hbo
De verpleegkundige in de zorg aan chronisch zieken Parate vakkennis is voor een goede verpleegkundige beroepsuitoefening van wezenlijk belang. De nieuwe boekenreeks van TM-Zorg biedt verpleegkundigen in opleiding de kennisbasis waarvan al bij stages verwacht wordt dat ze erover beschikken. De inhoud van deze basisboeken sluit aan bij de Body of Knowledge and Skills van het Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde. Elk boek bevat drie onderdelen: * Compacte introductie van de zorgsetting. * Uitgebreide aandacht voor de verpleegkundige: positie, taken, verpleegproces, coördinatie van zorg, kwaliteitszorg, verpleegkundige aandachtsgebieden. * Beschrijving van verschillende patiëntcategorieën. Het accent ligt op de directe zorgverlening. De student krijgt uitgebreide medische en gedragswetenschappelijke kennis aangereikt, gevolgd door een beschrijving van het verpleegkundig handelen. De inhoud is evidence-based en put uit landelijke richtlijnen en zorgprogramma’s. Hoofdstukken worden afgesloten met opdrachten voor verdieping of verbreding van de stof. Bijvoorbeeld een kwaliteitszorgopdracht, een opdracht tot klinisch redeneren bij een casus, een argumentatieopdracht of een opdracht tot beantwoording van een PICO-vraag. Ruim twintig procent van de Nederlanders heeft een langdurige lichamelijke aandoening. Deze aandoeningen verhinderen in veel gevallen een probleemloos functioneren. Bovendien is vaak sprake van comorbiditeit, hetgeen de behandeling en verpleging complexer maakt. In dit boek worden de meest voorkomende chronische aandoeningen behandeld, de gezondheids- en bestaansproblemen waarmee cliënten te maken kunnen krijgen en de verpleegkundige zorg die zij daarbij nodig hebben. Elk ziektebeeld wordt vanuit een medisch- en verpleegkundig kader behandeld. Uitgangspunt is het streven naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid, met oog voor de individuele cliënt.
De verpleegkundige in de zorg aan chronisch zieken
hbo
De verpleegkundige in de zorg aan chronisch zieken
Redactie: Ankie van Vuuren Ton Vermeij
ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit ThiemeMeulenhoff Zorg Basisboeken, Traject V&V, i-care flex, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie etc.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg
01-HBO zorgboekenChronisch.indd 1
09-03-12 12:13
De verpleegkundige in de zorg aan chronisch zieken
9006952582_bw.indd 1
26-03-12 08:09
Colofon ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs,
Auteurs Jan Atsma Bianca Buijck Janke Damoiseaux Frans Elbers Ronald Günther Hendrik van der Ham Mirelle Magni-Eekhoudt Susanne Maassen Arienne Molenaar Karina Meijers Dorien Tessels Hans van de Ven Ankie van Vuuren Margot Walter
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 95258 2 Eerste druk, eerste oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet
Redactie Ton Vermeij Ankie van Vuuren
j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever
Ontwerp Binnenwerk: DeltaHage, Den Haag
te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
2
9006952582_bw.indd 2
26-03-12 08:09
Inhoud Woord vooraf 6 Deel 1
Oriëntatie op de zorgcategorie en de verpleegkundige zorg
9
1 De zorgcategorie 10 1.1 Introductie op de zorgcategorie 11 1.2 Bestaansproblemen 17 2 De zorg voor cliënten met een chronische aandoening 22 2.1 Invloeden en consequenties 23 2.2 Overheidsbeleid 27 2.3 Autonomie en empowerment 30 2.4 Ontwikkelingen in het zorgaanbod 34 2.5 Domotica, computerbegeleiding en sociale media 45 3 Het verplegen van mensen met een chronische aandoening 48 3.1 Aandacht voor bestaansproblemen 49 3.2 Het dagelijks leven 50 3.3 Het zelfbeeld 51 3.4 Het sociale netwerk 52 3.5 Zorgsettings 62 3.6 Het primaire proces 64 3.7 De duur van de zorgverlening 75 3.8 Ondersteunen van de mantelzorg 76 3.9 Continuïteit en coördinatie van de zorg 77 3.10 Verpleegkundige functies in de zorg voor mensen met een chronische aandoening 81 Deel 2
Categorieën van cliënten
83
1 Chronische nierinsufficiëntie 84 1.1 Medisch kader 85 1.2 Verpleegkundig kader 90 Verwerkingsopdracht 97 2 Verplegen van cliënten met COPD of astma 98 2.1 Medisch kader 99 2.2 Verpleegkundig kader 107 Verwerkingsopdracht 115 3 Verplegen van cliënten met diabetes mellitus 116 3.1 Medisch kader 117 3.2 Verpleegkundig kader 125 Verwerkingsopdracht 132
3
9006952582_bw.indd 3
26-03-12 08:09
4 Verplegen van cliënten met een oncologische aandoening 134 4.1 Medisch kader 135 4.2 Gezondheids- en bestaansproblemen 142 4.3 Verpleegkundige zorg 145 Verwerkingsopdracht 148 5 Verplegen van cliënten met reumatoïde artritis 150 5.1 Medisch kader 151 5.2 Gezondheids- en bestaansproblemen 159 5.3 Verpleegkundige zorg 162 Verwerkingsopdracht 169 6 Verplegen van cliënten met chronisch hartfalen 170 6.1 Medisch kader 171 6.2 Verpleegkundig kader 179 6.3 Ketenzorg 186 Verwerkingsopdracht 188 7 Verplegen van cliënten met de ziekte van Parkinson 190 7.1 Medisch kader 191 7.2 Gezondheids- en bestaansproblemen 199 7.3 Verpleegkundige zorg 203 Verwerkingsopdracht 208 8 Verplegen van cliënten met multiple sclerose 210 8.1 Medisch kader 211 8.2 Verpleegkundig kader 218 Verwerkingsopdracht 225 9 Verplegen van cliënten met een totale/partiële dwarslaesie 226 9.1 Medisch kader 227 9.2 Verpleegkundig kader 233 Verwerkingsopdracht 243 10 Verplegen van cliënten met een CVA 246 10.1 Medisch kader 247 10.2 Gezondheids- en bestaansproblemen 251 10.3 Verpleegkundige zorg 254 Verwerkingsopdracht 260 11 Verplegen van mensen met chronische pijn 262 11.2 Wat is pijn? 263 11.3 Pijnanamnese en pijnmetingen 269 11.4 Behandeling van chronische pijn 271 11.5 Verpleegkundige zorg 274 Verwerkingsopdracht 282
4
9006952582_bw.indd 4
26-03-12 08:09
12 Verplegen van cliĂŤnten met niet-aangeboren hersenletsel door een ongeval 284 12.1 Medisch kader 285 12.2 Diagnostiek en behandeling 286 12.3 Gezondheids- en bestaansproblemen 287 12.4 Verpleegkundige zorg 292 Verwerkingsopdracht 307 Literatuur 308 Verklarende woordenlijst 316 Register 331
5
9006952582_bw.indd 5
26-03-12 08:09
Woord vooraf Je hebt een opleiding gekozen voor een geweldig en fascinerend beroep: verpleegkundige. Je zult te maken krijgen met ontzettend veel mensen die in talloze opzichten van elkaar verschillen. Je gaat ze helpen, ondersteunen, verzorgen bij allerlei aandoeningen. Eerst ontwikkel je algemene kennis over alle patiënten- en cliëntencategorieën, daarna ga je je richten op specifieke categorieën. In het in maart 2012 gepresenteerde Beroepsprofiel verpleegkundige zijn verschillende ontwikkelingen geschetst in de maatschappij en in de verpleegkundige beroepsuitoefening. Wat daarin opvalt zijn de tegenstellingen. Deze bijvoorbeeld: de zorg wordt steeds meer persoonsgericht, maar tegelijkertijd ook zakelijker en meer gestandaardiseerd. Verpleegkundigen richten zich op de behoeften en vragen van de individuele patiënt, maar moeten ook zo efficiënt mogelijk werken, de kosten in de hand houden en gebruikmaken van wetenschap. Nog een tegenstelling: van een verpleegkundige wordt zowel generalistische als specialistische kennis en vaardigheid verwacht. In alle settings is behoefte aan verpleegkundigen die veel weten over alles, maar ook aan verpleegkundigen die de diepte in gaan met specifieke expertise, bijvoorbeeld op het gebied van oncologie, neonatologie, diabetes of forensische psychiatrie. In het beroepsprofiel wordt ook duidelijk dat taakverschuiving van arts naar verpleegkundig specialist - naar verpleegkundige - naar zorgkundige door blijft gaan. De oude domeingrenzen vervagen en verpleegkundigen focussen zich steeds meer op de complexe zorgsituaties. Dit alles betekent dat verpleegkundigen een zeer brede kennis- en vaardigheidsbasis moeten bezitten. Bovendien moeten zij evidence-based kunnen leren en werken. De in 2011 door het Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde ontwikkelde Body of Knowledge and Skills benadrukt dat nog eens. ThiemeMeulenhoff heeft een serie studieboeken ontwikkeld die daar naadloos op aansluit: De verpleegkundige in het ziekenhuis 1 – over het verplegen van volwassen in het ziekenhuis De verpleegkundige in het ziekenhuis 2 – over obstetrie en het verplegen van kinderen en jongeren De verpleegkundige in de geriatrie De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg De verpleegkundige in de zorg voor chronisch zieken Deze boeken bieden de gedegen kennisbasis waarvan vaak al bij het stagelopen verwacht wordt dat je erover beschikt. Een belangrijk kenmerk van de boeken is dat steeds ingegaan wordt op beide kanten van de eerder geschetste tegenstellingen: persoonsgerichtheid en standaardisering. Dit is een kenmerk van evidence-based werken: je maakt gebruik van het
6
9006952582_bw.indd 6
26-03-12 08:09
beste beschikbare bewijs en van de in je instelling beschikbare expertise, maar je richt je ook op de persoon van de patiënt. Je raadpleegt richtlijnen en protocollen, maar kunt er in individuele gevallen op een verantwoorde manier van afwijken. Elk boek bevat twee delen: Deel 1: een compacte introductie van de zorgsetting en de verpleegkundige. Hiermee krijg je inzicht in de zorgcategorie en de positie en taken van de verpleegkundige, het verpleegproces, de coördinatie en de zorg voor kwaliteit. Deel 2: hoofdstukken met uitgebreide beschrijvingen van verschillende patiëntcategorieën. In dit deel ligt het accent op de directe zorgverlening. De inhoud van de hoofdstukken is volledig evidence-based en put uit actuele landelijke richtlijnen en zorgprogramma’s. In deel 2 wordt elk hoofdstuk afgesloten met een of meer opdrachten ter verdieping of verbreding. Bijvoorbeeld een kwaliteitszorgopdracht, een opdracht tot klinisch redeneren bij een casus, een argumentatieopdracht of een opdracht tot beantwoording van een PICO-vraag. De verpleegkundige in de zorg voor chronisch zieken Ruim twintig procent van de Nederlanders heeft een langdurige lichamelijke aandoening. Deze aandoeningen verhinderen in veel gevallen een probleemloos functioneren. Bovendien is vaak sprake van comorbiditeit, wat de behandeling en verpleging complexer maakt. In dit boek worden de meest voorkomende chronische aandoeningen behandeld, de gezondheids- en bestaansproblemen waarmee cliënten te maken kunnen krijgen en de verpleegkundige zorg die zij daarbij nodig hebben. Elk ziektebeeld wordt vanuit een medisch en verpleegkundig kader behandeld. Uitgangspunt is het streven naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid, met oog voor de individuele cliënt. De auteurs van het boek zijn zelf werkzaam in de zorg voor chronisch zieken, als verpleegkundige, verpleegkundig specialist of als opleider. Wij wensen je veel succes bij je opleiding en loopbaan als verpleegkundige.
7
9006952582_bw.indd 7
26-03-12 08:09
9006952582_bw.indd 8
26-03-12 08:09
Deel 1 Oriëntatie op de zorgcategorie en de verpleegkundige zorg In deel 1 maak je kennis met de zorgcategorie ‘mensen met een chronische somatische aandoening’. Het gaat over de mensen met een chronische aandoening zelf, over de zorg die in zijn algemeenheid aan hen geleverd wordt, en hoe die in Nederland georganiseerd is. Dit alles vormt de context voor het verpleegkundige werk. Mensen met een chronische aandoening hebben hoogstwaarschijnlijk de rest van hun leven met hun ziekte of beperkingen te maken. Maakt dit hen ook afhankelijk van de gezondheidszorg? In veel gevallen wel. Sommige mensen hebben dagelijks een niet afnemende intensieve zorg nodig om hun leven enige kwaliteit te geven. Maar hoe ernstig de aandoening ook is, een van de belangrijkste doelen, zowel van cliënten zelf als van hun zorgverleners, is het bereiken van een zo groot mogelijke autonomie. De afhankelijkheid moet beperkt worden. En daar vervullen verpleegkundigen een uiterst belangrijke rol in. Het begrip ‘autonomie’ wordt nog wel eens verward met ‘zelfstandigheid’. Inderdaad liggen de betekenissen ervan dicht bij elkaar, maar het is zeker niet hetzelfde. Iemand kan intensieve zorg ontvangen, waarbij alle persoonlijke verzorging van hem overgenomen wordt, en toch kan die persoon autonoom zijn. Dat neem je onder andere waar aan het feit dat alle keuzebeslissingen, klein en groot, door de cliënt zelf gemaakt worden. De verpleegkundige laat zich daardoor leiden, ook als deze het er niet mee eens is.
Deel 1
9006952582_bw.indd 9
9
26-03-12 08:09
1
De zorgcategorie
Mensen met een chronische lichamelijke aandoening of beperking hebben gemeenschappelijke problemen. Ze kunnen zich buitengesloten en niet serieus genomen voelen. In sommige gevallen is het moeilijk of onmogelijk bepaalde rollen die zij in het verleden hadden, te vervullen. Om in die omstandigheden vrolijk te blijven en vol zelfachting door het leven te gaan, heb je een sterk karakter, flink wat incasseringsvermogen ĂŠn erg goede hulp nodig. Een deel van de mensen die met een chronische lichamelijke beperking te maken krijgt, gaat revalideren. Dit houdt in dat zij, deels, weer kunnen terugkeren naar het voorgaande niveau van functioneren. Mensen met een chronische ziekte krijgen niet alleen te maken met gezondheidsproblemen, maar ook met bestaansproblemen.
10
9006952582_bw.indd 10
Deel 1
26-03-12 08:09
1.1 Introductie op de zorgcategorie Mensen met een chronische ziekte of lichamelijke beperkingen vormen een grote groep cliënten. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schaart chronische ziektes en lichamelijke beperkingen onder de noemer ‘chronic conditions’ (chronische aandoeningen) en beschrijft ze als volgt: Chronic diseases are diseases of long duration and generally slow progression. In deze definitie is geen aandacht voor een chronische ziekte als restverschijnsel van een andere aandoening. Een chronische ziekte wordt in dit hoofdstuk daarom gedefinieerd als: ‘A permanently altered health state, caused by a nonreversible pathological condition, that leaves residual disability that cannot be corrected by a simple surgical procedure or cured by a short course of medical therapy’ (Miller, 1992, in: Williams en Botti, 2002). Schram et al. (2008) voegen toe dat een aandoening als chronisch wordt beschouwd als ten minste een van de onderstaande criteria geldig is: de aandoening zorgt voor beperkingen in zelfzorg, onafhankelijk wonen en sociale interactie; de aandoening resulteert in voortdurende interventie met medicijnenzorg of speciale benodigdheden. De volgende groepen aandoeningen worden beschouwd als chronisch: niet-overdraagbare ziektes, zoals kanker en diabetes; blijvende overdraagbare ziektes, zoals aids; psychiatrische stoornissen, zoals schizofrenie en depressie; blijvende lichamelijke beperkingen, zoals amputaties, blindheid en gewrichtsproblemen. Een op de negen Nederlanders (dat zijn ruim 1,7 miljoen Nederlanders) heeft een ernstige functiestoornis waardoor hij of zij beperkt is in het uitvoeren van de dagelijkse activiteiten. 20% van de inwoners van Nederland heeft een langdurige aandoening. 10% van de mensen met een chronische aandoening geeft aan hinder te ondervinden als gevolg van de aandoening. Chronische ziektes en lichamelijke beperkingen komen voor in alle lagen van de bevolking. Ze zijn niet leeftijd- of geslachtgebonden. Toch zijn er verschillen te zien in de aantallen mensen met een chronische ziekte onder de verschillende leeftijdsgroepen. Zo heeft van de groep 0-19-jarigen 19,4% een langdurige aandoening en van de groep ouder dan 65 jaar is dit 69,7%. Dat chronische ziektes ook wereldwijd een groot probleem zijn blijkt wel uit de volgende tekst van de site van de WHO: ‘Chronic diseases, such as heart disease, stroke, cancer, chronic respiratory diseases and diabetes, are by far the leading cause of mortality in the world, representing 63% of all deaths. Out of the 36 million people who died from chronic disease in 2008, nine million were under 60 and ninety per cent of these premature deaths occurred in low- and middle-income countries.’
Deel 1
9006952582_bw.indd 11
11
26-03-12 08:09
Langdurige ziektes over de verschillende leeftijdsgroepen Leeftijd
Percentage mensen met langdurige ziektes
0-19 jaar
19,4%
20-44
37,5%
45-64
56,2%
>65-69
69,7%
De groep langdurig zieken zal de komende jaren steeds groter worden door het steeds ouder worden van de Nederlandse bevolking. Ouderdom komt nu eenmaal met gebreken. Hoe meer oudere mensen er zijn, hoe meer van die mensen een langdurige aandoening zullen hebben. De verwachting is dat de groei van deze groep cliënten rond 2035 ten einde zal komen. Dit komt omdat de vergrijzing dan op zijn hoogtepunt zal zijn. Door de vergrijzing zal het ook steeds vaker voorkomen dat mensen meer dan één ziekte tegelijk hebben, wat behandeling en verpleging moeilijker maakt.
levensverwachting
12
9006952582_bw.indd 12
1.1.1 Cliënten met een chronische ziekte Door steeds betere behandelingsmogelijkheden en vroegtijdig diagnosticeren, neemt de kans op overleven van een ziekte toe. Ging iemand vroeger dood aan bijvoorbeeld suikerziekte, tegenwoordig kun je hiermee oud worden. Een vroege diagnostisering kan een tijdige behandeling mogelijk maken. Hierdoor kan een ziekte soms overwonnen worden en zal de cliënt niet komen te overlijden. Hoewel de overlevingskans toeneemt, zijn er ziektes die niet te genezen zijn. Bij een ziekte die langdurig aanwezig is, wordt gesproken van een chronische ziekte. Het aantal mensen met een chronische ziekte neemt toe. Dit heeft verschillende oorzaken. Een van de oorzaken is dat ziektes waaraan mensen vroeger dood gingen, nu behandeld kunnen worden. Als een cliënt vroeger een hartziekte had, stierf hij hieraan. Nu zijn er verschillende medicijnen om te zorgen dat de cliënt blijft leven, er zijn medicijnen om de contractiekracht van het hart te laten toenemen en er zijn diuretica waarmee het overtollige vocht wordt afgedreven. Ook door middel van veranderingen in de levensstijl van de cliënt kan de levensverwachting bij ziektes toenemen. Ondanks de betere behandelmethode blijft de ziekte dus bestaan en heeft de cliënt behandeling en/of verpleging nodig. Sommige cliënten hebben ook te maken met de restverschijnselen van een ziekte. Zo kan iemand een hersenbloeding goed overleven, maar kan hij restverschijnselen overhouden waarvoor hij verpleegkundige hulp nodig heeft. Zo’n restverschijnsel is bijvoorbeeld een verlamming aan één kant van het lichaam. Veranderingen in levensstijl vormen ook een oorzaak voor het toenemende aantal mensen met een chronische ziekte. Vaak lokt een onderdeel van iemands levensstijl het ontstaan van een chronische ziekte uit. Zo zijn er mensen die werken met schadelijke stoffen die kunnen leiden tot longaandoeningen. Een ander voorbeeld van het effect van een ongezonde levensstijl op het ontstaan van een chronische ziekte is onveilig vrijen. Door onveilig
Deel 1
26-03-12 08:09
vrijen kun je een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) oplopen, dit heeft soms een chronische ziekte tot gevolg. Sommige van deze ziektes vragen langdurige behandeling en hebben zelfs gevolgen voor de vruchtbaarheid. Ook een ongezond voedingspatroon heeft invloed op het ontstaan van chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziektes en diabetes. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse bevolking neemt toe, er is sprake van vergrijzing. Door de stijgende leeftijd neemt de kans toe dat zich een chronische ziekte openbaart. Dit leidt er ook toe dat er meer jaren geleefd worden met een ziekte. Voor mannen was in 2007 de levensverwachting bij geboorte 78 en voor vrouwen 82,3 jaar (www.RIVM.nl, november 2011). De levensverwachting zonder chronische ziekten is voor mannen 48,4 jaar en voor vrouwen 42,5 jaar. Vrouwen leven dus weliswaar langer dan mannen, maar brengen meer jaren door in ongezondheid (www.nationaalkompas.nl/gezondheid en ziekte, november 2011). De groep mensen met een chronische ziekte doet een groot beroep op de gezondheidszorg. De overheid reageert hierop in haar beleid. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende overheidscampagnes om een gezonde levensstijl te promoten. De WHO noemt naast deze oorzaken voor de toename van cliënten met een chronische ziekte nog de volgende oorzaken: te weinig bewegen; overmatig alcoholgebruik; stress. Indeling Chronische aandoeningen verschillen in aard, verloop en ernst van de klachten, en kunnen als volgt worden ingedeeld: ziektes die lang duren en die in het algemeen geen symptoomvrije, klachtenvrije perioden kennen; voorbeelden hiervan zijn hoge bloeddruk, multiple sclerose en diabetes mellitus; aandoeningen die lang duren en tot periodiek terugkerende klachten leiden, zoals astma en migraine; de ziekte is altijd aanwezig, maar de cliënt kent perioden waarin hij geen nadelige lichamelijke klachten heeft; ziektes die progressief verslechteren en vaak kort duren; voorbeelden hiervan zijn longkanker en hartziektes; ziektes die door medische interventies eventueel te verhelpen zouden zijn, zoals prostaathypertrofie en borstkanker; ziektes met een resttoestand, bijvoorbeeld CVA. Naast deze verschillen in de aard en het verloop van de ziekte zijn er ook individuele verschillen. Dit maakt dat de zorg voor mensen met een chronische ziekte geen ‘standaardzorg’ is.
Deel 1
9006952582_bw.indd 13
13
26-03-12 08:09
1.1.2 Cliënten met lichamelijke beperkingen en revaliderenden Een handicap wordt omschreven als een nadelige positie in de samenleving van iemand met een aandoening of beperking; de handicap is niet de aandoening of de beperking zelf, maar wordt veroorzaakt door de ontoegankelijkheid van de maatschappij. Het woord ‘handicap’ verwijst naar de problemen die de cliënt ondervindt door zijn beperking of stoornis, namelijk het niet meer (volwaardig) kunnen vervullen van de rollen die hij of zij normaal gesproken zou vervullen. Voorbeelden van rollen zijn student, ouder of werknemer. Een cliënt die rolstoelafhankelijk is, kan niet zo snel met het openbaar vervoer op pad. Hierdoor wordt hij beperkt in zijn mogelijkheden. Als de overheid door verschillende maatregelen het openbaar vervoer beter toegankelijk maakt, heeft dit een positief effect op de ernst van de handicap. Het maakt de cliënt mobieler en daardoor beter in staat deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Lichamelijke beperkingen kunnen geleidelijk ontstaan. Zo kan een chronische ziekte als multiple sclerose op den duur leiden tot rolstoelafhankelijkheid. De groep cliënten die lichamelijke beperkingen krijgt door een chronische ziekte, moet telkens een stukje zelfstandigheid inleveren. Het toegeven aan de toegenomen afhankelijkheid betekent te moeten accepteren dat de ziekte erger geworden is. Er zijn ook cliënten bij wie lichamelijke beperkingen plotseling optreden, bijvoorbeeld na een ongeluk of ernstige ziekte. Het accepteren van de lichamelijke beperkingen is voor hen misschien nog moeilijker. Zij worden plotseling geconfronteerd met een lichaam dat niet meer kan wat het vroeger kon. Deze cliënten moeten van een volledig zelfstandig bestaan, waarin zij alles konden, overgaan op een bestaan waarin ze afhankelijk zijn van anderen. De dingen gaan niet meer vanzelf. Dit proces van acceptatie kan gepaard gaan met verschillende emoties, zoals woede en verdriet.
Vijf fases Morse (1995, 1997) beschrijft vijf fases die een individu doorloopt in het proces na ontstaan van een chronische aandoening. Deze fases zijn: Vigilance. Dit is de fase waarin de cliënt vermoedt dat er iets mis is met zijn lichaam. Cliënten zijn vaak nog onzeker over de ernst van de klachten, ook wanneer deze acuut optreden. Geleidelijk wordt de cliënt zich meer bewust van zijn lichaam, de symptomen en het zelf, hiermee start ook het nadenken over de gevolgen van de symptomen. De cliënt gaat extra op het eigen lichaam letten en maakt observaties wanneer de symptomen wel of niet erger worden. Cliënten zullen hun best doen om in controle te blijven over zichzelf. Deze controle is belangrijk omdat het verlies van de controle voor de cliënt uiteindelijk kan leiden tot verlies van zichzelf. Emoties worden door de cliënt niet toegelaten. Pas als de cliënt zich veilig voelt en van mening is dat de zorgverlener gekwalificeerd is zal hij zich overgeven aan de zorg. Hoewel de duur van deze ervaringen verschillend is, komen ze voor bij zowel cliënten met een chronische aandoening als bij
14
9006952582_bw.indd 14
Deel 1
26-03-12 08:09
cliënten met een acute aandoening. De naasten van de cliënt reageren in deze fase op dezelfde wijze als de cliënt. Ook zij beginnen met het goed observeren van de cliënt en diens klachten. Wanneer de klachten niet meer te negeren zijn, raken ook zij overweldigd door wat hen overkomt. Zij zullen dan gaan nadenken over wat de gevolgen van de aandoening zijn voor hun leven. Disruption: enduring to survive. In deze fase is de belangrijkste taak van de cliënt om in leven te blijven. Het is voor de cliënt belangrijk een voor hem of haar belangrijk persoon in de buurt te hebben. Deze naaste houdt de cliënt alert en georiënteerd. De cliënt die op dat moment pijn heeft en medicatie krijgt, verkeert in een gefragmenteerde werkelijkheid (scattered reality), hij of zij is soms grote delen van de tijd niet bij bewustzijn. De ‘naaste’ vervult later ook een belangrijke rol bij het invullen van de gaten in het geheugen van de cliënt. De naaste zorgt er in deze fase voor ‘er te zijn’ voor de cliënt. Zij beschermt de cliënt tegen onnodige zorgen en vormt zo een buffer tussen de cliënt en de buitenwereld. Enduring to live: striving to regain self. In deze fase moet het herstellen beginnen. Morse spreekt over ‘the real work must begin’. De cliënt zal in deze fase pijn en andere ongemakken proberen te verdragen (trying to bear it and learn to take it). Om dit te doen ontwikkelt de cliënt verschillende strategieën zoals het zoeken van afleiding of het zich volledig richten op iets anders. De cliënt voelt zich kwetsbaar en ontwikkelt manieren om zichzelf te beschermen, bijvoorbeeld door niet te kijken naar zijn ernstig verbrande lichaam. Cliënten lijken in deze fase dat wat gebeurt is te accepteren, emoties worden onderdrukt. Wanneer de behandeling te veel wordt, kan de cliënt ineens boos worden, gaan vloeken of schreeuwen. De cliënt voelt zich gedwongen afhankelijkheid te accepteren maar zal door het zoeken van de grenzen van het eigen vermogen op zoek gaan naar het hervatten van zijn onafhankelijkheid. De band met de ‘naaste’ is in deze fase nog steeds hecht. De cliënt leeft zijn leven door die ander, en doet dit door van de ander alles te horen over wat anderen beleven, zij bedenken dan hoe zij in die situatie gehandeld zouden hebben. Langzaam gaat de cliënt zichzelf toestaan na te denken over de gevolgen van zijn ziekte of acute aandoening. Hij begint de onzekere prognose te herkennen en maakt plannen voor de onzekere toekomst. Ook de naasten beginnen meer te begrijpen over de aard en gevolgen van de aandoening. Zij blijven een buffer tussen cliënt en buitenwereld. Suffering: striving to restore self. Wanneer de situatie van de cliënt verbetert, en deze de gevolgen van wat er is gebeurd overziet, begint de fase van verdriet en rouw over de verloren lichamelijke functies. Maar ook is er rouw en verdriet over de veranderde toekomst. In deze fase kan de cliënt zowel terugkijken naar wat er is gebeurd, als vooruit kijken naar en anticiperen op de toekomst. Deze fase is echter ook de fase van het schuldig voelen of schuld aan God geven, en van gevoelens van wanhoop. Tegelijkertijd wordt er ook gestreefd naar een herstel dat groter is dan volgens artsen voor mogelijk wordt gehouden. Om het
Deel 1
9006952582_bw.indd 15
15
26-03-12 08:09
lijden te verlichten zal de cliënt proberen zin te geven aan dat wat hem is overkomen. Wanneer de fase vordert, zal de cliënt ook hoop gaan ervaren en realistische doelen formuleren. De cliënt ontwikkelt een lichaam dat gewend is aan de opgelegde beperkingen. Met het zelfstandiger worden van de cliënt zullen de naasten zich terugtrekken en meer verantwoordelijkheden overdragen aan de cliënt zelf. Learning to live with the altered self. In deze fase staat de cliënt voor de taak te leren leven met zijn veranderde zelf. Hij moet het eigen lichaam leren kennen en vertrouwen. Als de tijd vordert, leert de cliënt de veranderingen anders te waarderen en leert hij te accepteren dat het leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Voor de naasten van de cliënt betekent dit dat zij zich gaan terugtrekken en naar een volgende fase moeten doorgaan, de fase van leven als familielid van een gehandicapte. Cliënten met lichamelijke beperkingen worden in alle zorgsettings verpleegd. Een van deze zorgsettings is het revalidatiecentrum. Revalidatie is het geheel van medische en sociale zorg gericht op het voorkomen, terugbrengen en genezen van (te verwachten) gevolgen voor mensen met blijvend lichamelijk of cognitief letsel of een functionele beperking, zodat zij zo goed mogelijk leren functioneren (www.thesauruszorgenwelzijn.nl). Tijdens het revalideren wordt door middel van training geprobeerd de cliënt het hoogst mogelijke niveau van zelfstandigheid te laten bereiken. Revalideren is altijd een multidisciplinaire aangelegenheid. Revalidatieartsen, logopedisten, ergotherapeuten en verpleegkundigen werken nauw samen. Omdat tijdens het revalidatieproces vaak psychosociale begeleiding nodig is, zijn er in een revalidatiecentrum ook vaak een maatschappelijk werker en een psycholoog werkzaam. Niet altijd is volledig herstel van de lichaamsfuncties en de daarmee samenhangende zelfstandigheid mogelijk. In overleg met de cliënt wordt dan bepaald wat er wél mogelijk is. Zo kan het hoogst haalbare zijn dat de cliënt leert lopen met behulp van een rollator. Als volledige revalidatie niet mogelijk is, kan het voorkomen dat de cliënt de instelling verlaat en (verpleegkundige) zorg nodig blijft houden. Als de revalidatie plaatsvindt in een revalidatiecentrum, verblijft de cliënt in de instelling totdat er geen verbeteringen meer te verwachten zijn en de cliënt naar huis kan, soms met hulp. Vaak wordt echter in het ziekenhuis waar de cliënt is opgenomen al begonnen met het revalidatieproces, soms is dat al voldoende. Revalidatie kan ook plaatsvinden in dagbehandeling. De cliënt komt dan een of meerdere keren per week naar het revalidatiecentrum voor behandeling en gaat daarna weer naar huis. Deze vorm van revalideren kan ook door een fysiotherapeut met een eigen praktijk gedaan worden. Veel instellingen maken bij het vaststellen van het revalidatieprogramma gebruik van het SAMPC-model. Dit model geeft een indeling voor de vijf aandachtsgebieden tijdens de revalidatie. De vijf belangrijkste aandachtsgebieden bij de revalidatie zijn:
16
9006952582_bw.indd 16
Deel 1
26-03-12 08:09
somatische problemen; adl-problemen; maatschappelijke problemen; psychische problemen; communicatieproblemen. Voor elk van deze gebieden wordt beschreven of en wat de problemen zijn. Vervolgens wordt vastgesteld wat de te behalen doelen zijn. Enkele instellingen werken met het RAP-model. RAP staat voor revalidatie activiteitenprofiel. Het is een manier om de beperkingen en activiteiten van de cliënt vast te stellen. Het RAP-model biedt grotere inspraak voor de cliënt. De wensen van de cliënt staan centraal bij het vaststellen van de revalidatiedoelen en -prioriteiten. Het revalidatieteam geeft hierbij aan wat er haalbaar is, zodat de cliënt niet werkt aan een niet te behalen doel.
1.2 Bestaansproblemen Waardoor vormen mensen met een chronische ziekte, mensen met lichamelijke beperkingen en revaliderenden, vanuit verpleegkundig perspectief, gemeenschappelijk één zorgcategorie? Een chronische ziekte is toch heel wat anders dan lichamelijke beperkingen? En het begrip ‘revaliderenden’ duidt op het werken aan een bepaald doel: zelfstandigheid, zelfredzaamheid. Er zijn twee indicatoren op grond waarvan deze cliëntgroepen in hetzelfde boek worden besproken: de duur van de beperkingen die cliënten ondervinden; de bestaansproblemen die daaruit voortkomen. Zowel mensen met een chronische ziekte als mensen met lichamelijke beperkingen hebben een aandoening die niet (op korte termijn) over gaat. Vaak is de beperking of stoornis permanent, en dat kan leiden tot bestaansproblemen. Bestaansproblemen worden niet veroorzaakt door de ziekte, ze spelen op de achtergrond een rol. Dit in tegenstelling tot gezondheidsproblemen, die direct voortkomen uit de ziekte, stoornis of beperking. Bestaansproblemen komen voort uit het leven met een ziekte en kunnen betrekking hebben op het sociale netwerk van de cliënt, de fysieke omgeving en de economische omstandigheden. Pool en Lambregts (2003) onderscheiden drie soorten bestaansproblemen: bestaansproblemen gerelateerd aan gezondheidsproblemen, zoals het niet meer durven deelnemen aan een sportactiviteit vanwege een schaamtegevoel over een huidaandoening; bestaansproblemen die door de aandoening verergeren, maar voor die tijd al aanwezig waren. Een voorbeeld hiervan is een slechte relatie tussen een ouder en kind. Door de aandoening van de ouder en de reactie van het kind hierop kan de relatie verder verslechteren;
Deel 1
9006952582_bw.indd 17
17
26-03-12 08:09
bestaansproblemen die niet in relatie staan met de gezondheidsproblemen, maar door de aandoening actueel worden; denk hierbij aan verlies van inkomen. Zowel bij mensen met een chronische ziekte als bij mensen met lichamelijke beperkingen is de kans groot dat zich de volgende problemen voordoen: verlies van werk en inkomen; de gebruikelijke rollen in het gezin niet kunnen vervullen; onvermogen zich te kunnen voortbewegen zonder hulpmiddelen; noodzaak tot aanpassingen in huis; niet serieus worden genomen; afhankelijk zijn van anderen. Wanneer deze problemen vergeleken worden met een cliënt bij wie bijvoorbeeld een blindedarm operatief is verwijderd, valt een belangrijk verschil op. Hoewel de operatie ingrijpend is voor de cliënt die de operatie moet ondergaan, kan hij na de operatie en het herstel ervan zijn leven weer oppakken op de manier zoals hij dat deed vóór de operatie. Hij hoeft zijn zelfbeeld niet aan te passen, het tast zijn gevoel van eigenwaarde niet aan, zijn familie en vrienden zullen hem niet mijden. Wanneer iemand geconfronteerd wordt met een chronische aandoening of lichamelijke beperking spelen deze zaken wel. Door een veranderd uiterlijk of het onvermogen zelfstandig te functioneren kan het zelfbeeld veranderen. Soms is het voor familie en vrienden moeilijk om met de ziekte om te gaan, ze weten niet hoe te reageren en mijden de cliënt. Bestaansproblemen beperken zich vaak niet alleen tot de cliënt. Ook zijn naasten krijgen te maken met de invloed van de aandoening. Zo kan het hele gezin lijden onder het feit dat de kostwinner van het gezin langdurig uitgeschakeld is, of in een depressie is geraakt door de aandoening. Voorbeeld Maaike kan zich moeilijk zelfstandig voortbewegen. Ze is gedeeltelijk verlamd door een dwarslaesie. Ook in een rolstoel is het voor haar moeilijk zichzelf voort te bewegen. Door deze problemen was het voor Maaike niet weggelegd een opleiding te volgen aan de kunstacademie. Er waren te veel beperkingen. Ze werkt nu op een groot kantoor als telefoniste. Werk wat zij niet leuk vindt. Hierdoor voelt zij zich nogal eens depressief. Haar vrienden van de middelbare school weten niet goed hoe ze hiermee om moeten gaan en komen steeds minder vaak langs bij Maaike. Cliënten met een chronische aandoening of lichamelijke beperking kun je in alle zorgsettings tegenkomen. De zorgverlening bestaat uit twee belangrijke onderdelen:
18
9006952582_bw.indd 18
Deel 1
26-03-12 08:09
het ondersteunen van de cliënt in taken die hij zelf niet meer kan verrichten; dit kan zijn het helpen bij het wassen en aankleden, maar ook de verzorging van een wond. het ondersteunen van de cliënt bij de verwerking en acceptatie van zijn beperking of stoornis.
Interactieproblemen Problemen die ontstaan in het contact tussen de verpleegkundige en de chronisch zieke en zijn directe naasten worden interactieproblemen genoemd. Zij kunnen ontstaan door een gebrekkige communicatie, maar ook het gevolg zijn van de organisatie van de zorg. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan de beperkte duur die is vastgesteld voor het uitvoeren van bepaalde verpleegkundige handelingen en zorgverlening. Naast de overeenkomsten tussen mensen met een chronische aandoening en mensen met lichamelijke beperkingen zijn er ook verschillen. Zo kan een chronische ziekte een progressief verloop hebben, waardoor de cliënt een steeds groter beroep moet doen op hulpverleners. In enkele gevallen wordt de cliënt volledig afhankelijk van de zorgverlener. In sommige gevallen leidt de aandoening tot de dood. Het is een onzekere situatie voor de cliënt, omdat niet altijd met zekerheid te zeggen is wanneer de ziekte verergert of hoe snel het proces zal verlopen. Deze onzekerheden vragen van de zorgverlener begrip en aandacht. Cliënten met lichamelijke beperkingen hebben meer zekerheid over de toekomst. Lichamelijke beperkingen zullen niet vaak verergeren en tijdens het revalidatieproces wordt de cliënt geleerd hiermee om te gaan. Lichamelijke beperkingen ontstaan vaak ‘plotseling’ door een ongeval of als restverschijnsel van een andere aandoening, zoals een CVA. De cliënt kan blijven zitten met vragen over het ‘waarom’. Hij kan de situatie als oneerlijk beschouwen. Ook dit vraagt specifieke zorgverlening. Voorbeeld Klaas (38) was een enthousiast hardloper. Hij heeft twee keer de marathon van Rotterdam gelopen. Twee keer per week trainde hij ook de jeugd van de atletiekvereniging. Onlangs heeft hij gehoord dat hij reuma heeft. Een tijdlang had hij al klachten en was hij erg moe. Hij liep al wat minder vaak hard, maar hij had het idee dat het kwam door de drukte op zijn nieuwe baan, en dat het tijdelijk zou zijn. Na zijn diagnose heeft hij het hardlopen en zijn trainerschap moeten opgeven. Het was te vermoeiend voor hem. Na een periode waarin hij de zaken op een rijtje heeft gezet, heeft Klaas gezocht naar een andere manier om het hardlopen
Deel 1
9006952582_bw.indd 19
19
26-03-12 08:09
een rol in zijn leven te geven. Hij verzorgt nu het clubblad en bij wedstrijden gaat hij mee om de lopers te ondersteunen. Nog steeds kan hij het moeilijk hebben met het feit dat hij zelf niet kan hardlopen. Maar hij is blij dat het lopen nog deel uitmaakt van zijn leven.
20
9006952582_bw.indd 20
Deel 1
26-03-12 08:09
Samenvatting
Een op de negen Nederlanders heeft een ernstige functiestoornis waardoor hij of zij beperkt is in het uitvoeren van de dagelijkse activiteiten. Mensen met een chronische ziekte of met lichamelijke beperkingen vormen een grote groep cliënten. De Wereldgezondheidsorganisatie schaart chronische ziektes en lichamelijke beperkingen onder de noemer ‘chronic conditions’ (chronische aandoeningen). Beide groepen behoren daartoe. Mensen met een chronische ziekte zijn er steeds meer. Een belangrijke oorzaak daarvan is de voortdurende toename van medische mogelijkheden, waardoor mensen met hun ziekte kunnen blijven voortleven. Er zijn verschillende typen chronische ziektes – symptoomvrije ziektes, progressieve ziektes, ziektes met een resttoestand, ziektes met aanvallen – , maar alle hebben ze met elkaar gemeen dat ze lang duren. Mensen met lichamelijke beperkingen kunnen niet volwaardig functioneren in de maatschappij. Of anders gezegd, de maatschappij is niet op hun beperkingen ingericht. Ze zijn daardoor achtergesteld bij ‘gezonde’ mensen. Door revalidatie kunnen beperkingen vaak tot een minimum worden teruggebracht. Mensen met een chronische ziekte, mensen met lichamelijke beperkingen en revaliderenden hebben met elkaar gemeen dat ze bestaansproblemen ondervinden. Dit hangt met name samen met de langdurigheid van hun aandoening.
Deel 1
9006952582_bw.indd 21
21
26-03-12 08:09
Verklarende woordenlijst aanbodgestuurde zorg
Zorg die bepaald wordt door de mogelijkheden en keuzes van de zorgaanbieder zonder expliciet rekening te houden met de behoeften van de individuele cliënt.
aandachtsspanne
De duur van het kunnen vasthouden van de aandacht.
acetylcholine
Neurotransmitter die noodzakelijk is voor de werking van de spieren. Als er te veel acetylcholine aanwezig is in de hersenen treden er Parkinsonverschijnselen op.
acidose
Verzuring.
ademdepressie
Een verminderde ademhaling.
adipeus
Afgeleid van adipositas. Te dik als gevolg van een langdurige positieve energiebalans.
afasie
Verstoord taalgebruik en/of taalbegrip.
afferente zenuwbaan De zenuwbaan die prikkels geleidt van alle delen van het lichaam naar het centraal zenuwstelsel. analgetica
Pijnstillende geneesmiddelen (enkelvoud analgeticum).
anatomische eigenschap
Positie, aanwezigheid, vorm en continuïteit van onderdelen van het menselijk lichaam.
aneurysma
Een zwakke plek in de wand van een slagader.
angiografie
Het maken van röntgenfoto’s van bloedvaten met behulp van contrastvloeistof.
ankylose (verbening) Verstijving van een gewricht door een gewrichtsziekte, meestal ook verkromming. anticoagulanta
Stoffen die de bloedstolling vertragen.
anurie
Geheel of bijna geheel ontbreken van urineproductie door de nieren.
arbeidsreïntegratie Het – opnieuw – deelnemen aan de arbeidsmarkt na een ziekteperiode. arteriosclerose
Slagaderverkalking.
arterioveneuze malformatie
Een abnormale structuur van de wand van arteriën en venen die direct met elkaar verbonden zijn.
316
9006952582_bw.indd 316
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
ascitispunctie
Het opzuigen van vocht uit de buikholte met behulp van een holle naald.
aspecifieke klacht
Klacht die niet specifiek is voor een bepaald ziektebeeld.
aspiratiepneumonie Longontsteking door verslikken. assist divice (steunhart)
Pomp, die in de buik geplaatst wordt, ter ondersteuning van en verbonden aan het hart.
atherosclerose
Veranderingen aan de binnenkant van de wand van een arterie door afzetting van lipiden en fibreus weefsel.
auto-immuunziekte Ziekte die berust op de vorming van antistoffen, gericht tegen lichaamseigen cellen en weefsels, met afbraak als gevolg. autonome dysreflexie
Ontregelde reflexen van het onwillekeurig zenuwstelsel.
autonome regulatie Het regelen van de functies buiten onze wil en veelal buiten ons bewustzijn. autonomie
Het recht op zelfbeschikking van de cliĂŤnt, de mate waarin de cliĂŤnt inspraak heeft in zijn zorgproces.
autonoom
Eigenmachtig, onafhankelijk, levend naar eigen normen.
backward failure
Door het onvermogen van het hart om voldoende vocht af te voeren, ontstaat er oedeem.
balanitis
Ontsteking van de glanspenis.
bedrijfsongeval
Een plotseling optredende, ongewilde en onvoorziene gebeurtenis die resulteert in fysiek letsel en waarbij geen sprake is van opzettelijk geweld of voedselvergiftiging door of tijdens de uitoefening van betaalde arbeid.
benigne
Een goedaardige woekering van cellen.
beroepsdeelprofiel Verbijzondering van het beroepsprofiel waarbij de specifieke taakgebieden en competenties voor de beroepspraktijk van een werkveld of een specialisatie meer herkenbaar worden beschreven. beroepsprofiel
Verklarende woordenlijst
9006952582_bw.indd 317
Een weergave van de kern van een beroep met omschrijvingen van de beroepsactiviteiten en beroepsvereisten.
317
26-03-12 08:09
bestaansproblemen Bestaansproblemen worden niet veroorzaakt door de ziekte. Ze komen voort uit het leven met een ziekte en kunnen betrekking hebben op het sociale netwerk van de cliĂŤnt, de fysieke omgeving en de economische omstandigheden. bilateraal
Aan beide zijden van het lichaam.
biopt
Een stukje weefsel verkregen door biopsie.
bloed-hersenbarrière Voor sommige bloedbestanddelen ondoorgankelijke scheiding op de grens tussen bloedcapillairen (bloedhaarvaatjes) en liquor cerebrospinalis (hersenvocht). brachytherapie
Inwendige bestraling.
bronchospasme
Kramptoestand van de spieren rondom de luchtwegen.
buddyzorg
Emotionele ondersteuning en praktische dienstverlening van een vrijwilliger aan iemand met een ernstige ziekte zoals aids, kanker en ME.
buikpers
Drukverhoging in de buik bij aanspannen van de buikspieren, bekkenbodem en middenrif.
carcinoom
Een solide tumor ontstaan uit epitheelcellen.
cardiomyopathie
Ziekte van de hartspier die niet veroorzaakt wordt door coronair lijden.
centraal zenuwstelsel
Hersenen en ruggenmerg, waarvan de zenuwen uitgaan.
cerebrale circulatie Bloedsomloop van de hersenen. cerebrovasculair accident
Plotseling optredende stoornis in de vaten van de hersenen.
chemotherapie
Een behandeling tegen kanker door middel van het toedienen van celgroeiremmende middelen.
chronische luchtwegobstructie
Blijvende luchtwegvernauwing.
coagulopathie
Toestand van verminderde werking van de stollingsfactoren in het bloed.
comorbiditeit
Het tegelijkertijd aanwezig zijn van verschillende aandoeningen bij een cliĂŤnt.
318
9006952582_bw.indd 318
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
congenitaal
Aangeboren.
controleverlies
Het gevoel de greep op het eigen leven te verliezen.
coĂśrdinatiestoornis Verstoring in de samenwerking van verschillende spieren voor het tot stand komen van een bepaalde beweging. COPD-verpleeg- kundige
Een verpleegkundige die zich door het volgen van opleidingen gespecialiseerd heeft in het verplegen van mensen met COPD.
coping
De manier waarop iemand met zijn problemen omgaat.
copingstijl
De manier waarop iemand zijn problemen tegemoet treedt. In dit geval de cognitieve en gedragsmatige inspanningen die een persoon verricht bij een dreigende overbelasting.
copingstrategie
De manier waarop de cliĂŤnt met problemen omgaat.
coronair angiogram Met behulp van contrastvloeistof het hart in beeld brengen. Onder rĂśntgendoorlichting (CAG) wordt de bloeddoorstroming van hart en vaten goed zichtbaar. cue
Prikkels met als doel een actie of beweging te vergemakkelijken, zoals tellen bij schuifelend lopen.
cyanose
Een blauwige verkleuring van de huid en slijmvliezen, als gevolg van een zuurstoftekort.
cytologisch onderzoek
Het onderzoek van losse cellen.
cytostaticum
Een geneesmiddel dat de celgroei en celdeling remt.
decompensatio cordis
Toestand waarbij de functie van het hart tekortschiet.
degeneratie
Het verloren gaan of verminderen van een functie en of kwaliteit.
desensitisatie
Het minder gevoelig worden voor bepaalde prikkels die angst of onrust oproepen.
diabeteseducatie
Uitgebreide uitleg en voorlichting over diabetes geven.
diabetes- verpleegkundige
Een verpleegkundige die is gespecialiseerd in diabeteszorg.
Verklarende woordenlijst
9006952582_bw.indd 319
319
26-03-12 08:09
diabetische neuropathie
Verstoorde werking van de zenuwen door diabetes.
diabetische voet
Huidatrofie, erytheem, oedeem, zweren en uiteindelijk gangreen aan de voeten.
dilemma
Een toestand waarin tussen twee opties, die beide grote bezwaren opleveren, een keuze moet worden gemaakt; netelig vraagstuk.
DNA
Het erfelijk materiaal wat in de kern van de cel ligt.
domotica
Technologische toepassingen die de veiligheid en zelfredzaamheid van cliënten vergroten.
door to needle time De tijd van aankomst op de spoedeisende hulp tot aan het starten van de intraveneuze trombolyse. dopamine
Neurotransmitter die noodzakelijk is voor het overbrengen van zenuwimpulsen. Deze stof wordt bij mensen met de ziekte van Parkinson te weinig aangemaakt.
dosisaërosol
Een apparaatje waarin vloeistof wordt verstoven zodat het kan worden geïnhaleerd.
dura
Harde hersenvlies.
dysartie
Moeilijk woorden niet kunnen uitspreken.
dyskinesieën
Onwillekeurige, soms schokkende, abrupte bewegingen van het gezicht, de mond en tong de romp, de armen en benen.
dyspnoe
Kortademigheid.
ectopische botvorming
Botvorming in de spieren rond een of meerdere gewrichten.
efferente zenuwbaan De zenuwbaan die prikkels geleidt van het centraal zenuwstelsel naar alle delen van het lichaam. eifeltje
Een wandelstok met vier poten.
Ejectie Fractie (EF)
De hoeveelheid bloed die door het hart wordt uitgepompt in vergelijking met het volume van het hart net voor een hartslag. Wordt uitgedrukt in een percentage.
embolie
Verstopping van kleine slagaders of haarvaten door het loslaten van kleine deeltjes van een bloedstolsel elders in het lichaam.
320
9006952582_bw.indd 320
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
embolus
Prop of vreemd lichaam dat door de lymfe- of bloedstroom wordt voortbewogen en ergens in een vat of in het hart blijft steken waardoor een embolie (verstopping van een bloedvat) kan ontstaan. Bijvoorbeeld: bloedstolsels, kleine deeltjes van een tumor of van een trombus.
empowerment
Het verkrijgen van de macht om zelfstandig beslissingen te nemen over het leven en de zorg.
endogene factor
Factor in het lichaam. Endogeen betekent van binnenuit ontstaand.
ergonomie
De leer van de afstemming van de mens en zijn (werk)omgeving. Het is de bedoeling dat een optimale afstemming plaatsvindt met de activiteiten en de omgeving enerzijds en de beperkingen van de cliënt anderzijds.
erosie
Aantasting van botoppervlakten.
erythropoëtine
Stof die in de nieren en de lever wordt aangemaakt en die de vorming van erytrocyten stimuleert.
erytrocyten
Rode bloedcellen.
exacerbatie
(Plotselinge) verergering van een ziekte.
exogene factor
Factor buiten het lichaam. Exogeen betekent van buitenaf komend.
expiratoire stridor
Piepende fluitende uitademing.
familietransplantatie Een familielid staat een – deel van een – orgaan af voor transplantatie bij een ander familielid. forward failure
Door gebrekkige pompwerking van de hartkamer neemt de vulling van de afvoerende slagaderen af.
functiegerichte bekostiging
De instellingen krijgen geld voor de AWBZ-functies die ze leveren.
geoxygeneerd bloed Bloed dat voorzien is van zuurstof. gezondheids- voorlichting
Verklarende woordenijst
9006952582_bw.indd 321
Het beïnvloeden van het gedrag van de zorgvrager dat van invloed is op diens gezondheid, het verloopt via communicatie en is gericht op kennis overdracht en het vergroten van vaardigheden.
321
26-03-12 08:09
glucagon
Hormoon dat door de eilandjes van Langerhans in de pancreas geproduceerd wordt. Heeft een bloedsuikerverhogende werking.
glucosedagcurve
Voor elke maaltijd en voor de nacht de glucosewaarde in het bloed bepalen.
glucosemeter
Een apparaatje dat het aantal mmol/l glucose in het bloed bepaalt.
griepprik
Vaccinatie tegen bepaalde influenzasoorten.
Haloframe
Uitwendig metalen frame om beweging in de nekwervels te voorkomen.
Harringtonstaaf
Staaf van metaal waarmee de wervelkolom kan worden ondersteund.
hematoom
Bloeduitstorting.
hemiparese
Halfzijdige verlamming, verlamming van een zijde van het lichaam.
histologisch onderzoek
Onderzoek naar de microscopische anatomie van weefsels.
holisme
De leer dat de werkzaamheid van een geheel organisme groter is dan de som van de werkzaamheden van de verschillende samengestelde eenheden.
hulpademhalings- spieren
Halsspieren en schouderspieren die bij onvoldoende zuurstofopname de ribben nog wat extra heffen, waardoor de borstholte vergroot wordt.
hyperglykemie
Te hoog suikergehalte in het bloed.
hyperglykemisch coma
Bewusteloosheid, samenhangend met een te hoog bloedsuikergehalte.
hyperkaliĂŤmie
Te hoog kaliumgehalte van het bloed.
hypoglykemie
Een te laag glucosegehalte van het bloed.
hypoglykemisch coma
Bewusteloosheid als gevolg van een veel te laag suikergehalte in het bloed.
IgE
De hoeveelheid antistoffen die het lichaam aanmaakt als reactie op allergenen.
immuunsysteem
Afweersysteem.
322
9006952582_bw.indd 322
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
indicatiestelling
Vaststelling door indicatieorganen van de noodzakelijke (hoeveelheid) zorg en daarmee het recht van de cliĂŤnt op vergoeding van die zorg.
informed consent
Toestemming voor zorgverlening op grond van informatie.
inspiratoire stridor
Piepende ademhaling bij inademing als gevolg van vernauwing van de bovenste luchtwegen.
instellingsfase
De fase waarin de cliĂŤnt wordt ingesteld op insuline.
insulinepompje
Een computergestuurd apparaatje waaraan een toedieningsysteem met een subcutaannaaldje is bevestigd. Hiermee kan continue insuline worden toegediend.
insulineresistentie
Ongevoeligheid voor de werking van insuline.
intermitterend katheteriseren
Het regelmatig leegmaken van de blaas met behulp van een katheter die weer wordt verwijderd.
intrathecaal
Binnen de hersen- of ruggenmergsvliezen.
intuĂŻtie
Aanvoelen hoe te handelen op basis van eerdere ervaringen en reflectie op die ervaringen.
invasief
Infiltrerend, behandelwijze waarbij huid of slijmvlies wordt gepasseerd.
Kussmaul-adem- haling
Regelmatige, diepe ademhaling zonder pauze, kenmerkend voor acidose, ook wel luchthonger of grote ademhaling genoemd.
laminectomie
Een operatie aan de rug waarbij het ruggenmerg wordt blootgelegd.
L-dopa
Levodopa.
levensverwachting
Het gemiddelde aantal jaren geleefd door een groep mensen, of het aantal jaren die een persoon gemiddeld na het krijgen van een ziekte nog te leven heeft.
lokale behandeling Plaatselijke behandeling. lotgenotencontact Contact tussen mensen met een bepaalde handicap, aandoening of problematiek, ter ondersteuning van elkaar. maligne
Verklarende woordenlijst
9006952582_bw.indd 323
Een kwaadaardige woekering van cellen.
323
26-03-12 08:09
metastase
Dochtergezwel, ontstaan uit deeltjes van een primair gezwel, die door het bloed of de lymfe zijn meegevoerd en ergens zijn blijven steken waar ze hun groei en woekering voortzetten.
microangiopathie
Aandoening van de kleine bloedvaten.
modelling
Gedrag tonen dat het kind zich eigen kan maken door het te imiteren.
myeline
Witte, vetachtige stof die de zenuw isolerend omhult in de vorm van een zogenoemde myelineschede.
myocard
Hartspier.
nefroloog
Een arts die is gespecialiseerd in nierziektes.
neglect
Verwaarlozing van de aangedane zijde.
neuropathie
Aandoening van een (perifere) zenuw.
neuropsychiatrisch neuropsychologisch Van neuropsychologie; wetenschap die zich bezighoudt met de relaties tussen hersenen, gedrag en de stoornissen die zich hierin kunnen voor doen. neurorevalidatie
Het herleren van functies en vaardigheden waarbij vooruitgang kan worden geboekt.
neurostimulatie
Stimulatie van zenuwen door middel van elektrische prikkelingen waardoor de pijn kan afnemen.
niet solide tumor
Een tumor zonder ‘vaste’ vorm.
nociceptie
De waarneming van schadelijke, uitwendige invloeden, meestal de pijngewaarwording.
nocturie
Veelvuldig ‘s nachts plassen, komt vaak voor bij diabetes en chronisch hartfalen.
noduli
Kleine, onderhuidse knobbeltjes, hoofdzakelijk bestaande uit kleine ophopingen van cellen en leucocyten.
nurse practitioner
Speciaal opgeleide verpleegkundige die dokterstaken overneemt, zoals lichamelijk onderzoek, infuus inbrengen, puncties uitvoeren of begeleiding van chronisch zieken, en die de medische zorg coördineert.
oligurie
Verminderde uitscheiding van urine.
324
9006952582_bw.indd 324
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
orthese
Hulpmiddel ter ondersteuning of behandeling aan het lichaam bevestigd in verband met onvermogen of verzwakking van het bewegingsapparaat.
osteoporese
Botontkalking.
overloopblaas
Een overvulling van de blaas met druppelsgewijs urineverlies, met risico op stuwing in de nieren en urether. Een verdikte, fluwelig aanvoelende membraan die ontstaat bij synovitis (ontsteking van het synovium).
pannus paraplegie
Verlamming van de onderste ledematen.
parese
Onvolledige verlamming.
parkinsonisme
Syndroom met de kenmerken van de zieke van Parkinson, ook wel genoemd symptomatisch parkinsonisme.
patholoog
Specialist die veranderingen in vormen en functies van het zieke organisme onderzoekt.
perspectief
De manier waarop je ergens tegenaan kijkt of het standpunt van waaruit je er tegenaan kijkt.
pijnmanagement- programma
Behandelprogramma gericht op het zo goed mogelijk leren leven en functioneren met chronische pijn, meestal een cognitieve, gedragsmatige behandeling.
pijnmodel
Vereenvoudigde, schematische weergave van een pijnprobleem, waaruit de pijn kan worden verklaard en begrepen.
pijnmonitoring
Het verrichten van pijnmetingen om het verloop van de pijn en het effect van de behandeling te volgen.
plaatjesaggregatie- Stof die het samenklonteren van bloedplaatjes tegengaat. remmer pleurapunctie
Het verkrijgen van vocht met behulp van een holle naald uit de borstholte.
podotherapeut
Geregistreerde therapeut die voetklachten behandelt, en klachten die voortvloeien uit het niet goed functioneren van de voeten, benen en/of rug.
poederinhalator
Een apparaat waarin een capsule of rotocap met poeder om te inhaleren wordt geplaatst.
polydipsie
Verhoogd dorstgevoel.
Verklarende woordenlijst
9006952582_bw.indd 325
325
26-03-12 08:09
polyuri
Meer dan 2000 ml urine per dag lozen.
polyurische fase
Fase waarin veel urine geproduceerd wordt omdat de nieren hun concentrerende vermogen verliezen.
poortarts
Benaming voor de arts die de eerste medische opvang verzorgt aan de poort van het ziekenhuis.
praktijkondersteuner Speciaal opgeleide verpleegkundige, soms een doktersassistente, die een huisarts ondersteunt, met name in de zorg voor mensen met een chronische ziekte zoals mensen met astma, COPD of diabetes; zij geeft onder meer voorlichting en voert controles uit, zoals bloeddrukcontrole. praktijkverpleeg- kundige
Speciaal opgeleide verpleegkundige die huisarts ondersteunen met name in de zorg voor chronisch zieken.
prostaathypertrofie Vergroting van de prostaat (voorstanderklier). Kan goedaardig (benigne) of kwaadaardig (maligne) van aard zijn. recidiveren
Een (schijnbaar genezen) ziekte vertoont zich opnieuw. Terugkomen van pijnklachten.
reflexblaas
De blaaswand trekt samen als reactie op samentrekkingen van het omringende spierweefsel.
remissie
Vermindering van ziekteverschijnselen, meestal tijdelijk, zonder dat zij geheel verdwijnen.
renine
Hormoon dat door de nieren wordt geproduceerd.
reumaconsulent
Verpleegkundige die zich heeft gespecialiseerd in reuma.
reumafactor
Anti-immunoglobluline in het bloed die bij 70% van de cliĂŤnten met RA voorkomt. Reumafactor (RF) komt ook voor bij andere aandoeningen, zoals TBC, hepatitis en levercirrose.
reumatoloog
Arts voor reumatologische aandoeningen.
revalidatiearts
Arts die zich heeft gespecialiseerd in de revalidatie.
revalideren
Het optimaal biologisch, functioneel en sociaal herstel na een ziekte of ongeval.
reversibiliteitstest
Onderzoek waarbij de doorgankelijkheid van de luchtwegen voor en na het toedienen van luchtwegverwijders wordt gemeten.
326
9006952582_bw.indd 326
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
rigiditeit
Pathologische spierstijfheid.
sarcoom
Een solide tumor ontstaan uit bind- of steunweefsel.
schub
Letterlijk duw, stoot; kortdurende opleving van een chronisch ziekteproces.
sclerotische plaque Verspreide harde plek, voornamelijk in de witte stof (myeline) van hersenen en ruggenmerg. secundaire revalidatie
Revalidatie die gericht is op maatschappelijke reïntegratie. Deze behandeling volgt na de lichamelijke revalidatie, als de cliënt maatschappelijk vast dreigt te lopen.
sedatie
Kalmerende werking.
selfefficacy
Het vertrouwen de ziekte zelf te kunnen controleren en te reguleren.
sensibiliteit
Het gevoel.
sensibilisatie
Overgevoeligheid voor pijn.
solide tumor
Een tumor met een ‘harde’ vorm, meestal waarneembaar en te voelen.
spinale shockfase
De fase na een acuut letsel aan het ruggenmerg waarbij alle functies onder het niveau van de beschadiging van het ruggenmerg uitvallen.
spirometrie
Onderzoek waarbij de longfunctie wordt bepaald.
spondylodese plaat Plaatje van metaal waarmee de wervels aan elkaar worden vastgezet. stadiëring
De uitgebreidheid van de tumor vaststellen.
status asthmaticus Langdurende aanval van astma, waarbij bronchusverwijdende middelen onwerkzaam zijn. stressor
Gebeurtenis of prikkel die als belastend of bedreigend wordt ervaren.
stuwing
Belemmering in de voortbeweging van het bloed zodat er verhoging van druk ontstaat.
subluxatie
Onvolkomen ontwrichting waarbij de gewrichtskop de kom slechts gedeeltelijk heeft verlaten.
substitutie
Het geheel of gedeeltelijk vervangen van bestaand zorgaanbod door andersoortige zorg om te komen tot zorg op maat afgestemd op de zorgvrager.
Verklarende woordenlijst
9006952582_bw.indd 327
327
26-03-12 08:09
symptoom- management
Het adequaat behandelen van symptomen.
symptoomverlichting Het zodanig behandelen van symptomen zodat verlichting van de ervaren symptoomlast wordt bereikt. synovium
(Synoviale membraan) gewrichtsslijmvlies, vlies dat slijmerige vloeistof afscheidt aan het gewricht.
taakherschikking
Het formeel herschikken van taken tussen verschillende beroepsbeoefenaars.
taakverschuiving
Het informeel herverdelen van taken.
tachycardie
Een abnormaal snelle hartslag.
teletherapie
Uitwendige bestraling.
tetraplegie
Verlamming van alle vier ledematen, vanaf de nek naar beneden. Ook wel quadriplegie genoemd.
therapietrouw
Strikte naleving van de regels en afspraken rond de therapie.
thoracaal
De borstwervel, aangeduid met cijfers, 1 = de eerste borstwervel, enzovoort.
thuiszorgtechnologie Alle technologie die gebruikt wordt om de zorgvrager in staat te stellen zolang mogelijk thuis te blijven of zo snel mogelijk uit de zorginstelling terug te keren naar huis. TIA
Transient ischaemic attack, voorbijgaande cerebrale ischemie, met neurologische verschijnselen die binnen 24 uur weer verdwijnen.
TNM-classificatie
Een classificatiesysteem voor de stadiĂŤring van tumoren.
transitie
De overgang van een zorgvorm of zorginstelling naar een andere, samenhangend met het ziektebeloop.
transitiezorg
Zorg die gegeven wordt aan mensen die bijvoorbeeld in een ziekenhuis verblijven en nog niet terechtkunnen in het verpleeghuis of het revalidatiecentrum, met het doel de zorg naadloos te laten aansluiten. Veelal wordt deze zorg gegeven in een zogeheten transitorium, een speciale afdeling waar door personeel van zowel het ziekenhuis als het ontvangende verpleeghuis of revalidatiecentrum wordt samengewerkt.
traumatisch letsel
Een beschadiging door een ongeval.
328
9006952582_bw.indd 328
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
tremor
Ritmische beving.
triozorg
De samenwerking tussen huisartsen, praktijkassistenten en praktijkverpleegkundigen in een huisartsenpraktijk.
trofische stoornis
Stoornis in de voeding en groei van weefsels.
trombolyse
Het toedienen van medicamenten die het oplossen van een trombus bevorderen.
trombose
Vorming van een bloedstolsel in een bloedvat.
tromboseprofylaxe Het voorkomen van trombose door het geven van medicamenten die voorkomen dat het bloed samenklontert. unilateraal
Aan een zijde van het lichaam.
uremie
Urinevergiftiging, aanwezigheid van ureum en andere afvalstoffen in het bloed. Ureum is het eindproduct van de eiwitstofwisseling, ontstaat in de lever en wordt in de nieren met de urine uit het bloed verwijderd.
uremische pericarditis
Ontsteking van het hartzakje (pericard) als gevolg van afvalstoffen in het bloed, die het gevolg zijn van nierfalen.
ureum
Eindproduct van de eiwitstofwisseling, onstaat in de lever en wordt in de nieren met de urine uit het bloed verwijderd.
vasculitis
Ontsteking van de wanden van bloedvaten.
vasoconstrictie
Vernauwing van de vaten.
vegetatieve stoornis Stoornis in de functies die door het onwillekeurige zenuwstelsel wordt verzorgd. verzorgingsstaat
Democratische, kapitalistische staatsvorm waarbij collectieve garanties bestaan voor bestaanszekerheden en de overheid haar burgers beschermt tegen de krachten van de vrije markt.
vitale capaciteit
De maximale hoeveelheid lucht die kan worden uitgeademd.
volledige symptoom- Het zodanig behandelen van symptomen dat een cliĂŤnt er geen last meer van heeft. controle volvulus
Verklarende woordenlijst
9006952582_bw.indd 329
Het in elkaar schuiven van de darm, als een telescoop.
329
26-03-12 08:09
vraaggerichte zorg Zorgverlening waarbij de cliënt met zijn situatie, mogelijkheden en zorgvraag centraal staat. welzijn
Hulpverleningsgebied dat zich voornamelijk bezighoudt met sociaal-maatschappelijke problemen.
willekeurige motoriek
Spierfunctie die onder invloed van onze wil staat.
zelfbeeld
Een voorgesteld ‘zelf’ dat iemand denkt te zijn, het idee dat een persoon heeft over zijn persoon, belevingen en vaardigheden.
zelfhulpgroep
Groep waarin mensen op vrijwillige basis zichzelf en elkaar helpen bij het oplossen van gelijkgeaarde problemen.
zelfmanagement
Het zelf beheren en coördineren van het eigen zorgproces.
zelfmanagement- gedrag
Het gedrag van de cliënt waaruit blijkt dat hij bereid is om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn ziekte door zelf de ziekte te controleren en te reguleren.
zorgcoördinatie
Een adequate bewaking van de continuïteit van zorg.
zorgkantoor
Zorgverzekeraar die in een regio verantwoordelijk is voor de uitvoering van en controle op AWBZ-gefinancierde zorg en voor toekenning van persoonsgebonden budgetten; taken zijn het contracteren van zorginstellingen, innen van eigen bijdragen van verzekerden en deelnemen aan overleg (onder meer met cliënten en zorgaanbieders) over het gewenste zorgaanbod in de regio. Zorgkantoren zijn betrokken bij afspraken over indicatiestelling, zorgtoewijzing en oplossingen voor wachtlijsten; per regio is een zorgverzekeraar aangewezen als zorgkantoor.
zorgleefplan
Plan met als uitgangspunt dat een cliënt zijn leven kan blijven leiden zoals hij dat gewend was, zo zelfstandig mogelijk en het liefst in de eigen omgeving.
zuurstofspanning
Het zuurstofgehalte in het bloed.
330
9006952582_bw.indd 330
Verklarende woordenlijst
26-03-12 08:09
Register A aanbodgestuurde zorg 24 aandoeningen 247 acetylcholine 195 acidose 117 ademdepressie 105 adipeus 122 afasie 255 afferente zenuwbaan 227 analgetica 271 anatomische eigenschap 37 aneurysma 247 ankylose 151 anticoagulanta 250 anurie 85 arbeidsreïntegratie 43 arteriosclerose 124 arterioveneuze malformatie 247 ascitispunctie 138 aspiratiepneumonie 253 assist-divice 176 atherosclerose 247 auto-immuunziekte 152 autonome dysreflexie 231 autonome regulatie 231 autonomie 30 autonoom 135 B backward failure 174 balanitis 119 bedrijfsongeval 285 benigne 135 beroepsdeelprofiel 293 bilateraal 191 biopt 138 bloed-hersenbarrière 195 brachytherapie 139 bronchospasme 101 buddyzorg 42
Register
9006952582_bw.indd 331
C carcinomen 136 casemanagement 80 centrale zenuwstelsel 211 cerebrale circulatie 247 cerebrovasculair accident 247 chemotherapie 140 chronische luchtwegobstructie 100 coagulopathie 248 comorbiditeit 23, 100 congenitaal 172 COPD-verpleegkundige 106 coping 58 copingstijl 58, 162 copingstrategie 60 coronair angiogram (CAG) 175 cyanose 102 cytologisch onderzoek 138 cytostatica 140 D decompensatio cordis 102 degenereren 159 desensitisatie 279 diabeteseducatie 125 diabetesverpleegkundige 124 diabetische neuropathie 124 diabetische voet 124 DNA 135 domotica 45 door to needle time 250 dopamine 191 dosisaërosol 104 dura 271 dysartrie 120 dyskinesieën 195 dyspnoe 99
331
26-03-12 08:09
E ectopische botvorming 241 efferente zenuwbaan 227 eifeltje 257 Ejectie Fractie (EF) 174 embolie 247 embolus 85 empowerment 30 endogene factor 102 ergonomie 156 erosie 151 erythropoëtine 85 erytrocyten 86 exacerbatie 104 exogene factor 102 expiratoire stridor 103 F forward failure 174 functiegerichte bekostiging 30 G geoxygeneerd bloed 171 gezondheidsvoorlichting 68 glucagon 120 glucosedagcurve 122 glucosemeter 122 griepprik 105 H Haloframe 232 Harringtonstaaf 232 hematoom 250 hemiparese 249 histologisch onderzoek 138 Holisme 267 hulpademhalingsspieren 103 hyperglykemie 117 hyperglykemisch coma 119 hyperkaliëmie 86 hypoglykemie 118 hypoglykemisch coma 120
332
9006952582_bw.indd 332
I IgE 103 immuunsysteem 213 indicatiestelling 30 informed consent 33 inspiratoire stridor 100 instellingsfase 122 insulinepompje 122 insulineresistentie 117 intermitterend katheteriseren 239 intrathecaal 271 invasief 271 K Kussmaul-ademhaling 119 L laminectomie 232 L-dopa 195 levensverwachting 12 lokale behandeling 155 lotgenotencontact 33 M maligne 135 metastasen 135 microangiopathie 124 modelling 279 myeline 211 myocard 173 N nefroloog 125 neglect 249 neuropsychiatrische problemen 249 neuropsychologisch 286 neurorevalidatie 250 neurostimulatie 271 niet-solide tumoren 136 nociceptie 267 nocturie 173 noduli 152
Register
26-03-12 08:09
O oligurie 85 orthese 257 osteoporose 241 overloopblaas 229 P pannus 151 paraplegie 227 parese 232 parkinsonisme 192 patholoog 138 perspectief 70 pijnmanagementprogramma 271 pijnmodel 267 pijnmonitoring 269 plaatjesaggregatieremmer 250 pleurapunctie 138 podotherapeut 124 poederinhalator 104 polydipsie 119 polyurie 119 polyurische fase 86 poortarts 285 praktijkondersteuner 106 prostaathypertrofie 85 R recidiveren 277 recidiverende 101 reflexblaas 239 remissie 211 renine 174 reumaconsulent 159 reumafactor 152 reumatoloog 153 revalidatiearts 43 revalideren 43 reversibiliteitstest 103 rigiditeit 191
Register
9006952582_bw.indd 333
S sarcomen 136 schub 211 sclerotische plaque 211 secundaire revalidatie 303 sedatie 142 selfefficacy 125 sensibilisatie 266 sensibiliteit 228 solide tumoren 136 spinale shockfase 229 spirometrie 99 spondylodese plaat 232 stadiëring 138 status asthmaticus 103 stuwing 173 subluxatie 151 symptoommanagement 141 symptoomverlichting 142 synovium 151 T tachycardie 120 teletherapie 139 tetraplegie 227 therapietrouw 67, 305 thoracaal 230 thuiszorgtechnologie 63 TIA 247 TNM-classificatie 138 transities 36 transitiezorg 37 tremor 191 trofische stoornis 232 trombolyse 250 trombose 247 tromboseprofylaxe 241 U unilateraal 191 uremie 86
333
26-03-12 08:09
uremische pericarditis 86 ureum 87 V vasculitis 247 vegetatieve stoornis 232 verzorgingsstaat 27 vitale capaciteit 103 volledige symptoomcontrole 142 volvulus 221 vraaggerichte zorg 25, 71 W willekeurige motoriek 228 Z zelfbeeld 51 zelfhulpgroep 33 zelfmanagement 68 zelfmanagementgedrag 125 zorgcoördinatie 78 zorgkantoor 30 zorgleefplan 65 zuurstofspanning 105
334
9006952582_bw.indd 334
Register
26-03-12 08:09