NIVEAU 3&4
In deze leermethode wordt aangegeven hoe een ziekte of een aandoening het normale menselijk functioneren kan beĂŻnvloeden. Ook wordt duidelijk welke mogelijkheden de geneeskunde en verpleegkunde de zorgvrager kan bieden. De symptomen van ziektes en aandoeningen, de mogelijke complicaties en de behandeling komen aan bod. Speciale aandacht wordt besteed aan het waarnemen van de opvallende symptomen bij de zorgvrager.
Auteurs: Alexander Huygen Herry In den Bosch Imre Krabbenbos Johan van de Minkelis Wim Hendriks Eindredactie: Wim Hendriks
9 789006 691610
Pathologie
Pathologie maakt deel uit van Traject voor het middelbaar beroepsonderwijs. Dit lesmateriaal kan worden ingezet binnen de mbo beroepsopleidingen kwalificatieniveau 3 en 4 in de sectoren Zorg en Gezondheidszorg. Het samenspel tussen theorie en beeldmateriaal heeft ertoe geleid dat deze uitgave al sinds de jaren negentig hĂŠt naslagmateriaal vormt voor het Gezondheidsonderwijs. Pathologie bevat de theoretische vakkennis voor de mbo opleiding verpleegkundige en verzorgende. Daarnaast is de lesmethode inzetbaar voor onder meer opleidingen tot doktersassistent, tandartsassistent en apothekersassistent. Deze tweede druk is ook volledig beschikbaar in de digitale leeromgeving eDition.
Pathologie
A&F MOD ULE PATHOLOGIE
1
Pathologie
Alexander Huygen Herry In den Bosch Imre Krabbenbos Johan van de Minkelis Wim Hendriks
PATHOLOGIE
Colofon Auteurs
Over ThiemeMeulenhoff
Alexander Huygen Herry In Den Bosch Imre Krabbenbos Johan van de Minkelis Wim Hendriks
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt.
Vakredactie Wim Hendriks
Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl
Redactie Singeling Tekstproducties, Amersfoort
ISBN 978 90 06 69161 0 Tweede druk, eerste oplage, 2020 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2020
Omslagontwerp Studio Fraaj, Rotterdam
Vormgeving Crius Group, Hulshout
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. 2
Curriculum Wim Hendriks, huisarts
Alexander Huygen, huisarts
Wim Hendriks studeerde na zijn eindexamen hbs-B te Utrecht geneeskunde aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Na het artsexamen (1977) volgde hij de opleiding tot huisarts aan het Huisartseninstituut in Nijmegen. Van 1979 tot 1988 werkte hij fulltime als huisarts. Vanaf 1988 was hij als docent ziekteleer verbonden aan het College Beroepsonderwijs Amsterdam (mdgo), later het ROC Amsterdam. Hij gaf les aan de opleiding voor verplegenden (VP) en vanaf 1994 was hij tevens docent praktijkscholing aan de opleiding voor doktersassistenten (DA). Sinds 2003 is hij fulltime werkzaam als huisarts in Utrecht.
Alexander Huygen volgde zijn studie medicijnen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en is sindsdien als huisarts werkzaam in Amsterdam. Van 1988 tot 1998 was hij verbonden als huisartsdocent aan de Vrije Universiteit als opleider van coassistenten. Van 1998 tot 2005 was hij huisartsdocent bij de ‘1ste Lijn Amsterdam’ waar hij verantwoordelijk was voor de nascholingsactiviteiten voor werkers in de eerstelijnsgezondheidszorg. Van 2005 tot 2011 maakte hij deel uit van de Raad van Advies van het artsenlaboratorium ATAL te Amsterdam.
drs. Imre Krabbenbos drs. Herry In den Bosch
Imre Krabbenbos studeerde geneeskunde aan Rijksuniversiteit Groningen, waar hij in 2008 zijn artsenbul behaalde. Hij was werkzaam op de intensive careafdeling van het Medisch Centrum Haaglanden te Den Haag. Tevens verrichtte hij wetenschappelijk onderzoek binnen de pijnbestrijding. Zijn opleiding tot anesthesioloog in het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein heeft hij in 2015 afgerond. Momenteel is hij hier als anesthesioloog werkzaam.
Herry In den Bosch behaalde in 1989 zijn diploma fysiotherapie, studeerde in 1993 af als bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en behaalde hier ook zijn didactische aantekening. Van 1993 tot en met 1999 werkte hij als docent pathologie en fysiotherapie in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Hij vervolgde zijn loopbaan als adviseur op het gebied van multidisciplinaire evidence based richtlijnontwikkeling bij het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO en het Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging (LEVV). Naast docent is Herry sinds 2009 ook gecertificeerd trainer en coach, met als aandachtsgebieden communicatieve vaardigheden, teambuilding en persoonlijk leiderschap. Momenteel is hij werkzaam als docent op de lerarenopleiding Gezondheidszorg & Welzijn, Instituut Archimedes, Faculteit Educatie van de Hogeschool Utrecht.
drs. Johan van de Minkelis Johan van de Minkelis studeerde geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2002 behaalde hij zijn artsenbul. Na op diverse plaatsen werkzaam te zijn geweest als basisarts, begon hij in 2007 met zijn specialisatie in de anesthesiologie en pijngeneeskunde in het St. Antonius ziekenhuis in Nieuwegein, die hij in juli 2012 afrondde. Momenteel is hij als anesthesioloog en pijnspecialist werkzaam in het ElisabethTweesteden Ziekenhuis te Tilburg.
3
PATHOLOGIE
Woord vooraf ‘Pathologie’ maakt deel uit van Traject voor het middelbaar beroepsonderwijs, mbo. Dit lesmateriaal kan worden ingezet binnen de mbo beroepsopleidingen kwalificatieniveau 3 en 4 in de sectoren Zorg en Gezondheidszorg. In deze tweede druk is de opbouw in de vier thema’s veranderd in 15 kleinere modules. De tweede druk is ook volledig beschikbaar in de digitale leeromgeving eDition. De onderwerpen in het boek zijn waar nodig voorzien van de actuele inzichten in de beschreven ziektebeelden. Het betreft met name veranderingen in onderzoek en behandeling van een ziekte. In enkele modules zijn nieuwe onderwerpen ingevoerd. Dat betreft in het hoofdstuk infectieziekten een beschrijving van de pandemie met het Corona-virus die begon eind 2019 in China. In het hoofdstuk van de gewrichtsziekten is een aanvullende tekst opgenomen over de ziekte jicht. Het samenspel tussen theorie en beeldmateriaal heeft ertoe geleid dat deze uitgave al sinds de jaren negentig hét naslagmateriaal vormt voor het Gezondheidsonderwijs. De lesmethode bevat de theoretische vakkennis voor de mbo opleiding verpleegkundige en verzorgende. Daarnaast is deze lesmethode inzetbaar voor onder meer opleidingen tot doktersassistent, tandartsassistent en apothekersassistent. Wij bedanken in het bijzonder de auteurs Herry In den Bosch, Alexander Huygen, Imre Krabbenbos, Johan van de Minkelis en Wim Hendriks voor hun toegewijde inzet bij de totstandkoming van dit boek. Zij hebben veel werk verzet om het boek te actualiseren en het nog beter aan te laten sluiten bij de verschillende doelgroepen. Wij hopen dat u met plezier zult werken met dit boek. Wanneer u vragen of suggesties heeft, dan waarderen wij het bijzonder wanneer u contact met ons opneemt.
De uitgever
4
Inhoudsopgave Module 1 Gezondheid en ziekte 19 1 Zorg voor de gezondheid 21 1.1 Gezondheid 22 1.2 Draagkracht/draaglastmodel 22 1.2.1 Draagkracht 23 1.2.2 Draaglast 24 1.3 Decompensatie 24 1.4 Gezondheidsbevorderende factoren 25 1.5 Gezondheidsbedreigende factoren 26 1.6 Verstoring van de gezondheid 27 1.7 Levensverwachting 27 Samenvatting 27 2 Ziekteverloop 28 2.1 Ontstaan van een ziekte 29 2.2 Verloop van een ziekte 29 2.3 Einde van een ziekte 31 Samenvatting 32 3 Ziekteoorzaken 33 3.1 Ziekte door inwendige oorzaken 34 3.1.1 Erfelijke ziekten 34 3.1.2 Aangeboren niet-erfelijke afwijkingen 35 3.1.3 Predispositie 37 3.2 Ziekte door uitwendige oorzaken 37 3.2.1 Mechanische oorzaken 37 3.2.2 Fysische oorzaken 37 3.2.3 Chemische oorzaken 38 3.2.4 Verkeerde voeding 39 3.2.5 Biologische oorzaken 40 3.2.6 Allergische oorzaken 41 3.2.7 Nieuwvormingen 42 3.2.8 Psychische oorzaken 42 3.2.9 Sociale oorzaken 42 3.3 Ziekte door onbekende oorzaken 43 Samenvatting 43
Module 2 Ontsteking en afweer 45 1 Ontsteking 46 1.1 Wat is een ontsteking? 48 1.2 Oorzaken van een ontsteking 49 1.2.1 Mechanische oorzaken 49 1.2.2 Fysische oorzaken 49 1.2.3 Chemische oorzaken 49 1.2.4 Ziekteverwekkers 50 5
PATHOLOGIE
1.2.5 Immunologische oorzaken 50 1.3 Verschijnselen van een ontsteking 50 1.4 Vormen van ontsteking 52 1.5 Verloop van een ontsteking 52 1.6 Afweer 52 1.7 Behandeling van een ontsteking 53 1.8 Genezing van een ontsteking 53 1.8.1 Regeneratie 53 1.8.2 Littekenvorming 53 Samenvatting 54 2 Afweer en afweerreacties 55 2.1 De afweer van het lichaam 56 2.2 Immunologisch systeem 56 2.2.1 Verschillende afweercellen 56 2.3 Immuniteit 59 2.3.1 Natuurlijke actieve immuniteit 60 2.3.2 Natuurlijke passieve immuniteit 60 2.3.3 Kunstmatige actieve immuniteit 60 2.3.4 Kunstmatige passieve immuniteit 60 2.3.5 Actief versus passief 61 2.4 Vaccinatie 61 2.4.1 Vaccinaties bij volwassenen 62 2.4.2 Risico’s van vaccinaties 63 2.5 Onderzoek 63 2.6 Falende afweer 63 Samenvatting 64
Module 3 Infectieziekten 65 1 Lichaamstemperatuur 67 1.1 Kerntemperatuur en schiltemperatuur 68 1.2 Temperatuurregulatie 68 1.2.1 Waarnemen van temperatuurveranderingen 68 1.2.2 Regulatie van de lichaamstemperatuur 68 1.3 Meten van de lichaamstemperatuur 69 1.4 Koorts 70 1.5 Verschijnselen van koorts 71 1.6 Koortstypen 71 1.7 Hyperthermie 73 1.8 Hypothermie 74 Samenvatting 75 2 Infectieziekten 76 2.1 Van besmetting tot infectieziekte 77 2.2 Besmettingswegen 78 2.2.1 Cutane infecties 78 2.2.2 Aerogene infecties 78 2.2.3 Enterale infecties 78 6
2.2.4 Hematogene infecties 79 2.2.5 Genitale infecties 79 2.3 Ontstaan van een infectieziekte 79 2.4 Soorten ziekteverwekkers 80 2.4.1 Dierlijke organismen 80 2.4.2 Plantaardige organismen 81 2.5 Onderzoek naar infecties 87 2.6 Uitbreiding van infecties 87 2.6.1 Flegmone 88 2.6.2 Abces 88 2.6.3 Lymfangitis en lymfadenitis 89 2.6.4 Bacteriëmie en sepsis 90 2.7 Behandeling van infectieziekten 90 2.8 Preventie van infecties 90 2.9 Epidemiologie 91 Samenvatting 96
Module 4 Gezwelleer 97 1 Algemene oncologie 99 1.1 Ontstaan van gezwellen 100 1.2 Gevoeligheid van weefsels 101 1.3 Eigenschappen van gezwellen 101 1.3.1 Benigne gezwellen 101 1.3.2 Maligne gezwellen 101 1.4 Naamgeving van gezwellen 102 1.5 Uitbreiding van gezwellen 103 1.6 Onderzoek van gezwellen 104 1.7 Algemene behandeling van gezwellen 105 1.7.1 Chirurgische therapie 105 1.7.2 Radiotherapie 106 1.7.3 Chemotherapie 106 1.7.4 Hormonale therapie 107 1.7.5 Immunotherapie en doelgerichte therapie 107 1.8 Tijdens en na de behandeling 108 1.9 Preventie en opsporing 109 Samenvatting 110
Module 5 Slaapstoornissen 111 1 Farmacologie 113 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Toedieningsvormen van medicijnen 114 Registratie van medicijnen 114 Opiumwet 115 Naamgeving van medicijnen 116 Farmacokinetiek 116 Absorptie 116 1.5.1 7
PATHOLOGIE
1.5.2 Distributie 116 1.5.3 Halfwaardetijd 117 1.5.4 Metabolisme 118 1.5.5 Eliminatie 118 1.6 Farmacodynamiek 118 Werkingsmechanisme 118 1.6.1 1.6.2 Competitie en reversibiliteit 119 1.7 Bijwerkingen en interacties 119 1.8 Receptuur 120 Samenvatting 120 2 Slaapstoornissen 121 2.1 De fysiologie van het slapen 122 2.1.1 De vijf slaapstadia 122 2.1.2 Slaapcycli en de biologische klok 2.2 Functie van het slapen 124 2.3 Factoren die de slaap beïnvloeden 124 2.3.1 Leeftijd 124 2.3.2 Omgevingsfactoren 125 2.3.3 Invloed van voeding 125 2.3.4 Verstoring van de biologische klok 2.4 Slaapstoornissen 126 2.4.1 In- en doorslaapstoornissen 126 2.4.2 Overmatige slaperigheid overdag 2.4.3 Behandeling van slaapstoornissen Samenvatting 131
123
125
128 128
Module 6 Ziekten van bloed, hart en bloedvaten 133 1 Ziekten van bloed en bloedvormende organen 135 1.1 Niet-oncologische hematologie 136 1.1.1 Hemoglobinopathie 136 G6PD-deficiëntie 137 1.1.2 Aplastische anemie 137 1.1.3 1.1.4 Stollingsstoornissen 138 1.2 Oncologische hematologie 141 Leukemie 141 1.2.1 1.2.2 Lymfeklierkanker of lymfomen 143 1.2.3 Multipel myeloom 145 1.2.4 Polycythemia vera 146 Samenvatting 147 2 Hart- en vaatziekten 148 2.1 Arteriosclerose en atherosclerose 149 2.2 Risicofactoren voor hart- en vaatziekten 149 2.2.1 Cholesterol 149 2.2.2 Bloeddruk 151 2.2.3 Veneuze druk 152 2.2.4 Hypertensie 153 8
2.2.5 Hypotensie 154 2.2.6 Overige risicofactoren 154 2.3 Ischemie en infarct 155 2.4 Hart 155 2.4.1 Angina pectoris 155 2.4.2 Hartinfarct (myocardinfarct) 157 2.5 Hersenen 158 2.5.1 Transient ischaemic attack (TIA) 158 2.5.2 Cerebrovasculair accident (CVA) 159 2.5.3 Vasculaire dementie 160 2.6 Etalagebenen (claudicatio intermittens) 160 2.7 Trombose 161 Veneuze trombose 162 2.7.1 2.7.2 Arteriële trombose 162 2.8 Embolie 163 2.9 Hartfalen 163 2.10 Hartritmestoornissen 165 2.10.1 Pols 165 2.10.2 Tachycardie en bradycardie 165 2.10.3 Hartblok 166 2.10.4 Boezemfibrilleren 166 2.10.5 Kamerfibrilleren 166 2.10.6 Extrasystole 166 2.11 Cardiovasculair onderzoek 167 Samenvatting 169
Module 7 Ziekten van de luchtwegen 171 1 Hoesten 173 1.1 Hoesten 174 1.1.1 Productieve hoest 174 1.1.2 Niet-productieve hoest 174 1.2 Oorzaken van hoesten 175 1.2.1 Roken 175 1.2.2 Luchtweginfecties 175 1.2.3 COPD en astma bronchiale 176 1.2.4 Vreemd voorwerp in de luchtwegen 176 1.2.5 Postnasal drip 176 1.2.6 Longgezwellen 176 1.3 Sputum 177 1.3.1 Sputumkleur 177 1.3.2 Bloed ophoesten 177 1.3.3 Sputumkweek 177 1.4 Medicijnen 177 1.4.1 Inhalatiemiddelen 178 1.4.2 Antitussiva 178 1.4.3 Emolliens 178 9
PATHOLOGIE
1.4.4 Mucolytica en expectorantia 178 1.4.5 Antibiotica, corticosteroïden en inhalatietherapie 178 Samenvatting 179 2 Ademhalingsproblemen 180 2.1 pO2 en pCO2 181 2.2 Stoornissen in de ventilatie, gaswisseling en perfusie 182 2.2.1 Ventilatie 182 2.2.2 Gaswisseling 183 2.2.3 Perfusie 183 2.3 Respiratoire insufficiëntie 183 2.4 Astma en COPD 184 2.4.1 Asthma bronchiale 184 2.4.2 COPD 186 2.5 Ademfrequentie en ademdiepte 188 2.6 Pneumonie 189 2.7 Pneumothorax 190 2.8 Longcarcinoom 191 Samenvatting 192
Module 8 Ziekten van de spijsvertering 193 1 Braken en slikstoornissen 195 1.1 Braken 196 1.2 Het mechanisme van braken 197 1.3 Oorzaken van braken 198 1.4 Observaties van het braken en aspect van het braaksel 199 1.4.1 Projectielbraken 199 1.4.2 Retentiebraken 199 1.4.3 Aspect van het braaksel 199 1.5 Gevolgen van het braken 200 1.6 Behandeling van braken 200 1.6.1 Vochtbalans en voeding bij aanhoudend braken 201 1.6.2 Medicatie bij aanhoudend braken 201 1.7 Slikstoornissen 202 1.7.1 Slikmechanisme 202 1.7.2 Oorzaken van slikstoornissen 202 1.7.3 Slikproblemen herkennen en de behandeling van slikstoornissen 204 Samenvatting 203 2 Afwijkende ontlastingspatronen 205 2.1 Ontlasting en defecatiepatroon 206 2.2 Aspecten van de feces 206 2.2.1 Consistentie 206 2.2.2 Geur 206 2.2.3 Kleur 207 2.3 Melena 207 2.4 Bloed bij de ontlasting 207 2.5 Steatorroe en het malabsorptiesyndroom 208 10
2.6 Diarree 210 2.6.1 Acute diarree 210 2.6.2 Chronische diarree 210 2.7 Obstipatie 211 Samenvatting 212 3 Ziekten van het spijsverteringskanaal 213 3.1 Mond- en keelholte 214 3.1.1 Keelafwijkingen 214 3.1.2 Onderzoek van de keel 215 3.2 Slokdarmaandoeningen 215 3.2.1 Refluxziekte 215 3.2.2 Slokdarmkanker 216 3.2.3 Slokdarmspataderen 217 3.2.4 Slokdarmdivertikel 217 3.3 Ziekten van de maag 217 3.3.1 Maagontstekingen 217 3.3.2 Maagzweer of ulcus ventriculi 220 3.3.3 Maagcarcinoom 220 3.4 Ziekten van de dunne darm 221 3.4.1 Aandoeningen van het duodenum 221 3.4.2 Aandoeningen van het jejunum en ileum 222 3.5 Aandoeningen van de dikke darm 224 3.5.1 Ontstekingen van de dikke darm 224 3.5.2 Spastische dikke darm 225 3.5.3 Diverticulitis 225 3.5.4 Colitis ulcerosa 226 3.5.5 Dikke-darmgezwellen 226 3.5.6 Endeldarm 226 Samenvatting 227
Module 9 Ziekten van urinewegen en geslachtsorganen 229 1 Afwijkende vochtbalans 231 1.1 Verdeling van het water in het lichaam 232 1.2 Waterverplaatsingen in het lichaam 232 1.3 Vochtbalans 234 1.3.1 Regulatie van de vochtbalans in de gezonde situatie 234 1.3.2 Aldosteron 235 1.3.3 Antidiuretisch hormoon (ADH) 235 1.4 Uitdroging (dehydratie) 236 1.5 Overhydratie 237 1.6 Controle van de vochtbalans 238 1.6.1 Aanleggen van een vochtlijst 238 1.6.2 Wegen 239 1.6.3 Laboratoriumonderzoek 239 Samenvatting 240 2 Urine 241 11
PATHOLOGIE
2.1 Mictiereflex 242 2.1.1 Afwijkende mictiepatronen 242 2.2 Onderzoek van de urine 243 2.2.1 Macroscopisch onderzoek 243 2.2.2 Microscopisch onderzoek 246 2.2.3 Klinisch-chemisch onderzoek 247 2.2.4 Microbiologisch onderzoek van de urine 248 Samenvatting 249 3 Urinewegen en geslachtsorganen 250 3.1 Urineweginfecties 250 3.1.1 Urethritis 251 3.1.2 Cystitis 251 3.1.3 Pyelonefritis 251 3.1.4 Prostatitis 252 3.2 Urineretentie 252 3.2.1 Acute retentie 252 3.2.2 Chronische retentie 252 3.3 Urine-incontinentie 253 3.3.1 Stressincontinentie 253 3.3.2 Urge-incontinentie 254 3.3.3 Overloopincontinentie en druppelincontinentie (overloopblaas) 255 3.3.4 Neurogene blaas 255 3.4 Nierschade en nierfalen 257 3.4.1 Atherosclerose en nierschade 257 3.4.2 Hemodialyse 258 3.4.3 Peritoneale dialyse 258 3.4.4 Niertransplantatie 259 3.5 Nierstenen 259 3.6 Afwijkingen aan de prostaat 260 3.6.1 Benigne prostaathyperplasie 260 3.6.2 Prostaatcarcinoom 261 3.7 Blaaskanker 261 3.8 Afwijkingen aan de baarmoeder 262 3.8.1 Baarmoederkanker 262 3.8.2 Cervixcarcinoom 264 3.8.3 Uterus myomatosus 265 Samenvatting 267
Module 10 Gewrichtsziekten 269 1 Bewegingsapparaat 271 1.1
Letsels door externe krachten 272 1.1.1 Distorsie 272 1.1.2 Luxatie 272 1.1.3 Ruptuur 272 1.1.4 Contusie 272 1.1.5 Fractuur 273 12
1.2 Osteoporose 274 1.3 Reuma 274 1.3.1 Reumatoïde artritis 275 1.3.2 Axiale Spondyloartritis 276 1.4 Artrose 277 1.5 Wekedelenreuma 279 1.6 Jicht 279 Samenvatting 281
Module 11 Huidziekten 283 1 Huid 285 1.1 Wonden 286 1.1.1 Open wonden 286 1.1.2 Decubitus 287 1.1.3 Brandwonden 289 1.1.4 Bevriezing 290 1.2 Wondgenezing 290 1.2.1 Primaire wondgenezing 291 1.2.2 Secundaire wondgenezing 291 1.3 Wondbehandeling 292 1.3.1 Reinigen van de wond 292 1.3.2 Sluiten van de wond 292 1.3.3 Beschermen van de wond 292 1.3.4 Indeling van wonden naar kleur 292 1.3.5 Wondinfectie 293 1.4 Constitutioneel eczeem 294 1.5 Psoriasis 294 1.6 Huidkanker 295 1.6.1 Basaalcelcarcinoom 295 1.6.2 Plaveiselcelcarcinoom 296 1.6.3 Melanoom 296 Samenvatting 297
Module 12 Zenuwstelsel, zintuigen en hormonen 299 1 Zenuwstelsel 301 1.1 Ziekten van het zenuwstelsel 301 1.1.1 CVA 301 1.1.2 Ziekte van Parkinson 302 1.1.3 Multipele sclerose 302 1.1.4 Epiduraal en subduraal hematoom 303 1.1.5 Subarachnoïdale bloeding 303 1.1.6 Hernia nuclei pulposi 304 1.1.7 Dwarslaesie 304 1.1.8 Aandoeningen van zenuwen 304 1.1.9 Epilepsie 305 13
PATHOLOGIE
1.1.10 Tumoren 305 1.2 Pijn en pijnbestrijding 305 1.2.1 Soorten pijn 306 1.2.2 Medicamenteuze pijnbestrijding 306 1.2.3 Invasieve pijnbestrijding 306 Samenvatting 307 2 Oog en oor 308 2.1 Oog 309 2.1.1 Keratitis 309 2.1.2 Conjunctivitis 309 2.1.3 Bijziend en verziend 309 2.1.4 Staar 310 2.1.5 Glaucoom 311 2.1.6 Netvliesloslating 311 2.1.7 Diabetische retinopathie 312 2.1.8 Kleurenblindheid 312 2.2 Oor 313 2.2.1 Otitis externa 313 2.2.2 Otitis media 313 2.2.3 Slechthorendheid 314 2.2.4 Duizeligheid 315 Samenvatting 316 3 Hormoonstelsel 317 3.1 De hypofyse 317 3.1.1 Ziekten van de hypofyse 318 3.2 De schildklier 318 3.2.1 Hyperthyreoïdie 319 3.2.2 Hypothyreoïdie 319 3.3 De bijnieren 319 3.3.1 Syndroom van Cushing 320 3.3.2 Bijnierschorsinsufficiëntie 320 3.4 De pancreas 320 3.4.1 Diabetes mellitus 321 Samenvatting 323
Module 13 Psychiatrische ziekten 325 1 Psychiatrische ziekten 327 1.1 Schizofrenie en andere psychotische stoornissen 328 1.1.1 Schizofrenie 328 1.1.2 Andere psychotische stoornissen 330 1.2 Stemmingsstoornissen 330 1.2.1 Depressie 331 1.2.2 Manie 331 1.2.3 Bipolaire stoornis 331 1.2.4 Depressie na een bevalling 332 1.3 Angststoornissen 332 14
1.3.1 Obsessief-compulsieve stoornis 332 1.3.2 Paniekstoornis 333 1.3.3 Fobie 333 1.3.4 Posttraumatische stressstoornis (PTSS) 334 1.4 Persoonlijkheidsstoornissen 334 1.4.1 Borderline persoonlijkheidsstoornis 334 1.4.2 Antisociale persoonlijkheidsstoornis 335 1.5 Eetstoornissen 335 1.5.1 Anorexia nervosa 336 1.5.2 Boulimia nervosa 336 1.6 Verslavingen 336 1.6.1 Heroïne 337 1.6.2 Stimulerende drugs 338 1.6.3 Cannabis 338 1.6.4 Hallucinogenen 338 1.6.5 Benzodiazepinen 338 1.7 Psychische ziekten bij kinderen en jongeren 339 1.7.1 Aandachtstekort met hyperactiviteit (ADHD) 339 1.7.2 Autisme 339 1.7.3 Depressie 340 1.7.4 Gedragsstoornissen 340 1.8 Ouderen met een psychische ziekte 340 1.8.1 Dementie 341 1.8.2 Depressie bij ouderen 341 1.8.3 Paranoïde psychose 341 Samenvatting 342
Module 14 Zwangerschap, bevalling en aangeboren stoornissen 345 1 Zwangerschap en bevalling 347 1.1 De zwangerschap 348 1.1.1 Abnormale zwangerschapsduur 348 1.1.2 Afwijkingen in de foetale groei 348 1.1.3 Hyperemesis gravidarum 349 1.1.4 Hypertensie 349 1.1.5 Placenta praevia 351 1.1.6 Solutio placentae 351 1.2 De bevalling 351 1.2.1 Schouderdystocie 351 1.2.2 Rupturen 352 1.2.3 Foetale nood 352 1.2.4 Vruchtwaterembolie 352 1.3 De kraamperiode 352 1.3.1 Koorts in de kraamperiode 353 1.3.2 Abnormaal bloedverlies 353 1.3.3 Trombose 354 1.3.4 Psychose en depressie 354 15
PATHOLOGIE
Samenvatting 355 2 Congenitale afwijkingen 356 2.1 Chromosomale afwijkingen 357 2.1.1 Syndroom van Down 357 2.1.2 Ziekte van Duchenne 359 2.1.3 Syndroom van Turner 360 2.1.4 Syndroom van Klinefelter 361 2.1.5 Taaislijmziekte 361 2.2 Aangeboren afwijkingen zonder bekende chromosomale afwijkingen 362 2.2.1 Klompvoet 362 2.2.2 Congenitale heupdysplasie (CHD) 363 2.2.3 Spina bifida of open rug 363 2.3 Aangeboren afwijkingen door invloeden van buitenaf 364 Samenvatting 366
Module 15 Rond het sterven 367 1 Laatste levensfase 369 1.1 De laatste levensfase en het stervensproces 369 1.2 Natuurlijke en niet-natuurlijke dood 370 1.3 Besluitvorming in de laatste levensfase 371 1.3.1 Abstineren 371 1.3.2 Palliatieve sedatie 371 1.3.3 Euthanasie 371 1.4 Familie 371 Samenvatting 372 2 Palliatieve zorg 373 2.1 Palliatieve en terminale zorg 373 2.2 Specifieke problemen 374 2.2.1 Obstipatie 374 2.2.2 Pijn 374 2.2.3 Bedlegerigheid 374 2.2.4 Misselijkheid en braken 375 2.2.5 Ademnood 375 2.2.6 Angst en depressie 376 Samenvatting 376 3 Pijnbestrijding 377 3.1 Medicamenteuze behandeling 377 3.1.1 WHO-pijnladder 377 3.1.2 Doorbraakpijn 378 3.1.3 Bijzondere toedieningswegen 378 3.2 Niet-medicamenteuze pijnbestrijding 378 3.3 Invasieve pijnbehandeling 379 3.3.1 Coeliacusblokkade 379 3.3.2 Chordotomie 379 3.3.3 Hypogastricusblokkade 379 3.3.4 Lower End blokkade 380 16
Samenvatting 380 4 Euthanasie 381 4.1 De Euthanasiewet 381 4.2 Voorbereiding van de euthanasie 382 4.2.1 Het inschakelen van een SCEN-arts 382 4.3 Uitvoering van de euthanasie 382 4.4 Afhandelen van de euthanasie 383 4.4.1 Het begeleiden van familie 383 4.4.2 Rapportage naar de toetsingscommissie 383 Samenvatting 384 5 Sterven en dood 385 5.1 Doodsoorzaken 385 5.1.1 Natuurlijke dood 386 5.1.2 Niet-natuurlijke dood 386 5.2 Klinische dood 387 5.3 Hersendood 387 5.4 Orgaandonatie en weefseldonatie 388 Samenvatting 389
Register 390
17
18
PATHOLOGIE
MOD ULE
1
Gezondheid en ziekte
Alexander Huygen Herry In den Bosch Imre Krabbenbos Johan van de Minkelis Wim Hendriks
Š iStock / Getty Images Plus / LightFieldStudios
In deze module leer je dat gezondheid een individuele toestand is aan de hand van het draagkracht/draaglastmodel. Wanneer er sprake is van ziekte kan deze vrij onverwacht of heel geleidelijk beginnen. Je leert dat allerlei ontwikkelingen tijdens een ziekte, zoals onder andere complicaties en exacerbaties, het verloop van een ziekte beĂŻnvloeden. Ook de oorzaken van een ziekte komen in deze module aan bod. Je leert dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen inwendige (endogene) en uitwendige (exogene) oorzaken van een ziekte. Denk bijvoorbeeld aan een aangeboren afwijking (endogene oorzaak) en een snijwond (exogene oorzaak).
1
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
Š Getty Images / Hispanolistic
Gezondheid en ziekte Gezondheid en ziekte zijn in het leven van de mens belangrijke zaken. Gezondheid wordt bepaald door lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke factoren. Gezond voelen is voor veel mensen een vanzelfsprekend iets, tot dat dit gevoel verstoord wordt en een toestand van ziekte ontstaat. Het eerste hoofdstuk gaat uit van de situatie dat bij een gezond individu er een evenwicht is in draagkracht en draaglast. Draagkracht wordt bepaald door aanleg, conditie, geestelijke en maatschappelijke factoren. Draaglast is de last die een individu te verwerken krijgt door invloeden vanuit het eigen lichaam en door invloeden van buitenaf. Van belang is hoe de mens omgaat met gezondheidsbevorderende en gezondheidsbedreigende factoren. Het tweede hoofdstuk beschrijft het verloop van een ziekte, die acuut of geleidelijk kan beginnen. Allerlei ontwikkelingen tijdens een ziekte, zoals complicaties, exacerbaties, remissies, recidieven en restverschijnselen beĂŻnvloeden het verloop van die ziekte. Uiteindelijk treedt vaak na enige tijd volledig herstel op. In die gevallen waarin dat herstel niet volledig verloopt, moet het individu een verandering in zijn of haar functioneren gaan accepteren. Revalidatie kan hierbij een hulpmiddel zijn. Het derde hoofdstuk gaat over de oorzaken van een ziekte. Er zijn inwendige (endogene) oorzaken als aangeboren afwijkingen, erfelijke ziekten en een bepaalde aanleg voor een ziekte. De uitwendige (exogene) oorzaken worden onderverdeeld in mechanische, fysische, chemische oorzaken, verkeerde voeding, biologische en allergische oorzaken, nieuwvormingen, psychische en sociale oorzaken. Al zijn van vele ziekten de oorzaken wel bekend, er blijven ook nog (nieuwe) ziekten waarbij door onderzoek de oorzaak nog moet worden vastgesteld.
20
Zorg voor de gezondheid
Zorg voor de gezondheid 1 LEERDOELEN
• • • •
Je kunt uitleggen wat gezondheid is en hoe deze beïnvloed wordt door lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke factoren. Je kunt beschrijven welke factoren invloed hebben op draagkracht en draaglast. Je kunt uitleggen hoe veranderingen in draagkracht en/of draaglast de homeostase in het lichaam kunnen verstoren en kunnen leiden tot decompensatie en ziekte. Je kunt uitleggen hoe je met preventieve maatregelen gezondheidsbevorderende factoren kunt stimuleren en gezondheidsbedreigende factoren kunt verminderen.
Gezondheid is een groot goed. Wij wensen elkaar dan ook vaak een goede gezondheid toe, bijvoorbeeld na een keer niezen (‘Gezondheid!’) of tijdens het proosten (‘Op je gezondheid!’). Wat het wil zeggen om gezond te zijn, besef je vaak pas als je zelf ziek bent of als iemand in je directe omgeving ziek is. Er is letterlijk een evenwicht verstoord. Dit hoofdstuk gaat over de basisbegrippen die betrekking hebben op de gezondheid van de mens. Wat houdt gezondheid in? Wat is het draagkracht/ draaglastmodel? Wanneer is sprake van decompensatie en wanneer van homeostase? Hoe beïnvloedt de mens zijn eigen mate van gezondheid? Wat zijn gezondheidsbevorderende en gezondheidsbedreigende factoren? In dit hoofdstuk krijg je op al deze vragen een antwoord.
A LLES V ERA NDERD E… Karin is van achteren aangereden door een bestelbus toen ze voor het stoplicht stond. Vlak na het ongeluk doen haar nek en achterhoofd behoorlijk pijn, maar verder lijkt er weinig aan de hand. Wel heeft ze in de week na het ongeluk na iedere geringe inspanning last van hoofdpijn en is ze snel moe. Ook kan ze zich moeilijk concentreren en voelen niet alleen haar nek, maar ook haar armen pijnlijk en stijf aan. Door de klachten slaapt zij slecht. Ze kan niet werken en de huisarts verwijst Karin naar een neuroloog. De röntgenfoto’s van de nek en
een CT-scan van het hoofd geven geen verklaring voor Karins klachten. De diagnose luidt ‘whiplash’ en de behandeling bestaat uit rust en fysiotherapie. Pas na vier maanden is er sprake van enige verbetering en gaat ze voor 2 tot 3 uur per dag op therapeutische basis aan het werk. Sporten zit er niet meer in. Uitgaan kan alleen als ze eerst enkele uren gerust heeft en dan moet ze het ‘s avonds ook niet al te laat maken. Ze heeft last van sombere stemmingen en huilbuien. Karin is prikkelbaar en dat zorgt voor de nodige spanningen in de relatie met haar vriend. Een jaar 21
1
1
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
na het ongeval kan Karin weer volledig aan het werk, maar haar oude functie kan zij niet meer aan. Deze schijnbaar simpele aanrijding leidde tot ingrijpende veranderingen op geestelijk en maatschappelijk gebied.
1.1
andering in één aspect door in de andere twee, zoals bij Karin. Om gezond te blijven, moet de mens zich beschermen tegen de invloeden uit de directe omgeving die hem dreigen ziek te maken. Binnen de mogelijkheden die hij heeft, zal hij proberen aanvallen op de gezondheid af te slaan. Dat doet de mens door zich zo goed mogelijk te verdedigen. Daar is heel wat voor nodig. Dit maken we duidelijk aan de hand van de begrippen draagkracht, draaglast, decompensatie, homeostase, gezondheidsbevorderende en gezondheidsbedreigende factoren.
Gezondheid
Gezondheid is een van de belangrijkste waarden in het leven. Zolang iemand zich goed voelt, maakt hij zich niet steeds druk om zijn gezondheid. Dit was ook bij Karin het geval. Na haar auto-ongeval ervaart Karin verschijnselen van pijn en onwel voelen en is zij niet meer in staat te functioneren zoals ze voorheen deed. Karin is zich plotseling bewust van de beperkingen die een verstoring van de gezondheid opleveren. Zij ervaart dat er grenzen zijn aan haar mogelijkheden en dat ze niet meer kan leven zoals ze steeds gedaan heeft. Dat is het moment dat Karin beseft dat zij niet meer gezond ofwel ziek is. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) definieert gezondheid als een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden. Gezondheid betekent dus meer dan alleen het afwezig zijn van een lichamelijke ziekte. De drie genoemde aspecten van gezondheid hangen nauw met elkaar samen. ‘Welbevinden’ is voor iedereen anders, wat betekent dat gezondheid een persoonlijke of subjectieve beleving is. Je kunt ziek zijn of een beginnende stoornis hebben zonder je ziek te voelen. Zo kun je een matig verhoogde bloeddruk hebben of een hoog gehalte aan cholesterol in je bloed zonder dat er duidelijke klachten zijn. Hoewel je je gezond voelt (subjectief), ben je dat niet (objectief). Zodra veranderingen in lichamelijk, geestelijk of maatschappelijk functioneren optreden, ontstaat een verstoring van het evenwicht (homeostase) en kan ziekte ontstaan. Door de samenhang tussen deze drie aspecten werkt een ingrijpende ver-
1.2 Draagkracht/ draaglastmodel Bij het handhaven van de gezondheid spelen begrippen als draagkracht en draaglast een grote rol. Het samenspel van deze twee bepaalt of iemand gezond blijft of ziek wordt. De draagkracht van een mens is te beschouwen als de kracht die hij heeft om moeilijke situaties aan te kunnen. Het is de kracht waarmee een mens zich staande houdt tegenover allerlei invloeden die op hem inwerken. De draaglast bestaat uit de moeilijke situaties en de prikkels die op een mens afkomen. Het zijn de lasten die hij te dragen krijgt. Tegen deze aanvallen moet hij zich kunnen verweren om gezond te blijven. De verdediging is afhankelijk van iemands draagkracht. In een gezonde situatie is er een evenwicht tussen draagkracht en draaglast. Dit evenwicht is voor te stellen als de werking van een weegschaal: op de ene schaal staat de draagkracht, op de andere de draaglast. Zolang de kracht van een mens even groot is als of groter is dan de lasten die hij te dragen krijgt, kan de balans niet doorslaan naar de verkeerde kant en is er een gezonde toestand. De balans slaat wél door naar de verkeerde kant als de lasten zwaarder zijn dan de draagkracht. Het evenwicht raakt verstoord en er treedt ziekte op.
22
Zorg voor de gezondheid
DRAAGKRACHT
1
Conditie Conditie is de toestand waarin het menselijk lichaam op een bepaald moment verkeert. De conditie is aan allerlei schommelingen onderhevig en kan per dag verschillen. Om gedurende langere tijd zware inspanning te kunnen leveren, moet een lichaam getraind zijn. Iemand die niet regelmatig oefent en te weinig conditie heeft, kan na zware lichamelijke arbeid zo moe zijn, dat hij kwetsbaarder is voor invloeden van buitenaf. De conditie schiet dan tekort om weerstand te bieden tegen extra belasting. Dit geldt ook voor geestelijke belasting. Een te langdurig ervaren hoge werkdruk leidt dan bijvoorbeeld tot een burn-out. Een oude wijsheid luidt dan ook: ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’.
DRAAGLAST
Figuur 1.1 Evenwicht tussen draagkracht en draaglast © Tekenbureau Frans Hessels
1.2.1 Draagkracht Wat bepaalt nu eigenlijk je draagkracht? Is dat gezonde voeding, voldoende nachtrust, op tijd inentingen krijgen of voldoende beweging? Uiteraard zijn deze zaken wel van belang om gezond te blijven, maar bij draagkracht spelen meer factoren een rol. In het algemeen bestaat je draagkracht uit een combinatie van aanleg, conditie en geestelijke en maatschappelijke toestand. Deze factoren samen bepalen of je voldoende kracht hebt om de lasten van het dagelijks leven te dragen.
Geestelijke factoren Geestelijke factoren zijn belangrijk bij het vormen van de draagkracht. Gevoelens van veiligheid en vertrouwen in de omgeving bepalen mede de weerbaarheid. Heeft iemand tijdens zijn ontwikkeling deze gevoelens niet gekend, dan bestaat het gevaar dat hij niet weerbaar genoeg is. Zoiets komt dan tot uiting in iemands gedrag. Als iemand zich niet veilig voelt, kan iemand faalangstig, depressief of agressief worden.
Aanleg Aanleg omvat alles wat een mens meekrijgt bij zijn geboorte. De aanleg bestaat uit erfelijke factoren die het kind van beide ouders meekrijgt en de invloeden die het kind ondergaat tijdens de zwangerschap en de geboorte. Deze aanleg is de reden dat mensen al vanaf hun geboorte als persoon uniek zijn, waardoor ieder mens op zijn eigen manier op prikkels uit de omgeving reageert. Bij kinderen die geboren zijn met een stoornis of handicap speelt aanleg ook een rol. Soms is de aanleg voor een ziekte al vanaf de geboorte aanwezig, maar komt de ziekte pas op een later moment in het leven tot ontwikkeling. Dan zijn naast de aanleg nog invloeden uit de omgeving nodig om een ziekte te laten ontstaan. Een voorbeeld daarvan is de aanleg om astma te krijgen. Pas na contact met prikkels uit de directe omgeving zoals stof, grasen boompollen, huidschilfers van dieren, rook en mist ontwikkelen zich de overgevoelige luchtwegen en ontstaat een astma-aanval.
Maatschappelijke factoren Ook de plaats die iemand binnen de maatschappij en binnen het gezin inneemt, is bepalend voor de draagkracht. Het hebben van werk, voldoende inkomen, goede relaties met mensen op school, op het werk en in de familie- en vriendenkring bepalen voor een groot deel je maatschappelijke positie. Zij versterken de draagkracht en zorgen ervoor dat je beter bestand bent tegen de lasten uit je omgeving. Werkloosheid is een maatschappelijke verandering die kwetsbaarder maakt, net als verhuizen naar een vreemde omgeving en echtscheiding. Dat geldt niet alleen voor volwassenen, maar ook voor kinderen. De draagkracht neemt af en de kans op ziek worden neemt toe. Het is wel duidelijk dat de draagkracht per persoon verschilt en dat iedereen zo zijn eigen zwakke plekken heeft. Daarnaast zijn er grote verschillen in leefomstandigheden. Deze verschillen hebben hun weerslag op de draagkracht van 23
1
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
mensen en dit is vooral zichtbaar bij kleine kinderen, kraamvrouwen en pasgeborenen, chronisch zieken, ouderen en lichamelijk gehandicapten. Ook de levensfase waarin iemand verkeert, kan een grote rol spelen. Denk maar aan de puberteit. De snelle lichamelijke groei veroorzaakt vermoeidheid. De belasting van het zelfstandiger worden en de conflicten die je daarover hebt met anderen brengen je uit je geestelijk evenwicht. Als je dat weet, is het goed te begrijpen dat de draagkracht tijdens de puberteit heel anders is dan die in een rustiger periode van het leven, zoals de periode op de basisschool. In 2018 maakte 3,1% van de 12- tot 16-jarigen een depressieve stoornis door (CBS, 2019). Zolang de lasten niet groter zijn dan de draagkracht, is er een gezonde situatie. Bij te grote lasten zoals zware problemen en moeilijke situaties en als de lasten de draagkracht overstijgen, ben je niet meer in staat de nieuwe situatie de baas te blijven. Je functioneert niet goed meer.
kend. Het is dan niet mogelijk om te zeggen of de ziekte van binnenuit of van buitenaf komt, dan wel het gevolg is van een samenspel tussen meerdere factoren. Uitwendige en inwendige invloeden kunnen samen de reden zijn van een verstoord evenwicht. Invloeden van binnenuit kunnen het lichaam zo verzwakken dat het veel gevoeliger is voor invloeden die van buitenaf komen. In dergelijke gevallen ontstaat er eerder een ziekte. Een voorbeeld is suikerziekte (diabetes mellitus) waarbij de alvleesklier te weinig of geen insuline meer aanmaakt. Suikerziekte maakt het lichaam gevoeliger voor invloeden van buitenaf, zoals ziekteverwekkers. Mensen met diabetes maken dan ook meer infecties door dan gezonde mensen. Bij invloeden van binnenuit (endogene factoren) of van buitenaf (exogene factoren) probeert het lichaam zich te verdedigen. Om gezond te blijven doet het lichaam voortdurend zijn best om alle lichaamsfuncties in evenwicht te houden. Dit proces heet homeostase. Dankzij homeostase is het lichaam in staat om invloeden uit de omgeving die de levensfuncties verstoren in een bepaalde mate te compenseren. Bij een verstoring van de homeostase ontstaat ziekte. In dat geval probeert het lichaam via allerlei aanpassingsmechanismen een nieuw evenwicht te bereiken waardoor herstel van de ziekte kan optreden. Voorbeelden van belangrijke aanpassingsmechanismen zijn: • de water- en zouthuishouding; • de regeling van de lichaamstemperatuur; • de hormonale functies; • de bloedsomloop; • de ademhaling; • de uitscheiding van afvalstoffen.
TOETSEN IN HAL EN Brit is een paar weken ziek geweest en heeft dus flink wat lessen gemist. Behalve de lessen heeft ze ook vier toetsen gemist. Die kan ze aan het einde van het studiejaar inhalen, maar wel allemaal in één week. Als het zover is, wordt het Brit allemaal te veel. Ze moet hard studeren, omdat veel kennis inmiddels weer is weggezakt en ze moet natuurlijk ook nog de gewone toetsen doen. Omdat ze bang is dat ze het jaar niet zal halen, slaapt ze slecht. Doordat Brit op de toetsdagen veel te moe is, behaalt ze helaas slechte resultaten. De last van de vier toetsen ging Brits draagkracht te boven.
1.3 Decompensatie Als de lasten te groot worden en je niet langer de kracht hebt om de lasten te dragen, dan ben je niet meer in staat in voldoende mate te compenseren. In dat geval slaat de balans door naar de verkeerde kant. Wanneer de draaglast de draagkracht overtreft, dan is er sprake van decompensatie en dat
1.2.2 Draaglast Je draaglast is afhankelijk van invloeden die van buitenaf inwerken of die uit het lichaam zelf voortkomen. Een te grote draaglast kan je ziek maken. Van sommige ziekten is de oorzaak onbe24
Zorg voor de gezondheid
merk je doordat een bepaalde functie faalt. Dit kan een lichamelijke, geestelijke of maatschappelijke functie zijn, zoals in het geval van Karin. Of denk aan een groot hartinfarct. Hierbij is een deel van de hartspier afgestorven en is de hartspier niet meer in staat voldoende bloed weg te pompen. Het hart decompenseert of faalt, waardoor problemen in de bloedsomloop ontstaan. Dit heet hartdecompensatie, hartfalen, ofwel decompensatio cordis. Ook psychisch kun je decompenseren, zoals te lezen is in de casus van Miranda.
1
Een mens is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid, maar daarvoor moet hij weten hoe hij op een gezonde manier met zijn lichaam en geest moet omgaan. Het gedrag dat daarvoor nodig is moet je leren van je ouders, op school, op je sportvereniging en door je te verdiepen in wat gezond gedrag precies inhoudt. Hoe gedrag en levenswijze gezondheid beïnvloeden, is onder meer afhankelijk van de maatschappij. Mensen in de westerse wereld beschikken over meer mogelijkheden om gezond te leven dan mensen in ontwikkelingslanden. Ons welvarend leefpatroon verschilt nogal van dat in Aziatische of Afrikaanse landen. Of mensen met die welvaart op de juiste wijze omgaan, wordt mede bepaald door de opvoeding en de maatschappelijke ontwikkeling die zij doormaken. Je kunt je gezondheid beschermen door aandacht te besteden aan gezondheidsbevorderende factoren die de mens zelf kan beïnvloeden en waarvoor de mens zelf verantwoordelijk is, zoals: • de juiste gezonde voeding; • voldoende lichaamsbeweging; • voldoende kleding; • zorgen voor een balans tussen lichamelijke en geestelijke belasting; • op tijd en regelmatig rust nemen; • schadelijke invloeden uit de omgeving voorkomen; • infecties voorkomen.
B U R N -OUT ! Miranda combineert een drukke fulltime baan met de zorg voor haar gezin en merkt dat het een kwetsbaar evenwicht is waarin ze functioneert. Het gezin vraagt aandacht, op het werk is het al maanden ontzettend druk en bovendien slaapt ze te weinig omdat ze ’s avonds laat nog het een en ander moet voorbereiden voor de volgende dag. Dan krijgen de kinderen de waterpokken, terwijl de verantwoordelijkheid van haar werk zwaar op haar drukt; het werk moet af. Door de geestelijke druk stort Miranda in. Zij heeft vaak last van huilbuien, voelt zich continu moe en toont geen enkel initiatief meer. De psychische decompensatie uit zich bij Miranda in een burn-out.
Niet iedereen is in staat om alle invloeden volledig te overzien. Gezondheidsbevordering kan hierbij helpen. Het gaat bij gezondheidsbevordering om maatregelen en activiteiten die als doel hebben dat mensen zich gezonder gaan gedragen en zo gezondheid in het algemeen bevorderen. Op landelijk niveau draagt de overheid hieraan bij, door het voeren van campagnes (billboards, folders en spotjes). Zo bereikt de boodschap over gezond gedrag een grote groep mensen, bijvoorbeeld over de beweegnorm of de gezonde hoeveelheid groente en fruit op een dag. Ook gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’en) voeren plaatselijk campagne. Werkers in de welzijns- en de gezondheidszorg brengen hun boodschap meestal in kleine groe-
1.4 Gezondheidsbevorderende factoren De mens heeft zelf een belangrijk aandeel in de zorg voor zijn gezondheid. Een lichaam en geest die in aanleg helemaal gezond zijn, beschikken over voldoende draagkracht. Tijdens de groei en ontwikkeling komen constant veel prikkels op lichaam en geest af. Wil de mens op een goede manier bestand zijn tegen dergelijke invloeden, dan moet hij zich inspannen om een en ander te verwerken. Daarvoor is een bepaalde houding (attitude) nodig en het besef om gezond te leven. 25
1
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
pen of individueel over. Deze werkwijze heet patiëntenvoorlichting; dat is voorlichting aan kleine groepen patiënten of individuele patiënten die lijden aan een bepaalde ziekte. Denk aan voorlichting aan mensen met hypertensie, diabetes mellitus en longziekten, zoals COPD (chronisch obstructief longlijden). Voorlichting is een onderdeel van preventie. Primaire preventie richt zich op het voorkomen van ziekte, bijvoorbeeld door duidelijk te maken dat bepaalde activiteiten de gezondheid schade toebrengen. De campagnes tegen het roken zijn duidelijk gericht op de preventie van longkanker, COPD en hart- en vaatziekten. Ook vaccineren is een vorm van primaire preventie, denk bijvoorbeeld aan de in 2018 gestarte grootschalige vaccinatie bij jongeren tegen meningokokken type ACWY. Secundaire preventie richt zich op het tijdig opsporen van ziekten. Een voorbeeld daarvan is het bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker, borstkanker en darmkanker. Tertiaire preventie is bedoeld om te voorkomen dat de symptomen van een ziekte verergeren. Een patiënt met diabetes mellitus past bijvoorbeeld zijn levensstijl aan, wat de kans op schade aan het lichaam verkleint, zoals schade aan het netvlies (blindheid) of de bloedvaten (atherosclerose). Sommige maatregelen zijn zelfs verankerd in wetgeving. Zo is het recht op een rookvrije werkplek vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en is er landelijk sprake van een wettelijk rookverbod in openbare gelegenheden. Gezondheid is geen vast gegeven, maar een steeds veranderende toestand. Het evenwicht raakt verstoord wanneer het niet lukt om voldoende te reageren op allerlei situaties; daardoor kan ziekte ontstaan. De mens biedt weerstand aan die steeds terugkerende en veranderende prikkels door zich aan te passen of door in te grijpen in de situatie, bijvoorbeeld door zich bij koud weer warm te kleden of door tijdig de griepprik te halen. Maatregelen op grotere schaal zijn bedoeld om de uitstoot van gassen en rook in industriegebieden terug te dringen. Dit gaat ernstige luchtvervuiling tegen en voorkomt afwijkingen aan de luchtwegen. Degelijke riolering zorgt voor de scheiding tussen afval-
water en drinkwater, een aanpak die verspreiding van besmettelijke ziekten voorkomt. Bij relatieproblemen kun je naar een hulpverlener gaan. Praten over problemen en ingrijpen in de situatie kan voorkomen dat er een blijvende verstoring van de relatie optreedt. Zo probeert ieder mens om zijn eigen leefwereld zo constant mogelijk te houden en niet ziek te worden.
1.5 Gezondheidsbedreigende factoren Mensen zijn in staat hun gezondheid te handhaven door zich aan te passen of in te grijpen. Vaak echter neemt de mens risico’s die de gezondheid bedreigen. Dat betreft dan gedrag waarbij er een grote kans bestaat op een verstoring van het evenwicht en ziekte optreedt. Voorbeelden hiervan zijn roken en te veel eten. Zo is bijvoorbeeld in 80% van de gevallen roken de oorzaak van het ontstaan van COPD (chronic obstructive pulmonary disease) en volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) had in 2018 15% van de Nederlanders van 18 jaar en ouder een vorm van obesitas (ernstig overgewicht). Ongezond gedrag kost de maatschappij ook veel geld. Niet alleen in de vorm van directe kosten voor de zorg bij ziekte, maar ook indirecte kosten zoals ziekteverzuim, verloren arbeidsjaren en uitkeringen. Het aanpakken van ongezond gedrag levert naast gezondheidswinst dus ook economisch een forse besparing op. Andere voorbeelden van gezondheidsbedreigende factoren zijn: • slecht of onvoldoende eten; • te weinig nachtrust nemen; • weinig of geen lichamelijke inspanning verrichten; • overmatig gebruik van alcohol, vet en nicotine; • onveilig vrijen; • gebruik van drugs met een verslavende werking. Wanneer iemand onvoldoende voor zichzelf zorgt, dreigt de draagkracht af te nemen. Daardoor treedt een verstoring op van het evenwicht 26
Zorg voor de gezondheid
en wordt iemand ziek. Ook het niet opvolgen van adviezen of voorschriften van werkers in de gezondheidszorg leidt tot een verstoring van het evenwicht. Iemand herstelt dan bijvoorbeeld niet van een ziekte. Sommige mensen volgen een behandeling niet op. Zij nemen bijvoorbeeld hun medicijnen niet in of volgen de adviezen van een therapeut niet op. Dat gedrag heet therapieontrouw (non-compliance). Ook bij mensen die aanvankelijk wel meewerken, maar na enige tijd stoppen of weer terugvallen in het oude gedrag, is sprake van therapieontrouw. Enkele oorzaken voor therapieontrouw zijn: • vergeetachtigheid: hoogbejaarden die vergeten om hun medicijnen in te nemen; • gebrek aan motivatie: door snel afgenomen klachten is iemand niet meer gemotiveerd om bijvoorbeeld een antibioticakuur af te maken; • schaamte voor het gebruik van een bepaald geneesmiddel: dit kan bijvoorbeeld gelden voor het gebruik van een inhalator bij luchtwegklachten.
1
(lichamelijk), psychisch (geestelijk) of sociaal (maatschappelijk) probleem. Vaak is de verstoring van de gezondheid een samenspel tussen de verschillende problemen: dan kan sprake zijn van een psychosomatisch of psychosociaal probleem.
1.7 Levensverwachting Een maat voor de gezondheid van de mens is hoe lang iemand leeft: de levensverwachting. De levensverwachting is het aantal nog te verwachten levensjaren van een groep mensen van een bepaalde leeftijd. De levensverwachting van mensen neemt onder andere toe door maatschappelijke omstandigheden (werk, huisvesting, verkeersmaatregelen), psychosociale zorg en de toename van deskundigheid op medisch gebied. Op dit moment is in Nederland de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte voor mannen ongeveer 80 jaar en voor vrouwen 83 jaar. Op grond van de prognoses die het CBS geeft, is te verwachten dat de gemiddelde levensverwachting de komende tientallen jaren nog verder stijgt. Voor de nabije toekomst is uit deze prognoses vast te stellen, dat er een sterke vergrijzing ontstaat van de bevolking in Nederland. In het plannen van medische zorg en het scheppen van voorzieningen moeten overheid en instanties dan ook de komende decennia extra investeren om de kwaliteit van het leven te kunnen waarborgen.
1.6 Verstoring van de gezondheid Gezondheid heeft te maken met lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke factoren en kan vanuit elk van deze invalshoeken worden bedreigd. Ontstaat de verstoring vanuit één invalshoek, dan is er sprake van een somatisch SA M E N VAT T I N G
Gezondheid is een voortdurend wisselende toestand, die bepaald wordt door lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke factoren. Het draagkracht/draaglastmodel maakt duidelijk dat gezondheid een individuele toestand is. Draagkracht is opgebouwd uit aanleg, conditie, geestelijke en maatschappelijke factoren. Draaglast is datgene wat een individu te verwerken krijgt, zowel door invloeden van buitenaf, als door invloeden vanuit het eigen lichaam. De mens kan een dreigende verstoring van de homeostase ten dele compenseren. Wanneer de draaglast de draagkracht overstijgt, treedt decompensatie op. Door middel van preventieve maatregelen is de mens in staat om het aantal gezondheidsbevorderende factoren te stimuleren en gezondheidsbedreigende factoren te verminderen. De mens kan zich hierdoor zo goed mogelijk handhaven in een continu veranderende omgeving. 27
2
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
Ziekteverloop 2 LEERDOELEN
• • •
Je kunt beschrijven wat de overeenkomsten en verschillen zijn in het beloop van een acute en een chronische ziekte. Je kunt toelichten hoe het beloop van een ziekte kan veranderen door complicaties, restverschijnselen, exacerbaties, remissies en recidieven. Je kunt uitleggen waarom het einde van een ziekte niet hoeft te betekenen dat de zorgvrager (volledig) hersteld is.
Ziekten kunnen op verschillende manieren beginnen. Soms ontstaat een ziekte plotseling en soms duurt het enkele maanden voordat duidelijk sprake is van een ziekte. Het verloop van een ziekte kent grote verschillen. Griep verloopt vaak kort en heftig, waarna volledig herstel volgt, andere ziekten zoals reumatoïde artritis kennen een jarenlang slepend verloop waarbij het herstel beperkt is. Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende vormen van ziekteverloop en de daarbij behorende begrippen.
VA N KWA A D TOT ERG ER Hans van Zomeren is 27 jaar als hij, zonder directe aanleiding, ineens minder goed ziet met zijn linkeroog. Het blijkt een acuut opgetreden neurologische afwijking te zijn. Drie maanden later kan hij weer gewoon zien, maar dan gaat zijn linkerarm prikkelen. Ook dat gaat over, maar na twee maanden komen de prikkelingen heviger terug. Na uitgebreid neurologisch onderzoek stelt de neuroloog de diagnose multipele sclerose (MS). Inmiddels heeft Hans last van extreme vermoeidheid, loopt hij moeilijk en ziet hij de hele dag alles dubbel. De neuroloog legt uit dat MS een chronische ziekte van het zenuwstelsel is, waarbij periodes van verergering en vermindering van de verschijnselen elkaar afwisselen.
Een paar jaar later kan Hans zijn werk als gemeentesecretaris niet goed meer doen en ook thuis kan hij steeds minder. Uiteindelijk belandt hij op 55-jarige leeftijd in een rolstoel. De achteruitgang zet door en op 66-jarige leeftijd is hij volledig bedlegerig. Ondanks voorzorgsmaatregelen ontstaan complicaties als decubitus en trombose. Hij heeft last van terugkerende urineweg infecties en krijgt longontsteking. In de herstelfase van de longontsteking is een kwaadaardige tumor in de hersenen ontdekt. De prognose is slecht, aangezien de tumor niet te genezen is. De behandeling richt zich alleen nog op het verlichten van de klachten. Hans gaat hard achteruit en wordt een terminale patiënt. Drie maanden later overlijdt hij.
28
Ziekteverloop
2.1 Ontstaan van een ziekte
2
Niet in alle gevallen treden na een besmetting duidelijk herkenbare ziekteverschijnselen op. Soms maken mensen de infectie in zeer lichte mate door. Zij voelen zich hooguit enkele dagen tot een week minder goed. Afgezien van wat moeheid en enkele vage lichamelijke klachten merken zij absoluut niet dat zij in geringe mate een infectie doormaken. In die gevallen is sprake van een subklinische infectie. In de aanloopperiode van een niet-acuut verlopende ziekte zijn er vaak vage verschijnselen van je niet lekker voelen. Onduidelijk is welke ziekte aanwezig is, maar het duidt wel op een dreigend gevaar. Deze verschijnselen heten prodromen. De prodromen van een naderende griep zijn onder andere een algeheel vermoeid gevoel, rillerigheid, hoofdpijn en spierpijn verspreid over het gehele lichaam. De prodromen van een leverontsteking (hepatitis) zijn vermoeidheid, minder eetlust, malaisegevoel en hoofdpijn. Een ziekte met een chronisch karakter kenmerkt zich door een langzaam en sluipend begin. Een enkele keer kan een chronische ziekte na jaren genezen, maar meestal blijft de ziekte de rest van het leven aanwezig. In het algemeen verloopt een chronische ziekte minder heftig dan een acuut ziektebeeld, maar toch kunnen de verschijnselen in de loop van de tijd ernstig zijn. Dat is ook niet zo verwonderlijk, omdat een ziekteproces in de loop van de tijd steeds meer schade aan het lichaam kan aanrichten. Vaak leidt dat tot functieverlies of invaliditeit die min of meer blijvend is. Voorbeelden van een chronisch verlopende ziekte zijn onder andere chronische reumatoĂŻde artritis, diabetes mellitus, chronische bronchitis, COPD, de ziekte van Parkinson en dementie.
De manier waarop een ziekte begint en verloopt, bepaalt hoe patiĂŤnt en arts ermee omgaan. Een ziekte kan vrij onverwacht of heel geleidelijk beginnen. Een ziekte met een acuut karakter kent een plotseling begin van de ziekteverschijnselen. Iemand voelt zich in zeer korte tijd, soms binnen enkele minuten of uren, onwel worden. Voorbeelden hiervan zijn een hartinfarct, migraine, griep, longontsteking en blindedarmontsteking. Bij Hans gaat acuut het gezichtsvermogen van zijn linkeroog achteruit. De meeste infecties zijn voorbeelden van acuut optredende ziekten. Voordat iemand een infectie krijgt, moet hij een besmetting hebben opgelopen. Dat is het moment waarop de ziekteverwekkers het lichaam zijn binnengedrongen. Wanneer je in de directe omgeving verblijft van iemand die erg verkouden is, loop je grote kans door het hoesten en niezen van de ander besmet te raken met het virus. Op dat moment merk je daar niets van. Pas na enkele dagen word je zelf verkouden. Eerst neemt het aantal ziekteverwekkers toe in het lichaam van de besmette persoon. Hoe lang dat duurt verschilt per infectie. De periode tussen besmetting en ziek worden is de incubatietijd. Als deze periode voorbij is, ontstaan de echte ziekteverschijnselen en is er sprake van een infectie.
E E N LOGEER PARTIJTJE M ET GEVOLGEN Kees is erg moe, heeft weinig eetlust en klaagt over hoofdpijn. Gisteren kreeg hij plotseling hoge koorts en nu ziet hij een beetje geel. Kees is drie weken geleden uit logeren geweest bij zijn vriend Joost. De moeder van Kees hoorde enkele dagen geleden toevallig dat het zusje van Joost geelzucht heeft en dat deze Tineke, toen Kees daar logeerde, dezelfde klachten had als Kees op dit moment. Tineke bleek een infectie te hebben met het hepatitis A-virus. En Kees? Ook Kees heeft geelzucht!
2.2 Verloop van een ziekte Niet altijd verlopen ziekten volgens hetzelfde patroon. Door bijzondere omstandigheden kan het ziekteverloop sterk afwijken. Dergelijke uitzonderingen maken het voor een arts moeilijk het verloop van de ziekte goed in te schatten. Tijdens een ziekte kan bijvoorbeeld een nieuw 29
2
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
probleem optreden, waardoor het verloop van de ziekte verandert. Dat is een complicatie. Bij een onschuldige neusverkoudheid kan als complicatie een acute middenoorontsteking ontstaan. Bij trombose in een beenader kan een stukje van het bloedstolsel losraken en via de bloedvaten in de longen terechtkomen, met als complicatie een longembolie. Als complicatie van een hartinfarct kan een ernstige stoornis in het hartritme optreden. Van vele ziekten zijn de complicaties bekend en wordt alles in het werk gesteld om ze te voorkomen. We zagen dat een acute ziekte een kort en heftig verloop heeft. Binnen enkele dagen tot weken kan de acute toestand van de patiënt verbeteren. Er kan volledige genezing optreden, maar dat is niet altijd het geval. Het verloop van een ziekte is soms zo heftig en er kan zoveel schade zijn toegebracht, dat iemand kort na het begin van de ziekte overlijdt. Wanneer een ziekte zeer snel tot ernstige gevolgen of de dood leidt, is er sprake van een foudroyant ziekteverloop. Voorbeelden van acuut optredende ziekten met een foudroyant verloop zijn een hartaanval (myocardinfarct), een longontsteking (pneumonie), hersenvliesontsteking (meningitis) en een buikvliesontsteking (peritonitis). Soms gaat een acute ziekte over in een chronische vorm. In de meeste gevallen geneest een acute ontsteking van de keelamandelen binnen een week, maar als er tijdens de acute fase bacteriën uit de keelamandelen in de bloedbaan terechtkomen, kan een acute ontsteking van een hartklep (endocarditis) ontstaan: een complicatie. Die acute ontsteking van de hartklep geneest binnen
enkele weken, maar kan wel kleine littekens in de hartklep overlaten. Als vele jaren later die littekens in de hartklep gaan schrompelen, kunnen klachten van benauwdheid en vermoeidheid ontstaan doordat de hartklep niet meer goed kan sluiten en gaat lekken. Op deze manier kan een chronische ziekte ontstaan uit een acute ziekte. Soms blijven enkele klachten bestaan: dat zijn de restverschijnselen. Daardoor is het functioneren in lichte of ernstige mate belemmerd. Zo houdt een deel van de mensen na een hersenbloeding restverschijnselen in de vorm van verlammingen en spraakstoornissen. Na de amputatie van een arm of been kan een patiënt last blijven houden van pijn in het geamputeerde deel van zijn lichaam. Hoewel het afgezette been er niet meer is, ervaart de patiënt geweldige pijn of jeuk in dat been. Deze fantoompijn is een restverschijnsel van de amputatie. Een chronische ziekte verloopt nogal eens met schommelingen. Na een rustige fase in het ziekteproces, waarbij de patiënt weinig opvallende klachten heeft, kunnen de ziekteverschijnselen opeens verergeren; dat heet een exacerbatie van de ziekte. Een reumapatiënt kan na enkele rustige maanden plotseling weer een toename van ontstekingen in de gewrichten krijgen. Iemand met een chronische bronchitis kan in het voorjaar en in de zomer weinig last hebben van zijn ziekte, maar door het vochtige weer in het najaar plotseling meer gaan hoesten en zich toenemend benauwd voelen. Het tegenovergestelde is ook mogelijk. Een chronische ziekte kan plotseling in een rustiger fase
acuut ziektebeeld
chronische ziekte
(heftigheid) ernst klachten
weken
maanden
Figuur 2.1 Grafiek van het beloop van een acute en een chronische ziekte 30
duur
© Tekenbureau Frans Hessels
Ziekteverloop
2
2.3 Einde van een ziekte
overgaan, waarbij sprake is van een vermindering van de verschijnselen zonder dat de ziekte in zijn geheel verdwijnt. Dan is een remissie opgetreden. Iemand die lijdt aan de ziekte multipele sclerose heeft na enkele maanden plotseling minder last van zijn evenwichtsstoornissen, kan beter lopen en beter voorwerpen vastpakken. Een ander voorbeeld is een patiĂŤnt met schizofrenie, die na enkele maanden psychotisch gedrag in een rustige fase komt en weer normaal op zijn omgeving reageert. Omdat het chronische ziekten betreft, is er waarschijnlijk slechts sprake van tijdelijke vermindering van verschijnselen. Een remissie kan compleet zijn (volledig herstel) of partieel (gedeeltelijk herstel). Bij de behandeling van kanker is het begrip complete remissie belangrijk; bij complete remissie is de groei van het gezwel onder controle en daarmee ook de eventuele gevolgen van die groei. De ziekte is bedwongen en de kans dat de kanker terugkeert is gering.
Je kunt een voorzichtige voorspelling doen over het verdere verloop van de ziekte, de prognose. De prognose is afhankelijk van de ziekte en de reactie van de patiĂŤnt op de behandeling. Reageert de patiĂŤnt goed op de behandeling, dan is de prognose gunstig en is de verwachting dat binnen korte tijd herstel optreedt. Als duidelijk is dat een ziekte zeer ernstig is en behandeling niet meer helpt, dan is er sprake van een slechte afloop of infauste prognose. Gelukkig herstellen de meeste mensen volledig van een ziekte. Er is dan sprake van genezing. Soms laat het herstel enige tijd op zich wachten. Afhankelijk van de ernst en de duur van de ziekte is daarvoor nog wel een bepaalde periode nodig. Deze periode heet de reconvalescentiefase. In deze herstelfase heb je vaak nog wel enkele vage klachten, zoals moeheid, spierklachten, minder eetlust, meer slaapbehoefte, geen zin om te werken en prikkelbaarheid.
O P N IEU W ZIE K Mevrouw Aartsen heeft een darmontsteking. Zij slikt sinds zes weken medicijnen ervoor, die de internist heeft voorgeschreven. Het ging redelijk goed, maar sinds een week heeft ze weer buikkrampen, diarree en bloed bij de ontlasting en in steeds grotere mate. Zij voelt zich met de dag zieker.
ZO MOE Jolanda Bakker van 17 jaar heeft de ziekte van Pfeiffer gehad. Zij heeft vier weken lang alle lessen moeten verzuimen. Nu is de koorts weg en vermindert de pijn in de gezwollen lymfeklieren. Zij kan weer een deel van de lessen volgen, maar is nog snel vermoeid en heeft veel behoefte aan slaap.
Ook na volledige genezing kunnen dezelfde klachten na enige tijd terugkomen. Het kan dan gaan om dezelfde ziekte. Sommige ziekten komen bij bepaalde mensen meerdere keren in hun leven terug, soms met korte en soms met lange tussenpozen. Wanneer een ziekte helemaal genezen is en na enige tijd weer terugkeert, is sprake van een herhaling of een recidief. Voorbeelden van ziekten die nog wel eens recidiveren, zijn urineweginfecties en huidinfecties. Soms nemen het aantal en de ernst van de ziekteverschijnselen toe. Er is dan sprake van een progressief verloop van de ziekte.
Bij sommige ziekten raakt het lichaam ernstig beschadigd. Ook dan kan het lichaam nog gedeeltelijk herstellen, al zal dat soms langere tijd duren en kunnen er restverschijnselen zijn. Na een ingrijpende darmoperatie moet de spijsvertering herstellen en kan iemand misschien niet alles meer eten. Na ernstige brandwonden kunnen uitgebreide littekens overblijven en bij reuma kan verstijving van gewrichten optreden, waardoor iemand zijn gewrichten niet meer zo goed kan bewegen als voorheen. Al deze ziekten vragen om een langere herstelperiode en genezen niet restloos, maar er is een functioneel herstel te 31
2
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
behalen. De professionele behandeling om tot een functioneel herstel op lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk gebied te komen, heet revalidatie. Het einde van een ziekte betekent dus niet altijd dat de patiënt helemaal hersteld is. Bij een chronisch verlopende ziekte is er niet echt sprake van genezen. In de rustige fase van de ziekte kan iemand zich aanpassen aan de omstandigheden en redelijk functioneren. Zowel een acute als een chronische ziekte kunnen in een stadium komen
waarin genezing niet meer mogelijk is. Het einde van een ziekte betekent in sommige gevallen dat de patiënt op niet al te lange termijn zal overlijden. De patiënt komt in de laatste fase van zijn ziekteproces, de terminale fase. De levensverwachting is dan nog enkele weken tot hooguit drie maanden. Alle orgaanfuncties gaan langzaam maar zeker achteruit. De algemene toestand verslechtert tot uiteindelijk de dood volgt.
SA M E N VAT T I N G Het ontstaan van een ziekte kan sterk variëren, van acuut tot chronisch. Tijdens een ziekte kunnen zich allerlei situaties voordoen waardoor het verloop van een ziekte verandert. Voorbeelden zijn complicaties, restverschijnselen, exacerbaties, remissies en recidieven. Afhankelijk van de prognose zal in de reconvalescentieperiode herstel optreden. Soms is herstel alleen te bereiken met revalidatie. Is een progressieve ziekte niet meer te genezen, dan zal de patiënt op den duur in de terminale fase komen en overlijden.
32
Ziekteoorzaken
Ziekteoorzaken 3 LEERDOELEN
• • • • • •
Je kunt uitleggen wat endogene en exogene oorzaken van ziekte zijn en hoe deze elkaar kunnen beïnvloeden. Je kunt uitleggen op welke drie manieren erfelijke ziekten kunnen overerven. Je kunt toelichten wat prenataal en perinataal ontstane niet-erfelijke afwijkingen zijn aan de hand van voorbeelden. Je kunt uitleggen wat mechanische, fysische, chemische en biologische oorzaken van ziekte zijn. Je kunt toelichten hoe verkeerde voeding, allergieën en nieuwvormingen ziekte kunnen veroorzaken. Je kunt uitleggen op welke manieren psychische en sociale oorzaken kunnen leiden tot ziekte.
De oorzaken van ziekte zijn in twee hoofdgroepen onder te verdelen. Inwendige of endogene ziekteoorzaken zijn ziekmakend van binnenuit. Hiertoe behoren de aangeboren afwijkingen. Aangeboren afwijkingen ontstaan door een afwijkende aanleg of afwijkende ontwikkeling tijdens zwangerschap en geboorte. Uitwendige of exogene ziekteoorzaken zijn ziekmakend van buitenaf. Dit zijn invloeden vanuit de directe omgeving van de mens en vormen de grootste groep ziekteoorzaken. Inwendige en uitwendige oorzaken kunnen elkaar beïnvloeden. Een aangeboren stofwisselingsstoornis (inwendige oorzaak) kan de algehele gesteldheid verzwakken. Dit maakt het lichaam kwetsbaarder, waardoor invloeden van buitenaf makkelijker op het lichaam kunnen inwerken en tot ziekte kunnen leiden. Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende ziekteoorzaken.
N IET ZOMA A R EEN Z IEKTE Anton, 37 jaar, vergeet de laatste tijd veel en heeft moeite zich te concentreren. Het is zo ernstig dat hij op zijn werk niet meer kan functioneren. Onderzoek leidt tot een schrikbarende conclusie: Anton heeft de ziekte van Huntington. Een dominant erfelijke aandoening waarbij de kans dat zijn kinderen de ziekte ook hebben 50% is.
Anton heeft twee kinderen. Navraag binnen zijn familie leert dat deze ziekte inderdaad in zijn familie voorkomt. Anton en zijn vrouw Inge vertellen het aan hun kinderen van 14 en 16 jaar oud. Het leven van het gezin verandert drastisch. Anton gaat sterk achteruit, krijgt last van onwillekeurige bewegingen in armen en benen, gaat verstandelijk achteruit, is 33
3
3
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
overgevoelig voor prikkels uit zijn omgeving en raakt in toenemende mate hulpbehoevend. Zijn kinderen vragen zich af of zij zich ook moeten laten testen op Huntington. De angst voor de uitslag en de mogelijke gevolgen zijn zo groot dat zij voorlopig geen actie ondernemen. Voor Carlijn, de oudste dochter, is deze geestelijke belasting zo groot dat zij in een depressie raakt. Anton wordt op 48-jarige leeftijd opgenomen in een verpleeghuis. Zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid zijn zo slecht dat hij meerdere keren een longontsteking doormaakt. Door zijn geloofsovertuiging is euthanasie geen optie. De derde keer is de longontsteking zo ernstig dat Anton aan de gevolgen ervan overlijdt.
ting aanwezig. Dat de ziekte er is, zie je pas later: gedurende de verdere ontwikkeling van het kind of zelfs pas op volwassen leeftijd. Voorbeelden van erfelijke ziekten zijn spierdystrofie (ziekte van Duchenne), bloederziekte (hemofilie), taaislijmziekte (cystische fibrose), fenylketonurie (PKU) en afwijkingen in de vetstofwisseling, zoals een te hoog cholesterolgehalte. Bij erfelijke aandoeningen is de afwijking gelegen in een bepaald onderdeel van een chromosoom, het gen. Genen worden van generatie op generatie doorgegeven. Dat gebeurt op verschillende manieren. Na de bevruchting zijn in de cellen van het kind eigenschappen van beide ouders aanwezig, ook eigenschappen die mogelijk leiden tot een ziekte of afwijking. Maar niet ieder kind wordt ziek. Of een afwijking zich openbaart, is afhankelijk van de genafwijking en de plaats van het gen op het chromosoom. Sommige ziekten komen naar buiten als je de eigenschap van die ziekte van een van je ouders erft. In de meeste gevallen moet het kind de eigenschap van beide ouders erven om aan de ziekte of afwijking te gaan lijden. Er zijn drie soorten overerving: dominante overerving, recessieve overerving en geslachtsgebonden overerving.
3.1 Ziekte door inwendige oorzaken Tijdens de aanleg of ontwikkeling van het lichaam kan een stoornis optreden die vroeger of later tot een ziekte kan leiden. Bij aangeboren of congenitale afwijkingen kan het gaan om: • genetische oorzaken: erfelijke afwijkingen; • prenatale oorzaken: niet-erfelijke afwijkingen, ontstaan tijdens de zwangerschap; • perinatale oorzaken: niet-erfelijke afwijkingen, ontstaan rond de geboorte van het kind.
Dominante overerving Bij dominante overerving is de afwijking overheersend. Wanneer het kind het gen van een van de ouders erft, zal het kind deze afwijking vertonen. Als het kind het gen niet erft, heeft het kind de afwijking niet. Is een afwijkende eigenschap dominant, dan bestaat dus bij elke zwangerschap een kans van 50% dat het kind deze afwijking krijgt. Een typisch voorbeeld van een ziekte met een dominante overerving is de ziekte van Huntington.
3.1.1 Erfelijke ziekten Ouders geven erfelijke ziekten of afwijkingen door aan hun kinderen. Dat heet overerven. De aanleg voor het krijgen van de ziekte is vanaf de bevruch-
Tabel 3.1 Dominante overerving van de ziekte van Huntington G = gen gezond; H = dominant gen Huntington vader heeft Huntington, moeder is gezond
H
G
G
HG (Huntington)
GG (gezond)
G
HG (Huntington)
GG (gezond)
kans op Huntington (HG) = 50%
34
Ziekteoorzaken
3
Tabel 3.2  Recessieve overerving G = gen gezond; Z = recessief gen ziekte vader (is drager), moeder (is drager)
Z
G
Z
ZZ (ziekte)
ZG (drager ziekte)
G
ZG (drager ziekte)
GG (gezond)
kans op ziekte (ZZ) = 25%
Recessieve overerving De eigenschap is ondergeschikt en leidt alleen tot de afwijking als beide ouders de recessieve eigenschap aan hun kind meegeven. In deze situatie is bij een zwangerschap een kans van 25% aanwezig dat het kind de afwijking heeft. Ziekten als fenylketonurie (PKU), cystische fibrose en albinisme (pigmentstoornis) zijn voorbeelden van ziekten met een recessieve overerving.
natale en perinatale oorzaken van niet-erfelijke aangeboren afwijkingen. Prenataal ontstane niet-erfelijke afwijkingen We spreken van prenatale oorzaken bij niet-erfelijke afwijkingen die zijn ontstaan tijdens de zwangerschap. Embryonale fase In de embryonale fase vindt de aanleg plaats van alle organen en treden miljoenen celdelingen op. In perioden waarin cellen zich snel delen, zijn ze erg kwetsbaar en gevoelig voor schadelijke invloeden. Juist in deze periode kan een embryo beschadigingen oplopen door infecties, rĂśntgenstraling, medicijnen en giftige stoffen. De schade is soms zo groot dat de vrucht niet levensvatbaar is en de zwangerschap eindigt in een miskraam. Minder ingrijpende stoornissen ontstaan tijdens de verdere zwangerschap. Bij de geboorte of later in de ontwikkeling blijkt dan een afwijking aanwezig te zijn. Sommige beschadigingen zijn na de geboorte te verhelpen, zoals een schisis, een vernauwing in de darm of een aangeboren hartafwijking. Helaas komen ook beschadigingen voor die niet te herstellen zijn, zoals spina bifida (open ruggetje), anencefalie (het ontbreken van een deel van de hersenen en het schedeldak) en oog- en oorafwijkingen.
Geslachtsgebonden overerving De afwijking bevindt zich op een van de X-chromosomen. Een voorbeeld daarvan is de bloederziekte of hemofilie, een X-gebonden recessieve ziekte. Omdat bij de man (XY) het X-chromosoom slechts enkel aanwezig is, met daarnaast een Y-chromosoom, openbaart de ziekte zich alleen bij de jongetjes. Komt het X-chromosoom met de afwijking erop bij een meisje voor, dan is zij drager van de afwijkende eigenschap. Zij kan later deze afwijkende eigenschap doorgeven aan haar eigen kinderen. Andere voorbeelden van geslachtsgebonden ziekten zijn de ziekte van Duchenne (spierziekte) en kleurenblindheid.
3.1.2 Aangeboren niet-erfelijke afwijkingen Tijdens de zwangerschap kan het ongeboren kind, de vrucht, beschadigen, maar ook tijdens de bevalling kan het kind schade oplopen. Ook straling is een schadelijke prikkel voor de vrucht. Medicijnen, alcohol en drugs die de zwangere gebruikt, kunnen de vrucht beschadigen doordat ze via de placenta bij de vrucht kunnen komen. Ook een infectieziekte kan schadelijk zijn. Een gestoorde aanleg uit zich dan bijvoorbeeld als een open ruggetje, een hartafwijking of een schisis. Er is dus een onderscheid te maken tussen pre-
Foetale fase Vanaf de twaalfde week in de zwangerschap tot aan de geboorte heet het ongeboren kind een foetus. Deze periode is de foetale fase. Hoewel alle organen van het kind in aanleg helemaal aanwezig zijn, heeft het kind nog vele maanden nodig om zich verder te ontwikkelen tot het rijp genoeg is om geboren te worden en zelfstandig te kunnen leven. 35
3
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
Figuur 3.1 Schisis
Perinataal ontstane niet-erfelijke afwijkingen We spreken van perinatale oorzaken bij niet-erfelijke afwijkingen die zijn ontstaan tijdens de bevalling. Een geboorte is een ingrijpend proces. Het kind moet met zijn hoofd een doorgang maken en wordt door sterke samentrekkingen van de baarmoeder door de baarmoedermond en de schede naar buiten geperst. Op het hoofd werken enorme krachten in. Tijdens de bevalling kan in het hersenweefsel dan ook gemakkelijk een beschadiging ontstaan, bijvoorbeeld als het baringsproces te lang duurt. Tijdens de samentrekkingen van de baarmoeder wordt de bloeddoorstroming van de placenta minder. Een langdurige ontsluiting met sterke weeën belemmert dan de zuurstoftoevoer naar het kind. Vooral de zenuwen in de hersenen hebben voortdurend zuurstof nodig. Een zuurstoftekort van een paar minuten leidt al tot een ernstige beschadiging en soms zelfs tot de dood. Soms ontstaan door de enorme druk op de schedel tijdens de baring bloedingen in de hersenen met het risico op blijvend hersenletsel. Vooral bij een te nauw bekken van de moeder en bij een kunstverlossing (tang- of vacuümverlossing) is de kans op letsel en bloedingen in de schedel extra groot. Een hersenbeschadiging die door letsel bij de geboorte is ontstaan, heet een infantiele encefalopathie. Dat is een neurologische stoornis door een geboortetrauma. Zenuwcellen zijn namelijk erg gevoelig voor zuurstoftekort en sterven na enkele minuten al af. De gevolgen zijn merkbaar aan de groei en het gedrag van het kind. Dat kan een trage motorische ontwikkeling zijn, verhoogde spierspanning (spastische verlamming), slikstoornissen of een vertraagde of niet op gang komende spraakontwikkeling. Vaak blijkt er sprake te zijn van epilepsie. De hersenen kunnen ook in de eerste levensdagen beschadigd raken. Zo’n beschadiging kan ontstaan door: • steeds terugkerende lage bloedsuikerspiegels of hypoglykemie. Dit komt voor bij te vroeg geboren kinderen, maar ook bij kinderen die
© Shutterstock / malost
De duur van de zwangerschap bepaalt de rijpheid van de foetus. Hoe langer de zwangerschap, hoe beter de organen zijn ontwikkeld. Vóór de 24e week van de zwangerschap kunnen de organen nog niet zelfstandig functioneren. Na een zwangerschap van 25 weken is zelfstandig leven wel mogelijk, maar alleen na een lange periode van begeleiding in een couveuse. Schadelijke prikkels voor de foetus zijn: • infecties bij de moeder. Ziektekiemen kunnen via de placenta bij de vrucht komen en daar letsel veroorzaken. Dit is bekend van rode hond, mazelen, bof, griep, lues (syfilis), toxo plasmose, herpes simplex en aids; • radioactieve straling en röntgenstraling. Vooral snel delende weefsels als darmen, geslachtsorganen en bloed zijn erg gevoelig voor straling; • medicijnen en chemische stoffen die via de placenta van de moeder bij het kind komen. Zo kan fenytoïne, een anti-epileptisch middel, de kans op een hartafwijking sterk doen toenemen; • toxische (giftige) stoffen. Dit zijn bijvoorbeeld heroïne, cocaïne, alcohol, koolmonoxide (roken!) en zware metalen als lood, kwik en cadmium; • te hoog of te laag bloedsuikergehalte van de moeder. Bij zwangerschapsdiabetes bestaat een risico op schade in organen of groeistoornissen bij de foetus; • toxicose of zwangerschapsvergiftiging. Dit veroorzaakt een stoornis in de bloedvoorziening van de placenta met gevolgen voor groei en ontwikkeling van de foetus. 36
Ziekteoorzaken
•
•
zijn geboren na een te lange zwangerschap (overdragen kinderen) en bij kinderen van moeders met suikerziekte; een ernstige vorm van geelzucht na de geboorte. Het gehalte aan bilirubine in het bloed kan zo sterk stijgen dat de hersenen beschadigd raken (kernicterus); infecties kort na de geboorte. Deze kunnen het gevolg zijn van een te lange bevalling of van een besmetting in het geboortekanaal.
3
in de overgang is de oorzaak van osteoporose de verminderde productie van oestrogenen.
3.2.1 Mechanische oorzaken Op het lichaam inwerkende krachten bij een trauma leiden tot een verwonding of letsel. Deze verwonding is meestal waar te nemen op de plaats waar de krachten inwerken op het lichaam. Voorbeelden van dergelijke letsels zijn: • snijwonden, scheurwonden, schotwonden; • weefselscheuring (ruptuur); • kneuzingen (contusie); • botbreuken (fracturen); • bloedingen; • ontwrichtingen (luxatie).
3.1.3 Predispositie Bij een zekere aanleg voor een ziekte spreken we van predispositie. In de genen is de aanleg voor een ziekte al aanwezig. Dat wil niet zeggen dat iedereen dan ook de ziekte krijgt. Onder invloed van bepaalde uitwendige prikkels of door bijzondere omstandigheden komt de ziekte pas later in het leven tot ontwikkeling.
3.2.2 Fysische oorzaken We spreken van fysische oorzaken bij de schadelijke invloed op het lichaam van een natuurkundig verschijnsel, zoals temperatuur, geluid, elektriciteit, straling en luchtdruk.
3.2 Ziekte door uitwendige oorzaken
Temperatuur Bij een gemiddelde lichaamstemperatuur van 37 graden Celsius (oC) functioneren allerlei fysiologische processen in het lichaam optimaal. Langdurige blootstelling aan hogere omgevings temperaturen zorgt voor een stijging van de gemiddelde lichaamstemperatuur. Als het lichaam de warmte niet aan de omgeving kan afgeven, stijgt de lichaamstemperatuur (warmtestuwing) en bestaat het gevaar dat het lichaam oververhit raakt. Blijft deze situatie voortbestaan, dan kunnen de hersenen beschadigd raken en kan iemand zelfs in coma raken (hitteberoerte). Door verbranding kan ernstig letsel ontstaan van de huid en de slijmvliezen van de luchtwegen. Dit geeft direct infectiegevaar. Later kan functieverlies van lichaamsdelen ontstaan door littekenvorming, bijvoorbeeld een dwangstand (contractuur) van een ledemaat. Blootstelling aan extreem lage omgevingstemperaturen kan leiden tot onderkoeling. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren bij drenkelingen, bergbeklimmers en zwervers die op slecht beschutte
Iedere dag komen mensen in contact met allerlei prikkels uit de directe omgeving. Die prikkels kunnen een gezond mens ziek maken. Soms reageert het lichaam direct, maar van de meeste invloeden die op het lichaam inwerken merken wij helemaal niets. Pas als we ons ziek voelen, blijkt dat er in de afgelopen tijd iets met ons lichaam gebeurd moet zijn. Bij uitwendige oorzaken van ziekte spelen mechanische, fysische of chemische factoren een rol, maar ook verkeerde voeding. Ook kunnen biologische of allergische factoren een rol spelen, of nieuwvormingen, of psychische en sociale factoren. Soms is er één oorzaak aan te wijzen, maar vaker is ziekte het gevolg van een samenspel van meerdere factoren, multicausaliteit genoemd. Meestal is dan wel één factor als hoofdoorzaak aan te wijzen. Een voorbeeld is osteoporose (botontkalking). Osteoporose kan bij vrouwen ontstaan door een combinatie van voedingstekorten, onvoldoende kalkopbouw van het skelet, te weinig bewegen en de overgang. Bij vrouwen 37
3
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
plaatsen overnachten. In extreme gevallen leiden lage temperaturen tot bevriezing van delen van het lichaam, soms zo ernstig dat operatief ingrijpen nodig is, soms zelfs met amputatie van lichaamsdelen.
ontstaat. Het gebruik van een lasbril voorkomt lasogen. In de medische wereld wordt veel gewerkt met röntgenstraling (bijvoorbeeld voor het maken van röntgenfoto’s). Röntgenstralen hebben een zeer korte golflengte en kunnen diep in het lichaam doordringen, waardoor de huid beschadigt en ernstige ontstekingen kunnen ontstaan. Van daaruit kan later zelfs huidkanker ontstaan. Ook radioactieve stralen dringen diep in het lichaam door. Bij langdurige blootstelling raakt gezond weefsel beschadigd en kan kanker ontstaan. Er zijn dan ook strenge wettelijke eisen gesteld aan het werken met radioactiviteit. Contact met kleine hoeveelheden radioactieve straling merk je niet en is daarom des te gevaarlijker. Radioactieve straling wordt vooral gebruikt om snelgroeiende kwaadaardige cellen bij kanker te doden (radiotherapie).
Geluid Kortdurende blootstelling aan harde geluiden doet pijn aan je oren. Wanneer gedurende langere tijd een te sterke geluidsprikkel inwerkt op het gehoororgaan ontstaat een blijvende beschadiging van het oor, lawaaidoofheid genoemd. Elektriciteit Als er elektriciteit door je lichaam gaat, spreek je van een stroomongeval. De elektriciteit kan de weefsels van je lichaam beschadigen. De omvang van de schade hangt af van de stroomsterkte (ampère) die door de weefsels gaat en de weg die de stroom door het lichaam neemt. Een licht stroomongeval kan leiden tot brandwonden en tijdelijke verlammingen. Een zwaar stroomongeval kan hersenbeschadigingen veroorzaken, met coma en verlammingen als gevolg. Ook kan een acute hartstilstand optreden of een dodelijke hartritmestoornis (kamerfibrilleren).
Luchtdruk De gemiddelde luchtdruk op aarde bedraagt 1 atmosfeer. Bij deze druk kan de mens normaal ademhalen en in zijn zuurstofbehoefte voorzien. Bij snelle wisselingen van de luchtdruk komt de mens in de problemen met zijn ademhaling. Problemen met de luchtdruk ontstaan op grote hoogte en op grote diepte (onder water). Voorbeelden daarvan zijn de hoogteziekte en de ziekte van Caisson (duikersziekte).
Straling Ultraviolette straling (uv), röntgenstraling en radioactieve straling beschadigen bij langdurige blootstelling de weefsels van het lichaam. Uv-straling verhoogt de temperatuur in de huid. Na enige tijd kleurt de huid rood; dan spreek je van een (eerstegraads) verbranding. Daarnaast verhoogt langdurige blootstelling aan intensieve uv-straling het risico op het ontstaan van huidkanker. Ook ogen zijn gevoelig voor uv-straling. Zo krijg je pijnlijke ogen en vermindert je gezichtsvermogen als je langdurig in de zon tuurt, of naar een witte vlakte waar de zon op schijnt. Denk aan witte muren, maar ook aan sneeuwvlakten natuurlijk, waar deze sneeuwblindheid zijn naam aan te danken heeft. Een goede zonnebril kan dit leed gelukkig voorkomen. Bij het lassen met een autogeen lasapparaat kan het felgekleurde licht de buitenste laag van de ogen verbranden, waardoor een pijnlijke ontsteking van het hoornvlies
3.2.3 Chemische oorzaken Chemische stoffen kunnen zowel aan het oppervlak als in het inwendige van het lichaam schade aanrichten. Voorbeelden zijn: • lood, kwik en cadmium (zware metalen) en geneesmiddelen; • alcohol en drugs; • vloeistoffen, zoals zuren en logen (schoonmaakmiddelen). Als deze stoffen inwerken op de oppervlakkige weefsels, zoals de huid en de slijmvliezen, treedt plaatselijk beschadiging op. In schoonmaakmiddelen zitten vaak zuren en logen. Sterke zuren en logen hebben op het oppervlak van het weefsel 38
Ziekteoorzaken
een etsende werking. Het weefsel gaat er anders uitzien doordat er water aan het weefsel wordt onttrokken en de eiwitten in het weefsel neerslaan. De functie van het weefsel raakt erdoor verstoord. Etsende stoffen die in het oog terechtkomen, verbranden het hoornvlies, dat helemaal mat wit uitslaat waardoor blindheid ontstaat. Zoutzuur is een sterk zuur dat in contact met de huid door deze etsende werking wonden en blaren veroorzaakt. Het gebruik van grote hoeveelheden medicijnen of een sterke dosering van een geneesmiddel kan leiden tot vergiftiging (intoxicatie). Dat komt vooral voor bij ouderen. Hun lever en nieren werken minder goed, waardoor de bloedspiegels van medicijnen te hoog kunnen worden. Het is vooral belangrijk om de spiegels van digitalis, lithium en middelen tegen epilepsie scherp te controleren. Aan alcohol en drugs zoals cocaïne en heroïne kun je niet alleen verslaafd raken, maar je kunt er ook een vergiftiging van oplopen. Dat hangt onder meer af van de hoeveelheid die je gebruikt en hoe vaak dat gebeurt. Vooral alcoholgebruik onder jongeren (12-17 jaar) is de laatste jaren toegenomen en kent excessen als comazuipen (bewusteloos raken door alcoholgebruik) en bingedrinken (snel achter elkaar vijf of meer glazen alcohol innemen). Het Trimbos Instituut meldt dat er in 2017 860 kinderen en jongeren met een overdosis alcohol in het ziekenhuis zijn opgenomen. Het risico op blijvende schade aan de hersenen is hierbij aanzienlijk.
3
Is het lichaam zelf de oorzaak van een geleidelijk optredende vergiftiging, bijvoorbeeld bij een falende werking van lever en nieren, dan is sprake van auto-intoxicatie. De afvalstoffen van de stofwisseling worden niet voldoende afgebroken of uitgescheiden, hopen zich op in het bloed en maken het lichaam ziek. Voorbeelden zijn hepatisch coma bij ernstige levercirrose en uremie bij ernstige nierinsufficiëntie.
3.2.4 Verkeerde voeding Zowel stoffen in de voeding als voedingsgewoonten kunnen ziekte veroorzaken. Ondervoeding In landen waar te weinig voedsel is, dreigt het lichaam door een tekort aan bouwstoffen in een slechte voedingstoestand te raken. Ook bij langdurig eenzijdige voeding treedt ondervoeding op. In dat geval ontbreken veelal de essentiële voedingsstoffen, zoals aminozuren, vitaminen, sporenelementen, mineralen en zouten (deficiënties). Deze essentiële voedingsstoffen zijn onmisbaar voor een gezond lichaam. Bij ondervoeding ontstaan deficiëntieziekten. IJzer is bijvoorbeeld onmisbaar voor de vorming van hemoglobine in de rode bloedcellen: bij ijzertekort is de bloed aanmaak verstoord en treedt bloedarmoede op. Een gebrek aan kalk en fosfor leidt tot verzwakking van de botten en veroorzaakt rachitis (Engelse ziekte). Een tekort aan vitamine A veroorzaakt nachtblindheid, een tekort aan vitamine C veroorzaakt scheurbuik, een tekort aan vitamine K leidt tot stoornissen in de bloedstolling en een tekort aan vitamine D veroorzaakt rachitis. Ook water is een voedingsstof. Iedere vorm van een gestoorde opname van vocht kan leiden tot uitdroging (dehydratie). Bij eetstoornissen als anorexia nervosa en boulimia nervosa is het zelfbeeld ernstig verstoord, wat tot levensbedreigende voedingstekorten en ondergewicht kan leiden.
Figuur 3.2 (Coma)zuipen op een camping © ANPPhoto / Lex van Lieshout
39
3
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
Overvoeding Overvoeding neemt in welvarende landen zoals Nederland inmiddels epidemische vormen aan door een sterke toename van het aantal mensen met overgewicht en obesitas.
Body-mass index Om een indicatie te krijgen of er sprake is van ondergewicht, overgewicht of obesitas is de body-mass index of BMI (ook bekend als queteletindex) te gebruiken. De BMI kun je berekenen door iemands gewicht in kilogrammen te delen door de lichaamslengte in meters in het kwadraat (= lichaamslengte x lichaamslengte). In formule: BMI = gewicht : (lengte x lengte) Aan de hand van deze methode zijn de volgende BMI-classificaties opgesteld voor volwassenen tot 70 jaar (zowel mannen als vrouwen): • ondergewicht: BMI < 18,5 • normaal gewicht: BMI = 18,5 tot 24,9 • overgewicht: BMI = 25 tot 29,9 • obesitas (vetzucht): BMI = 30 tot 39,9 • morbide (ziekelijke) obesitas: BMI > 40
Figuur 3.3 Obesitas © GUSTOIMAGES / SCIENCE PHOTO LIBRARY
Een teveel aan calorieën in het voedsel maakt je dik en leidt tot vervetting van organen, darmkanker en hart- en vaatziekten. Het overgewicht dat ontstaat, leidt tevens tot het vroegtijdig optreden van artrose in knie- en heupgewrichten door overbelasting van de gewrichten. Ook de ingewanden raken overbelast doordat ze te veel voedingsstoffen te verwerken krijgen. Daardoor ontstaan maagen darmziekten, iets wat vaak voorkomt.
Een volwassene met een lengte van 1,75 meter en een gewicht van 100 kilogram heeft een BMI van 100 : (1,75 x 1,75) = 32,7 en heeft obesitas.
Voedselvergiftiging Via besmet voedsel kunnen ziekteverwekkers het lichaam binnendringen. Er is dan sprake van een voedselvergiftiging. Een bekende voedselvergiftiging ontstaat door de Salmonella-bacterie. Mensen met een slechte gesteldheid, bijvoorbeeld kwetsbare ouderen, kunnen aan zo’n voedselvergiftiging overlijden.
Voor kinderen zijn speciale tabellen samengesteld, met onderscheid tussen jongens en meisjes, aangezien tijdens de groei de hoeveelheid vetweefsel verandert. Naast de BMI is het ook goed om de omtrek van de taille te meten. Buikvet heeft een negatieve invloed op de gezondheid. Een taille-omtrek tussen 94 cm en 102 cm (mannen) of tussen 80 cm en 88 cm (vrouwen) duidt op overgewicht. Is de omtrek groter dan 102 cm (mannen) of 88 cm (vrouwen) dan is sprake van obesitas.
3.2.5 Biologische oorzaken In onze leefomgeving komen talrijke dierlijke en plantaardige organismen voor. Deze organismen kunnen het lichaam binnendringen, zich onder gunstige omstandigheden vermenigvuldigen en zo ziekte veroorzaken. De ziekteverwekkers zijn onder te verdelen in macro-organismen en micro-organismen. 40
Ziekteoorzaken
Macro-organismen Macro-organismen zijn met het blote oog waarneembaar en behoren tot de groep van de dierlijke ziekteverwekkers. Voorbeelden zijn luizen, teken, vlooien en wormen. Infecties met luizen en wormen komen vaak voor. Bij onvoldoende hygiëne kunnen deze infecties gemakkelijk van de ene op de andere mens overgaan. Een voorbeeld daarvan is de hoofdluis, die zich onder kinderen op scholen en dagverblijven snel kan verspreiden, of infecties met wormpjes (aarsmaden) die zich vooral onder kleine kinderen gemakkelijk verbreiden.
3
hulsel en kunnen zich alleen in levende cellen vermenigvuldigen, omdat zij daarvoor enzymen en eiwitten van de cellen nodig hebben. Dit gaat ten koste van die cellen, die daardoor afsterven. Virussen hebben dus altijd een gastheer nodig. Bekende virusziekten zijn griep (influenza), koortsblaasjes (herpes simplex), gordelroos (herpes zoster) en aids.
3.2.6 Allergische oorzaken Een allergie is een abnormale afweerreactie van het lichaam op een prikkel van buiten. Van een allergische reactie word je ziek. Onder normale omstandigheden werkt het afweersysteem beschermend tegen een lichaamsvreemde stof (antigeen). Na een contact met deze stof maakt het afweersysteem een antistof (antilichaam) om het lichaam bij een volgend contact met de prikkel te beschermen, zodat er geen ziekte optreedt. Bij een allergie reageert het afweersysteem anders. Het eerste contact met de vreemde stof maakt het lichaam juist gevoelig (sensibilisatie). In plaats van antistoffen die het lichaam ongevoelig maken voor contact met het antigeen, ontstaan antistoffen die het lichaam overgevoelig maken. Elk volgend contact met het antigeen zal de reactie van het afweersysteem versterken. Daardoor komen er steeds meer van deze antistoffen in het lichaam. De reactie kan soms zo hevig zijn dat iemand in acuut levensgevaar komt doordat een allergische shock optreedt. Het reageren op antigenen kan snelle en trage allergische reacties veroorzaken. Bij de snelle reacties ontstaan al binnen enkele minuten of uren klachten, zoals bij astma, hooikoorts of galbulten. Bij deze ziekten is er sprake van een aanleg om allergisch te reageren, ook wel een atopische constitutie genoemd. Bij atopische patiënten kunnen zeer heftige reacties op de allergische prikkel volgen. Bij de trage allergische reacties reageert het afweersysteem minder snel. Meestal treedt pas na een tot enkele dagen een reactie op, zoals bij contacteczeem. Verschillende stoffen in onze omgeving zoals metaal (nikkel), medicijnen, kleurstoffen en cosmetica kunnen leiden tot een trage allergische reactie.
Micro-organismen Micro-organismen zijn alleen zichtbaar onder een microscoop. Deze groep organismen is weer onder te verdelen in dierlijke en plantaardige micro-organismen. Dierlijke micro-organismen Tot de dierlijke micro-organismen rekent men de protozoën. Het zijn eencellige diertjes die verschillende ziekten veroorzaken. Amoebedysenterie krijg je als je een amoebe binnenkrijgt. Het is een ontsteking van de dikke darm, met hevige diarree. Malaria krijg je van het protozo Plasmodium, die in tropische landen vaak voorkomt en overgebracht wordt door de steek van een mug. Plantaardige micro-organismen De groep van de plantaardige micro-organismen bestaat uit bacteriën, virussen, schimmels en gisten. Bacteriën vormen de grootste groep van de ziekteverwekkers en kunnen op alle plaatsen in het lichaam infecties veroorzaken. Bacteriën zijn in staat zich te delen, waardoor zij zich buiten lichaamscellen kunnen voortplanten. Bekende infecties zijn urineweginfecties, longontsteking, tetanus, steenpuisten, angina en gonorroe. Schimmels en gisten komen alleen voor in de oppervlakte van de huid en de slijmvliezen. Bekende infecties zijn spruw in de mond en slokdarm, ringworm in de huid, zwemmerseczeem tussen de tenen en een Candida-infectie in de vagina. Virussen zijn zeer kleine ziekteverwekkers. Zij bestaan uit erfelijk materiaal met een eiwitom41
3
PATHOLOGIE MODULE 1 Gezondheid en ziekte
3.2.8 Psychische oorzaken Bij sommige mensen ontstaat een psychische stoornis vanuit hun aanleg of vanuit een geringe geestelijke draagkracht. Bij deze mensen is er dus sprake van een endogene oorzaak van de psychische stoornis. Een voorbeeld is depressiviteit, waarbij geen oorzaak van buitenaf te vinden is die de neerslachtigheid kan verklaren. Ook bij mensen met schizofrenie is vaak geen verklaring voor hun gedrag te vinden. Door een onverklaarbare oorzaak ontstaat een verwarde toestand met ernstige contactstoornissen, verlies van contact met de werkelijkheid, waanideeën en hallucinaties. Soms liggen lichamelijke ziekten aan de psychische stoornis ten grondslag. Dat is het geval bij een depressie door een ernstig ongeval, zware operaties of kanker. Plotselinge verwardheid, delier of psychose genoemd, kan een gevolg zijn van infectieziekten met hoge koorts, ernstige stofwisselingsproblemen, gebruik van verslavende middelen, acute benauwdheid of een plotselinge vermindering van de nierfunctie. Tevens bestaan er psychische stoornissen die zijn veroorzaakt door sterke prikkels van buitenaf. Dan spreekt men van een exogene oorzaak. Of een prikkel in staat is een psychische ziekte te veroorzaken, is afhankelijk van de geestelijke gesteldheid, de psychische constitutie en de draagkracht van een persoon. Sommige gebeurtenissen zijn zo ingrijpend in het gevoelsleven dat iemand daardoor ziek wordt. Een dergelijke oorzaak heet een psychotrauma. Voorbeelden van psychotraumata zijn het overlijden van een dierbare, echtscheiding, mishandeling of incest, gijzeling, seksueel misbruik, langdurige stress en discriminatie.
Figuur 3.4 Contacteczeem door nikkel © Shutterstock / SneSivan
3.2.7 Nieuwvormingen Bij een nieuwvorming (neoplasie) gaat het om het ontstaan van een gezwel. In een bepaald weefsel zijn cellen gaan woekeren. Deze houden zich niet meer aan het normale groeipatroon. De celgroei is ontregeld. Een weefsel bestaat uit miljoenen cellen. Prikkels van buitenaf, zoals kankerverwekkende prikkels als uv-straling (huidkanker), teer en rook (longkanker) en vetten (darmkanker), kunnen veranderingen in cellen veroorzaken die de groei en de kenmerken van die cellen verstoren. Zo’n cel houdt zich niet meer aan de regels. De snelheid waarmee dergelijke cellen groeien, is zeer verschillend. Er zijn goedaardige en kwaadaardige gezwellen. De goedaardige (benigne) gezwellen houden zich meestal aan de grenzen van het weefsel en verspreiden zich niet op afstand. Soms veroorzaken ze hinder door hun grootte of ligging. Pijn treedt meestal alleen op wanneer een goedaardig gezwel op andere weefsels drukt. Kwaadaardige (maligne) gezwellen beperken zich niet tot de eigen weefsels, maar groeien overal doorheen (infiltratie). Bovendien kunnen zij zich uitbreiden via de bloed- en lymfebanen. Dit veroorzaakt uitzaaiingen (metastasen) in organen en lymfeklieren op ruime afstand van het gezwel. Andere begrippen voor het aanduiden van een kwaadaardig gezwel zijn neoplasma, maligniteit, carcinoom of kanker.
3.2.9 Sociale oorzaken Voor sommige maatschappelijke veranderingen kun je bewust kiezen. Je zoekt bijvoorbeeld een andere baan om je maatschappelijke positie te verbeteren. Daardoor krijg je meer financiële mogelijkheden. Zo’n verandering geeft een positieve wending aan je leven en geeft weinig problemen. Voor andere maatschappelijke veranderingen kies je niet. Je wordt bijvoorbeeld ontslagen 42
Ziekteoorzaken
3
3.3 Ziekte door onbekende oorzaken
vanwege een reorganisatie en kunt geen baan vinden in je eigen vakgebied. Je raakt werkloos of je moet noodgedwongen verhuizen naar een woonomgeving waar je niet zelf voor kiest. Deze veranderingen betekenen een achteruitgang in je maatschappelijke positie en kunnen een negatieve invloed hebben en zelfs tot ziekte leiden. Alleenstaande ouderen kunnen bijvoorbeeld ongemerkt vereenzamen, in een sociaal isolement terechtkomen en een depressie ontwikkelen.
Soms is de oorzaak van een ziekte onbekend, ondanks veel wetenschappelijk onderzoek. Er zijn ook ziekteverwekkers die muteren in een nieuwe variant, zoals de Mexicaanse griep (Nieuwe Influenza A (H1N1)) en het nieuwe coronavirus (SARS-CoV-2) dat COVID-19 veroorzaakt. Reumatische ziekten en multipele sclerose (MS) blijken samen te gaan met afwijkingen in het afweersysteem waardoor auto-immuunreacties ontstaan. Wat precies de prikkel is die deze stoornis veroorzaakt, is nog niet bekend. Ook van vele kankergezwellen is de oorzaak onbekend, hoewel de behandeling van een aantal gezwellen al wel succesvol is.
SA M E N VAT T I N G Er is een onderscheid te maken tussen inwendige of endogene en uitwendige of exogene oorzaken van ziekte. Erfelijke ziekten, aangeboren afwijkingen en predispositie behoren tot de inwendige oorzaken. Exogene oorzaken zijn onder te verdelen in mechanische, fysische en chemische oorzaken, verkeerde voeding, biologische en allergische oorzaken, nieuwvormingen en psychische en sociale oorzaken. Ondanks dat van veel ziekten de oorzaak bekend is, is er nog steeds veel onderzoek nodig naar (nieuwe) ziekten waarvan de oorzaak nog niet bekend is.
43
NIVEAU 3&4
In deze leermethode wordt aangegeven hoe een ziekte of een aandoening het normale menselijk functioneren kan beĂŻnvloeden. Ook wordt duidelijk welke mogelijkheden de geneeskunde en verpleegkunde de zorgvrager kan bieden. De symptomen van ziektes en aandoeningen, de mogelijke complicaties en de behandeling komen aan bod. Speciale aandacht wordt besteed aan het waarnemen van de opvallende symptomen bij de zorgvrager.
Auteurs: Alexander Huygen Herry In den Bosch Imre Krabbenbos Johan van de Minkelis Wim Hendriks Eindredactie: Wim Hendriks
9 789006 691610
Pathologie
Pathologie maakt deel uit van Traject voor het middelbaar beroepsonderwijs. Dit lesmateriaal kan worden ingezet binnen de mbo beroepsopleidingen kwalificatieniveau 3 en 4 in de sectoren Zorg en Gezondheidszorg. Het samenspel tussen theorie en beeldmateriaal heeft ertoe geleid dat deze uitgave al sinds de jaren negentig hĂŠt naslagmateriaal vormt voor het Gezondheidsonderwijs. Pathologie bevat de theoretische vakkennis voor de mbo opleiding verpleegkundige en verzorgende. Daarnaast is de lesmethode inzetbaar voor onder meer opleidingen tot doktersassistent, tandartsassistent en apothekersassistent. Deze tweede druk is ook volledig beschikbaar in de digitale leeromgeving eDition.
Pathologie