
NT2 voor theoretisch geschoolde volwassenen
DEEL 1 | 0 - A1
![]()

NT2 voor theoretisch geschoolde volwassenen
DEEL 1 | 0 - A1
Code+ is ontwikkeld door het INTT van de Universiteit van Amsterdam en VU-NT2 van de Vrije Universiteit Amsterdam, in samenwerking met ThiemeMeulenhoff.
Auteurs
UvA-INTT: Karolien Kamma, Alice de Beer, Kas Hartman, Tineke Leenaars
VU-NT2: Thomas Stam
Auteurs online
UvA-INTT: Fien Dekking, Sarah Hettema, Monique Hummel, Liza Verzijl
Eindredactie
UvA-INTT: Karolien Kamma
Aan vorige edities werkten mee
UvA-INTT: Karolien Kamma, Nicky Heijne, Marten Hidma.
VU-NT2: Anne Hammers, Titia Boers, Gerrie Gastelaars, Hinke van Kampen, Vita Olijhoek, Carola van der Voort.
Redactie
Martijn Baalman (MR-taal)
Omslagontwerp
Studio Kluif
Vormgeving en opmaak
Imago Mediabuilders
Klantenservice uitgeverij ThiemeMeulenhoff
033 - 448 3700
Over ThiemeMeulenhoff
ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs.
De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken.
We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.
Samen leren vernieuwen.
www.thiememeulenhoff.nl
Dit boek inclusief online leeromgeving wordt op twee manieren geleverd:
- boek plus voucher: ISBN 9789006315509 / Editie 2, druk 1, oplage 1, 2026 - boek plus licentie: ISBN 9789006315547 / Editie 2, druk 1, oplage 1, 2026
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2026
Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AI-training en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.
ClimatePartner certified product climate-id.com/YI43H3
CO2 measure reduce contribute
Uitleg van de symbolen 4
Instructiezinnen Nederlands-Engels 5
Thema 1 6 Wie ben jij?
Thema 2 34
Even in mijn agenda kijken
Thema 3 64
Wat eten we vanavond?
Thema 4 94
We gaan verhuizen
Thema 5 124
We zijn onderweg!
Thema 6 154
Wat zie je er leuk uit!
Thema 7 184
Wat gaan we doen?
Antwoorden 215
Overzicht grammatica en spelling 234
Overzicht routines en cultuur 235
Onregelmatige werkwoorden
Alfabetische woordenlijst 238
Beeldverantwoording en bronvermelding 247
Deze opdracht maak je online. Je gaat naar een tekst luisteren, een video of een illustratie bekijken, oefenen met nieuwe woorden, met uitspraak, met grammatica en spelling of met routines. Scan de QR-code voor de online leeromgeving.

Bij sommige opdrachten hoort een werkblad. De werkbladen krijg je van je docent. Je kunt ze ook downloaden bij Bronnen in de online omgeving.
Deze opdracht doe je met andere cursisten samen.
Dit is een luisteropdracht. Je luistert naar een tekst en beantwoordt de vragen.
Dit is een kijk- en luisteropdracht. Je kijkt en luistert naar een video en beantwoordt de vragen.
Dit is een leesopdracht. Je leest een tekst en beantwoordt de vragen.
Dit is een schrijfopdracht.
Dit is een spreekopdracht. Je voert en gesprek met een of meerdere cursisten.
Dit is een spreekopdracht. Je vertelt iets aan een andere cursist of aan de hele groep.
In deze opdracht oefen je met de uitspraak.
instructie
Beantwoord de vragen.
Bespreek de vragen / de antwoorden.
Bespreek hoe de opdracht ging.
vertaling
Answer the questions.
Discuss the questions / the answers.
How did the exercise go?
Controleer samen de antwoorden / de informatie. Check the answers / the information together.
Dit thema gaat over …
Doe de opdracht(en).
This chapter is about …
Do the exercise(s).
Gebruik … (de woordenlijst / het woordenboek). Use … (the word list / the dictionary)
Gebruik het woordenboek zo min mogelijk.
Use the dictionary as little as possible. Geef … aan je docent.
Geef antwoord.
In dit thema oefen je met …
Kies opdracht a of b.
Kijk naar … (de illustraties / foto’s).
Kruis aan.
Lees … (de tekst / de vragen).
Lees lekker door.
Lees samen het gesprek hardop.
Luister en lees mee.
Loop rond.
Oefen online met de uitspraak.
Give … to your teacher.
Answer the questions.
In this chapter, you practice with …
Choose exercise a or b.
Look at … (the illustrations / the pictures).
Tick the correct box.
Read … (the text / the questions).
Keep on reading.
Read the conversation aloud. Work together.
Listen and read.
Walk around.
Practice your pronunciation online. Overleg met elkaar.
Praat over …
Discuss the following.
Talk about …
Reflecteer online op de buitenschoolse opdracht. Reflect online on the extracurricular assignment.
Schrijf (de antwoorden / de informatie) op.
Schrijf een e‐mail / een berichtje / een brief.
Schrijf terug.
Stel elkaar om de beurt een vraag.
Stel (elkaar) vragen.
Stel vragen en geef antwoord.
Write down … (the answers / the information).
Write an e‐mail / a message / a letter.
Write a reply.
Take turns asking each other a question.
Ask (each other) questions.
Ask questions and answer.
Vergelijk je antwoorden met andere cursisten. Compare your answers with other students.
Voer een gesprek.
Vraag informatie over …
Have a conversation.
Request / ask information about … Vul (de woorden / de goede letter) in.
Wat hoor je?
Wat hoort bij elkaar?
Wat zie je … (op de foto)?
Welke woorden ken je bij … ?
Werk in tweetallen / drietallen / viertallen.
Wie horen bij elkaar?
Wie hoort bij…?
Wissel van rol.
Fill in (words / the correct letter).
What do you hear?
What belongs together?
What do you see … (in the photo)?
Which words do you know related to …?
Work in pairs / in groups of 3 / in groups of 4
Who belong together?
Who belongs to …?
Change roles.
Zet de zinnen in de goede volgorde. Put the sentences in the correct order.
Dit thema gaat over persoonlijke informatie.

In dit thema oefen je met:
• jezelf of iemand anders voorstellen. taak 1
• een adres vragen en geven. taak 2
• groeten. taak 3
• een formulier invullen. taak 4
1 Wat zie je op de openingsfoto van dit thema?
2 Welke woorden ken je bij het thema voorstellen en groeten?
3 Lees de informatie over de familie Chen en de familie Van der Meer. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema. Wie horen bij elkaar? Vul de goede letter in.
1 Wie hoort bij Eddy Chen?

Hallo, ik ben Eddy. Mijn achternaam is Chen. Ik kom uit Arnhem en nu woon ik in Weesp. Ik ben 36 jaar. Ik geef autorijles. Mijn vrouw heet Yvonne en zij is 35 jaar. We hebben twee (2) kinderen. Laura is zes (6) jaar en Jessica is een baby.
2 Wie hoort bij Pieter van der Meer?

Mijn naam is Van der Meer. Mijn voornaam is Pieter. Mijn vrouw heet Dewi. We hebben twee (2) kinderen: een zoon en een dochter. Paul is negentien (19) en Stella is zestien (16). We wonen op de Nieuwe Gracht, op nummer 29, in Weesp. Ik werk in een winkel en Dewi is huisarts.

a Hallo, ik ben Stella. Ik ben de zus van Paul. Ik ben zestien (16) jaar en ik woon met mijn familie in Weesp.

c Ik heet Laura. En dit is Jessica.

e Hoi, ik ben Paul. Ik ben de broer van Stella. Ik woon met mijn zus, vader en moeder op de Nieuwe Gracht in Weesp. Ik ben student. Ik studeer in Utrecht.

b Ik heet Yvonne. Mijn man heet Eddy. We hebben twee (2) dochters: Laura en Jessica.

d Mijn naam is Dewi van der Meer. Ik heb een man, een zoon en een dochter.

Voorbereiden
1 Kijk naar de foto’s. Kruis aan.

a Ik heet Stella.
■ iemand anders voorstellen
■ jezelf voorstellen

b Mijn naam is Van der Meer.
■ iemand anders voorstellen
■ jezelf voorstellen

c Dit is mijn broer John.
■ iemand anders voorstellen
■ jezelf voorstellen

d Ik ben Sheila Singh.
■ iemand anders voorstellen
■ jezelf voorstellen

e Ik zal mijn vrouw even voorstellen. Dit is Emma.
■ iemand anders voorstellen

■ jezelf voorstellen f Dit is Bas.
■ iemand anders voorstellen
■ jezelf voorstellen
2.1
2.1 Lees de routines. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
(i) = informeel / (f) = formeel
Jezelf voorstellen
Ik heet Hanna. (i)
Ik ben Jan. (i)
Jan Tervoort. (i) / (f)
Ik ben Anja Verbrugge. (i) / (f)
Mijn naam is Sen van As. (f)
Iemand anders voorstellen
Dit is Els. (i)
Dit is mijn man Halit. (i)
Dit is Marja Willems. (f)
Dit is mevrouw / meneer Hendriks. (f)
Reageren
Leuk je te ontmoeten. (i) / Leuk u te ontmoeten. (f)
Aangenaam. (f)
Prettig kennis te maken. (f)
2.2 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 1 ➔ Voorbereiden – routines.
2.2
3.1 Lees de routines. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
> Hoe heet je?
< Ik heet Hanna.
> Ik ben John. Wie ben jij?
< Ik ben Paul.
> Waar kom je vandaan?
< Ik kom uit Groningen / Spanje / Finland.
> Waar woon je?
< Ik woon in Amsterdam.
3.2 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 1 ➔ Voorbereiden – routines.
4 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 1 ➔ Voorbereiden – luisteren.
Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
5 Lees het grammaticakader Het pronomen personale als subject voor mensen aan het eind van dit thema.
6 Lees het grammaticakader Het presens aan het eind van dit thema.
Uitvoeren
die / hen 3.1 3.2
7 Welke pronomina personale als subject passen bij jou? Kruis aan.
zij
hij
8 Stel vragen en geef antwoord. Gebruik de routines uit deze taak.
Cursist A vraagt en cursist B geeft antwoord.
Vragen:
– Hoe heet je?
– Waar woon je?
– Waar kom je vandaan?
Wissel van rol.
9 Stel iemand voor.
Cursist A stelt cursist B voor aan de groep.
Zinnen:
– Dit is …
– Zij / Hij / Die / Hen woont …
– Zij / Hij / Die / Hen komt uit …
Wissel van rol.
10 Wat weet je? Schrijf op.
Cursist A Wat weet je van cursist B?
Cursist B Wat weet je van cursist A?
Focus op de vorm van het pronomen personale als subject en het presens.
Controleer samen de informatie.
11 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 1 ➔ Afronden – woorden.
12 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 1 ➔ Afronden – grammatica Het pronomen personale als subject voor mensen.
13 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 1 ➔ Afronden – grammatica Het presens.
14 Loop rond, stel vragen en geef antwoord.
Loop rond en vraag informatie aan drie andere cursisten.
Focus op de vorm van het pronomen personale als subject en het presens.

1 Kijk naar het alfabet. Aa Bb Cc Dd Ee Ff Gg Hh Ii Jj Kk Ll Mm Nn Oo Pp Qq Rr Ss Tt Uu Vv Ww Xx Yy Zz
2 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 2 ➔ Voorbereiden – luisteren 1 en 2. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
3 Kijk naar de getallen. 0 nul 1 een 2 twee 3 drie 4 vier 5 vijf 6 zes 7 zeven 8 acht
9 negen 10 tien
30 dertig
40 veertig
50 vijftig
60 zestig
70 zeventig
80 tachtig
90 negentig
100 honderd
200 tweehonderd
300 driehonderd
11 elf
12 twaalf
13 dertien 14 veertien
15 vijftien
16 zestien
17 zeventien
18 achttien
19 negentien
20 twintig
21 eenentwintig
22 tweeëntwintig
23 drieëntwintig
451 vierhonderdeenenvijftig
1000 duizend
1100 elfhonderd
1200 twaalfhonderd

1323 dertienhonderddrieëntwintig
1957 negentienhonderdzevenenvijftig
2000 tweeduizend
2612 tweeduizend zeshonderdtwaalf / zesentwintighonderdtwaalf
3433 drieduizend vierhonderddrieëndertig / vierendertighonderddrieëndertig
10.000 tienduizend
100.000 honderdduizend
1.000.000 miljoen
1.000.000.000 miljard
4 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 2 ➔ Voorbereiden – luisteren 3 en 4. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
5 Lees het grammaticakader ‘Hebben’ en ‘zijn’ in het presens aan het eind van dit thema.
6 Lees de tekst. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
In een adres staat het huisnummer achter de naam van de straat: Herenstraat 8. Adressen in Nederland hebben ook een postcode. Een postcode heeft vier cijfers en twee letters. De postcode staat voor de plaatsnaam: 3512 KC Utrecht. In een straat hebben ongeveer tien huisnummers dezelfde postcode. De combinatie van postcode en huisnummer is uniek.
Telefoonnummers in Nederland hebben tien cijfers. Nederlandse mobiele telefoonnummers beginnen altijd met 06.
Soms weet je de naam en het adres, maar niet het telefoonnummer. Je kunt dan online kijken. Soms weet je wel de straat en de woonplaats, maar niet de postcode. Ook die kun je online vinden.

Jan Tervoort
Herenstraat 8
3512 KC Utrecht



7 Bespreek de vragen. Ze horen bij het cultuurkader Adressen en telefoonnummers.
1 Hoe noteer je adressen in je land van herkomst?
2 Hoeveel cijfers heeft een telefoonnummer in je land van herkomst?
3 Waar vind je informatie over adressen en telefoonnummers in je land van herkomst?
8 Spel je voornaam en achternaam.
Cursist A spelt zijn voornaam en achternaam. Cursist B schrijft de namen op. Wissel van rol.
Controleer samen de spelling van de namen.
9 Schrijf tien getallen op en lees ze voor.
Cursist A schrijft tien getallen op. Die leest ze voor.
Cursist B schrijft de getallen op.
Wissel van rol.
Controleer samen de getallen.
10 Stel vragen en schrijf de informatie op.
Cursist A vraagt informatie aan cursist B. Cursist A schrijft de informatie op. Wissel van rol.
Controleer samen de informatie.
11 Stel vragen en geef antwoord. Schrijf de enveloppen. Maak de namen en adressen compleet. Cursist A vraagt informatie aan cursist B. Wissel van rol.
Controleer samen de informatie.
12 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 2 ➔ Afronden – woorden.
13 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 2 ➔ Afronden – grammatica ‘Hebben’ en ‘zijn’ in het presens.
14.1 Vraag informatie over een yogacursus. Schrijf de antwoorden op.
Cursist A vraagt informatie aan cursist B. Cursist B geeft informatie.
Focus op de vorm van het presens.
Controleer samen de informatie.
14.2 Vraag informatie over een huisarts. Schrijf de antwoorden op.
Cursist B vraagt informatie aan cursist A. Cursist A geeft informatie.
Focus op de vorm van het presens.
Controleer samen de informatie.

1 Wat zeg je tegen deze mensen? Kruis aan.

1 Dit is Zeynep Kaya. Zij is 28 jaar en ook cursiste in de cursus Nederlands.
■ je
■ u

2 Dit is David. Hij is 12 jaar. Hij is het vriendje van je zoon.
■ je
■ u

3 Dit is meneer Bakambo. Hij is 50 jaar. Je wilt bij hem werken.
■ je
■ u

4 Dit is Bart Veltman. Hij is 45 jaar. Hij werkt in een boekwinkel.
■ je
■ u
Cultuur

5 Dit is Els Jansen. Ze is 70 jaar. Ze is de oma van David.
■ je
■ u

6 Dit is Rianne Kramer. Ze is 35 jaar. Ze is je docente Nederlands.
■ je
■ u
2 Lees de tekst. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
Informele situaties
Kennen mensen elkaar goed? Dan zeggen ze bijvoorbeeld ‘Hoi’ en ze zeggen ‘je’ tegen elkaar. Mensen zeggen ook elkaars voornaam. Kinderen zeggen meestal ook ‘je’ tegen hun vader en moeder. Soms zeggen ze ook hun voornaam. Op het werk zijn mensen vaak informeel. Ze zeggen dan elkaars voornaam. Ontmoet je een nieuwe collega? Dan zeg je vaak ook je achternaam.
Formele situaties
Kennen mensen elkaar niet goed? Dan zeggen ze bijvoorbeeld ‘Goedemorgen, mevrouw’ en ze zeggen ‘u’. Is de persoon ouder? Dan zeggen mensen ook vaak ‘u’. Bij de huisarts zijn mensen meestal ook formeel.
Is een nieuwe situatie informeel of formeel? Weet je het niet? Begin dan met ‘u’. De reactie kan dan zijn ‘Zeg maar je’.
3 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 3 ➔ Voorbereiden – luisteren.
Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
4.1
4.1 Lees de routines. Gebruik de woordenlijst aan het eind van dit thema.
(f) formeel en (i) informeel
Komen en groeten
Goedemorgen (f) / goeiemorgen (i)
Goedemiddag (f) / goeiemiddag (i)
Goedenavond (f) / goeienavond (i)
Dag (i) / (f)
Hallo (i)
Hoi (i)
Hé (i)
Eind van het gesprek
Ik moet weer verder.
Ik moet gaan.
Fijne / prettige avond.
Weggaan en groeten
Dag (i) / (f)
Doei (i) / Doeg (i)
Tot ziens (i) / (f)
Tot later / tot snel / tot straks (i) / (f)
4.2 Doe de opdrachten online: Thema ➔ Taak 3 ➔ Voorbereiden – routines.
4.2
5 Bespreek de vragen. Ze horen bij het cultuurkader U en je
1 Is er in jouw moedertaal ook een pronomen voor ‘je’ en een pronomen voor ‘u’?
2 In welke situaties ben je informeel in je land van herkomst?
3 In welke situaties ben je formeel in je land van herkomst?
6.1 Lees de gesprekken.
Situatie 1: informeel
Het is les één van de cursus Nederlands. Hilda (A) en Gonzalo (B) ontmoeten elkaar.
A: Hallo, ik ben Hilda.
B: Hoi Hilda, ik heet Gonzalo.
A: Hoi Gonzalo. Wat is je achternaam?
B: Mijn achternaam is Montero.
A: Montero? Hoe spel je dat?
B: M – O – N – T – E – R – O. En wat is jouw achternaam?
A: Svenson. S – V – E – N – S – O – N.
B: Oké, dankjewel. Leuk je te ontmoeten!
A: Ja, leuk je te ontmoeten. Tot later!
B: Doei Hilda. Tot snel!
Situatie 2: formeel
Anisha Kulkarni (A) is op het werk. Ze ontmoet een nieuwe collega, Rachid Haddad (B).
A: Goedemiddag, mijn naam is Anisha Kulkarni.
B: Dag mevrouw Kulkarni, mijn naam is (Rachid) Haddad.
A: Leuk u te ontmoeten, meneer Haddad. Waar woont u?
B: Ik woon in Arnhem. En u? Waar woont u?
A: Ik woon in Ede.
B: Leuk! Prettig kennis te maken.
A: Leuk u te ontmoeten. Tot straks in de pauze.
6.2 Luister en lees mee.
De docent en een cursist zijn A en B. Zij lezen samen de gesprekken van situatie 1 en 2 hardop. Luister en lees mee.
6.3 Lees samen de gesprekken hardop. Werk in tweetallen.
Wie ben je: A of B? Lees samen de dialogen. Wissel van rol.
7 Voer een gesprek. Werk in tweetallen.
Voer de gesprekken. Gebruik de routines uit dit thema.
Gesprek 1: informeel
Het is les één van de cursus Nederlands. Cursist A en B ontmoeten elkaar.
– Cursist A en B groeten elkaar.
– Cursist A stelt een vraag aan cursist B. Cursist B antwoordt.
> Waar kom je vandaan?
< Ik kom uit …
– Cursist B stelt een vraag aan cursist A. Cursist A antwoordt.
– Eindig het gesprek. Groet elkaar bij het weggaan.
Gesprek 2: formeel
Cursist A is op het werk. Cursist A ontmoet een nieuwe collega, cursist B.
– Cursist A en B groeten elkaar.
– Cursist A stelt een vraag aan cursist B. Cursist A antwoordt.
> Waar woon je?
< Ik woon in …
– Cursist B stelt een vraag aan cursist B. Cursist B antwoordt.
– Eindig het gesprek. Groet elkaar bij het weggaan.
Wissel van rol.
8 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 3 ➔ Afronden – woorden.
9 Voer een gesprek. Werk in tweetallen.
Voer formele en informele gesprekken. Gebruik de routines uit dit thema.
– Groet elkaar.
– Stel elkaar een vraag en geef antwoord.
– Eindig het gesprek.
– Groet elkaar bij het weggaan.
Herhaal de opdracht met een andere cursist.
10.1 De les is afgelopen. Je gaat weg. Je groet de docent.
10.2 Groet drie personen buiten de les. Schrijf de reacties op.

1 Lees de informatie en het formulier.
Een formulier invullen
Eddy zoekt een nieuw huis. Hij moet een formulier invullen met zijn persoonlijke informatie: naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, geboortedatum en geboorteplaats. Onder het formulier zet hij zijn handtekening.
Achternaam: Chen
Voornamen: Eddy Leo
Straatnaam en huisnummer: Sonneveldstraat 101
Postcode: 1382 XH
Woonplaats: Weesp
Telefoonnummer: 06 83 09 51 24
E-mailadres: el.chen@gmail.com
Geboortedatum: 24 maart 1990
Geboorteplaats: Amersfoort
Geslacht: m / v / x*
Nationaliteit: Nederlandse
Handtekening:
* doorhalen wat niet van toepassing is
2 Wat hoort bij elkaar? Vul in.
Achternaam:
Voornamen:
Straatnaam en huisnummer:
Postcode:
Woonplaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Geslacht:
Nationaliteit:
Handtekening:
* doorhalen wat niet van toepassing is
m / v / x * Barcelona 1224 TP Eindhoven 15-10-1982 Spaanse Marktstraat 163 Gonzalez 06 39610541
Juan Carlos Gonzalez_JC@outlook.com
3 Lees het grammaticakader Hoofdzin 1: subject en persoonsvorm aan het eind van dit thema.
4 Maak vragen bij deze antwoorden.
Voorbeeld
Wat is je achternaam?
Willemse
Marja
Wolfstraat 84
6531 LN
Nijmegen
06 830 951 24
m.willemse@gmail.com 11 november 1978
Arnhem
Nederlandse
5 Stel vragen en maak de formulieren compleet.
Voorbeeld
Cursist A vraagt: Wat is de achternaam van Peter?
Cursist B antwoordt: De achternaam van Peter is Van Elst. Wissel van rol.
6 Vul nu zelf een formulier in.
Achternaam:
Voornamen:
Straat:
Huisnummer:
Postcode:
Woonplaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Geslacht:
Nationaliteit: m v x *
7 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 4 ➔ Afronden – woorden.
8 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Taak 4 ➔ Afronden – grammatica Hoofdzin 1: subject en persoonsvorm.
9 Loop rond en stel vragen. Geef antwoord. Van de docent krijg je een vraag. Loop rond en stel de vraag aan een andere cursist. Je medecursist geeft antwoord en stelt jou ook een vraag.
Geef antwoord in een complete zin.
Focus op de positie van het subject en de persoonsvorm in je zin.
Herhaal de opdracht met een andere cursist, enzovoort.
1 Doe de toets online: Thema 1 ➔ Afsluiting ➔ Zelftoets – woorden en routines.
In dit thema heb je het volgende geleerd:
• jezelf of iemand anders voorstellen;
• een adres vragen en geven;
• groeten;
• een formulier invullen.
In deze opdracht ga je buiten de les iemand groeten en een kennismakingsgesprek voeren. Dat doe je met twee mensen die Nederlands spreken.
Voorbereiding
2 Werk in tweetallen. Bespreek de vragen. Schrijf de antwoorden op.
Met welke twee mensen ga je een kort gesprek voeren?
Persoon 1:
Welke groet kun je gebruiken?
Zeg je u of je?
Met welke zin introduceer je jezelf?
Welke drie vragen stel je? 1. 2. 3.
Je gaat weg. Welke groet gebruik je?
Persoon 2:
Welke groet kun je gebruiken?
Zeg je u of je?
Met welke zin introduceer je jezelf?
Welke drie vragen stel je?
Je gaat weg. Welke groet gebruik je?
3 Oefen de gesprekken met elkaar.
4 Voer een kort gesprek met twee mensen buiten de school. Kijk op het werkblad. Maak dit deel van de opdracht buiten de les. Neem de ingevulde opdracht en de audio-opname mee naar de les. In de les bespreek je deze.
Terugblik en afronding
5 Bespreek de uitvoering van de buitenschoolse opdracht.
Gebruik het ingevulde werkblad.
1 Laat de gesprekjes aan elkaar horen.
2 Bespreek het schema uit het werkblad.
3 Bespreek de vragen en antwoorden bij Terugblik vóór de les.
6 Reflecteer online op de buitenschoolse opdracht: Thema 1 ➔ Afsluiting ➔ Buitenschoolse opdracht.
7 Doe de opdrachten online: Thema 1 ➔ Afsluiting ➔ Kilometers maken – luisteren.
8 Je gaat naar een taalcafé. Je bent daar nieuw. Introduceer jezelf in de groepsapp van het taalcafé.
Gebruik de volgende vragen:
– Hoe heet je?
– Waar woon je?
– Waar kom je vandaan?
– Hoe oud ben je?
– Wat doe je? Studeer je? Werk je?
9 Lees de tekst. Lees lekker door. Gebruik het woordenboek zo min mogelijk.
Dit ben ik
1 5
Ik heet Kenji. Ik kom uit Japan en ik ben 23 jaar. Ik ben in Osaka geboren. Mijn familie woont in Japan en ik woon nu in Nederland. Ik ben student en ik studeer aan de universiteit van Groningen. Groningen is een leuke stad. Er wonen veel studenten. Mijn partner, Daan, komt uit Nederland. Hij studeert in Nijmegen. Dat is ook een leuke stad. We zien elkaar in het weekend. Dat is heel fijn. Later wil ik in Nederland wonen en werken. Daarom oefen ik vaak Nederlands met Daan. Het gaat steeds beter.
10 Oefen online met de uitspraak: Thema 1 ➔ Afsluiting ➔ Verstaan en nazeggen.
11 Oefen online met de uitspraak: Klankenleerlijn.
Dit is de theorie bij Grammatica en spelling. De opdrachten vind je online: Thema 1 ➔ Taak ➔ Afronden – grammatica en spelling.
Singularis
1 ik Ik heet Hanna.
2 je (jij) informeel Je komt uit Amsterdam. u formeel U komt uit Iran.
3 ze (zij) Ze heet Anne. hij Hij heet Paul. die / hen genderneutraal Die / Hen woont in Utrecht.
Pluralis
1 we (wij) We wonen in Rotterdam.
2 jullie Jullie komen uit Spanje.
3 ze (zij) Ze hebben twee kinderen.
Let op:
Neutrale vorm Contrast
Kom je uit Amsterdam? Ik kom uit Maastricht. En jij? Waar kom jij vandaan? Ze heet Anne. Ik heet Paul. Zij heet Anne. We wonen in Rotterdam. Jullie wonen in Amsterdam en wij wonen in Rotterdam.
Het verbum
Singularis
werken antwoorden bellen wonen
1 ik werk antwoord bel woon
2 je (jij), u werkt antwoordt belt woont werk je antwoord je bel je woon je
3 ze (zij), hij, die / hen werkt antwoordt belt woont
Pluralis
1 we (wij) werken antwoorden bellen wonen
2 jullie werken antwoorden bellen wonen
3 ze (zij) werken antwoorden bellen wonen
Let op:
Je werkt in een winkel. ➔ Werk je in een winkel?
Je antwoordt op de vraag. ➔ Antwoord je op de vraag?
Jij belt de krant. ➔ Bel jij de krant?
Jij woont in Zwolle. ➔ Woon jij in Zwolle?
Singularis
hebben zijn
1 ik heb ben
2 je (jij) hebt bent u heeft bent heb je ben je
3 ze (zij), hij, die/hen heeft is
Pluralis
1 we (wij) hebben zijn
2 jullie hebben zijn
3 ze (zij) hebben zijn
Let op:
Je hebt een zus. ➔ Heb je een zus?
Jij bent de nieuwe cursist. ➔ Ben jij de nieuwe cursist?
subject persoonsvorm rest 1 2 3
Ik woon in Weesp.
Hij heeft twee kinderen. We wonen in Weesp. Dewi en Pieter hebben twee kinderen.
Regels:
positie 2 = persoonsvorm (pv)
positie 1 = subject
• Online staat de woordenlijst met vertalingen: Bronnen ➔ Woordenlijst met vertalingen.
• De werkwoorden met een * zijn onregelmatige werkwoorden. Een lijst met de vormen van deze werkwoorden staat achter in het boek.
• Voor in het boek staat ook een lijst met instructiezinnen met een Engelse vertaling.
Intro achternaam, de auto, de autorijles, de broer, de dochter, de en familie, de gebruiken (gebruik) geven * (geeft) hebben * heten * huisarts, de in jaar, het kijken * kinderen, de (het kind) komen * man, de met moeder, de naam, de nieuw nu nummer, het oefenen op persoonlijk student, de studeren uit (ik kom uit…) vader, de voornaam, de vrouw, de wat welk werken wie winkel, de wonen woord, het zien *
zijn * (ben, bent, is) zoon, de zus, de
Taak 1 ander antwoord, het bedanken beginnen * binnenkomen * collega, de dit doen * eind(e), het even gaan * goed goedemiddag hoe (hoe heet je?) iemand (anders) ja jezelf leuk luisteren meedoen * meneer, de mevrouw, de moeten * nee ontmoeten ook passen bij / in reageren samen schrijven * vandaan verder (verder gaan / zoeken) voorstellen vraag, de vragen * waar weer
weten * zin, de zitten * zullen * (zal)
Taak 2 achter adres, het altijd bellen cijfer, het combinatie, de cursus, de dan danken dankjewel dankuwel dezelfde excuus, het fijn (dat is fijn) geen getal, het goedemorgen herkomst, de huis, het klopt dat? krant, de kunnen * (kan) letter, de lezen * (lees) maar maken (maak) naar niet ongeveer plaats, de postcode, de soms staan * straat, de uniek vandaag
Code+ | NT2 voor theoretisch geschoolde volwassenen is specifiek ontworpen voor anderstaligen met een theoretische achtergrond, om snel en doelgericht Nederlands te leren.
Met Code+ leer je Nederlands aan de hand van concrete taaltaken. De thema’s in de methode sluiten aan op de dagelijkse praktijk. Communicatie, interactie en samenwerking staan centraal. Daarnaast is er ruime aandacht voor culturele aspecten van Nederland.
Code+ bestaat uit vier delen. Elk deel bestaat uit een boek met opdrachten en een online leeromgeving. Hier vind je oefeningen voor onder andere luisteren, woorden en grammatica. Met elk deel zet je een niveaustap in het Europees Referentiekader (ERK). Als je alle vier de delen van Code+ succesvol hebt doorlopen, ben je voorbereid om deel te nemen aan het Staatsexamen NT2 programma II.
Code+ | NT2 voor theoretisch geschoolde volwassenen is ontwikkeld door ervaren NT2-docenten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit Amsterdam.
