Leren Filosoferen havo vwo Martin Slagter Sjoerd Slagter m.m.v. Martijn Pieterse Eindredactie: Martin Slagter Tweede druk
Woord vooraf Is een boek mét een voorwoord een beter boek dan een boek zon-
“Moet je onthouden wat er in dit boek staat?” Dat lijkt me sterk.
der? Is een voorwoord van invloed op de beslissing het boek wel
Er komt een moment dat je het toch allemaal weer vergeten bent.
of niet aan te schaffen of te gebruiken als lesmethode?
Vergeet hoe al die filosofen heetten. Wanneer ze precies leefden
En als het antwoord op de eerste twee vragen “nee” is; waarom
en wat ze precies dachten. Maar onthoud hoe het kan dat zij van
heeft een boek dan überhaupt een voorwoord? En wie zou zo’n
die bijzondere gedachten hadden. Probeer dát van hen te leren.
voorwoord moeten schrijven?
En probeer ook zelf af en toe eens een bijzondere gedachte te hebben. Of een bijzondere vraag?
Blijkbaar ben ik het antwoord op de vierde vraag. In het geval van dit boek althans. Zonder te weten wat de antwoorden op die an-
Bas Haring
dere drie vragen zijn. Eerlijk gezegd heb ik lang niet eens geweten wat een voorwoord was; laat staan dat ik begreep waarvoor zo’n ding diende. Dat laatste weet ik nog steeds niet. Waarom zou een boek niet beginnen met het begin, maar eerst nog met iets anders? Ondertussen heb ik nu al zo’n vijf vragen gesteld. En het stellen van vragen is toch wel een van de belangrijkste kenmerken van de filosofie. En zorgvuldig nadenken. Vragen en nadenken, dat is waar het op neerkomt – vind ik. Maar het moeten niet zo maar vragen zijn. “Hoeveel haren heb ik op mijn hoofd?” “En mijn buurman?” zijn zeker vragen, maar echt filosofisch zijn ze niet. Filosofie vraagt zich belangrijke vragen af. Vragen die ertoe doen, of vragen waarvan we denken het antwoord al te kennen: Kun je zeker weten of iets wel of niet mag? Zou je er slechter van worden wanneer je iedere woensdag spijbelt? En wat nou als iedereen woensdag zou spijbelen? Of zaterdag? Filosofie is een hard en precies vak. Waarin je fouten kunt maken – als je niet zorgvuldig genoeg nadenkt. Maar filosofie gaat wel over de belangrijkste zaken van het leven. Daarover gaat het eigenlijk precies. “Is dat allemaal wel zinvol? Het stellen van al die vragen?” Dat hoor ik regelmatig. Maar hoe kun je weten wat zinvol is zonder je af te vragen wat het woord “zinvol” betekent? Wat is zinvol eigenlijk? Wat is de betekenis van dat woord en welke dingen zijn allemaal zinvol en welke niet? Bovendien stellen we die vragen niet om te pesten. Om mensen per se aan het twijfelen te krijgen. “Laat ze toch met rust, die arme mensen. En stoor ze niet met die vragen. Laat ze toch lekker in de
Bas Haring is een Nederlands filosoof, schrijver van kinderboeken en populair-
waan.” Maar filosofen houden daar niet zo van. Die houden van
wetenschappelijk werk, en televisie-presentator bij de RVU. Hij is hoogleraar aan
eerlijkheid: als iets niet zeker is, ga dan niet doen alsof het wel
de Universiteit van Leiden waar hij de leerstoel “publiek begrip van wetenschap”
zeker is. Maar sta er nog een keer bij stil. En bevraag het.
bekleedt.
Over de auteurs Martin Slagter Studeerde Nederlands en filosofie. Is als docent Nederlands en journalistiek verbonden aan ROC ASA. Doceerde beroepsethiek aan de Hogeschool Utrecht en journalistiek schrijven aan de School voor Journalistiek. Geeft cursussen filosofie voor volwassenen aan het Instituut voor Filosofie. Is parttime werkzaam als tekstschrijver, ghostwriter en eindredacteur (ConText Tekstproducties).
Sjoerd Slagter Studeerde biologie en filosofie. Was jarenlang docent in deze vakken op het Corderius College in Amersfoort en als vakdidacticus betrokken bij de Universiteit Utrecht. Vanaf 1995 achtereenvolgens werkzaam als regiodirecteur bij ROC ASA, directievoorzitter bij Agnieten College Zwolle en bestuursvoorzitter van SSCO in Zwolle/Kampen. Vanaf 2007 voorzitter van de VO-raad.
Martijn Pieterse Studeerde filosofie. Is werkzaam als docent filosofie in het voortgezet onderwijs (Stedelijk Dalton Lyceum te Dordrecht en Melanchthon te Rotterdam). Gaf cursussen cultuurfilosofie bij het cultureel centrum van TU Delft. Daarnaast was hij als gastdocent filosofie verbonden aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten (KABK) te Den Haag en TU Delft.
Over Leren Filosoferen Deze geheel herziene tweede druk van de methode Leren Filoso-
wordt. In de volgende vier paragrafen gaan we op een systemati-
feren dekt volledig de nieuwste examenprogramma’s van havo
sche manier verder in op het domein en behandelen we aan de
en vwo (2008). Alle ‘centrale begrippen en begrippenparen’ uit
hand van vele voorbeelden de centrale begrippen en begrip-
deze programma’s zijn in deze methode vetgedrukt en worden
penparen uit het examenprogramma. Hierbij dient de casus
aan de hand van voorbeelden duidelijk uitgelegd. De voor vwo
uit de inleiding als leidraad. De verschillende paragrafen zijn
verplichte ‘toonaangevende visies’ zijn ondergebracht in de
overzichtelijk onderverdeeld in een vijftal kleine subparagrafen,
achtste paragraaf van elk hoofdstuk: het ‘filosofisch elftal’.
aan het eind waarvan je steeds een aantal verwerkingsopdrachten aantreft. In paragraaf 5 sluiten we het domein af met een
Essentieel onderdeel
meningvormende terugblik.
Door de journalistieke stijl waarin dit boek geschreven is, zou je
Paragraaf 6 heeft in alle hoofdstukken dezelfde titel: Een eigen
het gemakkelijk zelfstandig kunnen lezen. Als je dat zou doen
standpunt. Hierin zijn de twee subdomeinen (verdiepings-
en tevens alle opdrachten uitvoert, ben je goed voorbereid
stof) van elk domein ondergebracht. Voor beide subdomeinen
om deel te nemen aan het centrale examen. Uiteraard zal je
moet je aan de hand van een casus een onderzoeksopdracht
filosofiedocent je dit boek niet helemaal zelfstandig laten door-
uitvoeren. In paragraaf 7 (Symposium) neem je samen met je
nemen, maar ook zelf dingen willen uitleggen en je samen met
klasgenoten deel aan een symposium, waarbij je een door jou
je klasgenoten opdrachten laten uitvoeren. Dat sluit veel beter
uitgevoerd onderzoek presenteert en bediscussieert. Paragraaf 6
aan bij de aard van het vak filosofie. Als er één vak is dat zich
en 7 hebben beide een gedifferentieerde havo- en vwolijn.
niet leent voor uitsluitend zelfstudie, dan is het wel filosofie. Discussie, debat, socratisch gesprek: mondelinge gedachtewis-
Filosofisch elftal
selingen vormen een essentieel onderdeel van leren filosoferen.
Paragraaf 8 van elk hoofdstuk heet Filosofisch elftal. Ook dit
Niet voor niets bevat elk hoofdstuk van dit boek een paragraaf
is een nieuw onderdeel van de methode. In deze paragraaf
Symposium, waarbij je een onderzoek moet presenteren en deel
behandelen we aan de hand van elf vooraanstaande filosofen de
moet nemen aan een forumdiscussie.
verplichte toonaangevende visies uit het examenprogramma vwo. Van elke filosoof hebben we een fragment uit een belang-
Vaste opbouw
rijk werk opgenomen, zodat je kennis maakt met de schrijfstijl
Leren Filosoferen bestaat uit zes hoofdstukken. In deze hoofd-
van een groot aantal filosofen. Alleen in het hoofdstuk Sociale
stukken worden de verschillende domeinen van het examen-
Filosofie ontbreekt het filosofisch elftal, aangezien dit domein
programma behandeld. Hoofdstuk 1 is geheel nieuw en bestemd
in de eerste plaats voor havo bestemd is en geen verplichte
voor zowel havo als vwo. Hierin worden de filosofische en
toonaangevende visies kent.
argumentatieve vaardigheden van het domein Vaardigheden
Vanaf hoofdstuk 2 wordt elk hoofdstuk afgesloten met een
behandeld. In hoofdstuk 2 en 3 behandelen we de stof van res-
tijdbalk en een overzicht van de centrale begrippen/begrippen-
pectievelijk het domein Wijsgerige Antropologie en het domein
paren en toonaangevende visies met een verwijzing naar
Wijsgerige Ethiek voor zowel havo als vwo. Hoofdstuk 4 behandelt
de desbetreffende paginanummers.
de stof van het havodomein Sociale Filosofie. In hoofdstuk 5 en 6 ten slotte behandelen we de stof van de vwo-domeinen Kennisleer en Wetenschapsfilosofie. Op het eerste hoofdstuk na hebben de hoofdstukken dezelfde vaste opbouw in negen paragrafen. Dit biedt overzicht en houvast. Een hoofdstuk begint steeds met een inleiding, waarin je aan de hand van een casus in het desbetreffende domein geïntroduceerd
Filosofische vaardigheden I. Meer zien 1.
1.1 Wat zie je?
Er zijn meerdere manieren om naar hetzelfde ding te kijken.
Kijk naar het plaatje hiernaast. Wat zie je? Weet je zeker dat wat je ziet ook werkelijk het geval is? Of zijn er ook nog andere manieren om ernaar te kijken? Waarschijnlijk zien de meesten van ons een afbeelding van een Coca-Colaflesje. Dat lijkt een simpel feit en zou dus eigenlijk voor iedereen moeten gelden. Toch is er met het zien van dit flesje iets aan de hand. De meeste mensen zullen er weliswaar een Coca-Colaflesje in zien, maar de gevoelens die het oproept kunnen heel verschillend zijn. De een krijgt misschien trek in cola, de ander ervaart wellicht de schoonheid van het design en weer een ander wordt er
8
9
Het gaat om een kunstwerk dat Andy Warhol in 1962 maakte. Hiervoor gebruikte hij polymeerverf op doek. In het echt is het schilderij 208,3 cm bij 144,8 cm groot. Het behoort tot de collectie van Elizabeth R. Rea. Maar waarom is het eigenlijk kunst? Misschien wel omdat dit schilderij zoveel zienswijzen mogelijk maakt. Normaal valt een colaflesje je waarschijnlijk nauwelijks op. Als je dorst hebt, drink je het gedachteloos leeg en gooi je het in de glasbak. Maar dit kunstwerk van Warhol confronteert je met het bestaan en de betekenis van een concreet colaflesje. Hoe langer je naar dit flesje kijkt, hoe vreemder het wordt. Dat wil zeggen: hoe minder vanzelfsprekend jouw zienswijze wordt. Je merkt dat er meerdere manieren zijn om naar hetzelfde ding te kijken. Het is hetzelfde flesje en toch telkens anders. En dat is precies waar het in de filosofie om draait: om niet vast te zitten aan één bepaalde zienswijze, maar om open te staan voor andere perspectieven. En om vaardigheid te ontwikkelen in het wisselen warm noch koud van. Als we dat flesje zo verschillend ervaren, zien we dan wel
van perspectief. Maar wat is dat precies, een
hetzelfde flesje? Misschien is wat je ziet minder feitelijk dan je denkt.
perspectief?
Stel dat een communist deze afbeelding ziet. Dan zal hij niet ‘zomaar’ een flesje zien. Hij zal de afbeelding beschouwen als reclame en wel als reclame voor al het slechte waar hij tegen vecht. De afbeelding is voor hem een uithangbord van het westerse kapitalisme dat hij verfoeit. Hem vallen met name de uitdrukkingen trade mark registered en bottle padt’d dec 25, 1923 op. Je ziet: dit is een totaal andere zienswijze dan die van de consumerende westerling die met reclame is opgegroeid. Niet alleen de communist, ook de islamist (orthodoxe moslim) ziet het flesje anders. Coca-Cola wordt geproduceerd door een Amerikaans bedrijf en Amerika is in de ogen van een islamist de satan van deze wereld. Islamisten boycotten dan ook Amerikaanse producten. Als alternatief hebben ze ZamZam en Mekka-Cola op de markt gebracht: islamitische cola. Een kunstminnaar zal bij de bovenbeschreven zienswijzen gruwen. De afbeelding van dit colaflesje is kunst en heeft niets met ideologie of religie te maken.
1.2 Perspectief
Mensen zien de wereld noodzakelijk vanuit een perspectief. Een perspectief, zou je kunnen zeggen, is het uitzicht dat je hebt vanuit een bepaald standpunt. Niet voor niets heet een standpunt in het Engels point of view: een plek waar je stilstaat en om je heen kijkt. Iedereen die wel eens in de bergen gewandeld heeft, zal kunnen beamen dat elk nieuw standpunt nieuwe vergezichten biedt. Vanaf een hoge bergtop zie je de wereld in miniatuur: grazende koeien ter grootte van insecten, rivieren als zilveren draden, huizen en boerderijen van speelgoedformaat. Maar hoe boeiend zo’n vergezicht ook is: vanuit dit verheven standpunt ontgaat je niettemin veel. Je ziet bijvoorbeeld niet wat uitsluitend zichtbaar is vanuit een lager gelegen standpunt: de met bloemen bezaaide weiden in het dal, de vissen in het kristalheldere water van de beek, de dromerige blik waarmee de roodbonte koeien je aanstaren… Ieder standpunt heeft zo zijn eigen uitzicht. Vanuit verschillende perspectieven zie je verschillende dingen. Wie in staat is om vanuit verschillende perspectieven naar de werkelijkheid te kijken, ziet dus letterlijk méér. Een perspectief is een standpunt. Als je ergens iets van vindt, een bepaalde mening over iets hebt, zeggen we dat je een standpunt inneemt. Strikt genomen is dit een vorm van beeldspraak: je gaat namelijk niet werkelijk ergens staan, zoals je doet wanneer je stilstaat tijdens een bergwandeling. Je zou kunnen zeggen dat als iemand een bepaalde mening heeft, hij ‘in zijn hoofd’ ergens gaat staan: hij neemt ten aanzien van een bepaald onderwerp een bepaalde positie in, waardoor hij dat onderwerp op een bepaalde manier ziet. Dit resulteert in een bepaalde mening over het onderwerp. Op het moment dat je met vrienden op een terras een colaatje drinkt, heb je een ander ‘standpunt’ over het colaflesje, dan wanneer je er in een museum een afbeelding van aan de muur ziet hangen. Je ziet het dan anders. Sommige standpunten zijn echter onjuist. Als je geen flesje maar een blikje ziet, dan zie je het verkeerd. Maar vaker is er sprake van verschillende perspectieven op de werkelijkheid, die niet zozeer juist of onjuist zijn, maar elkaar aanvullen en daardoor een vollediger beeld van de werkelijkheid verschaffen. Zoals tijdens een bergwandeling. Mensen zien de wereld noodzakelijk vanuit een perspectief: we moeten nu eenmaal ergens ‘staan’ om wat te kunnen zien. Mensen zijn, met andere woorden, noodzakelijk subjectief: dat wat ze zien en vinden, is altijd afhankelijk van hun individuele positie in de wereld en het soort persoon dat ze zijn. Met name in de wetenschap wordt gestreefd naar objectiviteit. Voor wetenschappers moet het er zo min mogelijk toe doen wat voor persoon ze zijn en waar ze ergens ‘staan’. Maar volledige objectiviteit, dat wil zeggen: kijken zonder tegelijk een bepaald standpunt in te nemen, zonder ergens te ‘staan’, is voor mensen te hoog gegrepen. Zien hoe alles ‘echt’ in elkaar zit, is voorbehouden aan God. Volledige objectiviteit wordt daarom ook wel het God’s eyepoint genoemd.
1.3 Perspectivische lenigheid Leren filosoferen wil zeggen: de vaardigheid ontwikkelen om de wereld vanuit verschillende perspectieven te bezien.
I | Filosofische vaardigheden • 1 | Meer zien
10
11
Een perspectief is subjectief. Dat betekent dat je nooit
Voor een filosoof is een colaflesje dus nooit gewoon
neutraal en objectief naar de wereld kijkt, maar altijd
een colaflesje, maar een ding waar je op verschillende
vanuit bepaalde opvattingen. Anders gezegd: een
manieren naar kunt kijken. Zoals gezegd, is dat nu
perspectief bestaat uit een serie vooronderstellingen.
juist cruciaal voor filosofie: om niet vast te zitten aan
Vooronderstellingen zijn opvattingen over de wer-
één bepaalde zienswijze, maar om open te staan voor
kelijkheid, die je stilzwijgend voor waar houdt. Deze
andere perspectieven. Om vaardigheid te ontwikke-
opvattingen heb je bijvoorbeeld meegekregen vanuit
len in het wisselen van perspectief. Wie in staat is om
je opvoeding, scholing, vriendenkring enzovoort. Met
vanuit verschillende perspectieven naar de werkelijk-
andere woorden: jouw opvattingen zijn cultuur- en
heid te kijken, ziet namelijk letterlijk meer.
tijdgebonden. Maar tegelijk bepalen deze opvattingen de manier waarop je de werkelijkheid ziet: of je het
De titel van dit boek is ‘Leren Filosoferen’. Daaruit
colaflesje als een onbetekenend gebruiksvoorwerp,
blijkt al dat we filosofieonderwijs vooral zien als een
een ‘kapitalistisch instrument’ of een ‘kunstwerk’ ziet.
activiteit, als filosofie bedrijven. Voor filosoferen is een zekere ‘lenigheid’ in perspectiefwisselingen een
Vooronderstellingen die op een systematische manier
belangrijke voorwaarde: zonder al te veel moeite
met elkaar samenhangen, vormen tezamen een refe-
dien je in staat te zijn de wereld vanuit verschillende
rentiekader. Wat je van iets vindt, het soort mening
perspectieven te bezien. Leren filosoferen wil zeggen:
dat je erop na houdt, is in hoge mate afhankelijk van
de vaardigheid ontwikkelen om de wereld vanuit ver-
je referentiekader. Stel dat jij streng religieus bent op-
schillende perspectieven te bezien. ‘Perspectivische
gevoed en jouw referentiekader de Bijbel is. Dan zal de
lenigheid’ zou je die vaardigheid kunnen noemen.
wereld om je heen voor jou een goddelijke schepping
Deze vaardigheid ontwikkel je door je te verwonderen.
zijn en de ‘wachtkamer’ voor je uiteindelijke bestemming: de hemel. Mensen en dieren die op deze aarde rondlopen, beschouw je als goddelijke schepsels. Een bioloog ziet diezelfde wereld echter heel anders. Voor hem zijn de mensen niet zozeer goddelijk, maar een product van de evolutie. Met andere woorden: je referentiekader bepaalt hoe jij de wereld ziet. In de film The Gods must be crazy van Jamie Uys gooit een piloot een colaflesje uit een sportvliegtuig. Dat flesje wordt gevonden door Xi, een Bosjesman uit de Kalahariwoestijn, wiens stam geen enkel contact met de buitenwereld heeft. De Bosjesmannen beschouwen het flesje niet als afval, maar als een geschenk van God. Ze bedenken allerlei nuttige gebruikswijzen voor het flesje, maar na een tijdje ontstaan er spanningen: ze worden afgunstig op elkaar en krijgen ruzie. Dat was nog nooit eerder voorgekomen. Het hele dorp raakt door het flesje ontwricht. Daarom geloven ze dat het flesje een kwaadaardig ding is en besluiten ze het terug naar God te gooien (wat nog niet meeviel!). Ook dit voorbeeld laat zien hoe belangrijk je referentiekader is voor wat je ziet. Wat in onze ogen afval is, kan in de ogen van een ander een goddelijk geschenk of een kwaadaardig ding zijn.
Filosoferen begint met vragen stellen 2. 2.1 Verwondering
Wie wil filosoferen, moet de sprong wagen in de wereld van de verwondering en de twijfel. Zou ik ook geboren zijn als mijn ouders elkaar niet ontmoet hadden? Had ik dan andere ouders gehad? Is het toeval dat ik een jongen ben? Zou ik als meisje dezelfde persoon geweest zijn als die ik nu ben? En wat is dat eigenlijk: ‘iemand zijn’?
I | Filosofische vaardigheden • 2 | Filosoferen begint met vragen stellen
Zo begint filosofie. Op het moment dat je dit soort vragen gaat stellen, aanvaard je jezelf en de wereld
12
13
2.2 Het socratisch gesprek
de twijfel. Dat wil zeggen: zekerheden loslaten en
Het socratisch gesprek is een oefening in langzaam denken.
vanzelfsprekende ‘waarheden’ ter discussie stellen.
Juist omdat filosofische vragen ruimte laten voor
niet meer als vanzelfsprekend. Je verwondert je over wat je om je heen aantreft en je vraagt naar oorzaken en redenen. Wie het leven neemt zoals het komt en heel de wereld zonder vragen accepteert, zal nooit filosoferen. Voor hem of haar ís de wereld er gewoon. Maar wat is gewoon? Voor een filosoof is de wereld allesbehalve gewoon. Wie wil filosoferen, moet de sprong wagen in de wereld van de verwondering en
meerdere antwoorden, leiden ze gemakkelijk tot een De vraag ‘Is er leven op Mars?’ is geen gemakkelijke
dialoog of een gesprek. Beroemd zijn de dialogen van
vraag. Maar het is voor wetenschappers duidelijk
Plato uit de vierde eeuw voor Christus, waarin hij zijn
wanneer deze vraag met ‘ja’ beantwoord mag worden.
leermeester Socrates opvoert als iemand die zich ver-
Voor de vraag ‘Heeft de mens een vrije wil?’ ligt dat
wondert over allerlei algemeen geaccepteerde waarhe-
heel wat moeilijker: het is niet zonder meer duidelijk
den en daarover met omstanders in gesprek gaat. Deze
wanneer je deze vraag bevestigend mag beantwoor-
Socrates wordt wel beschouwd als het schoolvoorbeeld
den. Bij de eerste vraag kun je zeggen: “Kijk, hier
(het ‘prototype’) van de filosoof. De wijze waarop hij
heb je bacteriën van Mars. Zie je wel dat er leven is!”
met omstanders het gesprek aanging, was fenomenaal
Maar een vrije wil kun je niet laten zien. Daarom
en heeft naam gemaakt als ‘het socratisch gesprek’.
gelden bij de tweede vraag alleen argumenten: goede redenen om de vraag bevestigend of ontkennend
De socratische gespreksmethode is gebaseerd op de
te beantwoorden. Van filosofische vragen staat niet
vraaggesprekken van Socrates, zoals die zijn beschre-
van tevoren vast wanneer je ze met ‘ja’ of ‘nee’ mag
ven door de filosoof Plato. In de vraaggesprekken van
beantwoorden en wat als een afdoend antwoord be-
Socrates is veel aandacht voor reflectie, zorgvuldige
schouwd moet worden. Argumenteren en overtuigen
analyse en onderzoek van denkbeelden en waarden.
zijn daarom erg belangrijk.
Het socratisch gesprek is dan ook een oefening in ‘langzaam denken’. Goed luisteren, vragen stellen,
Opdracht 1
geduld betrachten en het zorgvuldig formuleren van je gedachten zijn belangrijke kenmerken ervan. Het belangrijkste kenmerk is echter dat er niet hypothe-
De hele dag word je geconfronteerd met vragen:
tisch een eind weg gepraat wordt (‘Stel dat …’), maar
vragen die je (je)zelf stelt en vragen die anderen aan
dat er altijd gesproken wordt aan de hand van concrete
jou stellen.
voorbeelden. Alle deelnemers moeten zich met deze
a | Schrijf een aantal van die vragen op en vergelijk
voorbeelden kunnen identificeren.
deze met die van een klasgenoot. b | Stel samen vast welke vragen filosofische vragen zijn. c | Formuleer een of twee vragen die enkele alge-
De socratische methode is bij uitstek geschikt om te gebruiken als mensen samen werkbare doelen of concepten, doordachte strategieën of inhoudelijke visies
meen geaccepteerde ‘waarheden’ ter discussie
willen ontwikkelen. Een socratisch gesprek begint met
stellen.
een overleg waarin de deelnemers een uitgangsvraag formuleren die zij samen willen onderzoeken. Bijvoorbeeld: ‘Wat verstaan wij onder goed communiceren?’ of ‘Welke waarden willen we in onze visie weerspiegeld zien?’
Voor succesvolle deelname aan een socratisch gesprek gelden de volgende vuistregels: •
Denk zelf na: laat je niet leiden door de mening van de meerderheid.
•
Luister goed naar anderen: een gesprek vindt alleen plaats als je ingaat op dat wat een ander zegt.
•
Blijf bij het onderwerp: het is niet de bedoeling dat je afdwaalt.
•
Stel je oordeel uit: sta open voor de mening van anderen en wees bereid je eigen ‘waarheid’ ter discussie te stellen.
Vooral deze laatste voorwaarde is van belang. Alleen in een sfeer van respect en tolerantie, een sfeer waarin iedereen kan zeggen wat hij denkt, heeft een socratisch gesprek kans van slagen.
2.3 Een kritische houding
Leren filosoferen wil zeggen dat je je een kritische manier van denken eigen maakt. Een filosofisch gesprek is iets anders dan
Ook het houden van steekhoudende en overtuigende betogen is van groot
gebabbel. Gebabbel is het uitwisselen van
belang. Dat je geen onzin verkoopt, maar logisch samenhangend (ofwel:
informatie, meningen, de laatste nieuwtjes,
consistent) redeneert, leer je in de logica. Dat je mensen niet verveelt met je
roddels, ‘weetjes’ enzovoort. Dat is gezellig,
redenering, maar juist weet te boeien en uiteindelijk weet te overtuigen, leer je
maar ook oppervlakkig. Je gaat niet op elkaar
in de retorica. Logica is de leer van het (logisch) redeneren, retorica de leer van
in. In een filosofisch gesprek doe je dat wel. Je
de welsprekendheid. In de logica en de retorica leer je niet alleen redeneringen
vraagt door. Zijn alle begrippen die gebruikt
te analyseren en te beoordelen, maar ook zelf consistente redeneringen op te
worden helder? Hoe wordt het standpunt
zetten en overtuigende betogen te houden.
onderbouwd? Worden er steekhoudende argumenten gegeven? Daar vraag je expliciet naar.
Opdracht 2
Zoals gezegd, zijn er op filosofische vragen meerdere antwoorden mogelijk. Alleen is niet elk antwoord even goed. Dat blijkt wanneer
Politici zijn over het algemeen goede ‘debaters’. Met name in de Tweede Kamer
je doorvraagt naar de onderbouwing van een
zien we dat politieke debatten tussen vertegenwoordigers van de verschillende
gegeven antwoord. Als je op de vraag “Waarom
partijen soms scherp en fel gevoerd worden.
mogen kinderen geen alcohol drinken?” als
a | Geef aan waarom een politiek debat in het geheel níet lijkt op een socra-
antwoord krijgt: “Omdat dat vroeger ook niet
tisch gesprek. b | Je zou kunnen zeggen dat in een politiek debat de retorica belangrijker wordt gevonden dan de logica. Leg dit uit en geef een verklaring. c | Toon aan dat een wetenschappelijk debat (op school of op de universiteit) vaak wél de vorm van een socratisch gesprek heeft.
mocht”, is dat geen sterke onderbouwing van het standpunt dat kinderen geen alcohol mogen drinken. Sterker is het om te wijzen op recent onderzoek naar het drankgebruik onder jongeren en de schade die dat aanricht aan de gezondheid. Daarmee overtuig je waarschijnlijk meer mensen. Vaak krijgen argumenten meer gewicht als ze gebaseerd zijn op wat een autoriteit of deskundige zegt. Op het moment dat je doorvraagt, ontwikkel je een kritische houding. Filosofie is kritisch denken in zijn meest pure vorm. Leren filosoferen wil zeggen dat je je zo’n kritische manier van denken eigen maakt, want filosofie bedrijven houdt ook altijd in: kritiek leveren op dominante denkrichtingen en opvattingen die zo vanzelfsprekend geworden zijn, dat niemand
I | Filosofische vaardigheden • 2 | Filosoferen begint met vragen stellen
ze meer ter discussie stelt. Uiteraard geldt dit ook voor je eigen vastgeroeste opvattingen. Het aanleren van zo’n ‘tegendraadse’ manier van denken, die geen
14
15
Opdracht 3
vanzelfsprekendheden erkent, is volgens ons het uiteindelijke doel van goed filosofieonderwijs en daarmee ook van dit boek.
“Ik weet dat ik niets weet” is een beroemde uitspraak van Socrates.
Met vragen als ‘Waarom verdient een directeur meer dan een secretaresse?’ of ‘Zijn ouderen wel zoveel wijzer dan jongeren?’ lever je impliciet kritiek op de bestaande verhoudingen, die je niet langer vanzelfsprekend acht, maar ter discussie stelt. Met andere woorden: filosofen zijn onruststokers. Socrates werd
a | Wat bedoelt Socrates volgens jou met deze uitspraak? b | Is deze uitspraak eigenlijk wel zo bescheiden?
wel vergeleken met een horzel. Op de door jou gestelde vraag ‘Waarom mag Het is makkelijk om kritiek op anderen te hebben, maar moeilijk om jezelf aan
een kind geen alcohol drinken?’ heb je waar-
kritiek bloot te stellen. Toch doet een filosoof dat laatste ook. Een filosofische
schijnlijk al veel verschillende antwoorden
dialoog is ook altijd een dialoog met jezelf. Daarmee bedoelen we niet dat je
gehad.
alleen jezelf hoort praten, maar dat je je eigen standpunten ter discussie durft
c | Noem een paar antwoorden die je goed be-
te stellen. Een filosofische dialoog is in ieder geval geen wedstrijd, waarbij je gelijk moet zien te krijgen en moet ‘winnen’ van de ander. Een filosofische dialoog is een gezamenlijk onderzoek naar de betekenis van je eigen en ander-
argumenteerd vindt en geef aan waarom je dat vindt. d | Er is in jouw omgeving ongetwijfeld iets
mans standpunten. Bij de ware filosoof past dan ook bescheidenheid. Ook hier
waarop je kritiek hebt. Probeer die kritiek
is Socrates weer het schoolvoorbeeld, die de spreuk van het orakel van Delphi:
te verwoorden in een (kritische) vraag.
Ken U zelve, zeer serieus nam. Met die spreuk wordt bedoeld: ken je eigen beperkingen en ga er niet vanuit dat je de waarheid in pacht hebt.
Definities, redeneringen en drogredenen 3. 3.1 Soorten definities
Begripsanalyse en afbakening van begrippen (= definitie) voorkomt verwarring. In elk goed gesprek is het van belang dat je je afvraagt: waar hebben we het eigenlijk over? Als de begrippen die gebruikt worden niet helder zijn, krijg je al snel een Babylonische spraakverwarring. Door begrippen goed te analyseren en af te bakenen, kun je dit voorkomen. Begripsanalyse en afbakening van begrippen voorkomt niet alleen verwarring, maar stuurt het gesprek ook in een bepaalde richting. Als iemand stellig beweert dat Nederland een arm land is en iemand anders gaat daar tegenin door te zeggen dat Nederland juist steenrijk is, dan lijken de voorwaarden voor een mooie discussie vervuld. Alleen: hebben ze het wel over hetzelfde? Wat betekent ‘armoede’ eigenlijk? Gaat het om geestelijke of materiële armoede? En ben je arm wanneer je je geen koelkast kunt permitteren of niet elk jaar op vakantie kunt? Geestelijke armoede in Nederland kan perfect samengaan met materiële welvaart. Sterker: het een kan het ander versterken. Met andere woorden: de definitie van het begrip ‘armoede’ is van groot belang voor de discussie. Er zijn verschillende manieren om een begrip te definiëren. In de filosofie onderscheiden we de volgende soorten definities: 1 | Gebruiksdefinitie Hierbij probeer je de gebruikelijke betekenis van een woord in een bepaalde cultuur te beschrijven. Deze soort definitie is het meest gangbaar en tref je bijvoorbeeld aan in het woordenboek. Daar staat achter het woord ‘armoede’ bijvoorbeeld: ‘blijvend gebrek aan eerste levensbehoeften’. De gebruiksdefinitie roept vaak de vraag naar andere definities op. Wat betekent bijvoorbeeld ‘eerste levensbehoeften’ precies?
I | Filosofische vaardigheden • 3 | Definities, redeneringen en drogredenen
2 | Stipulatieve definitie
16
17
Van jongs af aan redeneren mensen. “Mama,
Bij een stipulatieve definitie leg je het gebruik van een woord voor be-
mag ik een snoepje, want ik heb honger” is
paalde doeleinden vast. Het begrip ‘armoede’ wordt nu zo gedefinieerd dat
een voorbeeld van een kinderlijke redenering.
je het kunt meten. Bijvoorbeeld als volgt: je spreekt van armoede als iemand
Het kind geeft niet alleen zijn standpunt (‘ik
minder dan 760 euro per maand te besteden heeft. Een stipulatieve defini-
wil een snoepje’), maar hij onderbouwt dat
tie is veel concreter dan een gebruiksdefinitie, maar kan ook gemakkelijk
standpunt tevens met een argument (‘ik heb
veranderen of bijgesteld worden.
honger’). Daarom is er sprake van een redenering. Als je alleen maar standpunten verkon-
3 | Wezensdefinitie
digt, ben je niet aan het redeneren.
Bij een wezensdefinitie probeer je het wezen (ofwel: de essentie) van een
Als je een standpunt met een argument on-
begrip vast te leggen. Een wezensdefinitie van ‘mens’ zou kunnen luiden:
derbouwt, moet je er uiteraard op letten dat
‘een levend wezen met rede begaafd’. De rede (ofwel: verstand) wordt wel
dat argument hout snijdt. Een standpunt dat
beschouwd als het meest wezenlijke kenmerk van de mens. Met zijn rede
onderbouwd wordt met een steekhoudend
zou de mens zich van alle andere levende wezens onderscheiden. In hoofd-
argument, levert een geldige redenering op.
stuk 2 (Wijsgerige Antropologie) zullen we zien dat deze visie op de mens
Als het kind in bovenstaand voorbeeld zou
tegenwoordig onder vuur ligt, evenals trouwens de wezensdefinitie zelf.
zeggen: “Mama, mag ik een snoepje, want ik houd van rodekool”, dan is er wel sprake van
Opdracht 4
een redenering, maar klopt er iets niet. Dat het kind van rodekool houdt, heeft niets te maken met zijn verzoek om een snoepje. Dat
a | Bedenk een concreet voorbeeld van een spraakverwarring die het gevolg is van een onheldere afbakening van begrippen. b | Geef aan hoe je de spraakverwarring zou kunnen oplossen.
is dus een slecht argument, hoewel het best waar kan zijn dat het kind van rodekool houdt. Je moet dus een onderscheid maken tussen geldigheid en waarheid. Een redenering kan
3.2 Redeneringen en argumenten
Een standpunt dat onderbouwd wordt met een steekhoudend argument, levert een geldige redenering op.
ongeldig zijn, terwijl de argumenten die gegeven worden waar zijn (zoals het rodekoolargument). Het omgekeerde komt ook voor: een geldige redenering die gebaseerd is op onware argumenten. De redenering dat je een snoepje wilt, omdat je honger hebt, is geldig. Maar het argument dat je geeft (‘ik heb honger’), hoeft niet waar te zijn. Misschien zeg je dat maar om je moeder over te halen jou een snoepje te geven. Als je om een snoepje vraagt en dat verzoek onderbouwt met het argument dat je honger hebt, geef je een reden voor je verzoek. Omdat je honger hebt, vraag je om een snoepje. Maar je had ook op de eventuele gevolgen kunnen wijzen als je moeder je géén snoepje geeft (‘anders kom ik om van de honger’) of op een voordeel voor je moeder (‘dan beloof ik mijn kamer op te ruimen’) of een vergelijking kunnen trekken met een andere situatie (‘mijn broertje heeft ook een snoepje gehad’). Zo zijn er verschillende soorten argumenten en rede-
neringen mogelijk. Als filosoof moet je voortdurend nagaan of de argumen-
redenering. Het kind ziet het snoepje aan zijn
ten waarop standpunten gebaseerd worden deugdelijk zijn en de redenering
neus voorbijgaan en besluit het over een an-
geldig is.
dere boeg te gooien: “Mam, als ik geen snoepje krijg, ga ik de hele middag jengelen.” En hij
‘Ik heb honger’ is dus het (steekhoudende) argument dat het kind in de strijd
voegt de daad bij het woord door in huilen uit
gooit om zijn moeder over te halen hem een snoepje te geven. Maar zijn moe-
te barsten. ‘Ik ga de hele middag jengelen’ lijkt
der is ook niet van gisteren. Zij denkt aan zijn tanden en wil hem dat snoepje
misschien een deugdelijk argument, maar is
niet geven. Daarom antwoordt ze: “Jij hebt geen honger, jij hebt lekkere trek.
dat niet: het is gewoon chantage. Iets wat op
Kinderen in arme landen hebben honger.” Daarmee ontkracht de moeder de
een argument lijkt maar het niet is, noemen
redenering van haar kind. In feite past ze een korte begripsanalyse toe en zegt
we een drogreden (= een slecht of schijnargu-
ze tegen haar kind: je verwart ‘honger’ met ‘lekkere trek’. En ‘lekkere trek’ is
ment). In de praktijk komen dergelijke drogre-
voor het verkrijgen van een snoepje uiteraard een veel minder overtuigend
denen regelmatig voor. Ze worden ingezet om
argument dan ‘honger’.
mensen op onjuiste gronden tot iets over te
Dit voorbeeld laat zien hoe belangrijk de onderbouwing van een standpunt (in
halen. Daarom is het van groot belang dat je
dit geval: een verzoek) is. Standpunten op zichzelf zijn moeilijk te beoordelen,
drogredenen leert herkennen en als schijnar-
maar de argumenten waarop zij steunen des te beter. Je hebt sterke en zwakke
gument kunt ontmaskeren. Hieronder volgen
argumenten. Grofweg kun je zeggen dat argumenten sterker zijn naarmate
de meest voorkomende drogredenen.
ze objectiever zijn, dat wil zeggen: feitelijker, geldend voor meerdere mensen. Hoe subjectiever een argumentatie, hoe zwakker deze is. En het zwakst is het natuurlijk als je zomaar wat standpunten poneert, zonder enige onderbouwing.
1 | Onjuist beroep op causaliteit (post hoc ergo propter hoc) Voorbeeld: “Toen ik begon te dansen, hield
Opdracht 5
het op met regenen. Dus ik liet de regen ophouden.” Omdat twee zaken ongeveer gelijktijdig
Er bestaan onder meer argumenten op basis van feiten, geloof, gevolgen, gezag,
optreden (ophouden met regenen en
intuïtie en nut.
dansen) leg je daar ten onrechte een oorza-
a | Welke van deze argumenten zijn volgens jou sterk en welke zwak?
kelijk verband tussen. Dansen en regenen
b | Bedenk een voorbeeld van een geldige redenering met onware argumenten.
hebben niets met elkaar te maken.
3.3 Drogredenen
Iets wat op een argument lijkt maar het niet is, noemen we een drogreden.
2 | Onjuiste vergelijking Voorbeeld: “De politie controleert automobilisten op het gebruik van alcohol. Het lijkt de Gestapo wel die een razzia houdt.” Alcoholcontroles kun je niet vergelijken met de razzia’s die de Gestapo in de Tweede Wereldoorlog hield. Dat is appels met peren vergelijken. 3 | Onjuist beroep op autoriteit (argumentum ad verecundiam) Voorbeeld: “Ik weet wat goed voor je is. Ik ben tenslotte je moeder.” Uiteraard hebben moeders het beste voor
Op het moment dat de moeder haar kind erop wijst dat het geen ‘honger’
met hun kinderen, maar daaruit volgt niet
maar ‘lekkere trek’ heeft, ontmaskert ze zijn argument als een ‘schijnargu-
dat ze ook alles het beste weten. De moe-
ment’. ‘Honger’ is weliswaar een deugdelijk argument, maar het is - volgens de
der beroept zich hier ten onrechte op haar
moeder - niet waar dat haar kind honger heeft. En daarmee ontkracht ze zijn
autoriteit als moeder.
I | Filosofische vaardigheden • 3 | Definities, redeneringen en drogredenen
4 | Overhaaste generalisatie (secundum quid)
18
19
8 | Vertekenen van een standpunt (de stroman)
Voorbeeld: “Ik ken drie Friezen en die hebben alle drie blauwe ogen.
Voorbeeld: “Ik vind het te ver gaan om een
Dus Friezen hebben blauwe ogen.”
wet te maken tegen het slaan van kinderen.”
Ongetwijfeld hebben veel Friezen blauwe ogen, maar dat geldt zeker niet
“Dus jij vindt dat je kinderen mag slaan!”
voor álle Friezen. En in ieder geval kun je dat niet afleiden uit de drie
Hier wordt het standpunt van iemand
Friezen die jij toevallig kent.
die tegen een bepaalde wet is, suggestief vertekend. (Deze drogreden lijkt op de
5 | Cirkelredenering (petitio principii)
persoonlijke aanval.) Er is geen enkele
Voorbeeld: “Je mag niet discrimineren, want dat is tegen de wet”.
reden om aan te nemen dat de eerste
Je zegt, in andere bewoordingen, tweemaal hetzelfde. In plaats van een
spreker voor het slaan van kinderen is. Hij
argument te geven, herhaal je in feite je standpunt.
ziet er alleen geen heil in om daar een wet tegen te maken (bijvoorbeeld vanwege de
6 | Persoonlijke aanval (argumentum ad hominem)
bureaucratie die dat met zich meebrengt).
Voorbeeld: “Je bent wel erg positief over het Duitse voetbal. Is je vader soms fout geweest in de oorlog?”
9 | Bespelen van het publiek (argumentum ad
Je geeft geen inhoudelijk argument tegen het standpunt over het Duitse
misericordiam, argumentum ad populum)
voetbal, maar probeert degene die dat standpunt huldigt in diskrediet te
Voorbeeld: “Lieve meester, kunt u mij geen
brengen en daarmee zijn standpunt aan te vallen.
hoger cijfer geven? Ik heb echt heel erg mijn best gedaan.”
7 | Ontduiken van de bewijslast
Je probeert sympathie op te wekken bij
Voorbeeld: “Waarom geloof je in God?” “Bewijs maar eens dat Hij niet
je docent, door hem ‘lief’ te noemen en
bestaat!”
je zielig voor te doen. Daarmee probeer
Met een slimme vraag wordt hier de bewijslast voor het bestaan van God
je hem ertoe over te halen jou een hoger
naar de ander verschoven. Dat is niet terecht, want jij bent degene die in
cijfer te geven.
God gelooft, dus de bewijslast ligt bij jou.
Opdracht 6 In de strip van Peter van Straaten maakt Lia gebruik van een drogreden. a | Geef aan van welke drogreden Lia gebruik maakt. b | Bedenk bij elk van bovenstaande drogredenen een eigen voorbeeld.
Liefde tot wijsheid 4. 4.1 Filo-sofia
Wijsbegeerte is het verlangen naar wijsheid. Letterlijk betekent ‘filosofie’: liefde tot wijsheid (sofia is Grieks voor ‘wijsheid’). In tegenstelling tot veel andere talen heeft het Nederlands hier een eigen woord voor: ‘wijsbegeerte’. Wijsbegeerte is het verlangen naar wijsheid. De oude Grieken waren van mening dat de goden niet filosofeerden omdat zij al wijs wáren en er daarom niet naar konden verlangen het te wórden. Filosofie is dus een voortdurend streven naar iets en geen eindstadium dat ooit bereikt kan worden. Een filosoof zal zich altijd bewust moeten zijn van zijn eigen onwetendheid. Hij zal nooit stil mogen blijven staan bij wat hij al weet: bij het stadium van wijsheid dat hij op een bepaald moment bereikt heeft. De eerste stap richting wijsheid is misschien het inzicht van Socrates, dat je steeds beter weet hoe weinig je weet. Wijsheid is misschien het inzicht dat je niet wijs bent. Dit besef van onwetendheid is geen domheid, maar de erkenning van je beperkingen. Het is het besef dat je een wezen bent dat nooit objectief de wereld om zich heen zal kunnen aanschouwen. Altijd kijk je vanuit bepaalde vooronderstellingen - je referentiekader - naar de werkelijkheid. Maar er zijn ook andere zienswijzen mogelijk, die jouw referentiekader te buiten gaan. Dat is jouw principiële beperking. Filosoferen doe je vanuit dit besef van je eigen beperkingen en met een open houding voor andere zienswijzen. Van daaruit stel je kritische vragen en ga je het gesprek aan. Gesprekken zijn dan niet slechts gebabbel, maar een onderzoek naar ‘standpunten’. En de vooronderstellingen die aan deze standpunten ten grondslag liggen.
Opdracht 7 Wijsheid is niet hetzelfde als veel kennis bezitten. a | Wat is het verschil tussen wijsheid en kennis? b | Er is vast een groot aantal zaken waar je op dit moment behoorlijk zeker van bent. Bedenk een kritische vraag die enkele van jouw persoonlijke zekerheden ter discussie stelt.
I | Filosofische vaardigheden • 4 | Liefde tot wijsheid
20
21
zit. ‘Nut’ en ‘liefde’ (voor wijsheid) verhouden zich tot elkaar als water en vuur. Liefde is per definitie onbaatzuchtig. Als je op iemand verliefd bent, dan vraag je jezelf niet af wat die persoon voor nut heeft voor jou. Integendeel, je bent vaak bereid om heel veel op te geven om maar in de buurt van die ene persoon te kunnen zijn. Zo is het ook met de filosoof gesteld. Een filosoof zal de vraag naar het nut van de filosofie dan ook van de hand wijzen als onzinnig en irrelevant. Voor een filosoof heeft de filosofie geen ander doel dan de filosofie zelf. Het streven naar wijsheid is voor hem of haar geen middel, maar een doel op zichzelf. In dit verband zou je jezelf de volgende kritische vraag kunnen stellen: Durf je je leven op te vatten als een permanente zoektocht naar wijsheid of kies je voor een schaapachtig bestaan? Overigens kunnen schapen best gelukkig zijn.
4.2 Het nut van filosofie
Voor een filosoof heeft de filosofie geen ander doel dan de filosofie zelf.
Kan iedereen filosoferen? In principe wel. Maar niet iedereen doet het. Vaak zijn luiheid en lafheid redenen om niet verder na te denken en filosofie af te doen als ‘abstract’ en ‘vaag’. In deze inleiding hebben we laten zien hoe concreet filosofie is. Je kunt zelfs filosoferen over een colaflesje! Filosofie is dus niet abstract of vaag. Integendeel, filosofie gaat
Maar waarom zou je dat eigenlijk willen: overal
juist over de vraag hoe wij de wereld zien en ervaren.
vragen bij stellen? Waarom zou je je persoonlijke
Wat zie je eigenlijk? Je ziet iets, maar het zien zelf
zekerheden ter discussie stellen? Anders gezegd: wat
zie je niet. Zien is nooit objectief en neutraal, maar
is eigenlijk het nut van filosofie? Heb je er wat aan in
altijd ingebed in een referentiekader, afhankelijk van
een toekomstige baan of bij een vervolgstudie? Kun
vooronderstellingen. De filosoof vraagt kritisch door
je er geld mee verdienen?
naar deze vooronderstellingen. Hij gaat het gesprek aan. Niet om te babbelen, maar om standpunten te
Tegenwoordig zijn we geneigd alles te beoordelen
onderzoeken. Om antwoord te krijgen op de vraag:
in termen van nut en rendement. Daarbij laten we
waar staan wij in deze wereld?
ons leiden door het ‘voor wat hoort wat’-principe. Ik investeer uren van mijn tijd in filosofie. Wat is het rendement daarvan? Wat levert mij dat op? De
Opdracht 8
vraag naar het nut van filosofie is gemakkelijk te beantwoorden. Je leert bij filosofie allerlei praktische vaardigheden, zoals goed argumenteren, perspectivische lenigheid, een kritische houding enzovoort. Deze vaardigheden zijn uiterst ‘nuttig’ voor alles wat je verder in je leven gaat doen. Maar is die vraag naar het nut van filosofie wel een goede vraag? Een filosoof zal meteen opmerken (door begripsanalyse) dat er een tegenstelling in die vraag
a | Probeer onder woorden te brengen wat volgens jou de zin van filosofie zou kunnen zijn. b | Probeer op basis van dit hoofdstuk een voorlopige (gebruiks)definitie van filosofie te formuleren.