega's vragen aan jou nooit iets persoonlijks en betrekken je in de koffiekamer niet bij het gesprek.

Met teamcultuur worden de waarden en normen van een team bedoeld.

Voorbeeld Jelske (25) is nog niet zo lang geleden bevallen van een dochter en sinds kort weer aan het werk. Nu ze een kind heeft, is het contact met haar collega Lana (48) opeens heel anders. In de pauze praten ze veel over kinderen. Lana is ouder en heeft twee pubers maar herinnert zich nog zo goed hoe het ook al weer was met een pasgeboren baby. Ze hebben samen levendige gesprekken over rompertjes, spenen en spuugdoekjes. Het verschil in leeftijd speelt opeens geen rol meer tussen beide vrouwen.

Kenmerken van het groepsklimaat Gesloten team: • een sterk stelstel van normen en waarden (bijvoorbeeld strikte regels); • geen individuele standpunten van teamleden, maar vooral groepsstandpunten; • sterke onderlinge verbondenheid tussen teamleden (vaak ook privé); • een nieuw teamlid loopt grote kans buitengesloten of gepest te worden; • een gering verloop onder medewerkers.

2.2.1 Open en gesloten team

Open team: openstaan voor verbeteringen en veranderingen; • ter sprake brengen wat voor elk teamlid belangrijk is; • persoonlijke zaken uitwisselen; • gevoelens inbrengen en benutten, en als waardevolle informatie zien om de groep verder te brengen in zijn functioneren.

In een gelijkgestemde groep weet je elkaar gemakkelijk te vinden, ben je het snel met elkaar eens en kom je eerder tot een besluit. Maar een team bestaat niet altijd uit gelijkgestemden en dat is soms maar beter ook. Een homogene groep, die gelijk van samenstelling is, heeft zo haar voordelen, zoals het snel kunnen beslissen.

Collega's zoek je niet zelf uit zoals vrienden; je moet het doen met wat je krijgt tijdens je BPV of in je werk en hopen dat het klikt. Wat je in elk geval probeert, is een goed contact op bouwen en met elkaar in gesprek blijven, ook als er wrijvingen zijn.

Diversiteit in een team is niet vanzelfsprekend. Werkgevers blijken bij sollicitaties nog steeds vaak de voorkeur te geven aan een sollicitant met een van oorsprong Nederlandse achtergrond boven een kandidaat met een migratieachtergrond met dezelfde kwalificaties.

•

25


2

PEK MODULE 2 Diversiteit

2.2.2 Homogeen en heterogeen team

2.2.3 Diversiteit benutten in het team

Teams presteren doorgaans beter als ze divers van samenstelling zijn. Dit wil zeggen een team met zowel mannen als vrouwen, jonge en oudere collega's en teamleden met verschillende achtergronden. Dit komt doordat een heterogeen team beter in staat is vraagstukken vanuit verschillende perspectieven te bekijken en beoordelen. Wat de één niet kan of weet, kan of weet een ander wel. Een oudere collega met meer pedagogische ervaring kan bijvoorbeeld een jongere, onervaren collega op weg helpen. Als de diversiteit van het team goed wordt benut, en iedereen een eigen inbreng heeft, brengt dat het hele team verder.

Door een belangstellende houding en een 'open mind' kun je als collega's veel leren van elkaar. Geïnteresseerd zijn in anderen, hoezeer ze ook van jou verschillen, opent nieuwe werelden. • Waarom kies je ervoor uitsluitend veganistisch te eten? • Wat betekent een gereformeerde levenswijze voor jou? • Wat heb je geleerd op de cursus 'Oplossingsgericht werken'? • Is de yoga waar je laatst iets over vertelde misschien ook iets om eens in de groep te doen? • Hoe reageerden je ouders toen je vertelde dat je lesbisch bent?

Voorbeeld Binal (20), pedagogisch werker in een asielzoekerscentrum. 'Ik heb er altijd van gedroomd dat ik gitaar kon spelen. Het is er alleen nooit van gekomen het te leren. Mijn collega Fred (46) hoorde ervan en zei meteen: “Morgen neem ik mijn gitaar mee en voortaan geef ik je elke pauze een kwartier les.” Toen ik hoorde dat het Fred niet lukte de uitgaven van een groepsuitstapje in een Excel-bestandje te zetten, heb ik dat even voor hem gefikst.'

Samenwerken in een divers team gaat niet altijd vanzelf en kan leiden tot conflicten en irritatie. Krijgt degene die anders denkt wel de ruimte om zich te uiten en wordt die mening wel serieus genomen? Neemt het team wel de tijd om naar een afwijkende mening te luisteren en andere denkwijzen te onderzoeken? Diversiteit kan inspiratie geven voor een nieuwe denkwijze of andere aanpak. Diversiteit kan zo een verrijking zijn. Bovendien wordt de band tussen teamleden sterker door ervaringen en gevoelens met elkaar te delen. De diversiteit binnen een team kun je benutten. Daarvoor is het nodig dat je een bestaande werkwijze ter discussie durft te stellen. En dat andere teamleden zich openstellen voor nieuwe manieren van werken. In een team dat diversiteit accepteert en benut, staan de medewerkers open voor elkaars ideeën, talenten en sterke kanten. Ze hebben interesse in elkaars geloof en achtergrond. Het gevolg is meer openheid, waardering en respect voor elkaar. Voor jou als collega in een team is het de kunst een balans te vinden tussen je aanpassen en jezelf blijven. Samenwerken in een divers team gaat niet altijd vanzelf en kan leiden tot conflicten en irritatie. Krijgt degene die anders denkt wel de ruimte om zich te uiten en wordt zijn mening wel serieus genomen? Neemt het team wel de tijd om naar een afwijkende mening te luisteren en andere denkwijzen te onderzoeken?

Een heterogeen samengesteld team kan tot overeenstemming komen als men elkaar weet te waarderen en ieders kwaliteiten worden gezien en benut. Juist een pittige discussie over verschillen in inzichten geeft uiteindelijk een beter doordacht resultaat. In een homogeen samengesteld team, is meestal minder discussie.

Figuur 2.2  Binnen het team leren de medewerkers van

elkaar, niet alleen van elkaars cultuur maar ook van ieders talenten  © ANPfoto / Roel Burgler 26


Diversiteit in de organisatie

De diversiteit binnen een team moet benut worden. Daarvoor is het nodig dat je een bestaande werkwijze ter discussie durft te stellen. En dat andere teamleden zich openstellen voor nieuwe manieren van werken. In een team waarin diversiteit geaccepteerd wordt, staan de medewerkers open voor elkaars ideeën, talenten en deskundigheden. Ze hebben interesse in elkaars geloof en achtergrond. Het gevolg is meer openheid, waardering en respect voor elkaar. Voor individuen is het de kunst een balans te vinden tussen zich aanpassen en zichzelf blijven.

2

Voorbeelden Vast ritueel Het team van internaat het Schippertje heeft een vast ritueel om nieuwe collega's te verwelkomen. De collega's stellen niet zichzelf maar elkaar aan de nieuwe collega voor: 'Hier naast mij zit Stella. Zij is gek op tuinieren en dat doet ze op haar balkon van 4 bij 2 meter. Als je stekjes nodig hebt, kun je altijd bij haar terecht. Stella is ook de enige in het team die heel goed is in de spelling van de werkwoorden. Dus als je een verslag moet schrijven en je twijfelt ergens over, moet je bij haar zijn. Ze helpt heel graag.'

Voorbeelden Malika (21): 'In het begin was ik erg onzeker. Mocht ik wel gewoon mijn mening geven aan oudere collega en welke woorden koos ik daarvoor? Het voelde brutaal om haar erop te wijzen dat ze nalatig was geweest door het traphekje niet te sluiten. Ik ben het vanuit mijn cultuur absoluut niet gewend om iemand die ouder is zomaar aan te spreken.'

Voorwerp van thuis Op de uitnodiging van een personeelsfeestje van peuterspeelzaal Panda staat een opdracht voor alle medewerkers: 'Neem allemaal een voorwerp mee van thuis dat iets zegt over je eigen achtergrond en vertel daar iets over. Zo leren we elkaar beter kennen!' Een vaak voorkomende fout in het contact met anderen is een voorbarig oordeel. Dat wil zeggen, dat je op grond van een enkel feit of een enkel gegeven direct komt tot een beoordeling van een situatie of de beweegredenen van een persoon.

Nieuwe collega In kindercentrum Sesam is een vacature. Tijdens de lunch wordt daar druk over gepraat. Wie komt er binnenkort het team versterken? Op de vraag van leidinggevende Natascha of ook mannen welkom zijn, reageert iedereen enthousiast. 'Leuk juist. Laat maar komen!' Maar als zij vraagt of een man wel in het team zou passen, hebben sommige medewerkers twijfels. Het is eigenlijk wel net zo gezellig met alleen maar vrouwen.

Voorbeeld Nadia (17), tweedejaars op de opleiding PW vertelt: 'Ik ben opgegroeid met de islam. Ik heb leren bidden en heb gedeeltes van de koran uit mijn hoofd geleerd. Ook heb ik op een islamitische basisschool gezeten. Nu laten mijn ouders mij vrij. Ik mag zelf de keuze maken over wat ik wel en niet doe. Maar ik heb zoveel over de islam gelezen dat ik denk: het zal wel waar zijn. Ik geloof in een God en in het hiernamaals. Ik heb er daarom voor gekozen een hoofddoekje te dragen en naar de moskee te gaan. De eerste vraag die ik bij mijn BPV kreeg, was: dat moet je zeker van je ouders?'

Voor een nieuwe collega is het soms spannend, zo'n eerste kennismaking met een team. Ook het team is nieuwsgierig naar de nieuwe collega. Vaak zoek je onbewust naar overeenkomsten: is hij of zij een beetje zoals jij? Misschien heeft de nieuwe collega wel verrassende talenten of eigenschappen die een welkome aanvulling zijn voor het team? Besteed daarom altijd aandacht aan een uitgebreide kennismaking, waarbij niet alleen de nieuwe collega zich voorstelt maar ook het team zich presenteert.

Wees altijd voorzichtig met een voorbarig oordeel over iets wat je ziet of denkt. Je moet er bijvoorbeeld niet meteen van uitgaan dat iemand die een hoofddoek draagt, dit doet omdat het van haar ouders moet. Ga eerst na of het wel klopt voordat je een mening geeft. 27


2

PEK MODULE 2 Diversiteit

2.3 Je beroepshouding en diversiteit

Als groepslid speel je een rol bij het optimaal benutten van de diversiteit binnen het team. Houd daarbij rekening met de volgende aandachtspunten: • Sta open voor meer diversiteit in het team. • Wees je bewust van je mogelijke vooroordelen en ga na waar die uit voorkomen. • Veroordeel een andere mening niet, maar geef wel je persoonlijke grenzen aan. • Stel vragen als iemand nieuw voor je is. Kijk uit met een voorbarig oordeel. • Benadruk de overeenkomsten in het team en laat je waardering merken aan elkaar. • Laat je persoonlijke gevoelens en kwetsbaarheid zien. • Accepteer groepsleden zoals ze zijn. Laat individuele groepsleden merken dat hun mening telt en houd rekening met ieders eigenheid. • Heb oog voor de talenten in het team. Maak er gebruik van: leer van andermans visies, ervaringen en competenties.

In je werk ontmoet je mensen met een andere achtergronden dan jijzelf. Juist door die verschillen word je je bewust van je eigen cultuur. Diversiteit kan je confronteren met je eigen achtergrond en levensvisie. Tegelijk wordt verwacht dat je een professionele beroepshouding laat zien aan ouders en als rolmodel functioneert voor de kinderen in je groep. Open staan en kunnen omgaan met verschillen hoort bij professioneel gedrag en verantwoordelijkheid nemen in je werk.

2.3.1 Waarden en normen In de ontmoeting met andere mensen neem je je eigen ervaring, waarden, normen en omgangsvormen mee. Wees je daarom bewust van je eigen cultuur en achtergrond. Van daaruit kun je je gaan verdiepen in de waarden en normen van de ander. De begrippen waarden en normen worden in het dagelijks leven vaak gebruikt. Maar wat betekenen ze eigenlijk?

Voorbeeld 'Mijn collega Anita is heel streng als het gaat om je bord leeg eten. Ze is vast zo opgevoed maar ik ben het er helemaal niet mee eens. Ik ben een stuk jonger en ga ervan uit: iedereen heeft wel eens een dag minder trek. Dat heb je zelf toch ook? Ik zou het vreselijk vinden als iemand tegen mij zou zeggen: eet je bord leeg.'

Waarden zijn de gemeenschappelijke opvattingen van (een groep) mensen over wat zij belangrijk vinden in het leven en in de omgang met elkaar. Hiervan worden de normen afgeleid. Normen zijn de gemeenschappelijke verwachtingen en afspraken over gepast gedrag in een bepaalde situatie. Normen zijn gedragsregels.

Met andere woorden: bij je waarden gaat het om alles wat je vanuit je eigen cultuur of opvattingen 'waardevol' vindt. Je normen zijn de gedragsregels, omgangvormen en richtlijnen die je vanuit deze waarden 'normaal' vindt. Figuur 2.3  Collega's bespreken elkaars manier van

werken met elkaar  © Shutterstock / MmeEmil

28


Diversiteit in de organisatie

Voorbeelden • Als respect voor ouderen voor jou belangrijk is (waarde), dan is het voor jou vanzelfsprekend op te staan voor een oudere in de bus (norm). • Als respect voor ouderen voor jou belangrijk is (waarde), dan is het voor jou vanzelfsprekend op te staan voor een oudere in de bus (norm). • Als eerlijkheid (waarde) voor jou belangrijk is, dan lieg je niet snel over iets (norm).

2

omgangsvormen en eetgewoonten. Dit kan van invloed zijn op jullie contact. Verschillen tussen jouw achtergrond en die van de ander kunnen het contact verrijken, maar ook bemoeilijken. Denk daarbij aan taalproblemen, maar ook aan het niet begrijpen van elkaars gewoonten en gebruiken. Kortom, in de communicatie met anderen is het verstandig je bewust te zijn van je eigen referentiekader.

Waarden en normen hebben dus veel met elkaar te maken. Ze laten zien waar je voor staat in het leven. Waarden en normen zijn voor iedereen verschillend. Leidster Bregje wordt boos als ze een jongen uit haar groep betrapt die zomaar een kastje in de keuken opentrekt op zoek naar koekjes. Haar collega Johan vindt het maar drukte om niks en zegt: 'Elk kind heeft toch wel eens een koekje gepikt, maak je niet zo druk.'

Een referentiekader is het geheel van denkbeelden, overtuigingen, gewoonten, waarden en normen die iemand heeft opgebouwd in zijn leven en van waaruit hij de wereld om zich heen interpreteert en beoordeelt.

Je referentiekader bepaalt voor een groot deel hoe jij de wereld om je heen bekijkt en wat je mening daarover is. Kinderen waar je mee gaat werken, groeien op in verschillende gezinssituaties: soms zijn er twee moeders, groeit een kind op bij oma, heeft het gescheiden ouders of pleegouders. In sommige gezinnen is er geld in overvloed en het andere gezin komt aan het eind van de maand altijd geld tekort. Wat is jouw eigen achtergrond, waar en in wat voor gezin ben jij opgegroeid, wat voor waarden en normen heb jij van huis uit meegekregen? In de volgende twee voorbeelden zie je dat het referentiekader van twee studenten hun mening over een bepaalde situatie beïnvloedt. Ook al zeggen zij daarover niets tegen het kind: kinderen voelen vaak haarfijn aan hoe je over iets denkt.

Voor het team van peuterspeelzaal Jacobien zijn respect en geduld belangrijke waarden. Dat zie je aan de regels op de groep: • Je doet anderen geen pijn. • Je houdt het speelgoed heel en ruimt het op. • Je wacht op elkaar. • Je helpt elkaar met jassen en verfschorten aan doen. • Je wacht op je beurt. • Je vraagt of je met iets mag spelen en pakt het niet af.

2.3.2 Jouw referentiekader Jouw ervaringen, jouw manier van denken, jouw gevoelens, opvattingen, gedrag, beleving en stemmingen kleuren het contact dat je met andere mensen hebt. Je hebt een andere achtergrond, referentiekader, dan je gesprekspartner. Beroepsmatig met mensen omgaan betekent dat je je hier bewust van bent en dat je je eigen gedrag kunt bijsturen. Je wilt de ander leren kennen, maar leert daarmee tegelijk ook meer over jezelf. Er kan een verschil zijn tussen jouw achtergrond en die van het kind of de ouders met wie je te maken krijgt. Veel gewoonten en tradities zijn cultuurgebonden, zoals feesten, rouwrituelen,

Voorbeelden Veganistisch eten Ellis (18) tweedejaars student PW tegen een collega: 'De ouders van Priscilla uit mijn groep eten veganistisch*. Zij moeten natuurlijk zelf weten wat ze thuis doen, maar ik heb er wel last van. Met verjaardagen kan Priscilla nooit eens meesnoepen. En ik ben altijd druk aan het opletten of ze niet iets 'verkeerds' van andere kinderen krijgt.

29


2

PEK MODULE 2 Diversiteit

In de groep krijgt zij op die manier een uitzonderingspositie. Dat is toch zielig voor haar?' * Veganisten gebruiken geen dierlijke producten. Zij eten geen vlees, zuivel, eieren, honing of producten waar deze dierlijke producten in verwerkt zitten.

ken van de groep. Leren omgaan met diversiteit is leren inzien dat mensen gelijkwaardig zijn en dat iedereen respect verdient. In dat opzicht betekent diversiteit meer dan alleen kennis over andere religieuze feesten of andere culturele tradities. Respect voor diversiteit betekent dat je een kritisch oog ontwikkelt voor wat de ander nodig heeft. En dat je jezelf en je eigen leven met een nieuwe blik durft te bekijken. Klopt het bijvoorbeeld wel wat je altijd hebt gedacht en van je ouders hebt geleerd? Of heb je te maken met een overtuiging die misschien niet klopt of waar je ook op een andere manier naar kunt kijken? Diversiteit gaat niet over loze woorden en begrippen, maar over jou als persoon en over jouw waarden en normen. Dat kan soms verwarrend en confronterend zijn. Durf jij te heroverwegen wat je van thuis hebt meegekregen of houd je vast aan gewoonten, denkwijzen en manieren, omdat je daaraan gewend bent en die voor jou altijd het beste hebben gewerkt? Leren omgaan met diversiteit is leren inzien dat mensen gelijkwaardig zijn en dat iedereen respect verdient. Een belangstellende en respectvolle houding ontstaat niet van de ene op de andere dag, maar het is wel iets waar je aan kunt werken. Een methodische manier van werken is aan de hand van deze drie stappen. Stap 1 Leer je eigen waarden en normen kennen. Wees je ervan bewust hoe je over bepaalde zaken denkt en wat je daarin belangrijk vindt zoals bepaalde omgangsvormen. Stap 2 Leer de waarden en normen van de ander kennen. Let erop dat je wel uitgaat van feiten en niet van vooroordelen. Wat voor een hele groep geldt, hoeft niet te gelden voor die ene persoon. Stel vragen om te weten hoe iemand over bepaalde zaken denkt en vraag door om de achtergrond van de ander beter te leren kennen en begrijpen. Stap 3 Bepaal hoe je met de verschillen om wilt gaan. Ga jij nieuwe mensen met een open houding tegemoet? Sta jij snel met een oordeel klaar of probeer je mee te denken om te begrijpen waarom iemand doet zoals hij doet?

Vieze sokjes Joost (17) eerstejaars student PW in een asielzoekerscentrum: 'Met wie ik echt moeite heb is Lana. Wat ruikt dat kind altijd naar urine. En dan die sokjes. Te vies om aan te pakken als ik haar help met aankleden. Ik denk echt dat ze wekenlang dezelfde draagt. Als we een kringspelletje doen, pak ik haar het liefst niet bij de hand. Dat is misschien onaardig, maar ik ben gewoon superschoon aangelegd. Als ik op vakantie ga neem ik standaard een literfles Dettol mee.' Hoe had Ellis gesproken als zij zelf veganistisch was opgevoed? Hoe zou Joost naar Lana kijken als hij bij haar thuis op huisbezoek was geweest? En gezien had hoe zij en haar moeder en drie broertjes woonden? En met welke problemen de moeder van Lana te kampen heeft? Stel je voor dat je als jongetje of meisje in Nederland geboren en getogen bent. Deze achtergrond bepaalt voor een groot deel hoe je denkt. Waar je aan gewend bent binnen je eigen cultuur vind je vaak 'gewoon' en 'normaal'. Het is maar net vanuit welk referentiekader je naar een situatie kijkt. Jouw achtergrond bepaalt ook waar jouw grenzen liggen. Realiseer je wel dat je referentiekader niet vastligt, maar kan veranderen. Het geeft alleen in grote lijnen aan wat voor jou belangrijk is. Op je eigen cultuur mag je trots zijn, maar je moet tegelijkertijd beseffen dat je eigen cultuur niet automatisch de beste is.

2.3.3 Respectvolle houding In je rol als pedagogisch werker moet je weten hoe je met mensen omgaat die een andere culturele achtergrond hebben en andere culturen begrijpen en respecteren. Diversiteit betekent in de kern: anderen de vrijheid en ruimte gunnen die je ook jezelf gunt. Er is ruimte om af te wij30


Diversiteit in de organisatie

2

Iedere cultuur heeft haar eigen manier van communiceren. Er zijn verschillen in hoe je elkaar begroet, hoe je elkaar aanspreekt, wel of niet aanraakt, de gebaren die je gebruikt om iets duidelijk te maken en hoe je een discussie voert. In andere culturen wordt ook vaak anders over opvoeden gedacht. Die verschillen hebben invloed op het gesprek dat je met elkaar hebt. Er kunnen gemakkelijk misverstanden ontstaan. Om met iemand met een andere culturele achtergrond goed te kunnen communiceren, let je er extra op dat je elkaar goed begrijpt. In de communicatie tussen mensen kan veel fout gaan. Miscommunicatie kan ontstaan als iemand iets zegt dat een ander niet verstaat omdat die de taal niet spreekt. Of iemand een gebaar maakt dat een ander niet begrijpt. Om zo goed mogelijk te communiceren met anderstalige kinderen en ouders kun je letten op de manier waarop je verbaal en non-verbaal communiceert. Bedenk dat jonge kinderen de taal leren door wat ze voelen. Een kind dat met een bal speelt, onthoudt het woord gemakkelijker dan wanneer hij alleen een plaatje ziet. Interculturele communicatie gaat over het goed begrijpen van elkaar. Dit lukt het best als je daarbij zo goed mogelijk rekening houdt met zowel je eigen culturele en sociale achtergronden als die van de ander. De communicatie is geslaagd als de informatie goed overkomt en je jouw gespreksdoel bereikt. De houding van jou als pedagogisch werker is hierbij cruciaal.

Figuur 2.4  Diversiteit vraagt om een belangstellende

houding  © Roel Seidell

Voorbeeld Ilse doet haar BPV als onderwijsassistent en vindt het best moeilijk een gesprekje te beginnen met ouders die ze nog niet kent. Er zijn veel ouders met een migratieachtergrond in haar groep die de taal nog niet goed spreken. Hoe pakt ze zo'n gesprekje aan? Ze neemt zich voor om elke dag een vraag te stellen aan iemand die nieuw voor haar is.

2.4 Interculturele communi­ catie

Interculturele communicatie gaat over het goed begrijpen van elkaar. Let op de volgende aandachtspunten: • Wees open, vriendelijk en toegankelijk. Gebruik de breng- en haalmomenten om een band op te bouwen met ouders. Neem de tijd en de rust voor een gesprek. Zorg voor een sfeer van vertrouwen en laat merken dat je luistert. • Praat in begrijpelijke taal. Gebruik korte en duidelijke zinnen, praat niet te snel en articuleer duidelijk. Gebruik geen moeilijke woorden, afkortingen of vaktaal.

In je werk kun je kinderen en ouders ontmoeten die niet dezelfde taal spreken als jij. Interculturele communicatie gaat over het goed begrijpen van elkaar.

Interculturele communicatie is de communicatie die plaatsvindt tussen mensen met een verschillende culturele achtergrond.

31


2 •

• •

• • • •

PEK MODULE 2 Diversiteit

Sluit zo veel mogelijk aan bij het taalgebruik van de ander. Maak geen onverwachte sprongen in het gesprek, stel duidelijke vragen en geen twee vragen ineen. Geef af en toe een samenvatting. Benadruk en herhaal belangrijke woorden. Doe moeite om de ander te begrijpen. Controleer of je goed hebt begrepen wat de ander jou wil zeggen. Laat het merken als je iets niet begrijpt en vraag om nadere uitleg. Kijk goed naar de lichaamstaal van de ander. Je kunt daaraan aflezen wat iemand nodig heeft of wil zeggen. Zorg ervoor dat je onbevooroordeeld luistert. Sta niet meteen met je mening klaar. Gebruik visuele hulpmiddelen zoals plaatjes en filmpjes als ondersteuning bij taal. Gebruik lichaamstaal. Met je gezichtsuitdrukking en gebaren kun je duidelijk maken wat je bedoelt.

Voorbeelden • Er ligt een boek op tafel. Het ligt er al lang. Weet jij wat erin staat? • Wie gaat er mee? Er is kermis in de stad. In deze paar voorbeelden zie je dat Nederlands een bijzonder moeilijk te leren taal is. Realiseer je ook dat veel bekende Nederlandse uitdrukkingen bij ouders vreemd kunnen overkomen en tot onbegrip kunnen leiden. Veel misverstanden – en soms grappige spraakverwarringen – ontstaan doordat mensen woorden op een andere manier uitleggen. Dit gebeurt bijvoorbeeld als ze een figuurlijk bedoelde uitdrukking letterlijk nemen. Voorbeeld Een aantal Nederlandse uitdrukkingen die tot misverstanden leiden als je ze letterlijk neemt: • 'Mevrouw Yilmaz, als u nog iets te vragen heeft, dan trekt u maar aan de bel.' • 'Uw zoontje wil altijd het naadje van de kous weten.' • 'U snapt hopelijk wel dat wij één lijn moeten trekken.' • 'Het is belangrijk dat alle kinderen gewoon eten wat de pot schaft.' • 'De soep die u gemaakt heeft, ging erin als koek.' • 'U moet goed begrijpen meneer Benkina, dat wij niemand zwart willen maken.' • 'Uw dochter Emma is niet op haar mondje gevallen.' • 'Neemt u dat nou maar van mij aan.'

2.4.1 Verbale communicatie Een gesprek voeren met iemand die de taal niet of niet zo goed spreekt, kan lastig zijn. Begin ermee om met een positieve bril te kijken naar mensen die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn. Houd er rekening mee dat anderstaligen denken en spreken vanuit hun eigen taal. Zij baseren zich op hun kennis van hun moedertaal en maken in hun verbale communicatie juist daardoor soms fouten tegen de regels van het Nederlands. Een Turkse ouder zegt bijvoorbeeld: 'Ik naar huis gaan', omdat in het Turks het werkwoord achteraan staat in de zin. Hij doet dit dan ook in het Nederlands. Ook mensen die in hun taal geen lidwoorden kennen, lijken krom te praten, maar ze spreken wel netjes volgens de regels zoals zij die geleerd hebben.

Een eerste voorwaarde om elkaar te begrijpen, is dat je elkaars taal verstaat. Daarnaast heb je voldoende kennis nodig van het onderwerp van gesprek. Als jij iets aan islamitische ouders wilt uitleggen over het kerstfeest of paasfeest dat je met de kinderen gaat vieren, dan is het mogelijk dat zij niet dezelfde kennis hebben over de achtergrond van deze feesten. En andersom, als leidster met een Marokkaanse achtergrond houd je er rekening mee dat een van oorsprong Nederlandse collega misschien niet precies weet wat de ramadan inhoudt.

Voorbeeld 'Ik pak fiets en ga naar bakker' (In plaats van: 'Ik pak de fiets en ga naar de bakker') Een woord dat vaak in het Nederlands voorkomt is het woordje 'er'. Het komt verder in geen enkele andere taal voor en is daarom heel moeilijk te leren als tweede taal. 32


Diversiteit in de organisatie

Reageer met begrip Reageer met begrip als kinderen of ouders taalfouten maken. Waardeer wat iemand zegt, ook al is de zinsbouw niet altijd correct. Ze moeten fouten durven maken. Kinderen leren veel van elkaar, dus stimuleer situaties waarbij ze samen spelen en woordjes kunnen leren van elkaar. Let op je eigen taalgebruik, spreek duidelijk in begrijpelijke taal en gebruik geen moeilijke, 'dure' woorden of vaktaal. Wees er alert op dat je tegen volwassenen wel duidelijk maar niet kinderachtig praat. Stimuleer begrip bij kinderen die wel Nederlands spreken door bijvoorbeeld het voorlezen van een boek in een andere taal, bijvoorbeeld Engels. Zo kun je laten zien hoe moeilijk het is als je de taal niet begrijpt.

2

Taal in het team Heb je een collega in je team die het Nederlands (nog) niet goed beheerst, dan vraagt dat van jou vaak extra inzet. Je moet soms dingen anders of nog een keer uitleggen en extra je best doen om de ander goed te begrijpen. Als je zelf degene bent die het Nederlands pas op latere leeftijd heeft geleerd, dan weet je dat het spreken van een tweede taal heel vermoeiend en frustrerend kan zijn. Het vraagt, zeker in het begin, veel concentratie en moeite. Vaak brengt het ook spanning met zich mee: maak ik geen domme fouten, kunnen ze mij wel goed verstaan, nemen ze mij wel serieus? Denk bij collega's die moeite hebben met de taal niet alleen aan medewerkers met een migratieachtegrond. Er zijn ook genoeg pedagogisch werkers met een Nederlandse achtergrond die er moeite mee hebben foutloos Nederlands te schrijven, bijvoorbeeld in de schriftjes voor de ouders. Er zijn collega's, die een sterk dialect hebben of die dyslectisch zijn. Schriftjes vol spelfouten maken een slechte indruk op ouders. Hoe kun je als team met elkaar op een respectvolle manier omgaan met de verschillen in beheersing van de Nederlandse taal? Breng taal ter sprake. Bespreek op welke manier je elkaar verder kunt helpen met taal. Bied hulp aan of vraag of je een collega kunt helpen met taal.

Voorbeeld Dit oudergesprek is een letterlijke weergave van een gesprek tussen pedagogisch werker Pim (P), werkzaam in een gezinshuis en moeder Latifa (L), die nu zeven jaar in Nederland woont. P: 'Hoe is het ermee?' L: 'Ja goed.' P: 'Gaat het goed thuis?' L: 'Ja goed, ja, ja.' P: 'U heeft een fantastische dochter.' L: 'Ja, ja.' P: 'Altijd goeie zin, altijd lachen.' L: 'Mm, mm, ja, trots op haar.' P: 'Het gaat erg goed met haar op de groep.' L: 'Ja, elke twee weken, zij moet naar bibliotheek.' P: 'Dat doet ze, ja.' L: 'En lezen gaat erg snel, na een paar dagen, zij is klaar.' P: 'O geweldig, ja.' L: 'Zij zegt, mama ik moet dit terugbrengen en moet ik nog een keer een andere moeilijke boek uhh…' P: 'Zoeken…?' L: 'Lenen.' P: 'Ja, lenen.' L: 'En thuis zij zegt mama, je moet ook mee even leren, met boek over long en hersen.'

Figuur 2.5  Let op de manier waarop je verbaal en nonverbaal communiceert  © Charlotte Bogaert

Voorbeeld Mariam (23): 'Ik kom uit Syrië. Het werken in de kinderopvang was nieuw voor mij en mijn 33


2

PEK MODULE 2 Diversiteit

Nederlands was nog erg beperkt. Woorden als 'rompertje', 'aankleedtafel', 'slabbetje', 'tuitbeker' of 'wipstoeltje' had ik op de taalles niet geleerd. Die situatie was niet gemakkelijk. Er waren zoveel voor mij onbekende woorden. Op een ochtend kwam ik op mijn werk en bleek dat mijn collega's de dag ervoor kaartjes hadden opgehangen bij alle dingen die moeilijk voor mij waren om te benoemen. Zo lief!'

Het voordeel van tolken is dat zij beide talen goed spreken en neutraal zijn. Hun werk is ervoor te zorgen dat mensen die elkaars taal niet verstaan, elkaar toch begrijpen. Zij spreken geen oordeel uit over dat wat er wordt gezegd en hebben een plicht tot geheimhouding.

2.4.2 Non-verbale communicatie Ook zonder woorden, oftewel via non-verbale communicatie, heb je de hele dag door contact. Je zegt misschien niet tegen je docent dat je het een saaie les vindt, maar je gezichtsuitdrukking en lichaamshouding spreken voor zich. Je laat niet merken dat je je mondelinge presentatie spannend vindt, maar de rode vlekken in je hals vertellen hoe je je voelt. Voorbeelden van nonverbale communicatie zijn: • oogcontact, zoals de manier waarop je iemand aankijkt; • je lichaamshouding; • je gezichtsuitdrukking; • het gebruik van gebaren.

Meertalig onderwijs Op Basisschool East-Kime/Bernegea in Oostehem (Friesland) is gekozen voor het aanbieden van drie talen. 'Als team hebben we ervoor gekozen vanaf groep 1 drie talen aan te bieden: Frysk (= Fries), Nederlands en Engels. Uit onderzoek is gebleken dat een meertalige leeromgeving een positieve invloed heeft op de (taal)leerresultaten. Een groot gedeelte van de kinderen van onze school is van huis uit Frysktalig. Wij willen dat ze de Fryske taal goed leren spreken, lezen en schrijven en dat ze daarnaast goed Nederlands leren. Wij willen de kinderen een goede basis voor hun verdere leven meegeven. Met het oog op de internationale communicatie is hierbij een goede beheersing van de Engelse taal ook belangrijk. Daarom krijgen de kinderen bij ons op school vanaf groep 1 al Engelse les. Dit gaat natuurlijk heel spelenderwijs, met liedjes en opzegversjes.'

Maar ook door je uiterlijk en kleding communiceer je non-verbaal (bewust of onbewust) wie je bent en wat je wilt uitstralen. Je zegt er soms meer mee dan je denkt.

Gebruikmaken van een tolk Een tolk is onmisbaar in situaties waarbij niet alle aanwezigen dezelfde taal spreken of voldoende begrijpen. Een tolk zorgt ervoor dat een gesprek soepel verloopt en er geen miscommunicatie ontstaat. Als je bijvoorbeeld een belangrijk gesprek hebt met ouders die een andere taal spreken dan jij, dan moet je elkaar echt goed kunnen begrijpen. Bij het uitwisselen van gevoelige informatie is het niet aan te bevelen dat een van de kinderen of een familielid voor tolk speelt. Ouders voelen zich dan niet vrij. Bovendien kan er gemakkelijk verwarring ontstaan over begrippen en uitdrukkingen. Meestal helpt de tolk per telefoon of via de tolken-app. Met de luidspreker aan kan iedereen het gesprek volgen.

Figuur 2.6  Gebaren kunnen veel duidelijk maken  © Charlotte Bogaert

Zonder woorden kun je veel duidelijk maken. Met een vriendelijke blik kun je bevestiging en waardering uitstralen. Een duim omhoog is een internationaal teken voor: 'Goed gedaan'. Kijk 34


Diversiteit in de organisatie

wel uit, want non-verbale taal lijkt internationaal, maar is dat niet altijd. De Grieken knikken 'ja' als ze 'nee' bedoelen en iemand recht in de ogen kijken is in sommige landen geen teken van een 'open houding', maar een teken van brutaliteit. Woorden en gebaren kunnen een verschillende emotionele betekenis hebben, afhankelijk van iemands culturele achtergrond en persoonlijke ervaringen. Een kind dat wegduikt als jij het een aai over de bol wil geven, heeft een ander gevoel bij dit gebaar dan dat jij ermee bedoelt. Hij reageert misschien zo omdat hij thuis geslagen wordt. En een aai over de bol is in Azië en Afrika zeer onbeleefd. Het hoofd is binnen bepaalde culturen 'het hoogste deel van het lichaam'; dit aanraken is taboe. In de groep kun je vaste gebaren afspreken voor 'stop' en 'stil', zodat dit ook duidelijk is voor kinderen die de taal nog onvoldoende machtig zijn.

2

Of maak op de wand een 'familiemuur' waarvoor kinderen zelf foto's mogen meebrengen. Dat geeft ze de mogelijkheid over thuis te vertellen.

Figuur 2.7  Een 'familiemuur'  © Marlies van Ginneken

Voorbeeld 'Nee hoor, dat is helemaal niet erg', zegt Lonneke tegen de vader die voor de zoveelste keer zijn dochtertje pas na sluitingstijd van het kinderdagverblijf ophaalt. Maar aan haar gezicht is goed te zien dat ze woedend is. Visuele hulpmiddelen Plaatjes, foto's of videobeelden kunnen veel duidelijk maken aan ouders die de Nederlandse taal niet spreken of lezen. Werk met duidelijke pictogrammen of foto's voor het dag- en weekprogramma aan de muur. Je kunt daarmee laten zien wat hun kinderen op school doen. Ook voor een ouderbijeenkomst of een voorlichtingsbijeenkomst zijn visuele hulpmiddelen een handig hulpmiddel. Als je een gesprek hebt met ouders, kun je gebruikmaken van plaatjes die je aanwijst of je kunt tekeningetjes maken. Een andere toepassing is kaarten ophangen met uitleg erop in verschillende talen. Maak gebruik van prenten(boeken), gebaren, mimiek, voorwerpen en materialen bij het voorlezen of het kringgesprek, zodat voor kinderen die niet alles kunnen begrijpen toch duidelijk is wat je vertelt.

35


2

PEK MODULE 2 Diversiteit

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 Rekening houden met andere culturen is een voorbeeld van intercultureel werken.

◯

◯

2 In een homogene groep is het moeilijk beslissingen nemen.

◯

◯

3 Een losse band tussen teamleden is een kenmerk van een gesloten team.

◯

◯

4 Een heterogeen team is divers van samenstelling.

◯

◯

5 Waarden zijn afgeleid van normen.

◯

◯

6 Waarden en normen moet je los zien van elkaar.

◯

◯

7 Normen zijn gedragsregels.

◯

◯

8 Jouw manier van denken is een voorbeeld van jouw referentiekader.

◯

◯

9 Miscommunicatie is altijd je eigen schuld.

◯

◯

10 Interculturele communicatie heeft veel te maken met lichaamstaal.

◯

◯

36


Diversiteit in de groep

3

Diversiteit in de groep 3 LEERDOELEN

• • • •

Je kunt beschrijven op welke manieren je kinderen vertrouwd kunt maken met diversiteit. Je kunt beschrijven wat het verschil is tussen sekse en gender. Je kunt benoemen wat de aandachtspunten zijn voor genderbewust opvoeden. Je kunt beschrijven wat nuttige tips zijn voor een goede samenwerking met ouders.

Het is jouw taak als pedagogisch werker om kinderen te begeleiden bij het goed omgaan met diversiteit. De groep zelf is een rijke leeromgeving voor het opdoen van sociale vaardigheden. Kinderen kunnen in een groep veel van elkaar leren. Maar jouw eigen houding tegenover diversiteit op de groep maakt het verschil. Hoe zorg jij ervoor dat kinderen bij jou op de groep zichzelf kunnen zijn? Hoe help je kinderen om te gaan met kinderen die anders zijn of anders doen dan zijzelf gewend zijn?

3.1 Vertrouwd maken met diversiteit

mensen en ontwikkelen al jong een voorkeur voor wat bekend en vertrouwd is. Dat geeft houvast en overzicht. Zo leren ze de wereld om zich heen kennen en begrijpen. Een gevolg daarvan is wel dat kinderen geneigd zijn tot zwart-witdenken.

Elk kind is anders. Ieder kind heeft eigen mogelijkheden, achtergrond en karakter. Het ene kind houdt van wilde spelletjes, het andere kind speelt liever rustig in een hoekje. In elke groep zitten drukke en rustige kinderen. Soms ook kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, gedragsproblemen of kinderen die de taal niet goed spreken. Ondanks die verschillen probeer je ervoor te zorgen dat elk kind zich op zijn gemak voelt in de groep.

Voorbeeld • 'Met poppen spelen is niet stoer.' • 'Marscha heeft twee mama's, maar dat mag toch niet?' • 'Voetbal is alleen voor jongens en roze alleen voor meisjes.' • 'Nena woont in twee huizen, dus zijn haar papa en mama heel rijk.' • 'Ik wil niet met jou spelen, want jij ziet er gek uit.'

3.1.1 Voorkeur voor het vertrouwde Kinderen staan open voor nieuwe dingen en zijn nieuwsgierig naar de wereld. Baby's voelen, proeven, ruiken en gaan kruipen uit pure nieuwsgierigheid. Tegelijkertijd hebben ze de behoefte te ordenen wat ze ervaren en om zich heen zien. Alle kinderen zien al heel jong verschillen tussen

Zwart-witdenken kan het omgaan met verschillen in de weg staan. Het kan er toe leiden dat kinderen in vaste patronen gaan denken, bijvoorbeeld over hoe jongens en meisjes zich horen te gedragen. 37


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

Voorbeeld In de buitenschoolse opvang zit Joris (6) in de kring. Hij kiest uit de verkleedkleren altijd de roze prinsessenjurk. Hij wil er graag als een meisje uitzien en heeft een hekel aan ruwe spelletjes en jongensdingen. In de kring vertelt hij dat hij liever een meisje wil zijn. Benthe zit naast hem. Haar mond valt open en ze roept verbaasd uit: 'Oh, maar dat kan toch helemaal niet?'

Voorbeeld Arthur (6) jaar komt 's morgens het lokaal binnenrennen. Zijn gezicht staat op onweer. Hij is nog maar nauwelijks binnen of hij heeft al twee kinderen een klap verkocht. Stagiair Jan-Kees kijkt verbaasd naar het tafereel. Wat is daar nou aan de hand met die anders zo rustige Arthur? Nog verbaasder is hij als juf Nena op een rustige toon Arthur bij zich roept: 'Kom eens even hier jij' en de jongen naar zich toe trekt. Ze kijkt hem aan en zegt: 'Andere kinderen pijn doen mag niet, dat weet je.' Dan kijkt ze de kring rond en zegt kalm: 'Arthur mag geen andere kinderen slaan. Maar hij heeft gisteren iets heel ergs gehoord. Zijn ouders gaan scheiden en dat is heel moeilijk voor hem.'

Kinderen kiezen er vaak voor om te spelen met kinderen van hun eigen leeftijd en eigen sekse. Vanaf een jaar of zes, zeven gaan ze zich vergelijken met anderen. Ze krijgen oog voor hoe zijzelf en hoe anderen eruitzien. Ze weten al op jonge leeftijd met wie ze het liefste spelen en maken vriendjes. Vanaf een jaar of acht zie je dat kinderen steeds meer behoefte hebben 'erbij' te horen Hoe gaan kinderen om met verschillen tussen jongens en meisjes, in huidskleur, karakter, meer of minder talent, rustig of juist druk? Omgaan met kinderen die anders zijn dan jezelf kan allerlei gevoelens oproepen: nieuwsgierigheid en plezier, maar ook angst of irritatie. Denk bijvoorbeeld aan een kind dat agressief is, snel huilt of altijd maar alleen wil spelen. Kinderen zijn gevoelig voor invloeden van buitenaf.

3.2 Respectvol omgaan met anderen Groepen bieden de kans kinderen uit andere culturen met andere achtergronden, interesses en voorkeuren, te leren kennen. Jouw taak als opvoeder is kinderen vertrouwd maken met verscheidenheid. Dit betekent dat je kinderen begeleidt en stimuleert tot interactie met elkaar. Vooral ook tussen kinderen die niet zo snel met elkaar omgaan. Bespreek met de kinderen wat er goed is aan de groep en stimuleer hen om positief groepsgedrag van klasgenoten te benoemen. Benader diversiteit op een positieve manier; besteed tijd en aandacht aan het leren kennen van onderlinge verschillen en overeenkomsten. Kinderen zijn leergierig. Daarom kun je ze veel vertellen over de verschillen tussen mensen wat betreft sekse, afkomst, huidskleur, talenten, religie of gezinsvorm. Zo leer je kinderen kritisch te denken over vooroordelen.

3.1.2 Veiligheid bieden Veiligheid is een voorwaarde om samen verschillend te zijn. Pas als kinderen zich veilig voelen, staan zij open voor nieuwe ervaringen. Wat je doet is goed kijken naar een kind, zodat je weet wat het nodig heeft en hoe jij daar zo goed mogelijk bij kunt helpen. Probeer je aandacht zo goed mogelijk over alle kinderen te verdelen, zodat je niet alleen bezig bent met het drukste kind van de groep. Je hebt er oog voor dat het ene kind meer structuur nodig heeft dan het andere. Je ziet erop toe dat een kind dat weinig prikkels aankan een rustig hoekje heeft om te spelen. En dat een kind met een lichamelijke beperking de ruimte heeft om zich te bewegen. Je probeert de oorzaak te achterhalen van moeilijk gedrag en speelt daar zo goed mogelijk op in. Op die manier bied je elk kind de veiligheid die het nodig heeft.

3.2.1 Interactie stimuleren Moedig kinderen aan met elkaar te spelen. Stimuleer dat ze op een vanzelfsprekende manier omgaan met andere kinderen, dus dat jongens en meisjes met elkaar samenwerken en spelen. Let er bij het vormen van groepjes op dat niet steeds dezelfde kinderen bij elkaar zitten. 38


Diversiteit in de groep

3

Leer kinderen omgaan met verschillen. Je helpt ze bij het ontwikkelen van een positief zelfbeeld door te bevestigen dat iemand goed is zoals hij is en zichzelf mag zijn. Dit wil zeggen benadrukken dat een kind zich niet meer of minder waard hoeft te vinden dan een ander en zichzelf niet groot of klein hoeft te maken in de groep. Voorbeelden • Erdem groeit op met drie oudere broers. In de kinderopvang laat zijn leidster hem zien dat hij daar niet stoer hoeft te doen. • Rico (6) stottert en is daardoor soms moeilijk te verstaan. Onderwijsassistent Anneke neemt in de kring wat extra tijd, zodat hij zijn verhaal kan doen. • Jia (4) komt uit China. Ze is als baby geadopteerd. • Op de wereldkaart aan de muur wijst ze trots aan waar ze vandaan komt.

Figuur 3.1  Kinderen verschillen in uiterlijk en achtergrond,

maar er zijn ook veel overeenkomsten  © Mirador media / Anke Gielen

•

•

Kinderen verschillen in uiterlijk, interesses, in wat ze kunnen en hoe ze doen, maar er zijn ook veel overeenkomsten. Benadruk dat iedereen anders is, maar wel even belangrijk. Dit kun je doen door geregeld op een gewone en ontspannen manier aandacht te schenken aan overeenkomsten en verschillen tussen de kinderen in de groep. Bijvoorbeeld: 'We zitten allemaal in groep Panda, we wonen allemaal in Utrecht en we hebben allemaal juf Daniëlle. Dat is hetzelfde. Maar zijn er ook verschillen? Er zijn jongens en er zijn meisjes in onze groep. Welke verschillen zijn er in soort haar? En in kleur huid en ogen? Wie draagt een bril? Wie zit er op ballet en wie op gym? Wie speelt er graag buiten en wie binnen? Wie is in Nederland geboren en wie in een ander land?'

•

•

•

Voorbeelden De kinderen in groep 7 op basisschool De Springplank in een middelgrote stad in Nederland hebben meer met elkaar gemeen dan je op het eerste gezicht zou zeggen: • Elise is net als de uit Suriname afkomstige Radha gek op Surinaamse broodjes Pom. Op zondag zul je haar niet bij de Surinaamse toko zien, want Elise is gereformeerd en voor haar familie is zondag een rustdag.

De Turkse Nuran deelt met Jorick haar passie voor sporten en atletiek. Elke zaterdag zijn ze te vinden op de atletiekbaan en op dinsdagavond trainen ze ook. Nuran woont sinds haar vierde jaar in Nederland en spreekt de taal perfect, maar ze is net als Elise dyslectisch. Allebei hebben ze moeite met lezen. Ade komt van het eiland Sumatra in Indonesië en heeft met de Marokkaanse Abdel zijn islamitische achtergrond gemeen. Diezelfde Abdel spreekt vloeiend Frans met Simone die een Franse vader heeft. Elly is geboren en getogen Amersfoortse en deelt met de Antilliaanse Angelina haar belangstelling voor Amnesty International. Ze zijn beiden lid en hebben al een paar keer samen actie gevoerd. Angelina zit ook nog op streetdance. Dat doet ze samen met Anne-Martien, die is geboren met een misvormde hand, maar daar merk je met dansen niets van. Drie van de twaalf kinderen in de groep hebben last van een voedselallergie of -intolerantie. Zij kunnen slecht tegen gluten of melk.

3.2.2 Sociale vaardigheden In de groep kunnen kinderen oefenen met sociale vaardigheden, gericht op het omgaan met verschillen in de groep. Stimuleer sociale vaardigheden als samen spelen, delen, op hun beurt wachten, meehelpen, regels hanteren en begrip hebben voor anderen. Leer de kinderen hoe zij zich kunnen inleven in de ander. 39


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

•

In de omgang met elkaar en tijdens kringgesprekken benadruk je dat de kinderen met respect met elkaar omgaan. Je laat ze nadenken over hun houding en uitspraken. Maak duidelijk dat je bepaald gedrag of opmerkingen afwijst. Ga er meteen op in als een kind iets beweert. Je vraagt dan: 'Klopt dit wel?', 'Is dat wel zo?', 'Hoe weet je dat?', 'Hoe zou jij het vinden als een ander zo over jou sprak of jou zo behandelde?' Begin meteen een discussie in de groep als daar een goede aanleiding voor is. Stimuleer leerlingen om voor zichzelf en voor anderen op te komen als ze te maken krijgen met vooroordelen. Leg uit wat het verschil is tussen een feit en een mening of overtuiging. Zelfs jonge kinderen kunnen discussiëren en argumenten geven. Reageer meteen als je discriminerende opmerkingen hoort. Laat kinderen merken dat discrimineren pijn doet. Help ze bij het herkennen van gedrag en opmerkingen die een ander een minderwaardigheidsgevoel geven. Bijvoorbeeld opmerkingen als: 'Daar ben je te dom of te klein voor.' Werk mee aan een groepssfeer waarin kinderen tevreden kunnen zijn met zichzelf en waarin niemand de behoefte heeft om zich tegenover iemand anders beter te voelen. Help kinderen erop te letten dat ook andere kinderen in de groep het naar hun zin hebben. Voor het oefenen met omgangsregels hebben kinderen een goed voorbeeld nodig en duidelijke regels over wat op de groep niet wordt geaccepteerd, zoals pesten en anderen buitensluiten. Stimuleer positief gedrag, zoals het samenspelen, met complimentjes of speciale aandacht. Ook met een high five, een knuffel of een duim omhoog kun je opstekers geven. Als pedagogisch werker houd je rekening met diversiteit en speel je een rol in het ontwikkelen van sociale vaardigheden bij kinderen. Dit betekent: • Stel je open voor kinderen. Laat merken dat je interesse hebt voor wat hen bezighoudt. • Stimuleer een positief zelfbeeld. Laat zien dat je positieve verwachtingen hebt van elk kind en geef complimentjes. • Bied ruimte voor verschillende standpunten. Zoek steeds naar datgene wat kinderen met elkaar verbindt.

• •

•

Stimuleer een positieve groepssfeer waarin kinderen persoonlijke gevoelens met elkaar delen en elkaar waarderen. Moedig elk kind aan om op een kritische manier na te denken over vooroordelen. Stel duidelijke groepsregels op en bespreek die regelmatig met elkaar. Leer kinderen ruzies en conflicten op te lossen. Beloon gewenst gedrag en corrigeer ongewenst gedrag. Maak kinderen er van bewust dat ze anderen met hun opmerkingen kunnen kwetsen, ook al is dat misschien onbedoeld.

Figuur 3.2  Stimuleer dat alle kinderen met elkaar

omgaan  © Mirador media / Koen Bakx

Van generaliseren tot racisme • Generaliseren Het begrip generaliseren wil zeggen dat je uit een enkele gebeurtenis algemene conclusies trekt. Bijvoorbeeld: je zegt dat een kind niet te vertrouwen is omdat het één keer iets verteld heeft wat achteraf niet bleek te kloppen. Ook kinderen hebben soms de neiging tot generaliseren. • Stereotyperingen Een stereotype is een beeld gebaseerd op geen of te weinig feiten en komt niet overeen met de werkelijkheid. Bijvoorbeeld: homo's zijn mietjes; een meisje dat voor zichzelf opkomt, is een bitch; een man mag niet huilen, dat is niet stoer; jongeren zijn te verwend en te lui om te werken.

40


Diversiteit in de groep

•

•

•

3

3.3 Aansluiten bij de belevings­wereld

Vooroordelen Een vooroordeel gaat nog een stap verder. Je vormt een oordeel dat niet gebaseerd is op feiten. Vooroordelen ontstaan soms uit gemakzucht, onwetendheid en angst. Bijvoorbeeld: nog meer vluchtelingen en dan hebben we zelf geen banen of huizen meer. Het onbekende wordt dan gezien als een bedreiging voor de eigen groep. Kennis is een geweldig middel tegen vooroordelen. Informatie geeft je de feiten en die zijn vaak heel anders dan je in eerste instantie denkt. Discriminatie Vooroordelen kunnen leiden tot discriminatie. Discriminatie betekent letterlijk: het maken van onderscheid. Disrimineren is mensen of groepen of individuen onterecht anders behandelen dan anderen. Dus het ongelijk behandelen en achterstellen van mensen in een situatie op basis van kenmerken die er niet toe doen. Je kunt dan denken aan afkomst, sekse, huidskleur, seksuele voorkeur, leeftijd, religie, beperking of chronische ziekte. Bijvoorbeeld: jongeren niet binnenlaten in een discotheek op grond van hun uiterlijk. Bij discriminatie op grond van geslacht spreek je van seksisme. Racisme Racisme is het anders (slechter) behandelen van mensen vanwege hun huidskleur.

Elk kind wil zich welkom voelen, heeft behoefte aan erkenning, waardering en eigen verantwoordelijkheid. Ieder kind heeft een veilige basis nodig, wil gezien worden, heeft behoefte aan betrokkenheid, ondersteuning, veiligheid en acceptatie. Dit bereik je niet alleen door je gedrag als pedagogisch professional, maar ook door zo goed mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld van kinderen en de keuzes die je met je collega's maakt voor bijvoorbeeld de aankleding van de (speel)ruimte en het materiaal. Let erop dat diversiteit ook daarin zichtbaar is. Is er een rustig hoekje voor het drukke kind? Is er een uitdagende plek voor het nieuwsgierige kind? Is er een plek waar een typische jongen zich kan uitleven? Kan een fysiek beperkt kind zich er gemakkelijk bewegen? Kunnen kinderen met verschillende achtergronden en gezinssituaties zich herkennen in de sfeer en het spelmateriaal? Denk daarbij aan kleurplaten aan de muur waarin alle kinderen zichzelf of hun leefsituatie herkennen. Jouw huis in de straat Laat kinderen op een groot vel papier een huis tekenen. Hoe ziet hun huis eruit en wie wonen er? Woont oma ook in huis? Welke huisdieren zijn er? Hang al die verschillende huizen met puntdaken en platte daken naast elkaar aan de wand en vorm zo een hele straat. Laat kinderen aan elkaar vertellen over hun thuis.

Voorbeeld Als bezoeker van kinderdagverblijf Rollykids merk je misschien niet eens dat sommige van de spelende kinderen doof zijn of een verstandelijke of fysieke beperking hebben. Het centrum voor geïntegreerde opvang voor kinderen met en zonder beperking wil zo veel mogelijk een gewoon dagverblijf zijn. Alleen de elektrisch verstelbare speeltafels en extra brede deuren wijzen erop dat het hier om een bijzonder kinderdagverblijf gaat. Tien procent van de mensen in de samenleving heeft een matige of ernstige beperking.Rollykids wil de maatschappij nabootsen in het klein en streeft daarom naar dezelfde verhouding op het kinderdagverblijf.

Met wat extra aandacht kun je in de kinderopvang zorgen voor spelmateriaal waarin alle kinderen hun achtergrond herkennen. Kies voor verkleedkleren, zoals een djellaba (lang, losvallend gewaad met lange mouwen en capuchon), een hoofddoek, een Indonesische sarong, een Peruaanse poncho en bijbehorende attributen uit het dagelijks leven van allerlei landen. Leg in de huishoek gebruiksvoorwerpen, zoals een Marokkaans theeservies, glazen met een mooi gouden randje, een Nederlandse maar ook een Arabische of Chinese krant. Zorg voor speelfruit met appels en peren, maar ook mango's en een kokosnoot. 41


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

•

In de boekenhoek staan boeken met verhalen uit heel de wereld en met allerlei leefsituaties, zodat ook zieke, geadopteerde kinderen of kinderen met een beperking zich herkennen. Verder: Turkse stokpopjes, puzzels waarop mensen met allerlei huidskleuren en kleding staan afgebeeld. Er is een dokterskoffertje compleet met een wit schort en een stethoscoop, een blindenstok en een wandelstok. Moedig kinderen aan spullen van thuis mee te nemen. Zo geef je ze bij de aankleding van de ruimte ook zelf een taak en een stem. Liedjes en muziek komen uit verschillende landen en alle feesten worden gevierd.

Vier alle feesten en niet alleen de westerse, christelijke feesten.

Figuur 3.3  Zorg ervoor dat elk kind zijn wereld herkent

Henna Bij feestelijke gelegenheden versieren Marokkaanse meisjes en vrouwen hun handen soms met hennapatronen. Henna is een kleurstof, gemaakt van de gedroogde bladeren van de hennaplant. Je kunt er ook je haren mee verven. Het verhaal gaat dat henna je beschermt en geluk brengt.

in de ruimte, activiteiten en materialen  © Mirador media / Anke Gielen

Voorbeeld In de leefgroep staat een bijzondere stoel. Die is in verschillende kleuren geverfd en op de zitting ligt een zacht kussen met vrolijke kwastjes. Het is de stoel van Djakkamakka. De kinderen horen het verhaal van Djakkamakka, het land waar mensen altijd het beste van elkaar zien. Er is nooit ruzie of oorlog. Als de mensen in Djakkamakka een vervelende situatie meemaken, dan gaan ze op de stoel zitten en denken ze na over een oplossing. In de leefgroep kunnen de kinderen, net als de mensen in Djakkamakka, ook op de mooie stoel nadenken over een goede manier om bijvoorbeeld een ruzie weer goed te maken en op te lossen.

Tip! Laat kinderen hun hand omtrekken op een vel papier, die vorm uitknippen en daar met viltstift of kleurpotloden mooie 'henna'- patronen op tekenen. Door aan te sluiten bij de belevingswereld van kinderen kan elk kind zich in de groep thuisvoelen. Denk daarbij aan de volgende aandachtspunten: • Zorg in de verkleedkist voor kleding en attributen (bijv. gebruiksvoorwerpen) uit het dagelijks leven van diverse landen. • Zet in de boekenhoek boeken met verhalen uit de hele wereld en boeken over kinderen met een aandoening of beperking. • Maak muziek met multiculturele muziekinstrumenten en zing liedjes uit alle landen. • Hang een wereldkaart aan de muur met afbeeldingen van diverse culturen en gezinssituaties herkenbaar voor alle kinderen. • In de poppenhoek niet alleen blanke, maar ook gekleurde poppen met verschillende gelaatstrekken.

3.4 Genderbewust opvoeden Bij de begeleiding van kinderen lopen de verschillen tussen jongens en meisjes wel het meest in het oog. Hoe kun je jongens en meisjes het beste in hun ontwikkeling begeleiden?

3.4.1 Verschillen tussen jongens en meisjes Als je met kinderen werkt, zie je tussen jongens en meisjes, naast hun uiterlijk, ook andere opvallende verschillen. Jongens zijn vaak energieker, 42


Diversiteit in de groep

houden meer van wilde spelletjes en hebben een stevige competitiedrang. Wie is de stoerste en wie de sterkste? In hun spel zie je dat meisjes vaak meer zorggericht zijn en graag in een hoekje zitten te spelen.

3

Jongens Jongens zijn gemiddeld drukker en beweeglijker dan meisjes. Ze kunnen minder lang stilzitten en willen graag de sterkste, de beste en de slimste zijn. Ze spelen graag in grote groepen en laten ook meer risicovol gedrag zien. Jongens willen rennen en ravotten en hebben doorgaans een goed ontwikkelde grove motoriek. Ze willen dingen onderzoeken en uit elkaar halen. Hun fijne motoriek en ontwikkeling van de taal ontwikkelt zich later dan bij meisjes.

Voorbeeld Moeder van twee zoons: 'Wat had ik me erop verheugd dat mijn kind zou spelen met de mooie poppen waar ik zelf vroeger zo'n plezier mee had gehad. Ik had ze niet voor niks al die jaren bewaard. Toen mijn oudste zoon geboren werd, zette ik ze in zijn kinderkamer klaar. Wat maakte het uit, een jongen of een meisje? Ik wist zeker dat hij net zo fijn met mijn poppen zou spelen als ik had gedaan. Wat was ik verbaasd toen hij, zodra hij kon kruipen, met mijn pop Isabelle “vroem, vroem” als speelgoedauto over de grond reed.' Meisjes zijn lief, rustig en sociaal. Jongens zijn druk, maken lawaai en kunnen niet stilzitten. Ook al voed je jongens en meisjes precies hetzelfde op en heb je gelijke verwachtingen van ze, toch blijven er verschillen. Jongens zijn geen meisjes. We hebben het hier wel over de gemiddelde jongen en het gemiddelde meisje. Natuurlijk zijn er individuele verschillen en is elke jongen en elk meisje uniek en zie je jongensachtige meisjes en meisjesachtige jongens. Een meisje kan ook van ravotten houden en op voetbal zitten terwijl een jongen graag binnen zit te lezen. Jongens en meisje kunnen ook heel goed samen spelen en daarbij aanvullend zijn in hun spel. Het gaat erom dat je de verschillen tussen jongens en meisjes erkent en er rekening mee houdt bij de begeleiding.

Figuur 3.5  Jongens houden van bewegen en ravotten  © Mirador media / Koen Bakx

Een typische jongen: • Leert door te ervaren en te experimenteren en gaat het liefst meteen tot actie over. • Praat graag over feiten en gebeurtenissen en kan zijn gevoelens minder goed verwoorden. • Is nieuwsgierig, tast grenzen af en neemt graag risico's. Hij reageert impulsief, zonder na te denken over de gevolgen. • Heeft een korte spanningsboog: wordt snel afgeleid door wat hij ziet. • Maakt ruzie, maar is dat daarna snel weer vergeten. Meisjes Meisjes zijn gemiddeld rustiger dan jongens. Ze zijn taalvaardiger, maar minder goed in het oplossen van ruimtelijke problemen. Meisjes willen graag harmonie. Dat biedt veiligheid. Daarom doen meisjes aardig tegen anderen, luisteren beter en zijn ze volgzamer. Ze zitten graag in kleine groepjes rustig te spelen of te tekenen. Meisjes hebben een grote woordenschat en zijn gericht op relaties. Ze kunnen zich goed in een

Figuur 3.4  Meisjes en jongens kunnen ook heel goed

samen spelen  © ANPfoto / Isabel Nabuurs 43


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

ander verplaatsen. Meisjes hebben een goed ontwikkeld empathisch vermogen en hebben minder vaak ruzie. Maar als dat een keer voorkomt, dan gaat het niet snel over. Een typisch meisje: • Denkt vaak langer na voordat ze tot actie overgaat; ze bekijkt iets eerst van meerdere kanten. • Is rustig van aard en gericht op samenwerken en reflecteren over gevoelens. • Kan zich lang concentreren op hetzelfde werkje. • Heeft gevoel voor taal en praat graag. • Heeft een goed ontwikkelde fijne motoriek. • Voelt de emoties van anderen goed aan. Is bezig met relaties en heeft niet vaak ruzie.

tuning van hun knutselwerk. Nog even een kleurtje hier en toch nog een veertje daar. Vol trots laten zowel de jongens als de meisjes het eindresultaat zien en stralen ze na een compliment. Bron: www.mominbalance.nl

3.4.2 Sekse en gender Bij je geboorte staan sommige dingen vast, zoals je sekse (geslacht). Maar bijvoorbeeld ook de kleur van je ogen en je huidskleur ligt vast. Dat is je natuur (of etniciteit). Je natuur bepaalt hoe je eruitziet, welke talenten je hebt. Vanaf het moment dat je geboren wordt, krijg je daarnaast van alles mee van je omgeving. Je gender, je sociale omgeving en cultuur bepalen wie je wordt. Sekse Sekse is de aanleg die je als meisje of jongen met je geboorte mee krijgt. Je sekse bepaalt of je een jongen of meisje bent. Het komt soms voor dat een jongen zich meisje voelt en een meisje zich jongen. Deze kinderen hebben het gevoel dat zij geboren zijn in een verkeerd lichaam. Hun genderidentiteit, dat is het persoonlijke gevoel of je man of vrouw bent, komt niet overeen met hun lichamelijke geslacht.

Figuur 3.6  Meisjes hebben vaak de voorkeur voor rustig spel  © Shutterstock / CroMary

Knutselen Wat me direct opvalt, is dat de meisjes naar elkaars knutselwerkje kijken en dat imiteren met hier en daar een eigen toevoeging. Zij selecteren eerst de materialen die ze nodig hebben en gaan pas aan de slag als ze alles verzameld hebben. 'Mag ik even de veertjes, lijm en verf?', klinkt het lief. De jongens beginnen gewoon en pakken lukraak hun materialen. Papier, lijm is ook handig, ijsstokjes, een satéprikker en een kurk, wat verf misschien? Ik hoor ze bijna denken: wat zal ik hier nou eens mee gaan maken. Ze werken opvallend vaak individueel aan hun bouwwerken en als de jongens klaar zijn met knutselen, dan zijn ze ook echt klaar en is de aandacht alweer bij een potje voetbal. De meisjes blijven terugkomen voor fine-

Je sekse is je biologisch geslacht; biologische verschillen tussen een jongen en een meisje.

Er zijn verschillen tussen jongens en meisjes. Mannelijke hormonen zetten aan tot ondernemend en risicovol gedrag. Bij meisjes hebben hun hormonen juist een dempende werking. Behalve hormonale verschillen zijn er ook kleine verschillen in de ontwikkeling van het brein. Bij jongens werken de hersenen in sommige opzichten anders dan bij meisjes, met name in dat deel van de hersenen waar de centra zitten voor planning, organisatie en de remming van impulsen. Meisjes zijn daardoor beter in taal, jongens in ruimtelijk inzicht.

44


Diversiteit in de groep

Gender Gedrag is ook cultureel bepaald.

3

hooguit last hebben van hun gedrag. Lastig is iets wat je in een relatie ervaart. Je kunt last hebben van het lawaai dat een jongen maakt. Of van zijn drukke gedrag. Mannelijke opvoeders geven jongens vaak meer ruimte voor hun drukke gedrag. Vrouwelijke opvoeders hebben de neiging het drukke gedrag van jongens af te remmen. Dat werkt averechts. Jongens krijgen zo niet de kans om hun typische jongensgedrag te uiten en krijgen bovendien veel negatieve reacties. Ze worden als lastig gezien. Dat frustreert. Het gevolg is dat sommige jongens zich juist onaangepast en agressief gaan gedragen. Ze zijn dan niet alleen meer gewoon druk, maar lastig druk. Ze voldoen daarmee aan het verwachtingspatroon, want wat je verwacht zie je, geef je aandacht en daarmee versterk je het. Je kunt beter typisch jongensgedrag niet als probleem zien, maar als gedrag dat past bij een jongen. Andersom wordt het rustige gedrag van meisjes vaak bevestigd: 'Wat zitten jullie lief te spelen.' Dit heeft tot gevolg dat meisjes minder snel hun ondernemende kanten zullen ontwikkelen, risico durven nemen of meedoen aan wilde spelletjes. Hoe de verschillen tussen jongens en meisjes uiteindelijk terug te zien zijn in gedrag, wordt dan ook medebepaald door de omgeving waarin ze opgroeien.

Gender is het sociaal geslacht: de ideeën en verwachtingen rond 'mannelijkheid' en 'vrouwelijkheid'. Deze zijn sociaal en cultureel bepaald.

Hoe gedraag je je als jongen en hoe als meisje? Ouders en ook andere mensen benaderen jongens en meisjes al vanaf hun geboorte anders. Tegen meisjesbaby's praten ouders met een zachtere, lievere stem dan tegen jongens en ze krijgen meer aandacht dan jongens. 'Wat ben je mooi!', horen meisjes vaker dan jongens. En: 'Wat ben je stoer', horen jongens vaker. Met meisjesbaby's praten en knuffelen ouders meer dan met jongensbaby's, zo blijkt uit onderzoek. Ook komt daarin naar voren dat kinderen als jongen of meisje ander speelgoed krijgen aangeboden. Zo worden jongens meer gestimuleerd om met auto's te spelen en groeien meisjes juist vaker met poppen op. Van jongens verwachten ouders ander gedrag dan van meisjes en andersom, al zijn ze zich daar vaak niet van bewust. De meeste kinderen gaan zich gedragen naar wat er van ze wordt verwacht. Dit wordt genderspecifiek gedrag genoemd.

3.4.3 Genderbewust opvoeden Jongens en meisjes verdienen gelijke kansen en een gelijke behandeling. Het is belangrijk dat zowel jongens als meisjes hun talenten kunnen ontwikkelen. Aan jou als pedagogisch werker de taak om de juiste aanpak te vinden. Dat doe je door vooral naar de persoonlijkheid van het kind te kijken. Zogenaamde jongensdingen, zoals ravotten en in bomen klimmen, vinden meisjes ook heel leuk. En zogenaamde meisjesdingen, zoals met Barbie spelen en dansen, vinden sommige jongens ook heel fijn. Door hierin op de juiste wijze te stimuleren daag je kinderen uit om het beste uit zichzelf te halen. Wees je daarbij bewust van je eigen gedrag als rolmodel. Kinderen vinden het geweldig als je als vrouwelijke onderwijsassistent meedoet met een potje voetbal op het schoolplein. En

Genderspecifiek gedrag is gedrag dat kenmerkend is voor een jongen of meisje.

Kinderen groeien op in een vrouwenwereld Vrouwen zijn in de meerderheid als het gaat om beroepen in het onderwijs en de kinderopvang. Het huidige school- en kinderopvangsysteem is vooral gericht op meisjes. Het team bestaat vooral uit vrouwen. De opdrachten zijn vaak gericht op rustig met elkaar samenwerken. In de ogen van moeders en juffen zijn jongens vaak lastig, maar jongens zijn niet lastig. Je kunt

45


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

waarom zou je als mannelijke pedagogisch werker vooral stoeien en ravotten en niet binnen met een groepje breien of kralenketting rijgen? Let erop dat je onderdelen van het programma niet omschrijft als 'voor jongens hebben we vandaag hutten bouwen' of 'voor meisjes komt de moeder van Farida vandaag hennatekeningen maken'. Een genderbewuste opvoeding helpt kinderen keuzes te maken, die gebaseerd zijn op hun persoonlijkheden en niet op het feit of ze een jongen of meisje zijn.

•

•

Aandachtspunten bij het genderbewust opvoeden In je werk kun je door jouw houding veel invloed uitoefenen op de genderbewuste opvoeding van kinderen. Gedrag • Wees je bewust van je eigen houding. Hoe kijk jij naar jongens en meisjes? Wat zijn jouw verwachtingen? Hoe ben jij opgevoed als jongen of meisje en wat draag jij daardoor in je werk uit naar anderen? • Kijk kritisch naar je eigen rol en gedrag. Daag jij meisjes uit hun ondernemende en nieuwsgierige kanten te ontwikkelen? Stimuleer jij hen te ravotten en stoeien? En geef je jongens genoeg ruimte om hun energie kwijt te kunnen en benadruk je ook hun zorgzame en zachte kant? • Stimuleer gemengd spelen tussen jongens en meisjes. • Stop met gedrag te markeren als 'typisch jongens' en 'typisch meisjes'. • Zeg niet: 'Kom op jongens' als je jongens en meisjes bedoelt. Zeg liever: 'kinderen' als je ze allebei aanspreekt.

• •

van af of je een jongen of een meisje bent. Dat geldt ook voor sporten, zoals ballet en judo: die zijn niet alleen voor meisjes of jongens. Moedig kinderen aan om ook te spelen met andere kinderen dan hun beste vriendjes of vriendinnetjes. Dus niet altijd met dezelfde kinderen. Stel groepjes zo samen dat vanzelf heterogene groepjes ontstaan. Kies bij nieuw speelgoed en spelmateriaal, zoals puzzels en fietsen, bewust voor de genderneutrale variant. Vermijd typisch roze voor meisjes en blauw voor jongens en speelgoed met een 'jongensachtige' en 'meisjesachtige' uitstraling. Vermijd stereotiepe knutselwerkjes voor Vaderdag en Moederdag. Zet in de huishoek niet alleen meisjespoppen, maar ook jongenspoppen.

Communicatie Sta stil bij de complimentjes die je geeft. Meisjes krijgen vaker een complimentje als ze zich lief of zorgzaam gedragen. Jongens wanneer ze iets slim hebben gedaan. • Let op wie je iets vraagt. Geef je jongens en meisjes even vaak de opdracht om de tafels te verplaatsen, banken neer te zetten, plantjes water te geven en het aanrecht schoon te maken? • Help kinderen kritisch na te denken. Spreek ze uitdrukkelijk tegen als ze stereotiepe uitspraken doen over zichzelf of anderen. Leg uit dat er heel veel verschillende soorten mensen, gezinnen, voorkeuren en taakverdelingen bestaan en dat iedereen respect verdient. • Let op (onbewust) stereotiepe uitspraken: 'Niet huilen, je bent toch een flinke jongen', of: 'Heeft mama die lekkere koekjes gebakken?'

•

Spelen en knutselen • Kinderen hebben vaak zo hun voorkeur met waar ze het liefst mee spelen. Zorg voor variatie: stimuleer dat kinderen in zowel de bouwhoek als in de huishoek spelen. • Er bestaan geen 'meisjesspelletjes' of 'jongensspelletjes'. Kinderen vinden bepaalde spelletjes, zoals voetballen, knikkeren of touwtjespringen, leuk of niet leuk; het hangt er niet 46


Diversiteit in de groep

3

om? Om kinderen en ouders zo goed mogelijk te begeleiden houd je rekening met hun achtergrond. Maar hoe doe je dat? Ook jij hebt je eigen achtergrond, ervaringen en kijk op de wereld.

3.5.1 Gezinnen in soorten en maten Het traditionele gezin van man, vrouw en kinderen bestaat nog steeds, maar is niet de enige gezinsvorm. Er zijn ook eenoudergezinnen, stiefgezinnen, samengestelde gezinnen, pleeggezinnen en gezinnen met twee vaders of twee moeders. Ook ouders kunnen in veel opzichten verschillend zijn. Denk maar aan opleiding, inkomen, religie, opvoedingsstijl en de taal die ze spreken. Al die verschillen maken je werk in elk geval nooit saai. Het is boeiend om te zien in welke gezinssituaties kinderen opgroeien. Wat je daarvan vooral kunt leren is dat niet één manier de beste is. Een voorwaarde voor het omgaan met al die verschillen is wel dat je een 'open blik' en niet-veroordelende houding ontwikkelt voor gezinsvormen die anders zijn dan jijzelf gewend bent. En dat je er, door er onbevooroordeeld naar te kijken en luisteren, voor zorgt dat iedereen zich gerespecteerd en welkom voelt. Laat merken dat alle familievormen oké zijn, zolang een kind in een liefdevolle omgeving opgroeit.

Figuur 3.7  Gedicht 'wie is wie' van Frank Eerhart  © plint.nl (gedicht Frank Eerhart)

P OT JE STOEIEN Stoeien is een spel met regels en afspraken. Bijvoorbeeld de regel: stoeien doe je op een matje, met je schoenen uit en als je niet meer wilt, dan roep je 'stop'. Het is de bedoeling je krachten te meten, bijvoorbeeld bij het stoeien om een bal, waarbij het ene kind de bal heeft en het andere kind de bal probeert af te pakken. Voor beide seksen, jongens en meisjes is stoeien belangrijk. Stoeien maakt kinderen bewust van hun eigen lichaam. Spelenderwijs verkennen en bewaken ze hun eigen grenzen.

Voorbeeld Het is juni. Fleur, student PW, loopt deze week een paar dagen mee in de bso. Ze heeft een activiteit bedacht voor Moederdag. Elk kind snijdt een aardappel in stukjes, die stukjes worden gedroogd en geverfd, en daarna als kralen aan een ketting geregen. Als Anne vraagt of ze twee kettingen mag maken, zegt Fleur: 'Natuurlijk niet. Je hebt toch maar één moeder.' Alle kinderen lachen haar uit en roepen: 'Nee hoor, Anne heeft er twee!'

3.5 Omgaan met ouders In je toekomstige beroep krijg je te maken met ouders met verschillende sociale en culturele achtergronden. Hoe ga je met al die verschillen 47


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

3.5.2 Verschil in opvoedingsstijl

3.5.3 Samenwerking met ouders

Elke ouder heeft zijn of haar eigen manier van opvoeden. De ene ouder is streng, de ander toegeeflijk.

Samenwerking met ouders heb je nodig om ervoor te zorgen dat kinderen zich echt thuis voelen in de opvang. Van ouders kun je veel leren over wat zij je vertellen over hun achtergrond en over de opvoeding van hun kind. Op die manier krijg je inzicht in hoe je daar zo goed mogelijk bij aan kunt sluiten en de opvang zo kunt inrichten dat die voor elk kind herkenbaar is. Zie ouders als ervaringsdeskundigen. Vrijwel alle ouders hebben een visie op opvoeding en een idee over de manier waarop zij hun kind daarin willen begeleiden. Span je in om de thuissituatie van het kind te leren kennen. Vraag ouders om informatie en praat met ze over het waarom van bepaalde regels en gewoonten. Stel ze vragen over zaken die je opvallen, ga op huisbezoek en vraag kinderen in de groep regelmatig iets over thuis te vertellen. Vooral bij thuissituaties die anders zijn dan jij uit eigen ervaring kent. Deze informatie kan je helpen om bepaalde gewoonten en reacties van hun kind beter te begrijpen en te respecteren. Nieuwsgierigheid naar de thuissituatie wil niet zeggen dat je alles moet weten en vragen. Respecteer de privacy van gezinnen en laat mensen in hun waarde.

Voorbeelden • Moeder Shinta staat erop dat haar kind de leidster met 'u' aanspreekt. Zelf noemt ze de groepsleiding 'mevrouw Ebru' en 'meneer Pieter'. • Vader Maikel is zo trots op zoon Mitch dat die in zijn ogen nooit iets verkeerd doet. Ook als de leidster Mitch op iets aanspreekt, zegt zijn vader: 'Ach, laat dat jochie toch.' • Moeder Eveline is zo netjes en voorzichtig dat ze liever niet heeft dat haar dochter in de zandbak speelt. Probeer zo goed mogelijk om te gaan met verschillen in opvoedingsstijl. Zie ouders daarbij niet als vertegenwoordiger van een bepaalde groep, zoals de Turkse of de Marokkaanse, maar vooral als individu en waardeer ze om wat ze doen en wie ze zijn. Begin met het kijken naar overeenkomsten tussen jou en de ouder, overeenkomsten in opvoedingsdoelen en in pedagogische aanpak. De belangrijkste overeenkomst is dat zowel jij als de ouder het beste willen voor het kind. Dat proberen jullie samen zo goed mogelijk te doen. Oordeel daarom niet te snel over hoe ouders de opvoeding aanpakken. Heb niet meteen kritiek op iets wat je niet begrijpt. Ga op een niet-veroordelende manier met ouders in gesprek en vraag waarom ze iets wel of juist niet doen. Er is altijd een verhaal en een reden achter iets wat je ziet. Wees je steeds bewust van je eigen oordelen en opvattingen en kijk daar kritisch naar. Is jouw aanpak wel de beste? Laat merken hoe belangrijk de betrokkenheid van de ouders bij de school of voorziening is, maar respecteer op welke manier en hoe vaak ouders die betrokkenheid laten zien. Vanwege sociale situaties, zoals werkloosheid, drukte, ziekte of depressie, zijn ouders soms niet tot meer aandacht in staat.

3.5.4 Sociale achtergrond van ouders De ouders en kinderen met wie je in je werk te maken krijgt, hebben verschillende sociale achtergronden. Veel van wat je meekrijgt bij je geboorte en opvoeding is van invloed op wie je bent. Het bepaalt je verdere leven. Je omgeving, je sociale achtergrond is niet alleen het gezin, maar ook de stad, het dorp en het land waarin je opgroeit. Die omgeving is van invloed op hoe je praat, denkt, waarin je gelooft, je gewoonten, je smaak en is ook van invloed op de kansen die je in het leven krijgt. De meeste kinderen groeien op in een fijn gezin en voelen zich gelukkig. Kinderen in Nederland behoren al jarenlang tot de gelukkigste van de wereld. Toch is er in sociaal opzicht ook veel verschil en heeft een grote groep kinderen thuis te 48


Diversiteit in de groep

maken met armoede, misbruik, ruzie, geweld, mishandeling, verslaving, met ouders die verwikkeld zijn in een vechtscheiding of ouders met psychiatrische problemen.

3

of nieuw speelgoed dat ze meebrengen om te laten zien. Voorbeeld Buitenschoolse opvang De Boshut heeft in juni een uitstapje naar de Efteling gepland. Na een inventarisatie blijkt dat niet alle kinderen meekunnen. Voor sommige ouders is de eigen bijdrage van 10 euro voor entree en reiskosten per kind te veel.

Het geluk lacht niet alle kinderen toe Dat kinderen in Nederland tot de gelukkigste behoren van de wereld, wil niet zeggen dat elk kind het geluk heeft om gelukkig te zijn. Er is een grote groep kinderen die niet van het geluk kan proeven. Deze kinderen zijn slachtoffer van kindermishandeling en kindermisbruik, leven in armoede of gaan niet naar school omdat het onderwijs geen raad weet met hun gedrag of de beperking (lichamelijk of verstandelijk) die ze hebben.

Aandachtspunten bij de begeleiding van kinderen en ouders met sociale problemen • Toon belangstelling zonder te veroordelen. Probeer je te verplaatsen in de situatie van de ouder en geef geen ongevraagd advies. • Let op signalen die kunnen wijzen op verwaarlozing of mishandeling. Bepreek dit met collega's en vraag je leidinggevende om advies.

Veelvoorkomende sociale problemen Zelfs in een rijk en welvarend land als Nederland is er sprake van armoede. Een op de acht kinderen leeft in een gezin dat onder de armoedegrens leeft. Dat wil zeggen: geen geld genoeg hebben voor de eerste levensbehoeften, zoals eten, kleding en onderdak. In je werk zie je voorbeelden genoeg: Elwin draagt vaak kleding die te klein is. De moeder van Samira gaat elke vrijdag naar de voedselbank, daar krijgt ze voor de hele week een krat eten mee. Jeltje kan niet mee met het jaarlijkse uitstapje van de bso. Daan gaat in de zomer nooit op vakantie en zegt: 'Wij vieren altijd vakantie thuis en maken dan een tentje op het balkon.' Veel kinderen kunnen niet op een sport, zwemles of muziekles.

Vaststaat dat niet iedereen in Nederland dezelfde kansen heeft op een goede schoolopleiding, op werk en een inkomen. Ook al gaan bijna alle kinderen naar school, ze hebben niet allemaal dezelfde kans om goed terecht te komen. Voorbeeld Kevin (14) heeft twee jongere broers en een zus. Hij slaapt met zijn broers op één kamer. In huis heeft hij geen rustige plek om zijn huiswerk te maken. Beneden staat de televisie altijd hard aan. Zijn vader heeft geen werk en zit meestal met een paar vrienden in de huiskamer en begint vroeg in de middag al met bier. Boven heeft Kevin alleen zijn bed om aan te zitten en huiswerk te maken. Hij gaat altijd te laat naar bed en is dan de volgende dag doodmoe. Hij haalt slechte cijfers en krijgt vaak op z'n kop op school. Laatst nog omdat hij een werkstuk niet af had. Maar hij snapte niet hoe het moest. En aan zijn ouders vragen kon ook niet. Die weten niet eens wat een werkstuk is.

Voorbeeld Chantal (7) komt 's morgens met een grote plastic tas van een bekende supermarktketen op school en hangt die aan de kapstok. Tussen de middag blijft Chantal over. Ze pakt de tas uit de gang en kiepert de inhoud ondersteboven op haar tafel. Wat eruit komt is de koude patat van de vorige dag. Houd er in de groep rekening mee dat sommige ouders weinig te besteden hebben. Leg de nadruk niet te veel op materiële zaken. Let er bij gesprekjes in de kring op dat je je aandacht richt op de verhalen van kinderen en niet te veel aandacht schenkt aan nieuwe kleding die ze dragen

Let op signalen Aan kinderen kun je soms zien dat er thuis iets niet in orde is. Je moet hiervoor in de loop van je opleiding een kritisch oog ontwikkelen. Wees alert op dit soort signalen: onverzorgde kleding 49


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

en uiterlijk, blauwe plekken of 'vreemde' wondjes, agressief gedrag, teruggetrokken gedrag, stiekem gedrag, nerveus of faalangstig gedrag. Ook het gedrag van ouders kan verontrustend zijn: snel en onredelijk boos worden, weinig belangstelling voor het kind, vaak klagen over het kind, het kind slaan of uitschelden. Overleg met de ouders als je je zorgen maakt of het allemaal wel goed gaat, maar wees voorzichtig met te snelle conclusies. Deel je bezorgdheid over mishandeling of seksueel misbruik met je collega's en vraag je leidinggevende om advies.

Figuur 3.8  Betrek ouders bij dagelijkse activiteiten  © Charlotte Bogaert

Stel vragen, toon belangstelling en spreek verwachtingen naar elkaar uit. Je zult dan zien dat mensen veel meer met elkaar gemeen hebben dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Wees je in het contact met ouders steeds bewust van je eigen cultuur, je eigen waarden en normen. Welk beeld heb jij over bepaalde groepen mensen, hun cultuur en opvoedingsstijl? En waar komt dat beeld vandaan? In hoeverre bied jij een ander de ruimte als diegene totaal andere opvattingen heeft? Laat ouders door het stellen van belangstellende vragen zien dat je echte interesse hebt. Want hun kijk op het leven en wat ze daarin belangrijk vinden, kan botsen met hoe jij de dingen bekijkt. Het is misschien verleidelijk om snel iets 'stom' of 'belachelijk' te vinden of met je collega's te roddelen over wat je gezien hebt of gehoord. Bedenk dan dat je professionele beroepshouding niet alleen in het directe contact met ouders geldt, maar ook in hoe je over ouders praat met collega's. Om ouders beter te leren kennen en begrijpen kun je ze betrekken bij de dagelijkse activiteiten in de opvang. Vraag of ze willen helpen bij het organiseren van een feest of meegaan naar de kinderboerderij. Vraag niet steeds dezelfde ouders, maar geef ook andere ouders de kans om mee te gaan. Je ontdekt dan misschien eigenschappen en bijzondere talenten van ouders die je niet had verwacht.

3.5.5 Culturele achtergrond van ouders In je werk krijg je te maken met kinderen en ouders met een eigen culturele achtergrond: de ouders van Shamira komen oorspronkelijk uit Casablanca in Marokko, de vader van Armin is moslim en afkomstig uit Syrië, zijn vrouw is christelijk, Jelmer komt uit Friesland, de ouders van Angela en Laura zijn allebei Jehova's getuige en de ouders van Esther zijn streng gereformeerd. Tussen culturen bestaan verschillen. Bijvoorbeeld als je tussen de middag op huisbezoek gaat, wordt bij een Marokkaans gezin van jou verwacht dat je bij de voordeur je schoenen uittrekt en bij een christelijk gezin dat je voor de lunch even stilte houdt voor het gebed. Ondanks die verschillen kom je met een open blik en oprechte belangstelling een heel eind. Vooral als je je daarbij richt op de persoon zelf, want 'de' Nederlandse, Syrische, Turkse of Iraanse cultuur bestaat niet. Ieder individu is binnen een cultuur uniek. Staar je dus vooral niet blind op de verschillen tussen mensen, maar kijk vooral naar wat hen bindt. Stel je voor dat Nederlanders in het buitenland alleen zo bekend staan: ze eten rauwe haring, dragen altijd oranje kleding, lopen op klompen en roken hasj. Zou jij je herkennen in die beschrijving? Vast niet.

50


Diversiteit in de groep

• • • • Figuur 3.9  Kinderen hebben meer met elkaar gemeen

dan je denkt  © Mirador media / Maria van der Heyden

Voorbeelden • De vader van Mina, al heel lang werkloos, weet heel veel te vertellen over de boerderijdieren. • De moeder van Demir durft de haan vast te houden en kan het gekraai zo goed nadoen dat het net echt lijkt. • De vader van Elim maakt de kinderen enorm aan het lachen als hij de dieren nadoet.

•

3

Toon respect voor de levensbeschouwing en levenswijze van anderen. Bied erkenning, herkenning en veiligheid voor elke ouder en kind. Neem niets als vanzelfsprekend aan. Stel vragen om verschillen te begrijpen of als je je ergens zorgen over maakt. Wees gericht op samenwerking en betrek ouders bij activiteiten. Bied erkenning en bevestiging en laat je waardering blijken. Focus niet op verschillen, maar ga op zoek naar overeenkomsten. Bied ruimte voor verschillende opvattingen. Toon een niet-veroordelende houding, zoek naar zaken die jou en de ouders verbinden. Stem je wijze van communiceren af op de (culturele) achtergrond van de ander. Communiceer in begrijpelijke taal.

B A S I S B E H O E F T E N VA N H E T K I N D Kinderen ontwikkelen zich optimaal in een groep als ze geloof hebben in eigen kunnen, zelf verantwoordelijkheid krijgen en merken dat ze erbij horen. Een kind zal zich pas goed kunnen ontwikkelen als aan zijn basisbehoeften voor het functioneren in een groep is voldaan. Een basisbehoefte is een sterk gevoel of verlangen waaraan voldaan moet zijn om je goed te voelen. Alle mensen in de hele wereld hebben dezelfde behoefte aan eten en drinken, verzorging en liefde. Pas als aan die behoeften is voldaan, kunnen kinderen zich verder ontwikkelen.

Neem de tijd om je te verdiepen in de gezinsomstandigheden, de gebruiken en gewoonten thuis. Dit voorkomt dat je zaken als vanzelfsprekend aanneemt. Ga wel altijd respectvol om met de privacy van ouders. Het is niet nodig al te nieuwsgierige vragen te stellen en alles te willen weten. Betrek ouders bij de opvang of bij de school van hun kind en laat je waardering blijken voor de manier waarop zij hun belangstelling tonen. Wees altijd alert. Komen de ouders niet op de ouderavond omdat ze de uitnodiging niet hebben begrepen of vanwege een andere reden? Bijvoorbeeld omdat de ene ouder avonddienst draait en de andere ouder dan thuis moet zijn voor de kinderen. Als pedagogisch werker besteed je aandacht aan een goede samenwerking met ouders en hun culturele achtergrond. De volgende tips kunnen je daarbij helpen: • Wees je bewust van je eigen culturele achtergrond. • Bekijk zaken vanuit multicultureel perspectief. Pas je zo goed mogelijk aan de belevingswereld van de ouder aan door je erin te verdiepen.

Figuur 3.10  Kinderen ontdekken de wereld door op

onderzoek uit te gaan  © ANPfoto / VidiPhoto

51


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

Spelen in kleine groep vergroot sociale competentie Kinderen die vaak in kleine groepjes spelen en fysiek contact met elkaar hebben, zijn meer sociaal competent dan kinderen die dat niet doen. Ze leren samenwerken, communiceren met anderen, afwegen wat ze wel en niet kunnen, willen en zouden moeten doen. Ze ervaren dat iedereen anders reageert en leren rekening te houden met anderen. Ze oefenen met betrokkenheid, zelfcontrole en het maken van afspraken en regels. Ze ontwikkelen hun empathisch vermogen. Dit gebeurt vooral als zij in kleine groepjes spelen. Zonder de bemoeienis van volwassenen ontstaat er veel eerder een gevoel van competentie en autonomie bij de kinderen. Daarom grijp je als pedagogisch medewerker zo laat mogelijk in bij een ruzie tussen kinderen. Want als je dit te vroeg doet, ontneem je kinderen de kans om rekening te houden met elkaar en voor zichzelf op te komen. Bron: Universiteit Leiden

Voor een optimale ontwikkeling van een kind in de groep zijn drie basisbehoeften van belang.

Relatie

Autonomie Basisbehoeften voor ontwikkeling

Competentie

Figuur 3.11  De drie basisbehoeften voor ontwikkeling  © Tiekstramedia

B E H O E F T E A A N R E L AT I E : ' I K VO E L ME THUIS!' Behoefte aan relatie wil zeggen dat kinderen het verlangen hebben zich verbonden te voelen met anderen. Elk kind wil zich gerespecteerd en geliefd voelen. Kinderen ontwikkelen zich beter als ze merken dat ze ergens bij horen, dat ze mee mogen doen en dat anderen met hen willen spelen. Het is noodzakelijk dat een kind in een omgeving opgroeit waarin het zich gewaardeerd voelt. Pas dan zal het zijn omgeving durven ontdekken, zich hechten aan anderen en zich ontwikkelen. Als pedagogisch werker probeer je ervoor te zorgen dat het kind zich met anderen verbonden voelt. Om dat te bereiken, kun je de volgende dingen doen: • Maak contact. Let erop dat het kind zich veilig en op zijn gemak voelt bij jou en in de groep. • Toon belangstelling. Stel vragen. Zorg ervoor dat het kind voelt dat anderen hem als een volwaardig persoon in de groep zien. • Werk aan goede onderlinge relaties tussen de kinderen. Stimuleer samenspelen, samenwerken en elkaar helpen. • Reageer als je ziet dat iemand geen contact heeft in de groep. • Grijp meteen in bij pesten.

Intrinsieke motivatie Kinderen ontdekken de wereld om zich heen door op onderzoek uit te gaan. Zij zijn nieuwsgierig en hebben de intrinsieke motivatie, de drang vanuit zichzelf, om op zoek te gaan naar moeilijkere uitdagingen en steeds weer nieuwe dingen onder de knie te krijgen. Deze motivatie 'van binnenuit' geeft zelfvertrouwen en een beter contact met anderen. Jouw rol als pedagogisch werker is dit ontdekken van de wereld zo goed mogelijk te begeleiden. Je probeert daarbij steeds aan te sluiten bij de behoeften van het kind. Je kijkt naar de pedagogische behoeften van kinderen. Je voorziet daarin door de manier waarop je contact met hen maakt, hen begeleidt in hun ontwikkeling en in de wijze waarop je hun leefomgeving organiseert. Je voelt de behoeften van kinderen aan en speelt daar goed op in. Een stimulerend pedagogisch klimaat, waarin kinderen zich vrij en optimaal kunnen ontwikkelen, houdt rekening met de volgende behoeften: • behoefte aan relatie; • behoefte aan autonomie; • behoefte aan competentie. 52


Diversiteit in de groep

3

Voorbeeld De kinderen in groep 3 zijn klaar met spelen in het speellokaal en trekken hun sokken en schoenen weer aan. 'Wie heeft zijn schoenen al aan?', vraagt Mark, die zijn BPV doet. Wel tien vingers gaan omhoog. 'Da's mooi', zegt Mark. 'Dan lopen de kinderen die nu hun vinger omhoog hebben naar een kind zonder vinger omhoog. Dan vraag je vriendelijk: zal ik je even helpen met je schoenen?' Figuur 3.12  Laat een kind zelf oplossingen zoeken

B E H O E F T E A A N AU TO N O M I E : ' I K W I L HET ZELF!'

© ANPfoto / Sabine Joosten

Voorbeeld Janne (4) is elke pauze weer bezig met haar jas. Ze wil de knopen graag zelf dichtmaken maar dat lukt niet. Als alles weer scheef zit, wordt ze boos. De tranen staan in haar ogen. Onderwijsassistent Nadia loopt naar haar toe en zegt: 'Weet je wat, ik doe de onderste knoop en dan maak jij de rest dicht van onder naar boven. Ik weet zeker dat het dan wel lukt!'

Behoefte aan autonomie betekent dat kinderen zelf willen kiezen en inbreng hebben in de dingen die ze doen. Zelf doen! Autonomie wil zeggen: de behoefte van kinderen om zelfstandig hun eigen gangetje te gaan. Je geeft een kind de tijd en de ruimte zelf dingen te ontdekken en uit te proberen. Je zult merken dat kinderen met meer plezier meedoen en positief gedrag laten zien als je ze keuzes geeft. Een kind doet iets met meer motivatie als het er zelf voor kiest. Wanneer het dan lukt om iets zelf op te lossen geeft dat een gevoel van trots. Dit geeft een kind het zelfvertrouwen om het ook een volgende keer zelf te willen proberen. Zelf iets uitzoeken, ook al lukt het niet meteen, is een goede oefening voor het doorzettingsvermogen voor kinderen. Zo leren ze zelfstandig in het leven te staan. Wat je als pedagogisch werker kunt doen om kinderen zelf verantwoordelijkheid te geven: • Geef het kind de ruimte om zelf dingen te ontdekken. Reageer positief op de eigen inbreng van het kind. • Kinderen leren het meest van zelf proberen. Geef ze de kans zelf problemen op te lossen en bied niet meteen je hulp aan. Dus wees geduldig en heb vertrouwen. • Geef kinderen verantwoordelijkheid. Laat ze eigen keuzes maken, meedenken en zelf beslissingen nemen.

Kinderparticipatie: kinderen de ruimte geven mee te denken en mee te beslissen over dingen die hen aangaan in de kinderopvang.

BEHOEF TE AAN COMPETENTIE: 'IK KAN HET!' Behoefte aan competentie betekent dat kinderen een sterke en natuurlijke drang hebben naar leren. Daarbij hoort het gevoel van vertrouwen in eigen kunnen. Door het geven van complimentjes, een schouderklopje, bewonderend kijken of het aanbieden van uitdagende opdrachten versterk je het zelfvertrouwen van de kinderen die jij begeleidt. Je kunt vragen stellen: 'Hoe is je dat gelukt?', 'Wat heb je ervan geleerd?', 'Wat is een volgend stapje dat je kunt zetten?' Zo stimuleer je een kind om nieuwe dingen te leren, om zich in te zetten en zijn talenten te ontplooien.

53


3

PEK MODULE 2 Diversiteit

Een kind dat op die manier bevestiging krijgt, is enthousiast en betrokken en heeft plezier in waar het mee bezig is. Het zal eerder zelf initiatief nemen en iets nieuws proberen. Zoek daarom steeds naar mogelijkheden om het kind uit te dagen. Wat je als pedagogisch werker kunt doen om kinderen zelfvertrouwen te geven: • Laat het kind succeservaringen opdoen. Stilstaan bij wat is gelukt, geeft een positief gevoel en inzicht in wat al is bereikt. • Geef complimentjes en op andere manieren bevestiging en aanmoediging. Laat het kind merken dat het wat kan en goed is in wat het doet. Voorbeeld Kevin (6) zit vanwege spina bifida (open rug) sinds zijn geboorte in een rolstoel. Hij is leerling op een gewone basisschool. In de pauze zit hij in zijn rolstoel op het schoolplein. Alle kinderen rennen, klauteren, springen en fietsen rond. 'Hij vindt het zo leuk om naar de andere spelende kinderen te kijken', zegt zijn juf tegen haar stagiaire Simone. Is dat wel zo, denkt Simone. Opeens heeft ze een idee en loopt naar binnen. Ze blaast een rode ballon op en bindt die aan de rolstoel van Kevin. Hij kijkt verrast op. Wat gebeurt er nu opeens? Meteen komen er een paar kinderen naar hem toe en speelt Kevin een potje ballonvolleybal met ze. Woh, wat heeft hij een lol!

54


Diversiteit in de groep

3

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 Kinderen leren in een groep vooral ook van elkaar.

◯

◯

2 Zwart-witdenken kan bij kinderen leiden tot vooroordelen.

◯

◯

3 Goed kijken naar wat een kind nodig heeft, is een voorbeeld van interactie stimuleren.

◯

◯

4 Generaliseren is een ander woord voor discrimineren.

◯

◯

5 Een stereotype is een beeld gebaseerd op geen of te weinig feiten.

◯

◯

6 Een goed voorbeeld helpt kinderen bij het zich eigen maken van omgangsregels.

◯

◯

7 Sekse is de aanleg die je als jongen of meisje bij je geboorte meekrijgt.

◯

◯

8 Gedrag is voor een deel cultureel bepaald.

◯

◯

9 Genderbewust opvoeden wil zeggen: een jongen opvoeden als jongen en een meisje opvoeden als meisje.

◯

◯

10 In Nederland heeft iedereen dezelfde kansen op een goede schoolopleiding.

◯

◯

A A N D E S L AG M E T J E K E N N I S Ga naar de digitale leeromgeving eDition om aan de slag te gaan met de v­ erwerking, praktijksituatie(s), vaardigheden en zelftoets.

55


PEK MODULE 2 Diversiteit

Begrippen Thema 2 Diversiteit

Asielzoeker

Iemand die in een ander land de vluchtelingenstatus aanvraagt.

Culturele diversiteit

Verscheidenheid aan culturen die er bestaat in een land, regio of de wereld in zijn geheel. Het houdt dus in dat er (grote) verschillen tussen mensen zijn in de manier waarop ze met elkaar omgaan en over allerlei onderwerpen denken en oordelen.

Cultuur

Geheel van waarden, normen, opvattingen en gewoonten binnen een bepaalde groep of samenleving.

Diversiteit

Diversiteit betekent: verscheidenheid. Diversiteit wil dus zeggen dat mensen verschillen in afkomst, leeftijd, sekse, nationaliteit, seksuele geaardheid, religie, taalgebruik, enzovoort.

Gender

Het sociaal geslacht: de ideeën en verwachtingen rond ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’. Deze zijn sociaal en cultureel bepaald.

Genderspecifiek gedrag

Gedrag dat kenmerkend is voor een jongen of meisje.

Intercultureel werken

Manier van werken die rekening houdt met en respect toont voor andere culturen.

Interculturele communicatie

Communicatie die plaatsvindt tussen mensen met een verschillende culturele achtergrond.

Levensbeschouwing

Samenhangend geheel aan opvattingen over het leven, waar mensen zingeving aan ontlenen.

Multiculturele samenleving

Maatschappij waarin mensen met verschillende culturele achtergronden op basis van gelijkwaardigheid naast en door elkaar leven.

Normen

Gemeenschappelijke verwachtingen en afspraken over gepast gedrag in een bepaalde situatie. Normen zijn gedragsregels.

Referentiekader

Geheel van denkbeelden, overtuigingen, gewoonten, waarden en normen die iemand heeft opgebouwd in zijn leven en van waaruit hij de wereld om zich heen interpreteert en beoordeelt.

Sekse

Biologisch geslacht: biologische verschillen tussen een jongen en een meisje.

56


BEGRIPPEN

Team

Groep medewerkers die samen een of meerdere taken uitvoeren en daarvoor verantwoordelijk zijn.

Teamcultuur

De waarden en normen van een team.

Tradities

Gebruiken en gewoonten die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven.

Visie

Bepaalde kijk op iets, gezichtspunt, richtinggevende zienswijze.

Vluchteling

Iemand die uit gegronde vrees voor vervolging uit zijn land van herkomst is gevlucht en die een asielvergunning krijgt in een ander land.

Waarden

Gemeenschappelijke opvattingen van (een groep) mensen over wat zij belangrijk vinden in het leven en in de omgang met elkaar.Hiervan worden de normen afgeleid.

57


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Traject Welzijn - Pedagogisch klimaat - module 2 Diversiteit by ThiemeMeulenhoff - Issuu