Woordenschat
Pitstop
Dit kan ik nu Blok
Hoe ging jouw pitstop? Kleur voor elk goed antwoord een vakje in. Begin bij 1.
Dit kan ik nog Blok
AANTAL GOEDE ANTWOORDEN
Hoofdstuk
2
15 14 13 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
1
1
2
3
2
4
5
3
6
7
4
8
9
5
10
11
6
12
AANTAL GOEDE ANTWOORDEN
Hoofdstuk
1
1
2
3
2
4
5
3
6
7
4
8
9
5
10
11
6
12
15 14 13 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Tip! Je leert elke dag nieuwe woorden, op school, maar ook daarbuiten. Je woordenschat groeit dus vanzelf, maar je leert nog meer en sneller nieuwe woorden als je geïnteresseerd bent in het onderwerp. Lees veel en vooral dingen die je echt interesseren. Of je nu van spannende verhalen houdt of over jouw hobby leest: leesplezier vergroot je woordenschat.
3
Woordenschat
Mijn pittige woorden Woord
6
Woord
Uitleg
Uitleg
7
Spreken & luisteren
Tips
Gesprekstips Houd je aan de gespreksregels: Let erop dat iedereen aan de beurt komt. Kijk de ander aan als je praat. Begrijpt hij wat je zegt? Wil hij misschien ook nog iets zeggen?
Voorlezen
Luistermanieren Bedenk wat je wilt weten. Kies dan de luistermanier die erbij past: • Globaal: je volgt alleen de grote lijn. Je let op het belangrijkste en niet op de details. • Precies: je luistert naar alles heel goed, ook de details. • Selectief of gericht: je luistert alleen naar wat je nodig hebt. • Kritisch: je luistert en bedenk meteen of je het ermee eens ben.
Je leest een gedicht anders voor dan een verhaal. Bedenk op welke woorden je de klemtoon legt. Bedenk hoe de toonhoogte (intonatie) van de zinnen is. Laat een stilte vallen op het goede moment. Maak tijdens het lezen je gedichten levendiger met lichaamstaal.
Geef je mening en leg duidelijk uit. Wil de anders iets vragen? Stop dan even, luister en geef antwoord. Let goed op of de ander je begrijpt. Vertel dan pas verder.
Spreektips Zorg ervoor dat je alle woorden duidelijk uitspreekt als je iets vertelt. Maak het spannend. Leg de klemtoon op sommige woorden en zinnen. Let op je spreektoon. Leg duidelijk uit wat je bedoelt. Kijk je publiek aan om te zien of ze je begrijpen. Blijf bij je onderwerp. Heb je verteld wat je wilde vertellen?
Brainstormen
Gesprekstips • De voorzitter leidt het gesprek. • D e verslaggever schrijft op wat er gezegd wordt. • De tijdbewaker houdt de tijd in de gaten. • De aanmoediger zorgt dat iedereen blijft meedoen..
22
Denk niet te lang na. Schrijf snel op wat in je opkomt. Let wel op dat je ideeën passen bij het doel. Alle ideeën zijn waardevol, ook gekke ideeën. Je kunt ideeën veranderen, verbeteren, uitbreiden of samenvoegen.
Gesprekstips De verteller: Maak goede zinnen. Vertel in een goede volgorde en zorg voor samenhang. Kijk naar de luisteraars. Zo zie je of de ander je begrijpt. De luisteraar: Stel vragen om de ander beter te begrijpen. Geef niet meteen je mening.
23
Lezen
Tips
Lees en visualiseer
Globaal en daarna intensief lezen
Een instructietekst lees je eerst globaal (wat ga je maken?) en dan lees je intensief. Visualiseer altijd de stappen. Zie dus elke stap voor je: hoe je dat doet of hoe het product ontstaat. Daardoor begrijp je wat je precies moet doen!
Oriënterend en intensief lezen Soms verzamel je informatie, bijvoorbeeld als je een werkstuk gaat schrijven. Lees de teksten die je vindt dan eerst oriënterend. Dan weet je snel of je de tekst kunt gebruiken voor je werkstuk. Is het een tekst waar je iets aan hebt? Dan lees je de tekst intensief door. Kun je de tekst niet gebruiken? Dan heb je tijd bespaard door niet meteen intensief te gaan lezen.
Je bekijkt eerst de opmaak van de tekst (globaal lezen). Daarna lees je de tekst heel grondig en aandachtig. Je let op de structuur (inleiding, kern, slot), je bepaalt het onderwerp van elke alinea en bedenkt hoe de alinea’s met elkaar samenhangen. Je zorgt ervoor dat je alles goed begrijpt.
Oriënterend lezen Bekijk eerst de opmaak van de tekst. Lees de titel en eventueel vetgedrukte woorden en zinnen. Vaak heb je dan al een idee van de tekstsoort, het onderwerp, de schrijver en het tekstdoel.
Feiten en meningen
Kritisch lezen Als je mening belangrijk is bij het lezen van een tekst, dan lees je de tekst kritisch. Dat is bij een betoog zo, maar kan ook bij andere teksten belangrijk zijn. Na het kritisch lezen van de tekst, bepaal je jouw mening.
24
Lees je een betoog? Let op feiten en meningen! Een feit is waar en kun je controleren. Soms kun je een feit herkennen aan woorden als ‘het is een feit dat …’, ‘onderzoek laat zien…’ of ‘het is bewezen dat….’ Een mening is wat iemand vindt. Je kunt een mening herkennen aan ‘ik vind…’, ‘volgens mij…’, ‘lijkt mij.’ Om een conclusie te kunnen trekken, ga je altijd uit van feiten.
Genietend lezen Als je een boek, verhaal of gedicht leest, doe je dat voor je plezier. Als je het boeiend, mooi of spannend vindt, dan ben je genietend aan het lezen.
25