1
1
COLOFON ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 9781111262945 Eerste druk, eerste oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012. Exemplaar voor verhuur. De eigendom blijft altijd bij de uitgever. Het is niet toegestaan deze uitgave te gebruiken zonder huurovereenkomst met de uitgever. Het is niet toegestaan deze uitgave onder te verhuren, te verkopen of anderszins ter beschikking van derden te stellen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j o het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
1
1
2
2
2
2
3
3
Inhoudsopgave ................................................ 1
2
3
4
5
Administratie van homogene massaproductie 1.1 Inleiding 1.2 Wat versta ik onder industriële productie? 1.3 Hoe gebruik ik het decimale rekeningenstelsel bij een industriële onderneming? 1.4 Hoe gebruik ik rubriek 4 bij een industriële onderneming? 1.5 Hoe gebruik ik rubriek 6 bij een industriële onderneming? 1.6 Hoe analyseer ik het fabricageresultaat? 1.7 Hoe bepaal ik intracomptabel het prijs- en efficiencyverschil op de loonkosten? 1.8 Hoe gebruik ik rubriek 8 bij een industriële onderneming? 1.9 Hoe gebruik ik rubriek 9 bij een industriële onderneming? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie Projectadministratie 2.1 Inleiding 2.2 Wat versta ik onder projectadministratie? 2.3 Hoe gebruik ik rubriek 4 bij een projectadministratie? 2.4 Hoe gebruik ik rubriek 5 bij een projectadministratie? 2.5 Hoe gebruik ik rubriek 6 en 8 bij projecten? 2.6 Hoe gebruik ik rubriek 9 bij projecten? 2.7 Hoe houd ik rekening met projecten in bewerking? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie
54 55 58 65 70 75 79 86 87 104
Kasbeheer 3.1 Inleiding 3.2 Wat moet ik me bij kasbeheer voorstellen? 3.3 Welke voorschriften voor kasbeheer kan ik onderscheiden? 3.4 Wat is nodig voor een goed kasbeheer? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie
108 108 112 113 117 118 121
Administratieve informatie verwerken in een spreadsheet 4.1 Inleiding 4.2 Hoe verwerk ik gegevens van de opslagmethode in Excel? 4.3 Hoe maak ik een verschillenanalyse van een project in Excel? 4.4 Hoe stel ik een kasbegroting op in Excel? 4.5 Hoe maak ik draaitabellen in Excel? Aan het werk Evaluatie
124 125 130 139 141 154 159
Projectadministratie in Twinfield 5.1 Inleiding 5.2 Hoe ga ik om met stamgegevens van een projectadministratie?
162 163
© ThiemeMeulenhoff
3
4 5 7 9 13 18 22 25 27 30 31 50
1
3
4
4
5.3 5.4 5.5 5.6
Hoe boek ik de voor de projecten uitgegeven materialen en uren? Hoe meld ik een project gereed en lever ik het project op? Wat heb ik deze maand verdiend aan de projecten? Herhaling Aan het werk
171 178 184 188 189
Trefwoordenregister
2
4
Š ThiemeMeulenho
4
5
5
1
5
Administratie van homogene massaproductie
5
6
6
Theorie ................................................ 1.1
INLEIDING Er zijn ondernemingen die producten inkopen om deze vervolgens tegen een hogere prijs te verkopen. Deze ondernemingen noem je handelsondernemingen. Er zijn ook ondernemingen die grondstoffen en halffabrikaten inkopen om vervolgens zelf een nieuw halffabrikaat of een eindproduct te produceren. Dit soort ondernemingen noem je industriële ondernemingen. In deze leereenheid lees je allereest over industriële productie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen homogene massaproductie, heterogene massaproductie en stukproductie. Je merkt al snel dat het decimale rekeningstelsel van een handelsonderneming niet bruikbaar is voor een industriële onderneming. In deze leereenheid komt aan de orde hoe je het rekeningstelsel bij een industriële onderneming gebruikt. Je een aantal nieuwe rubrieken gebruiken; namelijk 3.. Voorraad grondstoffen, 5.. Indirecte kosten en 6.. Fabricagerekeningen. De rubrieken 4, 6, 8 en 9 worden uitgewerkt aan de hand van een voorbeeldonderneming, de industriële onderneming Plesman. Je leert onder andere 499 Overboekingsrekening te gebruiken. Verder leer je een aantal nieuwe rekeningen in rubriek 6 kennen waarmee je prijs- en efficiencyverschillen intracomptabel kunt bepalen. Uiteindelijk zal ook een industriële onderneming haar producten willen verkopen. Verkoopresultaten kun je kwijt in rubriek 8, waarna alle resultaten verzameld worden in rubriek 9. Met deze rubriek kun je een bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening maken.
4
6
© ThiemeMeulenhoff
6
7
7
1.2
WAT VERSTA IK ONDER INDUSTRIËLE PRODUCTIE? Een handelsonderneming koopt goederen in en verkoopt deze goederen vervolgens weer. Dat geldt niet alleen voor de groothandel, maar ook voor de kleinhandel. De goederen die de handelsonderneming verkoopt, zien er technisch gezien precies hetzelfde uit als toen de goederen werden ingekocht. De dvd-speler die je in de winkel koopt, ziet er net zo uit als de dvd-speler bij de groothandelaar. Om deze dvd-speler te maken, heeft een fabriek een groot aantal bewerkingen moeten uitvoeren. De verschillende onderdelen van de dvd-speler worden gemaakt van verschillende grondstoffen. Het is
© ThiemeMeulenhoff
7
5
7
8
8
goed mogelijk dat bepaalde onderdelen, zoals de printplaatjes, in een andere fabriek zijn gemaakt. Dit noem je halffabrikaten. Het uiteindelijke product noem je een eindproduct, in dit geval een dvd-speler. Alle onderdelen worden op een logische manier in elkaar gezet. Bij het maken van een dvd-speler is er sprake van industriële productie: met menselijke arbeid en het gebruik van machines zijn uit verschillende grondstoffen en onderdelen dvd-spelers gemaakt. Er is sprake van industriële productie. als grondstoffen met productiemiddelen (zoals arbeid en machines) worden omgezet in halffabrikaten en eindproducten. Je kunt daarbij onderscheid maken tussen: – heterogene massaproductie of seriemassaproductie; – stukproductie; – homogene massaproductie. Heterogene massaproductie of seriemassaproductie Van de dvd-speler in het voorbeeld bestaan er van één merk vaak verschillende typen: van eenvoudige (en goedkoop) tot zeer luxueuze (en duurder). De consument kan kiezen uit de verschillende typen van hetzelfde merk. Dit noem je heterogene massaproductie of seriemassaproductie. Er worden dan grote hoeveelheden van een product gemaakt, maar wel in verschillende typen of modellen. In een bepaalde periode kan de onderneming een serie maken, waarna zij overschakelt op een ander type. Stukproductie Er zijn ook producten die helemaal volgens de wensen van de afnemer worden gemaakt. Je kunt een timmerman de opdracht geven om speciaal voor jou, volgens jouw eigen ontwerp, een kast te maken. Of je laat naar jouw wensen een huis bouwen. In beide gevallen houdt de producent rekening met de speciale wensen van de klant. In dat geval spreek je van stukproductie. Bij stukproductie gaat het eigenlijk om het uitvoeren van een project. Homogene massaproductie Vroeger maakten ondernemingen soms slechts één type product. In onze moderne samenleving komt dat nog nauwelijks voor. Stel je eens voor dat een steenfabriek alleen straattegels maakt van één afmeting, één materiaalsoort en in één kleur. Dat is tegenwoordig nauwelijks denkbaar. De klant die bij zo’n steenfabriek straattegels wil kopen, heeft geen keus. Hij moet dan genoegen nemen met die ene straattegel. Je spreekt dan van homogene massaproductie. Er is sprake van homogene massaproductie als een onderneming slechts één type product in grote hoeveelheden maakt.
6
8
© ThiemeMeulenhoff
8
9
9
In deze leereenheid besteed je aandacht aan de boekhouding bij homogene massaproductie. 1
Controlevragen Welke productievorm komt in de 21e eeuw niet meer voor?
2
Wat versta je onder stukproductie?
3
Waarom zou je stukproductie ook wel een project noemen?
KORTOM
1.3
Industriële productie – Bij industriële productie wordt met menselijke arbeid en machines uit verschillende grondstoffen en onderdelen een eindproduct gemaakt. – Je kunt onderscheid maken tussen: • heterogene massaproductie of seriemassaproductie; • stukproductie; • homogene massaproductie. – Bij heterogene massaproductie maak je verschillende typen of modellen van hetzelfde product. – Bij homogene massaproductie maak je slechts één type product. – Bij stukproductie maak je een product volgens de specifieke wensen van de klant.
HOE GEBRUIK IK HET DECIMALE REKENINGENSTELSEL BIJ EEN INDUSTRIËLE ONDERNEMING? Bij de boekhouding van handelsondernemingen heb je een aantal rubrieken uit het decimale rekeningenstelsel steeds buiten beschouwing gelaten. Voor een industriële onderneming heb je die echter wel nodig. De rubrieken 3, 5, en 6 zijn speciaal bedoeld voor de administratie van het fabricageproces. Het rekeningenstelsel waarmee je in een industriële onderneming werkt, ziet er zo uit: – Rubriek 0 Rekeningen van vaste activa, eigen vermogen en vreemd vermogen op lange termijn; – Rubriek 1 Financiële rekeningen; – Rubriek 2 Neutrale rekeningen; – Rubriek 3 Rekeningen voor voorraden grondstoffen en hulpstoffen; – Rubriek 4 Kostensoorten (= kostenrekeningen); – Rubriek 5 Rekeningen voor de verdeling van indirecte kosten; – Rubriek 6 Fabricagerekeningen; – Rubriek 7 Rekeningen voor voorraden gereed product en voorraden goederen in bewerking;
© ThiemeMeulenhoff
9
7
9
10
10
– Rubriek 8 Verkooprekeningen; – Rubriek 9 Rekeningen voor de opstelling van de winst-en-verliesrekening. Een aantal van deze rubrieken ken je al uit de boekhouding van handelsondernemingen. Bij de industriële ondernemingen kom je drie nieuwe rubrieken tegen: de rubrieken 3, 5 en 6. Verder is rubriek 7 anders dan rubriek 7 bij handelsondernemingen. Met deze indeling in rubrieken kun je het productieproces in de industriële onderneming boekhoudkundig volgen. De boekingen doorlopen de op elkaar volgende rubrieken in het decimale rekeningenstelsel. Onderscheid fabricagekosten en verkoopkosten Je maakt bij een industriële onderneming een onderscheid tussen: – fabricagekosten; – verkoopkosten (of commerciële kosten). Achtereenvolgens komen de volgende dingen aan de orde: – De boekingen die verband houden met de fabricage en opslag van de producten. Deze rekeningen staan in de rubrieken 3, 4, 5, 6 en 7. – De boekingen die verband houden met de verkoop van de producten. Deze rekeningen staan in rubriek 8. Rubriek 3 Industriële ondernemingen kopen grond- en hulpstoffen. De voorraden grond- en hulpstoffen boek je in rubriek 3. De onderneming verbruikt grondstoffen in het productieproces. Rubriek 4 In rubriek 4 verzamel je eerst alle kosten. Deze staan ingedeeld in kostensoort of kostencategorie. Hierbij kun je denken aan de kosten voor grondstofverbruik, lonen, energiekosten, administratiekosten, onderhoudskosten, verzekeringskosten enzovoort. Bepaalde kosten reken je tot de directe fabricagekosten, andere tot de directe verkoopkosten. De directe fabricagekosten bestaan uit de grondstofkosten en een deel van de lonen. Het loon van een vertegenwoordiger reken je tot de directe verkoopkosten. Rubriek 5 Indirecte kosten zijn kosten waarbij niet direct duidelijk is voor welke producten ze zijn gemaakt. Deze verdeel je in indirecte fabricagekosten en indirecte verkoopkosten. Voor deze verdeling gebruik je rubriek 5. De indirecte kosten worden daarna doorberekend aan het fabricageproces (rubriek 6) of het verkoopproces (rubriek 8). Rubriek 6 Kenmerkend voor een industriële onderneming is het fabricageproces. Rubriek 6 gebruik je als fabricagerekening. Deze vormt daarmee de kern van de rekeningen in een industriële onderneming. Je boekt alle kosten die met dit fabricageproces te maken hebben over naar rubriek 6. Rubriek 7 Als de goederen gereed zijn, sla je ze op in het magazijn. Daarvoor gebruik je rubriek 7. Aan het eind van een periode boek je ook de voorraden goederen in bewerking (tijdelijk) over naar deze rubriek.
8
10
© ThiemeMeulenhoff
10
11
11
Rubriek 8 Uiteindelijk is het natuurlijk de bedoeling om de producten te verkopen. In rubriek 8 verzamel je alles wat te maken heeft met de kosten en opbrengsten van de verkoop van het product. Rubriek 9 Rubriek 9 gebruik je om de winst-en-verliesrekening op te stellen. Balansrekeningen of winst-en-verliesrekeningen? Als je alle rubrieken indeelt in balansrekeningen of winst-en-verliesrekeningen, zie je: – de balansrekeningen in de rubrieken 0, 1, 3 en 7; – de winst-en-verliesrekeningen in de rubrieken 4, 5, 6, 8 en 9; – de neutrale rekeningen in rubriek 2. Dit zijn tussenrekeningen. Deze rekeningen moeten uiteindelijk glad lopen. Als er een saldo op staat, gaat een rekening uit deze rubriek naar de balans. Een eventueel overlopend saldo bij het afsluiten van een periode is op de balans zichtbaar. Hierna zie je de rubrieken 4, 6, 8 en 9 zoals je die bij homogene massaproductie nodig hebt. Bij homogene massaproductie komen alleen directe kosten voor, want er wordt maar één massaproduct gemaakt. Daarom heb je rubriek 5 nog niet nodig.
4
Controlevragen Welke rubrieken in het decimale rekeningenstelsel kom je wel tegen bij een industriële onderneming en niet bij een handelsonderneming?
5
In welke rubriek registeer je het fabricageproces?
KORTOM
1.4
Decimale rekeningenstelsel bij industriële ondernemingen – Bij een industriële onderneming gebruik je alle rubrieken uit het decimale rekeningenstelsel. – Bij een industriële onderneming zie je drie nieuwe rubrieken die je bij de handelsonderneming nog niet tegengekomen was, namelijk de rubrieken 3, 5 en 6. – Bij een industriële onderneming maak je onderscheid tussen de fabricagekosten en de verkoopkosten of commerciële kosten. – In rubiek 4 verzamel je de kosten die je hebt gegroepeerd naar kostensoorten. – Rubriek 5 gebruik je voor de verdeling van de indirecte kosten. – Rubriek 6 gebruik je voor de registratie van het fabricageproces. – Bij een industriële onderneming bevat rubriek 7 de voorraden gereed product. Aan het eind van een boekingsperiode komen ook de voorraden goederen in bewerking tijdelijk in deze rubriek te staan. – In de rubrieken 0, 1, 2, 3 en 7 staan de balansrekeningen. – In de rubrieken 4, 5, 6, 8 en 9 staan de winst-en-verliesrekeningen.
HOE GEBRUIK IK RUBRIEK 4 BIJ EEN INDUSTRIËLE ONDERNEMING? In deze leereenheid ga je steeds uit van een industriële onderneming waarbij sprake is van homogene massaproductie. Je hebt gezien dat bij homogene massaproductie een industriële onderneming in grote hoeveelheden producten maakt die hetzelfde zijn. Standaard fabricagekostprijs
© ThiemeMeulenhoff
11
9
11
12
12
Bij het massaproduct kan de onderneming met een voorcalculatie de standaard fabricagekostprijs vaststellen. Daarbij kun je de volgende standaardhoeveelheden en standaardprijzen onderscheiden: – de standaard grondstofkosten; – de standaardlonen; – de standaard overige fabricagekosten. Bij homogene massaproductie worden alle kosten voor alleen dat massaproduct gemaakt. Daarom is er bij homogene massaproductie alleen sprake van directe kosten. Indirecte kosten komen niet voor. De werkelijk gemaakte productiekosten (de nacalculatie) kunnen afwijken van de standaardkosten (de voorcalculatie). De onderneming wil weten waardoor het verschil tussen de voorcalculatie en de nacalculatie is ontstaan. Daarvoor moet je de voorcalculatorische kosten met de nacalculatorische kosten vergelijken. Deze analyse doe je in rubriek 6, omdat je daar de fabricagekosten administreert die je aan de producten hebt besteed (nacalculatie) en had mogen besteden (voorcalculatie). Maar voordat het zover is, verzamel je eerst de kosten naar kostensoort of kostencategorie in rubriek 4. Zo krijg je in rubriek 4 een overzicht van alle kosten tot en met de lopende periode. Je werkt voor het voorbeeldbedrijf, de industriële onderneming Plesman, die één (homogeen) massaproduct, Avia, maakt. De standaard fabricagekostprijs van een eenheid Avia is zo samengesteld.
Je bekijkt in een voorbeeld eerst hoe de grondstofkosten in rubriek 4 terechtkomen. Bij Plesman zijn over de maand januari 2010 de volgende gegevens bekend.
Inkoopboek De grondstoffen boek je tegen de vaste verrekenprijs op de nieuwe rekening 300 Voorraad grondstoffen.
10
12
© ThiemeMeulenhoff
12
13
13
Hierbij ontstaat een voordelig prijsverschil van € 15 – € 14,85 = € 0,15 per kg grondstof Rexis. Dit prijsverschil is voordelig, omdat de werkelijke inkoopprijs lager is dan de vaste verrekenprijs. Het prijsverschil boek je op de rekening 320 Prijsverschillen bij inkoop. De journaalpost uit het inkoopboek ziet er zo uit.
Magazijnafgifteregister Zodra de grondstoffen voor de productie worden afgegeven, boek je ze over naar de kostenrekening in rubriek 4. Je boekt ze tegen de standaardprijs van de grondstoffen. Dat is voor grondstof Rexis € 15 per kg. De journaalpost uit het magazijnafgifteregister ziet er zo uit.
Ook de lonen boek je in rubriek 4. Over de lonen over de maand januari 2010 is bij Plesman het volgende bekend.
De journaalpost van de loonbetaalstaat ziet er zo uit.
Je hebt geleerd dat in de in te houden loonheffing ook het werknemersaandeel in de sociale verzekeringspremies is begrepen. Een werkgever moet ook nog rekening houden met het werkgeversaandeel in de premies voor de werknemersverzekeringen. De sociale premies voor rekening van de werkgever bedragen 10% van de brutolonen (afronden op hele euro’s naar beneden). Dit bedrag draagt Plesman, samen met de ingehouden loonheffing, af aan de Belastingdienst.
© ThiemeMeulenhoff
13
11
13
14
14
Het werkgeversaandeel in de sociale lasten boek je op de rekening 401 Loonkosten. Je zou hiervoor ook een aparte kostenrekening kunnen gebruiken, bijvoorbeeld de rekening 402 Sociale lasten. De journaalpost ziet er zo uit.
Deze twee journaalposten kun je eventueel ook samenvoegen.
Behalve met grondstof- en loonkosten heeft een onderneming te maken met nog meer kostensoorten. Die verzamel je in rubriek 4. In het volgende voorbeeld zie je hoe je bijvoorbeeld de afschrijvingskosten in rubriek 4 boekt. Over de afschrijvingen is bij Plesman over de maand januari het volgende bekend.
De journaalpost van de afschrijvingskosten ziet er zo uit.
Je hebt in deze voorbeelden de boekingen gezien van drie kostensoorten: grondstoffen, lonen en afschrijvingen. Natuurlijk zijn er meer kosten geweest in de maand januari 2010. Dat is te zien in het volgende schema over de boekingen tot en met rubriek 4.
12
14
© ThiemeMeulenhoff
14
15
15
6
Controlevragen Welke kosten komen bij homogene massaproductie niet voor?
7
Welke rubriek wordt bij homogene massaproductie niet gebruikt?
8
Wanneer debiteer je de rekening 320 Prijsverschillen bij inkoop?
KORTOM
1.5
Rubriek 4: de kostensoorten – De standaard fabricagekostprijs bestaat bij homogene massaproductie uit: • de standaard grondstofkosten; • de standaardlonen; • de standaard overige fabricagekosten. – Bij homogene massaproductie komen alleen directe kosten voor. – Bij homogene massaproductie komen geen indirecte kosten voor. Daarom gebruik je rubriek 5 niet. – In rubriek 4 boek je alle kosten gegroepeerd naar kostensoorten.
HOE GEBRUIK IK RUBRIEK 6 BIJ EEN INDUSTRIËLE ONDERNEMING? In rubriek 6 boek je alle kosten die te maken hebben met het fabricageproces van de producten. Je gebruikt in deze rubriek drie rekeningen om de (werkelijke) fabricagekosten te boeken. – 600 Grondstofverbruik; – 630 Betaalde lonen; – 602 Overige fabricagekosten. Rekening 499 Overboekingsrekening De fabricagekosten moet je van rubriek 4 naar rubriek 6 overboeken. In rubriek 4 heb je immers alle kosten per kostensoort verzameld. Je moet bij het overboeken van de kosten uit rubriek 4 niet de afzonderlijke kostenrekeningen in deze rubriek crediteren. Als je dat zou doen, staan de kostenrekeningen aan het eind van elke maand op nul. Het is juist de bedoeling dat je tijdens het hele jaar een overzicht houdt van de totale kosten per soort. Daarom maak je bij het overboeken van de kosten uit rubriek 4 gebruik van een aparte rekening: rekening 499 Overboekingsrekening. Als je deze overboekingsrekening crediteert voor het totaal aan gemaakte kosten, bereik je het evenwicht van de gehele rubriek 4.
© ThiemeMeulenhoff
15
13
15
16
16
TIP Let op: de rekeningen in rubriek 4 crediteer je alleen als je een onjuiste boeking moet corrigeren. In het volgende voorbeeld kijk je hoe de kosten vanuit rubriek 4 eind januari 2010 worden overgeboekt naar rubriek 6. Bij Plesman is een overzicht samengesteld van de verschillende rekeningen in rubriek 4 op 31 januari 2010. Alle kosten zijn gemaakt ten behoeve van de productie van de maand januari 2010. De bedragen die afkomstig zijn van verschillende financiële feiten, zijn voor het gemak samengevat tot één kostenbedrag per maand.
Je kunt drie aparte journaalposten maken voor het overboeken naar elk van de drie verschillende fabricagekostenrekeningen in rubriek 6. Deze gegevens zul je vaak vinden in het overboekingsregister. Deze gegevens kunnen ook als boekingsdocument in het memoriaal staan. Vergeet daarbij niet in rubriek 4 steeds de rekening 499 Overboekingsrekening te crediteren. Als je afzonderlijke journaalposten voor elk van de drie fabricagekostenrekeningen maakt, krijg je eind januari 2010 de volgende drie journaalposten.
14
16
© ThiemeMeulenhoff
16
17
17
Als je de drie journaalposten samenvat tot één journaalpost, ziet dat er zo uit.
Na de overboeking van de kosten vanuit rubriek 4 eind januari 2010 is er evenwicht in rubriek 4 ontstaan. De afzonderlijke kostenrekeningen zullen echter een blijvend saldo laten zien. Dat is precies wat managers willen.
Als je de rekeningen in rubriek 4 na deze overboekingen bekijkt, zie je dat:
© ThiemeMeulenhoff
17
15
17
18
18
– op de kostenrekeningen 400 Verbruik grondstoffen tot en met 498 Overige kosten debetsaldi staan. Deze debetsaldi bestaan uit de kosten tot en met januari 2010; – er bij de overboeking van de kosten aan het eind van de periode vanuit rubriek 4 slechts één rekening wordt gecrediteerd: 499 Overboekingsrekening; – rubriek 4 na deze overboeking aan het eind van de periode in evenwicht is. Crediteren opbrengsten De fabricageafdeling maakt de eindproducten. Als de eindproducten gereed zijn, zal de fabricageafdeling deze producten afleveren aan het magazijn. Tegenover de werkelijke fabricagekosten komen dan opbrengsten op deze rekeningen te staan: – 600 Grondstofkosten; – 630 Betaalde lonen; – 602 Overige fabricagekosten. De fabricageafdeling ontvangt een vergoeding voor de afgeleverde eindproducten. Je crediteert rubriek 6 voor deze opbrengst. De fabricageafdeling levert de eindproducten af aan het magazijn tegen de standaard fabricagekostprijs van de producten. Door rubriek 6 te crediteren tegen de standaard fabricagekostprijs, wordt het ook mogelijk administratieve controle op het fabricageproces uit te oefenen. Hoe die administratieve controle werkt, zie je hierna. In het volgende voorbeeld zie je hoe je de standaard fabricagekosten van de producten die gereed zijn, moet overboeken. Gedurende de maand januari 2010 zijn bij Plesman 1.750 eenheden Avia gereedgekomen en afgegeven aan het magazijn. In "Hoe gebruik ik rubriek 4 bij een industriële onderneming?" heb je gezien hoe de standaard fabricagekostprijs van de eenheid Avia is samengesteld.
De grondstofkosten voor één product mogen 42 kg à € 15 per kg = € 630 bedragen. Als er nu 1.750 eenheden Avia worden gemaakt, mag aan grondstofkosten 1.750 x € 630 = € 1.102.500 worden verbruikt. Rubriek 6 mag € 1.102.500 berekenen aan het magazijn als vergoeding voor het standaard grondstofverbruik voor deze 1.750 eenheden. Op dezelfde manier kun je de standaardlonen en de standaard overige fabricagekosten berekenen. De volgende bedragen worden aan het magazijn voor gereed product in rekening gebracht.
16
18
© ThiemeMeulenhoff
18
19
19
In rubriek 6 debiteer je drie rekeningen voor de werkelijke kosten. Bij de overboeking van de standaard fabricagekosten crediteer je nu drie aparte rekeningen in rubriek 6 voor de standaardkosten. De producten worden in het magazijn ook tegen de standaard kostprijs opgenomen. Op de rekening 700 Voorraad gereed product boek je in totaal 1.750 x € 900 = € 1.575.000. De journaalpost uit het productieregister ziet er zo uit.
De boekingen tot nu toe vind je terug in het schema hierna.
9
Controlevragen Welke rekening in rubriek 4 gebruik je voor de overboeking van de kosten uit rubriek 4 naar rubriek 6?
10
Waarom gebruik je in rubriek 4 uitsluitend één rekening voor de overboeking van de kosten?
11
In rubriek 6 komen de werkelijke en de standaardkosten tegenover elkaar te staan. Aan welke kant (debet of credit) boek je de standaardkosten?
KORTOM
Rubriek 6: de fabricagerekeningen – Vanuit rubriek 4 boek je de fabricagekosten over naar rubriek 6. – Voor de overboeking van de kosten vanuit rubriek 4 gebruik je uitsluitend de rekening 499 Overboekingsrekening. – Door het gebruik van rekening 499 Overboekingsrekening houd je in rubriek 4 op alle andere rekeningen overzicht over de kosten gegroepeerd naar kostensoort. – De werkelijke fabricagekosten komen in rubriek 6 op de rekeningen:
© ThiemeMeulenhoff
19
17
19
20
20
• 6.. Grondstofverbruik; • 6.. Betaalde lonen; • 6.. Overige fabricagekosten. – Bij het overboeken van de eindproducten naar de rekening 7.. Voorraad gereed product, crediteer je rubriek 6 tegen de standaard fabricagekosten. – In rubriek 6 crediteer je de volgende rekeningen: • 6.. Standaard grondstofverbruik; • 6.. Standaardlonen; • 6.. Standaard overige fabricagekosten.
1.6
HOE ANALYSEER IK HET FABRICAGERESULTAAT? In "Hoe gebruik ik rubriek 6 bij een industriële onderneming?" heb je gezien hoe je: – de werkelijke fabricagekosten in rubriek 6 debiteert; – de standaard fabricagekosten in rubriek 6 crediteert. Je kunt nu de voortgang tijdens het fabricageproces analyseren met de rekeningen in rubriek 6. Voor zover mogelijk ga je de efficiencyverschillen en prijsverschillen op de grondstoffen, de lonen en overige fabricagekosten vaststellen. Extracomptabele en intracomptabele calculatie Het berekenen van efficiencyverschillen en prijsverschillen met calculaties of berekeningen noem je extracomptabele calculatie van de prijs- en efficiencyverschillen. Je gebruikt daarbij geen (comptabele) gegevens uit de boekhouding. Je zult zien dat je deze verschillen ook kunt vaststellen door de bedragen op grootboekrekeningen te vergelijken. Dit noem je intracomptabele calculatie.
TIP De prijs- en efficiencyverschillen kun je zowel extracomptabel als intracomptabel berekenen. In het volgende voorbeeld zie je hoe je bij Plesman de prijs- en efficiencyverschillen berekent. De rekeningen in rubriek 6 geven bij Plesman over de maand januari 2010 het volgende beeld.
Uit de urenadministratie is op te maken dat er in januari 2010 14.400 arbeidsuren zijn geweest. Je ziet nu hoe je de volgende vragen kunt beantwoorden. 1. Grondstoffen: a. Bepaal de fabricageresultaten op de grondstofkosten intracomptabel. b. Geef aan of er een voordelig of nadelig resultaat is. c. Laat zowel extracomptabel als intracomptabel zien dat dit fabricageresultaat volledig uit een efficiencyverschil bestaat. 2. Lonen:
18
20
© ThiemeMeulenhoff
20
21
21
a. Bepaal intracomptabel het fabricageresultaat op de lonen. b. Laat extracomptabel zien dat dit fabricageresultaat op lonen is te splitsen in een prijsverschil en een efficiencyverschil. 3. Overige fabricagekosten: a. Bepaal het fabricageresultaat op de overige fabricagekosten. b. Laat zien dat dit fabricageresultaat op de overige fabricagekosten bestaat uit zowel prijsverschillen als efficiencyverschillen. c. Is er een voordelig of een nadelig resultaat? Grondstoffen 1a: Je kunt de saldi van de twee grondstofrekeningen in rubriek 6 vergelijken. Je stelt dan intracomptabel het fabricageresultaat op de grondstofkosten vast.
Grondstoffen 1b: Het werkelijke verbruik is hoger dan het standaard toegestane grondstofverbruik. Er is dus een nadelig fabricageresultaat op de grondstofkosten van € 22.500. Grondstoffen 1c: De bedragen op de rekening 600 Grondstofverbruik en de rekening 610 Standaard grondstofverbruik zijn beide tegen de standaardprijs berekend. De vaste verrekenprijs van de grondstof is in dit geval de standaardprijs. Dat betekent dat een verschil tussen de bedragen op deze rekeningen alleen maar een hoeveelheidsverschil (of in vaktaal: een efficiencyverschil) kan zijn. Je kunt dat hierna met een extracomptabele berekening zien. Op de rekening 600 Grondstofverbruik staat het werkelijke aantal kilogram (75.000 kg) grondstoffen omgerekend tegen de standaardprijs (VVP): WH x SP = 75.000 x € 15 = € 1.125.000. Op de rekening 610 Standaard grondstofverbruik staan uitsluitend standaardgegevens, omdat je met de standaard kostprijs werkt, dus: SH x SP. De standaardhoeveelheid in kilogram bij een productie van 1.750 eenheden Avia bedraagt: 1.750 x 42 kg = 73.500 kg. Het standaard directe grondstofverbruik is: SH x SP = 73.500 x € 15 = € 1.102.500. Het efficiencyverschil op grondstoffen is: (SH – WH) x SP = (73.500 – 75.000) x € 15 = 1.500 x € 15 = € 22.500 (V). Dit nadelige efficiencyverschil van € 22.500 is gelijk aan het verschil tussen de rekeningen 600 Grondstofverbruik en 610 Standaard grondstofverbruik. Je kunt dit efficiencyverschil dus intracomptabel vaststellen door de saldi van de rekeningen 600 Grondstofverbruik en 610 Standaard grondstofverbruik te vergelijken, zoals je voor deze rekeningen hebt gezien.
© ThiemeMeulenhoff
21
19
21
22
22
Lonen 2a: Als je de saldi van de rekeningen 630 Betaalde lonen en 611 Standaardlonen vergelijkt, krijg je het fabricageresultaat op de lonen.
Lonen 2b: Op de rekening 630 Betaalde lonen staan de werkelijk betaalde lonen. Op de rekening 611 Standaardlonen staan uitsluitend standaardhoeveelheden en standaardprijzen. Samengevat: – rekening 630: WH x WP; – rekening 611: SH x SP. Je hebt in de urenadministratie gezien dat er 14.400 arbeidsuren zijn geweest. Op de lonen is er: – een prijsverschil (SP x WP) x WH; – een efficiencyverschil (SH x WH) x SP. Je kunt het nadelige fabricageresultaat van € 11.790 extracomptabel dus splitsen in een prijsverschil en efficiencyverschil. Schematisch ziet de splitsing in een prijsverschil en efficiencyverschil er zo uit.
Je kunt nu het prijsverschil en efficiencyverschil op de lonen berekenen.
Als je het schema invult, ziet dat er zo uit.
20
22
© ThiemeMeulenhoff
22
23
23
Als je beide verschillen optelt, zie je het nadelige fabricageresultaat op de lonen.
Overige fabricagekosten 3a: Als je de saldi van de rekeningen 602 Overige fabricagekosten en 612 Standaard overige fabricagekosten vergelijkt, krijg je het fabricageresultaat op de overige fabricagekosten.
Overige fabricagekosten 3b en 3c: De rekening 602 Overige fabricagekosten is vanuit rubriek 4 gedebiteerd voor de werkelijke overige fabricagekosten: WH x WP. Op de rekening 612 Standaard overige fabricagekosten is geboekt: SH x SP. Dat betekent dat het fabricageresultaat op deze rekening bestaat uit een hoeveelheidsverschil of efficiencyverschil (WH x SH) en een prijsverschil (WP x SP). Er zijn echter geen gegevens beschikbaar om dit verschil te splitsen in een efficiencyverschil en een prijsverschil.
12
Controlevragen Waarom bestaat het fabricageresultaat op het grondstofverbruik in rubriek 6 uitsluitend uit een efficiencyverschil?
13
Wanneer boek je het prijsverschil op grondstoffen als je bij inkoop boekt tegen een vaste verrekenprijs?
KORTOM
Analyse van het fabricageresultaat – Je hebt een extracomptabele calculatie als je een berekening maakt zonder de bedragen op grootboekrekeningen in de boekhouding te gebruiken. – Je hebt een intracomptabele calculatie als je een berekening maakt door gebruik te maken van de bedragen die op grootboekrekeningen in de boekhouding staan.
© ThiemeMeulenhoff
23
21
23
24
24
– Het fabricageresultaat op het grondstofverbruik in rubriek 6 bestaat uitsluitend uit een efficiencyverschil of hoeveelheidsverschil. – Prijsverschillen op grondstoffen boek je bij het gebruik van een vaste verrekenprijs al in rubriek 3 op de rekening 3.. Prijsverschillen bij inkoop. – Het fabricageresultaat op de lonen kun je extracomptabel splitsen in: • een prijsverschil; • een efficiencyverschil. – Het prijsverschil bereken je zo: WH x (SP – WP). – Het efficiencyverschil bereken je zo: (SH – WH) x SP.
1.7
HOE BEPAAL IK INTRACOMPTABEL HET PRIJS- EN EFFICIENCYVERSCHIL OP DE LOONKOSTEN? In "Hoe analyseer ik het fabricageresultaat?" wordt uitgelegd hoe je het prijsverschil en het efficiencyverschil op de lonen extracomptabel berekent. Deze verschillen zijn niet rechtstreeks op de rekeningen 630 Betaalde lonen en 611 Standaardlonen in de boekhouding af te lezen. Het verschil tussen de rekening bestaat namelijk uit zowel een prijsverschil als een efficiencyverschil.
Het is prettig als de boekhouding zo is ingericht dat je deze verschillen in de boekhouding wél ziet. De chef van de fabricageafdeling is immers verantwoordelijk voor het efficiencyverschil, maar niet voor het prijsverschil. Je leert hoe je de boekhouding zo inricht dat je intracomptabel de prijs- en efficiencyverschillen op de lonen kunt bepalen. In de boekhouding ontbreken tot nu toe de rekeningen voor de lonen waarop de werkelijke hoeveelheid x standaardprijs (WH x SP) staat. Zoals je ziet in het schema hierna heb je WH x SP nodig om zowel het prijsverschil als het efficiencyverschil uit de boekhouding te kunnen vaststellen.
Je gaat twee nieuwe rekeningen gebruiken waarop WH x SP komt te staan. De journaalpost waarmee deze twee rekeningen worden geboekt, maak je aan de hand van het werkelijke aantal arbeidsuren (WH) x het standaard uurloon (SP). Door deze journaalpost kun je nu ook intracomptabel het prijsverschil en het efficiencyverschil op de lonen in rubriek 6 vaststellen:
22
24
© ThiemeMeulenhoff
24
25
25
Zoals in het schema al met de diagonale pijl is aangegeven, kun je hier één journaalpost van maken.
In het volgende voorbeeld zie je hoe je bij Plesman het prijs- en efficiencyverschil op de lonen intracomptabel vaststelt. Bij Plesman is de standaard fabricagekostprijs van een eenheid Avia zo samengesteld. Zie ook "Hoe gebruik ik rubriek 4 bij een industriële onderneming?"
De rekeningen 630 Betaalde lonen en 611 Standaardlonen tonen op 31 januari 2010 het volgende beeld. Zie ook "Hoe analyseer ik het fabricageresultaat?"
Arbeidsurenregister Aantal gewerkte arbeidsuren: 14.400. Ook is bekend dat er deze maand 1.750 eenheden Avia zijn geproduceerd en in het magazijn zijn afgeleverd. Je moet ervoor zorgen dat tussen de rekeningen 630 Betaalde lonen en 611 Standaardlonen twee rekeningen komen waarop het werkelijke aantal arbeidsuren x het standaard uurloon (WH x SP) staat. In het arbeidsurenregister van januari 2010 staat het werkelijke aantal arbeidsuren over de maand januari. Met deze gegevens kun je de journaalpost maken die je in staat stelt intracomptabel het prijs- en efficiencyverschil op de lonen te bepalen.
© ThiemeMeulenhoff
25
23
25
26
26
Omgerekend tegen het standaard uurloon, krijg je: WH x SP = 14.400 x € 25 = € 360.000. Dit boek je op: – 601 Lonen: deze rekening debiteer je voor WH x SP = € 360.000; – 631 Verrekende lonen: deze rekening crediteer je voor WH x SP = € 360.000. De journaalpost ziet er zo uit.
Nadat je de journaalpost hebt uitgewerkt, kun je met vier grootboekrekeningen intracomptabel het efficiencyverschil en het prijsverschil op de lonen vaststellen.
Het spreekt vanzelf dat de resultaten overeenkomen met het extracomptabel berekende prijs- en efficiencyverschil op de lonen in "Hoe analyseer ik het fabricageresultaat?" In het volgende schema zie je de boekingen van Plesman tot en met rubriek 6. Hieruit kun je de prijsen efficiencyverschillen op de lonen aflezen.
24
26
© ThiemeMeulenhoff
26
27
27
14
Controlevragen Welke twee extra rekeningen moet je in rubriek 6 toevoegen om intracomptabel het prijs- en efficiencyverschil op de lonen te kunnen bepalen?
15
Welke twee rekeningen in rubriek 6 heb je nodig om het efficiencyverschil op de lonen te kunnen bepalen?
KORTOM
Prijs- en efficiencyverschil op de lonen intracomptabel bepaald – Als je in rubiek 6 de volgende twee extra grootboekrekeningen invoert, kun je in rubriek 6 ook intracomptabel het prijs- en efficiencyverschil op de lonen vaststellen: • 6.. Lonen; • 6.. Verrekende lonen. – Je maakt een journaalpost tussen de twee extra grootboekrekeningen 6.. Lonen en 6.. Verrekende lonen. Op de journaalpost komt: WH x SP. – Het werkelijke aantal arbeidsuren voor de extra journaalpost op de rekeningen 6.. Lonen en 6.. Verrekende lonen vind je in het arbeidsurenregister. – Je kunt nu het efficiencyverschil op de lonen in rubriek 6 bepalen door het verschil te nemen tussen de rekeningen 6.. Lonen en 6.. Standaardlonen. – Je kunt nu het prijsverschil op de lonen in rubriek 6 bepalen door het verschil te nemen tussen de rekeningen 6.. Betaalde lonen en 6.. Verrekende lonen.
1.8
HOE GEBRUIK IK RUBRIEK 8 BIJ EEN INDUSTRIËLE ONDERNEMING? In een industriële onderneming worden geen kant-en-klare producten ingekocht, maar geproduceerd. Rubriek 8 heeft bij dit soort ondernemingen dan ook een ander karakter. In rubriek 8 boek je de verkoopopbrengsten, de standaard fabricagekosten van de verkochte eindproducten en de verkoopkosten. Ook verantwoord je hier de kwantumkortingen (rabatten) die aan klanten worden verstrekt. De opbrengst van de verkopen na aftrek van de verstrekte rabatten noem je de netto-opbrengst. In het volgende voorbeeld zie je hoe je bij Plesman rubriek 8 gebruikt. Over de verkopen over de maand januari 2010 zijn bij Plesman de volgende gegevens beschikbaar.
De journaalpost die je van deze verkoop en aflevering gaat maken, lijkt erg op de journaalpost van de handelsonderneming. Toch is er één belangrijk verschil. Bij een handelsonderneming is er sprake van de inkoopwaarde van de verkopen. Een handelsonderneming verkoopt immers producten door. Een industriële onderneming maakt eindproducten zelf via een fabricageproces. Je maakt daarom bij een industriële onderneming gebruik van de rekening 800 Kostprijs verkopen (in plaats van 8.. Inkoopwaarde van de verkopen). De journaalpost ziet er zo uit.
© ThiemeMeulenhoff
27
25
27
28
28
Als je de verkoopopbrengst vermindert met de kostprijs verkopen, stel je in rubriek 8 het transactieresultaat vast. Dat houdt in dat je het verschil moet bepalen tussen de rekeningen 840 Opbrengst verkopen en 800 Kostprijs verkopen.
In dit voorbeeld komen de verkoopkosten nog niet voor. Daardoor kun je volstaan met het in mindering brengen van de standaard fabricagekosten op de opbrengst verkopen. De fabricagekosten zijn in dat geval gelijk aan de commerciĂŤle kosten. Als er wel verkoopkosten zijn, moet je die bij het bepalen van het transactieresultaat uiteraard ook in mindering brengen op de opbrengst verkopen. Het schema van alle boekingen tot en met rubriek 8 ziet er zo uit.
16
Controlevragen Waaruit bestaat het transactieresultaat?
26
28
Š ThiemeMeulenho
28
29
29
KORTOM
1.9
Rubriek 8: de verkooprekeningen – In rubriek 8 boek je de verkoopopbrengsten, de standaard fabricagekosten van de verkochte eindproducten en de verkoopkosten. – Het verkoop- of transactieresultaat bepaal je in rubriek 8 door de verkoopopbrengst te verminderen met de standaard fabricagekosten van de verkochte eindproducten en de verkoopkosten.
HOE GEBRUIK IK RUBRIEK 9 BIJ EEN INDUSTRIËLE ONDERNEMING? In de leereenheid Projectmatig werken zie je hoe je een bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening samenstelt. Op een bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening vermeld je de kosten niet in een categoriale indeling, maar in deze indeling: – transactieresultaat; – de efficiencyverschillen; – de prijsverschillen; – bezettingsverschillen; – enzovoort. In de leereenheid Projectmatig werken stel je de bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening op. Je doet dit door de resultaten uit de verschillende rubrieken over te boeken naar rubriek 9. Rubriek 9 gebruik je dus om de bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening samen te stellen. Hoe dit in zijn werk gaat, bekijk je alvast aan de hand van een voorbeeld bij Plesman.
TIP Sla eventueel "Hoe analyseer ik het fabricageresultaat?" tot en met "Hoe gebruik ik rubriek 8 bij een industriële onderneming?" er nog eens op na. Het overzicht van de rubrieken 6 en 8 van de grootboekrekeningen ziet er zo uit.
Omdat de bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening met het transactieresultaat begint, kijk je eerst hoe het transactieresultaat in rubriek 9 terechtkomt.
© ThiemeMeulenhoff
29
27
29
30
30
Bij Plesman is er een voordelig transactieresultaat van € 160.000. Dat betekent dat je de rekening 940 Transactieresultaat crediteert (HEV +, dus crediteren) voor dit bedrag. Bij de overboeking vanuit rubriek 8 maak je gebruik van de rekening 899 Overboekingsrekening. Als je een overboekingsrekening gebruikt, houd je op de verschillende afzonderlijke rekeningen in rubriek 8 zicht op de opbrengsten en kosten over het gehele jaar. Na deze overboeking zal rubriek 8 in evenwicht zijn. De journaalpost van de overboeking van het transactieresultaat ziet er zo uit.
Vervolgens komen de verschillende fabricageresultaten uit rubriek 6 ook op de bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening terecht. Het resultaat op de overige fabricagekosten is voordelig ( W € 7.340). De rekening 902 Resultaat op overige fabricagekosten moet je daarom crediteren. Alle andere fabricageresultaten samen zijn in de maand januari 2010 nadelig (– € 22.500 + – € 10.000 + – € 1.790 = – € 34.290). De andere rekeningen in rubriek 9 moet je daarom debiteren (HEV – , dus debiteren). Per saldo bedraagt het nadelige fabricageresultaat: – € 34.290 + € 7.340 = – € 26.950. De overboeking vanuit rubriek 6 doe je ook hier via een speciale rekening: 699 Overboekingsrekening. Na deze overboekingen zal rubriek 6 in evenwicht zijn. De journaalpost van de overboeking van de fabricageresultaten naar rubriek 9 ziet er zo uit.
Nadat alle resultaten uit rubriek 6 en 8 zijn overgeboekt, kun je de bedrijfseconomische resultaten met de grootboekrekeningen in rubriek 9 samenstellen.
28
30
© ThiemeMeulenhoff
30
31
31
Het volledige schema van de boekingen bij Plesman met homogene massaproductie ziet er nu zo uit.
17
Controlevragen Waarvoor kun je rubriek 9 bij een industriële onderneming gebruiken?
18
Wanneer moet je een rekening in rubriek 9 crediteren?
KORTOM
Rubriek 9: de winst-en-verliesrekening – Op een bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening bepaal je het bedrijfsresultaat door achtereenvolgens te vermelden: • het transactieresultaat; • de prijsverschillen; • de efficiencyverschillen; • de bezettingsverschillen; • enzovoort. – Rubriek 9 kun je bij een industriële onderneming gebruiken om de bedrijfseconomische winst-en-verliesrekening samen te stellen.
© ThiemeMeulenhoff
31
29
31