hbo
De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg Parate vakkennis is voor een goede verpleegkundige beroepsuitoefening van wezenlijk belang. De nieuwe boekenreeks van TM-Zorg biedt verpleegkundigen in opleiding de kennisbasis waarvan al bij stages verwacht wordt dat ze erover beschikken. De inhoud van deze basisboeken sluit aan bij de Body of Knowledge and Skills van het Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde. Elk boek bevat drie onderdelen: * Compacte introductie van de zorgsetting. * Uitgebreide aandacht voor de verpleegkundige: positie, taken, verpleegproces, coördinatie van zorg, kwaliteitszorg, verpleegkundige aandachtsgebieden. * Beschrijving van verschillende patiëntcategorieën. Het accent ligt op de directe zorgverlening. De student krijgt uitgebreide medische en gedragswetenschappelijke kennis aangereikt, gevolgd door een beschrijving van het verpleegkundig handelen. De inhoud is evidence-based en put uit landelijke richtlijnen en zorgprogramma’s. Hoofdstukken worden afgesloten met opdrachten voor verdieping of verbreding van de stof. Bijvoorbeeld een kwaliteitszorgopdracht, een opdracht tot klinisch redeneren bij een casus, een argumentatieopdracht of een opdracht tot beantwoording van een PICO-vraag. Een flink deel van de Nederlandse bevolking lijdt aan een psychische aandoening. Veel vrouwen hebben een depressieve stoornis en veel mannen een middelenstoornis (alcohol, drugs). Mensen met een psychische stoornis krijgen bijna onvermijdelijk te maken met de geestelijke gezondheidszorg, die in Nederland omvangrijk en divers is. Als verpleegkundige in de GGZ ben je meer dan in de op somatiek gerichte zorgvelden bezig met ondersteunen en begeleiden van zorgvragers. Dat gebeurt steeds meer ambulant, met re-integratie in de maatschappij als hoofddoel. In dit boek wordt de moderne GGZ beschreven. Er wordt vooral aandacht besteed aan psychische stoornissen, de behandeling daarvan, en aan de taken van de verpleegkundige in verschillende rollen.
De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg
hbo
De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg
Redactie: Diana Polhuis Ton Vermeij
ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit ThiemeMeulenhoff Zorg Basisboeken, Traject V&V, i-care flex, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie etc.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg
01-HBO zorgboekenGeestelijk.indd 1
09-03-12 12:13
De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg
1201707_binnenwerk.indd 1
18-04-12 07:54
Colofon ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs,
Auteurs Hettie Aardema Tamara Berends Auke Bos Bart Cusveller Tieti Hoekstra Monique Huijdink Marianne de Leeuw Ben Lijten Lizette Littel Anton Loonen Marjan Minderhoud Diana Polhuis Charles van der Stam Giovanni Timmermans Pieter Visscher
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 95257 5 Eerste druk, eerste oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen
Inhoudelijke redactie Diana Polhuis Ton Vermeij
te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het
Ontwerp Binnenwerk: DeltaHage, Den Haag
onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
2
1201707_binnenwerk.indd 2
18-04-12 07:54
Inhoud Woord vooraf 7 Deel 1
Oriëntatie op de geestelijke gezondheidszorg
9
1 Geestelijk gezondheidsprobleem 10 1.1 Geestelijke gezondheidszorg: een fascinerend werkterrein 11 1.2 Relatie lichaam en geest 14 1.3 Categorieën 15 2 De ontwikkeling van de zorg voor cliënten met een psychiatrische stoornis 22 2.1 Historisch perspectief 23 2.2 Zorgsettings 27 2.3 Effectiviteit en efficiëntie van de zorg 29 2.4 Marktwerking en financiering van de GGZ 35 2.5 Benaderingen 36 3 Juridische aspecten en belangenbehartiging 44 3.1 Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst 45 3.2 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 47 3.3 Nieuwe wetgeving gedwongen opname en behandeling 51 3.4 Klachtrecht 53 3.5 Rechtsbescherming in de kinder- en jeugdpsychiatrie 54 3.6 Strafrecht 57 3.7 Belangenbehartiging en medezeggenschap in de GGZ 58 4 De verpleegkundige in de GGZ 62 4.1 Van beroep naar professie 63 4.2 Verpleegkundige rollen en taken in de GGZ 65 4.3 Competenties 72 5 Het verpleegkundig proces in de GGZ 76 5.1 Het verpleegkundig proces in de geestelijke gezondheidszorg 77 5.2 Signaleringsplannen 81 5.3 Het therapeutisch milieu 84 5.4 Crisisinterventie 89 6 Coördinatie en kwaliteitszorg in de GGZ 92 6.1 Coördinatie van zorg 93 6.2 Kwaliteitsbevordering in de GGZ 98
3
1201707_binnenwerk.indd 3
18-04-12 07:54
Deel 2
Categorieën van cliënten
105
1 Verplegen van cliënten met schizofrenie of een andere psychotische stoornis 106 1.1 Herkennen en benoemen van de verschijnselen en symptomen 107 1.2 Behandeling, rehabilitatie en herstel 113 1.3 Verpleegkundige diagnostiek 118 1.4 Verpleegkundig handelen 122 1.5 Zorgvormen 126 Verwerkingsopdracht 129 2 Verplegen van cliënten met een stemmingsstoornis 130 2.1 Stemmingsstoornissen 131 2.2 Eenmalige depressieve stoornis 133 2.3 Bipolaire stoornissen 135 2.4 Organische stemmingsstoornissen 137 2.5 Ontstaan, behandeling en benaderingswijzen 138 2.6 Gezondheids- en bestaansproblemen 147 2.7 Verpleegkundig handelen bij unipolaire stoornissen en organische stemmingsstoornissen 153 2.8 Verpleegkundig handelen bij bipolaire stoornissen 158 Verwerkingsopdracht 163 3 Verplegen van cliënten met een angststoornis 164 3.1 Herkennen en benoemen van angst 165 3.2 Herkennen en benoemen van angststoornissen 166 3.3 Achtergronden en behandeling en benaderingswijzen 171 3.4 Gezondheids- en bestaansproblemen 177 3.5 Het verpleegkundig handelen 179 Verwerkingsopdracht 188 4 Verplegen van cliënten met persoonlijkheidsstoornissen 190 4.1 Herkennen en benoemen van persoonlijkheidsstoornissen 191 4.2 Behandeling en benadering 199 4.3 Gezondheids- en bestaansproblemen 201 4.4 Het verpleegkundig handelen 205 Verwerkingsopdracht 209 5 Verplegen van cliënten met een eetstoornis 212 5.1 Herkennen en benoemen van eetstoornissen 213 5.2 Behandeling en benaderingswijzen 217 5.3 Gezondheids- en bestaansproblemen 220 5.4 Het verpleegkundig handelen 225 Verwerkingsopdracht 228
4
1201707_binnenwerk.indd 4
18-04-12 07:54
6 Verplegen van cliënten met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) en somatoforme stoornissen 230 6.1 Herkennen en benoemen van SOLK en somatoforme stoornissen 231 6.2 Behandeling en benaderingswijzen 234 6.3 G ezondheids- en bestaansproblemen volgens Gordon en NANDA-diagnoses 236 6.4 Het verpleegkundig handelen 238 Verwerkingsopdracht 242 7 Verplegen van cliënten met een verslaving 244 7.1 Verslavingsproblemen 246 7.2 Soorten verslavingen 250 7.3 Ontstaan en diagnostiek 252 7.4 Therapeutische mogelijkheden 254 7.5 Moet er altijd behandeld worden? 262 7.6 Verpleegkundige zorg 262 Verwerkingsopdrachten 268 8 Verplegen van cliënten met suïcidaal gedrag 270 8.1 Begripsomschrijving en opvattingen 271 8.2 Feiten en cijfers 273 8.3 Risicogroepen 275 8.4 Herkennen van suïcidaal gedrag 277 8.5 Zelfverwondend gedrag 279 8.6 Verpleegkundig handelen 280 8.7 Verpleegkundige zorg volgens de NANDA-domeinen 284 Verwerkingsopdracht 288 9 Verplegen van cliënten met agressief gedrag 290 9.1 Achtergronden van agressie 291 9.2 Factoren die van invloed zijn op agressief gedrag 295 9.3 Omgaan met agressief gedrag 302 Verwerkingsopdracht 311 10 Verplegen van kinderen en jongeren met een psychiatrische stoornis 312 10.1 Organisatie van de jeugdzorg 313 10.2 Karakteristieken van de kinder- en jeugdpsychiatrie 317 10.3 De belangrijkste probleemgebieden in de kinder- en jeugdpsychiatrie 320 10.4 Seksueel misbruik 321 10.5 Verplegen in de kinder- en jeugdpsychiatrie 327 Verwerkingsopdracht 335
5
1201707_binnenwerk.indd 5
18-04-12 07:54
11 Verplegen van allochtone cliĂŤnten met een psychiatrische ziekte 336 11.1 De multiculturele samenleving 337 11.2 Transculturele Psychiatrie 342 11.3 Visie op transculturele psychiatrische verpleegkunde 345 11.4 Transculturele verpleegkunde en de gezondheidspatronen van Gordon 347 11.5 Tot slot 355 Verwerkingsopdracht 357 12 Verplegen in de forensische psychiatrie 358 12.1 Wat is forensische psychiatrie? 359 12.2 Karakteristieken van de forensische psychiatrie 362 12.3 De belangrijkste probleemgebieden in de forensische psychiatrie 363 12.4 Verplegen in de forensische psychiatrie 365 Verwerkingsopdracht 373 13 Verplegen van ouderen met een psychiatrische stoornis 374 13.1 Karakteristieken 375 13.2 Feiten en cijfers 376 13.3 Verpleegkundig handelen 379 Verwerkingsopdracht 389 Literatuur 390 Verklarende woordenlijst 404 Register 415
6
1201707_binnenwerk.indd 6
18-04-12 07:54
Woord vooraf Je hebt een opleiding gekozen voor een geweldig en fascinerend beroep: verpleegkundige. Je gaat te maken krijgen met ontzettend veel mensen, die in talloze opzichten van elkaar verschillen. Je gaat ze helpen, ondersteunen, verzorgen bij allerlei aandoeningen. Op een gegeven moment ga je je richten op een bepaalde patiënten- of cliëntencategorie, maar tot die tijd ga je kennis ontwikkelen over álle categorieën. In het op 8 maart 2012 gepresenteerde Beroepsprofiel verpleegkundige zijn verschillende ontwikkelingen geschetst in de maatschappij en in de verpleegkundige beroepsuitoefening. Wat daarin opvalt zijn de tegenstellingen. Deze bijvoorbeeld: de zorg wordt steeds meer persoonsgericht, maar tegelijkertijd ook zakelijker en meer gestandaardiseerd. Verpleegkundigen richten zich op de behoeften en vragen van de individuele patiënt, maar moeten ook zo efficiënt mogelijk werken, de kosten in de hand houden en gebruikmaken van wetenschap. Nog een tegenstelling: van een verpleegkundige wordt zowel generalistische als specialistische kennis en vaardigheid verwacht. In alle settings is behoefte aan verpleegkundigen die veel weten over alles, maar ook aan verpleegkundigen die de diepte in gaan met specifieke expertise, bijvoorbeeld op het gebied van oncologie, neonatologie, diabetes of forensische psychiatrie. In het beroepsprofiel wordt ook duidelijk dat taakverschuiving van arts naar verpleegkundig specialist naar verpleegkundige naar zorgkundige door blijft gaan. De oude domeingrenzen vervagen en verpleegkundigen focussen zich steeds meer op de complexe zorgsituaties. Dit alles betekent dat verpleegkundigen geacht worden een zeer brede kennis- en vaardigheidsbasis te bezitten. Ook moeten zij evidence-based leren werken. De in 2011 door het Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde ontwikkelde Body of Knowledge and Skills benadrukt dat nog eens. ThiemeMeulenhoff heeft een serie studieboeken ontwikkeld die daar naadloos op aansluit: De verpleegkundige in het ziekenhuis 1 – Het verplegen van volwassenen in het ziekenhuis De verpleegkundige in het ziekenhuis 2 – De obstetrie en het verplegen van kinderen en jongeren De verpleegkundige in de geriatrie De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg De verpleegkundige in de zorg voor chronisch zieken Je verwerft door deze boeken de gedegen kennisbasis waarvan vaak al bij het stagelopen verwacht wordt dat je erover beschikt. Een belangrijk kenmerk van de boeken is dat steeds ingegaan wordt op beide kanten van de eerder geschetste tegenstellingen: persoonsgerichtheid en standaardisering. Dit is een kenmerk van evidence-based werken: je maakt
7
1201707_binnenwerk.indd 7
18-04-12 07:54
gebruik van het beste beschikbare bewijs en van de in je instelling beschikbare expertise, maar je richt je tevens op de persoon van de patiënt. Je raadpleegt richtlijnen en protocollen, maar kunt er in individuele gevallen op een verantwoorde manier van afwijken. Elk boek bevat twee delen: Deel 1: een compacte introductie van de zorgsetting en de verpleegkundige. Hiermee krijg je inzicht in de zorgcategorie en de positie en taken van de verpleegkundige, het verpleegproces, de coördinatie en de zorg voor kwaliteit. Deel 2: hoofdstukken met uitgebreide beschrijvingen van verschillende patiëntcategorieën. In dit deel ligt het accent op de directe zorgverlening. De inhoud van de hoofdstukken is volledig evidence-based en put uit actuele landelijke richtlijnen en zorgprogramma’s. Van deel 2 wordt elk hoofdstuk afgesloten met een of meer opdrachten ter verdieping of verbreding. Bijvoorbeeld een kwaliteitszorgopdracht, een opdracht tot klinisch redeneren bij een casus, een argumentatieopdracht of een opdracht tot beantwoording van een PICO-vraag. De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg Een groot deel van de bevolking krijgt te maken met een psychische stoornis. De geestelijke gezondheidszorg is in Nederland dan ook omvangrijk en divers. De verpleegkundige in de GGZ is, meer dan in de op somatiek gerichte zorgvelden, bezig met het ondersteunen en begeleiden van zorgvragers. Steeds meer gebeurt dat ambulant, met re-integratie in de maatschappij als hoofddoel. In dit boek wordt de moderne GGZ beschreven. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de psychische stoornissen en de behandeling daarvan, soms volgens verschillende behandelvisies, en aan de taken van de verpleegkundige in verschillende rollen. Wij wensen je veel succes bij je opleiding en loopbaan als verpleegkundige.
8
1201707_binnenwerk.indd 8
18-04-12 07:54
Deel 1 Oriëntatie op de geestelijke gezondheidszorg In deel 1 maak je kennis met de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) zoals die in Nederland georganiseerd is. Het beschrijven van dit werkveld is geen eenvoudige zaak. Er zijn veel verschillende doelgroepen gerangschikt naar soorten aandoeningen (diagnosegroepen), doelstelling, setting en leeftijd. Denk bij een rangschikking naar leeftijd aan kinder- en jeugdpsychiatrie en aan gerontopsychiatrie. Bijzondere sectoren zijn de verslavingszorg en de forensische psychiatrie. De psychiatrie is bovendien een sector die voortdurend aan verandering onderhevig is. Dat heeft vaak te maken met de visie op wat een geestelijk gezondheidsprobleem eigenlijk is, welke oorzaken er zijn en hoe er voor mensen met een geestelijk gezondheidsprobleem gezorgd moet worden. Er zijn tijden geweest dat men van mening was dat ze het beste af waren in een gesloten inrichting. Er waren echter ook tijden dat de inrichting als ziekmakende omgeving werd gezien. Er zijn in de psychiatrie verschillende periodes van richtingenstrijd geweest. In alle therapievormen en denkwijzen die er op dit moment bestaan, zie je daar nog elementen van terug. We besteden aandacht aan de centrale rol van de verpleegkundige in de GGZ. Je hebt als verpleegkundige belangrijke taken ten aanzien van het curatieve aspect van de zorg. De psychiatrische behandeling wordt namelijk voor een groot deel door verpleegkundigen uitgevoerd. Daarnaast bestaat een belangrijk deel van de verpleegkundige zorg uit het begeleiden van de cliënt in het inrichten en leiden van zijn leven. Het gaat daarbij om basisbehoeften als wonen, gezondheid, werk en veiligheid. Het verpleegkundig proces is in essentie overal hetzelfde, maar de problematiek waar je je in de GGZ mee bezighoudt, de doelen die je stelt en de instrumenten die je gebruikt, verschillen sterk van die in andere werkvelden. Coördinatie van de zorg, veelal een taak van verpleegkundigen, is in de GGZ van het allergrootste belang. Er zijn veel disciplines betrokken bij de vaak complexe zorg en behandeling. Bij elke cliënt moeten de neuzen dezelfde kant op staan, en dat is voor de verpleegkundige een belangrijke uitdaging.
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 9
9
18-04-12 07:54
1
Geestelijk gezondheidsprobleem
Bij de kennismaking met de begeleiding van cliĂŤnten met een geestelijk gezondheidsprobleem, moeten we eerst kijken naar de verschillende opvattingen die er zijn over ziek en gezond. Zoals je wel vaker ziet, geldt ook hier dat er zo veel zienswijzen zijn als er mensen zijn. Dit is misschien wat overdreven, maar toch zijn er nogal wat uiteenlopende meningen over de geestelijke gezondheidszorg. Waar de grens tussen normaal en afwijkend gedrag gelegd wordt, is afhankelijk van ons stelsel van normen en waarden, van de stand van zaken van de wetenschappelijke kennis, de maatschappelijke organisatie en de cultuur. Wat normaal of afwijkend gevonden wordt, heeft dus altijd te maken met de omgeving en de tijd waarin we leven. Wat in oosterse culturen normaal gevonden wordt, vinden we in het westen misschien vreemd of eigenaardig. Geestelijke gezondheidszorg gaat dan ook over mensen als totaal, dus met hun geschiedenis, hun opvoeding en hun omgeving. Lichaam en geest zijn onafscheidelijk en daar moet in de geestelijke gezondheidszorg goed rekening mee worden gehouden.
10
1201707_binnenwerk.indd 10
Deel 1
18-04-12 07:54
1.1 Geestelijke gezondheidszorg: een fascinerend werkterrein
automutilant
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 11
De geestelijke gezondheidszorg biedt behandeling, begeleiding en zorg aan mensen met een geestelijk gezondheidsprobleem. Geestelijke gezondheidsproblemen hebben betrekking op de psychische gezondheid. Wij hanteren hier de brede term geestelijke gezondheid omdat het meer omvat dan psychiatrische problemen. Ook verslavingsproblemen, problemen door een verstandelijke beperking of problemen door dementie kun je opvatten als een geestelijk gezondheidsprobleem. De behandeling, begeleiding en zorg voor mensen met een geestelijk gezondheidsprobleem wordt gegeven in de psychiatrie, de verslavingszorg, de psychogeriatrie, de gerontopsychiatrie, de zorg voor mensen met een lichte verstandelijke beperking en de forensische psychiatrie. De GGZ-verpleegkundige is dan ook op al deze terreinen werkzaam (Beroepsdeelprofiel GGZ-verpleegkundige, NVPV, 2004). Voor veel mensen is de geestelijke gezondheidszorg een werkterrein waar ze weinig van weten en dat ze tegelijk fascinerend vinden. Daarnaast bestaan er veel vooroordelen en misvattingen over de geestelijke gezondheidszorg en roepen berichten in de media vaak veel emoties op. Dat meer dan 40% van alle Nederlanders te maken krijgt met een psychische aandoening weten veel mensen niet (http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/geestelijkegezondheidszorg). Slechts een vijfde van deze mensen krijgt behandeling en begeleiding van de geestelijke gezondheidszorg. Over de oorzaken van geestelijke gezondheidsproblemen, zoals psychose of verslaving, bestaan veel misverstanden. Veel mensen denken dat de oorzaken altijd psychisch zijn: er moeten wel problemen zijn, of onverwerkte ervaringen, want als iemand zo ziek is, moet er wel iets verschrikkelijks zijn gebeurd. Of ze denken dat iemand expres vervelend is, expres veel alcohol drinkt en niet wil veranderen. Over de behandeling en begeleiding bestaan zo mogelijk nog meer misvattingen of bestaat er veel onwetendheid. Overigens zijn er ook onder cliënten en hulpverleners zelf veel vooroordelen en misverstanden over geestelijke gezondheidszorg, psychofarmaca en psychiatrie (Aadriaensen et al., 2011). Stigmatisering is een hardnekkig verschijnsel dat maatschappelijke acceptatie van cliënten met een geestelijk gezondheidsprobleem bemoeilijkt. Cliënten met een geestelijk gezondheidsprobleem vertonen niet altijd afwijkend gedrag. De vraag is natuurlijk wat je in dit verband dan wel normaal of afwijkend mag noemen. Als je aan een groep mensen vraagt te omschrijven wat zij onder afwijkend en niet-afwijkend gedrag verstaan, krijg je een heel scala aan antwoorden. Deze antwoorden komen voort uit opvoeding, cultuur, scholing en de mensen waar je mee omgaat. Normen en waarden stellen ook vaak de grenzen aan wat je afwijkend en niet-afwijkend vindt, evenals de tijd waarin je leeft. Iemand die twintig jaar geleden een gaatje in de huid boven de navel had gemaakt, liep een ernstig risico als abnormaal beschouwd te worden en een diagnose als automutilant zou voor de hand gelegen hebben. In de tijd waarin we nu leven is de navelpiercing echter een volledig geaccepteerd sieraad geworden en is het bijna vreemd om als jongere juist geen piercing te hebben. Normaal of abnormaal wordt dus ook door het modebeeld bepaald!
11
18-04-12 07:54
Voorbeeld Roy is een jongetje van zes jaar dat verblijft op een jongerengroep van een instituut voor mensen met verstandelijke beperkingen. Als hij zijn zin niet krijgt, wordt hij boos en gaat op de grond liggen. Begeleiders sturen hem dan naar zijn kamer waar hij steeds bozer wordt. Als een nieuwe begeleider op de groep komt werken, stuurt zij hem niet naar zijn kamer maar probeert zij zijn aandacht af te leiden. Dat heeft succes. Als haar collega’s vragen hoe haar dat gelukt is, zegt zij dat zij het gedrag herkent van haar eigen kind van dezelfde leeftijd dat ook dit gedrag vertoont als het boos is. Zij heeft geleerd wat zij moet doen zodat het boze gedrag verdwijnt of minder wordt. Niet elk gedrag heeft te maken met een handicap of afwijking, soms hoort het bij het normale gedrag van mensen. 1.1.1 Referentiekader Vanaf het eerste levensjaar ontwikkelt de mens een innerlijk referentiekader om zijn omgeving beter te kunnen leren kennen en te begrijpen. Met behulp van het innerlijk referentiekader beoordeel je de omgeving om te zien wat goed of slecht is, wat je wilt bereiken, wat daarbij in de weg staat en wat je wil vermijden en hoe je dat dan kan doen. Het referentiekader verandert steeds; het ontwikkelt zich naarmate je ervaring toeneemt. Vooral in de jeugdjaren is dit referentiekader volop in ontwikkeling; uiteindelijk moet het ertoe bijdragen dat het kind leert zijn wereld te bekijken, zodat het zonder de hulp van de ouders kan leven. Als de eerste jaren van het mensenleven zich kenmerken door veiligheid, zal het referentiekader zich daarop instellen en kijkt de mens dus onbekommerd de wereld in. Groeit het kind echter met onzekerheid op, dan wordt het referentiekader angstig en vol negatieve verwachtingen en zal het kind de wereld dus op die manier bekijken. Mensen met een psychiatrisch ziektebeeld letten vanuit hun referentiekader erg op hun omgeving en dit gaat vaak gepaard met een negatief zelfbeeld en erg veel achterdocht. Een persoonlijk verlies of een gekwetst gevoel van eigenwaarde zijn eveneens oorzaken van een negatief zelfbeeld of de versterking ervan en dit tast dan het referentiekader aan. 1.1.2 Definitie Het is dus niet altijd gemakkelijk om het verschil tussen normaal en abnormaal, tussen gestoord en niet-gestoord, tussen psychisch ziek en gezond aan te geven. De cultuur en de tijd waarin men leeft zijn van belang. Ook onze wijze van opvoeden en het voorbereiden van onze kinderen op de samenleving zijn van belang bij de afgrenzing van normaal/abnormaal. Duidelijk is bovendien dat een psychiatrische ziekte ieder van ons kan overkomen. Toch moeten we proberen om tot afspraken te komen over wat een psychische aandoening is. De laatste jaren wordt wereldwijd hetzelfde classificatiesysteem gebruikt, namelijk de
12
1201707_binnenwerk.indd 12
Deel 1
18-04-12 07:54
DSM-IV-systeem
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-IV (DSM-IV-TR; TR staat voor text revision). De DSM-IV-TR geldt vanaf 2001 en probeert wereldwijd geldende beschrijvingen te geven van psychische ziektebeelden. Het DSM-IV-systeem geeft de volgende definitie van een psychische stoornis: ‘Een psychische stoornis kan beschouwd worden als een klinisch, belangrijk gedragsmatig of psychologisch syndroom of patroon dat gepaard gaat met of dat geassocieerd is met duidelijk leed of disfunctioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of in andere belangrijke rollen, of met een duidelijk verhoogd risico op lijden, dood, pijn, handicaps of een verlies van vrijheid. Verder mag het syndroom of patroon niet een te verwachten en binnen de cultuur aanvaard antwoord zijn op een bepaalde gebeurtenis, zoals bij bepaalde reacties op de dood van een geliefde. Wat ook de uiteindelijke oorzaak van de stoornis is, deze dient beschouwd te worden als een manifestatie van gedragsmatig, psychologisch of biologisch disfunctioneren van het individu. Deze mag echter niet te maken hebben met afwijkend gedrag op politiek, religieus of seksueel gebied en evenmin met conflicten die zich primair afspelen tussen het individu en de maatschappij, tenzij dit conflict het gevolg is van symptomen die het disfunctioneren van het individu kunnen verklaren.’ Hoewel deze definitie er wellicht omslachtig uitziet, doet ze recht aan het complexe onderscheid tussen normaal en abnormaal. Zo wordt er bij de definitie rekening gehouden met culturele, sociale en maatschappelijke omstandigheden en die zijn erg belangrijk, zoals we eerder gezien hebben. Tot mei 2013 werkt de American Psychiatric Association (APA) aan een nieuwe DSM, de DSM V. De verwachting is dat er grote veranderingen in de classificaties en in de diagnoses zullen plaatsvinden. De discussie kun je volgen op de website van de APA die speciaal hiervoor is opgezet (http://www.dsm5.org). De ICD-10 is ook een international classificatiesysteem van standaarddiagnoses, ontwikkeld door de World Health Organisation (WHO) (http://www.who.int/classifications/icd/en/). Het wordt gebruikt om ziekten en andere gezondheidsproblemen te classificeren. Ook is er een onderdeel van de ICD-10 dat zich specifiek richt op de ‘Classification of Mental and Behavioural Disorders’. In het betreffende document schrijft de WHO dat de definitie van stoornis een lastige is: ‘The term “disorder” is used throughout the classification, so as to avoid even greater problems inherent in the use of terms such as “disease” and “illness”. “Disorder” is not an exact term, but it is used here to imply the existence of a clinically recognizable set of symptoms or behaviour associated in most cases with distress and with interference with personal functions. Social deviance or conflict alone, without personal dysfunction, should not be included in mental disorder as defined here.’ Met andere woorden: afwijkend gedrag op zich wijst niet direct op een stoornis. Pas als er ook sprake is van persoonlijk disfunctioneren, is er een geestelijk gezondheidsprobleem.
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 13
13
18-04-12 07:54
1.2 Relatie lichaam en geest
psychogeen
multiconditioneel
14
1201707_binnenwerk.indd 14
‘Een gezonde geest in een gezond lichaam’ is een gezegde dat al eeuwen oud is en dat door iedereen voor waar gehouden wordt. Dus ook in de vroegere eeuwen waren mensen ervan overtuigd dat er een duidelijke relatie is tussen het lichaam en de geest. Fysici gaan zelfs zo ver om te zeggen dat er zonder het lichaam geen geest is en dat de geest ‘ontstaat’ door allerlei fysische processen. Lichaam en geest zijn nauw met elkaar verbonden; ze vormen gezamenlijk een eenheid. Denk maar eens aan huilen bij verdriet en beven bij angst. In de dagelijkse praktijk is de verbondenheid van lichaam en geest ook goed merkbaar; iedereen weet dat als je niet goed uitgerust bent, je niet meer alert bent en moeite hebt met de concentratie en het denken. Een avond stevig doorzakken zorgt de volgende dag niet echt voor optimale studieresultaten, weet menig student uit eigen ervaring. Al met al is er dus een duidelijke link tussen lichaam en geest en dat geldt natuurlijk ook voor het ontstaan van psychische ziekten. Over de oorzaak van psychische stoornissen bestaan zoals gezegd veel misverstanden. Een algemeen aanvaarde en vaak gebruikte verklaringswijze is te vinden in de theorie die bekend staat als de draaglast-draagkrachttheorie. Ieder mens heeft door opvoeding, fysieke gesteldheid en leeftijdsfase een bepaald vermogen tot het omgaan met de problemen die hij tegenkomt in het dagelijkse leven. Dit wordt de draagkracht genoemd. De problemen die iemand op zijn levenspad tegenkomt, noem je dan de draaglast. Zo lang beide met elkaar in evenwicht zijn, is er geen enkel probleem maar als dit evenwicht verstoord raakt, ontstaat er een ontregeling. Door allerlei oorzaken kan de draagkracht tekort schieten; dit kan te maken hebben met de hormonen, maar ook simpele zaken als te weinig slaap kunnen al een oorzaak zijn. Ook fysieke aandoeningen kunnen de draagkracht negatief beïnvloeden. Naast een aantasting van de draagkracht kan ook de draaglast onevenredig hoog worden. Zaken als het verlies van een geliefde of het verlies van woning, baan, enzovoort kunnen te zwaar zijn voor de draagkracht die iemand heeft. Door de ontregeling van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast kunnen allerlei psychische ontregelingen optreden. Ernstige psychische stoornissen zijn zelden psychogeen (veroorzaakt door psychische factoren), maar worden vaak veroorzaakt onder invloed van lichamelijke factoren (organisch). Nog veel vaker is er sprake van zowel lichamelijke als geestelijke factoren, waardoor we de stoornis als multiconditioneel betitelen. Multiconditioneel betekent dat er naast organische oorzaken ook psychische oorzaken zijn. Het is echter nog veel breder. Ook de voorgeschiedenis speelt een rol; hoe heeft de persoon geleerd om met moeilijke omstandigheden in het leven om te gaan? De opvoeding is duidelijk meebepalend voor de manier waarop iemand problemen verwerkt.
Deel 1
18-04-12 07:54
1.3 Categorieën psychopathologie
Om het begrip psychiatrie iets beter te kunnen begrijpen, zullen we eerst een kort uitstapje naar de psychopathologie maken. De term psychopathologie is afgeleid van de woorden ‘psychè’ en ‘pathos’ en betekent letterlijk: ‘het lijden van de ziel’. De modernere betekenis is leer van de ziekten van de geest; ook wordt wel gesproken over de ziektekunde van de geest. Het is dus de wetenschap van de ziekteverschijnselen van psychische aard. Het gaat daarbij niet zozeer om bepaalde ziekten maar om verschijnselen (ook wel symptomen genoemd) die zich bij ziekten kunnen voordoen. Een cliënt ervaart niet het ziektebeeld, maar hij heeft last van de symptomen (zoals buikpijn, hoofdpijn, enzovoort). Psychiatrie staat voor de geneeskunde der zielsziekten en is dus een uitgebreider begrip, namelijk de geneeskunde van de ziektebeelden die bestaan uit verschillende combinaties van verschijnselen (symptomen). Wat zijn het nu voor stoornissen en ziektebeelden waar de psychiatrie zich mee bezighoudt? Om een en ander beter te kunnen begrijpen en om spraakverwarring te voorkomen, zijn er indelingen nodig. De DSM-IV-TR maakt de volgende indeling van psychische stoornissen: stoornissen die meestal voor het eerst op zuigelingenleeftijd, kinderleeftijd of in de adolescentie gediagnosticeerd worden; delirium, dementie en amnestische en andere cognitieve stoornissen; psychische stoornissen door een somatische aandoening; aan een middel gebonden stoornissen; schizofrenie en andere psychotische stoornissen; stemmingsstoornissen; angststoornissen; somatoforme stoornissen; nagebootste stoornissen; dissociatieve stoornissen; seksuele stoornissen en genderidentiteitsstoornissen; eetstoornissen; slaapstoornissen; stoornissen in de impulsbeheersing, niet elders geclassificeerd; aanpassingsstoornissen; persoonlijkheidsstoornissen. De meest voorkomende van deze categorieën zullen we nu wat verder uitwerken, waarbij je wel moet bedenken dat de categorieën nogal fundamenteel van elkaar verschillen en dat zich bij een en dezelfde cliënt kenmerken van verschillende categorieën kunnen voordoen.
delirium dementie
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 15
1.3.1 Delirium, dementie en amnestische en andere cognitieve stoornissen Twee beelden zijn wat algemener bekend, namelijk het delirium en de dementie. Het delirium is een syndroom dat acuut ontstaat en waarbij stoornissen in het bewustzijn en de
15
18-04-12 07:54
desoriëntatie
aandacht op de voorgrond staan. De cliënt is verward, kan de omgeving niet helder waarnemen en zijn aandacht moeilijk vasthouden. Er is vaak ook sprake van acute desoriëntatie: de cliënt weet niet waar hij is, welke dag het is en met wie hij spreekt (oriëntatie in tijd, plaats en persoon is gestoord). Bij dementie is sprake van een algemeen verval van de ken- en leerfuncties. Dit betekent dat er naast geheugenstoornissen ook stoornissen optreden in het abstracte denken, waardoor de cliënt nieuwe en complexe situaties niet meer begrijpt. 1.3.2 Psychische stoornissen door een somatische aandoening Onder psychische stoornissen door een somatische aandoening verstaan we de psychische verschijnselen waarvan verondersteld wordt dat ze een directe fysiologische consequentie van de somatische aandoening zijn (DSM-IV-TR, 2001). In het verleden werden deze ziektebeelden ook wel aangeduid met de term psycho-organische stoornissen.
psychoactieve stoffen
psychose
schizofrenie
waan
16
1201707_binnenwerk.indd 16
1.3.3 Aan een middel gebonden stoornissen In deze categorie worden alle psychische stoornissen beschreven die het gevolg kunnen zijn van het gebruik van psychoactieve stoffen, dat wil zeggen alcohol, drugs en medicijnen. De stoornissen zijn onder te verdelen in twee groepen: stoornissen in het gebruik van het middel en stoornissen als gevolg van het gebruik of stoppen van het middel (DSM-IVTR, 2001). De bekendste is wel de afhankelijkheid van een middel, in het dagelijks leven meestal ‘verslaving’ genoemd. Verdovende middelen, zoals alcohol en kalmeringsmiddelen hebben een dempende werking op de hersenen. Ook de opiaten (zoals morfine en heroïne) behoren tot de verdovende middelen. Deze stoffen remmen de werking van het centrale zenuwstelsel, en verlagen het bewustzijn, wat zich uit in sufheid, slaperigheid, verminderde pijngevoeligheid en bij hoge doseringen zelfs bewusteloosheid. Naast verdovende middelen zijn er stimulerende middelen. Cocaïne, amfetamine, nicotine en cafeïne zijn daar voorbeelden van. Lage doses van deze middelen veroorzaken aangename psychische effecten, zoals opgewektheid en toename van energie. Bij hogere doseringen ontstaan echter angst, prikkelbaarheid, achterdocht en een toename van hartslag, ademhaling en lichaamstemperatuur. 1.3.4 Schizofrenie en andere psychotische stoornissen De term psychose verwijst naar een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld waarbij stoornissen in het denken, waarneming en realiteitsbesef op de voorgrond staan en waarbij de cliënt niet meer zonder psychiatrische bemoeienis kan functioneren. De meest ernstige en uitgesproken psychotische stoornis is schizofrenie. De andere psychotische stoornissen zijn min of meer afgeleiden van schizofrenie. De term schizofrenie werd in 1911 geïntroduceerd door de zenuwarts Bleuler. Zijn omschrijving van de ziekte is nog steeds goed terug te vinden in de huidige DSM-IV-criteria voor schizofrenie (DSM-IV-TR, 2001). Kenmerkend voor de schizofrenie zijn de stoornissen in het denken en waarnemen, waarbij vooral de wanen op de voorgrond treden. Cliënten kunnen de overtuiging hebben dat ze bestuurd worden door een hogere macht (beïnvloedingswaan) of voortdurend in de gaten gehouden
Deel 1
18-04-12 07:54
hallucinatie
bipolaire stoornis
PTSS
somatisatie
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 17
en achtervolgd worden (paranoïde waan). Ook het idee dat gedachten van buiten worden ingebracht of juist worden onttrokken komt vaak voor. Met de waarnemingsstoornissen wordt verwezen naar de hallucinaties die cliënten met schizofrenie kunnen hebben. De cliënt neemt iets waar dat er in werkelijkheid niet is. 1.3.5 Stemmingsstoornissen Stemmingsstoornissen is een hoofdcategorie van de DSM-IV-TR waar depressieve en bipolaire stoornissen (manisch-depressieve stoornissen) worden ondergebracht (2001). De aanwezigheid van depressieve klachten is niet per se voldoende voor een ‘depressieve episode’ zoals de DSM-IV-TR deze definieert. Hiervoor moeten de depressieve symptomen (depressieve stemming, interesseverlies, afname of toename van gewicht en eetlust, slaapstoornissen, psychomotorische onrust over vertraging, energieverlies, gevoelens van schuld of waardeloosheid, concentratieproblemen, suïcidale ideeën) minimaal twee weken onafgebroken aanwezig zijn. Wanneer deze episode eenmalig is, wordt een ‘depressieve stoornis, eenmalige episode’ geclassificeerd. De bipolaire stoornis is de moderne benaming voor de manisch-depressieve stoornis. De term bipolair betekent dat er twee ‘polariteiten’ aanwezig zijn in het beloop van één syndroom. Deze polariteiten zijn de depressieve stemming en de manische stemming. 1.3.6 Angststoornissen Net als depressieve klachten zijn angstklachten veelvoorkomende aanmeldingsklachten in de GGZ. Hoewel angst een nuttige emotie is, kan angst ook irreële en zeer hinderlijke vormen aannemen. Als dit het geval is, kan er sprake zijn van een angststoornis (DSM-IVTR, 2001). Dit gaat gepaard met lichamelijke sensaties als hyperventilatie, hartkloppingen, transpireren, ademnood, pijn of druk op de borst, tintelingen, misselijkheid, koude rillingen, duizeligheid en een onwerkelijk gevoel. Meestal is er sprake van een paniekstoornis met agorafobie (pleinvrees). Een tegenwoordig vaak besproken beeld is PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis); mensen met PTSS hebben vaak een ernstige en ingrijpende gebeurtenis meegemaakt, waarin ze met de dood of ernstig letsel zijn bedreigd of de lichamelijke en psychische integriteit is bedreigd. Voorbeelden van traumatische ervaringen zijn ernstige verkeersongevallen, geweldsmisdrijven, verkrachting, seksueel misbruik, oorlogssituaties of situaties zoals de aanslag in 2001 op de Twin Towers in New York. 1.3.7 Somatoforme stoornissen In hoofdcategorie somatoforme stoornissen worden stoornissen ondergebracht die zich kenmerken door de aanwezigheid van lichamelijke klachten zonder dat hiervoor een medische oorzaak is vastgesteld (DSM-IV-TR, 2001). Somatisatie is daarbij een belangrijk element. Van somatisatie spreken we als iemand één of meer lichamelijke klachten heeft zonder dat een organische ziekte hiervoor verantwoordelijk kan worden gesteld. Een veronderstelling is dat lichamelijke klachten in dat geval uitingen zijn van psychische spanningen. Somatiseren in de betekenis van lichamelijke vertaling van psychische spanning is een
17
18-04-12 07:54
verschijnsel dat we allemaal kennen. De meeste mensen zullen herkennen dat lichamelijke klachten (bijvoorbeeld hoofdpijn) ontstaan of verergeren als ze gespannen zijn. Op het spreekuur van de huisarts verschijnt Hanneke, een vrouw van rond de vijftig. Zij geeft aan de laatste tijd erg slecht te slapen en ze heeft voortdurend last van rugpijn. Nadat eerst bekeken is of er sprake kan zijn van fysieke oorzaken, komt in het gesprek dat de arts met Hanneke heeft naar voren dat zij erg veel druk op haar werk ervaart. Er staat een reorganisatie voor de deur en zij verwacht dat zij het risico loopt haar baan te verliezen. Door haar voortdurende gespannenheid kunnen haar rugklachten verklaard worden.
dissociatie
anorexia nervosa boulimia nervosa
compensatiegedrag
1.3.8 Dissociatieve stoornissen In de categorie dissociatieve stoornissen onderscheiden zich een aantal stoornissen die een hoge mate van dissociatie als gemeenschappelijk kenmerk hebben (DSM-IV-TR, 2001). Hierbij zie je dat het bewustzijn eigenlijk geen eenheid is. Aan de hand van observaties bij hysterische patiënten werd eind 19e eeuw vastgesteld dat de eenheid van geheugen, gedachten, gedrag en identiteit gebrekkig was. Bij dissociaties zijn gedachten en functies aan de controle van het alledaagse bewustzijn ontsnapt. Lichte vormen van dissociatie kennen we allemaal, bijvoorbeeld bij het rijden van een vertrouwde autorit, waarbij je op de ‘automatische piloot’ ongemerkt toch veilig op de eindbestemming aankomt, terwijl je tijdens de rit een druk gesprek had met je passagier of geconcentreerd luisterde naar muziek. Ook dagdromen kun je zien als lichte, alledaagse dissociatie. 1.3.9 Eetstoornissen De DSM-IV-TR onderscheidt drie eetstoornissen, namelijk anorexia nervosa, boulimia nervosa en eetstoornis niet anderszins omschreven (NAO) (2001). Daarbij is opvallend dat 90% van de cliënten met een eetstoornis van het vrouwelijke geslacht is. Anorexia nervosa is de meest onderzochte eetstoornis. Anorexie is een Griekse term die betrekking heeft op verlies van eetlust. Hoewel het woord anorexia dus een verlies van eetlust suggereert, hebben mensen met anorexia zeker bij aanvang van de stoornis nog wel eetlust. Ze kunnen wel eten, maar willen het niet. Mensen met anorexia zijn ervan overtuigd dat ze te dik zijn en verlangen ernaar gewicht te verliezen en mager te worden. De ondervoeding bij anorexia heeft enkele lichamelijke gevolgen. Op een gegeven moment verdwijnt de menstruatie en is de bloeddruk en de lichaamstemperatuur verlaagd. Boulimia nervosa kenmerkt zich door herhaalde vreetbuien waarbij de cliënt in een beperkt tijdsbestek een abnormaal grote hoeveelheid voedsel naar binnen werkt en een gevoel van controleverlies over het eten ervaart. Ook mensen met boulimia zijn bang voor gewichtstoename en nemen hun toevlucht tot compensatiegedrag als laxeren, braken of intensief sporten. De zelfwaardering van mensen met boulimia wordt sterk beïnvloed door de lichaamsvormen en het gewicht. 1.3.10 Slaapstoornissen Net als eten is slapen een belangrijke biologische behoefte. De slaap zorgt ervoor dat energievoorraden van het lichaam weer op peil gebracht worden. Slaap heeft dus een
18
1201707_binnenwerk.indd 18
Deel 1
18-04-12 07:54
herstellende functie. Een goede nachtrust is dan ook belangrijk voor het functioneren overdag. Problemen met betrekking tot het slapen komen veel voor. Slaapstoornissen komen regelmatig voor als onderdeel van andere psychische stoornissen zoals angst- en stemmingsstoornissen, maar kunnen ook op zichzelf staan. Slaapstoornissen worden overigens slecht onderkend en weinig evidence-based behandeld door verpleegkundigen (Niet, 2011). 1.3.11 Persoonlijkheidsstoornissen Een definitie van persoonlijkheid en persoonlijkheidstrekken is volgens de DSM-IV-TR (2001) als volgt: persoonlijkheidstrekken zijn ‘stabiele patronen van waarnemen, omgaan met en denken over de omgeving en zichzelf en zich tonen in een breed scala van belangrijke sociale en persoonlijke situaties’. Persoonlijkheidsstoornissen zijn in te delen in drie clusters (www.Trimbos.nl): Cluster A: het vreemde, excentrieke cluster Cluster B: het dramatische, emotionele, impulsieve cluster Cluster C: het angstige cluster paranoïde persoonlijkheidsstoornis
schizoïde persoonlijkheidsstoornis
antisociale persoonlijkheidsstoornis
borderline persoonlijkheidsstoornis
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 19
Een voorbeeld van een cluster A stoornis is de paranoïde persoonlijkheidsstoornis. Bij deze persoonlijkheidsstoornis wordt het gedrag bepaald door de verwachting door anderen benadeeld of uitgebuit te worden. Cliënten zijn voortdurend wantrouwend tegenover anderen en voelen zich snel beledigd of vernederd. Ze zoeken kwaadaardige motieven achter neutrale of vriendelijk bedoelde opmerkingen. Een andere persoonlijkheidsstoornis in cluster A is de schizoïde persoonlijkheidsstoornis, waarbij cliënten geen behoefte hebben zich aan anderen te hechten. Ze verlangen niet naar intieme relaties en kunnen hier ook niet van genieten. Ze geven de voorkeur aan activiteiten die ze in hun eentje kunnen uitvoeren. Ze hebben geen behoefte aan seksueel contact, hebben geen vriendschappen, zijn ongevoelig voor complimenten of kritiek en maken een wat gevoelloze en kille indruk. Ze lijden vaak zelf wel door dit onvermogen. Een voorbeeld van een cluster B stoornis is de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Cliënten met deze persoonlijkheidsstoornis kunnen zich niet of moeilijk houden aan maatschappelijke normen. Ze zijn vaak agressief, vaak betrokken bij vechtpartijen, zijn impulsief, komen verantwoordelijkheden niet na, bedriegen, liegen, veronachtzamen de veiligheid van zichzelf en anderen. Hierbij kennen ze geen of weinig gevoelens van spijt of schuld. Vanwege dergelijke gedragingen komen ze vaak in contact met politie en justitie. Ze hebben wel verdriet over wat er gebeurd is, maar dan vooral door de negatieve gevolgen (zoals gevangenisstraf) die ze zelf voelen. Er kan bij deze cliënten sprake zijn van meer of minder kenmerken van psychopathie (Hare & Babiak, 2006). De andere cluster B persoonlijkheidsstoornis die we hier noemen, is de borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit is een complexe persoonlijkheidsstoornis, waarbij het klinisch beeld zich kenmerkt door instabiliteit wat betreft emoties, relaties met anderen en het zelfbeeld. Veel cliënten zijn vroeg in hun leven emotioneel beschadigd als gevolg van misbruik of verwaarlozing. Ze zijn voortdurend bang om in de steek gelaten te worden en proberen dit uit alle macht te voorkomen. Ze hebben snelle stemmingswisselingen en de relaties die ze
19
18-04-12 07:54
obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis
20
1201707_binnenwerk.indd 20
hebben, worden op het ene moment geïdealiseerd en het andere moment weer volledig afgebroken. CliÍnten zijn vaak impulsief, wat blijkt uit allerlei schadelijke gedragingen als middelenmisbruik, onnodige risico’s nemen en roekeloosheid. Een voorbeeld van een cluster C persoonlijkheidsstoornis is de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Mensen met deze stoornis hebben last van dwangmatig handelen gericht op strikt naleven van regels en procedures. Ook hebben ze vaak last van hun eigen perfectionisme en overmatige ordelijkheid.
Deel 1
18-04-12 07:54
Samenvatting
Bij de begeleiding van psychiatrische cliĂŤnten moeten we eerst kijken naar de verschillende opvattingen die er zijn over ziek en gezond. Waar de grens tussen normaal en afwijkend gedrag gelegd wordt, is afhankelijk van ons stelsel van normen en waarden, van de wetenschappelijke kennis, van de maatschappelijke organisatie en van de cultuur. Psychiatrie gaat over mensen als totaal, dus met hun geschiedenis, hun opvoeding en hun omgeving. Lichaam en geest zijn onafscheidelijk en daarmee moet dus binnen de psychiatrie goed rekening gehouden worden. Dit wordt ook zichtbaar bij de verschillende ziektebeelden en de behandeling daarvan. Het is wel nodig dat mensen met elkaar over hetzelfde praten. Daarvoor is een indeling in ziektebeelden nodig. Het DSMclassificatiesysteem is wereldwijd het bekendste en meest gebruikte classificatiesysteem in de geestelijke gezondheidszorg. De DSM-IV-TR benoemt de stoornissen vanuit vijf uitgangspunten, ofwel assen.
Deel 1
1201707_binnenwerk.indd 21
21
18-04-12 07:54
Verklarende woordenlijst aanpalende handeling
Handeling die op zichzelf niet geneeskundig is, maar wel noodzakelijk om de geneeskundige behandeling uit te voeren.
acting out-gedrag
Afweermechanisme waarbij iemand zonder nadenken heftig, agressief en destructief handelt, zonder rekening te houden met de gevolgen.
adaptatie
Aanpassing aan de situatie.
anorexia nervosa
Eetstoornis waarbij iemand een verkeerd lichaamsbeeld heeft; hij of zij denkt te dik te zijn en doet er alles aan om te vermageren.
antidepressivum
Medicijn tegen een depressie.
antisociale persoon- Zich niet houden aan maatschappelijke normen en afspraken, waarbij voortdurend van de lijkheidsstoornis eigen lustbeleving uitgegaan wordt. arbeidstherapie
Werk of bezigheid waaruit een rustgevende of bestendigende werking voortkomt.
automutilant
Iemand die zichzelf moedwillig pijn doet of beschadigt.
balanssuïcide
Suïcide waaraan een opleving vooraf gaat, omdat de cliënt opgelucht is dat hij besloten heeft om suïcide te plegen.
basisemotie
Sterk en overheersend gevoel dat bijna altijd bij de persoon aanwezig is. Angst speelt bij het ontstaan van psychiatrische stoornissen een grote rol.
bestuursrecht
Wetgeving waarbij de handhaving plaatsvindt door de partijen en de overheid. De overheid heeft een actief controlerende rol.
bestwilcriterium
Reden voor het nemen van een maatregel (‘voor je bestwil’).
betrekkingsidee
Het gevoel hebben dat gebeurtenissen betrekking hebben op de eigen persoon.
bevelshuishouding Therapeutisch milieu waarin het stellen van regels en grenzen het belangrijkste is, met als doel de orde en veiligheid te bewaren. bipolaire stoornis
Stoornis met afwisselend manische en depressieve periodes.
borderline persoon- Complexe persoonlijkheidsstoornis, waarbij het klinisch beeld zich kenmerkt door lijkheidsstoornis instabiliteit wat betreft emoties, relaties met anderen en het zelfbeeld.
404
1201707_binnenwerk.indd 404
Verklarende woordenlijst
18-04-12 07:55
boulimia nervosa
Eetstoornis waarbij iemand grote hoeveelheden eten naar binnen werkt om vervolgens weer uit te braken om zodoende geen gewichtstoename te krijgen.
brancheorganisatie Organisatie van soortgelijke organisaties die opkomt voor de belangen van haar leden. Bureau Jeugdzorg
Jeugdhulpverleningsorganisatie die de toegang vormt naar de jeugdhulpverlening en de jeugdpsychiatrie.
casemanagement
Methode van ambulante zorgverlening, waarbij alle benodigde zorg voor een cliënt wordt gecoördineerd door een hulpverlener, meestal een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
cliëntenvertrouwens- Zie patiëntenvertrouwenspersoon. persoon cognitieve functie- stoornis
Stoornis in het denken.
cognitieve therapie Therapie gericht op het beïnvloeden van denkprocessen die het probleemgedrag instandhouden. compensatiegedrag Gedrag dat vertoond wordt om de effecten van ander gedrag of onderliggende gevoelens weg te nemen. contrabande
Meegesmokkelde voorwerpen die de cliënt of anderen schade kunnen toebrengen.
crisisinterventie
Het in crisissituaties kort en intensief begeleiden om verdere escalatie van problemen te voorkomen en een evenwicht te creëren op grond waarvan een eventuele behandeling kan plaatsvinden.
culturele zorgdiversiteit
Een verscheidenheid aan zorgactiviteiten die hetzelfde resultaat beogen.
culturele zorg- universaliteit
Zorgactiviteiten die over de hele wereld gelijk zijn.
daderprofiel
Profiel van de gedetineerde dat bestaat uit verschillende elementen die bijdragen aan het delictgedrag.
dagschommelen
De cliënt voelt zich ’s morgens slecht, dit wordt in de loop van de dag beter.
decompensatie
Achteruitgang van het functioneren dat een tekort aan zelfstandigheid tot gevolg heeft.
Verklarende woordenlijst
1201707_binnenwerk.indd 405
405
18-04-12 07:55
decorumverlies
Verlies van gevoel van wat wel en wat niet hoort.
dehospitalisatie
Het minder gebruikmaken van behandelingen of opnames in inrichtingen.
delictgevaar
Risico op het plegen van een strafbaar feit.
delictscenario
Een analyse van alle bepalende risicofactoren en risicovolle situaties waarin het delict zich opnieuw zou kunnen voordoen.
delirium
Verwardheid met hallucinaties.
delirium tremens
Plotseling optredende toestand van verlaagd bewustzijn die gepaard kan gaan met illusies en hallucinaties.
dementie
Stoornis in het geheugen, meestal voorkomend bij ouderen. Daarnaast is het leervermogen beperkt.
denkstoornis
Onvermogen om problemen op te lossen doordat informatie uit waarnemingen, het geheugen en de fantasie niet worden gecombineerd.
depersonalisatie
Gevoel los van zichzelf te staan.
depotpreparaat
Geneesmiddel dat aangebracht wordt in het lichaam en dat mondjesmaat werkzame stof laat vrijkomen.
derealisatie
Gevoel van onwerkelijkheid.
desoriëntatie
Verlies van besef van tijd, plaats en/of persoon.
diagnosegroep
Een groep cliënten met de dezelfde psychiatrische klachten.
directieve houding Houding die gekenmerkt wordt door sturing van de ander. discontinuïteit in de De zorgactiviteiten van de bij de zorg betrokken disciplines sluiten niet goed op elkaar zorg aan, waardoor er tekorten of overlappingen in de zorg ontstaan of waardoor de zorg niet aansluit op de behoeften van de cliënt. dissociatie
Loslaten van de verbanden en daardoor de eenheid verliezen, bijvoorbeeld de eenheid van geheugen, gedrag, identiteit, enzovoort.
DSM-IV-systeem
Beschrijvend classificatiesysteem dat overal geldende omschrijvingen geeft van psychische ziektebeelden.
406
1201707_binnenwerk.indd 406
Verklarende woordenlijst
18-04-12 07:55
emotionele verwaarlozing
Verwaarlozing die optreedt bij kinderen bij wie onvoldoende aandacht is besteed aan het ontwikkelen van gevoelsrelaties. Hierdoor hebben ze op latere leeftijd moeite met het aangaan van vertrouwensrelaties.
expansief
Overheersend tegenover anderen.
externe rechtspositie Juridische status waarmee een cliënt is opgenomen. externe supervisie
De cliënt wordt door anderen gecoacht in zelfreflectie, met als doel dat de cliënt aan zelfregulering gaat doen.
frustratietolerantie Het vermogen om met frustraties te leven. gedragstherapie
Therapierichting waarbij uitgegaan wordt van het idee dat ieder gedrag aangeleerd is en dus ook weer afgeleerd kan worden.
geronto- Iemand die op latere leeftijd en vanwege het ouder worden psychische problemen krijgt, psychiatrische cliënt zoals depressies en paranoïde psychosen. gevaarscriterium
Een in de Wet BOPZ omschreven begrip op grond waarvan de mate van gevaar voor zichzelf, anderen of algemene veiligheid wordt bepaald, en iemand wel of niet opgenomen mag worden.
GGZ Nederland
Brancheorganisatie voor de geestelijke gezondheidszorg in Nederland.
groepstherapie
Therapie, gericht op mensen met gelijksoortige aandoeningen, waarbij gebruik wordt gemaakt van ondersteunende mogelijkheden in de groep zelf.
hallucinatie
Het horen of zien van dingen die er niet werkelijk zijn.
hand-in-hand- begeleiding
Vorm van begeleiding waarbij de cliënt geen moment uit het oog verloren wordt. Eén begeleider bemoeit zich uitsluitend met de betreffende cliënt.
herbeleving
In gedachten opnieuw beleven van een traumatische ervaring.
hulpzoekgedrag
Acties die een persoon al dan niet onderneemt wanneer hij problemen heeft.
huwelijksmigratie
Emigreren naar een ander land om daar te trouwen met iemand die er al woont.
hypnose
Op slaap lijkende toestand van verminderd of vernauwd bewustzijn, kunstmatig opgewekt door het geven van suggesties.
Verklarende woordenlijst
1201707_binnenwerk.indd 407
407
18-04-12 07:55
ik-boodschap
Informatie over het effect van iemands gedrag op jou. Door een ik-boodschap te geven geef je bewust geen oordeel over iemand als persoon.
ik-cultuur
Cultuur waarin mensen vooral als individuen worden gezien.
ik-functies
Bouwstenen van de vaardigheden om in contact en interactie te kunnen zijn. Ik-functies zijn voor de mens onmisbaar om zich aan zijn omgeving te kunnen aanpassen (adaptieve functie). Ik-functies geven het vermogen eigen wensen, behoeften en strevingen in verband te brengen met de mogelijkheden die de omgeving op een bepaald moment biedt van de cliënt.
inbewaringstelling Spoedprocedure krachtens de wet BOPZ om een cliënt binnen 24 uur gedwongen op te (IBS) laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis. informed consent
Instemming door de cliënt met onderzoek en behandeling, op basis van duidelijke informatie van behandelaars.
intermitterend
Met tussenpozen optredend.
interne rechtspositie Alle rechten en plichten van de cliënten die met een rechterlijke maatregel zijn opgenomen. inzagerecht
Het recht op dossierinzage door de cliënt om inspraak mogelijk te kunnen maken.
jeugdbescherming
Een koepelterm voor overheidsorganisaties die zich actief inzetten om de rechten van het kind te beschermen.
jeugdzorg
Een koepelterm waaronder algemene jeugdgezondheidszorg, jeugdhulpverlening en de jeugd-AWBZzorg worden verstaan.
junkiesyndroom
Kenmerkend geheel van gedragingen behorend bij een ernstig verslaafde.
kinderbeschermings- Een rechterlijke maatregel met als doel op te komen voor het kind waarmee een gezinsmaatregel voogd, een voogd of bijvoorbeeld een uithuisplaatsing wordt geregeld. kinder- en jeugd- psychiatrie
Tweedelijns jeugdzorg voor jeugdige gehandicapten en jeugdige psychiatrische cliënten, die is gericht op geestelijke gezondheidsproblemen.
leeftijdsadequaat
Zoals je op basis van de biologische leeftijd mag verwachten.
leeftijdscircuit
Een organisatieindeling waarbij de zorg voor cliënten uit een bepaalde leeftijdsgroep op gestructureerde wijze plaatsvindt.
408
1201707_binnenwerk.indd 408
Verklarende woordenlijst
18-04-12 07:55
leertheorie
Visie waarbij uitgegaan wordt van de gedachte dat gedrag is aangeleerd volgens bepaalde leerroutes.
lithium
Stemmingsstabiliserend medicijn, dat bij een te hoge spiegel ernstige schade aan de nieren en het zenuwstelsel kan veroorzaken.
loyaliteitsconflict
Iemand komt in conflict met zichzelf doordat hij trouw wil blijven aan verschillende partijen die verschillende belangen hebben.
magisch denkbeeld Aan een gebeurtenis of verschijnsel een bepaalde kracht toedichten, bijv. niet op zwarte tegels lopen omdat er anders iets vreselijks gebeurt. metacommunicatie Communicatie over hoe er gecommuniceerd wordt. multiconditioneel
Meerdere oorzaken en/of meerdere voorwaarden.
mutisme
Onvermogen om te spreken.
nature
Datgene dat aangeboren is en via de genen wordt overgedragen.
negatief symptoom Een eigenschap die gezonde mensen wel hebben, maar cliĂŤnten niet of in mindere mate. neurotisch
Gedrag dat gebaseerd is op een intern conflict tussen bepaalde driften en het geweten van de mens.
nurture
Datgene dat na de geboorte toegevoegd wordt waardoor iets dat bij de geboorte aanwezig is verder uitgebreid wordt.
obsessieve- compulsieve persoonlijkheidsstoornis
Mensen met deze stoornis hebben last van dwangmatig handelen, gericht op strikt naleven van regels en procedures.
onderhandelings- huishouding
Therapeutisch milieu waarin binnen vastgestelde kaders met de cliĂŤnt onderhandeld wordt. Het doel is de cliĂŤnt zelfvertrouwen te geven en hem te leren keuzes te maken, waarbij hij rekening houdt met anderen.
ondertoezichtstelling Een rechterlijke maatregel waarbij ouders en kind onder toezicht staan van een gezinsvoogd. ontoerekenings- vatbaarheid
Verklarende woordenlijst
1201707_binnenwerk.indd 409
De mate waarin een psychiatrische stoornis ertoe leidt dat het gepleegde delict de verdachte minder kan worden aangerekend.
409
18-04-12 07:55
operante conditionering
Leermethode waarbij gedrag wordt bepaald door een patroon van beloningen en straffen (bekrachtigers).
opiaat
Opiumbevattend (genees)middel.
oppositioneel gedrag
Gedrag dat zich vaak uit in ruzie maken, driftig zijn, opstandigheid en verzet.
orthopedagoog
Therapeut die zich bezighoudt met kinderen met ontwikkelingsproblemen of -stoornissen.
overdracht- en tegenoverdracht- gevoelens
Overdracht is de onbewuste neiging van de cliënt gevoelens over te brengen op anderen; tegenoverdracht is de onbewuste neiging van de hulpverlener zijn gevoelens over te brengen op de cliënt.
paranoïde persoon- Stoornis die zich kenmerkt door achterdocht, voortkomend uit wanen. lijkheidsstoornis paresthesie
Verdoofde gevoelens of tintelingen.
patiënten- PVP, onafhankelijke vertrouwenspersoon, werkzaam in ieder psychiatrisch ziekenhuis, belast vertrouwenspersoon met het behartigen van de belangen van de cliënten/patiënten. Pavlov-reactie
Onwillekeurige reactie op een bepaalde prikkel zoals speekselvloed bij het denken aan eten.
pervasieve ontwikkelings- stoornis
Stoornis waarbij de gehele emotionele, verstandelijke en soms motorische ontwikkeling achterblijft. Deze stoornis is verwant aan autisme spectrumstoornissen. Het wordt ook wel PDD-NOS genoemd. Dit betekent letterlijk niet nader gespecificeerde ontwikkelingsstoornis in meerdere ontwikkelingsgebieden.
Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel)
Rechterlijke maatregel die inhoudt dat de niet- of verminderd toerekeningsvatbare jongere onder toezicht van de staat wordt geplaatst en wordt behandeld.
positief symptoom
Een symptoom dat zich wel bij cliënten, maar niet bij gezonde mensen voordoet.
prevalentie
Het aantal gevallen van een ziekte in een bepaalde groep gedurende een bepaalde periode.
privaat- of burgerlijk Soort wetgeving waarbij alle betrokken partijen zich inspannen om zich aan de uitvoering recht van de wet te houden. De overheid zorgt niet voor toepassing en actieve controle.
410
1201707_binnenwerk.indd 410
Verklarende woordenlijst
18-04-12 07:55
probleemoplossings- Manier waarop de cliënt zijn problemen kan oplossen. strategie profylactisch
Preventief.
Pro Justitia- deskundigen- onderzoek
Een observatieonderzoek op last van de rechter om te kijken of er een relatie is tussen het ten laste gelegde, de eventuele stoornis en de mate van toerekeningsvatbaarheid.
psychoactief middel Substantie die door beïnvloeding van de hersenen ingrijpt op het gedrag van de mens. psychoactieve stof Stof die ingrijpt op het functioneren van de geest. psychodynamiek
Processen die zich in de hersenen afspelen en die naar buiten komen in het gedrag van de mens.
psycho-educatie
Uitleg over de werking van de menselijke geest, om ziekte-inzicht bij te brengen.
psychogeen
Veroorzaakt door psychische oorzaken.
psychogeriatrische Iemand die lijdt aan dementie en andere cognitieve stoornissen. cliënt psychomotorische therapie (PMT)
therapie met als doel het tot stand brengen van een gedragsverandering of ten minste een bijdrage te leveren daaraan en daarmee psychosociale of psychiatrische problematiek weg te nemen of te verminderen. PMT maakt gebruik van beweging en lichaamservaring. Bij beweging kun je denken aan oefensituaties uit de sport en het bewegingsonderwijs, bij lichaamservaring kun je onder andere denken aan ontspanningsoefeningen, ademhalingsoefeningen, sensory-awareness en bio-energetica.
psychopathologie
Leer over de ziekten van de geest.
psychose
Psychiatrisch beeld met stoornissen in denken, waarnemen en realiteitsbesef.
psychotherapie
Overkoepelende term voor specifieke behandelmethoden voor mensen met psychische problemen, waarbij geen gebruik gemaakt wordt van medicijnen en fysieke ingrepen.
PTSS
Post-traumatische stressstoornis. Stoornis die ontstaat ten gevolge van een ingrijpende gebeurtenis die vaak erg bedreigend was.
rationalisme
Stroming waarbij gedacht werd door het verstand de wereld te kunnen begrijpen.
Verklarende woordenlijst
1201707_binnenwerk.indd 411
411
18-04-12 07:55
rationeel-emotieve Vorm van cognitieve therapie die gericht is op het be誰nvloeden van denkprocessen, de therapie emoties en het handelen. rechterlijke machtiging (RM)
Machtiging van de rechter, onder meer voor een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis of tot verlenging van een opname.
rechtsbescherming Bescherming van de cli谷nt in de hulpverleningsrelatie door wetgeving. recidivepreventie
Voorkomen van herhaling van het eerder gepleegde strafbare feit.
Regionale Expertise- Bundeling van diverse vormen van speciaal onderwijs, zoals scholen voor ZMLK (zeer centra moeilijk lerende kinderen) en ZMOK (zeer moeilijk opvoedbare kinderen). regressief gedrag
Terugval naar een veel vroeger gedragspatroon, meestal kinderlijk.
rehabilitatie
Vorm van begeleiding, waarbij mensen weer leren om volledig aan de samenleving deel te kunnen nemen.
RIBW
Regionale Instelling voor Beschermende Woonvormen.
risicotaxatie
Het systematisch afwegen van het risico op herhaling van het delict.
schizofrenie
Psychotische stoornis met stoornissen in denken en waarnemen, waarbij hallucinaties en wanen optreden.
schizo誰de persoon- lijkheidsstoornis
Persoonlijkheidsstoornis waarbij men op zichzelf gericht is en geen relaties tussen mensen en dingen kan leggen.
self-efficacy
Geloof in de doeltreffendheid van eigen acties om problemen op te lossen.
sociaal psychiatrisch Verpleegkundige die een aanvullende post-hbo-opleiding heeft gevolgd, werkzaam in de verpleegkundige ambulante geestelijke gezondheidszorg. sociale adaptatie
Zich aan kunnen passen aan de eisen die de door de sociale omgeving aan het individu worden gesteld.
socialisatie
Opneming van een individu in de cultuur van zijn omgeving.
sociotherapeut
Hulpverlener die groepen op een methodische manier begeleidt en het leefklimaat binnen de setting daartoe be誰nvloedt.
412
1201707_binnenwerk.indd 412
Verklarende woordenlijst
18-04-12 07:55
sociotherapie
Methodisch hanteren van het leefklimaat van een groep patiënten gericht op (individuele) behandeldoelen.
somatisatie
Via lichamelijke klachten naar buiten brengen van psychische problemen en conflicten.
specifieke jeugd- gezondheidszorg
Tweedelijns specialistische zorg in bijvoorbeeld ziekenhuizen of revalidatiecentra, die is gericht op gezondheidsproblemen bij kinderen en jongeren.
splitting
Afweermechanisme waarbij tegenstrijdige gevoelens die de persoon voor een ander heeft niet kunnen worden ervaren. Iemand wordt bijvoorbeeld als helemaal goed of helemaal fout ervaren.
stigmatisering
Iemand brandmerken als afwijkend.
suggestieve techniek Behandelwijze waarbij een bepaald idee of denkbeeld overgebracht wordt op de cliënt. suïcide-ideatie
Actief denken aan of overwegen van suïcide of een suïcidepoging om problemen te verminderen of op te lossen.
suïcide-intentie- schaal
Vragenlijst waarmee je de bedoeling van de suïcidepogingen en het risico van herhaling kunt bepalen.
Sunrisemodel
Verpleegkundig model met specifieke aandacht voor de zorg vanuit een breed cultureel perspectief.
systeembehandeling Behandeling van het gezin waar de cliënt deel van uitmaakt. tardieve dyskinesie Extrapiramidale bewegingsstoornis die optreedt na langdurig gebruik van antipsychotica. tbs-maatregel
Door de rechter opgelegde maatregel als er sprake is van (gedeeltelijke) ontoerekeningsvatbaarheid. De maatregel bepaalt dat de gedetineerde gedwongen verpleging moet krijgen. Doel van de maatregel is door middel van behandeling de kans op herhaling (recidive) terug te brengen.
terbeschikking- stelling
Rechterlijke maatregel die inhoudt dat de niet- of verminderd toerekeningsvatbare cliënt onder toezichtvan de staat wordt geplaatst en behandeld.
terugvalpreventie- plan
Soort signaleringsplan waarmee systematisch wordt gehandeld om herhaling van een delict te voorkomenof alternatieven worden gezocht voor risicofactoren of risicovolle situaties.
toestemmings- vereiste
Benodigde schriftelijke en mondelinge toestemming van de cliënt over de te verrichten handelingen.
Verklarende woordenlijst
1201707_binnenwerk.indd 413
413
18-04-12 07:55
token economy
Vorm van gedragverandering waarbij de cliënt met tokens, bijvoorbeeld stickers, wordt beloond als hij het gewenste gedrag vertoont.
trigger
Een gebeurtenis, situatie en/of een voor de cliënt beklemmende sfeer die de aanzet geeft tot een bepaalde actie.
triple-onderzoek
Forensisch psychiatrisch observatie-onderzoek gebaseerd op gegevens uit een klinische observatieperiode en gegevens van de reclassering over de thuis- en werksituatie en het milieu van de verdachte.
verwijzer
Hulpverlener of instantie die mag doorverwijzen naar een tweedelijnsvoorziening in de zorg.
vrijheidsbeperkende Interventie waarbij de cliënt in zijn vrijheid wordt beperkt. maatregel waan
Niet op feiten gebaseerd denkbeeld waar de patiënt van uitgaat.
werkingsprofiel
Kenmerken waardoor de werking van het middel zichtbaar worden.
Wet op de jeugdzorg Wet die met ingang van 1-1-2005 het recht op jeugdzorg en de afstemming tussen verschillende soorten jeugdzorg regelt. wettelijk vertegenwoordiger
Rechtspersoon die volgens de wet de besluiten voor de cliënt mag en kan nemen.
wij-cultuur
Cultuur waarin mensen in de eerste plaats deel uitmaken van de groep, de gemeenschap.
wilsbekwaamheid
In staat zijn om belangrijke beslissingen over de behandeling te kunnen nemen.
ZAT
Team van docenten en een pedagoog op een basisschool of middelbare school dat verantwoordelijk is voor het signaleren van mogelijke leer- of ontwikkelingsproblemen en het maken van een zorgplan voor de leerling.
zelfbeschikking
Het eigen gedrag laten leiden vanuit persoonlijke overtuigingen en waarden en niet door sociale normen of groepsdruk.
zelfregulatie
Zelfstandig sturen van het eigen gedrag.
zorgmijder
Mensen met een psychiatrische stoornis die niet of nauwelijks te motiveren zijn voor behandeling, maar die ook niet voldoen aan het gevaarscriterium voor gedwongen opname via een rechterlijke machtiging.
414
1201707_binnenwerk.indd 414
Verklarende woordenlijst
18-04-12 07:55
Register A aanpalende handeling 45 acting out gedrag 205 adaptatie 181 anorexia nervosa 18 antidepressivum 141 antisociale persoonlijkheidsstoornis 19 arbeidstherapie 24 automutilant 11 B balanssuïcide 277 basisemotie 67 bestuursrecht 47 bestwilcriterium 54 betrekkingsidee 202 bevelshuishouding 368 bipolaire stoornis 17 borderline persoonlijkheidsstoornis 19 boulimia nervosa 18 brancheorganisatie 103 Bureau Jeugdzorg 313 C casemanagement 96 cognitieve functiestoornis 107 cognitieve therapie 327 compensatiegedrag 18 contrabande 370 culturele zorgdiversiteit 346 culturele zorguniversaliteit 346 D daderprofiel 362 dagschommelen 149 decompensatie 293 decorumverlies 151, 265 dehospitalisatie 25 delictgevaar 362 delictscenario 365
Register
1201707_binnenwerk.indd 415
delirium 15 delirium tremens 247 dementie 15 denkstoornis 108 depersonalisatie 167, 294 depotpreparaat 25 derealisatie 167 desoriëntatie 16 diagnosegroep 28 directieve houding 296 discontinuïteit in de zorg 93 dissociatie 18 DSM-IV-systeem 13 E emotionele verwaarlozing 294 expansief 135 externe rechtspositie 48 externe supervisie 368 F frustratietolerantie 249 G gedragstherapie 41, 327 gerontopsychiatrische cliënt 375 gevaarscriterium 48 GGZ Nederland 342 groepstherapie 185 H hallucinatie 17 hand-in-hand-begeleiding 281 herbeleving 178 hulpzoekgedrag 344 huwelijksmigratrie 338 hypnose 235 I ik-boodschap 180
415
18-04-12 07:55
ik-cultuur 339 ik-functie 87 inbewaringstelling (IBS) 28 informed consent 46 intermitterend 246 interne rechtspositie 48 inzagerecht 46
ontoerekeningsvatbaarheid 361 operante conditionering 42 opiaat 251 oppositioneel gedrag 328 orthopedagoog 319 overdracht- en tegenoverdrachtgevoelens 332
J jeugdbescherming 315 jeugdzorg 313 junkiesyndroom 251
P paranoïde persoonlijkheidsstoornis 19 paresthesie 167 patiëntvertrouwenspersoon 58, 299 Pavlov-reactie 249 pervasieve ontwikkelingsstoornis 364 Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) 364 positief symptoom 107 prevalentie 364 privaat- of burgerlijk recht 45 probleemoplossingsstrategie 180 profylactisch 158 Pro Justitia deskundigenonderzoek 359 psychoactief middel 246 psychoactieve stoffen 16 psychodynamiek 38 psycho-educatie 350 psychogeen 14 psychogeriatrische cliënt 375 psychomotorische therapie 207 psychopathologie 15 psychose 16 psychotherapie 39 PTSS 17
K kinderbeschermingsmaatregel 57 kinder- en jeugdpsychiatrie 313 L leeftijdsadequaatheid 331 leeftijdscircuit 28 leertheorie 41 life-event 321 lithium 143 loyaliteitsconflict 318 M magisch denkbeeld 201 metacommunicatie 180 multiconditioneel 14 mutisme 134 N nature 37 negatief symptoom 107 neurotisch 38 nurture 37 O obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis 20 onderhandelingshuishouding 368 ondertoezichtstelling 55
416
1201707_binnenwerk.indd 416
R rationalisme 23 rationeel-emotieve therapie 327 rechterlijke machtiging (RM) 28 rechtsbescherming 47 recidivepreventie 365 Regionale Expertisecentra 315 regressief gedrag 183
Register
18-04-12 07:55
rehabilitatie 41 RIBW 297 risicotaxatie 365 S schizofrenie 16 schizoïde persoonlijkheidsstoornis 19 self-efficacy 206 sociaal psychiatrisch verpleegkundige 309 sociale adaptatie 89 socialisatie 337 sociotherapeut 88 sociotherapie 329 somatisatie 17 somatiseren 343 specifieke jeugdgezondheidszorg 313 splitting 318 stigmatisering 321 suggestieve techniek 235 suïcide-ideatie 271 suïcide-intentieschaal 278 Sunrisemodel 345 systeembehandeling 327
Wet op de jeugdzorg 313 wettelijk vertegenwoordiger 58 wij-cultuur 339 wilsbekwaamheid 46 Z ZAT 314 zelfbeschikking 45 zelfregulatie 368 zorgmijder 34
T tardieve dyskinesie 383 tbs-maatregel 361 terbeschikkingstelling 57 terugvalpreventieplan 368 toestemmingsvereiste 46 token economy 327 trigger 368 triple-onderzoek 362 V verwijzer 315 vrijheidsbeperkende maatregelen 304 W waan 16 werkingsprofiel 250
Register
1201707_binnenwerk.indd 417
417
18-04-12 07:55