Skip to main content

Op niveau onderbouw vmbo-kgt

Page 1

Nederlands Leeropdrachtenboek Jacqueline Buhler Hanneke Luth-van den Berg Geertje Plug Rob van Veen Stephan Verhoeff Eindredactie Ezra van Wilgenburg Jante Rittersma Met medewerking van: Hetty van den Berg Tamara van den Berg Iris Meijsing

Op niveau onderbouw 2e editie Leerjaar 1 vmbo-kgt

17049_Blok 1-6_kgt.indb 1

2/04/15 16:15


Vormgeving

Methodeoverzicht

Omslag en blokopeningen:

Op niveau onderbouw 2e editie is op de volgende manier opgebouwd:

Sproud, Sanneke Prins Binnenwerk: DATBureau,

leerjaar 4 4b

4k

4gt

Amsterdam

leerjaar 3 3b

3k

3gt

3h

3v

leerjaar 2 2bk

2(k)gt

2(t)h

2hv

2v

leerjaar 1 1bk

1kgt

1th

1hv

1v

Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort

De methode is voor de leerling op drie manieren te gebruiken: boek

Bureauredactie

leerling boek

Bureau Sproet, Zutphen

docent

mix

digitaal

boek + startlicentie

totaallicentie

boek + startlicentie boek + startlicentie of totaallicentie totaallicentie

Dyslexie In de opmaak hebben we zo veel mogelijk rekening gehouden met dyslectische leerlingen.

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is dé educatieve mediaspecialist en levert educatieve oplossingen voor het Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Middelbaar Beroepsonderwijs en Hoger Onderwijs. Deze oplossingen worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de onderwijsmarkt en dragen bij aan verbeterde leeropbrengsten en individuele talentontwikkeling. ThiemeMeulenhoff haalt het beste uit élke leerling. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 088 800 20 15. ISBN 978 90 06 92154 0 Tweede druk, eerste oplage, 2015 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

17049_Voorwerk blok 1-6_kgt.indd 2

7/04/15 15:16


Inhoud

17049_Blok 1-6_kgt.indb 3

Introductie

4

Leerstofoverzicht

5

Blok 1

8

Blok 2

59

Blok 3

107

Blok 4

158

Blok 5

208

Blok 6

259

Register

305

Afspraken en regels Schrijven

307

Leesplan

308

Rubrics Schrijven

309

Rubrics Spreken

311

Rubrics Gesprekken

313

Verantwoording

315

2/04/15 16:15


Introductie

Over Op niveau onderbouw 2e editie Fictie

Deze paragraaf gaat over jeugdboeken, gedichten en schrijvers, waarbij je lees- en discussievragen beantwoordt.

Grammatica

Je leert hoe de taal is opgebouwd en hoe je zinnen moet ontleden.

Spelling

Je oefent het foutloos leren schrijven van werkwoordsvormen en andere woorden.

Over taal

Je vergroot je woordenschat en je komt te weten hoe taal in het dagelijks leven wordt gebruikt.

Lezen

Je leert hoe teksten in elkaar zitten, zodat je ze beter kunt begrijpen.

Schrijven

Je leert hoe je goede teksten kunt schrijven.

Spreken, kijken en luisteren

Je leert beter spreken, kijken en luisteren.

Projectopdracht

Een opdracht waarbij je toepast wat je in het blok hebt geleerd.

Twee routes Je kunt de opdrachten op twee manieren doorwerken: Per blok (lineair) of per vaardigheid (modulair). Lineair 1 kgt

blok 1

blok 2

blok 3

blok 4

blok 5

blok 6

1 Fictie

Verhaal • Caja Cazemier (Kussen en krullen) • leesboek uitkiezen: leessmaak Gedicht • veel wit • zinnen in groepjes • soms rijm

Verhaal • Tanja de Jonge (Tijdrovers) • fictie en non-fictie • leeservaring: mening geven met beoordelingswoorden

Verhaal • Lydia Rood (De jongen die in de muur verdween) • verhaalsoorten Gedicht • rijm

Verhaal • Fedor de Beer (Het kindertransport) • hoofdpersoon en bijfiguren • personen beschrijven • eigenschappen

Verhaal • Helma Camp (Het comavirus) • spanning: gevaar, bijzondere plek, geheim, uitstel Gedicht • gepaard rijm • gekruist rijm • zelf een gedicht schrijven

Verhaal • Maren Stoffels (Verliefd op alle 3.) • eigenschappen • hoofdpersoon en bijpersonen beschrijven • relaties tussen personages

2 Grammatica • werkwoord

• werkwoord: persoonsvorm, voltooid deelwoord, heel werkwoord • tegenwoordige tijd en verleden tijd • persoonsvorm: tijdproef

• persoonsvorm (pv) in zin met meer ww • werkwoordelijk gezegde (wwg) • zelfstandig naamwoord • lidwoord

• persoonsvorm (pv) • werkwoordelijk gezegde (wwg) • bouwplan van een zin, zinsdelen • onderwerp • getalproef

• bijvoeglijk naamwoord • voorzetsel

• herhaling

3 Spelling

• ou/au en ei/ij • werkwoord: ik-vorm, stam, vervoegen, klankverandering • dictee: ou/au en ei/ij

• klankgroepen • korte en lange klanken • persoonsvorm tegenwoordige tijd • i/ie • dictee: korte en lange klanken en i/ie

• klankvaste en klankveranderende werkwoorden • persoonsvorm verleden tijd • korte en lange klank • dictee: i/ie, ou/au, ei/ij, korte of lange klank

• persoonsvorm verleden tijd • ‘t kofschip • voltooid deelwoord • meervoud van zelfstandige naamwoorden • g/gg/ch • dictee: g/gg/ch, werkwoordspelling

• voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord • bezitsvorm • getallen • dictee: bezitsvorm, getallen

• herhaling • dictee: i/ie, ou/au, ei/ij, ch/g/gg

4 Over taal

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • alfabetiseren • woordenboek: woorden opzoeken

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • woordenboek: zoekwoorden • deel - geheel

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • stappenplan moeilijke woorden: geheel + stap 1 (tegenstellingen) + andere woorden • woordenboek gebruiken: grondwoorden • samenstellingen

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • stappenplan moeilijke woorden: stap 2 stukjes van het woord • woordenboek gebruiken: kiezen uit meer dan een betekenis • figuurlijk taalgebruik

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • stappenplan moeilijke woorden: stap 3 kijk naar de afbeelding • woordenboek gebruiken: de-woorden en het-woorden • beeldtaal

Woordenschat • herhaling schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • stappenplan moeilijke woorden: gebruik een tegenovergesteld woord in de context. • woordenboek gebruiken: afkortingen • van werkwoorden zelfstandige naamwoorden maken • rubriceren

5 Lezen

• leesdoel bepalen • tekstdoelen: informeren, amuseren, overhalen • tekstsoorten • tekstvormen

• verkennend lezen • onderwerp van een tekst bepalen • leesplan

• alinea’s en tussenkopjes • inleiding, middenstuk, slot • tekstdoel: uitleg geven • zoekend lezen

• deelonderwerp • grondig lezen

• kernzin • tekstdoel overtuigen

• herhaling

6 Schrijven

• tekstdoel, tekstsoort en tekstvorm • taalverzorging: hoofdletters en leestekens (punt, uitroepteken, vraagteken) • tekst schrijven: artikel in de schoolkrant

• 5W+1H-vragen • informatie zoeken op het internet • taalverzorging: persoonsvorm • tekst schrijven: nieuwsbericht

• publiek • taalverzorging: taalgebruik afstemmen op publiek • tekst schrijven: nette e-mail

• taalverzorging: in eigen woorden schrijver en bron vermelden • uiteenzettende tekst • tekst schrijven: artikel voor de buurtkrant

• reclametekst • figuurlijk taalgebruik • tekst schrijven: reclametekst

• herhaling

7 Spreken, kijken en luisteren

• monoloog, dialoog, groepsgesprek • leestekens, spreekpauze • stemgebruik: toonhoogte, tempo, volume, intonatie • aankondiging

• doel • doelgroep • onderwerp • soorten programma’s • aantekeningen maken • formele taal-informele taal

• luistermanieren: globaal, precies, selectief • vervolg voorspellen • onderwerp, deelonderwerpen • geloofwaardigheid van sprekers • letterlijk en figuurlijk taalgebruik • radiocommercial

• spreekdoel • publiek • taalgebruik en stemgebruik • informatie uit een tekst halen • tv-fragment

• onderwerp en spreekdoel • overtuigen • argumenten • overtuigende tekst presenteren

• inleiding, kern, slot • instructie herkennen en uitvoeren • beeld en gesproken tekst • instructiefilmpje maken

8 Project

• drie verschillende soorten teksten over spreekbeurten vergelijken Alle vaardigheden

• tekst schrijven over een andere tijd Fictie, Schrijven

• jezelf presenteren als de meest betrouwbare klusser Schrijven, SKL

• schriftelijk en mondeling reclame maken voor Parijs of New York Over taal, Schrijven, SKL

• reclame maken voor vrijwilligerswerk in de vakantie Schrijven, Spreken

•stripheldenspel maken Alle vaardigheden

17049_Blok 1-6_kgt.indb 4

Modulair

2/04/15 16:15


Introductie

Methodesite Op de website www.opniveau-online.nl staat aanvullend materiaal: startlicentie

totaallicentie

leerling formulieren kijk- en luisterfragmenten woordenlijsten en begrippen werkwijzer grammatica en grammaticaanimaties werkwijzer werkwoordspelling bijspijkeropdrachten bij de lesstof leesapp opstroommodule alle onderdelen van de leerlingstartlicentie lesstof (theorie en opdrachten)

docent alle onderdelen van de leerlingstartlicentie docentenhandleiding antwoorden lesbrieven Jonge Jury

alle onderdelen van de startlicentie alle onderdelen van de leerlingtotaallicentie toetsen Schooltas (pdf van leeropdrachtenboek)

Leesapp In de leesapp van Op niveau staan diverse leestips voor jeugdboeken. Je kunt onder andere zoeken op leeftijd, genre en moeilijkheidsgraad. Opstroommodule Als je volgend jaar naar een hoger niveau gaat, kun je je kennis bijspijkeren met de opstroommodule. Lesbrieven Jonge Jury Elk jaar komen er nieuwe lesbrieven van Jonge Jury over de nieuwste boeken. Verwijzingen Voor deze opdracht heb je (een computer met toegang tot) internet nodig.

Bij deze opdracht hoort een formulier dat je kunt vinden op www.opniveau-online.nl.

Deze opdracht kun je bewaren in je leesmap.

Voor deze opdracht heb je een van de drie rubrics nodig. Deze staan achter in het boek en op de website.

Bij deze opdracht hoort een kijk- of luisterfragment dat je kunt vinden op de website.

Deze opdracht is een plusopdracht. 1F

2F

2F Een verwijzing naar het referentiekader taal (1F - Op weg naar 2F – 2F)

O B I T Een verwijzing naar OBIT. R T T I Een verwijzing naar RTTI. Alle opdrachten en toetsen van Op niveau onderbouw 2e editie zijn gelabeld volgens de methodieken OBIT en de RTTI. Deze labeling staat in het grijs (O B I T) en in blauw (R T T I) voor de opdracht.

17049_Blok 1-6_kgt.indb 5

2/04/15 16:15


Leerstofoverzicht

1 kgt

blok 1

blok 2

blok 3

1 Fictie

Verhaal • Caja Cazemier (Kussen en krullen) • leesboek uitkiezen: leessmaak Gedicht • veel wit • zinnen in groepjes • soms rijm

Verhaal • Tanja de Jonge (Tijdrovers) • fictie en non-fictie • leeservaring: mening geven met beoordelingswoorden

Verhaal • Lydia Rood (De jongen die in de muur verdween) • verhaalsoorten Gedicht • rijm

2 Grammatica • werkwoord

• werkwoord: persoonsvorm, voltooid deelwoord, heel werkwoord • tegenwoordige tijd en verleden tijd • persoonsvorm: tijdproef

• persoonsvorm (pv) in zin met meer ww • werkwoordelijk gezegde (wwg) • zelfstandig naamwoord • lidwoord

3 Spelling

• ou/au en ei/ij • werkwoord: ik-vorm, stam, vervoegen, klankverandering • dictee: ou/au en ei/ij

• klankgroepen • korte en lange klanken • persoonsvorm tegenwoordige tijd • i/ie • dictee: korte en lange klanken en i/ie

• klankvaste en klankveranderende werkwoorden • persoonsvorm verleden tijd • korte en lange klank • dictee: i/ie, ou/au, ei/ij, korte of lange klank

4 Over taal

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • alfabetiseren • woordenboek: woorden opzoeken

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • woordenboek: zoekwoorden • deel - geheel

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • Stappenplan moeilijke woorden: geheel + stap 1 (tegenstellingen) + andere woorden • woordenboek gebruiken: grondwoorden • samenstellingen

5 Lezen

• leesdoel bepalen • tekstdoelen: informeren, amuseren, overhalen • tekstsoorten • tekstvormen

• verkennend lezen • onderwerp van een tekst bepalen • Leesplan

• alinea’s en tussenkopjes • inleiding, middenstuk, slot • tekstdoel: uitleg geven • zoekend lezen

6 Schrijven

• tekstdoel, tekstsoort en tekstvorm • taalverzorging: hoofdletters en leestekens (punt, uitroepteken, vraagteken) • tekst schrijven: artikel in de schoolkrant

• 5W+1H-vragen • informatie zoeken op het internet • taalverzorging: persoonsvorm • tekst schrijven: nieuwsbericht

• publiek • taalverzorging: taalgebruik afstemmen op publiek • tekst schrijven: nette e-mail

7 Spreken, kijken en luisteren

• monoloog, dialoog, groepsgesprek • leestekens, spreekpauze • stemgebruik: toonhoogte, tempo, volume, intonatie • aankondiging

• doel • doelgroep • onderwerp • soorten programma’s • aantekeningen maken • formele taal-informele taal

• luistermanieren: globaal, precies, selectief • vervolg voorspellen • onderwerp, deelonderwerpen • geloofwaardigheid van sprekers • letterlijk en figuurlijk taalgebruik • radiocommercial

8 Project

• drie verschillende soorten teksten over spreekbeurten vergelijken Alle vaardigheden

• tekst schrijven over een andere tijd Fictie, Schrijven

• jezelf presenteren als de meest betrouwbare klusser Schrijven, SKL

17049_Blok 1-6_kgt.indb 6

2/04/15 16:15


er ww

woorden

Leerstofoverzicht

blok 4

blok 5

blok 6

Verhaal • Fedor de Beer (Het kindertransport) • hoofdpersoon en bijfiguren • personen beschrijven • eigenschappen

Verhaal • Helma Camp (Het comavirus) • spanning: gevaar, bijzondere plek, geheim, uitstel Gedicht • gepaard rijm • gekruist rijm • zelf een gedicht schrijven

Verhaal • Maren Stoffels (Verliefd op alle 3.) • eigenschappen • hoofdpersoon en bijpersonen beschrijven • relaties tussen personages

• persoonsvorm (pv) • werkwoordelijk gezegde (wwg) • bouwplan van een zin, zinsdelen • onderwerp • getalproef

• bijvoeglijk naamwoord • voorzetsel

• herhaling

• persoonsvorm verleden tijd • ‘t kofschip • voltooid deelwoord • meervoud van zelfstandige naamwoorden • g/gg/ch • dictee: g/gg/ch, werkwoordspelling

• voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord • bezitsvorm • getallen • dictee: bezitsvorm, getallen

• herhaling • dictee: i/ie, ou/au, ei/ij, ch/g/gg

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • Stappenplan moeilijke woorden: stap 2 stukjes van het woord • woordenboek gebruiken: kiezen uit meer dan een betekenis • figuurlijk taalgebruik

Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten • andere woorden Kijk naar taal • Stappenplan moeilijke woorden: stap 3 kijk naar de afbeelding • woordenboek gebruiken: de-woorden en het-woorden • beeldtaal

Woordenschat • herhaling schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • Stappenplan moeilijke woorden: gebruik een tegenovergesteld woord in de context. • woordenboek gebruiken: afkortingen • van werkwoorden zelfstandige naamwoorden maken • rubriceren

• deelonderwerp • grondig lezen

• kernzin • tekstdoel overtuigen

• herhaling

• taalverzorging: in eigen woorden schrijver en bron vermelden • uiteenzettende tekst • tekst schrijven: artikel voor de buurtkrant

• reclametekst • figuurlijk taalgebruik • tekst schrijven: reclametekst

• herhaling

• spreekdoel • publiek • taalgebruik en stemgebruik • informatie uit een tekst halen • tv-fragment

• onderwerp en spreekdoel • overtuigen • argumenten • overtuigende tekst presenteren

• inleiding, kern, slot • instructie herkennen en uitvoeren • beeld en gesproken tekst • instructiefilmpje maken

• schriftelijk en mondeling reclame maken voor Parijs of New York Over taal, Schrijven, SKL

• reclame maken voor vrijwilligerswerk in de vakantie Schrijven, Spreken

•stripheldenspel maken Alle vaardigheden

17049_Blok 1-6_kgt.indb 7

2/04/15 16:15


Blok Fictie 2.1 2.2

96

Vragen voor een informerende tekst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 Informatie zoeken op internet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 Taalverzorging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99 Spreken, kijken en luisteren

2.16 2.17

90

Verkennend lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90 Schrijven

2.13 2.14 2.15

84

Woordenschat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84 Kijk naar taal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87 Lezen

2.12

78

Weet je het nog? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79 Korte en lange klanken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81 I of ie? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83 Over taal

2.10 2.11

72

Weet je het nog? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72 Tegenwoordige tijd en verleden tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73 Zinsontleding – Werkwoordsvormen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74 Spelling

2.6 2.7 2.8 2.9

60

Lekker lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60 Over lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66 Grammatica

2.3 2.4 2.5

2

101

Kijken en luisteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 Spreken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104 Projectopdracht

106

59

17049_Blok 1-6_kgt.indb 59

2/04/15 16:17


Fictie

2

Aan het einde van deze paragraaf: • begrijp je wat fictie en wat non-fictie is; • kun je voorbeelden geven van vormen van fictie en non-fictie; • kun je je mening geven over een verhaal door beoordelingswoorden te gebruiken.

2F

2.1 Lekker lezen Een bijzondere ontmoeting Siem heeft zijn ouders beloofd op zijn jongere zus Marit te passen. Samen sluiten ze een deal. Siem gaat voetballen en Marit gaat naar een vriendin. Ze spreken af om vijf uur thuis te zijn, ruim voordat hun ouders zijn teruggekeerd. Maar Marit houdt zich niet aan de afspraak. Siems ouders zijn niet alleen bezorgd, maar ook woedend op hun zoon. De volgende ochtend in alle vroegte trekt Siem erop uit, vastberaden zijn zus op te sporen …

5

10

15

Siem keek opzij. Een meisje in een leren jack keek hem nieuwsgierig aan. Half voor haar gezicht hing een lange lok pikzwart haar. Haar huid stak er wit bij af. Haar ogen waren donker opgemaakt, ze had een piercing door haar neus. Siem bekeek haar nieuwsgierig. Bij haar voeten zat een grote zwarte hond, met een kortharige vacht, zijn tong hing uit zijn bek en hij hijgde enorm. Siem vond het een griezel. ‘Heb je het koud?’ vroeg het meisje. Ze was een stuk ouder dan hij, dat zag hij wel. Maar hij zou niet kunnen zeggen hoe oud ze precies was. Zeventien? Twintig? Siem haalde zijn schouders op. Hij voelde zich alleen en ellendig. De hond kwam snuffelend dichterbij. Siem deed onmiddellijk een stap achteruit. Toen ze het zag, trok ze met kracht aan een zwarte riem. ‘Nee, Bandar. Hier! Hij doet niks hoor. Hij ziet er misschien een beetje gevaarlijk uit, maar hij is eigenlijk heel lief. Net als ik,’ grapte ze. ‘Hou je niet van honden?’ ‘Eh…’ zei Siem. Hij was altijd een beetje bang geweest voor honden, al vanaf toen hij heel klein was. Maar dat zei hij liever nooit. Daar schaamde hij zich voor. Zoiets kon je toch ook niet zeggen tegen zo’n stoer type!

60

17049_Blok 1-6_kgt.indb 60

2/04/15 16:17


2

20

25

30

35

40

45

50

55

60

Fictie

‘Geeft niks hoor,’ zei het meisje, alsof ze zijn gedachten raadde. ‘Ik houd Bandar goed aan de riem.’ Ze trok de hond dichter naar zich toe en sloeg de riem demonstratief een paar keer rond haar hand om hem korter te maken. Ze keek om zich heen. ‘Wat sta je hier eigenlijk te doen? Wacht je op iemand?’ ‘Ja. Nee. Nou, eigenlijk zoek ik iemand,’ verklaarde hij schoorvoetend. ‘Mijn zus is kwijt. Ze is hier het laatst gezien. Bij het busstation. Sinds gistermiddag is ze verdwenen. Niemand weet waar ze is.’ ‘Jee, wat erg. En denk je dat ze hier terug zal komen?’ ‘Nee, dat denk ik niet,’ zei Siem. ‘Waarom sta je hier dan?’ ‘Ik weet het niet.’ Het was inderdaad niet logisch om hier te gaan staan, een halve dag nadat Marit hier was gezien. ‘Ik weet niet waar ik anders zou moeten zoeken.’ Hij slikte. Hij voelde plotseling tranen prikken achter zijn oogleden. Als hij nu maar niet zou gaan huilen. Wat moest ze dan wel van hem denken. Het meisje legde een hand op zijn schouder. ‘Wat is er precies gebeurd dan?’ vroeg ze zacht. Ze had grijsgroene ogen onder al die make-up, zag Siem. Wat bijzonder, dat dit vreemde meisje ineens zo aardig voor hem was, schoot het door zijn hoofd. Hij begon te vertellen over dat hij gistermiddag beloofd had zijn zus in de gaten te houden, omdat zijn moeder met tante Ella naar het ziekenhuis moest. Dat hij geen zin had gehad om thuis te blijven en was gaan voetballen. Dat hij en Marit een afspraak hadden gemaakt om allebei om vijf uur thuis te zijn, maar dat Marit niet was komen opdagen. Het meisje met de piercing luisterde naar zijn verhaal, terwijl ze op een kauwgom kauwde. Soms keek ze even op, als er een bus het plein opreed. Ze zei niets. Toen hij uitverteld was, trok ze een pakje kauwgom uit haar zak en bood hem er ook een aan. ‘En wat nu?’ vroeg ze. Siem stak de kauwgom in zijn mond. Hij haalde moedeloos zijn schouders op. ‘Ik weet niet waar ik moet beginnen met zoeken. Ik weet niet wat er nu moet gebeuren.’ ‘Wat zou je willen dat er gebeurde?’ vroeg ze. Siem keek haar verbaasd aan. ‘Wat ik zou willen?’ ‘Ja.’ ‘Ik zou willen dat Marit gewoon weer thuiskwam natuurlijk,’ antwoordde Siem. ‘En als dat niet gebeurt?’ ‘Het moet,’ zei Siem. ‘Het is mijn schuld dat ze weg is. Ik had haar niet uit het oog mogen verliezen. Marit moet gewoon weer terugkomen. En ik moet ervoor zorgen dat het gebeurt. Hoe dan ook.’ ‘Misschien kunnen ze je helpen bij Mirage,’ zei het meisje. Het klonk een beetje achteloos. ‘Bij wat?’ ‘Mirage,’ zei ze. ‘Dat is het bedrijf waarvoor ik werk.’ In haar zak zocht ze nu naar iets. Ze trok allerlei dingen tevoorschijn. Kassabonnetjes, papieren zakdoekjes, het pakje kauwgom van daarnet. De hond begon onrustig rond haar benen te draaien. ‘Zit, Bandar!’ gebood ze fel. De hond gehoorzaamde. Ten slotte vond ze een beduimeld visitekaartje, dat ze Siem aanreikte.

61

17049_Blok 1-6_kgt.indb 61

2/04/15 16:17


Fictie

65

70

75

80

85

2

Hij nam het uit haar hand en bekeek het. Er stonden zilveren lijnen op en glanzende letters die het woord Mirage vormden. Onder de naam Mirage stond: ‘Jillus Spackman haalt uw vervlogen uren terug.’ En: ‘Dit kaartje is uw sleutel.’ Het zag er geheimzinnig uit. Op de achterkant stond een adres. ‘Je mag het kaartje hebben,’ zei het meisje. ‘Misschien kan Jillus je helpen. Ga naar hem toe en vertel hem over je zusje. Zeg hem dat Lena je gestuurd heeft, dat ben ik, dan zal hij je zeker helpen. Op het aangegeven adres veeg je gewoon met dit kaartje over de bel, het is je sleutel tot Mirage. Verlies het niet. Zonder sleutel kom je er niet binnen.’ Siem keek verbaasd naar het stukje papier in zijn hand. Hoe kon dit een sleutel zijn? Zat er een soort chip in of zo? Hij hield het tegen het licht, maar zag niets bijzonders. Het was alleen wel erg verkreukt. Werkte een chip nog wel als je hem zo verkreukelde? Een stadsbus kwam het plein op rijden tot bij de halte aan de overkant. ‘Daar is mijn bus,’ zei het meisje plotseling. Ze trok Siem nog even aan zijn arm. ‘Ga naar Jillus,’ zei ze nadrukkelijk. ‘Hij helpt je. En nog iets: onze klanteningang heeft een geheim adres, om privacy redenen. Dat kan lastig zijn, maar als je niet te snel opgeeft, vind je het wel.’ Ze liet hem los en liep gehaast weg. De hond trok ze stevig met zich mee. ‘Maar,’ protesteerde Siem. ‘Succes hoor,’ riep ze nog over haar schouder. ‘Ja, maar hoe…? Wacht even! Ik…’ Toen verdween ze uit het zicht. Twee tellen later zag hij haar achter het raam van de bus door het gangpad lopen. Ze keek niet meer naar buiten, naar waar Siem stond. Haar aandacht was gericht op de hond, die blijkbaar niet goed wilde meewerken. Toen het voertuig begon te rijden, moest Lena zich vastgrijpen aan een stang. Siem deed onwillekeurig een stap achteruit. Verbaasd staarde hij de bus na. Na enig zoeken vindt Siem het aangegeven adres. Zodra hij het visitekaartje over de bel veegt, wordt hij opgeslokt door een soort suizende tunnel. Even later bevindt hij zich in een lege ruimte helemaal omgeven door spiegels.

90

95

100

Toen bewoog een van de spiegels. Er kwam een gat in, ter grootte van een deuropening. Een lange man stapte de ruimte in. Soepel liep hij op Siem af. Hij droeg een donkerblauw pak, van een wat glanzende stof. Zijn bruine haar lag golvend over zijn hoofd. Zijn gezicht straalde van de lach. Mooie, witte tanden had hij, als uit een reclame voor tandpasta. Hij zag er gebruind uit, alsof hij zojuist teruggekomen was van een vakantie op Ibiza. De man stak zijn hand uit. ‘Welkom bij Mirage. Mijn naam is Jillus Spackman,’ zei hij enthousiast. ‘Manager,’ voegde hij er op vertrouwelijke toon aan toe. Hij omsloot Siems vingers met beide handen. ‘En jij bent? Mag ik “jij” zeggen?’ ‘Ja,’ zei Siem. ‘Ik ben Siem Verkerk.’ Hij voelde zich een beetje ongemakkelijk met de manier waarop de man zijn hand bleef vasthouden. Voorzichtig trok hij zijn hand terug en keek op, om te zien of hij meneer Spackman niet beledigde met zijn gebaar. Jillus Spackman trok een bereidwillig gezicht. ‘Wat kan ik voor je doen, Siem?’

62

17049_Blok 1-6_kgt.indb 62

2/04/15 16:17


2

105

110

115

120

125

Fictie

‘Ik, eh, ben gestuurd door Lena.’ ‘Mijn zus,’ verklaarde Jillus. ‘Uw zus?’ vroeg Siem verbaasd. Hoe kon deze man nu de broer zijn van dat stoere meisje bij de bussen? Zo’n totaal ander type. Ongelofelijk. ‘Ze zei dat ze bij Mirage wérkte.’ ‘Dat klopt,’ zei Jillus serieus. ‘Mirage is een familiebedrijf.’ Siem wees om zich heen. ‘Wat is dit eigenlijk?’ vroeg hij nieuwsgierig. ‘Ik bedoel, wat doen jullie hier?’ ‘Heeft Lena dat helemaal niet verteld?’ Jillus Spackman lachte. ‘Net wat voor Lena. Wij halen vervlogen uren terug,’ zei hij. Hij keek Siem veelbetekenend aan, alsof die beschrijving alles verklaarde. ‘Ja, dat las ik op het kaartje, maar wat betekent dat?’ vroeg Siem. ‘Wij helpen mensen die spijt hebben van een bepaalde gebeurtenis in hun leven,’ legde Jillus uit. ‘Wat wij doen, is ervoor zorgen, dat hun leven een klein stukje teruggespoeld wordt, zodat onze klanten goed kunnen maken, wat fout gegaan is. Wij halen de uren terug, waarin dingen niet gegaan zijn zoals ze hadden moeten gaan. Iedereen heeft toch weleens iets gedaan, waar hij later spijt van heeft. Daar kom jij toch ook voor? Anders had Lena jou nooit een sleutelkaart gegeven. Jij wilt iets terugdraaien uit jouw verleden.’ Zijn wijsvinger wees nu naar Siems borst, alsof hij hem ergens van beschuldigde. Siem voelde dat hij een kleur kreeg. Marit kwam in zijn gedachten. ‘Jij hebt iets goed te maken!’ beweerde Spackman. ‘En Mirage helpt je dat te doen. Bij ons krijg je een tweede kans! Wij vinden dat iedereen recht heeft op een tweede kans. Vind je ook niet?’ Siem keek Jillus Spackman verwonderd aan. ‘Maar dat kan helemaal niet!’ beweerde hij. ‘Dan moet je reizen door de tijd. Dat is onmogelijk.’ Jillus schonk Siem een verblindende glimlach. ‘Bij Mirage is niets onmogelijk,’ zei hij. Naar: Tanja de Jonge, Tijdrovers.

Moeilijke woorden demonstratief schoorvoetend moedeloos achteloos gebood (gebieden) beduimeld vervlogen bereidwillig veelbetekenend verblindende

=  de aandacht trekken om iets duidelijk te maken dat je niet zegt =  aarzelend en een beetje bang =  doordat iets tegenzit, verlies je de moed =  zonder er veel tijd of moeite aan te besteden =  iemand de opdracht geven iets te doen =  vaak vastgepakt en daardoor een beetje vuil =  verdwenen =  graag willen helpen =  duidelijk laten zien wat je ergens van vindt =  betoverend mooie

63

17049_Blok 1-6_kgt.indb 63

2/04/15 16:17


Fictie

2

Denken en praten over het verhaal  Opdracht 1  T1 B I T2  I T2

1 Door de ogen van wie maak je de gebeurtenissen mee? 2 In dit verhaal komen behalve Siem nog twee personen voor. a Wie zijn dat? b Hoe zien deze personen eruit? 3 Het meisje biedt Siem haar hulp aan. Hoe kan zij helpen? 4 Wat is er zo bijzonder aan het visitekaartje? 5 Hoe kan de man Siem helpen? 6 Gebeuren er in dit verhaal dingen die je bekend voorkomen? Leg uit waarom wel of niet. 7 a Zeg met andere woorden: ‘Jillus Spackman haalt uw vervlogen uren terug.’ (regel 64-65) b Zeg met andere woorden: ‘Jillus schonk Siem een verblindende glimlach.’ (regel 126) 8 a Hoe gaat het verhaal volgens jou verder? Vertel dit in ongeveer vijf tot tien zinnen. b Het verhaal Een bijzondere ontmoeting is overgenomen uit het boek Tijdrovers van Tanja de Jonge. Zou jij dit boek helemaal willen lezen? Waarom wel of waarom niet?

Kijk de leook op esap p

Leestips Andere boeken over reizen door de tijd:

Kruistocht in spijkerbroek – Thea Beckman Dolf gaat met een tijdmachine terug naar de middeleeuwen. Het gaat mis en hij kan niet meer terug naar zijn eigen tijd. Hij besluit zich aan te sluiten bij een kinderkruistocht.

64

17049_Blok 1-6_kgt.indb 64

2/04/15 16:17


2

Fictie

Elke seconde telt – Richard Hassink De grootvader van Noa heeft jarenlang in het geheim gewerkt aan een tijdcapsule. De schurk Arvid Holt ontvoert Noa. Hij wil Hitler helpen aan de plannen voor een atoombom en hem waarschuwen voor de geallieerde aanval in Normandië. Noa besluit met gevaar voor eigen leven Holt achterna te reizen naar de tijd van de Tweede Wereldoorlog. De bijzondere kinderen van mevrouw Peregrine – Ransom Riggs De opa van Jacob vertelde fantastische verhalen over zijn jeugd in een weeshuis voor bijzondere kinderen. Dan komt hij met geweld om het leven. Als Jacob op zoek gaat naar het weeshuis van zijn grootvader belandt hij in een vreemd en eng avontuur. Suske en Wiske, De duistere diamant – Willy Vandersteen Suske, Wiske, Lambik en tante Sidonia logeren in de Ganzehoeve. Suske vindt een zwarte steen die hij cadeau geeft aan zijn tante Sidonia. Nadat zijn tante deze steen heeft verkocht aan baron Roger de Lacheloze wordt zij erg ziek. De steen blijkt vervloekt. Suske en Wiske gaan met de teletijdmachine van professor Barabas terug in de tijd om de maker van de steen te zoeken.

Over Tanja de Jonge Zodra ze kon schrijven, wilde Tanja de Jonge schrijfster worden. Maar eerst werkte ze als lerares Nederlands en theatervormgeefster. ‘Ik schrijf graag boeken voor kinderen, omdat ik daarin veel fantasie kwijt kan. In mijn verhalen kom je meestal terecht op plaatsen of in werelden waar je nog niet eerder was.’ Meer over Tanja de Jonge op internet: www.tanjadejonge.nl en www.leesplein.nl.

65

17049_Blok 1-6_kgt.indb 65

2/04/15 16:17


Fictie

2

2.2 Over lezen Fictie en non-fictie Wat je leest en bekijkt in boeken, tijdschriften, op internet en op televisie, kun je verdelen in twee groepen: fictie en non-fictie. Verzonnen verhalen zijn fictie. Teksten en beelden over de werkelijkheid noemen we non-fictie. Bekijk het schema hieronder om het verschil goed te begrijpen. R

Wat is het?

voorbeelden

fictie

verzonnen verhalen De schrijver fantaseert: heeft alles zelf bedacht.

leesboek, stripverhaal, gedicht, film, televisieserie, musical, game

non-fictie

verhalen over de werkelijkheid De schrijver heeft het verhaal niet verzonnen, het is echt gebeurd.

krantenbericht, tijdschriftartikel, schoolboek, informatief boek, jeugdjournaal, tekst op Wikipedia

Opdracht 2 T1

B

Kijk nog eens terug naar het verhaal Een bijzondere ontmoeting. 1 Is dit verhaal fictie of non-fictie? 2 Waarom is dit verhaal fictie of non-fictie? Leg je antwoord uit. Doe dat met behulp van voorbeelden uit het verhaal. Opdracht 3

T1

B

1 Bekijk de volgende voorbeelden van teksten. Schrijf op of ze fictie of non-fictie zijn. a Een tekst van je mentor waarin hij uitlegt hoe je het best je huiswerk kunt plannen. b Een aflevering van de serie Goede Tijden Slechte Tijden. c Een tekst in je geschiedenisboek over het oude Egypte. d Een beoordeling op een website die de kwaliteit van tablets vergelijkt. e De musical Stars voor groep 8. f Een stripverhaaltje op de achterkant van de Donald Duck. g Een nieuwsbericht in de krant over een aardbeving in China. 2 Noem nu zelf twee voorbeelden van fictie. 3 En noem twee voorbeelden van non-fictie.

66

17049_Blok 1-6_kgt.indb 66

2/04/15 16:17


2

Fictie

Tekst 1 ‘Verder zijn de bollen gemaakt van onbreekbaar glas. Die buis die je in het midden van de bol ziet, tussen de twee touchscreens in, zorgt voor de aandrijving. Hij is gevuld met anti-waterstofatomen. Aan de kleur van de buis kun je zien hoe het gesteld is met het energieniveau. Hij is nu groen, dat betekent dat hij maximaal geladen is. Als hij roze kleurt, kun je niet heel ver reizen in de tijd. En is hij felrood, dan is een tijdreis niet mogelijk.’ ‘Dat kan ik volgen. Handig dat jullie dat met kleurtjes aangeven,’ grinnikte Noa. ‘Ook belangrijk om te weten is dat het vertrek van de capsule de meeste energie kost, telkens ongeveer vijftien procent. Tijdens de reis verbruikt de capsule betrekkelijk weinig energie, zo’n twee procent per honderd jaar.’ Uit: Richard Hassink, Elke seconde telt.

Tekst 2 Om een mens of een voorwerp te laten reizen in de tijd moet het een hogere snelheid hebben dan de snelheid van het licht. Het snelste voertuig dat de mens ooit maakte, is de Voyager 1. Dit onbemande ruimtevoertuig haalde een snelheid van 17,07 kilometer per seconde. Dat komt nog lang niet in de buurt van de lichtsnelheid: 299.792 kilometer per seconde. Naar: wetenschap.infonu.nl.

Opdracht 4  Lees tekst 1 en 2 en geef antwoord op de vragen. T1 B 1 Waarover gaan beide teksten? Schrijf de letter van het beste antwoord op. A lichtsnelheid B tijdreizen C Voyager 1 2 a Welke tekst is verzonnen? I b Leg uit waarom je denkt dat die tekst is verzonnen.

67

17049_Blok 1-6_kgt.indb 67

2/04/15 16:17


Fictie

2

Je leeservaring beschrijven Als je een verhaal leest, gebeurt er iets met jou. Het verhaal doet iets met je. Je vindt het boek Tijdrovers van Tanja de Jonge bijvoorbeeld de moeite waard. Je bent nieuwsgierig naar de afloop. Of je vindt de film Kruistocht in spijkerbroek onecht. Wat iemand vindt van een boek of van een film is natuurlijk heel persoonlijk. Als je uitlegt wat er met jou gebeurt als je een verhaal leest, dan gebruik je beoordelingswoorden. Hieronder staat een lijst met voorbeelden van zulke woorden. Ze staan in paren naast elkaar. Het zijn telkens twee woorden die tegenover elkaar staan. Beoordelingswoorden spannend – saai waarschijnlijk – onwaarschijnlijk leerzaam – niet leerzaam verrassend – voorspelbaar interessant – oninteressant begrijpelijk – onbegrijpelijk echt – onecht grappig – droevig moeilijk – makkelijk vlot verteld – langdradig

kinderachtig – voor mijn leeftijd laat me meeleven – zegt me niets zet me aan het denken – doet me niets bekend – onbekend gevoelig – niet gevoelig opgewekt – zielig herkenbaar – onbekend griezelig – niet griezelig kan ik me voorstellen – kan ik me niet voorstellen

Tekst 3 Thea Beckmans bekendste boek is Kruistocht in spijkerbroek uit 1973. Daarvoor kreeg ze in 1974 een Nederlandse boekenprijs: de Gouden Griffel en ook nog een Europese prijs voor het beste historische jeugdboek. Het boek is in 2005/2006 verfilmd door Ben Sombogaart. De verfilming begon juist één jaar nadat Thea Beckman was overleden.

68

17049_Blok 1-6_kgt.indb 68

2/04/15 16:17


2

Fictie

Tekst 4 Ik ben naar Kruistocht in spijkerbroek geweest. De film is nogal goedkoop gemaakt. Ik vind dat jammer. Je kunt duidelijk zien dat veel achtergrondstukken en voorwerpen nep zijn en van bordkarton werden gemaakt. Dat maakt het verhaal nogal ongeloofwaardig. Julia (13)

Tekst 5 Ik vind Kruistocht in spijkerbroek een spannende film. Iedereen moet hem gaan zien. Britt (12)

Tekst 6 Kruistocht in spijkerbroek is een leerzame film. Je steekt iets op over het dagelijks leven in de middeleeuwen en je komt ook meer te weten over de kruistochten. Jordy (15)

Opdracht 5  T1 B

Lees tekst 3 tot en met 6. Geef daarna antwoord op de vragen. 1 Kies het beste antwoord. Deze teksten zijn: A fictie. B non-fictie. 2 In tekst 3 staan: A alleen meningen. B alleen feiten. C feiten en meningen. De schrijvers van tekst 4 tot en met 6 geven hun mening. 3 Wat is de mening van de schrijfster van tekst 4? 4 En wat is de mening van de schrijfster van tekst 5? 5 Wat vindt Jordy (tekst 6) van de film?

69

17049_Blok 1-6_kgt.indb 69

2/04/15 16:17


Fictie

2

Opdracht 6 T1

B

Kijk nog een keer naar de teksten 3 tot en met 6. Welke beoordelingswoorden gebruiken de schrijvers?

Als je een beoordelingswoord gebruikt, moet je kunnen uitleggen waarom je het gebruikt. Je uitleg begint vaak met want of omdat. voorbeeld Ik vind het verhaal spannend, omdat de hoofdpersoon in gevaar is. Ik ben benieuwd hoe het afloopt.

Opdracht 7 T1 T2

B I

1 Leggen de schrijvers van tekst 4 tot en met 6 hun mening uit? Hoe? 2 Wat vind jij van het verhaal Een bijzondere ontmoeting? Schrijf je mening op. Probeer uit te leggen waarom je die mening hebt. Gebruik twee of meer beoordelingswoorden. 3 Vergelijk je mening met die van een klasgenoot. Hebben jullie een andere mening? Bespreek de verschillen. Opdracht 8

T1

B

Julian speelt graag games op zijn Playstation. Op internet geeft hij zijn mening over het spel Need for speed. Lees tekst 7 en geef antwoord op de vragen. 1 Is deze tekst fictie of non-fictie? 2 Leg uit waarom je hier voor kiest. 3 Welke beoordelingswoorden gebruikt Julian? 4 Legt Julian elk beoordelingswoord uit? Hoe?

Tekst 7 Need for Speed is een spel voor de echte racefans. Grafisch vind ik deze game top. Elk detail van de auto’s is goed te zien. Het is net echt! Het geluid is ook geweldig. Irritant zijn de lange laadtijden en de glijdende auto’s over de baan. Julian (14)

70

17049_Blok 1-6_kgt.indb 70

2/04/15 16:17


2

Fictie

Opdracht 9  T2

T

Zoek nu zelf een korte tekst waarin de schrijver één of meer beoordelingswoorden gebruikt. 1 Print de tekst of knip hem uit. 2 Markeer de beoordelingswoorden. 3 Legt de schrijver de beoordelingswoorden ook uit? Onderstreep dan de zinnen waarin hij dat doet.  Opdracht 10

T1 T

1 Noem twee titels van niet verzonnen verhalen. 2 Geef over één titel je mening. Doe dat met twee beoordelingswoorden. Leg de beoordelingswoorden kort uit.  Toets    Opdracht 11

T

T1

Je krijgt van je docent een werkblad voor in je leesmap. Daarop staat een tekening van een boekenkast. Die is nu nog leeg. Jij vult de kast met leuke boeken. 1 Zoek op internet negen plaatjes van jeugdboeken. Kies zes fictieboeken en drie non-fictieboeken. Het mogen boeken zijn die je al kent, of nog wilt lezen, in elk geval boeken die jou de moeite waard lijken. 2 Knip de plaatjes van de boeken uit en maak twee groepen: fictie bij fictie en nonfictie bij non-fictie. 3 Leg de boeken op alfabet, op achternaam van de schrijver. 4 Plak de boeken in de kast. De bovenste twee planken gebruik je voor fictie, de onderste voor non-fictie. Let op: maak de plaatjes passend, zodat er drie boeken passen op een plank. 5 Bij welk boek steek jij je duim op? 6 Onder aan het werkblad heb je nog ruimte om je keuze uit te leggen. Doe dat door twee beoordelingswoorden op te schrijven. Leg elk beoordelingswoord kort uit. 7 Geef je boekenkast nu een plek in je leesmap.  Opdracht 12

T1

T

T2

1 Kies een boek, misschien wel het boek waarbij jij eerder je duim opstak (opdracht 11, vraag 5). Geef je keuze door aan je docent. 2 Lees het boek. 3 Maak een kort verslag. Je docent vertelt je hoe dit verslag eruit moet zien. Het resultaat krijgt een plaats in je leesmap.

71

17049_Blok 1-6_kgt.indb 71

2/04/15 16:17


Grammatica

2

In zinnen staan verschillende soorten woorden. Je hebt geleerd wat een werkwoord is en hoe je het kunt herkennen. In deze paragraaf leer je hoe je de persoonsvorm kunt vinden.

Voordat je aan deze paragraaf begint: • weet je hoe je werkwoorden kunt herkennen in een zin. (blok 1)

1F

Aan het einde van deze paragraaf: • kun je in een zin de verschillende werkwoordsvormen herkennen en benoemen; • kun je in een zin de persoonsvorm benoemen; • kun je de tijdproef uitleggen en toepassen.

2.3 Weet je het nog? Opdracht 13 T1

B

Schrijf de zes werkwoorden op uit tekst 8.

Tekst 8 Houd jij voldoende rekening met het milieu? Lege batterijen breng je naar verschillende inleverpunten. Die vind je in veel winkels en supermarkten. Gooi lege batterijen dus nooit in de vuilnisbak. Er zitten vaak schadelijke stoffen in. Die zijn slecht voor het milieu.

72

17049_Blok 1-6_kgt.indb 72

2/04/15 16:17


2

Grammatica

2.4 Tegenwoordige tijd en verleden tijd Een werkwoord kan vertellen wat iemand nu doet, of wat er nu gebeurt.

R

voorbeeld Daan schrijft een e-mail. In deze zin vertelt schrijft wat Daan nu doet. Je zegt: deze zin staat in de tegenwoordige tijd (tt). Een werkwoord kan ook vertellen wat iemand heeft gedaan, of wat er al is gebeurd. voorbeeld Daan schreef een e-mail. Het werkwoord schreef vertelt wat Daan heeft gedaan. Je zegt: deze zin staat in de verleden tijd (vt).

Opdracht 14 T1

B

Schrijf van elke zin op of je te maken hebt met de tegenwoordige tijd (tt) of de verleden tijd (vt). voorbeeld 1 De computer staat op mijn bureau. tt 2 3 4 5 6 7 8

De hond at een koekje. Kom jij ook op mijn verjaardag? De film begon vijf minuten later. Alle leerlingen gingen naar de gymzaal. In het pretpark lopen veel scholieren. De winkel opende de deuren wat later. Help jij me met mijn huiswerk?

73

17049_Blok 1-6_kgt.indb 73

2/04/15 16:17


Grammatica

2

Opdracht 15 T1

B

Kijk nog eens naar de zinnen bij opdracht 14. Verander de zinnen van tijd. Schrijf de zinnen helemaal op. voorbeeld 1 De computer staat op mijn bureau. De computer stond op mijn bureau.

2.5 Zinsontleding – Werkwoordsvormen Persoonsvorm, hele werkwoord en voltooid deelwoord Een werkwoord kan verschillende vormen hebben, bijvoorbeeld de persoonsvorm (pv).

Opdracht 16 T1

B

Weet jij nog van de basisschool hoe je de persoonsvorm in een zin herkent? Leg uit hoe de regel gaat.

Behalve de persoonsvorm kan het werkwoord nog twee vormen hebben: het hele werkwoord en het voltooid deelwoord (vdw).

Opdracht 17 T1

B

Wat weet je nog van het hele werkwoord en het voltooid deelwoord? Schrijf op.

voorbeeld 1 Mimoun belt vanmiddag mijn broer. 2 Mimoun zal vanmiddag mijn broer bellen. 3 Mimoun heeft vanmiddag mijn broer gebeld.

74

17049_Blok 1-6_kgt.indb 74

2/04/15 16:17


2

Grammatica

In zin 1 is belt de persoonsvorm. De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die je in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd kunt schrijven. In zin 2 is bellen het hele werkwoord. Het hele werkwoord is de werkwoordsvorm zoals die in het woordenboek staat. Als er een heel werkwoord in de zin voorkomt, is een andere werkwoordsvorm de persoonsvorm. In deze zin is zal de persoonsvorm. In zin 3 is gebeld het voltooid deelwoord. Dit is de werkwoordsvorm die bij een persoonsvorm van de werkwoorden hebben, worden of zijn in de zin staat. In zin 3 is heeft de persoonsvorm. Voorbeelden met worden en zijn:

R

voorbeeld Mijn broer wordt door Mimoun gebeld. Mijn broer is door Mimoun gebeld.

Opdracht 18 T1

R

B

1 Schrijf de volgende zinnen over. Zet het werkwoord in een andere tijd. a Onze mentor vertelt een spannend verhaal. b Ik hoorde de zoemer niet. c De conciĂŤrge haalt de briefjes op. d Het eerste lesuur ging niet door. 2 Onderstreep nu in elke zin de persoonsvorm.

De tijdproef Je gebruikt de tijdproef om de persoonsvorm in een zin te vinden. Staat een zin in de tegenwoordige tijd, zet hem dan in de verleden tijd. Het werkwoord dat zich aanpast, is de persoonsvorm. Staat een zin in de verleden tijd, zet hem dan in de tegenwoordige tijd. Het werkwoord dat zich aanpast, is de persoonsvorm. voorbeeld 1 Emma installeert een nieuwe app op haar telefoon. Deze zin staat in de tegenwoordige tijd. Gebruik nu de tijdproef en zet de zin in de verleden tijd. voorbeeld 2 Emma installeerde een nieuwe app op haar telefoon. Installeert past zich aan en wordt installeerde. In zin 1 is installeert dus de persoonsvorm. In zin 2 is installeerde de persoonsvorm.

75

17049_Blok 1-6_kgt.indb 75

2/04/15 16:17


Grammatica

2

Opdracht 19 T1

B

Schrijf de volgende zinnen over. Voer de tijdproef uit: zet de zin in een andere tijd. Onderstreep daarna in beide zinnen de persoonsvorm. voorbeeld 1 Mijn vader luistert graag naar klassieke muziek. Mijn vader luisterde graag naar klassieke muziek. 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ik snapte jouw opmerking niet. Heb jij voor mij een blaadje? De buren zijn niet thuis. De les geschiedenis was ontzettend leuk. Wij speelden na schooltijd een game. De hond geeft een poot. Ali had zijn nieuwe sportschoenen aan. De fietsen staan in de stalling. Mijn zus schilde een kiwi.

Staat er in een zin ĂŠĂŠn werkwoord, dan is dat automatisch de persoonsvorm. Staan er meer werkwoorden in de zin, dan weet je dankzij de tijdproef welk werkwoord de persoonsvorm is. De andere werkwoorden zijn dan een voltooid deelwoord en/of een heel werkwoord.

R

Opdracht 20 T1

B

I

1 Schrijf de volgende zinnen over. Onderstreep de werkwoorden. Hoe noem je de werkwoordsvorm(en) in zin a? In zin b? En in zin c? a Ik fiets het hele eind naar school. b Ik zal het hele eind naar school fietsen. c Ik heb het hele eind naar school gefietst. 2 Maak nu op dezelfde manier drie zinnen met het werkwoord maken. Wissel de zinnen uit met een klasgenoot. Onderstreep de werkwoordsvormen. Geef per zin aan om welke werkwoordsvormen het gaat: persoonsvorm, voltooid deelwoord of heel werkwoord.

76

17049_Blok 1-6_kgt.indb 76

2/04/15 16:17


2

Grammatica

Opdracht 21  T1

B

Schrijf de volgende zinnen over. Kleur de verschillende werkwoordsvormen. Bijvoorbeeld: rood = persoonsvorm; blauw = hele werkwoord; groen = voltooid deelwoord. 1 Ik zou mijn broertje van school ophalen. 2 Wij hebben een toets gemaakt. 3 De leraar zou ons schriftelijk werk snel nakijken. 4 Heb jij je weektaak al helemaal klaar? 5 Ik kan me dat niet voorstellen. 6 Onze school wordt verbouwd. 7 De roosterwijzigingen zijn doorgegeven. 8 Mijn oma was in het ziekenhuis opgenomen. 9 Jullie moesten eens weten. 10 Vind jij dit een lastige opdracht? Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot. Zijn er verschillen? Hoe komt dat? Kom je er niet uit, schakel dan de hulp van je docent in.  Opdracht 22

T1

B

Schrijf tekst 9 over en onderstreep de werkwoorden. Kleur daarna de verschillende werkwoordsvormen. Bijvoorbeeld: rood = persoonsvorm; blauw = hele werkwoord; groen = voltooid deelwoord.

Tekst 9 In de brugklas staan veel verschillende vakken op het rooster. Voor elk vak heb je weer een andere leraar. Voor de meeste vakken heb je boeken gekregen. Die boeken moest je kaften. Dat is een lastig karweitje. Op school helpt je mentor je zo goed mogelijk. De vakken worden in verschillende lokalen gegeven. In het begin was het best even zoeken. Je zult nog weleens verlangen naar je oude basisschool. Maar uiteindelijk went het snel.

Opdracht 23  T1

B

Schrijf de zinnen over en kleur de verschillende werkwoordsvormen: persoonsvorm, hele werkwoord en voltooid deelwoord. 1 Ik ben mijn boeken vergeten. 2 De bomen werden gesnoeid. 3 Britt is naar de kapper geweest. 4 Heb jij je wachtwoord onthouden? 5 Zou jij mij willen overhoren? 6 Ik kan dit niet betalen.

77

17049_Blok 1-6_kgt.indb 77

2/04/15 16:17


Spelling

2

In het vorige blok heb je geleerd hoe de stam en de ik-vorm van een werkwoord eruitzien. In dit blok ga je het werkwoord in de tegenwoordige tijd spellen. Daarnaast leer je hoe je woorden met korte en lange klanken goed kunt spellen.

Voordat je aan deze paragraaf begint: • kun je de tijdproef gebruiken. (blok 2, Grammatica)

1F

Aan het einde van deze paragraaf: • kun je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd goed schrijven; • weet je wanneer je een enkele of dubbele klinker moet schrijven; • weet je wanneer je een enkele of dubbele medeklinker moet schrijven; • weet je hoe je woorden met een i of ie moet schrijven.

2.6 Weet je het nog?  Opdracht 24  T1

B

Maak drie kolommen. Zet boven de kolommen: werkwoord, stam en ik-vorm. Werk samen met een klasgenoot bij de volgende stappen. 1 Lees om de beurt een woord voor uit het rijtje hieronder. Alle woorden zijn vormen van werkwoorden. 2 Vertel aan je klasgenoot in welke kolom het woord hoort en waarom. 3 Schrijf allebei het woord in de juiste kolom op. voorbeeld a geef Lees voor: geef. Leg uit: dit is de ik-vorm, want de stam van geven is gev. Voor het maken van de ik-vorm is de stam aangepast.

b zitt c kijk na d spellen e besprek f pas aan g uitleggen

h noter i et j durv k vrees l blaf m bonz

78

17049_Blok 1-6_kgt.indb 78

2/04/15 16:17


2

Spelling

2.7 Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd Bekijk het volgende schema. fietsen

verliezen

hopen

ik

fiets

verlies

hoop

jij/u

fietst

verliest

hoopt

hij/zij/het

fietst

verliest

hoopt

wij

fietsen

verliezen

hopen

jullie

fietsen

verliezen

hopen

zij

fietsen

verliezen

hopen

enkelvoud

meervoud

R

Als je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd goed wilt spellen, gebruik je de volgende regels: 1 Bij ik schrijf je de ik-vorm. 2 Bij jij, u, hij, zij en het schrijf je de ik-vorm + t. 3 Bij wij, jullie en zij (meervoud) schrijf je het hele werkwoord.

79

17049_Blok 1-6_kgt.indb 79

2/04/15 16:17


Spelling

2

Opdracht 25 T1

B

Neem het volgende schema over. Vul de persoonsvormen in. Gebruik de regels voor het spellen van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. kloppen

reizen

ik

klop

reis

jij/u

klopt

zweven

kijken

Enkelvoud

hij/zij/het Meervoud wij jullie zij

Opdracht 26 T1

B

T2

1 Schrijf van elk werkwoord de ik-vorm op. Zet daarachter de hij/zij/het-vorm. a wachten b fluiten c maken d knippen 2 Lees de drie regels voor het spellen van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd nog een keer. Welke regel kun je niet gebruiken bij de werkwoorden wachten en fluiten? Deze regel moet je wel gebruiken bij maken en knippen.

Als de ik-vorm eindigt op een t, dan hoef je geen extra t te schrijven.

R

voorbeeld karten – (ik) kart – (hij) kart snuiten – (ik) snuit – (hij) snuit Als je achter het werkwoord staat, hoef je geen t toe te voegen. Je schrijft in dit geval de ik-vorm. voorbeeld Je vraagt me de oren van mijn hoofd! Vraag je nog even aan je ouders of je mee mag?

80

17049_Blok 1-6_kgt.indb 80

2/04/15 16:17


2

Spelling

Opdracht 27 T1

B

Schrijf de juiste vorm op van het werkwoord in de tegenwoordige tijd. 1 Games, boeken, kleding; mensen … (kopen) steeds meer op internet. 2 Maar hoe … (weten) je welke winkel betrouwbaar is? 3 Waar … (kunnen) je allemaal op letten? 4 De eerste tip … (komen) van een jongere: 5 ‘Ik … (vergelijken) prijzen van verschillende websites’. 6 ‘Mijn zus … (betalen) altijd veilig met iDEAL,’ zegt een ander. 7 ‘En ze … (lezen) eerst de voorwaarden’. 8 Een goede webwinkel … (krijgen) een keurmerk. 9 Deze tips … (helpen) shoppers bij online winkelen. 10 De website Nibudjong.nl … (vertellen) meer over online winkelen. Opdracht 28

T2

B

Schrijf een verhaaltje van maximaal 80 woorden. In het verhaaltje gebruik je onderstaande werkwoorden als persoonsvorm. Gebruik de ik-vorm, de jij-vorm, de hij/ zij/het-vorm en het meervoud. 1 kopen 4 stappen 2 verven 5 sjouwen 3 gebeuren

2.8 Korte en lange klanken R

Je kunt een woord in stukjes verdelen. Elk stukje is een klankgroep. Een woord kan uit een of meer klankgroepen bestaan. voorbeeld brood kroket hagelslag

brood kro-ket ha-gel-slag

een klankgroep twee klankgroepen drie klankgroepen

In elke klankgroep zit een korte of een lange klank. voorbeeld kroket kroket

je hoort oo; dit is een lange klank je hoort e; dit is een korte klank

Het woord kroket heeft dus één lange klankgroep en één korte klankgroep.

81

17049_Blok 1-6_kgt.indb 81

2/04/15 16:17


Spelling

R

2

Woorden die een korte klank hebben, houden de korte klank als je ze langer maakt. Als je aan het einde van een klankgroep een korte klank hoort, dan schrijf je twee dezelfde medeklinkers als je het woord langer maakt. voorbeeld pit Je hoort een i, dus het is een korte klank, pit eindigt op één medeklinker, dus als je het woord langer maakt, komt er een medeklinker bij: pitten. Woorden die een lange klank hebben, houden de lange klank als je ze langer maakt. Als de klankgroep op twee dezelfde klinkers eindigt, dan haal je een klinker weg. voorbeeld zoon Als je het woord zoon langer maakt, hoor je zoo-nen. De eerste klankgroep is zoo, dus je haalt een klinker weg: zonen.

Opdracht 29 T1

B

Maak de woorden af en schrijf ze op. 1 k…enhok ip/ipp 2 paardenst…en al/all 3 melkfl…en es/ess

4 weil…en 5 regenw…en 6 hooiv…en

and/andd olk/olkk ork/orkk

Opdracht 30 T1

B

Maak de woorden af en schrijf ze op. 1 les…ren ur/uur 2 appelb…en om/oom 3 winkelstr…en at/aat

4 knuffelb…en 5 lantarenp…en 6 basissch…en

est/eest al/aal ol/ool

Opdracht 31 T1

I

Robin is net begonnen aan zijn studie. Zo kom je erachter wat hij wil worden: 1 Neem de woorden over en maak ze af. Op de open plek moet je telkens één of twee letters invullen. schooljuf…en chirur…en pil…ten filmster…en agen…en bej…rdenverzorgers psychol…gen begra…enisondernemer 2 Zet de letters die je zelf hebt ingevuld naast elkaar. Dit wil Robin worden!

82

17049_Blok 1-6_kgt.indb 82

2/04/15 16:17


2

Spelling

2.9 I of ie? De meeste klinkers kun je verdubbelen om er een lange klank van te maken: hor – hoor, man – maan, tut – tuut, her – heer. Dit kan niet bij de i. De lange klank ie schrijf je soms met ie en soms met i. De spelling van deze woorden moet je uit je hoofd leren: liter, gieter, vakantie, politie.

Opdracht 32 T1

O

1 Maak twee kolommen. Zet erboven: liniaal, gieter. 2 Schrijf onder het woord liniaal drie woorden, waarbij je de ie-klank schrijft met een i. Schrijf onder het woord gieter drie woorden, waarbij je de ie-klank schrijft met een ie. 3 Vergelijk jouw woorden met die van een klasgenoot. Vul jouw kolommen aan met de woorden van je klasgenoot.

Kan ik die ook gebruiken om mijn plantjes water te geven?

Dictee Opdracht 33 T1

B

Maak het dictee. Luister hiervoor naar de instructies van de docent.

83

17049_Blok 1-6_kgt.indb 83

2/04/15 16:17


Over taal

2

In deze paragraaf leer je nieuwe moeilijke woorden en ontdek je wat zoekwoorden zijn. Zo kun je sneller een woord opzoeken in een papieren woordenboek.

Voordat je aan deze paragraaf begint: • kun je woorden in alfabetische volgorde zetten. (blok 1)

1F

Aan het einde van deze paragraaf: • begrijp je de betekenis van verschillende schooltaalwoorden; • begrijp je de betekenis van verschillende woorden uit teksten; • kun je zoekwoorden in een woordenboek gebruiken; • kun je woorden herkennen die bij elkaar horen (deel – geheel); • ken je de betekenis van belangrijke voor- en achtervoegsels.

2.10 Woordenschat Schooltaalwoorden  Opdracht 34  T1

B

Lees tekst 10. Schrijf de vetgedrukte woorden over. Schrijf achter elk woord de goede betekenis. Kies uit: taak of doel dat iets heeft – schrijver – hevig – nieuw inbrengen – het tegenovergestelde – kiezen – schrijft iets kort op – eigenschap waaraan je iets kunt herkennen – besluit om iets te veranderen – wat je denkt dat zal gebeuren – redenen geven, zeggen waarom je iets vindt.

Tekst 10 Een nieuwe opzet van de leerlingenkrant Veel leerlingen vonden de leerlingenkrant maar saai. Daarom hebben we maatregelen genomen en is besloten de opzet van onze krant te veranderen. In de leerlingenkrant introduceren we nu een nieuwe rubriek: een kort interview met een schrijver of schrijfster. Het interview heeft een duidelijke functie: je maakt kennis met een schrijver of schrijfster die een presentatie bij ons op school komt houden. Deze maand is dat de auteur Anneke Scholtens. Ik ging naar haar toe om haar te interviewen.

84

17049_Blok 1-6_kgt.indb 84

2/04/15 16:17


2

Over taal

Interview met Anneke Scholtens ‘Maakt u aantekeningen voordat u een boek gaat schrijven?’ ‘Jazeker! Ik heb altijd een klein boekje bij mij. Vooral als ik intensief met een nieuw boek in mijn hoofd bezig ben, heb ik veel ideeën. Die moet ik opschrijven om ze te onthouden.’ ‘Een kenmerk van uw boeken is humor. Kunt u dat motiveren?’ ‘Ik wil mijn lezers laten lachen. Maar ik streef naar zowel grappige stukken als serieuze, treurige dingen die de lezer raken. Die tegenstelling vind je in een paar van mijn boeken terug.’ ‘Als u een paar boeken mocht selecteren om mee te nemen naar een onbewoond eiland, welke zouden dat dan zijn?’ Anneke Scholtens reageerde niet volgens mijn verwachting met het opnoemen van boeken, maar begon te lachen. Zij antwoordde: ‘Ha! Geen één! Geef mij maar lege vellen papier en een paar pennen mee.’

Woorden uit teksten  Opdracht 35  T1

B

Lees de zinnen. Schrijf de onderstreepte woorden over. Schrijf achter elk woord de goede betekenis. Kies uit: afspraak tussen landen – zo ongeveer – toegeven – duidelijk worden – wat te maken heeft met de menselijke geest – onderzoek – opschrijven – geld geven – uitleg – zo erg stuk dat het geen zin heeft om het voertuig te laten maken. 1 Na een lang verhoor wilde de misdadiger eindelijk bekennen dat hij de bank had beroofd. 2 Als ik de lotto win, wil ik veel geld doneren; het is fijn om geld te geven aan goede doelen. 3 Uit dit onderzoek zal blijken of rijke mensen gelukkiger zijn. 4 Mijn baas zal vastleggen hoeveel ik verdien: hij zal het opschrijven in het contract. 5 Katten slapen gemiddeld zo’n 15 uur per dag; honden ongeveer 13 uur per dag! 6 Heb jij een verklaring voor het rare gedrag van Benno? 7 Hij reed de auto total loss tegen een boom; de auto zat helemaal in elkaar. 8 Nederland sloot een verdrag met Duitsland. 9 Ook voor rijke mensen was de oorlog psychologisch erg zwaar. 10 Een studie wees uit dat gelukkige mensen langer leven.

85

17049_Blok 1-6_kgt.indb 85

2/04/15 16:17


Over taal

2

Opdracht 36 T1

B

Kijk nog een keer naar de zinnen van opdracht 35. Hoe wist je de betekenis van de volgende woorden: doneren (zin 2); vastleggen (zin 4) en gemiddeld (zin 5)?

Betekenis zoeken van moeilijke woorden Als je een tekst leest over een bepaald onderwerp, staan daar vaak moeilijke woorden in. De betekenis van elk moeilijk woord kun je bedenken: je vervangt het moeilijke woord door een makkelijk woord dat hetzelfde betekent of door een omschrijving die in dat thema past. Klopt de tekst met wat je hebt bedacht? Dan hoef je het woord niet op te zoeken in het woordenboek.

Opdracht 37 T1

B

1 Lees de zinnen over Ruimtevaart. Vervang in elke zin het moeilijke woord voor een woord dat dezelfde betekenis heeft of omschrijving die in het thema past. Kies uit: test – sterkte van je lichaam – ruimtevaarder – bestuursruimte in het vliegtuig – het reizen door de ruimte – de ruimte – ruimtevaartuig – het hemellichaam dat om de zon draait – vak dat je doet om je geld mee te verdienen – speciale kleding waarmee de ruimtevaarder de ruimte in kan – hoe machines werken – gebied tussen grenzen. Let op: je houdt twee mogelijkheden over! a Ik droom al heel lang over de ruimtevaart. b Ik wil graag astronaut worden. c Het lijkt me geweldig om te vliegen in een spaceshuttle. d Je reist dan door het heelal. e Dan kun je de planeet aarde van een afstand bekijken. f Niet iedereen is geschikt voor dit beroep. g Je moet genoeg kracht hebben en je moet je familie lang kunnen missen. h Ook is het nodig dat je veel weet van techniek. i Dat is handig als je een proef moet doen om te kijken of je een goede astronaut kunt worden. j In het ruimtevaartmuseum mocht ik even een astronautenpak aantrekken. Ik zag er geweldig uit! 2 Maak een tekening waar alle woorden uit vraag 1 op voorkomen. Schrijf de woorden bij de tekening.

86

17049_Blok 1-6_kgt.indb 86

2/04/15 16:17


2

Over taal

2.11 Kijk naar taal Woordenboek: zoekwoorden Boven aan de bladzijden in een woordenboek staan twee of vier opvallende woorden. Dat zijn zoekwoorden. Het eerste zoekwoord is het eerste woord dat op die bladzijde staat. Het tweede zoekwoord is het laatste woord op die bladzijde. Zo zie je sneller of je een woord op die bladzijde kunt vinden.

Opdracht 38 T1

B

In elk woordenboek zien de zoekwoorden er anders uit. Bekijk afbeelding 1 en 2 en beantwoord de vragen. 1 Kijk naar de zoekwoorden op afbeelding 1. Waar kun je de volgende woorden vinden? professor – provincie – pruik – pop Kies uit: A op deze bladzijden B voor deze bladzijden C na deze bladzijden 2 Kijk naar afbeelding 2. Wat doe je als je de betekenis van de volgende woorden wilt opzoeken? nieuwsflits – nikkel – netheid – nerveus Kies uit: A Ik zoek het woord op de linkerbladzijde. B Ik zoek het woord op de rechterbladzijde. C Ik blader terug tot ik de goede zoekwoorden heb. D Ik blader vooruit tot ik de goede zoekwoorden heb.

Afbeelding 1

87

17049_Blok 1-6_kgt.indb 87

2/04/15 16:17


Over taal

2

Afbeelding 2

Opdracht 39 T1

B

In het woordenboek staan de volgende bladzijden: – bladzijde 560: mineraalwatermarkt – ministerfunctie; – bladzijde 562: misdadigheid – mistel; – bladzijde 564: modekoning – moeder; – bladzijde 566: moestuin – mondheelkunde. Op welke bladzijde zoek je de volgende woorden op? molecule – module – minimum – mismoedig Opdracht 40

T2

T

1 Vorm een groepje met drie of vier klasgenoten. Ieder heeft een woordenboek. 2 Kies allemaal vier moeilijke woorden uit het woordenboek die lastig te vinden zijn. Schrijf ze op, maar laat ze niet zien. 3 Geef om de beurt een woord als zoekopdracht aan de andere leerlingen in het groepje. Wie als eerste de betekenis vindt, legt het woordenboek omgekeerd op tafel. 4 Als de betekenis klopt, krijgt de snelste zoeker een punt.

Deel – geheel Opdracht 41 T1

T2

B

1 Vul het goede woord in. Kies uit: minuut – pagina – steel – vinger – maand – cockpit – zitting – frame – hengsel – trede. a Een … is een deel van een boek. f Een … is een deel van een vliegtuig. b Een … is een deel van een jaar. g Een … is een deel van een bank. c Een … is een deel van een uur. h Een … is een deel van een trap. d Een … is een deel van een fiets. i Een … is een deel van een plant. e Een … is een deel van een hand. j Een … is een deel van een tas. 2 Bedenk zelf een ander antwoord bij a t/m e.

88

17049_Blok 1-6_kgt.indb 88

2/04/15 16:17


2

Over taal

Voor- en achtervoegsels Sommige moeilijke woorden hebben een voorvoegsel of een achtervoegsel. Dat voor- of achtervoegsel kun je gebruiken om de betekenis te bedenken. voorvoegsels on= niet …; wan- = slecht(e) …; her= opnieuw; neo= nieuw; mono- = alleen/één …; anti= tegen … achtervoegsels -achtig = een beetje als …; -baar = je kunt het …; -loos = zonder …; -rijk = met veel …

Opdracht 42 T1

B

Bedenk de betekenis van de onderstreepte woorden. Gebruik in je omschrijving de betekenis van het voor- of achtervoegsel. 1 Ik kan de bof niet krijgen, want ik heb een injectie gekregen met antistoffen. 2 Het hergebruik van plastic is beter voor het milieu. 3 Dit lied is erg monotoon; er zit geen variatie in! 4 Het gebouw werd rond 1900 gebouwd in de stijl van de neobarok. 5 Het werk is onbetaald: het is op vrijwillige basis. 6 Wat lelijk! Wat een wansmaak! 7 Kijk eens niet zo schaapachtig! Dat staat zo dom. 8 Het gerecht heeft te lang in de oven gestaan, maar is nog eetbaar. 9 Het huis was erg kleurloos; alles was grijs! 10 Hij heeft veel macht en is erg invloedrijk.

89

17049_Blok 1-6_kgt.indb 89

2/04/15 16:17


Lezen

2

In deze paragraaf leer je hoe je het doel en het onderwerp van een tekst kunt voorspellen. Je leert ook wat je moet doen om een tekst zo goed mogelijk te begrijpen.

Voordat je aan deze paragraaf begint: • weet je wat leesdoelen en tekstdoelen zijn; (blok 1) • weet je wat tekstsoorten en tekstvormen zijn. (blok 1)

1F

Aan het einde van deze paragraaf: • kun je het tekstdoel voorspellen door te kijken naar de titel, de afbeelding en de bron; • kun je het tekstdoel en het onderwerp voorspellen door een tekst verkennend te lezen; • kun je het leesplan gebruiken.

2.12 Verkennend lezen Opdracht 43

T1

B I

Stel je voor: je krijgt een tekst voor je. De titel van de tekst is: Een droom met gevolgen. Bij de tekst staat afbeelding 3. 1 Kun je het tekstdoel van de tekst opschrijven? Leg uit waarom wel of niet. 2 Kun je voorspellen waar de tekst over gaat? Leg uit waarom wel of niet.

Afbeelding 3

Opdracht 44 T1

B

I

De hele tekst van opdracht 43 stond op www.nos.nl. De tekst begint met de volgende vier zinnen: ‘In Dordrecht heeft de politie gisteren helemaal onnodig een busje total loss gereden. Een vrouw had het alarmnummer gebeld, omdat ze een man in het water had zien liggen. Al snel bleek dat er helemaal niemand in het water lag. De vrouw moest bekennen dat ze het allemaal had gedroomd.’ 1 Wat is het tekstdoel? Kies de juiste letter. A informeren B amuseren C overhalen 2 Schrijf op waar de tekst volgens jou over gaat.

90

17049_Blok 1-6_kgt.indb 90

2/04/15 16:18


2

Lezen

Als je wilt weten waarover een tekst gaat en wat het tekstdoel is, heb je niet altijd genoeg aan de titel en de afbeelding. Lees dan ook de eerste zinnen van de tekst. Kijk ook uit welke krant of uit welk tijdschrift de tekst komt. Deze leesmanier noem je verkennend lezen. Je leest een tekst verkennend om te kunnen voorspellen waar hij over gaat: het onderwerp van de tekst. Zo kun je zien of de tekst past bij je leesdoel. Verkennend lezen doe je als volgt: • Lees de titel. Die staat boven de tekst en is meestal iets groter gedrukt. • Bekijk de afbeelding. Dit kan een foto of een tekening zijn. • Lees de eerste zinnen. In een krant of een tijdschrift zijn deze meestal vetgedrukt. • Lees de opvallend gedrukte woorden. Soms zijn woorden bijvoorbeeld groter gedrukt, vetgedrukt of schuingedrukt. • Kijk naar de bron. De bron is de plaats waar de tekst vandaan komt, bijvoorbeeld uit een krant, een tijdschrift, een boek of van een website. De bron staat meestal onder de tekst.

Opdracht 45 T1

I

O

B I B

T2

I B

T1

I

Bekijk tekst 11. 1 Wat is dit voor soort tekst? 2 Waar kom je zulk soort teksten tegen? Lees tekst 11 verkennend. 3 Wat is de titel van de tekst? 4 Wat zie je op de afbeelding bij de tekst? 5 Lees de eerste zinnen van de tekst. Schrijf twee belangrijke woorden uit deze zinnen op. 6 Soms staan er opvallend gedrukte woorden in de tekst. Schrijf deze op. 7 Wat is de bron van de tekst? 8 Wat is volgens jou het onderwerp van de tekst? 9 Wat weet je al van het onderwerp? 10 Wat is het tekstdoel? A informeren B amuseren C overhalen Lees tekst 11 nu helemaal. 11 Klopte jouw voorspelling van het onderwerp bij vraag 8? 12 Wat betekent het woord opvatting? Als je het woord niet kent, zoek het dan op in de tekst. 13 Wat wordt volgens jou bedoeld met de zin ‘Een omgeving waar kinderen weer kind kunnen zijn’? 14 Schrijf één ding op dat je over het onderwerp van de tekst hebt geleerd.

91

17049_Blok 1-6_kgt.indb 91

2/04/15 16:18


Lezen

2

Tekst 11 War Child Kinderen hebben recht op bescherming tegen geweld, misbruik en verwaarlozing. Recht op vrije tijd en spel. Recht op onderwijs. Dat is niet alleen de opvatting van War Child. Het is de mening van de meeste mensen op onze planeet en het is vastgelegd in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Dit verdrag is door bijna alle landen ondertekend. Helaas houdt niet ieder land zich aan die afspraken. Nog steeds zijn miljoenen kinderen het slachtoffer van oorlogen. Als er ergens oorlog is, hebben kinderen het vaak heel moeilijk. Soms zijn ze op de vlucht of leven ze zonder ouders. Vaak kunnen ze niet naar school of op straat spelen. Dit doen we War Child helpt oorlogskinderen met psychologische hulp, onderwijs en bescherming. We zorgen samen met ouders, leraren en de kinderen zelf voor een veilige omgeving. Een omgeving waar kinderen weer kind kunnen zijn. Help mee Om kinderen in oorlogslanden te helpen, hebben we jouw hulp hard nodig. Hier wat ideeën hoe je kunt helpen: – Organiseer samen met een paar klasgenoten een dance event op school. De opbrengst van de kaartverkoop gaat naar War Child. – Bedenk samen met je klas een filmavond en laat op school films zien over kindsoldaten of vrede. – Organiseer op je school een rommelmarkt en verkoop spullen voor War Child. Wij zijn benieuwd naar jouw idee. Laat het ons weten en meld je actie aan op warchild.nl. Je hoort zo snel mogelijk van ons. Uit: www.warchild.nl.

92

17049_Blok 1-6_kgt.indb 92

2/04/15 16:18


2

Lezen

Voordat je een tekst gaat lezen, verken je de tekst. Daarna lees je de tekst helemaal en probeer je deze te begrijpen. Na het lezen denk je na over de tekst. Als je de stappen van het leesplan hieronder volgt bij elke tekst, zul je merken dat je teksten beter gaat begrijpen. R

Leesplan 1 Voor het lezen De tekst verkennen • Wat is dit voor soort tekst? • Waarom lees je deze tekst? • Welke leesmanier kun je het beste kiezen? De inhoud verkennen • Lees de titel, tussenkopjes en opvallende woorden. • Bekijk de afbeeldingen. • Lees de eerste zinnen. • Bekijk de bron. • Voorspel waar de tekst over gaat. • Wat weet je al van het onderwerp? • Wat wil je nog meer over het onderwerp weten? 2 Tijdens het lezen De tekst begrijpen • Lees steeds een klein stukje tekst. • Denk aan wat je al weet. • Probeer voor je te zien wat je leest. • Los op wat je niet begrijpt. – Moeilijk woord? Gebruik het Stappenplan moeilijke woorden. – Moeilijke zin? Lees de zin opnieuw. 3 Na het lezen De tekst verwerken • Waar ging de tekst over? • Klopte je voorspelling? • Bedenk voor jezelf wat er in de tekst stond. • Wat weet je nu wat je voor het lezen nog niet wist? • Heb je de goede leesmanier gekozen? Het Stappenplan moeilijke woorden leer je in blok 3.

93

17049_Blok 1-6_kgt.indb 93

2/04/15 16:18


Lezen

2

Opdracht 46 T1

I B

T2

I B

T1 I

Bekijk tekst 12. 1 Wat is dit voor soort tekst? Lees tekst 12 verkennend. Volg de stappen uit de theorie. 2 Voorspel het onderwerp van de tekst. 3 Wat is het tekstdoel? Lees tekst 12 nu helemaal. 4 Kwam jouw voorspelling van het onderwerp bij vraag 2 uit? 5 Welk ander woord voor studie wordt in de tekst genoemd? 6 Wat betekent de zin: ‘Over de oorzaak van de groeistop tasten de onderzoekers in het duister’? Als je het niet weet, zoek je de zin op in de tekst. Lees de zin die erachter staat goed. 7 Hoeveel mogelijke oorzaken van de groeistop worden genoemd? 8 Denk je dat het klopt wat er in deze tekst staat? Leg uit waarom je dat denkt.

Tekst 12 Groeistop Even leek het erop dat de Nederlandse jongeren maar bleven doorgroeien. Maar aan die groei lijkt nu toch een einde te zijn gekomen. Dat blijkt uit een studie die uitgevoerd is door TNO. Uit het onderzoek blijkt dat Nederlandse jongens en meisjes even lang zijn als in 1997 toen ze voor het laatst werden gemeten. Als ze uitgegroeid zijn, zijn de Nederlandse meisjes gemiddeld 171 centimeter lang en de jongens 184 centimeter. Mogelijke oorzaken Over de oorzaak van de groeistop tasten de onderzoekers in het duister. Niemand weet hoe het komt. Het kan zijn dat dit gewoon de maximale lengte is voor Nederlandse jongeren. Een andere verklaring kan zijn dat er een eind is gekomen aan de steeds beter wordende leefomstandigheden van jongeren. Yvonne Schönbeck, onderzoeker bij TNO, concludeert: ‘De afgelopen 150 jaar zijn de jongeren steeds langer geworden. Daar lijkt nu een eind aan gekomen te zijn. Maar de Nederlandse jongeren blijven voorlopig wel de langste van de wereld.’ Uit: Algemeen Dagblad.

94

17049_Blok 1-6_kgt.indb 94

2/04/15 16:18


2

Lezen

Opdracht 47 T1

T

In deze opdracht laat je zien welke dingen belangrijk zijn bij verkennend lezen. Zoek een interessant artikel in een krant of in een tijdschrift. Knip het artikel in vier stukken. Doe dit zo: 1 titel 2 dikgedrukte eerste zinnen 3 opvallend gedrukte woorden 4 afbeelding Plak de vier stukken op een overzichtelijke manier op een leeg vel. Schrijf de bron van de tekst eronder. Schrijf op de achterkant van het vel een interessant weetje waar je pas achterkomt als je de hele tekst hebt gelezen.

95

17049_Blok 1-6_kgt.indb 95

2/04/15 16:18


Schrijven

2

Je hebt al geleerd wat tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen zijn. In deze paragraaf ga je teksten schrijven met het tekstdoel informeren. De tekstsoort die hierbij hoort, is de informerende tekst. Als tekstvorm gebruik je het nieuwsbericht. Je schrijft een nieuwsbericht over een gebeurtenis in je eigen leven en een nieuwsbericht over iets wat in jouw omgeving is gebeurd.

Voordat je aan deze paragraaf begint: • weet je wat tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen zijn; (blok 1) • weet je wat publiek is. (blok 1)

1F

Aan het einde van deze paragraaf: • kun je het schrijven van een informerende tekst voorbereiden; • kun je een nieuwsbericht schrijven; • kun je goede zoektermen gebruiken om informatie op te zoeken op internet; • kun je een tekst schrijven waarbij elke zin een persoonsvorm heeft.

2.13 Vragen voor een informerende tekst Opdracht 48 O T1

1 2 3 4 5 6

Kies een (bekende) persoon die nu in het nieuws is. Schrijf zijn of haar naam op. Wat is er met deze persoon gebeurd? Hoe is het gebeurd? Waarom is het gebeurd? Waar is het gebeurd? Wanneer is het gebeurd?

96

17049_Blok 1-6_kgt.indb 96

2/04/15 16:18


2

Als je een informerende tekst moet maken, een nieuwsbericht bijvoorbeeld, dan begin je niet meteen met schrijven. Je bereidt het schrijven eerst voor. Dat doe je door antwoord te geven op een aantal vaste vragen, de 5W+1H-vragen.

R

Als je de vragen hebt beantwoord, dan kun je beginnen met het schrijven van je informerende tekst. In je tekst komen alle antwoorden op de 5W+1H-vragen te staan.

Schrijven

Wie? Waar?

Wat? Wanneer?

Waarom?

Hoe?

Informerende tekst

Opdracht 49

T1

I

T2

T

Maak nu zelf een informerende tekst. Schrijf een nieuwsbericht voor in de schoolkrant over iets wat kortgeleden in je eigen leven is gebeurd. Dat kan een bijzondere gebeurtenis zijn: je hebt bijvoorbeeld het winnende doelpunt gemaakt in een belangrijke wedstrijd. Het kan ook een normale gebeurtenis zijn: je hebt bijvoorbeeld een paar nieuwe sneakers gekocht. 1 Over welke gebeurtenis uit je eigen leven ga je een nieuwsbericht schrijven? 2 Beantwoord over deze gebeurtenis de 5W+1H-vragen. Wie? … Wanneer? … Wat? … Waarom? … Waar? … Hoe? … Je publiek bestaat uit je medeleerlingen op school. 3 Schrijf het nieuwsbericht. Zorg ervoor dat de antwoorden op de vragen in je nieuwsbericht staan. 4 Zet een titel boven je nieuwsbericht. 5 Lees je tekst goed door. a Staat de informatie in de goede volgorde? b Krijgt de lezer antwoord op de 5W+1H-vragen? c Pas de tekst aan als dat nodig is.

97

17049_Blok 1-6_kgt.indb 97

2/04/15 16:18


Schrijven

2

2.14 Informatie zoeken op internet Als je informatie zoekt op internet, typ je zo precies mogelijk waar je naar op zoek bent. • Wil je informatie over de bekende voetballer Arjen Robben, typ dan niet Robben. Dan krijg je veel te veel zoekresultaten. • Typ je Arjen Robben, dan is het aantal treffers al veel kleiner. • Nog beter kun je typen “Arjen Robben” (met aanhalingstekens). Dan heb je nog minder treffers. • Als je wilt weten hoeveel doelpunten Arjen Robben heeft gemaakt, typ dan: “doelpunten Arjen Robben”. Dan zie je nog maar een paar zoekresultaten.

Opdracht 50 T1

B

Welke woorden typ je in als je wilt weten: 1 Welke prijzen Tanja de Jonge voor haar boeken heeft gekregen. 2 Of er in jouw stad of dorp een hockeyclub is. 3 Hoe je een heerlijke aardbeienshake moet maken. 4 Wat de gebruikers vinden van de Samsung i9500. 5 Waar het laatste wereldkampioenschap voetbal werd gehouden. Opdracht 51

B

T1

Afbeelding 4

Schrijf een nieuwsbericht waarvoor je informatie moet opzoeken op internet. Het nieuws mag echt gebeurd zijn, maar je mag het ook verzinnen. Kies voor het onderwerp van je nieuwsbericht een van de afbeeldingen. Je schrijft het bericht voor de plaatselijke krant. Deze tekst gebruik je ook voor de toetsopdracht. 1 Bekijk de afbeeldingen. Bij welke wil je een nieuwsbericht schrijven?

Afbeelding 5

Afbeelding 6

98

17049_Blok 1-6_kgt.indb 98

2/04/15 16:18


2

T2

T

T1

Schrijven

2 Schrijf de 5W+1H-vragen over. Zet de antwoorden erachter. Zoek op internet (extra) informatie. Wie? … Wanneer? … Wat? … Waarom? … Waar? … Hoe? … Je publiek bestaat uit de mensen uit je dorp of stad die deze krant ook krijgen. 3 Schrijf een kladversie van je nieuwsbericht. 4 Zet een titel boven je nieuwsbericht. 5 Ruil je nieuwsbericht met dat van een klasgenoot. Vraag een tip om je nieuwsbericht te verbeteren.

2.15 Taalverzorging Afspraken en regels Schrijven In blok 1 heb je geleerd dat er regels en afspraken zijn voor het schrijven van een tekst. In dit blok leer je de tweede afspraak. 2 In een zin schrijf je altijd een persoonsvorm.

R

voorbeeld De rechter veroordeelde de verdachte tot een taakstraf. De bondscoach heeft nog niets over de opstelling gezegd. Alleen in de titel van een tekst schrijf je vaak geen persoonsvorm. voorbeeld Goud voor Nederlandse zwemmers Internet steeds sneller

Opdracht 52 T1

B

Tekst 13 is een nieuwsbericht. In enkele zinnen ontbreekt de persoonsvorm. Schrijf de nummers van die zinnen op. Schrijf de zinnen erachter en vul een passende persoonsvorm in.

99

17049_Blok 1-6_kgt.indb 99

2/04/15 16:18


Schrijven

2

Tekst 13 Een duur foutje 1 Een bankmedewerkster in Duitsland heeft vorig jaar een dure fout gemaakt. 2 Haar vinger hangen op het toetsenbord. 3 Daardoor er niet 22,22 euro overgemaakt, maar 222.222.222,22 euro. 4 De fout leidde tot een rechtszaak. 5 De bank de leidinggevende van de bankmedewerkster ontslaan. 6 Hij de fout niet opgemerkt. 7 De rechter oordeelde dat de man zijn baan mocht houden. 8 Volgens hem was een waarschuwing voldoende. Naar: www.nos.nl.

Opdracht 53   I

T

Schrijf een nieuwsbericht voor in de schoolkrant over iets wat in de afgelopen tijd op school is gebeurd. Je mag de gebeurtenis ook verzinnen. In de zinnen van je nieuwsbericht moeten in elk geval de volgende persoonsvormen voorkomen: heeft – denkt – zal – is. Je mag zelf de volgorde van de persoonsvormen bepalen. Bereid het schrijven van het nieuwsbericht voor door de 5W+1H-vragen te beantwoorden. Je publiek bestaat het je medeleerlingen op school.

Eindopdracht  Toets    Opdracht 54

T

T2 T1

Je gaat nu een nette versie maken van het nieuwsbericht dat je bij opdracht 51 hebt geschreven. Dat doe je zo: – Lees de tip van je klasgenoot bij opdracht 51 vraag 5 en verbeter je tekst. – Zorg ervoor dat de hoofdletters en leestekens op de juiste plaats staan (Afspraken en regels Schrijven regel 1). – Zorg ervoor dat alle zinnen een persoonsvorm hebben. (Afspraken en regels Schrijven regel 2).  Opdracht 55

T2

I

De vragen in deze opdracht gaan over het nieuwsbericht dat je bij opdracht 51 en 54 hebt gemaakt. 1 Ben je tevreden over je nieuwsbericht? Leg je antwoord uit. 2 Wat vond je van de tip van je klasgenoot bij opdracht 51 vraag 5? Leg je antwoord uit. 3 Wat ga je bij de volgende schrijfopdracht beter doen? Leg je antwoord uit.

100

17049_Blok 1-6_kgt.indb 100

2/04/15 16:18


2

Spreken, kijken en luisteren

In deze paragraaf leer je welke soorten programma’s er zijn, wat het doel is van de programmamakers en voor wie ze het programma maken. Bij Spreken leer je hoe je je taal en woorden aanpast aan degene met of tegen wie je spreekt.

Voordat je aan deze paragraaf begint: • weet je hoe je je stem op de juiste manier moet gebruiken als je spreekt. (blok 1)

1F

Aan het einde van deze paragraaf: • kun je het doel van een programma benoemen; • kun je het publiek van een programma beschrijven; • kun je het onderwerp van een programma benoemen; • weet je wanneer je formele of informele taal gebruikt.

2.16 Kijken en luisteren Kijk- en luisterdoelen van verschillende soorten programma’s Zoals je verschillende soorten teksten kunt lezen, zo kun je ook kijken naar verschillende soorten programma’s. Gesproken teksten, bijvoorbeeld programma’s op televisie, hebben dezelfde tekstdoelen en -soorten als leesteksten. R

tekstdoel

tekstsoort

informeren: de kijker iets nieuws laten weten. De spreker geeft vooral informatie.

informerende programma’s: Journaal, Jeugdjournaal, nieuwsuitzending, EenVandaag actualiteitenprogramma

overhalen: de spreker wil de aansporende programma’s: kijker overhalen om iets te doen. actie voor een goed doel

voorbeeld

nationale televisieactie met alle omroepen voor de slachtoffers van een ramp

amuseren: de spreker wil de kijker amuserende programma’s: James Bond, The Voice of vermaken. (reality-)serie, soapserie, film Holland

101

17049_Blok 1-6_kgt.indb 101

2/04/15 16:18


Spreken, kijken en luisteren

2

Opdracht 56 T1

B

1 Bekijk de drie fragmenten. Wat is het doel van de makers van deze programma’s? Kijk naar het schema. 2 Aan het eind van het laatste fragment komt er een boodschap in beeld. Wat moeten de kijkers doen?

Met een gesproken tekst wil je een bepaald publiek bereiken. Dit publiek noem je de doelgroep. Zo is SpangaS speciaal voor kinderen, Blik op de weg voor volwassen en Zapp-sport voor sportieve jongeren.

Opdracht 57 T1

B

Je hebt drie fragmenten gezien. Hieronder zie je uit elk fragment een beeld. Schrijf op voor wie deze programma’s speciaal zijn gemaakt. Wat is dus de doelgroep van elk programma? Vertel ook waarom je dat denkt.

Fragment 1

Fragment 2

Fragment 3

102

17049_Blok 1-6_kgt.indb 102

2/04/15 16:18


2

Spreken, kijken en luisteren

Net als in teksten hebben televisieprogramma’s en filmpjes ook een onderwerp. In één of enkele woorden kun je aangeven waarover een tekst, fragment of programma gaat. voorbeeld Fragment Puberruil: het onderwerp is ruilen met een andere tiener. Soms moet je een samenvatting maken van een tekst of een fragment. Je maakt dan tijdens het kijken en luisteren aantekeningen. Zo doe je dat: • Je schrijft het onderwerp bovenaan. • Je schrijft steekwoorden op, je gebruikt geen hele zinnen. • Je laat af en toe een regel leeg, dan kun je later nog iets aanvullen. • Je gebruikt pijlen ( of ) en schema’s (bijvoorbeeld rijtjes of een woordveld) om verbanden aan te geven. • Je zorgt ervoor dat je aantekeningen leesbaar zijn. • Je werkt je aantekeningen zo snel mogelijk uit, zodat je geen belangrijke zaken vergeet.

Opdracht 58 T1

B

Kijk naar het fragment over kinderarbeid. Wat is het doel van het fragment? Noem het doel in één woord. Leg je keuze uit. Opdracht 59

T T2 T1

I

Lees eerst de vragen. Kijk en luister daarna naar het fragment over kinderarbeid. 1 Maak tijdens het filmpje aantekeningen, zodat je het kunt navertellen. Vergelijk je aantekeningen met een klasgenoot. Hebben jullie hetzelfde opgeschreven? 2 Kijk nog eens naar je aantekeningen. De volgende woorden moeten erin staan: kinderarbeid – stoommachine – ongezond. Bedenk een omschrijving voor die woorden en vergelijk jouw omschrijving met die van een klasgenoot. Welke omschrijving is beter? Waarom? 3 Beantwoord de volgende vragen over het fragment. Gebruik je aantekeningen. a Waarom moesten mensen langer werken toen er machines in de fabrieken kwamen? b Waarom wilden ze kinderen in de fabrieken laten werken? c Leg uit wat het Kinderwetje van Van Houten is.

103

17049_Blok 1-6_kgt.indb 103

2/04/15 16:18


Spreken, kijken en luisteren

2

2.17 Spreken Formele en informele taal Wat je zegt en op welke manier je iets zegt, hangt af van tegen wie je het zegt, je publiek. voorbeeld ‘Hé juffie, alles kits? Lekker wezen chillen afgelopen weekend?’ Deze manier van spreken noem je informeel. Zo praat je tegen je vrienden, familie of goede bekenden. voorbeeld ‘Hallo mevrouw, gaat het goed met u? Heeft u een fijn weekend gehad?’ Deze manier van spreken noem je formeel. Zo spreek je tegen onbekenden of mensen met wie je met respect om gaat. Je past je woorden dus aan. R

formeel • • •

informeel

Je spreekt de ander aan met u. Je gebruikt nette taal. Je bent netjes en beleefd.

• • •

Je en jou zeggen mag. Je mag vlotte taal gebruiken (spreektaal, straattaal, dialect). Grapjes maken mag!

Opdracht 60 T1

I

Geef bij elke situatie aan of je formeel of informeel spreekt. situatie

formeel of informeel?

1 Je spreekt tegen een oudere man met een hond die je buiten tegenkomt. 2 Je spreekt tegen de rector als je eruit bent gestuurd. 3 Je spreekt met je vrienden af om te gaan schaatsen. 4 Je spreekt tegen de dokter om uit te leggen waar je pijn hebt. 5 Je spreekt met je buurjongen die een grapje maakt over je nieuwe kapsel. 6 Je zegt tegen je oudere broer dat je iets wilt lenen.

104

17049_Blok 1-6_kgt.indb 104

2/04/15 16:18


2

Spreken, kijken en luisteren

Opdracht 61  T1

I

Je fiets is gestolen. Hij stond tegen het hek bij jou in de straat en was met een ketting daaraan vastgemaakt. Het slot is opengeknipt en ligt naast het hek op de grond. Dit verhaal vertel je aan verschillende mensen. Schrijf op of je dit op een formele of informele manier doet en wat je precies zou zeggen. 1 Je vertelt het aan je ouders. 2 Je belt de politie om de fiets als gestolen aan te geven. 3 Je legt aan je leraar uit waarom je te laat op school bent. 4 Je vertelt je vrienden wat er is gebeurd.  Toets    Opdracht 62

I

T

Deze opdracht doe je in tweetallen. Je voert met elkaar twee telefoongesprekken: eerst een formeel en daarna een informeel gesprek. 1 In het formele gesprek heb je een klacht over een iPod. Je wilt graag weten hoe je een klacht kunt indienen bij de winkel waar je hem hebt gekocht. Je belt de klantenservice op om te vragen hoe dat gaat. Je vraagt wat je moet doen om je klacht uit te leggen en hoe je tot een oplossing kunt komen. a Ter voorbereiding: verdeel de rollen, wie is wie? b Bereid voor wat je wilt gaan zeggen. Hoe neem je op als medewerker? Hoe begin je als klant? Gebruik het schema op www.opniveau-online.nl om te beoordelen hoe jullie het formele gesprek hebben gedaan. 2 In het informele gesprek bel je je vriend(in) die ziek is. Je belt om te vertellen over de schooldag en wat hij/zij heeft gemist. Je vertelt natuurlijk ook over die leuke nieuwe klasgenoot. a Ter voorbereiding: verdeel de rollen, wie is wie? b Hoe begin je het gesprek? c Hoe sluit je het gesprek af?

105

17049_Blok 1-6_kgt.indb 105

2/04/15 16:18


Projectopdracht

2

In deze opdracht: • zoek je informatie op internet; (Schrijven) • schrijf je twee teksten: een non-fictietekst en een fictietekst. (Fictie, Schrijven)

Ik wil erbij zijn  Opdracht 63

T

T1

I T2

In deze opdracht reis je naar een andere tijd en schrijf je daar mooie teksten over. 1 Kies een gebeurtenis uit de geschiedenis van Nederland waar jij graag bij had willen zijn. Zoek op internet informatie over die gebeurtenis. 2 Stel je voor: jij reist met een tijdmachine naar het moment van die gebeurtenis. Tijdens jouw bezoek gebeurt er iets bijzonders. Bedenk maar iets leuks! 3 Geef antwoord op de 5W+1H-vragen bij de gebeurtenis die jij hebt bedacht. Het antwoord op de vraag Wie? ben jij natuurlijk zelf, maar er mogen ook anderen bij zijn. 4 Schrijf over de gebeurtenis een tekst die non-fictie is. In deze tekst loopt het goed af. 5 Schrijf nu over dezelfde gebeurtenis een tekst die fictie is. In deze tekst loopt het niet goed af, maar gaat het juist helemaal fout. 6 Bedenk voor elke tekst een titel die goed bij de tekst past. Denk eraan dat je in een titel de persoonsvorm mag weglaten. 7 Lees je teksten goed door. Controleer of je je hebt gehouden aan de regels die je tot nu toe hebt geleerd bij Schrijven. Ruil je teksten met die van een klasgenoot en controleer elkaars werk. Verbeter zo nodig je tekst. 8 Lever de twee teksten in. Je werk wordt beoordeeld met het beoordelingsformulier.

106

17049_Blok 1-6_kgt.indb 106

2/04/15 16:18


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Op niveau onderbouw vmbo-kgt by ThiemeMeulenhoff - Issuu