Skip to main content

Klinische pathologie

Page 1

Klinische pathologie HBO–V

Klinische pathologie is een herziening van het veel gebruikte Basisboek pathologie en biedt een compacte basis voor degene die zich wil voorbereiden op werken of stagelopen in een ziekenhuis. De inhoud is verdeeld over twee thema’s: Basisbegrippen en Klinisch ziektebeelden. In het algemene deel Basisbegrippen worden de achtergronden bij diverse ziektebeelden uitgelegd. Hierbij vormt de werkwijze bij onderzoek en behandeling de rode draad. In het deel Klinische ziektebeelden worden aandoeningen die frequent opname en verpleging noodzakelijk maken, uitgebreid beschreven. Elk hoofdstuk bevat leerdoelen en studieactiviteiten, die de student helpen bij het verwerken van de leerstof. Klinische pathologie maakt deel uit van een reeks ondersteunende uitgaven, die zijn ontwikkeld voor het HBO-gezondheidsonderwijs. Frequente aandoeningen worden eenvoudig en praktijkgericht uitgelegd. Het boek bevat de theoretische basis om op een verantwoorde manier zorg te verlenen aan klinische patiënten.

Klinische pathologie HBO–V

Bij zieken in de omgeving zijn mensen meestal betrokken en belangstellend. Ze willen weten: Wat is er mis? Waardoor komt het? Welke problemen zijn te verwachten? Hoe wordt de diagnose gesteld? Wat is de behandeling? Wat is de prognose? Antwoorden op deze vragen krijg je in dit leerboek Klinische pathologie.

Klinische pathologie HBO–V

C.B. van Heycop ten Ham


Klinische pathologie

C.B. van Heycop ten Ham


Colofon Auteur

ThiemeMeulenhoff is dé educatieve mediaspecialist en levert educatieve

C.B. van Heycop ten Ham

oplossingen voor het Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Middelbaar Beroepsonderwijs en Hoger Onderwijs. Deze oplossingen worden ontwikkeld in

Redactie

nauwe samenwerking met de onderwijsmarkt en dragen bij aan verbeterde

Singeling Tekstproducties, Amerfoort

leeropbrengsten en individuele talentontwikkeling.

Illustraties

ThiemeMeulenhoff haalt het beste uit élke leerling.

H. Brik, Callantsoog A. van Dam, Amsterdam

Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve

F. Hessels, Almere

oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16

A. van Horssen, Laren G. Stekelenburg, Huizen

ISBN 978 90 06 95246 9

R. Trompert, Maastricht

Derde druk, eerste oplage, 2013

Foto’s

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2013

Audiovisuele dienst AZM, Maastricht Corbis, Amsterdam

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd,

E. van Dorst, Putten

opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in

W. Hendriks, Nieuwegein

enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën,

R. van Hogezand, LUMC, leiden

opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming

H. van der Krans, Zoetermeer

van de uitgever.

K. Ligthart, Amsterdam H. Moinat, SLAZ,, Amsterdam

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van

Phototake/ANP foto, Rijswijk

artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de

Pelgrimages, Heerewaarden

daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie-

Science Photo Library

en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in

Omslagontwerp

bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient

EnOf Communicatie, Utrecht

men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van

Vormgeving

tenonderwijs.nl.

muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechImago MediaBuilders, Amersfoort De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde manier heeft plaatsgevonden.


Over de auteur Coen van Heycop ten Ham Coen van Heycop ten Ham begon na zijn artsexamen aan de Universiteit van Amsterdam als parttime onderzoeksassistent en parttime docent. Hij is al ruim 20 jaar docent ziekteleer, nu bij VUMC Amstel Academie. Hij geeft daar onderwijs bij de in service opleiding tot anesthesieassistente, operatieassistent, radiodiagnostisch laborant en diverse verpleegkundige vervolgopleidingen.


Introductie Bij zieken in de omgeving zijn mensen meestal

vormt een kennis-basis voor de hoofdstukken 3, 4

betrokken en belangstellend. Ze willen weten:

en 5 over Ziekteoorzaken, Afweer/ontsteking en

■

Wat is er mis?

Algemene tumorleer.

■

Waardoor komt het?

In het hoofdstuk Ziekteoorzaken zijn risicofactoren

■

Welke verschijnselen treden op?

zo beschreven, dat informatie hierover opzoeken en

■

Welke problemen zijn te verwachten?

geven beter mogelijk wordt.

■

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Het hoofdstuk Afweer/ontsteking beschrijft wat

■

Wat is de behandeling?

bijvoorbeeld longontsteking, brandwonden, buik-

■

Wat is de prognose?

vliesontsteking en urineweginfecties gemeenschappelijk hebben.

Antwoorden op deze vragen krijg je bij klinische

Het hoofdstuk Algemene tumorleer legt basisbe-

pathologie. Dit leerboek biedt een compacte basis

grippen uit van gezwellen in allerlei organen.

voor degene die zich wil voorbereiden op werken

Het hoofdstuk Inleiding farmacologie vormt een

of stage lopen in een ziekenhuis. Aandoeningen,

basis om geneesmiddelen na te zoeken en verant-

die frequent opname en verpleging noodzakelijk

woord toe te dienen.

maken, worden beschreven in Thema B: Klinische

Het specifieke deel (Thema B: Klinische ziektebeel-

ziektebeelden.

den) bevat de hoofdstukken 7 tot en met 18:

Achtergronden bij allerlei ziektebeelden worden

7

Respiratie/ademhaling

uitgelegd in Thema A: Basisbegrippen.

8

Hart en vaten

Het algemene deel (Thema A: Basisbegrippen) be-

9

Bloed

staat uit de hoofdstukken 1 tot en met 6:

10 Zenuwstelsel/neurologie

1

Diagnostiek en therapie (hoe werkt een arts?)

11 Enkele psychiatrische ziektebeelden

2

Cytologie/histologie (basis voor ziekteoorzaken,

12 Huid, thermobalans en wonden

ontstekingen en tumoren)

13 Spijsvertering/digestivus

3

Ziekteoorzaken (erfelijkheid en risicogedrag)

14 Vochtbalans/uitscheiding

4

Afweer/ontsteking (reactie op weefselschade)

15 Motoriek/bewegingsapparaat

5

Algemene tumorleer (gezwellen)

16 Endocrinologie/hormonen

6

Inleiding farmacologie (geneesmiddelenleer)

17 Genitaliën/voortplanting 18 Zintuigen/sensibiliteit

De werkwijze bij onderzoek en behandeling is de rode draad bij de beschrijvingen van de ziektebeelden. Daarom begint dit boek met een hoofd-

Leerdoelen bij daarin beschreven aandoeningen zijn

stuk: Diagnostiek en therapie.

vaak:

Veranderingen van cellen of weefsels spelen een

■

een begripsomschrijving geven;

hoofdrol bij onder meer erfelijkheid, afweerreacties

■

oorzaken/risicofactoren noemen;

en gezwellen. Het hoofdstuk Cytologie/histologie

■

symptomen noemen en verklaren;


■

complicaties noemen en herkennen;

■

onderzoek/diagnostiek toelichten;

■

behandelingen/therapie uitleggen.

Om de samenhang van deze gegevens te snappen, is anatomische kennis en fysiologisch begrip nodig. De verschijnselen bij een longontsteking bijvoorbeeld zijn beter te verklaren, als je de bouw en werking van de longen doorziet. Risicofactoren en preventie van trombose zijn beter te begrijpen met kennis van de bloedsomloop en het stollingsproces. En om diagnostiek en therapie van suikerziekte te snappen, moet je weten hoe insuline werkt. Daarom begint elk hoofdstuk met wat gerichte anatomie/fysiologie, nodig om de ziekteleer te begrijpen. Voor het schrijven van dit boek was feedback van studenten tijdens ruim twintig jaar onderwijs onmisbaar. Ik wil alle leerlingen bedanken voor hun inzet bij de lessen en het bestuderen van onderwijsmateriaal. Dankzij opmerkingen van studenten en mededocenten zijn teksten en opdrachten steeds verbeterd. Veel hoofdstukken zijn in samenwerking met collega’s ontwikkeld. Mijn kamergenoten wil ik hiervoor speciaal bedanken. Wat goed werkt, is gewoonlijk ontstaan door voortdurende aanpassing. Daarom ontvang ik graag opmerkingen over Klinische pathologie. U kunt hiervoor een mail sturen naar ho@thiememeulenhoff.nl. Voor het bijstellen van dit leerboek wordt directe kritiek van gebruikers gewaardeerd. Coen van Heycop ten Ham


Inhoudsopgave Thema A: Basisbegrippen 1

Diagnostiek en therapie

13

15

Studieactiviteiten Diagnostiek en therapie (1) 2

Cytologie/histologie

25

Studieactiviteiten Cytologie/histologie (2) 3

4

Ziekteoorzaken

33

35

3.1

Endogene factoren 35

3.2

Exogene factoren 38

3.3

MultifactoriĂŤle aandoeningen

41

Studieactiviteiten Ziekteoorzaken (3)

42

Afweer/ontsteking

45

4.1

Afweer

4.2

Ontsteking

46

4.3

Hiv en aids 54

4.4

Allergie

48

56

Studieactiviteiten Afweer (4.1)

58

Studieactiviteiten Ontsteking (4.2)

58

Studieactiviteiten Hiv en aids (4.3)

59

Studieactiviteiten Allergie (4.4) 5

Algemene tumorleer 5.1

5.2

59

61

Algemene tumorleer

61

5.1.1

Benigne tumoren

62

5.1.2

Maligne tumoren

64

Mammacarcinoom (borstkanker)

71

Studieactiviteiten Algemene tumorleer (5.1) Studieactiviteiten Mammacarcinoom (5.2) 6

Inleiding farmacologie

74 75

77

6.1

Farmacokinetiek

6.2

Farmacodynamiek

78 82

Studieactiviteiten Inleiding farmacologie (6)

Thema B: Klinische ziektebeelden 7

Respiratie (ademhaling) 7.1

Ademhaling 7.1.1

7.2

22

84

87

89

90

Respiratoire controles/parameters

Pneumonie 99

96


7.3

Pneumothorax

7.4

Pleuritis

7.5

Astma bronchiale

7.6

COPD

7.7

101

103 104

106

7.6.1

Chronische bronchitis

7.6.2

Longemfyseem

Longkanker

106

107

109

Studieactiviteiten Respiratie/ademhaling (7.1) Studieactiviteiten Pneumonie (7.2)

110

Studieactiviteiten Pneumothorax (7.3) Studieactiviteiten Pleuritis (7.4)

111

111

Studieactiviteiten Astma bronchiale (7.5) Studieactiviteiten COPD (7.6)

112

112

Studieactiviteiten Longkanker (7.7) 8

110

113

Hart en vaten 115 8.1

Hart en vaten 116 8.1.1

Bloedsomloop/circulatie: klein en groot

8.1.2

Circulatoire controles/parameters

8.1.3

Intensieve bewaking

8.2

Shock

8.3

SIRS, sepsis en septische shock

8.4

Atherosclerose

8.5

Coronair sclerose

116

122

125

126 131

134 137

8.5.1

Stabiele angina pectoris

8.5.2

(Dreigend) infarct/acuut coronair syndroom

8.6

Ischemische beenklachten 144

8.7

Hypertensie

8.8

Hartfalen

139 140

145

148

Studieactiviteiten Hart en vaten (8.1) Studieactiviteiten Shock (8.2)

152

153

Studieactiviteiten SIRS, sepsis en septische shock (8.3)

155

Studieactiviteiten Atherosclerose (8.4) & Coronair sclerose (8.5) Studieactiviteiten Ischemische beenklachten (8.6) Studieactiviteiten Hypertensie (8.7) Studieactiviteiten Hartfalen (8.8) 9

Bloed

159

9.1

Bloed 160 9.1.1

9.2

Bloedstolling

Zuur-base-evenwicht

157

165 168

157

156

155


9.3

Anemie/bloedarmoede

9.4

Leukemie en lymfomen

170 174

9.4.1

Leukemie 174

9.4.2

(Non) Hodgkin lymfomen

9.5

Diepe veneuze trombose

9.6

Verhoogde bloedingsneiging

Studieactiviteiten Bloed (9.1)

175

176 179

184

Studieactiviteiten Zuur-base-evenwicht (9.2)

185

Studieactiviteiten Anemie/bloedarmoede (9.3)

185

Studieactiviteiten Leukemie en lymfomen (9.4)

186

Studieactiviteiten Diepe veneuze trombose (9.5)

187

Studieactiviteiten Verhoogde bloedingsneiging (9.6) 10

Zenuwstelsel/neurologie 10.1

Zenuwstelsel

10.2

Pijn

10.3

Epilepsie

10.1.1

189

190

Neurologische controles

199

201 206

10.3.1

Gegeneraliseerde epilepsie

10.3.2

Partiële epilepsie (locatiegebonden epilepsie)

10.4

Cerebrale uitval 210

10.5

Intracraniële drukverhoging

10.6

CVA/beroerte

10.7

Ziekte van Parkinson

10.8

Dementie

206

213

216 221

223

Studieactiviteiten Zenuwstelsel (10.1) Studieactiviteiten Pijn (10.2)

226

226

Studieactiviteiten Epilepsie (10.3)

226

Studieactiviteiten Cerebrale uitval (10.4)

227

Studieactiviteiten Intracraniële drukverhoging (10.5) Studieactiviteiten CVA/beroerte (10.6)

227

Studieactiviteiten Ziekte van Parkinson (10.7)

11

187

Studieactiviteiten Dementie (10.8)

229

Enkele psychiatrische afwijkingen

231

11.1

Delier

232

11.2

Alcohol en drugs

11.3

Psychose 234

11.4

Depressie en manie

236

11.4.1

Depressie

236

11.4.2

Manie 238

233

228

227

208


Studieactiviteiten Delier (11.1)

240

Studieactiviteiten Alcohol en drugs (11.2) Studieactiviteiten Psychose (11.3)

240

240

Studieactiviteiten Depressie en manie (11.4) 12

Huid, thermobalans en wonden 12.1

Huid en thermobalans

12.2

Verbranding

12.3

Wonden 252

242

245

245

250

Studieactiviteiten Huid en thermobalans (12.1) Studieactiviteiten Verbranding (12.2) Studieactiviteiten Wonden (12.3) 13

Spijsvertering/digestivus

Spijsvertering/digestief

13.2

Peritonitis/Ileus

262

268

13.2.1

Peritonitis

13.2.2

Ileus

Ulcus pepticum

258

261

13.1

13.3

257

258

268

273 277

13.3.1

Gastro-oesophageale reux

13.3.2

Ulcus duodeni en ulcus ventriculi

13.4

Ziekte van Crohn en colitus ulcerosa

13.5

Obstipatie

13.6

Levercirrose

277 279

281

283 284

Studieactiviteiten Spijsvertering/digestief (13.1) Studieactiviteiten Peritonitis/ileus (13.2)

288

Studieactiviteiten Ulcus pepticum (13.3)

290

288

Studieactiviteiten Ziekte van Crohn en Colitis ulcerosa (13.4) Studieactiviteiten Obstipatie (13.5)

291

Studieactiviteiten Levercirrose (13.6) 14

Vochtbalans/uitscheiding 14.1

14.2

291

293

Vochtbalans/uitscheiding

294

14.1.1

Compartimenten en samenstelling

14.1.2

Nierfysiologie

14.1.3

Vochtbalans

294

295 298

Afwijkende vocht- en elektrolytenbalans

300

14.2.1

Dehydratie

300

14.2.2

Overvulling

301

14.2.3

Hypo- en hyperosmolariteit

14.2.4

Hypo-iso- en hypertone dehydratie

14.2.5

Hypo- en hypertone overvulling

301 304

305

290


14.3

14.2.6

Hypokaliemie (K+ < 3 mmol/l)

305

14.2.7

Hyperkaliemie (K+ > 6 mmol/l)

305

Acuut en chronisch nierfalen 14.3.1

Acuut nierfalen

14.3.2

Chronisch nierfalen

14.4

Urineweginfecties

14.5

Nierstenen

14.6

Urine-incontinentie

306

306 308

312

315 318

Studieactiviteiten Vochtbalans/uitscheiding (14.1)

320

Studieactiviteiten Afwijkende vocht- en elektrolytenbalans (14.2) Studieactiviteiten Acuut en chronisch nierfalen (14.3) Studieactiviteiten Urineweginfecties (14.4) Studieactiviteiten Nierstenen (14.5)

Motoriek/beweging

321

323

323

Studieactiviteiten Urine-incontinentie (14.6) 15

324

327

15.1

Bewegingsapparaat

328

15.2

Fractuurleer (botbreuken) 342

15.3

Osteoporose

15.4

Enkele reumatische afwijkingen

351 353

15.4.1

Reumatoïde artritis

354

15.4.2

Artrose/Artrosis deformans

15.4.3

Jicht

15.4.4

Ziekte van Bechterev (Spondylitis Ankylopoetica)

355

356

Studieactiviteiten Bewegingsapparaat (15.1)

359

Studieactiviteiten Fractuurleer (botbreuken) (15.2) Studieactiviteiten Osteoporose (15.3)

360

361

Studieactiviteiten Enkele reumatische afwijkingen (15.4) 16

Endocrinologie/hormonen

Endocrinologie/hormonen

16.2

Diabetes mellitus

16.4

361

363

16.1

16.3

321

364

368

16.2.1

Diabetes mellitus type 1 369

16.2.2

Diabetes mellitus type 2 372

Schildklierafwijkingen

376

16.3.1

Hyperthyreoïdie

376

16.3.2

Hypothyreoïdie

377

16.3.3

Struma

378

Bijnierafwijkingen

380

16.4.1

Syndroom en ziekte van Cushing

380

16.4.2

Bijnierschorsinsufficiëntie/ziekte van Addison

382

358


Studieactiviteiten Endocrinologie/hormonen (16.1) Studieactiviteiten Diabetes mellitus (16.2)

Studieactiviteiten Schildklierafwijkingen (16.3) Studieactiviteiten Bijnierafwijkingen (16.4) 17

Genitaliën/voortplanting 17.1

17.2

383

383 384

384

387

Genitaliën/voortplanting

388

17.1.1

Mannelijke geslachtsorganen

17.1.2

Vrouwelijke geslachtsorganen

388 390

Prostaathyperplasie en prostaatkanker

393

17.2.1

Benigne prostaathyperplasie

393

17.2.2

Prostaatkanker

394

17.3

Zwangerschap en bevalling

395

17.4

Zwangerschapshypertensie, pre-eclampsie en HELLP 401

17.5

Fluxus/vloeien

404

Studieactiviteiten Genitaliën/voortplanting (17.1)

406

Studieactiviteiten Prostaathyperplasie en prostaatkanker (17.2) Studieactiviteiten Zwangerschap en bevalling (17.3)

407

407

Studieactiviteiten Zwangerschapshypertensie, pre-eclampsie, HELLP (17.4) Studieactiviteiten Fluxus/vloeien (17.5) 18

Zintuigen/sensoriek 18.1

Zintuigen

408

411

412

18.1.1

Zien 413

18.1.2

Gehoor 415

18.1.3

Reuk en smaak

18.1.4

Sensibiliteit

18.2

Cataract

18.3

Glaucoom

18.4

Otitis media

417

418

418 419 420

Studieactiviteiten Zintuigen (18.1) Studieactiviteiten Cataract (18.2)

421 421

Studieactiviteiten Glaucoom (18.3) Studieactiviteiten Otitis media (18.4)

422 422

408


Thema

A: Basisbegrippen

13


Thema

14

A: Basisbegrippen


Hoofdstuk 1 Diagnostiek en therapie

1

Diagnostiek en therapie

Inleiding

Leerdoelen

Om tot een diagnose te komen, begint een arts

De student kan:

met het minst belastende onderzoek:

1

■

houden;

schiedenis. 2

■

inspectie (kijken);

■

percussie (kloppen);

■

auscultatie (luisteren);

■

palpatie (betasten voelen).

vier onderdelen van het lichamelijk onderzoek beschrijven;

Dan volgt het eenvoudige lichamelijk onderzoek met de zintuigen van de arts:

uitleggen wat de speciële anamnese, de algemene anamnese en een heteroanamnese in-

de anamnese is een gesprek over de ziektege-

3

uitleggen hoe een arts tot een (differentiaal) diagnose komt;

4

frequente bij (poli)klinische patiënten verrichte onderzoeken toelichten;

5

voorbeelden geven van preventieve, curatieve, palliatieve, causale en symptomatische behan-

Daarna stelt de arts een differentiaal diagnose op.

delingen.

Deze DD is een rijtje ziekten die de arts overweegt na anamnese en lichamelijk onderzoek met de meest waarschijnlijke bovenaan.

Anamnese

Daarna vraagt de arts (bio)chemisch onderzoek,

Deze bestaat uit de speciële anamnese (over de

beeldvormend onderzoek of functieonderzoek aan,

hoofdklacht) en de algemene anamnese (overige

om afwijkingen uit de differentiaal diagnose aan te

ziektegeschiedenis).

tonen of uit te sluiten. Vaak is dat bloedonderzoek

In de speciële anamnese wordt het wat, waar en

om allerlei biochemische afwijkingen op te sporen

wanneer van de hoofdklacht besproken. In de

of beeldvormend onderzoek naar anatomische af-

woorden van de patiënt wordt vermeld wat de aard

wijkingen. Zo kan een arts tot één diagnose komen,

van de hoofdklacht is; bijvoorbeeld snoerende pijn,

die een basis vormt voor de therapie.

knobbel gevoeld, kortademigheid, enzovoort. Dan volgt de plaats: wijs eens aan waar de pijn, waar de

15


Thema

A: Basisbegrippen

knobbel zit? Klachten als kortademigheid kan de

opnemen voor nadere gegevens. Deze perso-

patiënt natuurlijk niet lokaliseren (plaatsen).

nen moeten ook informatie krijgen over de behandeling.

Daarna wordt het verloop van de hoofdklacht in kaart gebracht: Wanneer heeft u dat voor het eerst

■

Drugs: alcohol, roken en overige drugs. Alco-

gemerkt? Is het daarna steeds aanwezig geweest of

holisme kan bijvoorbeeld de verklaring zijn van

wisselend, enzovoort?

geheugenproblemen of leverstoornissen. Roken

Voor effectieve communicatie wordt geregeld ge-

verhoogt de kans op longkanker en hart- en

werkt volgens de SBAR methode. (situation, back-

vaatziekte zo, dat deze ziekten bij rokers hoger

ground, assessment, recommendation). De speciële anamnese komt dan (grotendeels) overeen met si-

in de differentiaal diagnose (DD) komen. ■

Eten: vragen naar de laatste maaltijd is vooral

tuation, want bij beide staat de hoofdklacht/het

van belang als patiënt bewusteloos kan wor-

actuele probleem centraal.

den, of geopereerd moet worden. Want er is

In de algemene anamnese worden onder meer

dan gevaar voor aspiratie (maaginhoud, die in

besproken:

de luchtwegen komt).

■

■

■

Allergie voor penicilline, rode/bruine pleisters en jodiumverbindingen bijvoorbeeld. In dat

Gewoonlijk geeft de patiënt zelf een auto-anam-

geval kan men alternatieve antibiotica, andere

nese. Bij babies, bij coma, bij vergevorderde de-

verbanden, of desinfecterende stoffen en ra-

mentering, bij ernstige psychiatrische problemen en

diodiagnostiek zonder jodium overwegen.

forse verstandelijke handicaps is echter (ook) een

Afwijkingen /ziekten, waarmee patiënt al be-

heteroanamnese nodig. Dat betekent dat familie of

kend is. Bij de diagnostiek en behandeling kan

verzorgers de benodigde gegevens verstrekken

daarmee dan rekening worden gehouden. Het

over de patiënt.

is bijvoorbeeld belangrijk om van tevoren te

De algemene anamnese komt (vrijwel) overeen met

weten dat een patiënt suikerziekte of een

de background volgens de SBAR methode voor

slechte bloedstolling heeft.

communicatie. Ze gaan beide over andere relevante

Behandelingen: gewoonlijk gaat het om een

gegevens uit de ziektegeschiedenis dan de hoofd-

lijst met geneesmiddelen, die de patiënt ge-

klacht/situation.

bruikt. Medicijngebruik is onder andere van belang, omdat deze invloed kan hebben op de ziekteverschijnselen. Geneesmiddelen vermin-

■

16

Lichamelijk onderzoek

deren meestal symptomen, maar ze kunnen

Voor de inspectie is de patiënt meestal (deels) uit-

ook klachten veroorzaken (bijwerkingen). Ook

gekleed. Er wordt gelet op vormafwijkingen en op

bij de patiënt verrichte operaties zijn van be-

de kleur; bijvoorbeeld bleek, rood, cyanotisch

lang. Als iemand bijvoorbeeld komt met buik-

(blauw), icterisch (geel), enzovoort. Artsen verge-

klachten, is het handig te weten of de patiënt al

lijken gewoonlijk de afwijkende met de gezonde

een appendectomie (blindedarmoperatie) heeft

kant, omdat mensen normaal vrijwel symmetrisch

ondergaan.

zijn. Bij echo, röntgenonderzoeken en MRI wordt

Contactpersonen: gezinsleden, familie, verzor-

daarom soms ook de gezonde kant afgebeeld. Als

gers, behandelaars waarmee men contact kan

er dingen zijn die al meteen opvallen, zoals ernstig


Hoofdstuk 1 Diagnostiek en therapie

ziek, geelzucht, verward, kortademig, en dergelijke

opzichte van de sonore long en de wisselende

wordt dat natuurlijk ook beschreven bij de inspec-

tympanie van darm en maag.

tie.

Voor auscultatie wordt vrijwel altijd een stetho-

Bij percussie klopt de arts met zijn vinger op vingers

scoop gebruikt, maar het kan ook met het oor di-

van zijn andere hand, die hij tegen de huid van de

rect op de huid.

patiënt drukt. Zo is het verschil tussen luchthou-

Over de longen is normaal (‘vesiculair’) ademgeruis

dende organen en massieve organen goed vast te

te horen bij in- en uitademen. Afwijkende geluiden

stellen. Normaal longweefsel klinkt sonoor alsof je

zijn onder andere ronchi (rochelende geluiden),

op een gitaar klopt, een demping over de longen

wheezes (fluittonen) en crepitaties (knisperen als

kan wijzen op vochtophoping of tumoren. Lever-

belletjes in een glas frisdrank).

weefsel en blaas hebben door ontbreken van lucht

Normaal zijn er twee harttonen te horen: sluiten

juist een matte percussie, alsof je op een lap vlees

van de AV-kleppen (tussen boezems en kamers) en

klopt. Boven maag en darmen is er wisselende

sluiten van de arteriële kleppen (tussen hart en

tympanie omdat de ene keer geklopt wordt op een

slagaders). Een abnormaal geluid wordt souffle

luchtbel en de ander keer is de holte gevuld met

(geruis) genoemd en komt vaak door klepafwijkin-

vloeistof. Op die manier kan bijvoorbeeld de le-

gen.

vergrootte redelijk bepaald worden. De matte le-

Over de buik is normaalgesproken iets van peri-

verpercussie is namelijk goed af te grenzen ten

staltiek (maag- darmbewegingen) te horen, alleen bij een peritonitis (buikvliesontsteklng) is er een stille buik. Een gastroenteritis (‘voedselvergiftiging’) gaat juist gepaard met heel levendige peristaltiek, omdat het lichaam de verwekker probeert uit te scheiden. Bij een mechanische ileus (‘darmafsluiting’) kunnen er gootsteengeluiden gehoord worden. Palpatie is het betasten van lichaamsdelen via de huid en via lichaamsopeningen: vaginaal (met twee

Figuur 1.1

Percussie

vingers in de schede) en rectaal toucher (met één vinger in de anus). De meeste organen in de buik en ontspannen spieren zijn zacht (zoals lippen). Ogen, baarmoeder en prostaat voelen vast-elastisch aan (zoals de neuspunt), botten zijn uiteraard hard. Afwijkingen bij palpatie zijn bijvoorbeeld een knobbelige leverrand bij cirrose, een infiltraat (ontstekingsmassa) en vergrotingen van baarmoeder of prostaat. Bij palpatie wordt ook gelet op drukpijn, defense musculair (reflexmatig aangespannen

Figuur 1.2

Ausculatie

buikspieren) en loslaatpijn (pijn als de arts ophoudt met drukken).

17


Thema

A: Basisbegrippen

derzoek toont geen afwijkingen. Dan kan de DD zijn: ■

diabetes mellitus (suikerziekte);

■

urineweginfecties (blaasontsteking);

■

zwangerschap.

De arts zal dan een urinesediment, een zwangerschapstest en een bloedglucosebepaling aanvragen om de overwogen aandoeningen aan te tonen of uit te sluiten. Differentiaal diagnosen kunnen ook lang en moeilijk zijn. Als een veertigjarige vrouw klaagt over heftige buikpijn rond de navel, met verhoging en misselijkheid sinds enkele uren, en als het lichamelijk onderzoek weinig peristaltiek toont met wat defense musculaire (gespannen buikspieren), dan komt onder andere in de DD:

Figuur 1.3

Palpatie van de lever

■

appendicitis (blindedarmontsteking);

■

cholecystitis (galblaasontsteking);

■

Crohn/colitis ulcerosa (chronische darmontstekingen);

■

diverticulitis (ontsteking van darmuitstulpingen);

Wat te zien, te horen en te voelen is, maakt ook deel uit van de assessment bij de SBAR. Maar

■

gastroenteritis (voedselvergiftiging);

daarbij worden ook andere relevante metingen

■

darmpoliepen/darmkanker;

vermeld, zoals zuurstofverzadiging, bloeddruk en

■

cystitis (blaasontsteking);

temperatuur. Ook ECG-veranderingen en afwij-

■

nefrolithiasis (nierstenen);

kende laboratoriumwaarden kunnen bij de assess-

■

blaaspoliepen/blaaskanker;

ment horen. Zeker die laatste gegevens vallen niet

■

soa’s (geslachtsziekten);

onder het lichamelijk onderzoek.

■

endometriose (baarmoederslijmvlies op verkeerde plek);

Differentiaal diagnose (DD)

■

myomen (vleesbomen);

■

gynaecologische kankers;

Dit is een lijstje afwijkingen, dat de arts overweegt

■

(buitenbaarmoederlijke) zwangerschap;

als verklaring van de klachten en bevindingen bij

■

vasculaire problemen (vaatafwijkingen);

lichamelijk onderzoek in volgorde van waarschijn-

■

psychogene problemen (na incest, verkrach-

lijkheid. Soms is de differentiaal diagnose eenvoudig en kort, bijvoorbeeld: een patiënte klaagt over veel plassen, moeheid en jeuk en lichamelijk on-

18

ting); ■

porfyrie.


Hoofdstuk 1 Diagnostiek en therapie

Het is niet de bedoeling dat je deze differentiaal

een arts ook aanwijzingen krijgen over bijvoorbeeld

diagnose uit je hoofd gaat leren, het gaat slechts

de oorzaak van bloedarmoede.

om de lengte van deze DD. De onderzoekend arts

Geregeld worden ook trombo’s, INR en APTT

zal in zo’n geval meestal bloedonderzoek en uri-

aangevraagd. Trombo’s staat voor trombocyten

neonderzoek aanvragen, zoals hieronder wordt

(bloedplaatjes), INR en APTT zijn testen van vita-

toegelicht. Dan volgt vaak een buikoverzicht met

mine-K afhankelijke en andere stollingsfactoren.

vraagstelling ileus (darmpassagebelemmering),

Deze onderzoeken zijn vooral van belang bij men-

kalkhoudende nierstenen en darmperforatie? Een

sen die antistolling gebruiken of tekenen van stol-

echo kan bloedingen en infiltraten (ontstekings-

lingsproblemen hebben en geopereerd moeten

massa´s) opsporen. Desondanks komt men vaak in

worden.

dergelijke situaties niet tot één diagnose zonder

Vaak, en zeker bij tekenen van een mogelijke in-

laparoscopie (kijkoperatie in de buik). Geregeld

fectie, worden CRP en leukocyten aangevraagd.

wordt de diagnose pas gesteld bij laparotomie

CRP staat voor C Reactief Proteïne en leuko’s is het

(openen van de buik).

aantal witte bloedcellen per liter. Doel van deze bloedtesten is vooral het bevestigen van een (grote)

‘Standaard’ laboratoriumonderzoek

ontsteking ergens in het lichaam.

Hoewel in principe onderzoek gericht gebeurt, is er

paald.

toch een aantal bloedbepalingen, dat bij vrijwel alle

Alat en asat zijn enzymen, die vooral in bloed ko-

(poli)klinische patiënten worden verricht. De patiënt

men bij leverschade. Ze lekken dan uit de lever-

heeft ook geen last van allerlei testen met bloed, als

cellen. Het plasma- bilirubine stijgt onder meer als

de buisjes eenmaal afgenomen zijn. Bloedonder-

de lever deze afvalstof van hemoglobine minder

zoeken zijn over het algemeen goedkoop en er zijn

uitscheidt. Met deze ‘leverfuncties’ kan bijvoor-

geregeld afwijkingen mee op te sporen, die niet

beeld een verzwegen alcoholisme of een sluime-

konden worden vermoed op grond van anamnese

rende hepatitis ontdekt worden met allerlei bio-

en lichamelijk onderzoek. Hier volgt een overzicht

chemische consequenties.

van dergelijk biochemisch onderzoek, omdat dit

Vaak worden Na+, K+, creat en ureum aange-

geregeld ter sprake komt in ziekenhuizen.

vraagd. Bij een goede nierfunctie blijven de con-

Geregeld worden ook asat, alat en bilirubine be-

Vaak worden Hb, Ht en ery’s onderzocht. Hb is de

centraties natriumionen, kaliumionen, creatinine en

hemoglobineconcentratie (het zuurstoftransporte-

ureum in het bloed normaal. Afwijkend Na+ en

rend eiwit), Ht is de hematocriet (volume bloed-

verhoogd K+, verhoogd creat en verhoogd ureum

cellen ten opzichte van bloedvolume) en ery’s het

wijzen (bijna) zeker op verminderde nierfunctie. Een

aantal erytrocyten (rode bloedcellen) per liter. Als

van de redenen om nierfalen op te sporen is dat

het Hb laag is, kan het zuurstoftransport naar de

medicijnen dan veel langzamer uitgescheiden wor-

weefsels in gevaar komen (zeker bij bloedverlies).

den en de dosering dus moet worden aangepast.

Als de Ht erg hoog is door uitdroging, is het risico

Ook wordt frequent de bloedglucose onderzocht.

op trombose (ongewenste stolselvorming) ver-

Dit is vooral om suikerziekte bij ouderen op te

hoogd. Door Hb, Ht en ery’s te combineren, kan

sporen. Oudere diabeten hebben namelijk over het algemeen weinig klachten, maar hun bloedglucose

19


Thema

A: Basisbegrippen

kan wel totaal ontregeld raken door opname en/of

tafbeeldingen van de darmen of CT-onderzoek

operaties.

worden aangevraagd.

Vaak wordt ook het urinesediment beoordeeld. Dit

Bij neurologische uitval, epilepsie of hoofdpijn met

is een onderzoek naar cellen en andere vaste be-

braken worden vaak met CT of MRI afbeeldingen

standelen in urine. Veel bacteriën en veel leukocy-

van de hersenen gemaakt.

ten in het sediment wijzen op urineweginfecties,

Maar preoperatieve thoraxopnamen (afbeeldingen

zoals cystitis (blaasontsteking) en pyelitis (nierbek-

van borstkas met inhoud) worden geregeld zonder

kenontsteking). Wanneer alleen het aantal erytro-

duidelijke reden aangevraagd.

cyten gestegen is, denkt men aan nierstenen of tumoren.

Plaatsaanduiding

Beeldvormend onderzoek

Bij het beschrijven van de ligging van structuren wordt vaak gebruikgemaakt van anatomische ter-

Dit wordt in het algemeen gericht, dus op grond

minologie. De meeste gebruikte termen voor rich-

van bevindingen bij anamnese en lichamelijk on-

ting en plek zijn in Tabel 1.1 gegeven.

derzoek aangevraagd. Als de arts bijvoorbeeld denkt aan fracturen (botbreuken) vraagt hij daarvan röntgenfoto’s aan. Wanneer de arts long- of

Functieonderzoek

hartafwijkingen vermoedt, vraagt hij vrijwel altijd

Dit is onderzoek, waarbij de activiteit getest wordt

thoraxopnamen aan.

van bijvoorbeeld hart, hersenen of ademhaling.

Als de arts ontstekingen in het abdomen (de buik)

Elektrofysiologisch onderzoek gebeurt door de mi-

overweegt, kunnen een echo, een

nimale stroompjes van organen op te vangen en te

buikoverzichtsopname (X buikoverzicht), contras-

versterken. Bij Elektrocardiografie (ECG) gaat het om elektrische hartactiviteit, elektroencephalografie (EEG) brengt elektrische hersenactiviteit in kaart. Bij longfunctieonderzoek worden allerlei ademvolumes bepaald. Dat gebeurt door patiënt te laten ademen in een apparaat, dat de hoeveelheden lucht meet, die erin en eruit gaan. Bij (vrijwel) alle mensen ouder dan vijftig jaar wordt in ziekenhuizen een ECG (elektrocardiogram) gemaakt. Met dat ongevaarlijk onderzoek kunnen onder meer hartritmestoornissen en hartinfarcten in kaart worden gebracht. Deze hartafwijkingen zijn namelijk niet altijd bij anamnese en lichamelijk onderzoek te ontdekken, maar kunnen wel fatale gevolgen hebben.

Figuur 1.4

20

CT scan


Hoofdstuk 1 Diagnostiek en therapie

Tabel 1.1 Liggingsaanduidingen Terminologia anatomica

In Nederlands

Ventraal

Aan de buikzijde

Voorbeeld Het borstbeen ligt ventraal van het hart. De aorta ligt ventraal van de wervels. De navel ligt ventraal van het abdomen (de buik).

Dorsaal

Aan de achterzijde

De hersenen liggen dorsaal van de ogen. Het schouderblad ligt dorsaal van de thorax (borstkas met inhoud). Het rectum zit dorsaal van de blaas.

Craniaal (alleen in romp

Richting het hoofd

en hoofd)

De longen liggen craniaal van de lever. De lever ligt craniaal van de darmen. De hals zit craniaal van de thorax.

Caudaal (alleen in romp

Richting staartbeen

en hoofd)

De maag ligt caudaal van het hart. De geslachtsorganen liggen caudaal van de maag. Het abdomen ligt caudaal van het middenrif.

Mediaal

Richting de middenlijn

De neus zit mediaal van de ogen. Het hart zit mediaal van de longen. De baarmoeder zit mediaal van de eierstokken.

Lateraal

Weg van de middenlijn

De tepel ligt lateraal van het borstbeen. De nieren liggen lateraal van de wervelkolom. De heupen zitten lateraal van de geslachtsorganen.

Proximaal

Richting het middelpunt

De schouder zit proximaal van de elleboog. De elleboog zit proximaal van de pols. De pols zit proximaal van de vingers.

Distaal

Verder van het middel-

De knie zit distaal van de heup.

punt

De enkel zit distaal van de knie. De tenen zitten distaal van de enkel.

Therapie

Therapieën kunnen op de volgende manieren ingedeeld worden:

Doel van diagnostiek is een juiste therapie (be-

■

preventief, curatief of palliatief;

handeling) in te stellen. Pas als de arts weet wat er

■

causaal of symptomatisch;

mis is, kan hij/zij een gerichte behandeling voor-

■

operatief of conservatief.

schrijven.

21


Thema

A: Basisbegrippen

Preventie is gericht op het voorkomen van ziekten,

2 Bij welke patiënten is een heteroanamnese no-

of op het in een vroeg stadium ontdekken van af-

dig?

wijkingen en die dan behandelen. Voorbeelden van

3 Is het voor een echo van de buik handig te weten

preventieve maatregelen zijn: vaccinaties, risicofac-

welke behandelingen de patiënt heeft ondergaan?

toren verminderen en mammografiën om borst-

Motiveer je antwoord.

kanker op te sporen.

4 Waarom wordt bij een eenzijdige afwijking vaak

Doel van een curatieve therapie is genezing, dit

ook de andere zijde onderzocht/afgebeeld?

lukt overigens niet altijd. Bij curatieve behandelin-

5 Waarom let een arts bij het palperen van de buik

gen kan je denken aan antibiotica bij bacteriële

op het gezicht van de patiënt?

infecties of aan operaties, waarbij de afwijking

6 Een patiënt met hartfalen heeft een souffle.

verwijderd wordt: appendectomie, cholecystecto-

Waarop wijst een souflle meestal?

mie, enzovoort. Ook corrigerende operaties bij

7a Op welke afdelingen wordt veel differentiaal

aangeboren afwijkingen zijn curatief.

diagnostiek verricht?

Palliatieve therapie is gericht op verzachting van

b Op welke afdelingen is de diagnose meestal al

lijden bij ongeneeslijke ziekten. Voorbeelden van

bekend?

palliatieve behandeling zijn: morfine, aanleg van

8 Leg uit waarom preoperatief (voor een operatie)

een ontlastend stoma en bestraling van botuit-

vaak de volgende bloedonderzoeken worden aan-

zaaingen bij te ver verspreide kanker.

gevraagd.

Een causale therapie is gericht op de oorzaak.

■

Hb, Ht en ery’s;

Voorbeelden daarvan zijn: voedingsadviezen bij

■

APTT. INR en trombo’s;

tekorten aan vitaminen of mineralen en tuberculo-

■

CRP en leuko’s;

statica (geneesmiddelen tegen de tuberkelbacil) bij

■

ASAT, ALAT en bilirubine;

tbc.

■

Na+, K+. creat en ureum;

Doel van symptomatische therapie is verminderen

■

glucose;

van verschijnselen. Voorbeelden van symptomati-

■

urine sediment;

sche behandelingen zijn: insuline-injecties bij dia-

■

ECG.

beten en zuurstoftoediening bij longemfyseem. Bij operatieve therapie wordt er onder andere door

9 Iemand heeft veel pijn aan de pols na een val. De

snijden en vasthechten anatomisch iets veranderd

stand van de hand is abnormaal (anders dan de

aan de patiënt. Alle overige behandelingen (medi-

andere hand). Ook is de pols gezwollen met ver-

catie en voorlichting bijvoorbeeld) worden dan

kleuring. Wat komt er waarschijnlijk bovenaan in

conservatief genoemd, want de anatomie blijft

de differentiaal diagnose en welk onderzoek kan dit

behouden.

aantonen? 10 Verzin bij de anatomische richtingsaanduidingen

Studieactiviteiten Diagnostiek en therapie (1) 1 Wat komt er in de speciële anamnese ter sprake. In welke volgorde?

22

andere voorbeelden, dan die genoemd in de laatste kolom van de tabel. Gebruik eventueel een anatomieboek om op te zoeken hoe organen liggen ten opzichte van elkaar.


Hoofdstuk 1 Diagnostiek en therapie

11 Pneumoniën (longontstekingen) komen postoperatief vaak voor. Zijn dan voorgeschreven antibiotica curatief, palliatief, causaal en/of symptomatisch. Motiveer je antwoord (N.B. meerdere antwoorden zijn mogelijk, mits beargumenteerd). 12 Welke artsen spreken vaak over operatieve of conservatieve behandeling? 13 Een oude man met suikerziekte is gevallen. Hij is bekend met een mitralisklepinsufficiëntie (lekkende klep tussen linker boezem en kamer), hartritmestoornissen en een vergrote prostaat. Meneer is slecht aanspreekbaar en zijn rechterpols is gezwollen en verkleurd. Zijn dochter is met hem naar de spoedeisende hulp gekomen. Na het lichamelijk onderzoek wordt bloedonderzoek (onder andere glucose), een ECG en een echo cor (echo van het hart) aangevraagd. a Geef voorbeelden van vragen die zijn dochter hopelijk kan beantwoorden. b Welke afwijking(en) kan de arts constateren bij inspectie? c Welke afwijking kan de arts vaststellen bij auscultatie? d Welke afwijking kan de arts constateren bij rectaal toucher? e Waardoor kan hij mogelijk gevallen zijn? (Korte differentiaal diagnose). f Waarom wordt bij hem een bloedglucose gemeten? g Wat is het doel van een ECG in deze situatie? h Stel dat hij behandeld moet worden met insuline en vocht per infuus. Is die therapie preventief, curatief of palliatief? Is die infusie causaal of symptomatisch? i Stel dat zijn pols is gebroken en wordt behandeld met gips en analgetica (pijnstillers). Zijn deze therapiën curatief of palliatief, causaal of symptomatisch, operatief of conservatief?

23


Thema

24

A: Basisbegrippen


Hoofdstuk 2 Cytologie/histologie

2

Cytologie/histologie

Inleiding

Door differentiatie ontstaan verschillende soorten cellen, die samen weefsels vormen. Organen zijn

Cytologie gaat over losse cellen, bijvoorbeeld van

weer opgebouwd uit diverse weefsels met geza-

een uitstrijkje of uit lichaamsvocht. Bij histologie

menlijke functie(s). Cytologische en histologische

worden weefsels beoordeeld, het materiaal komt

begrippen vormen een basis voor de hoofdstukken

gewoonlijk van een bioptie.

Ziekteoorzaken, Afweer/ontsteking en Algemene

Om het menselijk lichaam te kunnen begrijpen, is

tumorleer.

kennis van cel(-deling) en weefsels van belang. In het lichaam zijn cellen de kleinste levende eenheden. Ze kunnen zichzelf handhaven in een geschikt

Leerdoelen

milieu en zich meestal ook vermenigvuldigen.

De student kan:

Cellen nemen net als dieren zuurstof, brandstoffen,

1

bouwstoffen op en scheiden afvalstoffen zoals

structuren aangeven: celkern met kernmem-

kooldioxide en ammoniak af. Deze kleinste levende eenheden handhaven intracellulaire concentraties

braan, cytoplasma met celmembraan. 2

en kunnen zich vaak voortplanten. Alle celkernen van een individu (uitgezonderd de geslachtscellen)

is troponine onmisbaar.

Kenmerken van epitheel beschrijven en vijf voorbeelden van epithelia noemen.

7

cellen zijn bijvoorbeeld transmittors van belang, levercellen maken veel enzymen en voor spiercellen

Twee verschillen tussen mitose en meiose uitleggen.

6

in de kern schrijft elk celtype (vrijwel) alleen de recepten voor eigen eiwitten over. Voor zenuw-

Beschrijven welke stoffen cellen opnemen en welke ze uitscheiden.

5

len, die dezelfde genetische informatie gebruiken. Uit het standaardkookboek van 46 chromosomen

Uitleggen hoe door differentiatie van cellen de verschillende weefsels zich ontwikkelen.

4

cellen komen door selectief gebruik van hetzelfde DNA. Gedifferentieerde weefsels bestaan uit cel-

Drie celorganellen in het cytoplasma benoemen met hun functie.

3

bevatten dezelfde genetische informatie, verdeeld over 23 paar chromosomen. Verschillen tussen

In een schematische tekening de volgende

Lokalisatie van meerlagig plaveisel epitheel en eenlagig (cilinder) epitheel uitleggen.

8

Twee verschillen tussen exocrien en endocrien klierweefsel uitleggen.

25


Thema

9

A: Basisbegrippen

Bouw en lokalisatie van reticulair, interstitieel, straf bindweefsel en vetweefsel beschrijven.

10 Bouw en lokalisatie van hyalien, elastisch en vezelig kraakbeen beschrijven.

Cellen en organellen Cellen bestaan uit een nucleus (celkern) en cytoplasma, omgeven door membranen (vettige

11 De microscopische bouw en samenstelling van bot beschrijven.

vliezen). De celkern bevat DNA met de genetische code voor eiwitten, zoals enzymen, hormonen en

12 Eigenschappen en lokalisatie van drie soorten spierweefsel beschrijven.

hemoglobine. Buiten de kernmembraan, maar binnen celmembraan bevindt zich cytoplasma (celgel)

13 Bouw en functie van zenuwcellen uitleggen.

met organellen.

14 Samenstelling van bloedplasma toelichten.

De mitochondriĂŤn leveren energie door stoffen uit

15 Drie hoofdsoorten bloedcellen beschrijven met

de voeding en zuurstof om te zetten in kooldioxide

hun functie.

en water (verbranding). In hartspierweefsel zitten

bevruchte eicel

ZENUWCELLEN

zenuwcel

SPIERCELLEN

STEUNCELLEN

DEKCELLEN

stamcel

stamcel

VOORTPLANTINGSCELLEN

stamcel

gladde spiercel bindweefselcel dekcel eicel kraakbeencel dwarsgestreepte spiercel trilhaarcel

zintuigcel botcel

hartspiercel

Figuur 2.1

26

Differentiatie

bloedcellen

kliercelcel

zaadcel


Hoofdstuk 2 Cytologie/histologie

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

2

1 3

4

5

celmembraan lysosoom mitochondrium kern kernplasma kernporie kernlichaampje ribosomen endoplasmatisch reticulum centrosoom celplasma golgi-complex

7 6

8

10 11

9 12

Figuur 2.2

De cel

veel van deze organellen om energie te leveren voor het rondpompen van bloed. Het korrelig/ruw

Celdeling

endoplasmatisch reticulum bevat de ribosomen,

Groei en herstel van weefselverlies vindt plaats door

die aminozuren koppelen tot eiwitten. In levercellen

middel van mitose. Bij die celdeling komen er uit

zijn deze organellen bijvoorbeeld nodig voor de

één cel twee dochtercellen voort, gelijk aan de

aanmaak van bloedeiwitten.

oorspronkelijke.

Het Golgi-apparaat verwerkt producten uit het

Voorafgaand aan de mitose verdubbelt de moe-

endoplasmatisch reticulum en slaat ze op. In klier-

dercel de DNA-strengen in alle 46 chromosomen.

cellen is vaak een uitgebreid Golgi-apparaat om

De ladder (wensteltrap) wordt daartoe opengeritst,

bijvoorbeeld hormonen te bewerken en te bewa-

en bij elke helft wordt een bijpassende helft ge-

ren.

vormd. Door deze overlangse splijting en aanvulling

Lysosomen zijn een soort belletjes vol agressieve

ontstaan twee DNA-strengen identiek aan de oor-

enzymen, die bijv micro-organismen kunnen af-

spronkelijke. Pas tijdens de mitose rollen de chro-

breken. Lysosomen zijn daarom belangrijk in af-

mosomen zich zo op dat ze herkenbaar worden

weercellen.

met de lichtmicroscoop. In de middenfase liggen er 46 op één vlak in een al uitgerekte celkern en dan gaan gelijke DNA-strengen in tegenoverliggende

27


Thema

A: Basisbegrippen

a

b

c

e

f

g

d

a kerninhoud is egaal, chromosomen zijn niet te zien

e chromosomen worden uit elkaar getrokken

b verdubbelde chromosomen zijn zichtbaar en bestaan

f kernmembraan verschijnt

elk uit twee chromatiden c centriolen vormen spoeldraden

g chromatiden despiraliseren en de cel snoert in; de groeifase kan beginnen

d chromosomen rangschikken zich in het equatoriale vlak

Figuur 2.3

Mitose

richting. Zodra elk deel van de celkern de normale

chromosomen verdubbelt. De wenteltrap (ladder)

hoeveelheid DNA heeft ontvangen, splitst de cel-

splijt in de lengte en bij elke helft wordt een pas-

kern zich in tweeën. Daarna snoert ook de cel-

sende gevormd. Maar bij de meiose zoeken de

membraan in tussen de celkernen en ontstaan er

chromosomen van één paar elkaar op. Elk chro-

twee identieke dochtercellen met ieder de helft van

mosoom van ma komt tegen de tegenhanger van

het cytoplasma met organellen. Beide hebben pre-

pa aan te liggen met de vergelijkbare genen. Aan-

cies dezelfde genetische informatie als de moeder-

gezien zo'n paar het DNA al verdubbeld heeft, zijn

cel vóór DNA verdubbeling.

er dan vier strengen. Vervolgens worden er stukjes

Meiose vindt plaats in de geslachtorganen, als daar

DNA uitgewisseld tussen de chromosomen van een

eicellen of zaadcellen gevormd worden. Deze de-

paar, crossing-over genoemd. Hierdoor worden

ling voorkomt dat kinderen tweemaal zoveel DNA

steeds andere stukjes chromosomen doorgegeven,

krijgen als hun ouders en zorgt tegelijk voor een

waardoor de variatie bij het nageslacht bijna ein-

enorme genetische variatie. De meiose begint net

deloos is. Vervolgens worden bij de reductiedeling

als de mitose met een normale cel, die de 46

de gelijknamige chromosomen (met uitgewisselde

28


Hoofdstuk 2 Cytologie/histologie

stukjes) verdeeld over twee cellen. Ze krijgen

In endocriene klieren ligt het epitheel rond bloed-

slechts 23 chromosomen mee, maar wel met ver-

vaten, waaraan het hormonen afgeeft. Dit is bij-

dubbeld DNA . Bij de tweede meiotische deling

voorbeeld te vinden in (bij-) schildklier, bijnieren en

wordt dit weer verdeeld. Deze deling lijkt op een

ovaria/testes. Het secreet uit exocriene klieren gaat

mitose, maar het betreft slechts 23 chromosomen.

via een afvoergang naar huidoppervlak of holte.

Het resultaat van de meiose zijn cellen met de helft

Het klierepitheel scheidt dan bijvoorbeeld slijm of

van het normale erfelijke materiaal. Pas bij een

verteringsenzymen af.

bevruchting komt ook de helft DNA van de partner erbij en zijn er weer 46 chromosomen. De man vormt vanaf de puberteit voortdurend

Bindweefsel en steunweefsel

zaadcellen, vier gelijkwaardige bij elke meiose.

Bindweefsel bestaat uit cellen in een substantie met

Een pasgeboren meisje heeft al voorlopers van ei-

bijvoorbeeld vezels. Reticulair bindweefsel is een

cellen opgeslagen, maar pas bij ovulatie en be-

grof netwerk met cellen, bijvoorbeeld beenmerg.

vruchting worden één of twee meiosen voltooid.

Interstitieel bindweefsel is losmazig en vult spleten

De toekomstige eicel krijgt zowel bij de reductie-

tussen allerlei organen op. Straf bindweefsel be-

deling als bij de tweede meiotische deling alle cy-

staat uit trekvaste collagene vezels en vormt bij-

toplasma en organellen.

voorbeeld lederhuid en pezen. Vetweefsel bevindt zich vooral subcutaan (onderhuids) en rond orga-

Epitheel (dekweefsel)

nen als nieren. Kraakbeen bestaat uit cellen in een (waterrijke) substantie en is niet doorbloed. Hyalien

Epitheel is de aaneengesloten oppervlakkige laag

kraakbeen bekleedt gewrichtsoppervlakken en ver-

cellen in huid of slijmvliezen. Het bekleedt ook

mindert wrijving bij bewegen. Het wordt gevoed

kliergangen.Dit dekweefsel bevat geen bloedvaten

door het synoviale vocht (gewrichtssmeer). Bij ar-

en krijgt voeding en zuurstof via diffusie uit het

trose is dit gewrichtskraakbeen aangetast, wat pijn

bindweefsel eronder.

en bewegingsbeperking veroorzaakt. Elastisch

Meerlagig plaveisel epitheel beschermt tegen uit-

kraakbeen geeft vorm aan oren en neus en wordt

droging en infectie, Er zijn immers veel cellagen

gevoed vanuit dunnehuid/slijmvlies aan beide

tussen kwetsbaarder weefsels en de buitenwereld.

kanten. Vezelig kraakbeen in symfyse verbindt de

Dit dekweefsel in de huid vormt een hoornlaag.

schaambeenderen.

Het slijmvlies in mond en vagina bestaat uit meer-

Botweefsel bestaat uit cellen in een substantie met

lagig niet-verhoornend plaveiselepitheel.

(calcium-) zouten, die het een vaste vorm geven.

Eenlagig (cilinder)epitheel is juist beter in resorptie

De intercellulaire stof bevat ook collagene vezels

of uitscheiding van stoffen. Want deze hoeven dan

die het bot elastisch houden. Lamillair been bestaat

maar door één cellaag naar binnen of juist naar

uit osteonen, die er onder de onder de microscoop

buiten. Darmslijmvlies, dat voedingstoffen opneemt

uitzien als doorgesneden uien. Rond het kanaal van

en klierepitheel, dat enzymen of hormonen afgeeft,

Havers komen namelijk steeds nieuwe ringen in-

is eenlagig epitheel. De luchtwegen zijn bedekt met

tercellulaire substantie met collageen en calcium-

meerrijig trilhaarepitheel en de urinewegen met

zouten. Groei in de breedte komt doordat osteo-

overgangsepitheel.

blasten onder het periost (botvlies) nieuw bot vor-

29


Thema

A: Basisbegrippen

1

4

5 2

3

6

1 trilhaarepitheel 2 kubisch epitheel 3 overgangsepitheel 4 niet-verhoornend plaveiselepitheel 5 eenlagig plaveiselepitheel 6 cilindrisch epitheel

Figuur 2.4

Bouw en functie epitheel

men. De mergholte wordt ook groter, doordat daar

later verbeent. Maar als de stukken in een perfecte

osteoclasten bot afbreken. Lengtegroei van pijp-

stand op elkaar gedrukt worden, is ook directe

beenderen (bij kinderen) vindt plaats in de epify-

botvorming mogelijk vanuit het periost.

saire schijven. In deze groeischijven wordt steeds een nieuw laagje kraakbeen gevormd, dat omgezet wordt in bot: enchondrale verbening.

Spierweefsel

Platte botten, zoals de schedel, worden zonder

Spierweefsel bevat langgerekte cellen met eiwitten

kraakbeenfase gevormd door kalkafzetting in peri-

die in elkaar schuiven bij contractie (samentrek-

ostaal bindweefsel: desmale verbening. Bij gene-

king). Zo verkort de spier actief en kan darmen en

zing van fracturen (botbreuken) komt er gewoonlijk

vaten vernauwen, skeletdelen bewegen of bloed

na bloed eerst kraakbeen tussen de botdelen, dat

rondpompen.

30


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Klinische pathologie by ThiemeMeulenhoff - Issuu