Onderneming en omgeving Basiskennis economie voor het hoger onderwijs
dr. R. Schรถndorff drs. J.F.B. Pleus dr. C.A. de Kam
Woord vooraf We zijn voortgegaan op de weg de algemene economie niet als vak op zichzelf te zien, maar als dienstbaar aan het beroepsprofiel van de opleiding dat meestal in de vorm van projecten tot uitdrukking wordt gebracht.
Omdat de voorkennis van studenten op het gebied van de algemene economie
zeer verschillend is, biedt deze methode een tekst die van weinig of geen voorken nis uitgaat, maar die toch snel ter zake komt. In latere jaren kan – afhankelijk van de richtingkeuze – dieper op bepaalde onderwerpen ingegaan worden.
Vanwege het feit dat de beschikbare contacturen onder druk staan, is gekozen voor een aanpak die zelfwerkzaamheid van de student mogelijk maakt en stimuleert.
De methode speelt wat de inhoud betreft in op deze ontwikkelingen door de alge meen economische verschijnselen te presenteren als omgevingsfactoren voor de
onderneming. Daartoe is aansluiting gezocht bij de hoofdlijnen van de theorie van het strategisch management. De onderneming en haar participanten (de onder
nemingsleiding, werknemers, aandeelhouders, banken, leveranciers, afnemers en
overheid) zijn ingebed in een maatschappelijke context, de omgevingsfactoren. We noemen: de concurrentieverhoudingen, de economische situatie, de invloed van
het overheidsbeleid, de rol van werknemers en werkgeversorganisaties, de econo mische orde, het milieu als randvoorwaarde en de betekenis van het buitenland.
De afgelopen jaren zijn op financieel en economisch gebied buitengewoon ingrij pende en interessante dingen gebeurd. Een hypothekencrisis in de VS ging over in een bankencrisis die al spoedig wereldwijd om zich heen greep. Overheden
die omvallende banken moesten redden kregen problemen met hun begroting. Er ontstond een schuldencrisis, landen dreigden failliet te gaan. In de loop van
2009 begonnen de financiële moeilijkheden door te werken in de reële economie. Doordat de banken ernstig waren verzwakt moesten zij hun kredietverlening aan
consumenten en ondernemers beperken. Deze laatsten werden genoodzaakt hun
bestedingen terug te brengen. Hierdoor kwamen de VS en Europa in een zeer ern stige recessie terecht.
Opbouw van de methode
Onderneming en omgeving bestaat uit een handboek, een studiehandleiding en
een website. Handboek en studiehandleiding verschijnen in boekvorm, de website staat op internet en is vrij toegankelijk.
Handboek
Het Handboek is opgebouwd uit vijf delen. Elk deel bestaat uit hoofdstukken.
Er zijn in totaal vierentwintig hoofdstukken. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een begrippenlijst.
III
Studiehandleiding
De Studiehandleiding is als volgt opgebouwd: Per hoofdstuk zijn er: ■ ■
een omschrijving van de leerdoelen van het hoofdstuk; een verwijzing naar interessante internetsites.
Per paragraaf zijn er: ■ ■
een samenvatting;
vragen en opdrachten, die overwegend reproductief zijn, erop gericht na te
gaan of het geleerde goed is begrepen; ■
drie soorten opgaven: relatief eenvoudige opgaven die dicht bij de leerstof
aansluiten, opgaven waarin de toepassing van de leerstof op nieuwe situaties
vooropstaat en opgaven met een onderzoekselement. Bij dit onderzoek gaat het om het verkrijgen en verwerken van economische en financiële informatie.
Website
Op de website zijn te vinden: ■ ■ ■ ■ ■
uitwerkingen van de vragen, opdrachten en opgaven uit de Studiehandleiding; een zelftoets per hoofdstuk in de vorm van meerkeuzevragen met feedback; een appendix met economisch en wiskundig gereedschap; een appendix met eenvoudige speltheorie; interessante links.
Men kan uit twee leerwegen kiezen: de traditionele, waarbij eerst een hoofdstuk
uit het Handboek wordt bestudeerd waarna de toets op de website en de vragen, opdrachten en opgaven uit de Studiehandleiding worden gemaakt. Het is ook
mogelijk dat men de toets op de website als startpunt kiest en vervolgens pro
beert de vragen, opdrachten en opgaven uit de Studiehandleiding te beantwoor den. Waar nodig kan het Handboek erbij worden betrokken.
Een woord van dank is op zijn plaats aan de docenten die ons suggesties voor verbetering hebben doen toekomen.
Voor kritische opmerkingen van de kant van studenten en docenten houden wij ons opnieuw gaarne aanbevolen. De auteurs,
oktober 2014
IV
Inhoud
Deel I Omgevingsfactoren en micro-economie 1
Omgevingsfactoren
2
1.1
Schaarste dwingt tot kiezen
1.3
De economische wetenschap
1.2
1.4 1.5
1.6 1.7
1.8
1.9
2
Kiezen als je niet weet wat de ander doet Produceren, productiefactoren
Participanten en omgevingsfactoren
Strategisch management
3
6
7
10
14
Onderzoek van de omgevingsfactoren
15
Algemene economie en bedrijfseconomie
Ondernemingen in Nederland
De juridische structuur
1.12
Private equity: onrust in het Nederlandse bedrijfsleven
2
19
16
17
1.10
1.11
Balans, resultatenrekening, kengetallen
Interne en externe factoren
2.3
De bedrijfsindeling volgens het CBS
2.2 2.4 2.5
21
Onderzoek van de omgevingsfactoren
2.1
34
De onderneming in de bedrijfskolom Concurrentie binnen de bedrijfstak Macro足, meso足 en micro足economie
I
26
34
34
37
39
41
2.6
Belangrijke samenhangen die de algemene economie kan verhelderen
3
Markt en afzet
Marktvormen
3.3
Doelstellingen en marktgedrag
54
De prijselasticiteit van de afzet
58
3.4 3.5
4
46
46
3.1
3.2
Prijsvorming bij volkomen concurrentie De vraag naar een goed
56
Productie: kosten en opbrengsten
4.1
De lange足 en kortetermijnbeslissing
4.3
Variabele en constante kosten
4.2 4.4 4.5
4.6 4.7
4.8
Afnemende meerproductie
65
67
64
De aanbieder bij volkomen concurrentie Monopolie Oligopolie
42
72
77
50
64
70
Strategische situatie bij homogeen oligopolie opgelost met speltheorie De dynamiek van markten
83
79
V
5
Marktmechanisme en invloed van de overheid
5.1
Wie neemt de beslissingen?
5.3
Het marktmechanisme en optimale allocatie
5.2 5.4 5.5
5.6
6
Nederland als overlegeconomie
Regulering door de overheid
Het natuurlijk milieu
6.3
Externe effecten
6.5
6.6
97
Het wereldenergievraagstuk Het milieubeleid
101
Geen afval meer
105
7.1
104
Macro-economische begrippen
7.4
Het nationaal inkomen
7.6
8
110
De economische situatie als omgevingsfactor
Macroeconomische cijfers
7.5
111
Formele en informele economie 114
De economische kringloop
110
113
119
De confrontatie van middelen en bestedingen
Macroaanbod en macrovraag
123
126
8.1
Productiecapaciteit en normale bezettingsgraad
8.3
De vraagkant van de economie: de GVlijn
8.5
Verschuiving van de GVlijn
8.2
8.4 8.6
9
De aanbodkant van de economie: de GAlijn
Onder en overbesteding
131
Verschuiving van de GAlijn
Conjunctuur en groei
132
133
135
9.1
Productiegroei, indexcijfers
9.3
Verklaring van de productiegroei
9.2 9.4
9.5
VI
109
7.2
7.3
95
98
100
Optimaal schoonmaken
91
90
97
Deel II Macro-economie 7
94
Discussie over het marktwerkingsbeleid
Ecologie en economie
6.4
88
Tekortkomingen van het prijsmechanisme
6.1
6.2
87
Trend en conjunctuur
138
135 143
Kosten en baten van de productiegroei Een eenvoudige groeitheorie
149
147
127
129
126
87
10
De arbeidsmarkt
157
10.1
Onderneming en arbeidsmarkt
10.3
Vraag en aanbod lopen niet in de pas
10.2
De arbeidsmarkt
157
157
162
10.4 Conjunctuur en structuurwerkloosheid
164
10.5
Conjunctuur of onderbestedingswerkloosheid
10.7
Het arbeidsvoorwaardenoverleg
10.6 Structuurwerkloosheid in enge zin
170
173
166
10.8 Stakingsdreiging als onderhandelingsinstrument
10.9 De arbeidsmarkt op termijn
177
Deel III Geld en financiĂŤle markten 11
Geld en bankwezen
Banken en bedrijven
182
11.3
Banken in Nederland
184
11.4 11.5
11.6
Geld en geldfuncties
182
De kernactiviteit van het bankwezen Geldschepping door banken
Toezicht op de banken
190
De kredietcrisis
11.9
Overige dienstverlening aan bedrijven
12
192
188
189
11.7
11.8
Financiering van het bedrijfsleven
De betekenis van het geld
194
202
12.1
Onderneming en monetaire politiek
12.3
De klassieke kwantiteitstheorie
12.2 12.4 12.5
13
13.1
13.2
13.3
Rente
203
De keynesiaanse visie De monetaristen
210
De centrale bank
206
212
De Europese Centrale Bank
197
202
205
212
Geschiedenis van de Economische en Monetaire Unie in vogelvlucht De brede gelddefinitie
215
13.4
De pijlers van het monetaire beleid
13.6
Geldpolitiek en begrotingsbeleid
13.5
181
182
11.1
11.2
176
216
De instrumentenkast van de Europese Centrale Bank 219
212
217
VII
14
Inflatie
223
14.1
Inflatie schept onzekerheid
223
14.3
Het meten van prijsinflatie
224
14.2
Het begrip inflatie
223
14.4 De gevolgen van prijsinflatie 230
227
14.5
Prijsdeflatie
14.7
Een grafische benadering van bestedingsinflatie
14.6 De oorzaken van prijsinflatie
14.8 Inflatiebestrijding
230
234
14.9 De monetaristische kijk op inflatiebestrijding
15
15.1
15.2 15.3
De vermogensmarkt
Financieringsvormen De kapitaalmarkt
Aandelen
15.6
Obligaties
15.5 15.7
242
236
239
239
De vermogensmarkt
15.4
232
240
241
De koersvorming van aandelen
245
De koersvorming van obligaties
250
248
Deel IV Internationale economische betrekkingen 16
De betalingsbalans
256
16.1
Nederland in de wereld
16.3
De monetaire opstelling van de betalingsbalans
16.2
De betalingsbalans
257
256
16.4 Internationale kredieten van banken 16.5
Het formele evenwicht nader bekeken
16.6 Nationale onder en overbesteding
17
De wisselkoers
17.3
Wisselkoersrisico’s
17.2 17.4 17.5
17.6 17.7
17.8
VIII
269
Internationaal betalen in de praktijk 271
De koopkrachtpariteitstheorie De vraag en aanbodtheorie
De wisselkoers op korte termijn
Devaluatie en revaluatie
De euro onder vuur
280
278
273
274
262
264
Internationaal betalingsverkeer
17.1
261
277
269 270
259
255
18
Internationaal handelsverkeer en economische integratie
18.1
Globalisering
18.3
De geschiedenis van de Europese eenwording
18.2
Blokvorming
285
286
18.4 De organisatie van de Unie
292
290
18.5
De Europese begroting
18.7
Het mededingingsbeleid en het sociale beleid
18.6 De Europese landbouwpolitiek
19
Vrijhandel en protectie
19.1
Van GATT naar WTO
19.3
De analyse van Porter
19.2
287
295
299
299
Comparatieve kostenverschillen 305
19.4 Vrijhandel en protectie
293
301
308
19.5
Ontwikkelingslanden in een globaliserende wereld
19.7
Protectie loont niet
19.6 Instrumenten van protectie
311
312
19.8 Airbus tegen Boeing
316
19.9 Handelsoverleg als spel
310
317
Deel V Collectieve sector en macro-economische politiek 20
20.1
Collectieve sector: omvang en betekenis
Onderneming en overheid
322
20.2 Prijsmechanisme en budgetmechanisme 20.3 Overheidsingrijpen: onmisbaar
329
20.4 Functies van het overheidsingrijpen 20.5 Allocatiefunctie
332
20.6 Stabilisatiefunctie 20.7 Verdelingsfunctie 20.8 Belastingstelsel
21
341
344
Centrale overheid
349
21.3
Ontvangsten van de centrale overheid
21.5
Begrotingsbeleid
21.6 21.7
Uitgaven van de centrale overheid
Saldo van uitgaven en ontvangsten Overheidsschuld
327
336
340
Prinsjesdag en de begrotingscyclus
21.4
322
334
21.1
21.2
321
332
20.9 Gedragsreacties op belastingheffing 20.10 De wig
285
356
357
Naar houdbare overheidsfinanciĂŤn
349
351
353
355
359
IX
22
Decentrale overheden
362
22.1
Taakverdeling tussen bestuurslagen
362
22.3
Ontvangsten van gemeenten en provincies
23
Sociale zekerheid en zorg
22.2 Uitgaven van gemeenten en provincies
22.4 EMU足saldo
372
23.1
De verzorgingsstaat
23.3
Ziektekosten
23.2
Inkomensregelingen
374
383
374
388
23.5
Economische gevolgen
23.7
393
Prijs van de sociale zekerheid
23.6 Volume van de sociale zekerheid
23.8 Uitvoeringsorganisatie 399
397
398
23.10 Toekomst van de sociale zekerheid
24
24.1
369
378
23.4 Aanvullende pensioenen
23.9 Armoede
368
Macro-economische politiek
395
400 406
Het overheidsbeleid als omgevingsfactor
406
24.2 Doelstellingen van de macro足economische politiek 24.3 Instrumenten van economische politiek 24.4 Het conjunctuurbeleid
24.5 Het loon足 en prijsbeleid
410
411
24.6 Instrumenten van het structuurbeleid 24.7 Verschillende standpunten
414
410
407
412
24.8 Economische ontwikkeling en overheidsbeleid vanaf 2007
24.9 Twee voor het conjunctuurverloop belangrijke grootheden 24.10 Het Centraal Planbureau
420
24.11 Plannenmakers en uitvoerders van de economische politiek
24.12 Adviseurs op het terrein van de economische politiek
Register
X
428
425
416
417 425
Omgevingsfactoren en micro-economie
I
1 Omgevingsfactoren 2 2 Onderzoek van de omgevingsfactoren 34 3 Markt en afzet 46 4 Productie: kosten en opbrengsten 64 5 Marktmechanisme en invloed van de overheid 87 6 Het natuurlijk milieu 97
Hoofdstuk 1 Omgevingsfactoren
1 Omgevingsfactoren 1.1 Schaarste dwingt tot kiezen De directrice van een hboinstelling heeft op dinsdag in totaal vijf uur beschik baar voor ofwel werken aan haar studie management ofwel afspraken met
medewerkers. Uit ervaring weet ze dat elk gesprek ruim een uur duurt. Zo’n uur gaat dan ten koste van een uur studie. Dit eenvoudige voorbeeld laat zien dat zij de beperkte tijd die ze heeft, op verschillende manieren kan gebruiken. Ze prioriteiten
wordt gedwongen tot het maken van keuzen. Ze moet prioriteiten stellen.
Dit voorbeeld laat zien dat er keuzen gemaakt moeten worden. En bovendien dat het in de economie niet alleen om geld gaat. Ook tijd kan schaars zijn. In figuur 1.1 is dit keuzevraagstuk getekend. Figuur Figuur 1.1 1.1 De beschikbare middelen
De keuze tussen studie en gesprekken voeren uren studie
(5 uren) geven de grens van de mogelijkheden aan
5
B
(lijnstuk AB). De directrice wil vanuit de uitgangssituatie R (3 gesprekken en 2 uren studie) een uur extra studeren (richting
4 S
3
punt S). Zij moet dan een gesprek minder voeren.
R
2
Meer van het één betekent minder van het ander.
1 0
1
2
3
4
5
A
uren gesprekken voeren
In het ene uiterste geval wordt de volledige 5 uur besteed aan studie en hele
maal niets uitgetrokken voor het voeren van gesprekken (punt B). In het andere
uiterste geval wordt geen tijd besteed aan studie en alle tijd aan het voeren van gesprekken (punt A). Er zijn ook tussenoplossingen denkbaar, bijvoorbeeld 2 uur studeren en 3 uur gesprekken voeren (punt R). Gegeven het beschikbare tijd
budget van 5 uren worden de haalbare combinaties van uren studeren en uren gesprekken voeren aangegeven door de driehoek 0AB. We nemen daarbij aan
dat het beschikbare tijdbudget helemaal wordt opgemaakt. Dit betekent dat de directrice een combinatie op de lijn AB kiest, bijvoorbeeld punt R.
2
Macro-economie
7 Macro-economische begrippen 110 8 Macroaanbod en macrovraag 126 9 Conjunctuur en groei 135 10 De arbeidsmarkt 157
II
Hoofdstuk 7 Macro-economische begrippen
7 Macro-economische begrippen 7.1 De economische situatie als omgevingsfactor In deel I is het venster van waaruit de ondernemer zijn omgeving bekijkt, steeds iets verder opengezet. Het begon met het microniveau. Daarbij staan de con
currentieverhoudingen op in en verkoopmarkten en de prijsvorming centraal. Daarna is aandacht besteed aan sectoren en bedrijfstakken: het mesoniveau. macroniveau
In de nu volgende hoofdstukken behandelen wij het macroniveau. Hierbij gaat
het om de economie als geheel: de nationale productie, het nationaal inkomen, het algemeen prijsniveau en dergelijke. De macroomgeving heeft een grote
invloed op het dagelijks ondernemingsbeleid, al lijkt ze er wat verder van weg te staan. Bij het opstellen van zijn begroting voor het volgend jaar of bij het
formuleren van een middellangetermijnplan stuit de ondernemer steeds op de vraag hoe bepaalde macroeconomische grootheden zich zullen ontwikkelen.
Verkoopopbrengsten en productiekosten worden beïnvloed door de algemene
economische situatie, zowel hier als in het buitenland. Neem bijvoorbeeld een
ondernemer die een zondagskrant op de markt wil brengen. Naast tal van vra
gen op het micro en mesoniveau zijn de volgende meer macrogetinte kwesties
voor hem van belang. Hoe staat het met de economie? Hebben de consumenten vertrouwen in de toekomst? Geven ze gemakkelijk geld uit? Zijn ze bereid een
nieuw product te accepteren? Of staat het er slecht voor, voelen mensen zich in hun baan bedreigd en groeien de inkomens nauwelijks? Hoe staat het met de
reclamebudgetten van ondernemingen? Zijn er veel vacatures waarvoor adver
tenties worden geplaatst? Is het moeilijk of eenvoudig om aan goed geschoold
personeel te komen? Hoe is het met de lonen in de dagbladsector gesteld? Wat gaat er met de belastingtarieven gebeuren? Gaat de lange rente omhoog of omlaag? Is het lastig om aan krediet te komen?
Op dergelijke vragen zijn antwoorden te vinden uit allerlei bronnen.
Verschillende internationale organisaties proberen toekomstige economische
en financiële ontwikkelingen zo goed mogelijk in kaart te brengen. In ons land centraal bureau voor de statistiek (cbs)
publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijferreeksen over econo
centraal planbureau (cpb)
stige ontwikkelingen te verkennen. Ondernemers en beleggers kunnen te rade
mische trends uit het verleden. Het Centraal Planbureau (CPB) probeert toekom gaan bij gespecialiseerde vakbladen. Banken geven advies. Dagelijks berichten bovendien de dagbladen en televisie over de gang van zaken in de economie,
hier en elders in de wereld. Internet is een zeer bruikbare informatiebron, waar bij vooral een zoekmachine als Google een uitstekend hulpmiddel is. Wie al de aangeboden informatie wil kunnen ordenen, volgen en interpreteren, moet
over de nodige macroeconomische kennis beschikken. Dit hoofdstuk presen 110
Geld en financiĂŤle markten
11 Geld en bankwezen 182 12 De betekenis van het geld 202 13 De centrale bank 212 14 Inflatie 223 15 De vermogensmarkt 239
III
Hoofdstuk 11 Geld en bankwezen
11 Geld en bankwezen 11.1 Banken en bedrijven bankwezen
Een goed functionerend bankwezen is van groot belang voor het bedrijfsleven. Ten eerste verschaffen de banken kredieten aan bedrijven. Banken trekken
middelen aan, bijvoorbeeld spaargeld, en zij kunnen op basis hiervan weer
leningen verstrekken. Die kredietverlening kan verschillende vormen hebben.
Bijvoorbeeld: rekeningcourantkrediet, huurkoop, leasing en exportfinanciering.
In de tweede plaats heeft het bankwezen een belangrijke taak bij het verzorgen van het betalingsverkeer. Vooral bij nationale en internationale girale betalin
gen. Dit zijn overboekingen van de ene naar de andere bankrekening. Maar ook belangrijk is de dienstverlening van banken bij het dekken van valutarisico’s futures
met behulp van valutatermijntransacties (futures) en valutaopties.
In de derde plaats bieden banken hun diensten aan in het kader van het provi siebedrijf. Voorbeelden hiervan zijn de effectenbemiddeling (zoals het begelei den van een aandelenemissie) en merchant banking (het voor bedrijven en de overheid bemiddelen bij kapitaalmarkttransacties).
Ten slotte treden de banken op als adviseur voor het bedrijfsleven, vooral bij het zakendoen in het buitenland. Zij bieden de ondernemer daar niet alleen onder steuning bij de nodige bankzaken, maar hun buitenlandse vestigingen bieden
ook hulp met hun kennis van lokale handelsgebruiken, douanebepalingen, wet geving enzovoort.
Het bankwezen biedt ondernemingen een breed assortiment aan diensten. Onder meer: kredietverlening, giraal betalingsverkeer, dekking van valutarisico’s, effectenbemiddeling en merchant banking.
11.2 Geld en geldfuncties geld
Onder geld verstaan we elk ruilmiddel dat in ruime kring wordt geaccepteerd.
De koopkracht ervan is niet beperkt tot één goed of enkele goederen, zoals bij
bitcoins
cadeaubonnen, koffiemuntjes en bitcoins. Onder bitcoins verstaan we het elek tronisch ‘geld’ dat op steeds grotere schaal wordt gebruikt voor transacties op
internet. Een ruilmiddel wordt pas geld genoemd als je het in alle opzichten als ongedifferentieerde koopkracht
ruilmiddel kunt gebruiken. Anders gezegd: geld is een ruilmiddel met ongedif-
ruilmiddel
Geld heeft in onze economie drie functies. Ten eerste is het een ruilmiddel. Door
ferentieerde koopkracht.
geld te gebruiken wordt de ruil in tweeën gesplitst. Bijvoorbeeld: de onderne
mer betaalt in ruil voor de geleverde arbeid zijn personeel een salaris uit in geld. 182
Internationale economische betrekkingen
16 De betalingsbalans 256 17 Internationaal betalingsverkeer 269 18 Internationaal handelsverkeer en economische integratie 285 19 Vrijhandel en protectie 299
IV
Hoofdstuk 16 De betalingsbalans
16 De betalingsbalans 16.1 Nederland in de wereld open economie
Nederland heeft een erg open economie: zowel invoer als uitvoer vormen een
hoog percentage van ons nationaal product. In 2013 besteedde Nederland voor een bedrag van 384 miljard euro aan buitenlandse goederen. Daar stond een
exportopbrengst tegenover van 428 miljard euro. Uitgedrukt als percentage van invoerquote uitvoerquote
het bruto binnenlands product (605 miljard euro) levert dat een invoerquote op van circa 64% en een uitvoerquote van bijna 71%. Een cijfer dat nog meer bete
kenis krijgt als je het vergelijkt met de uitvoerquote van een aantal andere lan den: Duitsland, GrootBrittannië, Canada (circa 30%) en Japan en de Verenigde Staten (iets meer dan 10%).
De goedereninvoer en uitvoer van Nederland richten zich voornamelijk op de overige lidstaten van de Europese Unie (EU). In 2013 kochten wij daar 52% van onze import. Onze voornaamste buitenlandse leveranciers waren Duitsland
(17%), België (11%), China (8%), het Verenigd Koninkrijk (7%) en de Verenigde
Staten (7%). Van onze export had 74% de EU als bestemming. Veruit onze groot ste afnemer is Duitsland (25%). Op de tweede tot en met de vijfde plaats staan achtereenvolgens België (11%), Frankrijk (9%), het Verenigd Koninkrijk (9%), en Italië (5%).
Het internationale karakter van de Nederlandse economie blijkt niet alleen uit het handelsverkeer met het buitenland. De Europese eenwording heeft een
sterke impuls gegeven aan de Nederlandse investeringen in andere Europese
landen. Omgekeerd groeiden ook de investeringen van Europa in Nederland in snel tempo.
De openheid van de Nederlandse economie blijkt uit de hoogte van onze
uitvoer- en invoerquote, maar ook uit de groei van de grensoverschrijdende investeringen.
Ongeveer 27% van de Nederlandse invoer had in 2013 betrekking op machi
nes en vervoermaterieel. Hierbij ging het om de import van personenauto’s,
vrachtwagens, treinstellen, computers en andere kapitaalgoederen. Daarnaast is de invoer van minerale brandstoffen (19%) en chemische producten (13%)
van belang. Ook in het exportpakket nemen machines en vervoermaterieel een grote plaats in (25%). De agrarische oriëntatie van Nederland blijkt onder meer uit het aandeel van de categorie voedingswaren en levende dieren (13%). Ook
256
V
Collectieve sector en macroeconomische politiek
20 Collectieve sector: omvang en betekenis 322 21 Centrale overheid 349 22 Decentrale overheden 362 23 Sociale zekerheid en zorg 374 24 Macro-economische politiek 406
Hoofdstuk 20 Collectieve sector: omvang en betekenis
20 Collectieve sector: omvang en betekenis 20.1 Onderneming en overheid Ondernemingen en gezinnen vormen samen de private sector van de economie. collectieve sector
Daarnaast bestaat de collectieve sector. De collectieve sector omvat alle instan ties die dwingend belastingen en andere heffingen kunnen opleggen, zonder
dat daar een direct aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat. De collectieve sector bestaat uit vier onderdelen: n het
Rijk (ook: rijksoverheid, centrale overheid), dit zijn de ministeries in Den
Haag en de door ministers beheerde begrotingsfondsen;
n de
overige centrale overheid: daartoe horen onder andere de universiteiten
en hogescholen, en verzelfstandigde rijksdiensten, zoals de Dienst Uitvoering Onderwijs (voert de regeling van de studiefinanciering uit);
n de
decentrale overheden (ook: lagere overheden, lokale overheden): gemeen
n de
sociale fondsen: de fondsen met geld voor de sociale verzekeringen, de
ten, provincies en waterschappen;
organisaties die de sociale wetten uitvoeren en de instanties die daar weer toe zicht op houden.
Op veel manieren hebben ondernemers met instanties uit de collectieve sec tor te maken. Om hun bedrijf te kunnen uitoefenen, dienen zij te beschikken
over uiteenlopende vergunningen van de overheid, bijvoorbeeld om bepaalde
afvalstoffen in het milieu te mogen lozen. Verder moeten hun producten vaak
voldoen aan wettelijk geregelde kwaliteitseisen. Zo mogen boeren hun koeien geen groeihormoon toedienen. Ondernemers zijn verplicht tot twee jaar lang
het salaris van hun zieke werknemers door te betalen. Over hun winst dienen
zij belasting af te dragen. Een en ander laat zien dat regelgeving door de over
heid bedrijven kan opzadelen met veel verplichtingen en hoge administratieve
lasten. Daarnaast komen ondernemingen de overheid tegen als marktpartij: de overheid is zowel klant als concurrent.
De overheid als klant
Ministeries, gemeenten en andere overheidsinstanties zijn belangrijke afne
mers van het bedrijfsleven. Zo is het Ministerie van Defensie een grote klant
van scheepswerf Koninklijke Schelde Groep BV in Vlissingen, waar in de loop
van de jaren veel oorlogsschepen voor de Koninklijke Marine van stapel liepen. Aannemers in de weg en waterbouw zijn voor hun binnenlandse omzet gro
tendeels afhankelijk van aanbestedingen door het Ministerie van Infrastructuur
322
Onderneming en omgeving is een toegankelijke en helder geschreven methode algemene economie voor studenten in het hoger beroepsonderwijs. De auteurs zijn uitgegaan van nauwelijks of geen voorkennis op het gebied van economie, maar komen steeds snel ter zake. Onderneming en omgeving is zeer geschikt voor zelfstandig werken. In Onderneming en omgeving worden de algemene economische verschijnselen gepresenteerd als omgevingsfactoren voor de onderneming. De onderneming en haar participanten (de ondernemingsleiding, werknemers, aandeelhouders, banken, leveranciers, afnemers en overheid) zijn ingebed in een maatschappelijke context, de omgevingsfactoren. Voorbeelden van die omgevingsfactoren zijn concurrentieverhoudingen, overheidsbeleid, werknemers- en werkgeversorganisaties, het milieu en het buitenland. In deze herziene editie heeft de financiĂŤle crisis die in 2009 begon, en de wereldwijde recessie die daarop volgde vanzelfsprekend een plaats gekregen. Het hoofdstuk over sociale zekerheid is geheel herzien en aangepast aan de huidige wet- en regelgeving. Onderneming en omgeving bestaat uit een handboek, een studiehandleiding met diverse opdrachten, en de website www.ondernemingenomgeving.nl.