1
1
BA/AA/SA ba/aa/sa Bedrijfseconomie
BV in Balans biedt ondersteunend lesmateriaal gebaseerd op de competentiegerichte kwalificatiedossiers die door het Kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven ECABO voor de Financiële beroepen zijn ontwikkeld.
Bedrijfseconomie
Het lesmateriaal dekt de kerntaken, werkprocessen en activiteiten voor de kwalificatiedossiers: • •
niveau 3 (Financieel Administratief Medewerker) en niveau 4 (Bedrijfsadministrateur, Assistent-accountant en Salarisadministrateur).
Editie
BV in Balans bestaat uit leereenheden waarin de leerling zijn eigen leerweg vindt en waarmee de docent het gewenste curriculum vult.
2013
E.P. van Balen, K. Broersen, G.W.M van Heeswijk, J.P. Mijnster, S.J. Stienstra, T.F.G. Suppers, T. van de Veerdonk e.a.
Mede dankzij de kritische gebruikers die hun wensen kenbaar hebben gemaakt, maakt dit lesmateriaal het mogelijk om ‘Balans in het onderwijs’ te brengen.
De auteurs
BA/AA/SA
Leerwerkboek
9781111270179
1
1
1
1
COLOFON ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 9781111270179 Eerste druk, eerste oplage, 2013 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2013. Exemplaar voor verhuur. De eigendom blijft altijd bij de uitgever. Het is niet toegestaan deze uitgave te gebruiken zonder huurovereenkomst met de uitgever. Het is niet toegestaan deze uitgave onder te verhuren, te verkopen of anderszins ter beschikking van derden te stellen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet jo het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
1
1
2
2
2
2
3
3
Inhoudsopgave ................................................ 1
2
3
4
Nettowerkkapitaal 1.1 Inleiding 1.2 Hoe stem ik de vlottende activa en de kortlopende schulden op elkaar af? 1.3 Hoe bereken ik de activiteitskengetallen van de voorraad? 1.4 Hoe bereken ik de activiteitskengetallen van de debiteuren? 1.5 Hoe bereken ik de activiteitskengetallen van de crediteuren? 1.6 Hoe bepaal ik het nettowerkkapitaal, de current ratio en de quick ratio? 1.7 Hoe bepaal ik de liquiditeitskengetallen? 1.8 Hoe stel ik een liquiditeitsbegroting op? 1.9 Hoe bepaal ik de operationele cashflow? 1.10 Hoe kan ik de vermogensbehoefte beperken? 1.11 Hoe kan ik het vermogen optimaal gebruiken? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie
4 5 8 10 12 14 17 20 23 24 27 31 33 50
Rentabiliteit op vermogen 2.1 Inleiding 2.2 Hoe bepaal ik de rentabiliteit van het eigen vermogen bij een eenmanszaak? 2.3 Hoe bepaal ik de rentabiliteit bij een BV en NV? 2.4 Hoe bereken ik het gemiddelde vermogen en de interest? 2.5 Hoe onderzoek ik de verschillende rentabiliteiten bij de eenmanszaak? 2.6 Hoe onderzoek ik de rentabiliteit van BV en NV en de hefboomwerking? 2.7 Hoe bepaal ik de solvabiliteit? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie
54 55 57 60 63 65 70 74 75 79
Directe en indirecte kosten 3.1 Inleiding 3.2 Hoe onderscheid ik directe en indirecte kosten? 3.3 Hoe bereken ik de kostprijs met de primitieve opslagmethode? 3.4 Hoe kies ik de juiste opslagmethode? 3.5 Hoe bereken ik de kostprijs met de verfijnde opslagmethode? 3.6 Hoe werk ik met de kostenplaatsenmethode? 3.7 Hoe stel ik een kostenverdeelstaat op? 3.8 Hoe bereken ik de kostprijs met de kostenplaatsenmethode? 3.9 Hoe bepaal ik resultaten van afdelingen? Begrippenlijst Aan het werk Bijlagen Evaluatie
82 83 84 87 89 90 95 101 102 105 106 119 124
Resultaatbepaling 4.1 Inleiding 4.2 Hoe bepaal ik het verwachte bedrijfsresultaat? 4.3 Hoe stel ik de categoriale winst-en-verliesrekening op?
128 129 131
Š ThiemeMeulenho
3
1
3
4
4
5
6
7
4.4 Hoe stel ik de bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening op? Begrippenlijst Aan het werk Bijlagen Evaluatie
136 140 141 143 145
Projectcalculatie 5.1 Inleiding 5.2 Hoe calculeer ik projectkosten? 5.3 Hoe stel ik een begroting voor een project op? 5.4 Wat doe ik met meer- of minderwerk tijdens de realisatie van een project? 5.5 Hoe bepaal ik het resultaat van een afgerond project? Aan het werk Bijlagen Evaluatie
148 149 152 156 159 162 175 181
Financiering van de eenmanszaak, VOF, CV en BV 6.1 Inleiding 6.2 Hoe start ik een eenmanszaak? 6.3 Hoe verdien ik inkomen met een eenmanszaak? 6.4 Hoe financier ik een VOF? 6.5 Hoe verdien ik inkomen met een VOF? 6.6 Hoe stap ik over van een VOF naar een CV? 6.7 Hoe stap ik over van een CV naar een BV? 6.8 Hoe verdien ik inkomen met een BV? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie
184 185 188 189 191 193 194 196 199 200 207
Analyse jaarrekeningen 7.1 Inleiding 7.2 Wat is een jaarrapport? 7.3 Wat is een jaarrekening? 7.4 Hoe is de jaarrekening in de wet geregeld? 7.5 Wat zijn de algemene bepalingen omtrent de jaarrekening? 7.6 Hoe stel ik een mutatiebalans op? 7.7 Hoe stel ik een staat van herkomst en besteding van middelen op? 7.8 Hoe analyseer ik herkomsten en bestedingen? 7.9 Hoe stel ik een kasstroomoverzicht op? 7.10 Hoe analyseer ik een jaarrekening met kengetallen? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie
210 211 212 214 217 220 222 223 227 229 231 232 241
Trefwoordenregister
2
4
Š ThiemeMeulenho
4
5
5
1
5
Nettowerkkapitaal
5
6
6
Theorie ................................................ 1.1
INLEIDING Ondernemers maken bij de beoordeling van hun onderneming gebruik van kengetallen. Kengetallen hebben als doel: – om op een bepaald moment een oordeel over de (financiële) situatie van de onderneming te kunnen geven; – om de (financiële) ontwikkelingen over een bepaalde periode in beeld te brengen; – om de resultaten van een onderneming te vergelijken met soortgelijke ondernemingen. In deze leereenheid leer je kengetallen te berekenen. Met activiteitskengetallen kun je bijvoorbeeld van de voorraad, de debiteuren en de crediteuren beoordelen of ze gezond zijn samengesteld en hoe de ontwikkeling is gedurende een aantal jaren. Ook kun je een vergelijking maken tussen bedrijven onderling. Met liquiditeitskengetallen kun je bijvoorbeeld zien of er op korte termijn betalingsproblemen te verwachten zijn. In het schema kun je zien dat je kengetallen gaat berekenen die te maken hebben met de voorraad, debiteuren, crediteuren en liquiditeit. Je berekent dan bijvoorbeeld de gemiddelde voorraad, de gemiddelde opslagduur en de omzetsnelheid van de voorraad, het gemiddelde debiteurensaldo en de gemiddelde kredietduur van debiteuren. Aan de andere kant van de balans bereken je het gemiddelde crediteurensaldo en de gemiddelde krediettermijn van crediteuren. Dit doe je om te zien hoe lang het bedrijf over deze kortlopende schulden kan beschikken. Met liquiditeitskengetallen onderzoek je de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. Met de liquiditeitsbalans kijk je dan of de onderneming in staat zal zijn om de kortlopende schulden op tijd terug te betalen. Hiervoor is het belangrijk dat je kengetallen goed weet te beoordelen. Ten slotte leer je een liquiditeitsbegroting op te stellen. Het gaat hierbij om de inkomsten en uitgaven en de verandering van de liquide middelen gedurende een periode. Met een liquiditeitsbegroting kun je de kasstroom of Cashflow van een onderneming bepalen. Inzicht in de cashflow geeft je duidelijkheid of de onderneming aan haar verplichtingen in de toekomst kan voldoen. Door verstandig om te gaan met de behaalde winst, kan een onderneming zorgen voor interne financiering. Zo hoeft een onderneming geen geld te lenen op de geld- of vermogensmarkt, ofwel externe financiering.
4
6
© ThiemeMeulenhoff
6
7
7
1.2
HOE STEM IK DE VLOTTENDE ACTIVA EN DE KORTLOPENDE SCHULDEN OP ELKAAR AF? Iedere onderneming verkoopt goederen of levert diensten. De ondernemer moet daarvoor investeren in vaste en vlottende activa. Pas als de ondernemer de benodigde productiemiddelen heeft, kan hij aan de slag. De financiering van deze investeringen gebeurt op de vermogensmarkt. Vermogen wordt aangetrokken op de vermogensmarkt in de vorm van eigen vermogen, langlopende schulden of kortlopende schulden. Voor het gebruik van dit vermogen maakt de ondernemer interestkosten. Het is begrijpelijk dat de ondernemer de investeringen zo laag mogelijk wil houden, want dan heeft hij minder vermogen nodig en heeft hij dus ook minder interestkosten.
Š ThiemeMeulenho
7
5
7
8
8
De ondernemer wil daarom de gewenste omvang van de voorraad, de debiteuren en de liquide middelen weten en de financiering hierop aanpassen. Bovendien moet de ondernemer ervoor zorgen dat de liquiditeit in orde is. De ondernemer moet nu eenmaal op een zeker moment zijn kortlopende schulden aflossen. Een onderneming is liquide als de ondernemer de kortlopende schulden op tijd kan betalen. Daarom wil de ondernemer graag weten of er voldoende liquide middelen zijn. Ook is het belangrijk te weten wanneer er liquide middelen vrijkomen bij contante verkoop van de voorraden en wanneer debiteuren hun rekening betalen. In deze leereenheid leer je inzicht te krijgen in het afstemmen van de vlottende activa en de kortlopende schulden. Daarvoor moet je weten waar je rekening mee moet houden bij: – de voorraad; – de debiteuren; – de crediteuren; – de liquide middelen. VOORRAAD Om goederen bij verkoop gelijk te kunnen leveren, houdt de onderneming een voorraad aan. Een te kleine voorraad kan ertoe leiden dat je sommige klanten moet teleurstellen, omdat je niet op tijd kunt leveren. Een te grote voorraad zorgt weer voor hoge kosten voor ruimte, rente en risico. De afzet van producten kan regelmatig over het jaar gespreid zijn, maar er kunnen ook periodes zijn waarin het stil is of juist weer erg druk. Ook bij deze seizoensverschillen moet de onderneming zorgen dat er geleverd kan worden. Om die reden is de voorraad niet elke maand of elk kwartaal gelijk. Bovendien moet de voorraad groter worden als de drukke periode gaat beginnen. Het is belangrijk om inzicht te hebben in de gemiddelde voorraad, de omzetsnelheid en de opslagduur van de voorraad. In het theorie-onderdeel 3 leer je de activiteitskengetallen die met de voorraad te maken hebben, te berekenen en te verklaren. DEBITEUREN Als de onderneming goederen op rekening verkoopt, heb je als ondernemer geld te goed van de afnemer. Dat betekent gelijk dat er behoefte aan vermogen ontstaat. De ondernemer moet immers de waarde van de verkochte goederen voorfinancieren. Bovendien krijgt de ondernemer te maken met administratie- en incassokosten. Bedrijven kopen bijna altijd op rekening. Het ene bedrijf betaalt gelijk na de ontvangst van de factuur, terwijl andere bedrijven gebruikmaken van het mogelijke leverancierskrediet en wachten met betalen tot het laatste moment. Bedrijven zien het verkopen op rekening als een klantvriendelijk gebaar naar de afnemer. Het risico van verkopen op rekening is dat er wanbetaling ontstaat. Daarom moet de kredietwaardigheid van de klant onderzocht worden. Bovendien moet er bij de debiteurenbewaking rekening worden gehouden met een kredietlimiet. Als blijkt dat de klant te laat is met betalen, moet de onderneming de juiste stappen nemen voor het innen van het openstaande saldo. De ondernemer moet alle voordelen en nadelen van verkoop op rekening tegen elkaar afwegen. De post Debiteuren is het verstrekte leverancierskrediet. Het is voor een ondernemer belangrijk om inzicht te hebben in het gemiddelde debiteurensaldo en de gemiddelde kredietduur, die aangeeft hoeveel dagen of maanden leverancierskrediet aan afnemers wordt verstrekt.
6
8
© ThiemeMeulenhoff
8
9
9
In theorie-onderdeel 4 leer je de activiteitskengetallen die met de debiteuren te maken hebben, te berekenen en te verklaren. Een ondernemer kan ervoor kiezen om al het werk dat debiteuren met zich meebrengen door anderen te laten doen. De ondernemer kiest dan voor factoring. Een factoringsmaatschappij neemt dan de vorderingen op afnemers over. Maar de factoringsmaatschappij berekent voor dit werk wel kosten. CREDITEUREN Een ondernemer maakt zelf ook schulden bij leveranciers, omdat hij ook niet altijd direct de ingekochte goederen hoeft te betalen en gebruikmaakt van de betalingstermijn van de factuur. Op deze manier kan een ondernemer in een deel van de vermogensbehoefte voor de voorraad voorzien. Maar op een zeker moment moet er toch betaald worden. De ondernemer moet daarbij wel letten op de korting voor contant of de kredietbeperking. De post Crediteuren is zodoende het opgenomen leverancierskrediet. Bij het afstemmen van de vlottende activa op de kortlopende schulden, moet de ondernemer ervoor zorgen dat de geldstroom die het bedrijf binnenkomt, groot genoeg is voor de uitgaande geldstroom. Voor de ondernemer is het belangrijk om inzicht te hebben in het gemiddelde crediteurensaldo en de gemiddelde kredietduur die het bedrijf heeft ontvangen van de leverancier. In theorie-onderdeel 5 leer je de activiteitskengetallen die met de crediteuren te maken hebben, te berekenen en te verklaren. LIQUIDE MIDDELEN Liquide middelen zoals kasgeld en banksaldi zijn nodig om betalingen te doen. Het aanhouden van liquide middelen zorgt voor vermogensbehoefte en brengt dus kosten met zich mee. Bovendien betaalt de bank voor positieve banksaldi geen of een heel lage rente. Voldoende liquide middelen zorgen ervoor dat de onderneming kan inkopen en transacties kan uitvoeren. Bovendien zijn er altijd onvoorziene gebeurtenissen waarvoor dringend contant geld nodig is. Liquide middelen zorgen er ook voor dat je bij verwachte prijsstijgingen extra goederen kunt inkopen om van het prijsvoordeel te profiteren. Dit noem je ook wel speculeren. De ondernemer spreekt daarom van een transactiemotief, een voorzorgmotief en een speculatiemotief om voldoende liquide middelen hebben. In theorie-onderdeel 6 leer je liquiditeitskengetallen te berekenen en te verklaren. In theorie-onderdeel 8 ga je een liquiditeitsbegroting opstellen.
1
Controlevragen Wanneer is een onderneming liquide?
2
Wat is het nadeel van een te kleine voorraad?
3
Wat is het nadeel van een te grote voorraad?
4
Wat zijn nadelen van debiteuren?
5
Wat doet een factoringsmaatschappij?
Š ThiemeMeulenho
9
7
9
10
10
6
KORTOM
1.3
Noem drie motieven om liquide middelen te hebben. Afstemmen vlottende activa en kortlopende schulden – Een onderneming is liquide als de ondernemer de kortlopende schulden op tijd kan betalen. – Een te kleine voorraad kan ertoe leiden dat je sommige klanten moet teleurstellen omdat goederen niet (direct) geleverd kunnen worden. – Een te grote voorraad zorgt voor (onnodig) hoge kosten voor ruimte, rente en risico. – Debiteuren leiden tot kosten en mogelijke wanbetaling. – Debiteuren zijn verstrekt leverancierskrediet. – Transactiemotief, voorzorgmotief en speculatiemotief zijn motieven om over liquide middelen te beschikken. – Crediteuren zijn opgenomen leverancierskrediet. – De geldstroom die het bedrijf binnenkomt, moet groot genoeg zijn voor de uitgaande geldstroom.
HOE BEREKEN IK DE ACTIVITEITSKENGETALLEN VAN DE VOORRAAD? Een onderneming wil goederen verkopen. Om goederen bij verkoop gelijk te kunnen leveren, houdt de onderneming een voorraad aan. Deze voorraad moet niet te klein zijn, want dan mis je klanten doordat je ’nee’ moet verkopen. Daarbij komt dat er in een jaar drukke periodes zijn waarin de afzet groter is dan in rustige periodes. De onderneming moet dan zorgen dat er op tijd voldoende voorraad ingekocht is. De voorraad moet ook weer niet te groot zijn. Een te grote voorraad betekent onnodig hoge kosten voor opslag en risico’s van het uit de mode raken van goederen, maar vooral ook hoge interestkosten van het geïnvesteerde vermogen. Grote hoeveelheden inkopen levert vaak kortingen op en de kosten van vervoer zijn lager. De ondernemer moet daarom een keuze maken, waarbij hij aan de ene kant moet letten op de opslagkosten, en aan de andere kant op de bestelkosten. Een grote voorraad betekent hoge opslagkosten. Een kleine voorraad betekent vaak bestellen en dus hoge bestelkosten. Uiteindelijk bepaal je als ondernemer hoe vaak en hoeveel je per jaar bestelt. Voor een juist beheer van de voorraad berekent een ondernemer de volgende activiteitskengetallen: – de gemiddelde voorraad; – de omzetsnelheid van de voorraad; – de gemiddelde opslagduur. Aan de hand van de gegevens van sportshop Action bereken je: – de gemiddelde voorraad; – de omzetsnelheid van de voorraad; – de gemiddelde opslagduur; – de brutowinstmarge als percentage van de inkoopprijs. Sportshop Action heeft in 2010 artikelen op voorraad die tegen inkoopprijs op de balans staan.
8
10
© ThiemeMeulenhoff
10
11
11
De omzet over 2010 was € 660.000 en de inkoopwaarde van deze omzet bedroeg € 528.000. Eerst bereken je de gemiddelde voorraad per kwartaal:
TIP De gemiddelde voorraad van een jaar bereken je uit de gemiddelde voorraden van de kwartalen of van de maanden. gemiddelde voorraad 1e kwartaal = (€ 80.000 + € 60.000) ÷ 2 = € 70.000. gemiddelde voorraad 2e kwartaal = (€ 60.000 + € 38.000) ÷ 2 = € 49.000. gemiddelde voorraad 3e kwartaal = (€ 38.000 + € 90.000) ÷ 2 = € 64.000. gemiddelde voorraad 4e kwartaal = (€ 90.000 + € 72.000) ÷ 2 = € 81.000. De gemiddelde voorraad over 2010 bedraagt dan (€ 70.000 + € 49.000 + € 64.000 + € 81.000) ÷ 4 = € 264.000 ÷ 4 = € 66.000. Dit betekent dat er een gemiddelde waarde aan voorraad en dus een gemiddelde vermogensbehoefte voor de voorraad nodig is van € 66.000. Je kunt wel zien dat de voorraad niet constant is. In het tweede kwartaal is er beduidend minder behoefte aan voorraad dan in het vierde kwartaal. Nu je de gemiddelde voorraad weet, kun je de omzetsnelheid van de voorraad in het jaar 2010 berekenen:
TIP De gemiddelde voorraad is de voorraad tegen inkoopprijzen. Daarom gebruik je bij het berekenen van de omzetsnelheid ook de inkoopwaarde van de omzet. De inkoopwaarde van de omzet bedroeg € 528.000. De omzetsnelheid van de voorraad is: Inkoopwaarde van de voorraad ÷ gemiddelde voorraad tegen inkoopprijzen: € 528.000 ÷ € 66.000 = 8. Dat betekent dat de voorraad gemiddeld acht keer per jaar is verkocht. Nu je de omzetsnelheid weet, kun je ook de opslagduur van de voorraad in het jaar 2010 berekenen. De gemiddelde opslagduur is dan: een jaar ÷ de omzetsnelheid van de voorraad. Voor een jaar kiezen we 360 dagen en voor een maand 30 dagen. De gemiddelde opslagduur bedraagt 360 dagen ÷ 8 = 45 dagen = anderhalve maand. Dat betekent dat er bij Sportshop Action gemiddeld voor anderhalve maand afzet op voorraad ligt. Dit is dus het gemiddelde bedrag dat er aan vermogen moet worden aangetrokken. Een maand omzet in inkoopprijzen bedraagt € 528.000 ÷ 12 = € 44.000. De voorraad moet dus 1,5 x € 44.000 = € 66.000 zijn.
© ThiemeMeulenhoff
11
9
11
12
12
Met de gegevens van de omzet en de inkoopwaarde kun je ten slotte ook de brutowinst en de brutowinstmarge berekenen. De brutowinst bedraagt € 660.000 - € 528.000 = € 132.000. De brutowinstmarge als percentage van de inkoopprijs bedraagt: € 132.000 ÷ € 528.000 = 0,25 = 25%.
7
Controlevragen Wat zijn voorbeelden van activiteitskengetallen voor de voorraad?
8
Wat is de gemiddelde voorraad?
9
Wat is de omzetsnelheid van de voorraad?
10
Wat is de gemiddelde opslagduur van de voorraad?
11
Wat is de brutowinst?
KORTOM
1.4
Voorraadkengetallen – Activiteitskengetallen voor de voorraad zijn: de gemiddelde voorraad, de omzetsnelheid van de voorraad en de gemiddelde opslagduur. – De gemiddelde voorraad is de voorraad die gemiddeld in de loop van een jaar in de onderneming aanwezig is. – De omzetsnelheid van de voorraad is het aantal malen dat de voorraad per jaar verkocht wordt. – De gemiddelde opslagduur is de tijd tussen de inkoop en de verkoop van een artikel. – De brutowinstmarge is het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs.
HOE BEREKEN IK DE ACTIVITEITSKENGETALLEN VAN DE DEBITEUREN? Het gemiddelde debiteurensaldo is een activiteitskengetal dat aangeeft hoe groot het gemiddelde verstrekte leverancierskrediet is geweest aan klanten (debiteuren) over een bepaalde periode. Hoe groter dit gemiddelde debiteurensaldo, hoe groter het vermogen dat de onderneming nodig heeft en dus ook hoe hoger de interestkosten van het vermogen voor de onderneming zijn. Verkopen kunnen contant of op rekening plaatsvinden. In sommige gevallen kun je zeggen: ’Hoe meer je contant verkoopt, hoe minder je op rekening verkoopt’. Dat betekent dat er direct meer liquide middelen beschikbaar komen. Zolang er echter ook op rekening verkocht blijft worden, is er altijd een bedrag dat van de afnemers te vorderen is. Het gemiddelde bedrag dat van debiteuren te vorderen is, houdt dus verband met de verkopen op rekening. Het gaat om een gedeelte van de omzet. De gemiddelde kredietduur van debiteuren is een kengetal dat aangeeft hoeveel dagen of maanden een onderneming haar afnemers gemiddeld leverancierskrediet heeft gegeven. Voor een juist beheer van debiteuren berekent een ondernemer de volgende activiteitskengetallen: – het gemiddelde debiteurenbedrag; – de gemiddelde kredietduur van debiteuren. Aan de hand van de gegevens van sportshop Action bereken je:
10
12
© ThiemeMeulenhoff
12
13
13
– het gemiddelde debiteurenbedrag; – de omzet op rekening; – de gemiddelde kredietduur van debiteuren. Van sportshop Action is over 2010 het volgende bekend: De omzet over 2010 bedroeg € 660.000. Van de omzet was € 210.000 contante verkoop. Sportshop Action heeft de volgende openstaande vorderingen op debiteuren.
Eerst bereken je het gemiddelde debiteurenbedrag per kwartaal:
TIP Het gemiddelde debiteurenbedrag van een jaar bereken je uit de gemiddelde debiteurenbedragen van de kwartalen of van de maanden. gemiddeld debiteurensaldo 1e kwartaal = (€ 25.000 + € 21.000) ÷ 2 = € 23.000. gemiddeld debiteurensaldo 2e kwartaal = (€ 21.000 + € 15.000) ÷ 2 = € 18.000. gemiddeld debiteurensaldo 3e kwartaal = (€ 15.000 + € 19.000) ÷ 2 = € 17.000. gemiddeld debiteurensaldo 4e kwartaal = (€ 19.000 + € 25.000) ÷ 2 = € 22.000. Het gemiddelde debiteurenbedrag over het jaar 2010 bedraagt dan: (€ 23.000 + € 18.000 + € 17.000 + € 22.000) ÷ 4 = € 80.000 ÷ 4 = € 20.000. Dit betekent dat er voortdurend een vordering op debiteuren en dus een vermogensbehoefte is van € 20.000. In de kwartalen 2 en 3 is deze behoefte iets minder dan in de kwartalen 1 en 4! Omdat je de omzet van de contante verkopen kent, kun je de verkopen op rekening bepalen: € 660.000 - € 210.000 = € 450.000. Nu je het gemiddelde debiteurensaldo en de omzet op rekening weet, kun je de gemiddelde kredietduur berekenen: De gemiddelde kredietduur van debiteuren is het gemiddelde debiteurenbedrag gedeeld door de verkoop op rekening maal 360 dagen. Voor sportshop Action is dit: Gemiddelde debiteurenbedrag ÷ verkoop op rekening x 360 dagen. € 20.000 ÷ € 450.000 x 360 dagen = 0,0444444 x 360 = 16 dagen. Dat betekent dat er gemiddeld voor 16 dagen omzet op rekening te vorderen is van debiteuren. Als ondernemer weet je dat je gedurende deze 16 dagen een vermogensbehoefte hebt van € 20.000.
© ThiemeMeulenhoff
13
11
13
14
14
Dit komt neer op € 450.000 ÷ 360 dagen = € 1.250 per dag. Het gemiddeld te vorderen bedrag van debiteuren bedraagt 16 x € 1.250 = € 20.000.
12
Controlevragen Wat zijn voorbeelden van activiteitskengetallen van debiteuren?
13
Wat is het gemiddelde debiteurenbedrag?
14
Wat is de gemiddelde kredietduur van debiteuren?
15
Wat is de omzet op rekening?
16
Welk gevolg heeft een te groot debiteurenbedrag voor het vermogen?
KORTOM
1.5
Debiteurenkengetallen – Debiteurenkengetallen zijn het gemiddelde debiteurenbedrag en de gemiddelde kredietduur van debiteuren. – Het gemiddelde debiteurenbedrag is het bedrag dat gemiddeld in de loop van een jaar van debiteuren te vorderen is. – De gemiddelde kredietduur van debiteuren is het gemiddelde aantal dagen of maanden dat een onderneming aan haar afnemers krediet heeft gegeven. – De omzet die niet contant betaald wordt, is de omzet op rekening. – Debiteuren zijn verstrekt leverancierskrediet.
HOE BEREKEN IK DE ACTIVITEITSKENGETALLEN VAN DE CREDITEUREN? Als je goederen inkoopt, moet je die goederen ook betalen aan de leverancier. Dit kan contant, maar dan moet je daarvoor de liquide middelen hebben. Vaak kun je krediet krijgen van de leverancier. Je moet je daarbij wel aan de krediettermijn houden: op tijd betalen dus! Krediet van een leverancier (crediteur) is voor een onderneming een manier om in de vermogensbehoefte van voorraden te voorzien. Het gemiddelde crediteurensaldo geeft aan hoe groot het ontvangen krediet van leveranciers over een bepaalde periode gemiddeld is geweest. Hoe groter het gemiddelde crediteurensaldo, hoe meer vermogen er is aangetrokken. Bedenk wel dat er in enkele gevallen aan het krediet van leveranciers kosten zijn verbonden. Crediteuren behoren immers tot de kortlopende schulden. De leverancier zal in dat geval meer geld in rekening brengen dan bij contante betaling. Met betrekking tot de crediteuren berekent een ondernemer de volgende activiteitskengetallen: – het gemiddelde crediteurenbedrag; – de gemiddelde kredietduur van crediteuren. Het gemiddelde crediteurenbedrag is het bedrag dat gemiddeld in de loop van een jaar aan crediteuren verschuldigd is. De gemiddelde kredietduur is het gemiddelde aantal dagen dat van leveranciers krediet is ontvangen. Met de gegevens van sportshop Action bereken je: – het gemiddelde crediteurenbedrag; – het bedrag aan inkopen; – de gemiddelde kredietduur van crediteuren.
12
14
© ThiemeMeulenhoff
14
15
15
Van sportshop Action is over 2010 het volgende bekend: – De omzet over 2010 bedroeg € 660.000. – De inkoopwaarde van de omzet bedroeg € 528.000. – Alle inkopen zijn op rekening. Sportshop Action is de volgende bedragen schuldig aan de crediteuren.
Eerst bereken je het gemiddelde crediteurenbedrag per kwartaal:
TIP Het gemiddelde crediteurenbedrag van een jaar bereken je uit de gemiddelde crediteurenbedragen van de kwartalen of van de maanden. gemiddeld crediteurensaldo 1e kwartaal = (€ 60.100 + € 64.500) ÷ 2 = € 62.300. gemiddeld crediteurensaldo 2e kwartaal = (€ 64.500 + € 53.700) ÷ 2 = € 59.100. gemiddeld crediteurensaldo 3e kwartaal = (€ 53.700 + € 52.400) ÷ 2 = € 53.050. gemiddeld crediteurensaldo 4e kwartaal = (€ 52.400 + € 57.900) ÷ 2 = € 55.150. Het gemiddelde crediteurenbedrag over het jaar 2010 bedraagt dan: (€ 62.300 + € 59.100 + € 53.050 + € 55.150) ÷ 4 = € 229.600 ÷ 4 = € 57.400. Een gemiddeld crediteurenbedrag van € 57.400 betekent dat dit bedrag gemiddeld aan kortlopende schuld aanwezig is geweest gedurende het jaar 2010 voor de financiering van voorraden. De onderneming voorziet dus gedeeltelijk in haar vermogensbehoefte door gebruik te maken van ontvangen leverancierskrediet. Bereken nu de waarde van de inkopen. Let er daarbij goed op of de voorraad gedurende het jaar is toegenomen of afgenomen.
TIP Bij crediteuren gaat het om de inkopen en niet om de inkoopwaarde. Als de voorraad in een periode toeneemt, is er dus extra ingekocht. Als de voorraad gedaald is, zijn de inkopen lager dan de inkoopwaarde van de omzet. De voorraad was op 1 januari 2010: € 80.000. De voorraad was op 31 december 2010: € 72.000. De voorraad is met € 8.000 afgenomen. De inkopen op rekening gedurende het jaar 2010 bedragen daardoor: € 582.000 - € 8.000 = € 574.000. Nu je het gemiddelde crediteurensaldo en de inkopen op rekening hebt uitgerekend, kun je de gemiddelde kredietduur van crediteuren berekenen.
© ThiemeMeulenhoff
15
13
15
16
16
De gemiddelde kredietduur van crediteuren is het gemiddelde crediteurenbedrag gedeeld door de inkopen op rekening maal 360 dagen. Voor sportshop Action is dit: Gemiddelde crediteurenbedrag ÷ inkopen op rekening x 360 dagen. € 57.400 ÷ € 574.000 x 360 dagen = 0,10 x 360 dagen = 36 dagen. Dat betekent dat er gemiddeld voor 36 dagen inkopen op rekening verschuldigd is aan leveranciers. Anders gezegd: er moet iedere 36 dagen een kortlopende verplichting van € 57.400 worden voldaan aan crediteuren. Per dag is dat een kortlopende verplichting van € 574.000 ÷ 360 dagen = € 1.594,44. Het gemiddeld verschuldigde bedrag aan crediteuren bedraagt 36 x € 1.594,44 = € 57.400. 17
Controlevragen Wat zijn voorbeelden van activiteitskengetallen van crediteuren?
18
Wat is het gemiddelde crediteurenbedrag?
19
Wat is de gemiddelde kredietduur van crediteuren?
20
Wat is het verschil tussen de inkopen op rekening en de inkoopwaarde?
KORTOM
1.6
Crediteurenkengetallen – Het gemiddelde crediteurenbedrag en de gemiddelde kredietduur van crediteuren zijn voorbeelden van crediteurenkengetallen. – Het gemiddelde crediteurenbedrag is het bedrag dat gemiddeld in de loop van een jaar aan crediteuren verschuldigd is. – De gemiddelde kredietduur is het gemiddelde aantal dagen dat van leveranciers krediet is ontvangen. – De inkopen bepaal je met de inkoopwaarde en de verandering van de voorraad. – Crediteuren zijn ontvangen leverancierskrediet. – Crediteuren zijn kortlopende schulden.
HOE BEPAAL IK HET NETTOWERKKAPITAAL, DE CURRENT RATIO EN DE QUICK RATIO? Behalve de voorraad, de debiteuren en de crediteuren zijn ook nog enkele andere posten op de balans van belang. Aan de debetzijde gaat het om de liquide middelen. Er moet altijd een bedrag aan liquide middelen aanwezig zijn om allerlei kleine betalingen te kunnen verrichten. Aan de creditzijde gaat het om overige kortlopende schulden. Dit kan gaan om een opgenomen rekening-courantkrediet, af te dragen omzetbelasting, nog te betalen bedragen, enzovoort. Om de liquiditeit van een onderneming te beoordelen, moet je de vlottende activa en de kortlopende schulden met elkaar vergelijken. Dat doe je met liquiditeitskengetallen. De meest gebruikte zijn: – het nettowerkkapitaal; – de current ratio; – de quick ratio. Met de balans van glasbedrijf Glasimex kun je deze kengetallen berekenen.
14
16
© ThiemeMeulenhoff
16
17
17
NETTOWERKKAPITAAL De behoefte aan vermogen voor voorraden, debiteuren en liquide middelen schommelt gedurende het jaar. De aflossing van de kortlopende schulden moet betaald worden uit de vrijkomende liquide middelen. Je moet er dus voor zorgen dat de vlottende activa groter zijn dan de kortlopende schulden. Bij de berekening van het nettowerkkapitaal bereken je het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. Nettowerkkapitaal = vlottende activa - kortlopende schulden Voor Glasimex bedraagt het nettowerkkapitaal op: 1 januari: € 102.000 - € 30.000 = € 72.000. 1 juli: € 90.000 - € 25.000 = € 65.000. 31 december: € 96.000 - € 32.000 = € 64.000. Conclusie: Bij Glasimex is de waarde van de vlottende activa duidelijk groter dan de waarde van de kortlopende schulden. Conclusie: Glasimex beschikt over voldoende liquide middelen om haar kortlopende verplichtingen op tijd te kunnen betalen. CURRENT RATIO Met de current ratio bereken je de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. Zo’n verhouding noem je een ratio. De current ratio is de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende verplichtingen. Het zijn dezelfde getallen als bij het nettowerkkapitaal, maar nu moet je de getallen op elkaar delen.
Omdat het even duurt voordat debiteuren hebben betaald en voordat voorraden in liquide middelen zijn omgezet, kan er pas van een gezonde situatie gesproken worden als de current ratio 2,0 of meer is. Voor Glasimex bedraagt de current ratio op:
© ThiemeMeulenhoff
17
15
17
18
18
1 januari: € 102.000 ÷ € 30.000 = 3,4. Dat wil zeggen dat er voor iedere euro aan kortlopende schuld 3,40 euro aan vlottende activa beschikbaar is. 1 juli: € 90.000 ÷ € 25.000 = 3,6. De current ratio is dus iets toegenomen. 31 december: € 96.000 ÷ € 32.000 = 3,0. De current ratio is weer iets afgenomen. Conclusie: Ervan uitgaande dat de voorraden verkoopbaar zijn en de debiteuren tijdig de openstaande facturen betalen, beschikt Glasimex over voldoende liquide middelen om aan haar kortlopende verplichtingen te voldoen.
TIP Bij het berekenen van de current ratio ga je er wel van uit dat alle debiteuren op tijd betalen en dat de voorraad op korte termijn verkocht wordt, waardoor er liquide middelen beschikbaar komen.
QUICK RATIO Met de quick ratio bereken je ook een verhouding, maar je neemt de vlottende activa zonder de voorraden. Je gaat er dan van uit dat de voorraden er te lang over doen om liquide te worden. In veel gevallen moeten de voorraden eerst verkocht worden op rekening en dan moeten de debiteuren nog betalen. De quick ratio is de verhouding tussen de vlottende activa zonder de voorraden en de kortlopende verplichtingen.
De verhouding die de quick ratio aangeeft, zal lager zijn dan de current ratio (ga dat eens na). Om aan de toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen, zal de quick ratio toch minimaal 1,0 of meer moeten zijn. Voor Glasimex bereken je de quick ratio op de volgende data als volgt: Op 1 januari bedragen de vlottende activa zonder de voorraden € 102.000 - € 63.000 = € 39.000. De quick ratio bedraagt € 39.000 ÷ € 30.000 = 1,3, dat wil zeggen dat er voor iedere euro aan kortlopende verplichtingen 1,3 euro aanwezig is om aan deze verplichting te voldoen. Hierbij is de aanwezige voorraad nog buiten beschouwing gelaten. Op 1 juli bedragen de vlottende activa zonder de voorraden € 90.000 - € 50.000 = € 40.000. De quick ratio bedraagt € 40.000 ÷ € 25.000 = 1,6. De quick ratio is dus iets toegenomen. Op 31 december bedragen de vlottende activa zonder de voorraden € 96.000 - € 56.000 = € 40.000. De quick ratio bedraagt € 40.000 ÷ € 32.000 = 1,25. De quick ratio is weer iets afgenomen.
16
18
© ThiemeMeulenhoff
18
19
19
Conclusie: Gedurende het jaar 2010 is de waarde van de vlottende activa, zonder de voorraad, voldoende voor Glasimex om haar kortlopende verplichtingen te kunnen betalen.
21
Controlevragen Wat zijn de meest gebruikte kengetallen voor de beoordeling van de liquiditeit?
22
Wat is het nettowerkkapitaal?
23
Wat is de current ratio?
24
Wat is de quick ratio?
KORTOM
1.7
Nettowerkkapitaal, current ratio en quick ratio – De meest gebruikte liquiditeitskengetallen zijn het nettowerkkapitaal, de current ratio en de quick ratio. – Het nettowerkkapitaal is het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. – De current ratio is de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende verplichtingen. – De quick ratio is de verhouding tussen de vlottende activa zonder de voorraden en de kortlopende verplichtingen.
HOE BEPAAL IK DE LIQUIDITEITSKENGETALLEN? Banken, crediteuren en andere schuldeisers kunnen niet makkelijk beoordelen of een onderneming op tijd de nodige betalingen kan doen. Zij weten niet op welk moment de ontvangsten binnenkomen en er uitgaven gedaan moeten worden. Op een balans staat alleen het saldo van de liquide middelen. Je kunt niet weten wanneer bepaalde inkomsten worden ontvangen of wanneer bepaalde kortlopende schulden afgelost moeten worden. Toch moeten de schuldeiders het met de balans doen. Met de balans bereken je liquiditeitskengetallen om een beeld te krijgen of een onderneming voldoende gezond is om haar kortlopende verplichtingen te kunnen betalen. Op een liquiditeitsbalans zijn de balansposten gegroepeerd. Deze groepen zijn: – vaste activa; – vlottende activa; – eigen vermogen; – langlopende schulden; – kortlopende schulden. Aan de debetzijde staan de posten in de volgorde van investeringsduur. Bovenaan staan de gebouwen en onderaan de liquide middelen. Aan de creditzijde staat het vermogen gerangschikt naar de duur dat je over het vermogen kunt beschikken. Bovenaan staat het eigen vermogen (permanent vermogen), daarna het langdurig tijdelijke vermogen en dan het kortstondig tijdelijke vermogen. Van Bogota BV is de volgende balans bekend.
© ThiemeMeulenhoff
19
17
19
20
20
Met deze balans bereken je de liquiditeitskengetallen. Het nettowerkkapitaal is het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. De vlottende activa zijn € 275.000. De kortlopende schulden bedragen € 117.000. Het nettowerkkapitaal is € 275.000 – € 117.000 = € 158.000 (positief). De current ratio is de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. De current ratio bedraagt € 275.000 ÷ € 117.000 = 2,35. De vlottende activa zijn ruim 2,35 keer zo groot als de kortlopende schulden. Voor de quick ratio heb je de vlottende activa nodig zonder de voorraden. Deze activa bedragen € 275.000 – € 143.000 = € 132.000. De quick ratio bedraagt € 132.000 ÷ € 117.000 = 1,128 = 1,13. Stel je eens voor: Als Bogota BV op 2 januari een voorraad goederen op rekening koopt voor € 75.000, neemt zowel de post Voorraad als de post Crediteuren toe met € 75.000. – De Voorraad wordt € 218.000. – De post Crediteuren wordt € 183.000. Deze verandering op de balans heeft mogelijke gevolgen voor de liquiditeitskengetallen. Het nettowerkkapitaal verandert niet, omdat de vlottende activa en de kortlopende schulden met hetzelfde bedrag toenemen. Het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden blijft gelijk. De vlottende activa zijn nu € 350.000 en de kortlopende schulden € 192.000. Het nettowerkkapitaal bedraagt € 350.000 – € 192.000 = 158.000 positief. Het nettowerkkapitaal is niet veranderd. De liquiditeit is gelijk gebleven. De current ratio verandert wel. De teller en noemer van de current ratio nemen met hetzelfde bedrag toe. Toch wordt de verhouding kleiner. De current ratio is nu € 350.000 ÷ € 192.000 = 1,82. Volgens deze ratio is de liquiditeit verslechterd.
18
20
© ThiemeMeulenhoff
20
21
21
De quick ratio wordt ook kleiner, omdat in dit kengetal alleen de noemer groter wordt. De quick ratio wordt € 132.000 ÷ € 192.000 = 0,6875. Volgens deze ratio is de liquiditeit verslechterd. BEOORDELING LIQUIDITEITSKENGETALLEN De beoordeling van de liquiditeit aan de hand van het nettowerkkapitaal, de current ratio en de quick ratio is best lastig als het ene kengetal niet verandert en het andere wel. Daarom moet je altijd voorzichtig met kengetallen omgaan en ze alle drie bekijken om een goed oordeel te kunnen vellen. In het algemeen moeten de vlottende activa groter zijn dan de kortlopende schulden. Het nettowerkkapitaal moet dus positief zijn. Zeker als je weet dat er altijd een bedrag in voorraden, debiteuren en liquide middelen geïnvesteerd moet blijven. Een bedrijf zonder vlottende activa kan geen activiteiten uitvoeren. Het bedrag boven deze minimale vlottende activa moet groot genoeg zijn voor de kortlopende schulden. Je begrijpt dat dit voor allerlei bedrijven verschillend zal zijn. Het ene bedrijf werkt met een grote voorraad, terwijl een ander bedrijf met een minimale voorraad toe kan. Voor de current ratio is 2,0 in het algemeen voldoende voor een goede liquiditeit. Daarbij staat er tegenover iedere euro aan kortlopende verplichtingen twee euro aan vlottende activa. De waarde van de quick ratio hangt van de benodigde voorraden af en moet minimaal 1,0 zijn. In dit geval zal er tegenover iedere euro aan kortlopende verplichtingen ook één euro aan vlottende activa aanwezig zijn, waarbij de voorraden buiten beschouwing zijn gelaten.
© ThiemeMeulenhoff
21
19
21
22
22
25
Controlevragen Waarom moet het nettowerkkapitaal positief zijn?
26
Waarom zal de current ratio in het algemeen minimaal 2,0 moeten bedragen?
27
Waarom moet de quick ratio minimaal 1,0 bedragen?
28
Waarom kan de minimale waarde van de current ratio per bedrijf verschillen?
KORTOM
1.8
Balans en liquiditeitskengetallen – Om de liquiditeit goed te beoordelen, gebruik je de drie kengetallen. – Het nettowerkkapitaal moet altijd positief zijn. – De current ratio moet in het algemeen 2,0 of meer zijn. – De quick ratio moet minstens 1,0 zijn. – Door veranderingen op de balans veranderen ook de liquiditeitskengetallen. – De liquiditeitskengetallen veranderen niet allemaal op dezelfde manier als er op de balans iets verandert.
HOE STEL IK EEN LIQUIDITEITSBEGROTING OP? Als je als ondernemer wilt weten of je altijd aan je betalingsverplichtingen kunt voldoen, moet je een planning maken van de inkomsten en uitgaven. Zo’n planning heet een liquiditeitsbegroting. In een liquiditeitsbegroting staan de geschatte of begrote inkomsten en uitgaven. De inkomsten ontstaan voornamelijk doordat er goederen of diensten verkocht worden. De uitgaven kunnen veel oorzaken hebben. Denk maar aan het inkopen van goederen, het betalen van kosten, het afdragen van belasting, enzovoort. Ook zijn er inkomsten en uitgaven die minder vaak voorkomen. Je moet dan denken aan het opnemen of aflossen van leningen, het opnemen van geld voor privédoeleinden en de aanschaf of verkoop van duurzame productiemiddelen. Het principe van een liquiditeitsbegroting is als volgt: Je begint een periode, bijvoorbeeld een maand, met een bedrag in kas en op de bank. Daarbij tel je de inkomsten van die maand op en vervolgens trek je de uitgaven in die maand ervan af. Wat dan overblijft, is een bedrag in kas en op de bank aan het eind van die maand. Dit eindbedrag is dan weer het beginbedrag van de volgende maand. In een schema ziet een liquiditeitsbegroting er zo uit.
Om te bekijken of de onderneming op tijd aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, worden de inkomsten en uitgaven bijgehouden. De onderneming bekijkt op welk moment de uitgaven gedaan moeten worden en wanneer de inkomsten binnenkomen.
20
22
© ThiemeMeulenhoff
22
23
23
In een bepaalde maand kunnen de inkomsten groter zijn dan de uitgaven. Dan nemen de liquide middelen toe. Zijn de inkomsten kleiner dan de uitgaven, dan nemen de liquide middelen af. Als een onderneming ziet dat in een bepaalde maand het saldo liquide middelen te klein wordt, moet zij ervoor zorgen dat er bankkrediet opgenomen kan worden. Kan de onderneming niet over een extra bankkrediet beschikken, dan moet zij bekijken of bepaalde inkomsten sneller kunnen worden ontvangen, of bepaalde uitgaven kunnen worden verminderd of zelfs uitgesteld. In een liquiditeitsbegroting laat je per periode zien hoe eerst de begrote inkomsten en daarna de uitgaven het saldo liquide middelen beïnvloeden. In het derde kwartaal heeft Bavilex de volgende inkomsten en uitgaven begroot: – juli - inkomsten: • contante verkopen € 115.000; • ontvangen van debiteuren € 40.000; • verkoop inventaris € 1.500. – augustus - inkomsten: • contante verkopen € 105.000; • ontvangen van debiteuren € 30.000. – september - inkomsten: • contante verkopen € 115.000; • ontvangen van debiteuren € 42.000. – juli - uitgaven: • betaald aan crediteuren € 110.000; • diverse kosten € 11.000; • aflossing hypotheek € 2.000; • betaalde interest € 1.200; • privé opgenomen € 5.000. – augustus - uitgaven: • betaald aan crediteuren € 95.000; • diverse kosten € 9.200; • privé opgenomen € 5.500. – september - uitgaven: • betaald aan crediteuren € 120.000; • diverse kosten € 12.500; • privé opgenomen € 5.800; • aanschaf bestelauto € 32.900. Het saldo liquide middelen bedraagt op 1 juli € 12.000. Als je deze gegevens in het schema van de liquiditeitsbegroting zet, ziet dat er zo uit.
© ThiemeMeulenhoff
23
21
23
24
24
Het saldo liquide middelen verandert elke maand door de inkomsten en de uitgaven. Als de inkomsten groter zijn dan de uitgaven, neemt het saldo toe. Dat is het geval in juli en augustus. Maar in september neemt het saldo af, omdat Bavilex dan een grote uitgave doet: de aanschaf van de bestelauto. Gelukkig is het saldo liquide middelen groot genoeg om deze uitgave in september te doen. De laatste kolom laat zien dat het saldo liquide middelen toeneemt met € 50.400 – € 12.000 – € 38.400. Dat is het verschil tussen de totale inkomsten van het derde kwartaal en de uitgaven van het derde kwartaal: € 448.500 – € 410.100 = € 38.400. Maar daaraan kun je niet zien wat de schommelingen in de liquide middelen geweest zijn. Een liquiditeitsbegroting per maand geeft je dus meer inzicht in de werkelijke gang van zaken. De incidentele gebeurtenissen zijn vaak de oorzaak van liquiditeitsproblemen. Net als bij individuele personen kan een bedrijf soms een grote uitgave niet doen omdat ze gewoon het geld niet heeft in de vorm van liquide middelen. Zij moet dan ergens geld vandaan halen. Vaak betekent dat lenen bij de bank, dus rood staan. Dat gebeurt dan bijvoorbeeld met een opname van het rekening-courantkrediet.
29
Controlevragen Welke invloed heeft een aflossing op een lening op het saldo liquide middelen?
30
Welke invloed heeft de aanschaf van een bestelauto (contant betaald) op het saldo liquide middelen?
31
Welke invloed heeft een verkoop op rekening op het saldo liquide middelen?
32
Welke invloed hebben afschrijvingen op het saldo liquide middelen?
KORTOM
Liquiditeitsbegroting – De verandering van de liquide middelen is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven in een periode. – Het saldo liquide middelen neemt toe als de inkomsten groter zijn dan de uitgaven. – Het saldo liquide middelen neemt af als de inkomsten kleiner zijn dan de uitgaven. – Incidentele financiële gebeurtenissen kunnen de oorzaak zijn van liquiditeitsproblemen.
22
24
© ThiemeMeulenhoff
24
25
25
1.9
HOE BEPAAL IK DE OPERATIONELE CASHFLOW? De onderneming wil altijd weten of er voldoende liquide middelen zijn om de uitgaven te kunnen doen. De onderneming streeft naar een positieve kasstroom: meer inkomsten dan uitgaven. Internationaal gebruiken we daarvoor het begrip cashflow. Een liquiditeitsbegroting maakt inzichtelijk of er in verschillende kwartalen of maanden voldoende middelen zijn of dat de onderneming een beroep moet doen op het rekening-courantkrediet. Over een heel jaar bekeken, moet er natuurlijk voldoende cashflow zijn, want anders kan de onderneming de schuld die op het rekening-courantkrediet ontstaat niet terugbetalen. Je kunt de cashflow op verschillende manieren berekenen. In principe is de cashflow (of netto-kasstroom) het verschil tussen de ingaande en uitgaande geldstroom. In de praktijk hebben aankoop en verkoop van duurzame activa, veranderingen in het werkkapitaal en veranderingen in lang en kort vreemd vermogen invloed op de uiteindelijke kasstroom die overblijft. Als je niet let op aankoop en verkoop van vaste activa en het aangaan of aflossen van lang vreemd vermogen, gaat het om de cashflow van de operationele activiteiten. Dat zijn dus de activiteiten waar de onderneming haar geld mee verdient. Dit noemen we ook wel de operationele cashflow. De andere activiteiten die de kasstroom beinvloeden zijn de: – investeringsactiviteiten; – financiële activiteiten. De omzet leidt tot ontvangst van liquide middelen. Hiervan moet je de uitgaven betalen. Bij betalingen moet je denken aan: – de uitgaven voor arbeidskosten; – de uitgaven voor grondstoffen; – maar ook de betalingen aan de Belastingdienst. Let op: De afschrijvingen zijn wel kosten maar geen uitgaven! De uitgave waar de afschrijvingen op gebaseerd zijn, is ooit gedaan bij de aanschaf van het duurzame productiemiddel. Anders gezegd: – De inkomende geldstroom bestaat uit de omzet. – De uitgaande geldstroom bestaat uit uitgaven aan grondstoffen, uitgaven aan arbeid en afdracht van belastingen. Van de inkomsten blijven dus de winst na belasting en de afschrijvingen over. Dat is de operationele cashflow. Deze operationele cashflow bereken je als volgt: 1. Je neemt de omzet als uitgangspunt. 2. Van deze omzet trek je de kosten af. 3. De winst voor belasting blijft dan over. 4. Dan bereken je de verschuldigde belasting over deze winst. 5. De winst na belasting blijft dan over. 6. Daar tel je de afschrijvingen weer bij op.
© ThiemeMeulenhoff
25
23
25
26
26
33
Controlevragen Welke drie kasstromen kun je onderscheiden?
34
Hoe bereken je de operationele cashflow?
35
Waarom zijn de afschrijvingen geen uitgaven?
KORTOM
1.10
Operationele cashflow – De netto-kasstroom is de verandering van de liquide middelen en is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven in een periode. – De netto-kasstroom is het gevolg van de operationele activiteiten, de investeringsactiviteiten en de financiële activiteiten. – De afschrijvingen zijn wel kosten en beïnvloeden dus de winst en de verschuldigde winstbelasting. – De afschrijvingen zijn wel kosten maar geen uitgaven.
HOE KAN IK DE VERMOGENSBEHOEFTE BEPERKEN? Ondernemingen halen hun vermogen meestal van de vermogensmarkt. De vermogensmarkt bestaat uit de kapitaalmarkt en de geldmarkt. Op de kapitaalmarkt wordt gehandeld in vermogen met een looptijd van langer dan één jaar. Ondernemingen vragen op deze markt om permanent en langdurig vermogen. Op de geldmarkt vragen ondernemingen om kortlopend vermogen. Kortlopend vermogen heeft een looptijd van de korter dan één jaar. Ondernemingen hoeven niet altijd naar de vermogensmarkt voor meer vermogen. Een onderneming kan ook zelf voor haar vermogen zorgen. Dat noem je interne financiering. Als de onderneming het aanwezige vermogen beter weet te benutten heet dat intensieve financiering. EXTERNE FINANCIERING Je spreekt van externe financiering als ondernemingen op de vermogensmarkt financiële middelen aantrekken. Je kunt verschillende vormen van externe financiering onderscheiden. Je moet dan denken aan: – een emissie van aandelen; – een emissie van obligaties; – het afsluiten van een onderhandse lening;
24
26
© ThiemeMeulenhoff
26
27
27
– het afsluiten van een hypothecaire geldlening; – het opnemen van een rekening-courantkrediet.
INTERNE FINANCIERING In plaats van op de vermogensmarkt te zoeken naar vermogen, kan een onderneming ook sparen om een investering te financieren. Een onderneming kan er voor kiezen de behaalde winst niet uit te keren, maar in de onderneming te laten. De behaalde winst maakt het eigen vermogen hoger, een uitkering van de winst maakt het eigen vermogen weer kleiner. Door de winst te reserveren, houd je het vermogen in de onderneming en zal het eigen vermogen blijvend groter worden. Deze winstreservering is een vorm van interne financiering. Ook bouwen bedrijven voorzieningen op, voor bijvoorbeeld voorziening groot onderhoud en voorziening assurantie eigen risico. Als een onderneming voorzieningen opbouwt, kan ze voorkomen dat ze plotseling naar de vermogensmarkt moet en dan wellicht niet genoeg vermogen kan aantrekken. Ook de voorwaarden van de vermogensmarkt kunnen ongunstig zijn. INTENSIEVE FINANCIERING Een onderneming probeert voor haar investeringen altijd zo min mogelijk een beroep te doen op meer vermogen. Daarom moet de onderneming de aanwezige bezittingen en het bestaande vermogen zo intensief mogelijk gebruiken. Vormen van intensieve financiering zijn: – verbeteren van de voorraadplanning; – verkorting van de kredietduur van de debiteuren; – starten met factoring; – overstappen op leasing; – optimaal gebruikmaken van diversiteit. Voorraadplanning Zo kan een onderneming de benodigde voorraden grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten verlagen door een betere voorraadplanning. Omdat de vermogensbehoefte dan lager is, kan een deel van het aanwezige vermogen gebruikt worden voor nieuwe activiteiten. Risico is wel dat de productie kan vertragen als bepaalde voorraden niet
© ThiemeMeulenhoff
27
25
27
28
28
op tijd zijn aangevuld. Of dat een onderneming niet op tijd kan leveren en daardoor klanten verliest. Logistiek management neemt in veel bedrijven een belangrijke plaats in. De voorraadplanning is daar een onderdeel van. Kredietduur Ook kan een onderneming de gemiddelde kredietduur beperken. Klanten die op rekening kopen betalen later voor allerlei uitgaven die de onderneming al gedaan heeft. Als die post Debiteuren oploopt, zal er steeds meer vermogen nodig zijn om de debiteuren te financieren. Contante betalingen, betalingskortingen, korte krediettermijn en voorkomen van wanbetaling kun je benutten om de post Debiteuren zo klein mogelijk te houden. Bij factoring geef je het debiteurenbeheer uit handen.
Factoring De onderneming kan de debiteuren overdragen aan een factoormaatschappij. Dit heet factoring. Het vermogen dat voor debiteuren nodig is, komt dan vrij omdat de factoormaatschappij een voorschot geeft tegen een bepaalde vergoeding. De factoormaatschappij kan er op verschillende manieren voor zorgen dat de klanten binnen de krediettermijn betalen. De factoormaatschappij kan ook wanbetaling voorkomen. Leasing Een onderneming kan voor nieuwe duurzame productiemiddelen een lening aangaan, maar zij kan ook gebruik maken van leasing. Een onderneming kan ook duurzame productiemiddelen die al in bezit zijn verkopen aan een leasemaatschappij en dan weer leasen. Dit wordt sale-and-leaseback genoemd. Er zijn twee basisvormen van leasing: – Operational lease • Dit is bijna gelijk te stellen met huur. De leasemaatschappij neemt bijna alle kosten van het duurzame productiemiddel voor haar rekening en hiervoor betaal je een maandelijks bedrag. – Financial lease • Bij financial leasing hoeft de onderneming geen langlopende lening af te sluiten op de kapitaalmarkt, maar daar komen maandelijkse lasten voor in de plaats gedurende een aantal jaren. Het maandelijks te betalen bedrag is dan kort vreemd vermogen. De onderneming betaalt zelf alle overige kosten van het duurzame productiemiddel.
26
28
© ThiemeMeulenhoff
28
29
29
Optimaal gebruik van diversiteit komt in een aparte paragraaf aan de orde. 36
Controlevragen Wat is externe financiering?
37
Noem vijf voorbeelden van externe financiering.
38
Wat is interne financiering?
39
Wat is intensieve financiering?
40
Noem vijf voorbeelden van intensieve financiering.
KORTOM
1.11
Vermogensbehoefte beperken – Bij externe financiering gaan ondernemingen op de vermogensmarkt financiële middelen aantrekken. – Bij interne financiering keert een onderneming de behaalde winst niet uit, maar reserveert deze voor de financiering van haar bezittingen. – Bij intensieve financiering beperkt een onderneming de behoefte aan extra vermogen door beter gebruik te maken van het aanwezige vermogen. – Leasing kan door operational lease en financial lease.
HOE KAN IK HET VERMOGEN OPTIMAAL GEBRUIKEN? DIVERSITEIT De vermogensbehoefte van de activa verandert gedurende het jaar. Als er sprake is van een hoogseizoen en laagseizoen bij de afzet kunnen er flinke schommelingen ontstaan in de voorraad. Dit heeft ook gevolgen voor de debiteuren. Als er weinig verkocht wordt, dan zijn er ook weinig debiteuren. Afhankelijk van de krediettermijn kan er dan eerst een grote vermogensbehoefte bestaan bij de voorraad. Vervolgens ontstaat er na verkoop een piek bij debiteuren en bij betaling is er een piek in de liquide middelen. Het verschijnsel dat de pieken zich niet op hetzelfde moment voordoen, heet diversiteit. Een onderneming wil zo min mogelijk schommelingen in de vermogensbehoefte. De onderneming Diversa BV heeft het komende jaar een wisselende behoefte aan vermogen. Het verloop van de vermogensbehoefte in het jaar is als volgt:
Je ziet dat de voorraden het hoogst zijn in het 2e en 4e kwartaal. De debiteuren zijn het hoogst in de daaropvolgende kwartalen: het 3e en dan weer het 1e kwartaal van het volgende jaar. De liquide middelen schommelen niet zo sterk, maar volgen weer op de debiteuren.
© ThiemeMeulenhoff
29
27
29
30
30
Als alle hoogste bedragen in hetzelfde kwartaal zouden staan, moet de onderneming voor € 324.000 + € 284.000 + € 120.000 = € 728.000 vermogen hebben om de vlottende activa te financieren. Als je de laagste bedragen in één kwartaal bij elkaar optelt, zou je uitkomen op € 216.000 + € 204.000 + € 90.000 = € 510.000. Het verschil in vermogensbehoefte is dan € 728.000 - € 510.000 = € 218.000. In werkelijkheid is het verschil € 660.000 - € 582.000 = € 78.000. Hoe kleiner dit werkelijke verschil, hoe beter de vermogensbehoefte gespreid is. IDEAALCOMPLEX Vaak heeft een onderneming meerdere van dezelfde machines in gebruik. Als deze machines niet allemaal tegelijk maar volgtijdelijk (achtereenvolgend) zijn aangeschaft, hebben ze ook verschillende leeftijden. Als de afschrijvingsbedragen die vrijkomen plus de restwaarde van de afgestoten machine ieder jaar precies voldoende zijn om een versleten machine te vervangen, spreek je van een ideaalcomplex. Bij een ideaalcomplex is de vermogensbehoefte ieder jaar hetzelfde. Dit is in het voordeel van de onderneming bij het bespreken van de voorwaarden waartegen het vermogen wordt aangetrokken. Simultaan NV Onderneming Simultaan NV schaft op 1 januari 2013 vier dezelfde machines aan met een prijs van € 26.000 per stuk. De restwaarde aan het eind van de economische gebruiksduur van vier jaar is € 2.000. Simultaan NV wil uiteindelijk vier machines in gebruik hebben. Simultaan NV schrijft de machines af met gelijke bedragen per jaar. Het af te schrijven bedrag is € 26.000 - € 2.000 = € 24.000. De economische gebruiksduur is vier jaar. Dat is per jaar € 24.000 / 4 = € 6.000. Elk jaar bedragen de afschrijvingen 4 x € 6.000 = € 24.000. Aan het eind van het elk jaar is er een afschrijvingsbedrag van € 24.000. Dat kan Simultaan BV gebruiken voor de aflossing van een eventuele lening. Aan het eind van het vierde jaar is er nog een schuld van € 8.000 die gelijk is aan de restwaarde. Simultaan BV moet weer € 96.000 lenen en samen met de restwaarde van € 8.000 is er weer € 104.000 vermogen beschikbaar aan het begin van het vijfde jaar.
28
30
© ThiemeMeulenhoff
30
31
31
De vermogensbehoefte schommelt tussen € 104.000 en € 8.000. Grote schommelingen in je vermogensbehoefte leiden tot hogere kosten en slechtere voorwaarden bij de geldgever. Door de machines niet gelijktijdig aan te schaffen kun je de vermogensbehoefte verminderen. Complexa BV Onderneming Complexa BV schaft vanaf 2013 ieder jaar op 1 januari eenzelfde machine aan voor een prijs van € 26.000. De restwaarde aan het eind van de economische gebruiksduur van vier jaar is € 2.000. Complexa BV wil uiteindelijk vier machines in gebruik hebben. Complexa BV schrijft de machines af met gelijke bedragen per jaar.
Begin 2013 is er € 26.000 nodig. Dat jaar komt de afschrijving van één machine vrij. Het af te schrijven bedrag is € 26.000 - € 2.000 = € 24.000. De economische gebruiksduur is vier jaar. Dat is per jaar € 24.000 / 4 = € 6.000. De boekwaarde aan het eind van 2013 is € 26.000 - € 6.000 = € 20.000. Begin 2014 komt daar een nieuwe machine bij. De waarde is van het machinepark is € 20.000 + € 26.000 = € 46.000. De afschrijving in 2014 voor twee machines bedraagt 2 x € 6.000 = € 12.000. De boekwaarde aan het eind van het jaar is € 46.000 - € 12.000 = € 34.000. Begin 2015 komt daar weer een nieuwe machine bij. De waarde van het machinepark is nu € 14.000 + € 20.000 + € 26.000= € 60.000. De afschrijving in 2015 is € 18.000 voor drie machines. De boekwaarde aan het eind van het jaar is € 60.000 - € 18.000 = € 42.000. Begin 2016 komt de vierde machine erbij. De waarde is nu € 8.000 + € 14.000 + € 20.000 + € 26.000 = € 68.000. De afschrijving in 2016 is € 24.000 voor vier machines. De boekwaarde aan het eind van het jaar is € 68.000 - € 24.000 = € 44.000. De onderneming stoot nu de oudste machine af die nog een restwaarde van € 2.000 oplevert. Samen met de € 24.000 aan afschrijvingen is dat € 26.000. Precies voldoende om een nieuwe machine aan te schaffen. Dit kan zich elk jaar weer herhalen. Er is nu een ideaalcomplex ontstaan. De vermogensbehoefte schommelt tussen € 44.000 en € 68.000. De vermogensbehoefte aan het begin van het jaar groeit van € 26.000 naar € 46.000 naar € 60.000 naar € 68.000 om daarna elk jaar gelijk te blijven. Bij gelijkblijvende aanschaf is de vermogensbehoefte veel gelijkmatiger en dat kan voordelen opleveren op de vermogensmarkt. Dit machinepark kent een gelijkmatige leeftijdsopbouw. Een ideaalcomplex is een verzameling identieke machines met een gelijkmatige leeftijdsopbouw. De vervanging van afgeschreven machines kan dan uit de vrijgekomen afschrijvingsgelden en restwaarde worden betaald. De vermogensbehoefte van de aanwezige machines blijft in geval van een ideaalcomplex redelijk stabiel. 41
Controlevragen Wat is diversiteit?
© ThiemeMeulenhoff
31
29
31
32
32
42
Wat is gelijktijdige aanschaf?
43
Wat is volgtijdige aanschaf?
44
Wat is een ideaalcomplex?
KORTOM
Optimaal gebruik van vermogen – Diversiteit is het verschijnsel dat pieken in de vermogensbehoefte van afzonderlijke bezittingen zich niet voordoen op hetzelfde moment. – Bij de opbouw van een machinepark kan gelijktijdige of volgtijdige aanschaf plaatvinden. – Een ideaalcomplex is een verzameling identieke machines met een gelijkmatige leeftijdsopbouw waarbij de vervanging van afgeschreven machines uit de vrijgekomen afschrijvingsgelden en restwaarde kan worden betaald.
30
32
© ThiemeMeulenhoff
32
33
33
Begrippenlijst ................................................ vermogensmarkt Markt waar vragers en aanbieders van vermogen met elkaar handelen. gemiddelde voorraad De voorraad die gemiddeld in de loop van een jaar in de onderneming aanwezig is. omzetsnelheid Het aantal malen dat de voorraad per jaar verkocht wordt. opslagduur De tijd tussen inkoop en verkoop van een artikel. activiteitskengetallen Getallen die een verhouding aangeven tussen posten op de balans en/of de winst-en-verliesrekening. verstrekte leverancierskrediet Kortlopende schuld die ontstaat doordat de leverancier toestaat dat de afnemer de verkochte goederen pas na de levering betaalt. gemiddelde debiteurensaldo Het activiteitskengetal dat aangeeft hoe groot over een bepaalde periode het gemiddelde verstrekte leverancierskrediet is geweest aan klanten (debiteuren). gemiddelde kredietduur Het activiteitskengetal dat aangeeft hoeveel het gemiddelde aantal dagen of maanden is dat een onderneming aan haar afnemers leverancierskrediet heeft gegeven. opgenomen leverancierskrediet Kortlopende schuld die ontstaat doordat de afnemer de gekochte goederen pas na de levering betaalt gemiddelde crediteurensaldo Het bedrag dat gemiddeld in de loop van een jaar aan leveranciers verschuldigd is. speculeren Gebruikmaken van prijsverschillen die op verschillende momenten bestaan. transactiemotief Een reden om liquide middelen te bezitten om betalingen te kunnen doen. voorzorgmotief Een reden om liquide middelen te bezitten in in een bijzondere situatie. speculatiemotief Een reden om liquide middelen te bezitten om te kunnen profiteren van prijsvoordelen. nettowerkkapitaal Het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. current ratio De verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.
Š ThiemeMeulenho
33
31
33
34
34
quick ratio De verhouding van de vlottende activa zonder de voorraden en de kortlopende verplichtingen. liquiditeitsbegroting Een planning van geschatte of begrote inkomsten en uitgaven. cashflow is de netto geldstroom operationele cashflow de kasstroom verdiend met de normale activiteiten van de onderneming. interne financiering de onderneming zal door eigen activiteiten voor vermogen zorgen, zonder aanspraak te maken op de geld- of kapitaalmarkt intensieve financiering een onderneming weet efficiënter gebruik te maken van het aanwezige vermogen externe financiering Als een onderneming financiële middelen aantrekt op de vermogensmarkt winstreservering behaalde winst wordt niet uitgekeerd maar als reservering toegevoegd aan het eigen vermogen van de onderneming, bestemd voor latere investeringen diversiteit Diversiteit is het verschijnsel dat pieken in de vermogensbehoefte van afzonderlijke bezittingen zich niet voordoen op hetzelfde moment. ideaalcomplex een verzameling identieke machines met een gelijkmatige leeftijdsopbouw, waarbij de vervanging van afgeschreven machines uit de vrijgekomen afschrijvingsgelden en restwaarde kan worden betaald. ideaalcomplex Een verzameling identieke machines met een gelijkmatige leeftijdsopbouw, waarbij de vervanging van afgeschreven machines uit de vrijgekomen afschrijvingsgelden en restwaarde kan worden betaald. Ook wel: een verzameling identieke machines met een gelijkmatige leeftijdsopbouw.
32
34
© ThiemeMeulenhoff
34
35
35
Aan het werk ................................................ Iedere onderneming verkoopt goederen of levert diensten. De ondernemer moet daarvoor investeren in vaste en vlottende activa. Pas als de ondernemer de benodigde productiemiddelen heeft, kan hij aan de slag. Om de kosten van ruimte, risico en interest zo laag mogelijk te houden, wil de ondernemer de juiste omvang van de voorraad, de debiteuren en de liquide middelen weten. Dit inzicht krijgt de ondernemer door activiteitskengetallen te berekenen. Hiermee kan hij beoordelen of hij zijn activiteiten goed uitvoert. Hoe meer hij investeert in de bezittingen, hoe moeilijker het is om de onderneming op een gezonde manier te financieren. De ondernemer moet zijn kortlopende schulden op tijd betalen. Een onderneming is liquide als de ondernemer op tijd kan betalen. Daarom moeten er op elk moment voldoende liquide middelen zijn of liquide middelen vrijkomen om te kunnen betalen. Voor intern gebruik kan de onderneming een liquiditeitsbegroting opstellen waarbij de liquiditeit in de gaten gehouden kan worden. Het is belangrijk dat de ondernemer weet wanneer er voldoende liquide middelen beschikbaar moeten zijn. Daarom wil de ondernemer weten wanneer de inkomsten en uitgaven plaatsvinden. Belangstellenden buiten de onderneming moeten het echter doen met de gepubliceerde informatie, zoals kwartaal- of jaarcijfers. Met balansen en winst-en-verliesrekeningen moeten zij liquiditeitskengetallen berekenen om een beeld van de liquiditeit van de onderneming te krijgen. Je merkt wel dat er heel wat informatie beheerd moet worden om de juiste gegevens, op het juiste moment, aan de juiste personen te kunnen verstrekken. Een hele klus voor de administrateur.
VOORAF Zorg voor pen, papier, rekenmachine en liniaal. Ruitjespapier heeft de voorkeur, omdat je dan de getallenrijen makkelijk recht onder elkaar kunt zetten. ROUTINE Het beheren van de juiste informatie vraagt om een zekere routine, die je alleen krijgt door het vaak te doen. In deze taak kun je aan de hand van aantal opdrachten oefenen met het opstellen van een begroting.
OPDRACHTEN 1
Bepaal de gemiddelde voorraad voor Ondex BV. Van Ondex BV is het volgende bekend over de waarde van de voorraad van haar exportartikelen in 2011: – voorraad 1 januari: € 50.000; – voorraad 1 april: € 40.000; – voorraad 1 juli: € 30.000; – voorraad 1 oktober: € 70.000; – voorraad 31 december: € 70.000. a
Bereken de gemiddelde voorraad voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal van 2011.
© ThiemeMeulenhoff
35
33
35
36
36
b 2
Bereken de gemiddelde voorraad over 2011. Bepaal de gemiddelde voorraad voor Nopex BV. Van Nopex BV is het volgende bekend over de waarde van de voorraad van haar bouwartikelen in 2011: – voorraad 1 januari: € 80.000; – voorraad 1 april: € 90.000; – voorraad 1 juli: € 125.000; – voorraad 1 oktober: € 100.000; – voorraad 31 december: € 75.000.
a
Bereken de gemiddelde voorraad voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal van 2011.
b
Bereken de gemiddelde voorraad over 2011.
3
Bepaal de omzetsnelheid van de gemiddelde voorraad. Van handelsonderneming Javo uit Velp zijn over 2011 de volgende gegevens bekend: – gemiddelde voorraad tuinartikelen: € 82.000; – omzet tuinartikelen: € 640.625; – brutowinstmarge: 36% van de omzet tuinartikelen. a
Bepaal de inkoopwaarde van de omzet bij Javo.
b
Bepaal de omzetsnelheid van de gemiddelde voorraad bij handelsonderneming Javo.
4
Bepaal de omzetsnelheid van de gemiddelde voorraad. Van Van Rijswijk BV uit Dordrecht zijn over 2011 de volgende gegevens bekend: – gemiddelde voorraad huishoudartikelen: € 112.000; – omzet huishoudartikelen: € 2.400.000; – brutowinstmarge: 30% van de omzet huishoudartikelen. a
Bepaal de inkoopwaarde van de omzet bij Van Rijswijk BV.
b
Bepaal de omzetsnelheid van de gemiddelde voorraad voor Van Rijswijk BV.
5
Bepaal de inkoopwaarde van de omzet en de omzetsnelheid. Van Harmsma uit Joure is het volgende bekend: – De beginvoorraad op 1 januari 2011 bedraagt € 68.000. – De eindvoorraad op 31 december 2011 bedraagt € 86.000. – De inkopen in 2011 bedroegen € 480.000. a
Bepaal de inkoopwaarde van de omzet voor Harmsma.
b
Bereken de omzetsnelheid, nadat je eerst de gemiddelde voorraad hebt bepaald voor Harmsma.
6
Bepaal de gemiddelde opslagduur. Bij Kolasta bv was in 2011 de inkoopwaarde van de omzet € 720.000. De gemiddelde voorraad over 2011 bedroeg € 48.000. a
7
Bereken de gemiddelde opslagduur van de voorraad voor Kolasta bv. Bepaal de gemiddelde opslagduur. Handelsonderneming Bernel uit Warmond heeft in 2011 een omzet van € 880.000. De inkoopwaarde bedraagt 60% van de omzet.
34
36
© ThiemeMeulenhoff
36
37
37
De gemiddelde voorraad over 2011 bedroeg € 26.400. a 8
Bereken de gemiddelde opslagduur van de voorraad voor handelsonderneming Bernel. Bepaal de gemiddelde opslagduur. Cas Nagels handelt in kookboeken en keukenartikelen. De gemiddelde voorraad in 2011 bedraagt € 30.000. De omzet in 2011 is € 300.000. De brutowinstmarge bedraagt 25% van de omzet.
a 9
Bereken de gemiddelde opslagduur van de voorraad voor Cas Nagels. Bepaal het gemiddelde debiteurensaldo. Het debiteurensaldo van BV Warmenhoven uit Rijswijk over 2011 had het volgende verloop: – 1 januari € 162.000; – 1 juli € 238.000; – 31 december € 182.000.
a 10
Bereken het gemiddelde debiteurensaldo over 2011 voor BV Warmenhoven. Bepaal de gemiddelde kredietduur van de debiteuren. Koeriersbedrijf Bert en Bob uit Zevenaar heeft over 2011 een omzet op rekening behaald van € 2.000.000. Het gemiddelde uitstaande debiteurenbedrag was € 50.000.
a 11
Bereken de gemiddelde kredietduur van de debiteuren in 2011. Bepaal de gemiddelde kredietduur van de debiteuren. Bij Van Daroslav bedroeg over 2011 de omzet € 800.000. Hiervan werd 20% contant verkocht. Het gemiddelde debiteurensaldo over 2011 bedroeg € 64.000.
a 12
Bereken de gemiddelde kredietduur van de debiteuren in 2011 bij Van Daroslav. Bepaal de gemiddelde kredietduur van de debiteuren. Groothandel B. Komar heeft in 2011 voor € 2.400.000 omgezet, waarvan 75% op rekening. Het gemiddelde debiteurensaldo in dit jaar bedroeg € 200.000.
a 13
Bereken de gemiddelde kredietduur van de debiteuren in 2011. Bepaal de omzet op rekening. Bij Jansonius & dochters bedraagt de gemiddelde kredietduur van het krediet dat aan debiteuren is verstrekt 54 dagen. Het gemiddelde debiteurensaldo in 2011 is € 90.000.
a 14
Bereken de omzet op rekening in 2011 bij Jansonius & dochters. Bepaal de omzet op rekening. Ron Doolaard verstrekt aan zijn debiteuren 45 dagen krediet. Het gemiddelde debiteurensaldo in 2011 bedraagt voor Ron € 67.500.
© ThiemeMeulenhoff
37
35
37
38
38
a
Bereken de omzet op rekening in 2011 voor Ron Doolaard.
b
Bereken hoeveel vermogen kan worden afgelost wanneer Ron Doolaard 36 dagen krediet gaat verlenen en de omzet op rekening gelijkblijft. Met andere woorden: bereken hoeveel het gemiddelde debiteurensaldo op de balans afneemt voor Ron wanneer hij besluit de krediettermijn voor zijn debiteuren te verkorten van 45 naar 36 dagen.
15
Bepaal de gemiddelde kredietduur van de crediteuren. Dijkhuis en Zoon hebben in 2011 voor een bedrag van € 480.000 ingekocht. Daarvan was 90% op rekening. Het gemiddelde crediteurensaldo over 2011 bedroeg € 50.400. a
16
Bereken de gemiddelde kredietduur van de crediteuren in 2011 voor Dijkhuis en Zoon. Bepaal het gemiddelde crediteurensaldo en de betaling aan crediteuren. Het crediteurensaldo van Lasseeuw uit Middenmeer over 2011 had het volgende verloop: – 1 januari: € 324.000; – 1 juli: € 476.000; – 31 december: € 364.000. Er is in 2011 voor € 3.400.000 ingekocht. Hiervan werd slechts 10% contant betaald.
a
Bereken het gemiddelde crediteurensaldo over 2011 bij Lasseeuw.
b
Bereken de betaling aan crediteuren die Lasseeuw in 2011 heeft verricht.
17
18
Bereken de liquiditeitskengetallen. Van Penzaan BV is de volgende balans bekend.
a
Bereken het nettowerkkapitaal per 31 december 2011.
b
Bereken de current ratio per 31 december 2011.
c
Bereken de quick ratio per 31 december 2011.
d
Beoordeel de berekende activiteitskengetallen van Penzaan BV. Bereken de liquiditeitskengetallen. Van IJsseldijk is de volgende balans bekend.
36
38
© ThiemeMeulenhoff
38
39
39
a
Bereken het nettowerkkapitaal per 31 december 2011.
b
Bereken de current ratio per 31 december 2011.
c
Bereken de quick ratio per 31 december 2011.
d
Beoordeel de berekende activiteitskengetallen van IJsseldijk.
19
Bepaal het saldo liquide middelen. Bij Bestebreur BV bedragen de liquide middelen op 1 oktober € 4.000. De begrote inkomsten en uitgaven zijn als volgt: – oktober: inkomsten € 32.000 en uitgaven € 29.000; – november: inkomsten € 30.000 en uitgaven € 35.000; – december: inkomsten € 34.000 en uitgaven € 33.000. a
Bereken het saldo van de liquide middelen op 31 oktober.
b
Bereken het saldo van de liquide middelen op 30 november.
c
Bereken het saldo van de liquide middelen op 31 december.
20
Bepaal het saldo van de liquide middelen en de opname van het bankkrediet. Bij Van Kesteren BV zit op 1 januari € 13.000 in de kas. De begrote inkomsten en uitgaven zijn als volgt: – inkomsten: • 1e kwartaal € 115.000; • 2e kwartaal € 130.000; • 3e kwartaal € 143.000; • 4e kwartaal € 160.000. – uitgaven: • 1e kwartaal € 118.000; • 2e kwartaal € 132.000; • 3e kwartaal € 164.000; • 4e kwartaal € 140.000.
21
a
Bereken het begrote kassaldo op 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december.
b
Hoeveel bankkrediet moet de onderneming in het derde kwartaal opnemen als op 30 september minstens € 2.000 in kas moet zitten? Bepaal het verschil in vermogensbehoefte bij Kleinders BV Kleinders BV heeft het komende jaar een wisselende behoefte aan vermogen. Het verloop van de vermogensbehoefte in het jaar is als volgt:
© ThiemeMeulenhoff
39
37
39
40
40
a
Bepaal de maximale vermogensbehoefte van Kleinders BV als alle pieken in hetzelfde kwartaal vallen.
b
Bepaal de minimale vermogensbehoefte van Kleinders BV als alle dalen in hetzelfde kwartaal vallen.
c
Bepaal het verschil tussen de som van de pieken en de som van de dalen.
d
Bepaal het verschil tussen de werkelijke piek en het werkelijke dal.
e
Verklaar het verschil tussen de sommen van pieken en dalen en de werkelijke pieken en dalen.
22
Bepaal het verschil in vermogensbehoefte bij Borst BV Borst BV heeft het komende jaar een wisselende behoefte aan vermogen. Het verloop van de vermogensbehoefte in het jaar is als volgt:
a
Bepaal het verschil tussen de som van de pieken en de som van de dalen.
b
Bepaal het verschil tussen de werkelijke piek en het werkelijke dal.
c
Verklaar het verschil tussen de sommen van pieken en dalen en de werkelijke pieken en dalen.
23
Bepaal het ideaalcomplex bij Pieters BV. Pieters BV wil in de toekomst een aantal machines bezitten waarvan de afschrijvingsbedragen ieder jaar voldoende zijn om de versleten machines te vervangen. De aanschafwaarde van een machine is € 40.500 en de opbrengst bij verkoop bedraagt € 4.500. De gebruiksduur van de machines is drie jaar. Vanaf komend jaar schaft Pieters BV ieder jaar een machine aan, totdat een ideaalcomplex is bereikt. De vrijgekomen afschrijvingsgelden gebruikt Pieters om een nieuwe machine aan te schaffen. a
Vul onderstaande tabel in waarin je laat zien wanneer het ideaalcomplex is bereikt.
38
40
© ThiemeMeulenhoff
40
41
41
b 24
Bepaal het ideaalcomplex bij Zandex NV Zandex NV heeft uiteindelijk behoefte aan drie identieke duurzame productiemiddelen. Zij schaft deze machines in eerste instantie aan met eigen vermogen. De gebruiksduur is drie jaar. De afschrijving vindt plaats met gelijke bedragen per jaar. De restwaarde is nihil. Buitengebruikstelling en aanschaf vinden elk jaar op 1 januari plaats. a
Vul onderstaande tabel in waarin je laat zien of het ideaalcomplex wordt bereikt.
b
Noem een voordeel en een nadeel van deze wijze van aanschaf.
25
Komt er een ideaalcomplex bij Dexan NV? Dexan NV heeft behoefte aan drie identieke duurzame productiemiddelen. Zij schaft deze machines gelijktijdig aan met eigen vermogen. De gebruiksduur is drie jaar. De afschrijving vindt plaats met gelijke bedragen per jaar. De restwaarde is nihil. Buitengebruikstelling en aanschaf vinden elk jaar op 1 januari plaats. a
Vul onderstaande tabel in waarin je laat zien of het ideaalcomplex wordt bereikt.
b
Noem een voordeel en een nadeel van deze wijze van aanschaf.
26
Bepaal de cashflow voor NV Nederdalen. Van NV Nederdalen uit Zwolle is het volgende bekend: – Omzet: € 2.500.000. – Kosten (waarvan afschrijvingen € 240.000): €1.560.000. – Vennootschapsbelasting: € 290.000. a
27
Hoe wordt de nieuw aan te schaffen machine aan het begin van het vierde jaar gefinancierd?
Bereken de cashflow. Bepaal de cashflow voor NV Natrex. Onderstaande activa van NV Natrex uit Oostzaan stonden als volgt op de balans: – 1 januari 2013: • Gebouwen: € 5.600.000; • Machines: € 8.150.000; • Inventaris: € 800.000. – 31 december 2013: • Gebouwen: € 5.300.000; • Machines: € 7.800.000; • Inventaris: € 720.000. Verder is het volgende bekend:
© ThiemeMeulenhoff
41
39
41
42
42
– – – – – – a 28
er zijn geen activa zijn gekocht of verkocht in 2013; de winst over 2013 bedraagt € 2.250.000;. de te betalen vennootschapsbelasting over deze winst bedraagt € 542.000; het geplaatste aandelenvermogen is € 12.000.000; over 2013 wordt 4% dividend uitgekeerd; de rest van de winst wordt aan de algemene reserve toegevoegd.
Bereken de cashflow voor NV Natrex. Bepaal de cashflows voor Razan BV. Razan BV gaat een project uitvoeren met een looptijd van drie jaar. Het investeringsbedrag betreft een kraakmachine met een aanschaffingsprijs van € 58.000 en een restwaarde van € 7.000 na drie jaar. De onderneming heeft de volgende verwachtingen:
De kraakmachine wordt lineair afgeschreven. De vennootschapsbelasting bedraagt 30%. a
Bereken voor Razan BV de cashflow in 2014.
b
Bereken de cashflow in 2015.
c
Bereken ook de cashflow in 2016. GAAN WE HET REDDEN? Het was al vaak aan de orde gekomen in de vergadering met het hoofdkantoor: de liquiditeitspositie van de vestiging Oostwijk moet verbeteren. Actie is noodzakelijk. In het wekelijks overleg dat de manager van Oostwijk heeft met de hoofden van de verschillende afdelingen staat het punt liquiditeit bovenaan op de agenda. Het hoofd Administratie, Thea Tralie, krijgt de opdracht om te onderzoeken wat er moet gebeuren om de liquiditeit te verbeteren. Zij overlegt met haar afdeling. Ook jij bent bij dit overleg betrokken.
29
Bereken de activiteitskengetallen van het nettowerkkapitaal. Thea Tralie vraagt aan jou om de activiteitskengetallen van de afdeling non-foodartikelen te berekenen. Het gaat om de kengetallen die betrekking hebben op de voorraad, de debiteuren en de crediteuren. De volgende gegevens heeft ze voor jou beschikbaar: – De omzet tegen verkoopprijs bedroeg € 1.800.000. – Van de omzet is 80% op rekening. – De brutowinstmarge was 25% van de omzet. – Alle inkopen vinden plaats op rekening.
40
42
© ThiemeMeulenhoff
42
43
43
a
Bereken de inkoopwaarde van de omzet.
b
Bereken de omzet op rekening. Thea Tralie heeft je gevraagd om eerst de activiteitskengetallen te berekenen van de voorraad. Ze zei dat het gaat om: – de gemiddelde voorraad; – de gemiddelde omzetsnelheid van de voorraad; – de gemiddelde opslagduur van de voorraad. Over de voorraad geeft zij jou de volgende gegevens: – 1 januari: € 210.000; – 1 april: € 250.000; – 1 juli: € 240.000; – 1 oktober: € 200.000; – 31 december: € 210.000.
c
Bereken de gemiddelde voorraad.
d
Bereken de gemiddelde omzetsnelheid van de voorraad.
e
Bereken de gemiddelde opslagduur van de voorraad. Behalve de voorraadgegevens heeft Thea je ook gevraagd om de activiteitskengetallen van de debiteuren te bepalen. Zij wil graag van je weten: – het gemiddelde debiteurenbedrag; – de gemiddelde kredietduur van het verstrekte leverancierskrediet. Ze heeft je voorzien van de volgende gegevens van de debiteuren: – 1 januari: € 130.000; – 1 april: € 160.000; – 1 juli: € 180.000; – 1 oktober: € 160.000; – 31 december: € 150.000.
f
Bereken het gemiddelde debiteurenbedrag.
g
Bereken de gemiddelde kredietduur van het verstrekte leverancierskrediet. Ten slotte moet je ook de activiteitskengetallen van de crediteuren nog voor Thea Tralie berekenen. Ze wil graag informatie over: – het gemiddelde crediteurenbedrag; – de gemiddelde kredietduur van het ontvangen leverancierskrediet. Behalve de gegevens over de voorraad en de debiteuren heeft Thea je ook nog de gegevens van de crediteuren gegeven: – 1 januari: € 95.000; – 1 april: € 125.000; – 1 juli: € 115.000; – 1 oktober: € 105.000; – 31 december: € 115.000.
h
Bereken het gemiddelde crediteurenbedrag.
© ThiemeMeulenhoff
43
41
43
44
44
i
Bereken de gemiddelde kredietduur van het ontvangen leverancierskrediet. Je kijkt al je berekeningen nog eens goed na voordat je ze aan Thea Tralie geeft. KRAP BIJ KAS? Kees Bussert is jarenlang werkloos geweest. In 2009 startte hij een bedrijf voor het onderhoud van woningen van particulieren. De naam van het bedrijf is Kees’ Klussenbus. Hierna volgt de balans per 1 januari 2011. Je kent Kees goed. Zijn motto is: ’van boekhouden moet ik afblijven’. Omdat de bank kengetallen van Kees wil weten, vraagt Kees jou om deze uit te rekenen.
30
Bereken de liquiditeitskengetallen. Je hebt Kees beloofd dat je voor hem de liquiditeitskengetallen zult berekenen. Vandaag nog zul je hem de gegevens doorgeven per telefoon of, als het je lukt, zelfs langsbrengen. Je vertelt Kees dat het gaat om: – het nettowerkkapitaal; – de current ratio; – de quick ratio. Je belt Kees op het moment dat hij een klussenbus aan het kopen is. Uit de reactie van Kees begrijp je meteen dat hij niet weet waar je het over hebt. Kees heeft je de balans per 1 januari 2011 gemaild.
a
Bereken het nettowerkkapitaal per 1 januari 2011 voor Kees.
b
Bereken de current ratio per 31 december 2011.
c
Bereken de quick ratio per 31 december 2011. Als je deze liquiditeitskengetallen goed bekijkt, kom je tot de ontdekking dat de liquiditeit van Kees’ Klussenbus niet goed is. Je besluit om maar niet te bellen, maar om langs te gaan om het hem uit te leggen. Je besluit het een en ander alvast voor Kees op papier te zetten.
d
Geef je oordeel over de liquiditeitskengetallen van Kees. Je herinnert je dat Kees bezig was om een nieuwe klussenbus te kopen. Daarom besluit je toch om alvast contact op te nemen. Kees schrikt van je verhaal en zegt dat hij dat niet had verwacht.
42
44
© ThiemeMeulenhoff
44
45
45
Je neemt met Kees telefonisch de balans door. De nieuwe klussenbus gaat niet door, besluit Kees. In plaats van kopen, denkt Kees ineens aan verkopen. Hij vertelt dat hij twee gereedschappen voor een goede prijs kan verkopen, omdat hij deze nauwelijks gebruikt. Het gereedschap is eigenlijk te professioneel. Hij koopt er dan een kleine machine voor terug en houdt dan nog € 5.500 over. Als je vraagt hoeveel het gereedschap waard is, zegt Kees dat de boekwaarde en de vermoedelijke opbrengst € 10.000 bedraagt. Bovendien komt vanmiddag een debiteur € 4.000 betalen. Dat is goed nieuws. Je zegt dat je deze informatie eerst in de balans verwerkt. Vanavond kom je nog langs om een en ander door te nemen. Kees vertelt nog dat hij net een flinke klus heeft afgerond en daarna langs de Rabobank gaat om af te lossen. Rare jongen, die Kees. e
Neem een ruitjesvel voor je.
f
Stel voor Kees’ Klussenbus de balans op nadat je de volgende feiten verwerkt hebt: – de contante betaling van € 4.000 door de debiteur; – de verkoop van de oude gereedschappen voor € 10.000; – de aanschaf van het nieuwe gereedschap voor € 4.500; – aflossing van de kortlopende schuld met een bedrag van € 9.500.
g
Bereken het nettowerkkapitaal per 1 januari 2011 in de nieuwe situatie.
h
Bereken de current ratio per 31 december 2011.
i
Bereken de quick ratio per 31 december 2011. Het valt je meteen op dat de liquiditeitskengetallen behoorlijk zijn veranderd. Je besluit voor Kees weer een uitleg op papier te geven, zodat hij het niet vergeet.
j
Geef je oordeel over de liquiditeitskengetallen in de nieuwe situatie. ’s Avonds ga je naar Kees. Je geeft hem de nieuwe berekening en licht de cijfers toe. Hij is er blij mee. Zeker omdat hij de twee te grote machines kwijt is. Dan zegt hij je dat hij bij de bank gehoord heeft dat alleen contant betalen ook een optie is voor de toekomst. Hij vraagt wat jij daarvan vindt.
k
Leg uit aan Kees welke invloed het heeft als je in de toekomst alleen contant betaalt. Hier had Kees eigenlijk nooit aan gedacht. Hij is overtuigd en gaat morgen toch op pad voor zijn nieuwe klussenbus. Je kijkt bedenkelijk. Het lijkt erop dat Kees een ’gat in zijn hand’ heeft.
l
Berg de balans van de nieuwe situatie van Kees op in je dossier. DE UITGAVEN EN DE INKOMSTEN Handelsmaatschappij Dynamo wil inzicht hebben in haar liquiditeitspositie in het komende kwartaal. De administrateur, mevrouw Line Arecta, vraagt je de liquiditeit te onderzoeken met een liquiditeitsbegroting. Bovendien wil ze weten wat je van de liquiditeitspositie vindt.
31
Stel de liquiditeitsbegroting op. Line Arecta geeft je de balans van 1 januari. Bovendien geeft ze je de benodigde informatie van inkomsten en uitgaven.
© ThiemeMeulenhoff
45
43
45
46
46
De balans per 1 januari 2011 van handelsmaatschappij Dynamo ziet er zo uit.
Ontvangsten contante verkopen: – januari: € 20.000; – februari: € 26.000; – maart: € 24.000. Te ontvangen van debiteuren: – januari: € 38.000; – februari: € 36.000; – maart: € 31.000. Te betalen aan leveranciers: – januari: € 39.000; – februari: € 37.000; – maart: € 30.000. Diverse te betalen kosten: – januari: € 22.000; – februari: € 18.000; – maart: € 19.000. Aflossing hypotheek: – februari: € 3.000. Privéopnamen: – januari: € 3.100; – februari: € 2.500; – maart: € 3.100. a
Vul de liquiditeitsbegroting in.
44
46
© ThiemeMeulenhoff
46
47
47
b
Zet jouw mening over de liquiditeitspositie gedurende het eerste kwartaal voor Line Arecta op papier.
AFRONDING Je hebt geleerd de vlottende activa en de kortlopende schulden te bekijken door de veranderingen te bestuderen. Bovendien heb je geleerd om met vlottende activa en kortlopende schulden activiteitskengetallen te berekenen. Een goed inzicht in de veranderingen van liquide middelen voorkomt dat een onderneming onnodig in liquiditeitsproblemen raakt. De liquiditeitsbegroting kun je daarvoor goed gebruiken. PRAKTIJK Onderneming Liquid is onderdeel geworden van N@work Capital Investments. Bij Liquid is onrust ontstaan omdat de nieuwe managers als eerste de liquiditeit willen onderzoeken. Om de vergadering waarin de liquiditeit als belangrijkste punt op de agenda staat, goed voor te bereiden, ben jij gevraagd een aantal zaken te onderzoeken. 32
Bereken de liquiditeitskengetallen. Je gaat eerst de liquiditeitskengetallen berekenen van de balans van 1 januari 2011 en van 1 januari 2010. Dat zijn achtereenvolgens: – het nettowerkkapitaal; – de current ratio; – de quick ratio. Daarna vergelijk je deze liquiditeitskengetallen met elkaar. De balansen per 1 januari zien er zo uit.
© ThiemeMeulenhoff
47
45
47
48
48
a
Bereken het nettowerkkapitaal per 1 januari 2011.
b
Bereken de current ratio per 1 januari 2011.
c
Bereken de quick ratio per 1 januari 2011.
d
Bereken het nettowerkkapitaal per 1 januari 2010.
e
Bereken de current ratio per 1 januari 2010.
f
Bereken de quick ratio per 1 januari 2010.
g
Vergelijk deze liquiditeitskengetallen met elkaar. Je hebt de liquiditeitskengetallen afgeleverd bij je baas. Maar even later krijg je al een reactie. Ook de activiteitskengetallen moeten op tafel komen. Hiervoor krijg je uit de administratie verdere gegevens van voorraad, debiteuren en crediteuren. Voorraad: – 1 januari: € 150.000; – 1 april: € 180.000; – 1 juli: € 200.000; – 1 oktober: € 170.000; – 31 december: € 150.000. Debiteuren: – 1 januari: € 65.000; – 1 april: € 80.000; – 1 juli: € 95.000; – 1 oktober: € 85.000; – 31 december: € 95.000. Crediteuren: – 1 januari: € 90.000; – 1 april: € 115.000; – 1 juli: € 125.000; – 1 oktober: € 120.000; – 31 december: € 110.000. Verdere gegevens: – De omzet tegen verkoopprijs bedroeg € 2.500.000. – Van de omzet was 60% op rekening. – De brutowinstmarge was 30% van de omzet. – Alle inkopen vinden plaats op rekening. Voorafgaand aan de berekening van de activiteitskengetallen bereken je de inkoopwaarde van de omzet en de verkopen op rekening.
46
48
© ThiemeMeulenhoff
48
49
49
h i
Bereken de inkoopwaarde van de omzet. Bereken de omzet op rekening. Je start eerst met het berekenen van de activiteitskengetallen van de voorraad. Je berekent: – de gemiddelde voorraad; – de gemiddelde omzetsnelheid van de voorraad; – de gemiddelde opslagduur van de voorraad.
j
Bereken de gemiddelde voorraad.
k
Bereken de gemiddelde omzetsnelheid van de voorraad.
l
Bereken de gemiddelde opslagduur van de voorraad. Nu verder met de activiteitskengetallen van de debiteuren. Je berekent: – het gemiddelde debiteurenbedrag; – de gemiddelde kredietduur van het verstrekte leverancierskrediet.
m
Bereken het gemiddelde debiteurenbedrag.
n
Bereken de gemiddelde kredietduur van het verstrekte leverancierskrediet. Als laatste bereken je de activiteitskengetallen van de crediteuren. Je berekent: – het gemiddelde crediteurenbedrag; – de gemiddelde kredietduur van het ontvangen leverancierskrediet.
o
Bereken het gemiddelde crediteurenbedrag.
p
Bereken de gemiddelde kredietduur van het ontvangen leverancierskrediet. Het blijkt dat de manager niet ontevreden is over de gemiddelde kredietduur. Dit geldt voor debiteuren en crediteuren. De voorraad moet in de toekomst omlaag. Het streven is de voorraad te verlagen tot gemiddeld € 125.000.
q
Bereken het gevolg voor de liquiditeitskengetallen op 1 januari 2011 als de voorraad € 50.000 lager zou zijn en als tegelijkertijd de crediteuren ook € 35.000 zouden dalen. Bepaal in deze situatie achtereenvolgens: – het nettowerkkapitaal; – de current ratio; – de quick ratio. Deze verbetering stelt de manager voor een groot deel gerust, maar nog niet helemaal. Hij wil voor de komende drie maanden een liquiditeitsbegroting hebben. De gegevens over de begrote ontvangsten en begrote uitgaven van het eerste kwartaal krijg je van de administratie. Ontvangsten contante verkopen:
© ThiemeMeulenhoff
49
47
49
50
50
– januari: € 46.000; – februari: € 44.000; – maart: € 40.000. Te ontvangen van debiteuren: – januari: € 95.000; – februari: € 125.000; – maart: € 130.000. Te betalen aan leveranciers: – januari: € 110.000; – februari: € 115.000; – maart: € 105.000. Diverse te betalen kosten: – januari: € 26.000; – februari: € 23.000; – maart: € 22.000. Aflossing 6% banklening: – maart: € 20.000. Aanschaf inventaris: – februari: € 14.000. r
Vul de liquiditeitsbegroting in.
s
Onderzoek of in het eerste kwartaal een gedeelte van het bankkrediet kan worden afgelost. TERUGKIJKEND
33 a b
Beantwoord de vragen. Welk onderdeel van deze leereenheid heb je als lastig ervaren? Waarom vond je dat een moeilijk onderwerp?
48
50
© ThiemeMeulenhoff
50
51
51
c
Als je deze leereenheid weer zou moeten doen, wat zou je dan anders aanpakken?
d
Geef in je eigen woorden aan wat je in deze leereenheid hebt geleerd. Denk dan niet alleen aan de betekenis van de begrippen, maar ook aan de manieren om bepaalde dingen te berekenen.
e
Noem minimaal drie aandachtspunten voor jezelf. Dat zijn punten waar je in het bijzonder rekening mee moet houden als je te maken krijgt met activiteitskengetallen en liquiditeitsbegrotingen. OPRUIMEN In deze leereenheid heb je de volgende documenten in je dossier opgeborgen: – Opdracht 2: balans Kees’ Klussenbus. De volgende documenten zou je kunnen bewaren in je portfolio: Geen suggesties vanuit BV in balans.
© ThiemeMeulenhoff
51
49
51
52
52
Evaluatie ................................................ 1 a
2 a
3 a
4 a
5 a
6 a
Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraak. ○ Kengetallen geven een verhouding aan tussen posten op de balans en/of de liquiditeitsbegroting. ○ De gemiddelde voorraadduur van een supermarkt is lager dan die van een autodealer. ○ Het geld in kas en het geld op een betaalrekening van de bank behoren tot de vlottende passiva. ○ Liquiditeitskengetallen kunnen niet gebruikt worden om de bedrijfsresultaten van soortgelijke ondernemingen te vergelijken. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ Beginvoorraad + Inkopen – Verkopen = Eindvoorraad. ○ De omzetsnelheid van de voorraad is een activiteitskengetal dat aangeeft hoe lang het duurt voordat de gemiddelde voorraad is verkocht. ○ De opslagduur van voorraden kan langer dan één jaar zijn, omdat het kengetal gemiddelde opslagduur de verhouding is tussen 360 dagen en de omzetsnelheid. ○ De gemiddelde opslagduur neemt toe, als de omzetsnelheid van de voorraad afneemt. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ De gemiddelde kredietduur van debiteuren is de gemiddelde tijd dat een onderneming aan haar afnemers krediet heeft verleend. ○ Debiteuren begin + Verkopen op rekening – Betaling door debiteuren = Debiteuren eind. ○ Debiteuren begin + Betaling door debiteuren – Verkopen op rekening = Debiteuren eind. ○ Hoe groter het gemiddelde debiteurensaldo, hoe meer vermogen is aangetrokken en hoe hoger de vermogenskosten zijn. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ Inkopen op rekening verhogen de post Crediteuren. ○ Als de voorraad toeneemt, zijn de inkopen groter dan de inkoopwaarde van de omzet. ○ Contante inkopen verhogen de gemiddelde kredietduur van crediteuren. ○ De gemiddelde kredietduur is het gemiddelde aantal dagen dat van leveranciers krediet is ontvangen. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ Als het nettowerkkapitaal € 90.000 bedraagt, wil dat zeggen dat er € 25.000 vlottende activa is gefinancierd met kortlopende schuld. ○ Door het verkopen op rekening van voorraad blijft de current ratio gelijk. ○ De current ratio is altijd groter dan de quick ratio als er een voorraad is. ○ Als er voorraad op rekening wordt ingekocht, blijft het nettowerkkapitaal gelijk. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ Als je naar de liquiditeitsbalans kijkt, zie je dat de vlottende activa altijd groter zijn dan de kortlopende schulden. ○ De quick ratio is de verhouding tussen de vlottende activa zonder de voorraden en de kortlopende verplichtingen.
50
52
© ThiemeMeulenhoff
52
53
53
○ Als je naar de liquiditeitsbalans kijkt, zie je dat de bezittingen altijd groter zijn dan de schulden. ○ Bij de berekening van het nettowerkkapitaal bepaal je het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. 7 a
8 a
9 a
10 a
Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraak. ○ De inkoopwaarde staat als uitgave in de liquiditeitsbegroting. ○ Liquide middelen begin + Inkomsten – Uitgaven = Liquide middelen eind. ○ Als de inkomsten de uitgaven overtreffen, verbetert de liquiditeit. ○ Als de afschrijvingen dalen, verbetert de liquiditeit. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ De cashflow is de winst na belastingen verminderd met de afschrijvingen. ○ De cashflow is de netto geldstroom. ○ Als de afschrijvingen dalen, stijgt de cashflow. ○ Afschrijvingen zijn zowel uitgaven als kosten. ○ De operationele cashflow wordt verdiend met de normale activiteiten. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraken. ○ Bij intensieve financiering reserveren ondernemingen een deel van de winst. ○ Bij externe financiering trekken ondernemingen op de vermogensmarkt financiële middelen aan. ○ Het afsluiten van een onderhandse lening is een voorbeeld van interne financiering. ○ Bij intensieve financiering maken ondernemingen beter gebruik van het aanwezige vermogen. ○ Bij intensieve financiering reserveren ondernemingen een deel van de winst. ○ Bij sale-and-leaseback is sprake van interne financiering. ○ Bij verkorting van de kredietduur van de debiteuren is sprake van intensieve financiering. Vragen. Zet een vinkje voor de juiste uitspraak. ○ Bij een ideaalcomplex is de schommeling in vermogensbehoefte gelijk aan de afschrijvingen. ○ Bij een ideaalcomplex worden afgeschreven machines vervangen en betaald uit de vrijgekomen afschrijvingsgelden en restwaarde. ○ Volgtijdige aanschaf is als een onderneming het machinepark in één keer aanschaft. ○ Diversiteit is het verschijnsel dat pieken in de vermogensbehoefte van afzonderlijke bezittingen zich voordoen op hetzelfde moment.
© ThiemeMeulenhoff
53
51
53
1
1
BA/AA/SA ba/aa/sa Bedrijfseconomie
BV in Balans biedt ondersteunend lesmateriaal gebaseerd op de competentiegerichte kwalificatiedossiers die door het Kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven ECABO voor de Financiële beroepen zijn ontwikkeld.
Bedrijfseconomie
Het lesmateriaal dekt de kerntaken, werkprocessen en activiteiten voor de kwalificatiedossiers: • •
niveau 3 (Financieel Administratief Medewerker) en niveau 4 (Bedrijfsadministrateur, Assistent-accountant en Salarisadministrateur).
Editie
BV in Balans bestaat uit leereenheden waarin de leerling zijn eigen leerweg vindt en waarmee de docent het gewenste curriculum vult.
2013
E.P. van Balen, K. Broersen, G.W.M van Heeswijk, J.P. Mijnster, S.J. Stienstra, T.F.G. Suppers, T. van de Veerdonk e.a.
Mede dankzij de kritische gebruikers die hun wensen kenbaar hebben gemaakt, maakt dit lesmateriaal het mogelijk om ‘Balans in het onderwijs’ te brengen.
De auteurs
BA/AA/SA
Leerwerkboek
9781111270179
1
1