
Isa Offermans 2175236
Master thesis
Master of Arts in Fine Art & Design | Health by Design Avans Hogeschool
Begeleider
Sandra Suijkerbuijk Stichting Huh? Wat bedoelt u?
Externe organisatie
Datum
februari 2026 – juni 2026
![]()

Isa Offermans 2175236
Master thesis
Master of Arts in Fine Art & Design | Health by Design Avans Hogeschool
Begeleider
Sandra Suijkerbuijk Stichting Huh? Wat bedoelt u?
Externe organisatie
Datum
februari 2026 – juni 2026
Dit onderzoek begon met een gevoel van onrechtvaardigheid. Ik groeide op met de overtuiging dat gezondheid een recht is en geen voorrecht, en dat iedereen gelijke kansen verdient op een goed en gezond leven. Maar hoe meer ik keek naar hoe de zorg daadwerkelijk is ingericht, hoe duidelijker het werd dat die overtuiging botst met de werkelijkheid. Niet omdat mensen in de zorg het niet goed bedoelen, maar omdat het systeem is gebouwd voor mensen die er al in passen.
Deze overtuiging heeft dit onderzoek in gang gezet. Ik ben me bewust van de risico’s die daarmee samengaan. Wie begint vanuit een gevoel van onrechtvaardigheid, loopt het gevaar te zoeken naar bevestiging van wat hij of zij al denkt te weten. Ik heb geprobeerd dat risico te beperken door participatief te werken, door echt te luisteren, door tegenstrijdige data niet weg te redeneren en door in de analyse ruimte te houden voor wat niet klopte. Of dat volledig gelukt is, durf ik niet te zeggen, maar het vroeg dat ik hier voortdurend en bewust op reflecteerde.
Wat gedurende het onderzoek de meeste indruk op mij heeft gemaakt, is de bereidheid van deelnemers om hun ervaringen te delen en actief bij te dragen aan het onderzoeks- en ontwerpproces. Mensen met beperkte geletterdheid, leefstijlcoaches, naasten en professionals in het sociaal domein hebben niet alleen hun tijd beschikbaar gesteld, maar ook inzichten gedeeld over situaties die niet altijd vanzelfsprekend zichtbaar worden binnen formele zorgcontexten. Deze betrokkenheid suggereert dat er breder een behoefte bestaat om anders naar dit vraagstuk te kijken, al kan ik op basis van dit onderzoek geen uitspraken doen over hoe breed precies.
Een moment dat me bijblijft, is een e-mail die ik enkele dagen na een co-designsessie ontving van een deelnemende leefstijlcoach. De coach schreef om mij te bedanken. Niet voor de inhoud van de sessie, maar voor hoe ze zich erna had gevoeld. Ze schreef dat het haar blik had veranderd en
haar had geïnspireerd om het anders te gaan doen. Dat was voor mij een moment waarop ik realiseerde wie ik wil zijn als ontwerper. Iemand die mensen het gevoel geeft dat ze ertoe doen, dat hun ervaringen de moeite waard zijn om naar te luisteren, en die hen, door te luisteren, inspireert om van de wereld een iets mooiere plek te maken. Al is het maar een beetje.
Dit onderzoek is een poging om daar een bijdrage aan te leveren. Het is geen oplossing, maar suggereert wat er bestaat, wat er ontbreekt en wat er mogelijk kan zijn. Gemaakt met en dankzij de mensen die erin centraal staan.
Daarom wil ik iedereen bedanken die bereid was om mee te doen, mee te denken of mee te maken. Aan de mensen met beperkte geletterdheid die hun ervaringen zo open met me deelden. Aan de leefstijlcoaches, naasten, huisartsen, POH’s en professionals in het sociaal domein die openhartig waren over wat werkt en wat niet. Aan Stichting Huh? Wat bedoelt u? voor de toegang, het vertrouwen en de samenwerking die dit onderzoek mogelijk maakten. Aan mijn begeleider Sandra Suijkerbuijk voor de scherpte en de ruimte. En iedereen die meekeek, meelas of de juiste vragen stelde op het juiste moment.
In Nederland leven ongeveer drie miljoen volwassenen met beperkte geletterdheid (Rademakers & Heijmans, 2024). Deze groep heeft een verhoogd risico op gezondheidsproblemen, maar profiteert aantoonbaar minder van bestaande leefstijlcoachingstrajecten (Oosterhoff et al., 2022; Richtlijnendatabase, 2023). Dit onderzoek vertrekt daarom vanuit de vraag hoe eigen regie wordt beleefd door mensen met beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching, en hoe een ontwerpinterventie kan inspelen op de factoren die deze ervaring beïnvloeden.
In Nederland leven ongeveer drie miljoen volwassenen met beperkte geletterdheid (Rademakers & Heijmans, 2024). Deze groep heeft een verhoogd risico op gezondheidsproblemen, maar profiteert aantoonbaar minder van bestaande leefstijlcoachingstrajecten (Oosterhoff et al., 2022; Richtlijnendatabase, 2023). Dit onderzoek vertrekt daarom vanuit de vraag hoe eigen regie wordt beleefd door mensen met beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching, en hoe een ontwerpinterventie kan inspelen op de factoren die deze ervaring beïnvloeden.
sessie wordt besproken.
eigen regie, doordat zij concreter kunnen sturen op wat in de sessie wordt besproken.
De bevindingen suggereren dat de ontwerpopgave binnen leefstijlcoaching anders benaderd moet worden. Niet de coachingssessies, maar de context daaromheen lijkt een bepalende rol te spelen in het ontstaan van eigen regie. Daarmee draagt dit onderzoek bij aan een verschuiving van een benadering die vooral gericht is op het individu naar een meer relationele en contextgerichte benadering, en positioneert de tussenruimte als een mogelijke ontwerpbare interventieruimte binnen leefstijlcoaching.
Het onderzoek volgt een kwalitatieve, participatieve en ontwerpgerichte aanpak, gestructureerd via de Double Diamond-methode (Design Council, 2005). Er zijn semigestructureerde interviews gehouden met 36 deelnemers, gevolgd door twee co-designsessies en vijf iteratieve testronden. De bevindingen suggereren dat eigen regie geen stabiele eigenschap is, maar een dynamisch en contextafhankelijk verschijnsel dat ontstaat of verdwijnt in de wisselwerking tussen het individu, het sociale netwerk en de omgeving. Daarbij lijkt de tussenruimte, de momenten vlak vóór, vlak ná en tussen de coachingssessies in, een belangrijke rol te spelen die in de huidige praktijk nog beperkt wordt benut.
Het onderzoek volgt een kwalitatieve, participatieve en ontwerpgerichte aanpak, gestructureerd via de Double Diamond-methode (Design Council, 2005). Er zijn semigestructureerde interviews gehouden met 36 deelnemers, gevolgd door twee co-designsessies en vijf iteratieve testronden. De bevindingen suggereren dat eigen regie geen stabiele eigenschap is, maar een dynamisch en contextafhankelijk verschijnsel dat ontstaat of verdwijnt in de wisselwerking tussen het individu, het sociale netwerk en de omgeving. Daarbij lijkt de tussenruimte, de momenten vlak vóór, vlak ná en tussen de coachingssessies in, een belangrijke rol te spelen die in de huidige praktijk nog beperkt wordt benut.
De bevindingen suggereren dat de ontwerpopgave binnen leefstijlcoaching anders benaderd moet worden. Niet de coachingssessies, maar de context daaromheen lijkt een bepalende rol te spelen in het ontstaan van eigen regie. Daarmee draagt dit onderzoek bij aan een verschuiving van een benadering die vooral gericht is op het individu naar een meer relationele en contextgerichte benadering, en positioneert de tussenruimte als een mogelijke ontwerpbare interventieruimte binnen leefstijlcoaching.
Vanuit deze inzichten is Een luisterend oor ontwikkeld als een boundary object dat de tussenruimte activeert als gedeelde interventieruimte. Het concept bestaat uit een fysiek object in de thuissituatie van de persoon met beperkte geletterdheid, waarmee de persoon ervaringen kan inspreken die via artificial intelligence worden omgezet in samenvattingen voor het sociale netwerk en de leefstijlcoach. De vijf testronden suggereren zeven samenhangende voorwaarden waaronder deze tussenruimte geactiveerd kan worden. De resultaten suggereren dat, wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, de leefstijlcoachingssessies meer vanuit de leefwereld vertrekken en het sociale netwerk beter aansluit. Daarnaast beschrijven mensen met beperkte geletterdheid dat ze zich gehoord voelen en een toegenomen gevoel van eigen regie, doordat zij concreter kunnen sturen op wat in de
Vanuit deze inzichten is Een luisterend oor ontwikkeld als een boundary object dat de tussenruimte activeert als gedeelde interventieruimte. Het concept bestaat uit een fysiek object in de thuissituatie van de persoon met beperkte geletterdheid, waarmee de persoon ervaringen kan inspreken die via artificial intelligence worden omgezet in samenvattingen voor het sociale netwerk en de leefstijlcoach. De vijf testronden suggereren zeven samenhangende voorwaarden waaronder deze tussenruimte geactiveerd kan worden. De resultaten suggereren dat, wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, de leefstijlcoachingssessies meer vanuit de leefwereld vertrekken en het sociale netwerk beter aansluit. Daarnaast beschrijven mensen met beperkte geletterdheid dat ze zich gehoord voelen en een toegenomen gevoel van
01 Introductie
1.1 Aanleiding
1.2 Eigen regie binnen leefstijlcoaching
1.3 Het huidige aanbod
1.4 Probleemstelling
1.5 Doelstelling en onderzoeksvraag
1.6 Aanpak
1.7 Positionering binnen HAT
02 De beleving van eigen regie
2.1 Methode
2.2 Bevindingen
2.3 Overkoepelende bevinding
03 Ontwerpuitdaging
3.1 Probleemstelling
3.2 Gewenste situatie
3.3 Ontwerpvraag
3.4 Ontwerpprincipes
04 Co-construeren van de tussenruimte
4.1 Methode
4.2 Bevindingen
4.3 Ontwerprichting
5.1 Van ontwerprichting naar concept
5.2 Testronde 1 - De basis
5.3 Testronde 2 - Het delen van ervaringen activeren
5.4 Testronde 3 - Het delen van ervaringen over tijd
5.5 Testronde 4 - Het handelen van het sociale netwerk
5.6 Testronde 5 - De systeemwerking van het concept
5.7 Overkoepelende bevindingen
6.1 Positionering
6.1 Positionering
6.2 Het concept
6.2 Het concept
6.3 De drie lagen van eigen regie
6.3 De drie lagen van eigen regie
6.4
Discussie
07 Discussie
7.1 Eigen regie in de tussenruimte
7.1 Eigen regie in de tussenruimte
7.2 Het boundary object als systeemingreep
7.2 Het boundary object als systeemingreep
7.3 Methodologische reflectie
7.3 Methodologische reflectie
7.4 Ethiek in kwetsbare zorgcontexten
7.4 Ethiek in kwetsbare zorgcontexten
7.5 Postionering binnen HAT
7.5 Positionering binnen HAT
7.6 Implicaties
7.6 Implicaties
7.7
7.7 Richting voor
Dit hoofdstuk schetst de context van beperkte geletterdheid en leefstijlcoaching, bespreekt de beperkingen van bestaande benaderingen van eigen regie en leidt tot de probleemstelling, onderzoeksvraag en gekozen onderzoeksaanpak.
In Nederland hebben ongeveer drie miljoen volwassenen moeite met lezen en schrijven op een niveau dat nodig is om zelfstandig te kunnen functioneren in de samenleving (Rademakers & Heijmans, 2024). Dit heet beperkte geletterdheid. Het gaat om mensen die nooit goed hebben leren lezen en schrijven, maar ook om mensen die hun vaardigheden zijn kwijtgeraakt door langdurig gebrek aan gebruik (Houtkoop et al., 2012).
In dit onderzoek wordt beperkte geletterdheid gezien als het gevolg van een samenleving die geletterdheid als vanzelfsprekend beschouwt. Onder andere het onderwijs, de arbeidsmarkt en de zorg zijn vaak zo ingericht dat ze voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven minder toegankelijk zijn (Freire, 1970; Nutbeam, 2000). Beperkte geletterdheid kan vanuit dit perspectief niet alleen gezien worden als een individueel tekort, maar als een systeemprobleem.
In de literatuur wordt een samenhang gevonden tussen beperkte geletterdheid en verschillende gezondheidsuitkomsten. Zo hebben mensen met beperkte geletterdheid vaker moeite met het vinden en begrijpen van gezondheidsinformatie, maken ze minder gebruik van preventieve zorg en hebben ze een verhoogd risico op chronische aandoeningen en ziekenhuisopnames (Berkman et al., 2011; Rademakers & Heijmans, 2018; Wolf et al., 2007). Daarnaast komt een lagere kwaliteit van leven vaker voor bij mensen met beperkte geletterdheid (Rademakers & Heijmans, 2018). Tegelijkertijd is het belangrijk om voorzichtig te blijven in de interpretatie van de bevindingen. De samenhang die is gevonden is niet causaal aangetoond, en gezondheidsverschillen worden mede verklaard door armoede, stress en sociale uitsluiting. Deze factoren staan vaak in relatie tot beperkte geletterdheid, maar zijn niet hetzelfde (Marmot, 2017). De vraag of beperkte geletterdheid een oorzaak is van gezondheidsverschillen, dan wel samen met gezondheidsverschillen voortkomt uit dezelfde onderliggende factoren, blijft in de literatuur onderwerp van discussie. Sommige onderzoekers pleiten voor interventies gericht op health literacy (Berkman et al., 2011). Andere wijzen erop dat een focus op individuele vaardigheden bredere ongelijkheden kan verhullen en zelfs versterken (Zarcadoolas et al., 2006; Paasche-Orlow & Wolf, 2007). Dit onderzoek sluit
aan bij de tweede positie, maar erkent tegelijkertijd dat ook dit perspectief onderwerp van discussie blijft.
Gezondheidsverschillen zijn niet willekeurig verdeeld. Het determinantenmodel van Dahlgren en Whitehead (1991), dat wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke modellen binnen de volksgezondheid (Dyar et al., 2022), laat zien dat leefstijl niet alleen een persoonlijke keuze is. Het wordt onder andere ook beïnvloed door sociale en economische omstandigheden (zie figuur 1). Deze benadering sluit aan bij werk van Marmot (2017), die ongezonde leefstijlpatronen vaker aantreft bij sociaal kwetsbare groepen, zoals mensen met beperkte geletterdheid, vanwege de omstandigheden waarin zij leven. Deze omstandigheden beperken de mogelijkheden om gedrag te veranderen.
Dit inzicht vormt het uitgangspunt van dit onderzoek. Wanneer beperkte geletterdheid wordt gezien als een systeemprobleem en de regie over de eigen gezondheid grotendeels bepaald wordt door contextuele factoren, dan vraagt dit om een oplossing die voornamelijk ingrijpt op systeemniveau, in plaats van op het individu. De uitdaging ligt dan niet in het direct veranderen of motiveren van individueel gedrag, maar in het vormgeven van de context, zodat het gewenste gedrag vanzelf beter mogelijk wordt.
Leefstijlcoaching speelt een steeds belangrijkere rol binnen de Nederlandse preventieve gezondheidszorg. In beleidsdocumenten zoals het Nationaal Preventieakkoord (Ministerie van VWS, 2018), het Integraal Zorgakkoord (IZA) (Ministerie van VWS, 2022) en het Aanvullende Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) (Ministerie van VWS, 2025) wordt leefstijlcoaching gezien als een manier om chronische aandoeningen te voorkomen en de druk op de curatieve zorg1 te verminderen. Mensen in kwetsbare situaties worden daarin genoemd als een belangrijke groep.
Eigen regie is een veelgebruikt begrip in het zorg- en welzijnsbeleid. Het wordt echter niet altijd op dezelfde manier gebruikt. Zo is eigen regie niet hetzelfde als zelfredzaamheid of autonomie. Zelfredzaamheid gaat over hoe goed iemand dagelijkse activiteiten zelfstandig kan

Het determinantenmodel van Dahlgren & Whitehead (1991) Figuur 1.
uitvoeren en kan meedoen in de samenleving (Movisie, 2013). Autonomie is het recht om zelf keuzes te maken over het eigen lichaam en leven, zonder dat anderen zich daarmee bemoeien (Hendriks et al. ,2013). Eigen regie is breder dan beide begrippen. Eigen regie is het vermogen van mensen om invloed uit te oefenen op hun eigen situatie, keuzes te maken die aansluiten bij hun waarden en behoeften, en deze keuzes ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren (Rademakers & Heijmans, 2018; Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid [WRR], 2017). Dit onderscheid is belangrijk. Eigen regie is dus meer dan de formele vrijheid om keuzes te maken. Iemand kan formeel autonoom zijn, maar in de praktijk onvoldoende middelen, vaardigheden of ondersteuning ervaren om daadwerkelijk regie te voeren (Rademakers & Heijmans, 2018; Sen, 1999).
In dit onderzoek sluit de definitie van eigen regie aan op de capabilities approach van Sen (1999), waarin centraal staat
wat iemand feitelijk kan doen en zijn binnen de gegeven contextuele voorwaarden. Vanuit dit perspectief is eigen regie geen individuele eigenschap, maar het resultaat van de interactie tussen individu en zijn omgeving (zie figuur 2). Daarmee wijkt dit onderzoek af van benaderingen die eigen regie vooral zien als een vaardigheid die kan worden getraind (Miller & Rollnick, 2013).
Binnen leefstijlcoaching dient eigen regie zowel als doel als als voorwaarde. Het doel van leefstijlcoachingstrajecten is dat mensen uiteindelijk zelfstandig gezonde keuzes kunnen maken en deze ook volhouden, ook wanneer professionele begeleiding wegvalt (Miller & Rollnick, 2013; Ministerie van VWS, 2018). Tegelijkertijd gaan bestaande leefstijlcoachingstrajecten ervan uit dat mensen die eigen regie al vanaf het begin hebben. Ze moeten doelen stellen, reflecteren en verantwoordelijkheid dragen (Miller & Rollnick, 2013; WRR, 2017). Voor mensen voor wie eigen regie niet
vanzelfsprekend is, ontstaat daarmee een tegenstrijdigheid.
1 curatieve zorg verwijst naar zorg die gericht is op het behandelen van ziekten of aandoeningen, zoals huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames en medicatie. Het is het tegenovergestelde van preventieve zorg, dat juist gericht is op het voorkomen van ziekte (Zorginstituut Nederland, 2019).
In de praktijk profiteren mensen met beperkte geletterdheid minder van bestaande leefstijlprogramma’s (Rademakers & Heijmans, 2018). Deze ondervertegenwoordiging wordt vaak veroorzaakt door de inrichting van het aanbod. Veel bestaande leefstijlcoachingstrajecten zijn doorgaans niet ontworpen met mensen met beperkte geletterdheid in gedachten. De communicatie is grotendeels schriftelijk, begrippen zijn vaak abstract en er wordt veel nadruk gelegd op het idee van ‘eigen regie’ (Boland et al., 2021; Nutbeam, 2008). Kortom, er wordt uitgegaan van een mate van eigen regie die niet voor iedereen vanzelfsprekend is.

Figuur 2. De drie dimensies van eigen regie zoals gehanteerd in dit onderzoek.
Het draait hierbij niet alleen om begrijpelijke communicatie Nutbeam (2008) onderscheidt drie niveaus van gezondheidsvaardigheden (zie figuur 3). Het eerste niveau is functionele health literacy en betreft het kunnen lezen en begrijpen van gezondheidsinformatie. Het tweede niveau, communicatieve health literacy, is het vermogen om die informatie toe te passen in interactie met zorgverleners en in de eigen sociale context. Het derde niveau is kritische health literacy Kritische health literacy gaat over het vermogen om invloed uit te oefenen op de omstandigheden die van invloed zijn op de eigen gezondheid.
Deze drie niveaus van health literacy hangen samen met de dimensies van eigen regie zoals weergegeven in figuur 2. Functionele health literacy vormt een basis voor handelingsbekwaamheid, omdat het begrijpen van informatie een voorwaarde is om te kunnen handelen. Communicatieve health literacy verbindt de interactie tussen individu en omgeving, en is daarmee gekoppeld aan zowel handelingsbekwaamheid als contextuele mogelijkheden. Kritische health literacy sluit aan bij zelfbepaling en het vermogen om invloed uit te oefenen op de context waarbinnen keuzes worden gemaakt.
Bestaande leefstijlinterventies richten zich vrijwel alleen op het eerste niveau van health literacy door informatie toegankelijker te maken (Nutbeam, 2008; Walters et al., 2020). Begrijpelijke communicatie is daarvoor belangrijk, maar niet genoeg. Eigen regie, als vermogen om invloed uit te oefenen op de eigen situatie en richting te geven aan het eigen traject, hoort thuis op het niveau van communicatieve en kritische health literacy. Een interventie die de voorwaarden voor eigen regie wil creëren, moet dan ook op die hogere niveaus ingrijpen.
Dit is ook zichtbaar in hoe leefstijlcoaching in Nederland is ingericht. De Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) is sinds 2019 de vergoede vorm van leefstijlcoaching vanuit de basisverzekering (Zorginstituut Nederland, 2019). Zoals eerder benoemd zijn mensen in kwetsbare situaties in het beleid een belangrijke doelgroep. Het aanbod lijkt echter onvoldoende op hen aan te sluiten. De meeste erkende GLIprogramma’s veronderstellen voldoende leesvaardigheden en een mate van eigen regie die voor mensen met beperkte geletterdheid niet vanzelfsprekend is (Rademakers &
Heijmans, 2018; RIVM Loket Gezond Leven, z.d.). Bovendien concludeerden meerdere onderzoeken dat de GLI onvoldoende toegankelijk is voor mensen met beperkte geletterdheid (Oosterhoff et al., 2022; Richtlijnendatabase, 2023). Dit laat een paradox zien. Juist de mensen die belangrijk worden gezien voor de interventie, lijken er in de praktijk vaak minder gebruik van te kunnen maken, omdat deze niet goed aansluit bij hun situatie. Tegelijkertijd is het belangrijk om te erkennen dat deze beperkte toegankelijkheid niet alleen door het systeem hoeft te worden verklaard. Het is ook mogelijk dat mensen met beperkte geletterdheid andere prioriteiten hebben, of dat hun motivatie om deel te nemen wordt beïnvloed door factoren die niet direct samenhangen met geletterdheid. Dit onderzoek kan deze verklaringen niet uitsluiten en neemt ze daarom mee als mogelijke interpretaties.
Naast de vergoede GLI bestaat een breed aanbod aan particuliere leefstijlcoaching (niet vergoed) en informele vormen van begeleiding (Zorginstituut Nederland, 2019). Met informele leefstijlbegeleiding wordt ondersteuning buiten de formele zorg bedoeld, bijvoorbeeld via ervaringskennis, sociale netwerken en online kanalen
(Peterson et al., 2019). Binnen informele leefstijlbegeleiding loopt de communicatie vaker vanuit de gedeelde leefwereld, waardoor het soms laagdrempeliger is voor mensen met beperkte geletterdheid (Movisie, 2019; Harris et al., 2015). In de literatuur wordt dit aangeduid als distributed health literacy, waarbij kennis en vaardigheden worden gedeeld binnen een sociaal netwerk (Edwards et al., 2015). Dit suggereert dat regie over de gezondheid niet alleen individueel of binnen de formele zorg kan ontstaan, maar mogelijk ook wordt gevormd in informele netwerken, waar het zich misschien op andere manieren kan uiten. Daarom is het belangrijk om deze informele context mee te nemen, omdat dit een breder perspectief kan geven op de factoren die de eigen regie ondersteunen of belemmeren.
Om dit systeem in zijn geheel te begrijpen, is een systeemvisualisatie gemaakt van de Nederlandse leefstijlcoachingspraktijk (zie figuur 4). Deze visualisatie brengt in kaart welke actoren betrokken zijn, hoe zij met elkaar verbonden zijn en hoe informatie tussen hen stroomt. Daarmee maakt deze visualisatie niet alleen inzichtelijk wie in dit onderzoek betrokken dient te worden, maar legt ook bloot hoe de structuur van het systeem de ervaringen en

Figuur 3. De drie niveaus van health literacy naar Nutbeam (2008).

handelingsruimte van mensen met beperkte geletterdheid mede bepaalt.
Zoals eerder benoemd richten leefstijlinterventies zich vrijwel alleen op het toegankelijker maken van informatie (Stichting Lezen en Schrijven, 2021; Walters et al., 2020). De literatuur besteedt minder aandacht aan hoe mensen met beperkte geletterdheid eigen regie ervaren, wanneer zij die ervaren en wat zij daarvoor nodig hebben (Nutbeam, 2008; Rademakers & Heijmans, 2018).
Dit gebrek aan inzicht heeft gevolgen voor het ontwerpen van leefstijlinterventies. Zolang niet wordt begrepen hoe eigen regie in de praktijk wordt ervaren door mensen met beperkte geletterdheid, en welke factoren die regie beïnvloeden, blijft het risico bestaan dat interventies opnieuw niet goed aansluiten bij de leefwereld van deze groep. Als gevolg daarvan bestaat het risico dat bestaande gezondheidsverschillen in stand blijven, in plaats van te worden verkleind.
Dit onderzoek heeft twee doelen. Ten eerste richt het zich op het verkrijgen van inzicht in hoe mensen met beperkte geletterdheid hun eigen regie binnen leefstijlcoaching ervaren en welke factoren daarop van invloed zijn. Ten tweede is het doel een ontwerpinterventie te ontwikkelen die inspeelt op deze factoren en aansluit bij de manier waarop eigen regie in de praktijk wordt beleefd. Hieruit volgt de volgende hoofdvraag:
“Hoe wordt eigen regie beleefd in de leefstijlcoachingspraktijk door mensen met beperkte geletterdheid, en hoe kan een ontwerpinterventie inspelen op de factoren die deze ervaring beïnvloeden?”
Om deze hoofdvraag te beantwoorden, zijn drie deelvragen geformuleerd:
1. Hoe en wanneer ervaren mensen met beperkte geletterdheid eigen regie in de context van leefstijlcoaching, en welke factoren versterken of belemmeren deze ervaring?
2. Welke rol spelen professionals en het sociale netwerk
rondom de persoon in de ervaring van eigen regie, en hoe verhouden hun perspectieven zich tot de ervaringen van de primaire doelgroep?
3. In hoeverre sluit de ontwikkelde ontwerpinterventie aan bij de factoren die van invloed zijn op de ervaring van eigen regie bij mensen met beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching?
Dit onderzoek is ontwerpgericht (Frayling, 1993) en maakt gebruik van de Double Diamond-methode (Design Council, 2005). Hierbij worden kwalitatieve methoden gecombineerd met iteratief prototypen en testen (zie figuur 5). De aanpak is daarbij participatief (Sleeswijk Visser et al., 2005). Onderzoek met kwetsbare groepen kan ervoor zorgen dat hun perspectief niet goed wordt weergegeven of zelf deels verloren gaat, omdat hun ervaringen niet altijd goed naar voren komen binnen de gebruikte onderzoeksmethoden (Simonsen & Robertson, 2013). Door hen te betrekken als mede-onderzoekers en mede-ontwerpers, wordt geprobeerd deze risico’s te verkleinen en recht te doen aan hun ervaringskennis (Simonsen & Robertson, 2013; Sleeswijk Visser et al., 2005).
Dit onderzoek vertrekt vanuit een constructivistische en interpretatieve epistemologie (Creswell & Poth, 2018). De rol van de onderzoeker is daarmee niet neutraal. De keuzes in methoden, vragen en interpretaties beïnvloeden de kennis die wordt gegenereerd. Dit vraagt om reflexiviteit gedurende het gehele onderzoeksproces, waarbij aannames voortdurend worden bevraagd en de eigen positie als ontwerpend onderzoeker wordt meegenomen in de analyse (Denzin & Lincoln, 2018).
1.6.1 Projectcontext en stakeholders
Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met Stichting Huh? Wat bedoelt u?, die zich inzet voor begrijpelijke communicatie en toegankelijke systemen voor mensen in kwetsbare situaties. Deze samenwerking geeft toegang tot de praktijk van leefstijlcoaching en tot mensen met beperkte geletterdheid.
Figuur 4. Een systeemvisualisatie van actoren, structuren en informatiestromen in de Nederlandse leefstijlcoachingspraktijk.


Dit onderzoek bevindt zich op het snijvlak van gezondheid, kunst en technologie (Health, Art & Technology (HAT)) (zie figuur 6). In de loop van dit onderzoek heeft de verhouding tussen deze perspectieven zich ontwikkeld op basis van de bevindingen. De drie perspectieven worden daarom niet als losse onderdelen gezien, maar als manier van kijken die elkaar voortdurend beïnvloeden en samen de scope en de richting van het onderzoek bepalen.
Gezondheid vormt de inhoudelijke basis. Leefstijlcoaching is een vorm van preventieve zorg die een steeds grotere rol krijgt in het Nederlandse zorgsysteem (Ministerie van VWS, 2018, 2022, 2025), maar mensen met beperkte geletterdheid profiteren er minder van, terwijl zij juist onder de belangrijkste groep hiervoor vallen (Oosterhoff et al., 2022; Rademakers & Heijmans, 2018). Dit onderzoek vertrekt vanuit het idee dat leefstijl onder andere het gevolg is van sociale, economische en institutionele factoren (Dahlgren & Whitehead, 1991; Dyar et al., 2022; Marmot, 2017) en beschouwt eigen regie niet als een individuele eigenschap maar als een situational capability (Sen, 1999). Dus als iets dat alleen tot stand komt onder bepaalde contextuele voorwaarden.
Kunst wordt in dit onderzoek ingevuld als design en is zichtbaar op twee niveaus. Op methodologisch niveau is de onderzoeksbenadering ontwerpgericht (Frayling, 1993) en participatief (Sleeswijk Visser et al., 2005). In lijn met Research through Design (RtD) (Zimmerman et al., 2007) dient ontwerp als middel om kennis te genereren over hoe een alternatief scenario mogelijk zou kunnen werken. Op het niveau van de uitkomst wordt toegewerkt naar een ontwerpinterventie als ontwerpvoorstel.
Technologie wordt aanvankelijk gezien als een ondersteunende en verbindende actor. Daarmee wordt bedoeld dat technologie vooral wordt ingezet om bestaande relaties en informatiestromen te faciliteren (Greenhalgh et al., 2017). In deze rol ondersteunt technologie het delen van informatie en het overbruggen van verschillen tussen betrokkenen. Technologie wordt daarbij niet gezien als een vervanging van menselijke interactie, maar als een middel dat deze interactie kan ondersteunen en toegankelijker kan maken (Sassi et al., 2025; Stevens et al., 2019). Het staat daarmee in dienst van de gebruiker en diens sociale omgeving.

Figuur 6. De positionering van dit onderzoek binnen het HAT-framework.
Dit hoofdstuk onderzoekt hoe eigen regie wordt beleefd door mensen met beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching, en welke factoren deze ervaring versterken of juist belemmeren.
Om te onderzoeken hoe eigen regie wordt beleefd in de leefstijlcoachingspraktijk door mensen met beperkte geletterdheid en welke factoren die beleving versterken of belemmeren, is gekozen voor een kwalitatieve (Kvale & Brinkmann, 2009; Pretorius, 2024) en participatieve (Sleeswijk Visser et al., 2005) onderzoeksaanpak. Een kwalitatieve aanpak maakt het mogelijk om ervaringen, betekenisgeving en de context te begrijpen, met ruimte voor persoonlijke verhalen en nuance (Denzin & Lincoln, 2018). De participatieve aanpak zorgt ervoor dat inzichten samen met de doelgroep worden ontwikkeld in plaats van over hen (Simonsen & Robertson, 2013).
Eigen regie wordt in dit onderzoek gezien als een resultaat van de interactie tussen een persoon en zijn omgeving (Sen, 1999). Vanuit deze opvatting is het belangrijk om niet alleen het perspectief van de persoon met beperkte geletterdheid te betrekken, maar ook dat van andere actoren die deze omgeving mede vormgeven, aangezien zij mogelijk invloed hebben op hoe eigen regie wordt ervaren. De selectie van deze actoren is gebaseerd op de systeemvisualisatie (zie figuur 4).
In totaal namen 36 mensen deel (n=36), verdeeld over zes groepen (zie tabel 1). De grootte van de steekproef is bepaald op basis van doelgerichte sampling (Patton, 2015)
en theoretische saturatie (Braun & Clarke, 2006). Daarbij is, gezien de kwetsbare positie van de doelgroep en de hoge drempel voor deelname, bewust gekozen voor een kleiner maar diepgaander sample boven een grotere maar minder betrokken groep (Morse, 2000).
De primaire doelgroep bestond uit zeven mensen met beperkte geletterdheid (n=7) met ervaring in minimaal één leefstijlcoachingstraject en Nederlands als eerste taal (NT1). Op het moment van deelname waren drie deelnemers nog actief in een traject, terwijl vier hier niet langer aan deelnamen. Drie van hen werden mondeling uitgenodigd. De overige vier via WhatsApp, e-mail of telefonisch, afhankelijk van hun voorkeur. Eén van hen was werkzaam als ervaringsdeskundige binnen een buddysysteem gericht op stoppen met roken en bracht zo ook een professioneel perspectief vanuit eigen ervaring mee.
Naast de primaire doelgroep namen negen formele leefstijlcoaches deel (n=9), allen werkzaam in GLI-trajecten. Vijf van hen gaven daarnaast ook particuliere trajecten. Slechts één leefstijlcoach was betrokken bij de pilot van het GLI-traject Voel je Goed. Dit is het enige erkende GLI-traject dat specifiek is ontwikkeld voor mensen met beperkte geletterdheid (RIVM Loket Gezond Leven, z.d.).
Daarnaast namen vier huisartsen (n=4) en drie POH’s (n=3) deel. Allen waren werkzaam in dezelfde huisartsenpraktijk
Tabel 1. Een overzicht van de deelnemers aan de semi-gestructureerde interviews. Groep n
Mensen met beperkte geletterdheid 7
Stichting Huh? Wat bedoelt u?, taalhuizen, bibliotheken, wijkteams 5 In persoon
Formele leefstijlcoaches 9 Stichting Huh? Wat bedoelt u?, snowball sampling 8 3 online, 5 in persoon
Huisartsen 4 Eén huisartsenpraktijk 3 Online
POH’s 3 Eén huisartsenpraktijk 3 Online
Naasten 6 Via primaire doelgroep 5 In persoon
Professionals in het sociaal domein 6
Stichting Huh? Wat bedoelt u?, snowball sampling 5 1 online, 5 in persoon
Fysiotherapeut 1 Stichting Huh? Wat bedoelt u? - In persoon
en hadden ervaring met het doorverwijzen van mensen met beperkte geletterdheid naar leefstijlcoaching en/of het begeleiden van hen op het gebied van leefstijl.
Via de deelnemende mensen met beperkte geletterdheid werden zes naasten betrokken (n=6), waaronder partners, familieleden en vrienden. Twee naasten waren verbonden aan dezelfde deelnemende persoon met beperkte geletterdheid. Twee naasten gingen actief mee naar individuele coachingssessies. Ook hadden twee naasten zelf ervaring met een GLI-traject.
Verder namen er ook zes professionals in het sociaal domein (n=6) deel. Onder hen vallen sociaal werkers, wijkprofessionals en medewerkers van welzijnsorganisaties. Tot slot werd één fysiotherapeut (n=1) geïnterviewd als expert vanwege zijn ervaring met de begeleiding van de primaire doelgroep.
De dataverzamelingsmethode bestond uit twee opeenvolgende onderdelen. Het eerste onderdeel was een sensitizing probe (Gaver et al., 1999) gevolgd door een semi-gestructureerd interview met een visuele research tool. De keuze voor deze combinatie is gebaseerd op het principe dat ervaringskennis uit meerdere lagen bestaat (zie figuur 7)(Sanders & Stappers, 2008). De sensitizing probe activeert voorafgaand aan het gesprek, door deelnemers in hun eigen omgeving en op hun eigen tempo, te laten nadenken over betekenisvolle ervaringen (Gaver et al., 1999). Het semi-gestructureerde interview verdiept vervolgens die vooraf gestimuleerde reflectie en maakt het bespreekbaar als input voor ontwerpinzichten (Sleeswijk Visser et al., 2005).
Zo vullen de twee onderdelen elkaar aan (zie figuur 8). Alle onderzoeksmaterialen werden vooraf beoordeeld door door drie externe onderzoekers en getest in twee pilotinterviews, waarvan de data niet zijn meegenomen in de analyse.
Sensitizing probe
Alle deelnemers ontvingen één week voor het interview een sensitizing probe (Gaver et al., 1999) met het verzoek drie betekenisvolle beelden te verzamelen in de context van een leefstijlcoachingstraject (zie figuur 9). Voor mensen
met beperkte geletterdheid en naasten werd de instructie als gesproken bericht via WhatsApp gedeeld, zodat lezen en schrijven geen drempel voor deelname vormden. De overige deelnemers ontvingen de instructies per e-mail. De opgehaalde beelden dienden bij aanvang van het interview als gespreksopener en als illustratief materiaal.


Figuur 8. De samenhang tussen de sensitizing probe en het semigestructureerde interview.
Zij zijn niet meegenomen als primaire analyse-bron. De twee deelnemers die de probe niet hadden ingevuld, namen alsnog deel aan het semi-gestructureerde interview.
Semi-gestructureerd interview
Het semi-gestructureerde interview maakte gebruik van een visuele research tool, bestaande uit een user journey (retrospectieve tijdlijn van het coachingstraject met visuele ankerpunten) (Kalbach, 2016; Stickdorn et al., 2018) en gloeilampkaartjes waarmee deelnemers konden aangeven wat anders zou kunnen (zie figuur 10). Door deelnemers stap voor stap hun ervaringen te laten verkennen, van feitelijk naar emotioneel,vervolgens evaluatief en tenslotte toekomstgericht, worden ook impliciete vormen van ervaringskennis toegankelijk (Sanders & Stappers, 2010).
De gespreksgidsen waren per deelnemersgroep aangepast, maar volgden dezelfde ankerpunten. Voor mensen met beperkte geletterdheid en naasten werden vragen op meerdere manieren geformuleerd om begrijpelijkheid te vergroten en mogelijk schaamte te verminderen. Om te voorkomen dat de naasten en mensen met beperkte geletterdheid elkaar zouden beïnvloeden, zijn zij los van elkaar geïnterviewd (Kvale & Brinkmann, 2009). Omdat de tijdlijn retrospectief werd ingevuld en daarmee het risico op vertekende herinneringen meebrengt (Schwartz, 1999),

Figuur 9. De drie lege fotolijstjes van de sensitizing probe, als uitnodiging tot het vastleggen van betekenisvolle momenten.
werden deelnemers steeds gevraagd om terug te grijpen op concrete situaties en ervaringen.
Alle interviews duurden gemiddeld 45-60 minuten (inclusief informed consent) en werden met toestemming als audio opgenomen. De ingevulde research tools werden na afloop gefotografeerd als onderzoeksmateriaal
2.1.3
Deze onderzoeksmethode is ter toetsing voorgelegd aan de ethische commissie van Avans Hogeschool. Voor mensen met beperkte geletterdheid en naasten werd informed consent mondeling verkregen op basis van een vast script. Daarbij stelde de onderzoeker na elk onderdeel minimaal één verificatievraag om te controleren of de informatie goed werd begrepen. Dit sluit aan op principes van toegankelijke participatie en gelijkwaardige betrokkenheid binnen participatory design, waarbij aandacht bestaat voor machtsverhoudingen en drempels voor deelname (Simonsen & Robertson, 2013). Het mondelinge akkoord werd als audio vastgelegd. Voor alle overige deelnemers werd een schriftelijk toestemmingsformulier gebruikt.
Daarnaast is expliciet toestemming gevraagd voor het gebruik van een artificial intelligence (AI) analysetool als onderdeel van het onderzoeksproces (zie §2.1.4). Consent


Figuur 10. De research tool bestaande uit de user journey en de gloeilampkaartjes.
werd gevraagd vóór verspreiding van de sensitizing probe Alle data werden volledig geanonimiseerd en verwerkt met deelnemerscodes. Elke deelnemer ontving een contactkaart met gegevens van de onderzoeker.
De interviews met mensen met beperkte geletterdheid vonden plaats op een door hen gekozen vertrouwde locatie, omdat vertrouwde omgevingen de cognitieve belasting en drempels voor deelname in onderzoekscontexten kunnen verlagen (Sleeswijk Visser et al., 2005).
De interviews werden getranscribeerd en geanalyseerd via een inductieve reflexieve thematische analyse (Braun & Clarke, 2006; 2019; Thomas, 2006). De analyse werd handmatig uitgevoerd, waarbij open codering, themavorming en interpretatie iteratief tot stand kwamen. De ingevulde research tools dienden hierbij als aanvullend datamateriaal en werden gebruikt om uitspraken uit de interviews te contextualiseren en patronen in ervaringen over tijd zichtbaar te maken.
Als aanvullende controle werd de data ook geanalyseerd met Dembrane, een AI-analysetool voor kwalitatieve data (Dembrane, 2025). De keuze voor Dembrane is gebaseerd op de kenmerken van het platform, waaronder dat de tool gemaakt is om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven, de lokale server waarbij de data niet worden gebruikt voor modeltraining en de certificering voor gebruik in overheidscontexten. Dembrane werd ingezet als controle- en reflectiemiddel om mogelijke blinde vlekken te identificeren en de consistentie van de codering te toetsen. De output werd kritisch vergeleken met de handmatige analyse, waarbij de interpretatie en besluitvorming volledig bij de onderzoeker bleven. Dit leidde in één geval tot een aanvullend inzicht. Het subthema ‘tijdsdimensie’ werd na een tweede analyse alsnog toegevoegd. Een andere suggestie, ‘financiële prikkels’, kon niet worden onderbouwd in de data en is daarom niet opgenomen
Om de betrouwbaarheid te vergroten zijn de open codes, themavorming en onderlinge samenhang besproken met twee externe experts op het gebied van leefstijlcoaching en gezondheidsverschillen. Zij waren niet betrokken bij het onderzoek en kenden de deelnemers niet.
Interpretatieverschillen zijn gezamenlijk besproken tot overeenstemming werd bereikt. Tijdens de peer debriefing (Creswell & Poth, 2018) is expliciet aandacht besteed aan de subthema’s ‘tijdsdimensie’ en ‘financiële prikkels’, waarvan de eerste is behouden en geïntegreerd in thema 1 en de tweede verworpen.
De data-analyse leverde vier inductief gevormde thema’s op. Ze beantwoorden gezamenlijk de eerste twee deelvragen van dit onderzoek en bouwen op elkaar voort (zie figuur 11).
2.2.1 Thema 1 - Eigen regie is gelaagd, relationeel en contextueel
Alle zeven deelnemers met beperkte geletterdheid beschrijven eigen regie niet als iets dat zij al dan niet bezitten, maar als iets wat op sommige momenten aanwezig is en op andere niet. Of zij regie ervaren hangt samen met contextuele factoren, zoals stemming, stress, sociale omgeving en de fase in het leefstijlcoachingstraject. Dit beeld wordt bevestigd door alle zes de naasten en de fysiotherapeut. Wanneer mensen beschrijven wanneer regie wél aanwezig was, valt een gelaagdheid op. Eerst moeten ze begrijpen wat er van hen verwacht wordt en waarom. Maar dat blijkt niet genoeg om daadwerkelijk eigen regie te ervaren. Naast het begrijpen moeten ze ook ervaren dat iets lukt. Pas als die ervaring er is, beschrijven deelnemers een verschuiving naar een gevoel van trots en het gevoel dat ze het kunnen. Dat maakt op zijn beurt weer ruimte om meer te proberen.
'Soms ervaar ik meer controle, de andere keer weer minder. Het is nooit gelijk.' — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Als het lukt, zie je dat mensen opbloeien en zelf dingen gaan aanpassen.’ — Fysiotherapeut
Een element dat bij zes van de zeven mensen met beperkte geletterdheid terugkeert is eigenaarschap over het plan. Een idee of aanpak die van henzelf is, ook al is die niet perfect, geeft meer gevoel van eigen regie dan wanneer het van de coach komt. Niet de kwaliteit van het plan bepaalt de ervaren eigen regie, maar het gevoel dat het van jezelf is.

Figuur 11. Een visuele weergave van de thema’s en subthema’s die voortkomen uit de thematische analyse.
‘Als het voelt alsof het van mij is, gebruik ik het sneller.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
De leefstijlcoaches beschrijven dat zelden op die manier. Zeven van de negen coaches beschrijven hoe hun aanpak vooral is gericht op kennisoverdracht en het stellen van doelen. Daarbij gaan ze ervan uit dat gedragsverandering volgt als iemand het begrijpt. Maar dat doet het vaak niet. Wanneer de gedragsverandering vervolgens uitblijft, interpreteren ze dat regelmatig als een gebrek aan motivatie. Zes deelnemers met beperkte geletterdheid beschrijven echter iets anders. Volgens hen is hetgeen dat vaak ontbreekt niet de wil, maar de ervaring dat het voor iemand zoals zij mogelijk is. Eén deelnemer vormt hierop een uitzondering en geeft aan dat motivatie in sommige gevallen wel een rol speelt.
‘Ze komen hier voor de quick fix en zijn niet bereid er echt veel moeite voor te doen.’ — Leefstijlcoach
‘Ik wil het wel, maar ik weet gewoon niet goed hoe ik het thuis moet doen.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
Eigen regie lijkt geen stabiele eigenschap, maar een
dynamisch en contextafhankelijk verschijnsel. Het systeem lijkt zich vrijwel alleen op de cognitieve laag van eigen regie te richten, terwijl de ervaringsgerichte en de emotionele laag, die eigen regie daadwerkelijk ondersteunen, vaak ontbreken. Eigen regie lijkt daarnaast te groeien via eigenaarschap en door tastbare succeservaringen, die een versterkende cyclus in gang lijken te zetten van trots, zelfvertrouwen en motivatie om meer te proberen. Figuur 12 toont een overzicht van de lagen van eigen regie en hun onderlinge wisselwerking.
Alle zes de naasten en alle zes de professionals in het sociaal domein beschrijven dat zij een actieve rol vervullen rondom het leefstijltraject. Ze herhalen onder andere afspraken, vertalen informatie naar de thuissituatie, stellen gerust en observeren wat wel en niet lukt. Geen van hen ontvangt daarvoor informatie, taakomschrijving of ondersteuning vanuit het formele systeem. Vier naasten en de zes professionals in het sociaal domein geven aan niet te weten wat er in een sessie is besproken en daardoor niet te weten wanneer zij moeten helpen of loslaten. Professionals in het sociaal domein hebben vaak een langdurige vertrouwensband met de persoon opgebouwd. Maar ook zij worden alleen betrokken als de persoon dat zelf initieert. De informatie van de leefstijlcoach doorloopt daarmee een
keten van interpretaties voordat die thuis landt. In die keten kan de betekenis veranderen (zie figuur 13).
‘Alle gesprekken die wij thuis hebben, bepalen eigenlijk of hij iets doet met coaching.’ — Naaste
‘Ik moet het doen met de informatie die zij mij geven.’
— Professional in het sociaal domein
Een tweede patroon dat bij zes van de zeven mensen met beperkte geletterdheid terugkeert is het belang van ervaringsdeskundigheid en herkenning. Wanneer zij iemand ontmoeten die een vergelijkbare situatie heeft doorgemaakt, wordt verandering tastbaar. Het gaat niet om extra motivatie, maar als bewijs dat het voor iemand zoals zij ook mogelijk is. Vier leefstijlcoaches, 2 naasten, drie huisartsen, 2 POH’s en vijf professionals in het sociaal domein herkennen dit effect.
‘Een cliënt zei: Als zij dat kan, kan ik dat ook.’ — Leefstijlcoach
‘Zij begrijpen tenminste hoe het voor iemand als mij is.’
— Persoon met beperkte geletterdheid
Tegelijkertijd beschrijven vijf mensen met beperkte geletterdheid dat ze overspoeld raken door adviezen uit meerdere richtingen tegelijk. Leefstijlcoaches, naasten,
professionals in het sociaal domein en sociale media geven voortdurend adviezen, die elkaar soms tegenspreken. Ze beschrijven dat het krijgen van signalen die elkaar tegenspreken, het lastig maakt om zelf de richting te bepalen en keuzes te maken. Het gevolg is dat ze het overzicht verliezen en niet meer weten welke richting zij moeten volgen.
‘Ik zie vaak dat ze van alle kanten informatie krijgen en door de bomen het bos niet meer zien.’ —
Professional in het sociaal domein
Bevinding
Het sociale netwerk lijkt een belangrijke rol te spelen. De data suggereren dat het sociale netwerk de eigen regie kan ondersteunen via herkenning en verbondenheid, terwijl deelnemers aangeven dat dit vaak gebeurt zonder informatie, rolverdeling of erkenning vanuit het systeem. Een actief maar ongecoördineerd netwerk lijkt de eigen regie ook te kunnen belemmeren door tegenstrijdige adviezen en onduidelijke verwachtingen.
Gedurende een leefstijlcoachingstraject bewegen mensen voortdurend tussen twee werelden. De systeemwereld is die van de coaching met onder andere formulieren,

Figuur 12. Een visuele weergave van de drie lagen van eigen regie en hun onderlinge wisselwerking, inclusief de versterkende cyclus van succeservaringen, eigenaarschap en nieuw gedrag.
abstracte doelen en langetermijnplanning. De leefwereld is de dagelijkse realiteit van mensen met beperkte middelen met onder andere onzekerheid, een dag-tot-dag mentaliteit en langdurige stress. Mensen met beperkte geletterdheid beschrijven hoe zij de stress van thuis mee de sessie in nemen. Alle huisartsen, alle POH’s en vijf leefstijlcoaches erkennen dat de toestand waarin iemand binnenkomt bepalend is voor wat er in een sessie mogelijk is, maar geven tegelijkertijd aan daar weinig ruimte voor te maken. Zo is er geen ruimte om te landen, de stress te erkennen of de sessie af te stemmen op wat er die dag speelt. Zes mensen met beperkte geletterdheid beschrijven dit ook zo.
‘De eerste vijf minuten bepalen veel. We weten dat het belangrijk is, maar in de praktijk is er eigenlijk geen tijd voor.’ — Leefstijlcoach
Daarbij geven de zeven mensen met beperkte geletterdheid aan de informatie tijdens de sessies vaak te begrijpen, maar dat het ze niet lukt om de informatie thuis toe te passen. Zes leefstijlcoaches beschrijven dat zij vertrekken vanuit een plan dat zij aanpassen aan de persoon, in plaats van het plan op te bouwen vanuit de leefwereld van de persoon. Wanneer een opdracht niet wordt uitgevoerd of mensen een terugval hebben, benoemen acht leefstijlcoaches dat als motivatiegebrek. Maar in bijna veel gevallen die mensen met
beperkte geletterdheid in dit onderzoek beschrijven, waren de opdrachten te abstract, niet haalbaar of sloten ze niet aan op de thuissituatie. Toch beschrijven zes mensen met beperkte geletterdheid hoe ze vaak de sessie erna dezelfde opdracht weer meekregen, zonder dat er naar de oorzaak werd gekeken.
‘Ik snap het tijdens de afspraak, maar thuis weet ik niet hoe ik het moet doen.’ Persoon met beperkte geletterdheid
‘Vaak komen ze met ideeën die helemaal niet aansluiten bij wat ik kan doen.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Ik kreeg dezelfde opdracht opnieuw mee, maar er werd niet gevraagd waarom het vorige keer niet lukte.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Daarbij komt kijken dat het begrip ‘leefstijl’ voor de deelnemende coaches niet dezelfde betekenis heeft als voor de deelnemende mensen met beperkte geletterdheid. Voor coaches gaat het om eten, bewegen, middelengebruik, slaap en stressmanagement. Voor mensen met beperkte geletterdheid gaat het ook om identiteit, sociale contacten, dagelijkse routines en wat het leven de moeite waard maakt.
Voel je Goed, het enige erkende GLI-traject dat bewust is
Figuur 13. Het proces dat de informatie aflegt, van de leefstijlcoach tot uiting.

ontwikkeld voor mensen met beperkte geletterdheid, laat zien dat kleinere stappen en het gebruik van metaforen de kloof gedeeltelijk kunnen verkleinen. Tegelijkertijd beschrijft de betrokken coach dat de verplichte combinatie met taallessen weerstand opriep, omdat werken aan gezondheid niet automatisch ook betekent dat je wil werken aan je geletterdheid. Daarnaast beschrijft de coach ook dat binnen Voel je Goed de eigen regie na afloop van de sessie thuis weer wegvalt.
Bevinding
De data suggereren dat de stap van de sessie naar de thuissituatie niet goed wordt ondersteund. Daarbij lijkt het erop dat coaches voornamelijk vertrekken vanuit systeemlogica, dat doelen vooral worden bepaald vanuit systeemwaarden en dat terugval al snel wordt gezien als een motivatieprobleem. Tegelijkertijd suggereren de data dat de opdrachten niet aansluiten bij wat in de leefwereld haalbaar en herkenbaar is.
2.2.4 Thema 4 - Momenten buiten de sessies
Vijf naasten en vijf mensen met beperkte geletterdheid beschrijven dat de persoon vlak vóór de sessie, bijvoorbeeld thuis, in de auto of op de fiets, het meest ontvankelijk en reflectief is. Ze ordenen dan gedachten, bedenken wat ze willen zeggen en zijn vaak open. Die openheid verdwijnt vaak zodra de sessie begint, omdat er geen ruimte is om te landen. Na de sessie stopt de formele begeleiding. De persoon gaat naar huis met een plan dat vaak niet aansluit, en de regie die tijdens de sessie aanwezig leek, houdt thuis geen stand.
‘In de auto praat hij veel, en dan komen we aan en is hij stil en zegt hij tijdens het gesprek opeens niks meer.’ — Naaste
Vijf mensen met beperkte geletterdheid, vijf naasten, twee huisartsen en twee POH’s beschrijven hoe kleine terugkerende rituelen organisch zijn ontstaan rondom de sessie en hoe zij de regie ondersteunen. Bijvoorbeeld het samen drinken van koffie na afloop, een vaste tijd om te bellen of het meenemen van een notitieboekje. Er wordt beschreven dat ze ontstaan vanuit een behoefte aan controle.
‘Ik besefte dat het niet om het notitieboekje ging, maar om zijn hoop op controle.’ — Naaste
Datzelfde patroon keert terug bij groepssessies. Alle leefstijlcoaches en vijf mensen met beperkte geletterdheid beschrijven hoe de groepssessies schaamte en vergelijking angst oproept. Maar het moment erna, het napraten met gelijkgestemden, wordt door twee leefstijlcoaches en vier mensen met beperkte geletterdheid als het waardevolste onderdeel van het traject benoemd door de sociale verbondenheid en herkenning. Deelnemers beschrijven dat dit moment binnen de trajecten nauwelijks aandacht krijgt.
Bevinding
Het lijkt erop dat eigen regie vooral ontstaat in de momenten rondom de sessie (vlak vóór, vlak erna en thuis). Kleine rituelen en objecten die eigenaarschap symboliseren en niet als interventie voelen, lijken daarbij de eigen regie te ondersteunen. Voor deze momenten lijkt binnen het huidige systeem weinig aandacht, terwijl juist daar de ruimte lijkt te ontstaan voor eigen regie om te ontstaan of te verdwijnen.
De vier thema’s samen suggereren dat het huidige leefstijlcoachingssysteem eigen regie verwacht, maar de voorwaarden daarvoor onvoldoende creëert. Eigen regie komt in dit onderzoek niet naar voren als een stabiele individuele eigenschap, maar als een dynamisch proces dat ontstaat in de wisselwerking tussen begrijpen, ervaren en eigenaarschap (zie figuur 12). Het huidige systeem lijkt zich vrijwel alleen te richten op de eerste laag, waarbij informatie wordt overgedragen en doelen worden gesteld, terwijl juist de samenhang tussen begrijpen, ervaren en eigenaarschap bepalend lijkt te zijn. Deze bevindingen sluiten aan bij literatuur die eigen regie beschrijft als contextafhankelijk (Sen, 1999; Rademakers & Heijmans, 2018).
Ook sluit dit aan bij Nutbeam (2008), maar de bevindingen lijken hier iets aan toe te voegen. Waar Nutbeam beschrijft dat interventies zich te veel richten op functionele health literacy zonder te verklaren waarom, suggereren de data hier dat dit een gevolg is van systeemlogica. Coaches vertrekken vanuit een plan dat zij aanpassen aan de persoon, niet vanuit de ervaringen van de persoon zelf. De bekostigingsstructuur van de GLI, die per sessie werkt en niet per traject of uitkomst (Van der Heiden et al., 2022), versterkt die logica. Informatie overdragen is meetbaar. Eigenaarschap laten groeien is dat
niet. Dit lijkt daarmee geen uitvoeringsprobleem maar een systeemprobleem.
De veronderstelling dat de coachingssessie de primaire interventieruimte is (Oosterhoff et al., 2022; RIVM Loket Gezond Leven, z.d.; Zorginstituut Nederland, 2019), lijkt op basis van de data niet te kloppen. De samenhang tussen begrijpen, ervaren en eigenaarschap lijkt juist buiten de sessies tot stand te komen, in de thuissituatie en in de momenten vóór, ná en tussen sessies in. In deze tussenruimte lijken factoren zoals succeservaringen, vertrouwen, informele relaties en ruimte voor verwerking een belangrijke rol te spelen. Dit sluit aan bij eerder onderzoek dat stelt dat betekenis ontstaat tussen formele contactmomenten in (Greenhalgh, 2014; Kimbell, 2011; Manzini, 2015). Wat dit onderzoek hieraan toe lijkt te voegen, is een concrete invulling van waar die kloof tot uiting komt binnen leefstijlcoaching voor mensen met beperkte geletterdheid, en waarom die kloof niet zomaar wordt overbrugd door betere communicatie.
Het onvoldoende erkennen en ondersteunen van deze tussenruimte lijkt gevolgen te hebben voor hoe gedrag wordt geïnterpreteerd. Wanneer gedragsverandering uitblijft, wordt dit regelmatig toegeschreven aan een gebrek aan motivatie. Dit sluit aan bij de fundamentele attributiefout (Fiske & Taylor, 2013), waarbij gedrag eerder wordt verklaard vanuit persoonlijke eigenschappen dan vanuit contextuele factoren. Hierdoor verschuift de verantwoordelijkheid naar het individu, terwijl de omstandigheden grotendeels onveranderd blijven. Voor mensen in kwetsbare posities versterkt dit het gevoel dat verandering niet voor hen is weggelegd (Rademakers & Heijmans, 2018). De data over het sociale netwerk, waar in dit onderzoek zowel naasten als professionals in het sociaal domein mee wordt bedoeld, sluiten aan bij het concept van distributed health literacy (Edwards et al., 2015), maar lijken daaraan toe te voegen dat een actief maar ongecoördineerd netwerk tegenstrijdige signalen kan creëren die eigen regie eerder belemmeren dan ondersteunen.
De bevindingen vragen om een kritische reflectie op drie punten. Ten eerste is het mogelijk dat de tussenruimte niet de oorzaak is van meer eigen regie, maar een gevolg van al
gunstigere omstandigheden. Deelnemers die een stabiel sociaal netwerk en een veilige thuissituatie hebben, kunnen mogelijk sowieso meer eigen regie ervaren, ongeacht of die tussenruimte bewust wordt ondersteund. Vanuit dit perspectief zou het activeren van de tussenruimte als interventieruimte bestaande ongelijkheden mogelijk versterken. Ten tweede suggereert één deelnemer dat motivatie wel degelijk een rol speelde. De scheidslijn tussen een motivatieprobleem en een regieprobleem is op basis van retrospectieve zelfrapportage methodologisch lastig vast te stellen (Schwartz, 1999). Ten derde kan de actieve rol van het sociale netwerk ook worden geïnterpreteerd als compensatie voor tekortschietende formele zorg in plaats van als een onderbenutte factor. In dat geval ligt de oplossing mogelijk niet in het beter benutten van informele ondersteuning via de tussenruimte, maar in het anders inrichten van het formele aanbod zelf.
Deze alternatieve interpretaties sluiten de hoofdbevindingen niet uit, maar zij nuanceren de reikwijdte. De bevindingen zijn richtinggevend voor een relatief betrokken en gemotiveerde groep deelnemers, in een specifieke Nederlandse zorgcontext, op basis van retrospectieve verhalen. De zeven deelnemers met beperkte geletterdheid vormen een kleine maar doelbewust gekozen groep waarin diepgang centraal staat (Morse, 2000). De perspectieven van huisartsen en POH’s zijn afkomstig uit één praktijk, wat de overdraagbaarheid beperkt. Uitspraken over sessies zijn gebaseerd op beleving en niet op directe observatie, waardoor de rol van de tussenruimte mogelijk sterker naar voren komt dan bij triangulatie het geval zou zijn geweest. De inzet van sensitizing probes heeft bijgedragen aan concretere reflecties (Gaver et al., 1999; Sanders & Stappers, 2008), maar het is niet volledig duidelijk in hoeverre deelnemers met beperkte geletterdheid die hebben ingevuld met hulp van bijvoorbeeld naasten, waardoor perspectieven mogelijk deels gedeeld zijn.
Ondanks deze nuanceringen suggereren de bevindingen consistent, over meerdere perspectieven heen, dat het huidige systeem de verantwoordelijkheid voor eigen regie grotendeels bij het individu legt, terwijl het de contextuele voorwaarden daarvoor niet genoeg creëert.
Dit hoofdstuk vertaalt de inzichten uit hoofdstuk 2 naar een ontwerpuitdaging. De belangrijkste knelpunten worden samengebracht en vormen de basis voor de gewenste situatie en ontwerpvraag.
De bevindingen uit H2 suggereren drie samenhangende knelpunten in het huidige leefstijlcoachingssysteem (zie figuur 14). Samen vormen zij de basis voor de ontwerpuitdaging.
Ten eerste lijkt de coach te vertrekken vanuit een plan dat wordt aangepast aan de persoon. Eigen regie die bij de persoon ligt, vraagt om een aanpak die ook vertrekt vanuit de persoon. Zolang de coach de richting bepaalt, ook als de inhoud wordt aangepast, ligt de regie bij de coach. Eigen regie die daadwerkelijk bij de persoon ligt, lijkt te vragen om een vertrekpunt dat ook vanuit de persoon begint. Ten tweede lijkt het systeem zich vooral op de coachingssessie en de relatie tussen de coach en de cliënt te richten. De data suggereren echter dat eigen regie juist ontstaat of verdwijnt in de tussenruimte, en in de interactie met het sociale netwerk. Die momenten en het sociale netwerk van de persoon lijken nu nauwelijks te worden ondersteund of betrokken bij het traject. Ten derde lijkt de vertaalslag bij de verkeerde persoon te liggen. Het systeem legt de verantwoordelijkheid voor de vertaalslag van de sessie naar de leefwereld bij de persoon met beperkte geletterdheid. En dat is precies degene voor wie die vertaalslag het moeilijkste is.
Vanuit deze inzichten ontstaat een ander perspectief op wat leefstijlcoaching kan zijn. Voordat deze richting werd gekozen, zijn meerdere alternatieve richtingen verkend, zoals trainingsmateriaal voor leefstijlcoaches, volledig informele begeleiding (dus zonder inzet van formele zorg) en aanpassing van de GLI-structuur. Deze boden elk relevante aanknopingspunten, maar sloten niet genoeg aan bij de bevinding dat eigen regie juist ontstaat in de tussenruimte. Daarom is gekozen voor een ontwerprichtting die zich specifiek richt op het ondersteunen van deze momenten buiten de sessie, in plaats van het vervangen of omzeilen van de formele zorg.
In de gewenste situatie wordt eigen regie niet benaderd als een individuele eigenschap die vooraf aanwezig moet zijn, maar als iets dat ontstaat binnen een ondersteunende context. De tussenruimte is daarin niet een leeg gat tussen
sessies, maar de ruimte waar interventies plaatsvinden. Ook wordt de leefwereld van de persoon expliciet onderdeel van het coachingstraject. De vertaalslag tussen de coachingssessie en het dagelijks leven wordt gedeeld gedragen door het systeem in plaats van bij één persoon gelegd. Het sociale netwerk kan gericht en afgestemd ondersteunen. En er ontstaat gedeeld inzicht in wat haalbaar en betekenisvol is voor de persoon met beperkte geletterdheid. Eigen regie wordt daarmee niet alleen besproken of verwacht, maar ook mogelijk gemaakt door de inrichting van het systeem.
De probleemstelling en de gewenste situatie suggereren waar de ontwerpruimte ligt. De bevindingen suggereren namelijk dat de sessie zelf niet de meeste ontwerpruimte heeft, maar de tussenruimte eromheen (vlak vóór, vlak ná en tussen de sessies in). Dit is waar eigen regie lijkt te ontstaan of verdwijnt en waar het sociale netwerk de meeste invloed lijkt te hebben. De data suggereren dat de tussenruimte nu niet wordt benut. De ontwerpvraag is daarom:
“Hoe kan een ontwerpinterventie de contextuele voorwaarden creëren waaronder mensen met beperkte geletterdheid eigen regie kunnen ervaren en versterken, door de tussenruimte rondom leefstijlcoaching te activeren als gedeelde ruimte voor de persoon, het sociale netwerk en de leefstijlcoach? “
Op basis van de bevindingen in H2, de probleemstelling, de gewenste situatie en de ontwerpvraag zijn vijf ontwerpprincipes inductief afgeleid (Thomas, 2006). Vanuit de thematische analyse is eerst een brede set ontwerpprincipes opgesteld (n=9), die in een iteratief proces is teruggebracht door te clusteren, samen te voegen en te selecteren op relevantie en toepasbaarheid (Braun & Clarke, 2006). Dit leidde tot vijf ontwerpprincipes die de belangrijkste knelpunten uit de analyse samenvatten en richting geven aan het ontwerpproces. Deze principes zijn gebruikt als uitgangspunt voor de co-designsessies (H4), de conceptontwikkeling en prototyping (H5).

14. Een visualisatie van de knelpunten in het huidige leefstijlcoachingssysteem.
1.
Begin vanuit de leefwereld, niet vanuit het plan.
Het artefact vertrekt uit de persoonlijke situatie, waarden en context van de persoon. Dit sluit aan op lifeworld-led design (van der Bijl-Brouwer & Dorst, 2017) en op de bevinding dat opdrachten nu niet lijken aan te sluiten bij wat thuis haalbaar is (§2.2.3).
Ontwerp voor de ervarings- en emotionele laag van regie.
De kennis lijkt in veel gevallen aanwezig. Wat lijkt te ontbreken is de ervaring dat het lukt en het gevoel van eigenaarschap dat daarmee samengaat (§2.2.1). Het artefact creëert voorwaarden waarin mensen ervaren dat verandering voor iemand zoals zij mogelijk is. Dit sluit aan bij het inzicht dat mensen niet primair handelen op basis van abstracte kennis, maar vanuit concrete en herkenbare ervaringen (WRR, 2017).
Het sociale netwerk sluit aan, maar neemt niet over.
Ondersteuning vertrekt vanuit de relatie en niet vanuit het systeem (Edwards et al., 2015; Light & Akama, 2014). Het sociale netwerk sluit aan op wat de persoon deelt, zonder de regie over te nemen. Dit sluit aan op de bevinding dat het netwerk actief maar ongecoördineerd lijkt te handelen (§2.2.2).
Pas shame-sensitive design toe.
Het artefact bouwt ruimte in voor momenten die niet lukken, zonder die als falen te framen (Dolezal & Gibson, 2022). Dit sluit aan op de bevinding dat terugval vaak als motivatieprobleem wordt geïnterpreteerd, waardoor het bestaande zelfbeeld van tekortschieten wordt bevestigd (§2.2.3).
Sluit aan bij de eigen regie die de persoon op dat moment ervaart.
Het artefact houdt rekening met de wisselende aard van eigen regie (§2.2.1), in plaats van ervan uit te gaan dat iemand deze constant en in gelijke mate ervaart
De ontwerpvraag en de vijf ontwerpprincipes samen suggereren een type interventie dat voor meerdere betrokkenen tegelijk betekenisvol moet zijn, voor elk op een andere manier. De ontwerpprincipes lijken te vragen om een interventie die voor de persoon met beperkte geletterdheid eigenaarschap ondersteunt, voor het sociale netwerk richting biedt en voor de leefstijlcoach informatie levert vanuit de
leefwereld. Daarom wordt er vanuit hier toegewerkt naar een boundary object (Star & Griesemer, 1989; Terlouw et al., 2022). Een boundary object is een gedeeld referentiepunt dat verschillende werelden verbindt en samenwerking mogelijk maakt, zonder dat de betrokken partijen hun eigen perspectief hoeven op te geven.
Dit hoofdstuk verkent hoe de tussenruimte rondom leefstijlcoaching gezamenlijk vorm kan krijgen. Op basis van co-designsessies worden ervaringskennis, perspectieven en ontwerpideeën samengebracht tot een eerste richting voor interventie.
De bevindingen uit H2 brengen in kaart hoe eigen regie wordt beleefd en welke factoren die regie lijken te versterken en te belemmeren. Daarmee wordt de huidige situatie rondom leefstijlcoaching inzichtelijk gemaakt en de eerste diamant van het Double Diamond-model afgerond (Design Council, 2005). Tegelijkertijd blijven er vragen open over hoe deze tussenruimte in de praktijk daadwerkelijk anders vorm kan krijgen. Daarom verschuift in de tweede diamant de focus naar het verkennen van hoe de gewenste situatie eruit kan zien. De semi-gestructureerde interviews geven namelijk geen antwoord op hoe een ontwerpinterventie eruit zou moeten zien.
Om antwoord te krijgen op deze vraag, is het niet genoeg om alleen bestaande ervaringen te analyseren. Er is een volgende stap nodig waarin de blik opnieuw wordt verbreed en mogelijke toekomsten worden verkend. Daarom is er gekozen voor een generatieve vorm van kennisproductie, waarin samen met betrokkenen wordt onderzocht hoe deze tussenruimte eruit kan zien op basis van ervaringskennis (Sanders & Stappers, 2008). Vanuit dit uitgangspunt zijn twee co-designsessies gehouden.
Co-design onderscheidt zich van interviews. Het is niet gericht op het ophalen van bestaande kennis, maar op het gezamenlijk construeren van nieuwe ideeën (Sanders & Stappers, 2008). Die constructie ontstaat in interactie. Wanneer mensen met verschillende perspectieven samen aan een concreet vraagstuk werken, ontstaan inzichten die in afzonderlijke gesprekken vaak niet naar voren komen (Brandt et al., 2012).
Er is bewust gekozen voor het inzetten van co-designsessies nadat de semi-gestructureerde interviews waren afgerond. De interviews leverden de empirische basis. De codesignsessies konden daardoor worden gericht op een concreet en relevant vraagstuk, in plaats van een open brainstorm. Zo begonnen deelnemers vanuit gedeelde inzichten en ervaringen, en niet vanaf nul (Sanders & Stappers, 2008).
4.1.1
In totaal namen zeventien mensen deel (n=17), verdeeld
over twee co-designsessies (zie tabel 2). De samenstelling was bewust divers. Alle perspectieven die in H2 relevant bleken (mensen met beperkte geletterdheid, naasten, leefstijlcoaches en professionals in het sociaal domein) zijn vertegenwoordigd. Dit sluit aan bij het participatory design-principe dat mensen die door een ontwerp worden geraakt, als mede-ontwerpers worden betrokken (Simonsen & Robertson, 2013; Sleeswijk Visser et al., 2005). Dit vraagt om bewuste keuzes in de opzet en begeleiding van de sessies, zodat gelijkwaardigheid wordt ondersteund, juist omdat dat voor mensen met beperkte geletterdheid niet vanzelfsprekend is.
Van de zeventien deelnemers hadden er twaalf eerder deelgenomen aan de semi-gestructureerde interviews. Zij werden aan het einde van het interview uitgenodigd voor de co-designsessies. Deze eerdere betrokkenheid had als voordeel dat deelnemers al vertrouwd waren met het onderwerp en daardoor dieper konden ingaan op het vraagstuk (Simonsen & Robertson, 2013). Tegelijkertijd kan eerdere deelname ook het perspectief van deelnemers sturen, doordat zij al vanuit een bepaalde framing naar het vraagstuk kijken, wat het genereren van onverwachte inzichten kan beperken (Kvale & Brinkmann, 2009). Om die reden zijn vijf nieuwe deelnemers geworven via snowball sampling (Patton, 2015). Zij brachten frisse inzichten en nieuwe invalshoeken in, die de eerdere betrokkenheid konden doorbreken. De combinatie van deelnemers met en zonder eerdere betrokkenheid zorgde zo voor een balans tussen verdieping en vernieuwing binnen de sessie (Simonsen & Robertson, 2013).
De leefstijlcoaches, huisarts en POH waren bewust niet de behandelende professional van de deelnemende personen met beperkte geletterdheid. Bestaande behandelrelaties kunnen de machtsverhoudingen versterken en het voor mensen met beperkte geletterdheid moeilijker maken om zich open uit te spreken (Simonsen & Robertson, 2013).
De betrokken naasten en professionals in het sociaal domein maakten in sommige gevallen wel deel uit van het sociale netwerk van de deelnemende persoon met beperkte geletterdheid. Om te voorkomen dat bestaande relaties de groepsdynamiek te sterk zouden beïnvloeden (Kamberelis & Dimitriadis, 2013), zijn zij verdeeld over verschillende
Sessie Subgroep Deelnemers
1 A Persoon met beperkte geletterdheid, leefstijlcoach, naaste, POH
1 B
Persoon met beperkte geletterdheid, leefstijlcoach, professional in het sociaal domein, verpleegkundige in opleiding
2 C Persoon met beperkte geletterdheid, leefstijlcoach, naaste, professional in het sociaal domein
2 D Persoon met beperkte geletterdheid, leefstijlcoach, naaste, huisarts, ontwerper
Tabel 2. Een overzicht van de deelnemers aan de co-designsessies, per sessie en subgroep.
subgroepen. Daarnaast droeg deze verdeling bij aan meer variatie in perspectieven binnen elke subgroep (Brandt et al., 2012).
Naast deze deelnemersgroepen namen ook een verpleegkundige in opleiding en een ontwerper werkzaam binnen een zorgorganisatie deel. Beide brachten een aanvullend perspectief in op het vertalen van inzichten naar mogelijke ontwerpinterventies. Hiermee werd het perspectief op de ontwerpfase versterkt (Sanders & Stappers, 2008).
De sessies waren bewust positief geformuleerd. Ze richtten zich op momenten waarop eigen regie goed ging en niet op het probleem. Cooperrider en Whitney (2005) laten zien dat positief gerichte vragen kwalitatief rijkere ervaringskennis opleveren dan probleemgerichte benaderingen. Voor mensen die in professionele settings vaak worden aangesproken op wat zij niet kunnen (Rademakers & Heijmans, 2018), is dit ook een ethische keuze. Het creëert ruimte voor kennis die normaal minder zichtbaar wordt.
Sensitizing probes
Eén week voor de sessie ontvingen alle deelnemers een sensitizing probe (Gaver et al., 1999). De probe was per rol verschillend. Mensen met beperkte geletterdheid ontvingen de instructies als gesproken bericht via WhatsApp en werden gevraagd een concreet moment te verbeelden waarop de eigen regie goed voelde in de tussenruimte rondom leefstijlcoaching. Invullen kon via foto’s, tekenen, of audio. Lezen en schrijven waren geen vereiste. De opdracht werd thuis uitgevoerd, omdat de semi-gestructureerde interviews suggereerden dat de thuissituaties voor mensen
met beperkte geletterdheid een veiligere omgeving is voor reflectie dan een onbekende setting (§2.2.3). De ingebrachte momenten waren preferred situations grounded in experience (Sanders & Stappers, 2012). Dat zijn ervaringen die dicht bij de eigen leefwereld staan.
De overige deelnemers ontvingen de probe per e-mail. Zij werden gevraagd één moment te beschrijven waarop hun betrokkenheid de eigen regie versterkte en één moment waarop ze die belemmerden, inclusief wat ze achteraf anders hadden willen doen. Deze aanpak richt zich op de derde laag van ervaringskennis, namelijk wat mensen wel weten maar niet spontaan verwoorden (Sanders & Stappers, 2008) (zie figuur 7).
De sessie
De sessie duurde circa 120 minuten en was opgebouwd uit acht fasen (zie tabel 4). De fasen verliepen stapsgewijs van ervaring naar verbeelding, naar ontwerp. Voorafgaand werd een testsessie uitgevoerd met drie onderzoekende ontwerpers, waarna de co-constructiefase werd verlengd en instructieteksten werden aangepast. Alle materialen werden vervolgens getest op toegankelijkheid door één niet deelnemende persoon met beperkte geletterdheid.
De keuze voor de informele inloop (fase 1) werd gemaakt op basis van de bevinding dat mensen met beperkte geletterdheid in onbekende settings tijd nodig lijken te hebben om te landen en dat vertrouwen een voorwaarde lijkt voor eigenaarschap (§2.2.4). Tijdens de test benoemde de persoon met beperkte geletterdheid de informele inloop expliciet als waardevol. Daarnaast werd elke activiteit die om een groepsrepons vroeg (fasen 4,5,7) voorafgegaan door individuele verwerking, om te voorkomen dat verbaal
sterke deelnemers de richting bepaalden (Sleeswijk Visser et al., 2005). Het moment uit de probe van de persoon met beperkte geletterdheid diende als vertrekpunt voor elke subgroep (fasen 3 en 4). Hierdoor bleef het ontwerp dicht bij de leefwereld van de primaire doelgroep en voorkwam dat de perspectieven van de overige deelnemers de richting bepaalden (Sanders & Stappers, 2012). De sessies werden met toestemming als audio opgenomen. De ingevulde canvassen werden gefotografeerd als onderzoeksmateriaal.
Informed consent vond voor alle deelnemers mondeling plaats op basis van dezelfde procedure als bij de semigestructureerde interviews (§2.1.3). Door voor alle deelnemers dezelfde mondelinge procedure te gebruiken, werd vermeden dat mensen met beperkte geletterdheid zich anders behandeld voelden (Simonsen & Robertson, 2013). Consent werd zowel vóór de probe als aan het begin van de sessie gevraagd. Alle data werden geanonimiseerd en verwerkt met deelnemerscodes.
4.1.4
De sessies leverden drie typen data op. (1) De geconstrueerde scenario’s, ideeën en uitgewerkte concepten, (2) de verdeling van de stickers en (3) de verbale uitspraken gedurende de sessies. De analyse verliep in drie stappen. Eerst werden de drie databronnen per sessie naast elkaar gelegd. Er werd per subgroep gekeken welke elementen de meeste aandacht kregen, welke elementen tot discussie leidden en welke elementen als vanzelfsprekend werden overgeslagen. In de tweede stap werden de bevindingen van beide sessies vergeleken. Hierbij werd vooral gekeken naar overeenkomsten tussen verschillende subgroepen, omdat patronen die in meerdere groepen terugkomen sterker wijzen op gedeelde behoeften dan patronen binnen één groep (Brandt et al., 2012). In de derde stap werden de bevindingen van de vier concepten naast de vijf ontwerpprincipes uit H3 gelegd. Elementen die door meerdere subgroepen werden gekozen én aansloten bij de ontwerpprincipes, werden meegenomen in de ontwerprichting. Elementen die wel populair waren maar

Figuur 15. Een co-designsessie waarin deelnemers gezamenlijk werken aan het vraagstuk.
Fase
1. Informele inloop (landen)
2. Introductie
3. Het scenario van de persoon met beperkte geletterdheid introduceren
4.1 Het uitwerken van het gedeelde scenario langs vier waarden van ervaringskennis (beschrijvend, emotioneel, evaluatief, waardegedreven) (Sanders & Stappers, 2010)
4.2 Idee-generatie (value-led ideation) (Brandt et al., 2012) op basis van de opgehaalde waarden
4.3 Eén idee uitwerken tot een concreet concept
*Deze drie stappen werden uitgewerkt aan de hand van twee canvassen per subgroep.
5. Geconstrueerde scenario’s en concepten bespreken
6. Waarden aanduiden via stickers
7. Waardebepaling bespreken
8. Afsluiting
Een overzicht van de fasen van de co-designsessies. Tabel 3.
Vorm Duur
Plenair 15 minuten
Plenair 10 minuten
Subgroepen 10 minuten
Subgroepen 45 minuten (inclusief pauze)
Plenair 15 minuten
Individueel 5 minuten
Plenair 10 minuten
Plenair 10 minuten
haaks stonden op de principes, werden als spanning genoteerd en meegenomen als aandachtspunt voor de testronden.
De co-designsessies leveren vier verschillende concepten op (zie figuur 16). Hoewel de concepten in vorm van elkaar verschillen, laten ze duidelijke overeenkomsten en verschillen zien in de manier waarop zij omgaan met de tussenruimte rondom leefstijlcoaching en met de rol van ervaringen daarin.
4.2.1 De aanwezigheid van de coach
In geen van de vier uitgewerkte concepten is de leefstijlcoach fysiek aanwezig in de thuissituatie van de persoon. De vier mensen met beperkte geletterdheid benoemen dat de aanwezigheid van de coach in de leefwereld het gevoel van controle oproept en daarmee de eigen regie belemmert. Tegelijkertijd is de coach in drie van de vier concepten wél impliciet aanwezig (concepten B,C en D). Bijvoorbeeld via een niet-sturende herinnering, een korte update of een terugkerend element dat de verbinding met de sessie in stand houdt.
‘Als de coach er de hele tijd bij is, voelt dat alsof ik gecontroleerd word.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
De stickerverdeling maakt een verschil in prioriteiten zichtbaar. De leefstijlcoaches, de huisarts, de POH, en de verpleegkundige in opleiding plaatsen consistent stickers bij elementen die herhaling en structuur bieden. Mensen met beperkte geletterdheid plaatsen hun stickers bij elementen die eigenaarschap, herkenning en ervaring centraal stellen.
Twee leefstijlcoaches uiten expliciet twijfel of een interventie in de tussenruimte praktisch haalbaar is gegeven de tijdsdruk in hun dagelijkse praktijk.
‘Dit klinkt waardevol, maar ik vraag me af waar ik de tijd vandaan moet halen om dit te verwerken voor een sessie.’ — Leefstijlcoach
Bevinding
De data suggereren dat de coach impliciet aanwezig moet zijn in de tussenruimte, en niet expliciet. Betrokkenheid en controle lijken elkaar tegen te werken. Hoe meer iets als toezicht aanvoelt, hoe meer het de eigen regie lijkt te belemmeren.
4.2.2 De tussenruimte verbinden aan de sessie
Het geconstrueerde moment van regie ligt in alle uitgewerkte scenario’s buiten de sessie. Toch speelt de sessie in drie van de vier gevallen een rol in het concept (concept B,C en D).
Het artefact neemt ervaringen mee vanuit de thuissituatie naar de sessie en informatie van de sessie terug naar de thuissituatie. Het artefact maakt zichtbaar wat de persoon thuis heeft meegemaakt en dient als gespreksopener voor de volgende sessie. Het verschil tussen de concepten zit in de richting van de informatiestroom. In twee concepten gaat het vooral over wat mensen van thuis meenemen naar de sessie (concepten B en D). In één concept ligt de focus juist op de terugkoppeling vanuit de sessie naar het sociale netwerk (concept C). Het andere concept richt zich op het doorgeven van de ervaringen van thuis aan het sociale netwerk (concept A).
‘Hoe mooi zou het zijn als het dan bij de volgende sessie het gesprek kan starten.’ — Huisarts
Concept A - De praatplaat
Een concept waarbij de cliënt in de thuissituatie beschikt over een praatplaat met een visueel overzicht van alle betrokkenen uit het sociale netwerk. Via een audioknop per betrokkene kunnen ervaringen worden ingesproken en gedeeld. Het doel is dat naasten inzicht krijgen in wat er thuis speelt, zodat zij beter kunnen aansluiten bij de persoon, zonder dat die daar expliciet om hoeft te vragen.
In beide sessies wordt de tussenruimte niet alleen genoemd als een plek waar eigen regie kan ontstaan, maar ook de plek waar de kloof zichtbaar wordt tussen wat er in de sessie is besproken en wat thuis daadwerkelijk mogelijk is. Drie concepten verbeelden een gedeeld artefact die deze kloof zichtbaar maakt (concepten B,C en D).
De deelnemers met beperkte geletterdheid plaatsen alle vier een sticker bij een fysiek object, terwijl professionals in het sociaal domein, leefstijlcoaches, de huisarts, de POH, en de ontwerper juist kiezen voor een digitale toepassing. Naasten nemen hierin een meer neutrale positie in. De mensen met beperkte geletterdheid beschrijven dat hun voorkeur samenhangt met eerdere ervaringen dat digitale oplossingen vaker lastig zijn en kunnen aanvoelen als iets dat ‘moet’.
‘Digitale middelen maken delen makkelijker en efficiënter.’ — Ontwerper
‘Bij zoiets als [concept 3] heb ik sneller zoiets van laat ik dit doen, in plaats van dat het voelt als moeten.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Veel apps houden niet echt rekening met ons.’
— Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
Een gedeeld artefact kan informatie laten “reizen” tussen thuis en de sessie en lijkt de kloof tussen leefwereld en systeemwereld zichtbaar te maken voor alle betrokkenen, zonder de vertaalslag volledig bij de persoon te leggen. Daarbij lijkt een fysiek object beter aan te sluiten bij de
Concept B - Fotosafari
Een concept waarin de cliënt tussen de sessies door momenten vastlegt via foto’s, die worden verzameld in een fotoboek. De coach en het sociale netwerk kunnen in het boek bladeren en krijgen zo een indruk van wat er speelt in het dagelijks leven en waar ondersteuning nodig is.
Figuur 16. De vier concepten die zijn bedacht tijdens de co-designsessies.
behoeften en voorkeuren van mensen met beperkte geletterdheid.
4.2.3 Eigenaarschap bij de persoon, initiatief bij het netwerk
Alle uitgewerkte concepten plaatsen het eigenaarschap over het artefact bij de persoon met beperkte geletterdheid. De persoon bepaalt wat erin komt, wanneer en hoeveel. Tegelijkertijd ligt het initiatief voor ondersteuning in drie concepten bij het sociale netwerk (concept A, B en C). Zij sluiten aan op wat de persoon deelt, zonder dat de persoon daarom expliciet hoeft te vragen.
‘Het moet wel echt gaan om wat ik meemaak.’
— Persoon met beperkte geletterdheid
Naasten en professionals in het sociaal domein geven daarbij aan dat zij vanuit de coach informatie willen ontvangen over wat er in de sessie besproken is, zodat zij gerichter kunnen ondersteunen. Een spanning die in beide sessies naar voren komt is de vraag wanneer het netwerk mag reageren en wanneer niet. Naasten geven aan niet onbedoeld druk te willen uitoefenen. Professionals in het sociaal domein geven aan niet buiten hun professionele kader te willen treden. In beide sessies blijft deze onzekerheid over het handelingsperspectief onopgelost.
‘Als ik beter weet wat er besproken is, kan ik gerichter helpen. Nu vraag ik me steeds af: ga ik over een grens heen of niet? Daardoor blijf je toch een beetje afwachten.’ — Professional in het sociaal domein
Concept C - De leefweek
Een concept waarin de cliënt opdrachten mee naar huis krijgt in de vorm van kaartjes en een deskplanner met twee kanten: ‘goed’ en ‘niet goed’. Thuis kan de cliënt de kaartjes verplaatsen afhankelijk van hoe het gaat. Het sociale netwerk krijgt zo inzicht in wat wel en niet lukt, kan daarop aansluiten, en dit vormt later een basis voor de coachingssessie.
De sessies suggereren dat eigenaarschap bij de persoon moet liggen. Het netwerk sluit aan op wat hij of zij deelt, zonder dat de persoon dat expliciet hoeft te vragen en zonder dat het netwerk de regie overneemt. De data suggereren dat de rol van het sociale netwerk klein is, maar helder moet zijn, inclusief wanneer zij wél en niet aansluiten.
Alle vier de mensen met beperkte geletterdheid leverden hun probe als audio in. Tijdens de sessie geven zij aan dat gesproken taal voor hen een meer natuurlijke manier is om ervaringen te delen dan schrijven, tekenen of foto’s. Ze beschrijven ook dat het veiliger voelt om hun verhaal te vertellen op een moment dat er niemand bij is die direct reageert en dat de thuissituatie reflecteren makkelijker maakt dan een onvertrouwde setting. Leefstijlcoaches, naasten en professionals in het sociaal domein beschrijven dat de audioopnamen concreter en rijker zijn dan de informatie die zij normaal gesproken via de persoon ontvangen.
‘Het voelt veiliger om iets te zeggen als niemand meteen iets terugzegt.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Het verschil in concepten is dat audio in één concept wordt gezien als een manier om ervaringen door te geven aan het sociale netwerk (concept A). In één concept is het benoemd als manier om voor jezelf te verwerken en door te geven aan de coach (concept D). In twee concepten speelt audio geen rol (concepten B en C). Drie van de vier mensen met beperkte geletterdheid plaatsen een sticker bij de audio-elementen van de concepten waarin deze voorkomen.
Concept D - De ervaringskoffer
Een concept waarin de cliënt thuis verhalen kan inspreken via een koffer met een opnameknop. De koffer wordt meegenomen naar de coachingssessie, waar de coach de opnames kan beluisteren. Hierbij benadrukten de deelnemers het “reizen” van ervaringen.
Bevinding
Gesproken taal in de thuissituatie, zonder directe reactie, lijkt voor mensen met beperkte geletterdheid de meest natuurlijke manier om ervaringen vast te leggen en te delen. Audio lijkt daarbij zowel een communicatieve als een verwerkende rol te kunnen spelen.
De vier concepten uit de co-designsessies verschilden in vorm, maar deelden vijf kenmerken (zie figuur 16). In twee concepten was audio het centrale medium, de coach was nergens expliciet aanwezig in de thuissituatie, deelnemers met beperkte geletterdheid hadden een voorkeur voor een fysiek object en wilden eigenaarschap behouden over wat zij delen. Alle subgroepen kwamen bovendien onafhankelijk uit op een circulair systeem waarin ervaringen van de thuissituatie naar de sessie of het sociale netwerk bewegen en informatie terugstroomt naar de thuissituatie (zie figuur 17). Dat subgroepen zonder afstemming tot een vergelijkbare structuur komen, vergroot de aannemelijkheid van deze richting als gedeelde behoefte (Brandt et al., 2012).
Fysiek object
Circulair systeem 1 2 3 4 5
Audio als medium
Eigenaarschap bij persoon
Impliciete aanwezigheid coach
Figuur 16. De vijf ontwerpkenmerken.
Deze uitkomst vraagt echter om kritische reflectie. De sessies waren niet neutraal in hun vertrekpunt. Ze bouwden voort op de voorgaande semi-gestructureerde interviews en nodigden deelnemers expliciet uit te reflecteren op positieve momenten van eigen regie in de tussenruimte (Cooperrider & Whitney, 2005). Hierdoor is de ruimte voor meer radicale richtingen, zoals het volledige buiten de GLI plaatsen van de begeleiding of peer support als uitgangspunt, beperkt gebleven. Er is bewust geen gebruikgemaakt van speculatief design (Dunne & Raby, 2013), omdat toekomstgericht denken voor deze doelgroep niet vanzelfsprekend lijkt te zijn (§2.2.3). Een hybride aanpak had mogelijk meer
diepgang opgeleverd. Bijvoorbeeld door speculatief denken te koppelen aan ervaringen die mensen al hebben. Daarnaast bleken machtsverhoudingen niet volledig te neutraliseren (Simonsen & Robertson, 2013). Bij subgroep D leidde de aanwezigheid van een huisarts aanvankelijk tot terughoudendheid bij de deelnemer met beperkte geletterdheid. In subgroep B nam een leefstijlcoach het woord op een moment dat bedoeld was voor individuele verwerking, wat de resultaten van die subgroepen mogelijk heeft beïnvloed.
De stickerverdeling maakte een verschil in prioriteiten zichtbaar. Deelnemers met beperkte geletterdheid kozen voor eigenaarschap, herkenning en vrijwilligheid, terwijl professionals vaker nadruk legden op structuur en efficiëntie. Eenzelfde spanning bleek bij de keuze tussen fysieke en digitale oplossingen. Dit sluit aan bij onderzoek waarin apps als complex en verplicht worden ervaren (Rowsell et al., 2012; van Deursen & van Dijk, 2019). Een ontwerp moet beide perspectieven verbinden. Te veel focus op professionals behoudt de bestaande systeemlogica, terwijl alleen volgen van de primaire doelgroep de implementatie kan bemoeilijken (Greenhalgh, 2014; Greenhalgh et al., 2004; Nilsen, 2015).
De bevindingen suggereren dat meer professionele aanwezigheid in de leefwereld eerder als controle dan als ondersteuning wordt ervaren, wat afwijkt van literatuur die de coach-cliëntrelatie centraal stelt (Miller & Rollnick, 2013). Wat lijkt te werken is niet de aanwezigheid van de coach, maar ondersteuning op het juiste moment door de juiste persoon.
Tegelijkertijd bleef een belangrijke vraag open, namelijk wanneer is het passend voor het sociale netwerk om te reageren? Naasten lijken geen druk te willen uitoefenen en professionals in het sociaal domein lijken binnen hun rol te willen blijven, maar beide groepen gaven aan behoefte te hebben aan duidelijke handvatten. Dit suggereert dat het boundary object niet alleen informatie moet overdragen, maar ook rollen en grenzen zichtbaar moet maken. Hoe dit werkt in de praktijk vormt een de onderzoeksvragen voor H5.

Figuur 17. Een visuele weergave van het circulaire systeem dat voortkomt uit de co-designsessies.
De ontwerprichting die de sessies suggereren, is concreet genoeg om mee te werken en tegelijk open genoeg om via testen te worden aangescherpt. Het voorgestelde boundary object kan worden gezien als een ervaringsgericht artefact met drie functies, namelijk (1) het laat ervaringen bewegen tussen thuissituatie, sessie en sociaal netwerk, (2) het verlicht de vertaalslag voor de persoon met beperkte geletterdheid
en (3) het maakt de kloof tussen leefwereld en systeemwereld zichtbaar. Het eigenaarschap lijkt daarbij bij de persoon met beperkte geletterdheid te liggen, terwijl het sociale netwerk een ondersteunende rol heeft. De voorwaarden om dit mogelijk te maken worden in H5 onderzocht.
Dit hoofdstuk onderzoekt onder welke voorwaarden mensen met beperkte geletterdheid meer eigen regie ervaren, door de tussenruimte rondom leefstijlcoaching te activeren via een iteratief getest ontwerp.

Figuur 18. Een selectie van schetsen uit de individuele brainstormsessie, gebruikt om de ontwerprichting te concretiseren.
De co-designsessies in H4 leverden een mogelijke ontwerprichting op, namelijk een circulair systeem waarin ervaringen uit de leefwereld worden gedeeld met de leefstijlcoach en het sociale netwerk, en informatie van de sessie terug naar de thuissituatie. Daarmee is beschreven wat een mogelijke interventie moet doen. Wat daarmee nog niet beantwoord is, is onder welke voorwaarden dat reizen van ervaringen in de praktijk daadwerkelijk mogelijk is.
De vijf testronden zijn daarom niet gericht op het valideren van een concept, maar op het onderzoeken van de omstandigheden waaronder de tussenruimte kan worden geactiveerd. Het concept dient hierbij als onderzoeksinstrument (Cross, 2011; Zimmerman et al., 2007), en de bevindingen worden geformuleerd als voorwaarden.
5.1.1 Conceptontwikkeling
De ontwerprichting uit H4 beschrijft wat het artefact moet doen, maar nog niet hoe het eruitziet. Om deze stap te maken, zijn eerst een individuele en vervolgens een gezamenlijke brainstorm uitgevoerd.
In de individuele fase zijn verschillende vormen verkend, zoals een app, draagbare middelen, een digitaal platform en fysieke objecten (figuur 18). Deze verkenning was divergerend en gebaseerd op de ontwerpprincipes (H3) en ontwerpkenmerken (H4), die daarbij als richtinggevend uitgangspunt dienden.
Vanuit deze verkenning is gekozen voor een fysiek object in de leefomgeving van de persoon met beperkte geletterdheid. Twee concepten uit H4 verbeeldden een reizend object, waar deelnemers vaker voor kozen dan digitale alternatieven, die zij als drempelig ervaarden (Rowsell et al., 2012; van Deursen & van Dijk, 2019). Fysieke objecten vereisen geen digitale vaardigheden en kunnen passief aanwezig zijn, waarbij hun zichtbaarheid fungeert als subtiele gedragstrigger (Fogg, 2009; Norman, 2013).
Deze richting is vervolgens aangescherpt in een gezamenlijke brainstorm, met als centrale vraag hoe ervaringen deelbaar en behapbaar worden voor het sociale netwerk en de leefstijlcoach zonder de vertaalslag bij de persoon met beperkte geletterdheid te leggen. Dit leidde tot
de keuze voor AI-gegenereerde samenvattingen als schakel tussen inspreken en ontvangen. Zo interacteert de persoon met een fysiek object in plaats van een scherm, waardoor de technologische en gebruikerslaag worden gescheiden en het ontwerp toegankelijker en intuïtiever wordt (Pereda et al., 2017; Wimmer et al., 2025).
Het concept bestaat uit een fysiek object in de thuissituatie waarop de persoon met beperkte geletterdheid op zelfgekozen momenten ervaringen kan inspreken. Deze worden via AI omgezet in samenvattingen die worden gedeeld met geselecteerde betrokkenen, waarbij de persoon zelf controle houdt over wat, met wie en wanneer wordt gedeeld. Ook coachingssessies worden samengevat en gedeeld, zodat de context van de coaching zichtbaar wordt voor het sociale netwerk.
De samenvattingen verschillen per ontvanger. Het sociale netwerk ontvangt een verhalende samenvatting. De leefstijlcoach een analytische samenvatting gericht op patronen. Dit onderscheid sluit aan bij de bevinding uit H4 dat verschillende betrokkenen andere informatiebehoeften hebben (Norman, 2013). Er is gekozen voor samenvattingen in plaats van ruwe audio vanwege tijdsdruk en toegankelijkheid (Edwards et al., 2015; Tsulukidze et al., 2014). Figuur 19 toont een schematische weergave van het systeem.
5.1.3
Er zijn vijf iteratieve testrondes uitgevoerd (figuur 20), elk met een eigen onderzoeksvraag, prototype en opzet (figuur 21). Bevindingen uit eerdere rondes vormden de basis voor aanpassingen, waardoor effecten specifieker konden worden toegeschreven aan afzonderlijke elementen (Houde & Hill, 1997; Virzi et al., 1996). Door elementen afzonderlijk te testen, wordt bovendien voorkomen dat gevonden effecten worden toegeschreven aan het totale concept, terwijl zij mogelijk door slechts één aspect worden veroorzaakt.
De bevindingen uit H2 suggereren dat eigen regie in de tussenruimte ontstaat of verdwijnt, maar dat deze ruimte momenteel onbenut blijft. Voordat onderzocht kan worden hoe deze ruimte geactiveerd kan worden, is eerst gekeken naar de voorwaarden waaronder het delen van ervaringen überhaupt mogelijk is. Het eerste ontwerpprincipe (§3.3),
starten vanuit de leefwereld, veronderstelt immers dat mensen deze ervaringen kunnen delen. De onderzoeksvraag luidt daarom: onder welke voorwaarden zijn betrokkenen bereid en in staat om betekenisvolle informatie te laten bewegen tussen de tussenruimte en de coachingssessie?
5.2.1
Het prototype was een low-fidelity fysiek object (figuur 22), zodat de focus lag op gebruik en betekenis in plaats van technische afwerking (Houde & Hill, 1997; Virzi et al., 1996). Een low-fidelity prototype stimuleert openheid en co-creatie en vermindert sociaal wenselijke reacties (Snyder, 2003).
De technische perfectie is in deze fase niet het doel. Het begrijpen van de interactie tussen de mensen en het systeem wel. De technologie werd daarom gesimuleerd via de Wizard of Oz-methode (Kelley, 1984). De onderzoeker bediende op afstand een verborgen telefoon die audio-opnamen maakte, waarna deze met Dembrane (2025) werden verwerkt tot samenvattingen. De keuze voor Dembrane is ethisch gemotiveerd. In tegenstelling tot generieke LLM’s beperkt het de interpretatieve vrijheid, blijft het dichter bij de oorspronkelijke tekst en werkt het via een lokale server. De samenvattingen werden doorgestuurd naar de betrokken naaste(n), professionals in het sociaal domein en/of de coach.

Figuur 20. De vijf testronden in dit onderzoek.

Figuur 22. Het low-fidelity prototype gebruikt in testronde 1.
In totaal namen veertien deelnemers deel (n=14), verdeeld over zeven testsessies (zie tabel 4). Alle deelnemers waren eerder betrokken bij de semi-gestructureerde interviews en/ of de co-designsessies en werden via WhatsApp of e-mail uitgenodigd. Drie deelnemers met beperkte geletterdheid waren nog actief in een traject, twee niet meer.
Waar mogelijk werden de behandelende leefstijlcoach en het eigen sociale netwerk van de persoon met beperkte

Figuur 21. Een schematische weergave van de iteratieve testcyclus.

Een schematische visualisatie van de opzet van het concept.
Sessie Deelnemers
1 Persoon met beperkte geletterdheid + 2 naasten
2 Persoon met beperkte geletterdheid + naaste
3 Fysiotherapeut (online gesproken)
4 Persoon met beperkte geletterdheid + professional in het sociaal domein
5 Persoon met beperkte geletterdheid + leefstijlcoach
6 Leefstijlcoach (online gesproken)
7 Persoon met beperkte geletterdheid + leefstijlcoach + professional in het sociaal domein
Tabel 4. Een overzicht van de deelnemers aan de eerste testronde.
geletterdheid samen in één sessie getest, omdat het concept juist op die bestaande relaties is gebouwd (Kvale & Brinkmann, 2009). De deelnemende mensen met beperkte geletterdheid waren tussen de 38 en 64 jaar (M= 49,20).
5.2.3 Opzet
De testsessies (behalve sessies 3 en 6) verliepen in drie fasen (zie figuur 23). In de eerste fase werd het object zonder uitleg geïntroduceerd en werd het spontane gedrag gedurende circa twee minuten observeerd aan de hand van vier vooraf bepaalde gedragskenmerken, namelijk (1) kijkt de deelnemer ernaar, (2) raakt de deelnemer het object aan, (3) stelt de deelnemer vragen, en (4) begint de deelnemer ervaringen te delen. Deze gestructureerde observatie, gebaseerd op vooraf bepaalde kenmerken, maakt gedrag minder afhankelijk van interpretatie en beter vergelijkbaar (Dix et al., 2004; Stickdorn et al., 2018).
In de tweede fase spraken deelnemers met beperkte geletterdheid drie situaties in: een positief moment, een minder goed moment en een moment rond een sessie.
Deze selectie maakte het mogelijk om te onderzoeken of uiteenlopende ervaringen, inclusief kwetsbare momenten en de tussenruimte, werden gedeeld. Instructies werden mondeling gegeven om lezen en schrijven te vermijden. De onderzoeker simuleerde de samenvattingen via Dembrane (2025), controleerde deze en valideerde ze met de deelnemer vóór verzending naar de leefstijlcoach en/of het sociale netwerk, die de ruwe opname niet konden horen.
In de derde fase volgde per deelnemer een individueel semi-gestructureerd evaluatiegesprek van circa twintig minuten, gevolgd door een gezamenlijk semi-gestructureerd
evaluatiegesprek van circa vijftien minuten. Deze opzet maakte vergelijkbare evaluatie mogelijk, met ruimte voor de leefwereld van de deelnemer (Kvale & Brinkmann, 2009). Het individuele gesprek beperkte onderlinge beïnvloeding, terwijl het gezamenlijke gesprek ruimte bood voor gedeelde reflectie en verschillen in perspectief zichtbaar maakte (Brandt et al., 2012; Kvale & Brinkmann, 2009). De gespreksgidsen waren per deelnemersgroep aangepast, maar volgden dezelfde structuur. Voor mensen met beperkte geletterdheid en naasten werden vragen op meerdere manieren geformuleerd om de kans op begrijpelijkheid te vergroten en mogelijk schaamte te verminderen.
Testsessies 3 en 6 weken af van de overige sessies en bestonden uit een individueel semi-gestructureerd evaluatiegesprek van circa dertig minuten over de toepasbaarheid in de praktijk.
Alle gesprekken werden met toestemming opgenomen.
5.2.4 Ethische overwegingen
Voor alle deelnemers gold dezelfde mondelinge consentprocedure als in §2.1.3. Deelnemers gaven expliciet toestemming voor het gebruik van Dembrane (2025) en het versturen van de samenvattingen. Alle data werden geanonimiseerd verwerkt met deelnemerscodes. Deelnemers werden pas achteraf geïnformeerd over de gesimuleerde technologie om de interactie zo min mogelijk te beïnvloeden (Gould & Lewis, 1983).
5.2.5 Data-analyse
De testronde leverde drie typen data op, namelijk (1) de observatie aantekeningen uit fase 1, (2) de audio-

Figuur 23. Een schematische weergave van de drie fasen binnen de testopzet tijdens de eerste testronde (exclusief sessie 3 en 6).
opnamen en notities uit fase 2, en (3) transcripten van de evaluatiegesprekken. De analyse verliep in drie stappen. Eerst werden alle databronnen per deelnemer samengebracht en geanalyseerd. Vervolgens werden deelnemers binnen dezelfde testsessies vergeleken. Sessies 3 en 6 zijn apart geanalyseerd en daarna vergeleken met de overige bevindingen. De bevindingen zijn vertaald naar voorwaarden voor het delen van ervaringen in de tussenruimte en dienden als input voor de volgende testronden.
De drempel zit niet in het willen, maar in het weten hoe te beginnen
Twee van de vijf mensen met beperkte geletterdheid beginnen spontaan te spreken. De andere drie hebben aanmoediging nodig. Eén van hen geeft aan niet te weten hoe te beginnen. Alle vijf waarderen dat het object fysiek aanwezig is en los staat van een app. Het dient als herinnering om te delen en wordt door drie deelnemers omschreven als een dagboek dat niet vergeten kan worden en geen schrijven vraagt. Hierbij noemen vier mensen met beperkte geletterdheid het niet kunnen vergeten van iets als een concreet voordeel. Het vergeten mee te nemen van iets heeft voor hen negatieve gevolgen voor het zelfbeeld. Ook twee naasten en één professional in het sociale domein benoemen dit.
‘Misschien dat ik soms wel iets zou willen vertellen, maar dat ik niet zo goed weet hoe ik moet beginnen.’
— Persoon met beperkte geletterdheid
‘Het is ook fijn dat ik het niet kan vergeten mee te nemen, dus dan hoef ik mij daar al geen zorgen om te maken.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
De afwezigheid van directe reactie na het inspreken geeft alle vijf de mensen met beperkte geletterdheid een gevoel van veiligheid. Geen van hen heeft behoefte aan het terugluisteren van het eigen verhaal. Het vastleggen en het gevoel dat iets is overgebracht, is voldoende. Vier van hen hebben behoefte aan meer bevestiging tijdens het gebruik, omdat het anders het gevoel van controle belemmert. Daarentegen geeft de keuze om een opname te bewaren of te verwijderen alle vijf de mensen met beperkte geletterdheid wél een gevoel van controle, wat door drie personen expliciet als prettig wordt ervaren. Vier ervaren het object daarbij te veel als een zorgobject, wat volgens hen argwaan oproept en het delen van ervaringen kan beperken. Hun voorkeur gaat uit naar iets vertrouwds dat uitnodigt tot praten zonder druk op te roepen.
‘Maar is het dan nu gelukt om het op te slaan?’
— Persoon met beperkte geletterdheid
‘Het voelt te veel als iets van de coach [...] ik zou dan niet alles zeggen.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
De data suggereren dat de drempel voor het delen van ervaringen niet zozeer ligt in motivatie, maar in het ontbreken van een herkenbaar startpunt, een veilige context en een gevoel van eigenaarschap. Tegelijkertijd lijken associaties met formele zorg deze veiligheid en dit eigenaarschap te belemmeren, en daarmee de bereidheid om te delen te beperken.
Het ontbreken van een handelingsperspectief
Naasten (n=3) en professionals in het sociaal domein (n=2)
reageren enthousiast op de samenvattingen. Ze geven aan nu inzicht te hebben in wat er thuis speelt, zonder dat de persoon dat expliciet hoeft te delen.
‘Ik hoef niet meer te gokken wat er omgaat in haar hoofd.’ — Naaste
Alle drie de naasten geven de voorkeur aan periodieke samenvattingen via WhatsApp, terwijl professionals kiezen voor bestaande communicatiemiddelen binnen hun werkomgeving. Beide groepen hebben geen behoefte aan een nieuwe applicatie en ervaren extra apps eerder als belasting dan als ondersteuning. Daarnaast voelen zij geen behoefte om zelf ervaringen terug te delen via het systeem.
‘Het moet niet via een zoveelste app gaan.’
— Professional in het sociaal domein
Wat ontbreekt is een duidelijk handelingsperspectief. Alle naasten weten wat er speelt, maar niet wanneer of hoe zij kunnen reageren zonder te pushen. Eén professional in het sociaal domein stelt dezelfde vraag, terwijl een andere aangeeft hier wel mee om te kunnen gaan.
‘Het blijft wel erg open zo.’ — Naaste
‘Dan zou ik juist even checken hoe het echt gaat, maar wel voorzichtig en het gesprek open houden.’
— Professional in het sociaal domein
Bevinding
De data suggereren dat de tussenruimte niet alleen vraagt om zichtbare ervaringen, maar ook om een gedeeld handelingsperspectief, passend bij de bestaande communicatiemiddelen van het sociale netwerk.
Het coachingsgesprek
Alle drie de leefstijlcoaches zien direct de meerwaarde. Informatie uit het dagelijks leven geeft een realistischer en rijker beeld dan reflecties achteraf en maakt de sessie gerichter. Tegelijkertijd benadrukt één coach dat deze informatie direct overzichtelijk en begrijpelijk moet zijn, zonder extra interpretatie.
‘Ik ga zo minder blind een sessie in.’ — Leefstijlcoach
‘Het wordt zo waarschijnlijk minder een verhoor.’
— Leefstijlcoach
‘Ik wil niet eerst zelf moeten puzzelen voordat ik begrijp wat er aan de hand is.’— Leefstijlcoach
Bevinding
De data suggereren dat het coachingsgesprek verandert wanneer de coach vooraf beschikt over concrete en direct begrijpelijke informatie uit de leefwereld. Het zijn echter verwachtingen. Of de sessie ook daadwerkelijk verandert kan deze ronde niet beantwoorden.
5.2.7 Reflectie
De bevindingen uit de eerste testronde suggereren dat het circuleren van ervaringen in de tussenruimte niet vanzelfsprekend is, maar afhankelijk is van samenhangende voorwaarden. Het eerste inzicht is dat de drempel voor het delen van ervaringen niet primair in motivatie lijkt te liggen, maar in het ontbreken van een contextgebonden startpunt binnen het dagelijkse leven. Dit sluit aan bij de capabilities approach (Sen, 1999), waarin handelen afhankelijk is van de omstandigheden die het mogelijk maken. Tegelijkertijd lijkt deze drempel niet alleen voort te komen uit middelen of vaardigheden, maar ook uit herkenning. Mensen komen eerder in actie wanneer een situatie vanzelf duidelijk maakt wat ze kunnen doen (Fogg, 2009; Norman, 2013). Ontbreekt die herkenning, dan ligt het initiatief bij de persoon zelf, terwijl juist deze doelgroep al veel energie kwijt is aan het omgaan met systemen die niet op hen zijn afgestemd (Paas et al., 2003; Rademakers & Heijmans, 2018).
Daarnaast lijkt de materiële vorm van het object niet neutraal. Meerdere deelnemers associeerden het low-fidelity prototype met formele zorg, wat hun bereidheid om open te spreken verminderde. Dit bevestigt dat objecten betekenis krijgen binnen de contexten en relaties waarin zij worden gebruikt en zo het gebruik actief kunnen sturen (Verbeek, 2011). Door de zorggerelateerde associaties lijkt het object impliciet de machtsverhoudingen te reproduceren, wat de drempel lijkt te verhogen. Deze paradox wordt ook in de literatuur erkend (Greenhalgh et al., 2017). De materialisatie communiceert daarmee impliciet wie het object dient, en die boodschap lijkt minstens zo bepalend voor acceptatie als de functionele eigenschappen.
Het sociale netwerk ontving de samenvattingen positief, maar bleef passief. Dit suggereert dat toegang tot informatie op zichzelf onvoldoende is voor betekenisvolle
ondersteuning. Pas wanneer duidelijk is hoe te handelen, kan informatie leiden tot actie (Edwards et al., 2015; Mohr et al., 2011). Het ontbreken van een handelingsperspectief lijkt daarmee een beperking van het concept in zijn huidige vorm.
Daarnaast suggereren de data dat interventies moeten aansluiten op bestaande routines en het dagelijks leven, bijvoorbeeld door minimale extra tijd te vragen en gebruik te maken van gangbare communicatiemiddelen. Dit sluit aan bij literatuur die laat zien dat interventies beter worden geaccepteerd wanneer ze passen binnen bestaande gewoonten (Portz et al., 2019).
De testronde heeft een aantal methodologische beperkingen die tegengestelde manieren invloed kunnen hebben gehad op de uitkomsten. De aanwezigheid van bestaande relaties en de onderzoeker kan geleid hebben tot sociaal wenselijkere of positievere beoordelingen (Dix et al., 2004; Patton, 2015). Tegelijkertijd kan de Wizard of Oz-opzet (Kelley, 1984) de ervaring juist hebben verzwakt, bijvoorbeeld door vertragingen die het gebruik minder vanzelfsprekend maakten. Ondanks deze spanningen komen de kerninzichten, namelijk het belang van een herkenbaar startpunt en de invloed van de materiële betekenis van het object, consistent naar voren in observaties, uitspraken en gedrag, en niet alleen in de evaluatiegesprekken.
Testronde 1 liet twee problemen zien. Het prototype riep bij een deel van de deelnemers associaties met de zorg op, wat het gevoel van eigenaarschap lijkt te ondermijnen. Daarnaast lijkt de drempel voor het delen van ervaringen niet in de bereidheid te liggen maar in het ontbreken van een vertrouwd startpunt. Beide problemen lijken verbonden te zijn met de materiële keuze van het object en de mate waarin dit uitnodigt om te praten. De onderzoeksvraag is daarom: wat doet de materiële keuze in de tussenruimte?
5.3.1 Het prototype
De bevindingen uit §5.2 suggereren dat expressie in de tussenruimte samenhangt met de mate waarin een interventie uitnodigt tot praten, herkenbaar is en veiligheid en controle biedt. Op basis hiervan is gekozen voor een analoge telefoon. Het oppakken van een hoorn is cultureel
en intuïtief verbonden met een gesprek (Hutchby, 2001).
De herkenbare vorm stuurt daarbij de verwachte handeling (Norman, 2013), waardoor de telefoon een duidelijke affordance biedt zonder uitgebreide instructies. Dit verlaagt de cognitieve belasting en sluit aan bij bestaande routines en mentale modellen (Fogg, 2009; Thaler & Sunstein, 2008).


Figuur 26. De vijf openingskaartjes als scaffold, gebaseerd op startpunten die deelnemers in testronde 1 zelf noemden.
24. Een schematische weergave van de audio-interactie van het prototype.

De keuze voor een analoge telefoon in plaats van een moderne variant of een smartphone is bewust gemaakt om zorg- en digitale associaties te vermijden en zo de drempel te verlagen. Ten tweede beoogt de vertrouwelijkheid van de telefoonvorm uitleg overbodig te maken, wat de cognitieve belasting verlaagt, wat relevant is voor mensen die al veel cognitieve energie besteden aan het navigeren van systemen die niet voor hen zijn ontworpen (Rademakers & Heijmans, 2018; Paas et al., 2003). Daarnaast verbergt de analoge interface de onderliggende technologie, waardoor de focus ligt op het delen van ervaringen in plaats van op de techniek. Het afschermen van technologie achter een vertrouwde vorm wordt in de literatuur gezien als een effectieve manier om adoptiedrempels te verlagen (Wimmer et al., 2025).
Naast de telefoonvorm is een audio-interactie toegevoegd, in de vorm van een vooraf opgenomen stem die afspeelt bij het oppakken van de hoorn en de persoon bij naam aanspreekt. Dit beoogt het gevoel van controle te versterken en de drempel tot het delen van ervaringen te verlagen. Daarbij is een terugbelfunctie toegevoegd als herinnering bij uitblijvend gebruik. Deze functie balanceert tussen een nudge en controle (Thaler & Sunstein, 2008), en speelt in op de spanning uit testronde 1, waarbij deelnemers aangaven iets niet te willen vergeten zonder het gevoel van controle te verliezen. Figuur 24 toont de audio-interactie van het prototype.
Het prototype was een low-fidelity kartonnen object (figuur 25), zodat de focus op interactie bleef (Houde & Hill, 1997; Snyder, 2003; Virzi et al., 1996). Geluiden werden afgespeeld via een verborgen Bluetooth-speaker, aangestuurd met de
Wizard of Oz-methode (Kelley, 1984). Daarnaast werden vijf openingskaartjes gebruikt als scaffolding (Kirschner et al., 2006) (figuur 26), gebaseerd op startpunten die deelnemers in testronde 1 zelf benoemden. Deze keuze is gebaseerd op de bevindingen dat deelnemers niet altijd wisten hoe te beginnen. Het aantal is bewust beperkt om keuzestress te voorkomen (Schwartz, 2004).
5.3.2
In totaal namen acht personen met beperkte geletterdheid deel (n=8), in de leeftijd van 32–67 jaar (M = 51,50). Vijf deelnemers hadden ervaring met leefstijlcoaching, waarvan drie op dat moment actief waren binnen een leefstijlcoachingstraject. Twee hadden in het verleden een traject gevolgd. Deze vijf waren al betrokken bij het onderzoek (o.a. testronde 1) en werden via WhatsApp benaderd. De overige drie hadden geen ervaring met leefstijlcoaching, namen niet eerder deel en werden mondeling geworven via wijkteams en bibliotheken.
5.3.3
De test verliep in drie fasen (zie figuur 27). In de eerste fase werd het object zonder uitleg geïntroduceerd en werd het spontane gedrag circa twee minuten geobserveerd aan de hand van vijf gedragskenmerken, namelijk (1) kijken, (2) aanraken, (3) gebruik van de openingskaartjes, (4) vragen stellen en (5) begint de deelnemer ervaringen te delen. Deze gestructureerde aanpak maakt het gedrag minder afhankelijk van interpretatie en beter te vergelijken (Dix et al., 2004; Stickdorn et al., 2018). In de tweede fase gebruikte de deelnemer het object zelfstandig, met kennis van de functie. Dezelfde gedragskenmerken werden opnieuw

Figuur 27. Een schematische weergave van de drie fasen binnen de testopzet tijdens de tweede testronde.
geobserveerd, zodat vergelijking tussen spontaan en geïnformeerd gebruik mogelijk werd. In de derde fase vond een semi-gestructureerd evaluatiegesprek van circa 20 minuten plaatsover de gebruikservaring, drempels en interpretatie van het object (Kvale & Brinkmann, 2009). De gespreksgids bevatte vragen die op meerdere manieren waren geformuleerd om de begrijpelijkheid te vergroten en mogelijke schaamte te verminderen. De gesprekken werden met toestemming als audio opgenomen.
Daarbij werden de openingskaartjes en de gespreksgidsen voorafgaand aan de tests beoordeeld op begrijpelijkheid door 2 niet-deelnemende personen met beperkte geletterdheid. Deze beoordeling is niet meegenomen in de analyse.
5.3.4 Ethische overwegingen
Informed consent vond mondeling plaats volgens de procedure uit eerdere fasen (§2.1.3). Deelnemers werden pas achteraf geïnformeerd over de gesimuleerde technologie om beïnvloeding te beperken (Gould & Lewis, 1983).
De tests werden uitgevoerd in de thuissituatie, omdat vertrouwde omgevingen de cognitieve belasting verlagen en drempels voor deelname verminderen (Sleeswijk Visser et al., 2005). Alle data zijn geanonimiseerd verwerkt met deelnemerscodes.
5.3.5 Data-analyse
Deze testronde leverde twee typen data op, namelijk de observatie aantekeningen en audio-opnamen van de evaluatiegesprekken. Allereerst zijn de databronnen per deelnemer in samenhang geanalyseerd, daarna onderling vergeleken om overeenkomsten en verschillen zichtbaar te maken. De bevindingen zijn vertaald naar voorwaarden voor het delen van ervaringen en dienden als input voor de volgende testronden.
5.3.6 Bevindingen
Vertrouwde handelingen
Twee van de acht deelnemers pakken de hoorn direct op en beginnen zonder uitleg te spreken. Vijf anderen aarzelen, maar starten na het bekijken van de openingskaartjes, die zij ervaren als een uitnodiging zonder sturing. Twee benoemen expliciet dat het niet als een opdracht voelt. Deze zeven deelnemers geven aan dat juist het object hen uitnodigt om te praten en dat het oppakken van de hoorn als vertrouwd
voelt. Eén deelnemer begint pas na instructie en ervaart de situatie als onwennig. Geen van de deelnemers associeert het object met de formele zorg.
‘Het is gewoon logisch om te praten.’— Persoon met beperkte geletterdheid
‘[De kaartjes] helpen om te praten, maar ik kies nog steeds wat ik zeg.’— Persoon met beperkte geletterdheid
‘Moet ik nu gewoon beginnen? [...] Ik weet het niet zo goed.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
Het delen van ervaringen in de tussenruimte lijkt mogelijk te worden wanneer interventies aansluiten bij vertrouwde handelingen, veilig voelen en direct duidelijk maken wat ermee kan worden gedaan. Een laagdrempelig en nietsturend startpunt lijkt daarbij helpend.
Wederkerigheid
Zes van de acht deelnemers ervaren de stem bij het oppakken van de hoorn als een bevestiging dat er iemand luistert, wat een gevoel van gehoord worden geeft zonder directe reactie. Vijf noemen dit expliciet als reden om het object vaker te gebruiken. Alle deelnemers waarderen het aangesproken worden bij naam, omdat dit het gevoel versterkt dat het object van hen is. Tegelijkertijd ervaren vier deelnemers de stem juist als een “nep-verbinding”, wat de interactie ongemakkelijk maakt.
‘Het is fijn hoe je wordt aangesproken alsof je echt belt met iemand, maar doordat het een robot lijkt voel ik me wat minder prettig.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Zes van de acht deelnemers ervaren de terugbelfunctie als positief, mits deze aansluit op hun ritme en zelf instelbaar is. De herinnering mag niet te vaak, te vroeg of onverwacht komen. Eén deelnemer blijft neutraal, terwijl een ander vreest dat het als verplichting voelt wanneer het object zelf initiatief neemt.
Bevinding
Het gevoel dat het verhaal ergens aankomt, lijkt een gevoel van wederkerigheid te creëren en de drempel om te delen te verlagen. Echter lijkt dit alleen te werken wanneer de interactie natuurlijk aanvoelt en de persoon zelf controle
houdt over het moment en de vorm van “het contact”.
5.3.7 Reflectie
De bevindingen uit testronde 2 verdiepen de eerdere inzichten en laten nieuwe spanningen zien. De analoge telefoon lijkt effectief in het activeren van het gewenste gedrag. De meeste deelnemers pakten de hoorn op en begonnen zonder instructie te spreken, wat aansluit bij theorie over herkenbare handelingen als drempelverlager (Hutchby, 2001; Norman, 2013). Tegelijkertijd is deze bevinding niet generaliseerbaar. Affordances zijn relationeel en afhankelijk van gebruiker en context (Chemero, 2003; Norman, 2013), waardoor de telefoon voor andere generaties mogelijk niet vanzelfsprekend is. Daarnaast associeerden deelnemers het object niet met formele zorg. De data ondersteunen daarmee de keuze voor de analoge telefoon. Echter ligt de bijdrage daarmee niet in de specifieke vorm, maar in de onderliggende voorwaarden. Een materialisatie die een vertrouwde handeling oproept en geen zorgassociaties draagt. Deze voorwaarde lijkt overdraagbaar naar andere vormen.
De wederkerigheid die de audio-interactie lijkt op te roepen nuanceert bestaande literatuur. Waar Reeves en Nass (1996) stellen dat mensen sociale eigenschappen toekennen aan technologie bij signalen van aanwezigheid, laten de bevindingen zien dat de geloofwaardigheid daarvan een voorwaarde is. Vier deelnemers ervoeren de stem als onnatuurlijk, wat het gevoel van verbinding verminderde.
Dit suggereert dat het Media Equation-effect (Reeves & Nass, 1996) niet automatisch optreedt, maar afhankelijk is van de kwaliteit van de simulatie. Een ongeloofwaardige stem lijkt daarmee niet alleen het effect te missen, maar het gebruik zelfs te belemmeren.
De instelbare terugbelfunctie lijkt subtiel maar belangrijk onderscheid zichtbaar te maken. Zelfgekozen herinneringen lijken te worden ervaren als aandacht, terwijl automatische herinneringen eerder als toezicht worden gezien. Dit sluit aan bij de nudge-theorie (Thaler & Sunstein, 2008), maar nuanceert deze door te laten zien dat niet-geïnitieerde nudges alsnog als sturend kunnen worden ervaren. Dit benadrukt het belang van aansluiting bij het ritme en de routines van gebruikers (Portz et al., 2019).
De betrokkenheid van drie nieuwe deelnemers vergroot
de overdraagbaarheid enigszins (Shenton, 2004). Tegelijk blijven de bevindingen vooral richtinggevend door de kleine steekproef, de gesimuleerde technologie en de aanwezigheid van de onderzoeker. De waardering kan deels overschat zijn door vertrouwdheid van eerdere deelnemers, terwijl de interactiekwaliteit juist onderschat kan zijn door de Wizard of Oz-opzet (Dix et al., 2004; Kelley, 1984). Deze tegengestelde vormen van vertekening kunnen elkaar deels compenseren, maar dat kan niet met zekerheid gezegd worden. Vervolgonderzoek in een autonomere en meer realistische setting blijft nodig.
De eerste testronden suggereren dat de fysieke vorm gedrag activeert en wederkerigheid de drempel tot delen verlaagt. Omdat deze rondes kort waren en plaatsvonden met aanwezigheid van de onderzoeker, blijft onduidelijk of de interventie ook op langere termijn en zonder begeleiding werkt. De onderzoeksvraag luidt daarom: hoe ontwikkelt het gebruik zich over tijd, en in hoeverre wordt het object onderdeel van het dagelijks leven?

Figuur 28. Het prototype tijdens het testen van de vorm en de audio-interactie over tijd.

Figuur 29. Een schematische weergave van de audio-interactie via MacroDroid (MacroDroid, z.d.).
5.4.1 Het prototype
Het prototype bestond uit drie onderdelen (zie figuur 28). Het eerste onderdeel was een echte analoge telefoon, waarbij de overstap naar een realistischer prototype de kans vergroot dat gedrag overeenkomt met gebruik in de praktijk (Sauer et al., 2009). De vorm bleef hetzelfde om de materialisatie als variabele uit te sluiten. Ten tweede een aparte smartphone waarop via MacroDroid (z.d.) de audio-interactie werd
aangestuurd, met een natuurlijkere stem dan in de vorige testronde (zie figuur 29). Deze tool maakte simulatie mogelijk zonder volledige technische uitwerking. De opnamen werden lokaal opgeslagen. Om de focus op gebruik en integratie te houden, werden geen samenvattingen gedeeld met derden. Door de onderdelen afzonderlijk te testen kunnen bevindingen beter worden toegeschreven aan specifieke aspecten van het concept (Virzi et al., 1996). Het
derde onderdeel bestond uit dezelfde vijf openingskaartjes van testronde 2.
5.4.2 Deelnemers
In totaal namen drie personen met beperkte geletterdheid deel (n=3), allen actief in een leefstijlcoachingstraject en eerder betrokken bij het testen van de vorm (§5.3). De deelnemers waren 43–67 jaar oud (M = 54,67).
5.4.3 Opzet
De test duurde tien dagen en bestond uit drie fasen (figuur 30). Op dag 1 plaatste de onderzoeker het prototype in de thuissituatie, gaf een mondelinge uitleg op basis van een gestructureerd script en stelde MacroDroid (z.d.) in. De deelnemer koos zelf de locatie van het object, wat bijdraagt aan eigenaarschap en ecologische validiteit (Shiffman et al., 2008). Van dag 2 t/m 9 gebruikte de deelnemer het object zelfstandig zonder contact met de onderzoeker en legde ervaringen vast via spraakopnames in een logboek. Dit maakte het mogelijk om naast evaluaties achteraf ook ervaringen ‘in het moment’ te verzamelen (Schwartz, 1999; Shiffman et al., 2008). Op dag 10 werd het object opgehaald en vond een semi-gestructureerd evaluatiegesprek plaats (circa dertig minuten) over gebruik, ervaringen en drempels (Kvale & Brinkmann, 2009). De gespreksgids was op meerdere manieren geformuleerd om begrijpelijkheid te vergroten en schaamte te verminderen. Alle gesprekken werden met toestemming als audio opgenomen.
De onderzoeksopzet, het script voor de introductie, de gespreksgids en het materiaal werden vooraf getest in één pilottest van drie dagen bij één niet-deelnemende
persoon met beperkte geletterdheid. Deze data zijn niet meegenomen in de analyse.
5.4.4
Informed consent vond mondeling plaats op dag 1 volgens de procedure uit eerdere fasen (§2.1.3). Deelnemers gaven expliciet toestemming voor het terugluisteren van het gebruikerslogboek en de opgenomen ervaringen. Op dag 10 werd opnieuw consent gevraagd voor het opnemen van het evaluatiegesprek en het gebruik van de opnames, om rekening te houden met mogelijke veranderingen in voorkeur. Alle data zijn geanonimiseerd verwerkt met deelnemerscodes.
5.4.5 Data-analyse
De data-analyse combineerde drie databronnen, namelijk (1) het gebruikerslogboek, (2) de opgenomen ervaringen en (3) het transcript van het afsluitende semi-gestructureerde evaluatiegesprek. Eerst werden deze per deelnemer naast elkaar gelegd. Vervolgens werden de bevindingen van de drie deelnemers met elkaar vergeleken. De bevindingen zijn vertaald naar voorwaarden voor het duurzaam delen van ervaringen over tijd.
5.4.6
Het gebruik en rituelen
De drie deelnemers gebruiken respectievelijk zeven, acht en negen keer (gemiddeld 8 keer in 10 dagen) (zie figuur 31), waarbij het gebruik bij alle drie toeneemt. Dit schrijven zij toe aan het positieve gevoel na gebruik. Alle deelnemers ervaren het gebruik als een keuze, niet als een verplichting. Het object wordt vooral gebruikt in stressvolle momenten,

Figuur 30. Een schematische weergave van de drie fasen in testronde 3.
na momenten van trots, na betekenisvolle gebeurtenissen of wanneer de deelnemer iets kwijt wilt. Van de 24 opgenomen ervaringen gaan er negentien over leefstijl en vier over andere onderwerpen.
‘Ik vond het fijn om te gebruiken, dus toen ben ik het vaker gaan doen. Het voelde daardoor ook niet
echt als een opdracht.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bij twee deelnemers verandert de inhoud van de opnamen over tijd, namelijk van beschrijvend naar meer emotioneel en reflectief. Dit gebeurt na respectievelijk drie en vijf gebruiksmomenten. De openingskaartjes helpen in het begin, maar worden later niet meer gebruikt. Eén deelnemer deelt vanaf het begin al emoties en heeft de kaartjes slechts twee keer nodig. Alle deelnemers ontwikkelen kleine rituelen, zoals vaste momenten op de dag of terugkerende manieren van beginnen. Eén deelnemer geeft aan het object één keer niet te hebben gebruikt omdat de partner aanwezig was in de ruimte.
‘Ik heb er een momentje voor mezelf van gemaakt en doe het nu iedere avond na het eten.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Dan vind ik het toch minder fijn om te doen hoor, als [naam partner] er ook is.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
Gebruik lijkt te ontstaan wanneer de interventie als positief en vrijwillig wordt ervaren en aansluit bij betekenisvolle momenten in het dagelijks leven. Herhaald gebruik lijkt daarbij de expressie te verdiepen, mits de ondersteuning aansluit op de behoeften van de persoon en ruimte laat voor eigen rituelen. Sociale veiligheid lijkt een voorwaarde.
Sociale eigenschappen
Bij alle drie de deelnemers krijgt het object gedurende de testperiode sociale eigenschappen toegeschreven. Het wordt ervaren als iets dat “wacht” en “luistert”, en benoemden dat het object “van hen” voelt. De persoonlijke aanspreekvorm in de openingsaudio versterkt dit gevoel. Alle deelnemers
beschrijven een vorm van verbondenheid met het object. Bij één deelnemer wordt die verbondenheid extra zichtbaar op dag tien, tijdens het ophalen van het object.
‘Ik heb hem een naam gegeven. Als ik de telefoon oppak en ik word aangesproken, zeg ik hallo Nina terug. En dan vertel ik pas mijn verhaal.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Het is echt een soort maatje voor me, echt een luisterend oor.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Alle drie de deelnemers ervaren het idee dat hun verhaal “ergens aankomt” als betekenisvol, ook zonder directe luisteraar. Bij twee van hen hangt dit expliciet samen met de verschuiving van feitelijke naar meer emotionele en reflectieve opnamen. Na circa vijf gebruiksmomenten geven twee deelnemers aan dat de identieke openingsaudio onnatuurlijk begint te voelen en vragen om variatie, zonder dat dit leidt tot minder gebruik of een terugval in expressie.
‘In het begin vertelde ik gewoon wat er was gebeurd, maar later ging ik ook meer zeggen hoe ik me voelde, omdat ik het idee had dat er iemand naar mij luisterde.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Het is wel een beetje gek dat [het prototype] iedere keer precies hetzelfde zegt.’— Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
De resultaten suggereren dat een geloofwaardig gevoel van sociale aanwezigheid het delen van ervaringen en de eigenaarschap versterkt. Dit gevoel lijkt echter kwetsbaar, waarbij variatie en een natuurlijk gevoel voorwaarden lijken voor duurzame verbondenheid.
Stimulans en passieve aanwezigheid
Alle drie de deelnemers beschrijven de zichtbare aanwezigheid van het object als belangrijkste stimulans. Het “verdwijnt” in het dagelijks leven, maar blijft voldoende aanwezig om te herinneren. Juist omdat het niets afdwingt, blijft de drempel laag. Twee deelnemers geven de voorkeur aan een wekelijkse terugbelmoment, ongeacht gebruik Eén kiest voor elke vijf dagen. Geen van hen ervaart dit als

Figuur 31. Een weergave van de gebruiksmomenten per deelnemer over de tien testdagen in testronde 3. controle, en twee beschrijven het juist als erkenning.
‘Hij wacht gewoon en als hij terugbelt is het net alsof iemand geïnteresseerd in mij is, dat is fijn.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
De data suggereren dat een passieve aanwezigheid het gebruik stimuleert zonder te dwingen. Lichte en zelf instelbare activatie lijkt te worden ervaren als aandacht en erkenning in plaats van controle.
5.4.7 Reflectie
De derde testronde voegt drie inzichten toe die in eerdere, kortdurende rondes niet zichtbaar waren. Het eerste inzicht betreft de reflectieve functie van de tussenruimte. Na herhaald gebruik verschuift de inhoud van opnamen van feitelijk naar meer emotioneel en reflectief. Hoewel het vastleggen van ervaringen reflectie kan ondersteunen (Lupton, 2016), lijkt dit effect niet vanzelf te ontstaan. Het gevoel dat het verhaal ergens aankomt, ook zonder actieve luisteraar, lijkt hierin belangrijk. Deze bevinding wijkt af van literatuur over zelfmonitoring in leefstijlcoaching, die vooral de informatieve functie van gedrag registreren benadrukt (Bodenheimer, 2002; Lorig & Holman, 2003). De data suggereren dat het vastleggen van ervaringen ook een betekenisgevende functie heeft. Wanneer mensen ruimte krijgen om hun verhaal te vertellen, ook aan een object, lijken zij dit verhaal gaandeweg te interpreteren. Deze reflectieve werking is wel beschreven (Lupton, 2016), maar komt in de context van leefstijlcoaching minder expliciet naar voren.
Waar Reeves en Nass (1996) het Media Equation-effect beschrijven als een momentgebonden fenomeen, suggereren de bevindingen dat verbondenheid met het object zich ook buiten interactiemomenten ontwikkelt. Deelnemers ervaren het object als iets dat ‘wacht’, en daarmee als een voortdurende aanwezigheid.
Dit sluit aan bij werk over relationele technologie (Bickmore & Picard, 2005; Bickmore et al., 2010), maar lijkt toe te voegen dat passieve aanwezigheid op zichzelf sociale betekenis kan krijgen. De kracht van het concept lijkt daardoor deels te liggen in de beleving die het oproept, zoals verbondenheid en gehoord worden, en niet alleen in de functionele werking. Dit heeft implicaties voor evaluaties. Onderzoek dat zich richt op informatieoverdracht kan deze ervaringsgerichte effecten mogelijk missen. Tegelijkertijd zijn deze effecten mogelijk niet voor iedereen even relevant, bijvoorbeeld voor mensen die zich al gehoord voelen.
Het derde inzicht betreft de veronderstelde privacy van de thuissituatie. Het niet gebruiken van het object bij aanwezigheid van een partner laat zien dat deze veiligheid niet vanzelfsprekend is. Dit vormt een beperking. Het concept veronderstelt een mate van privacy die ontbreekt in situaties met afhankelijkheid, conflict of onveiligheid. Dit vraagt om aandacht voor de samenstelling van het sociale netwerk, signalering door de coach en de mogelijkheid om dit netwerk tijdens het gebruik aan te passen.
Deze testronde kent enkele methodologische beperkingen. De kleine steekproef (n=3) maakt de bevindingen vooral richtinggevend. Daarnaast is tien dagen te kort om langdurig
gebruik te beoordelen. Het kan deels een noviteitseffect zijn, aangezien gewoontevorming gemiddeld meer dan twee maanden vraagt (Lally et al., 2010). De eerdere betrokkenheid van deelnemers kan bovendien leiden tot een overschatting van motivatie en waardering (Preece et al., 2015), waardoor de gebruiksfrequentie voorzichtig moet worden geïnterpreteerd. Tegelijkertijd vergroot de combinatie van gebruikerslogboeken en evaluatiegesprekken de validiteit, omdat ervaringen zowel in het moment als achteraf zijn vastgelegd en verdiept (Schwartz, 1999; Shiffman et al., 2008; Smith et al., 2009).
Testronde 1 liet zien dat het sociale netwerk wel informatie ontvangt, maar niet weet wanneer en hoe te reageren zonder de regie over te nemen. De onderzoeksvraag luidt: welke mate van sturing in het handelingsperspectief maakt handelen mogelijk, en wanneer werkt dit juist blokkerend?
5.5.1
Het prototype bestond uit vier varianten van een fictieve samenvatting, gepresenteerd op een kartonnen smartphone (figuur 32). Deze vorm bood voldoende realisme zonder af te leiden met factoren zoals navigatie of gebruiksgemak (Preece et al., 2015; Snyder, 2003). De focus lag op het vergelijken van formuleringen, waarbij de mate van sturing los werd getest van contextuele en relationele variabelen om een gecontroleerde vergelijking mogelijk te maken (Virzi et al., 1996). De vier varianten verschilden in mate van sturing, namelijk (1) een samenvatting zonder richting, (2) met één concrete handelingssuggestie, (3) met twee keuzemogelijkheden voor aansluiting en (4) met een open uitnodiging zonder voorgeschreven handelingen.
5.5.2
In totaal namen negen deelnemers deel (n=9). Vier van hen waren naasten, die eerder bij het onderzoek betrokken waren en werden uitgenodigd via WhatsApp of e-mail. Vijf deelnemers waren professionals in het sociale domein en werden via e-mail uitgenodigd. Drie van hen waren eerder betrokken. Twee werden geworven via snowball sampling. Alle deelnemers hadden ervaring met een naaste of cliënt met beperkte geletterdheid binnen een leefstijlcoachingstraject.

Figuur 32. Het low-fidelity prototype voor het testen van het handelingsperspectief.
5.5.3
De deelnemers ontvingen alle vier de versies in gerandomiseerde volgorde om volgorde-effecten te beperken (Field, 2013). De onderzoeker observeerde reacties via gestructureerde aandacht voor gezichtsuitdrukkingen en uitspraken (Dix et al., 2004; Stickdorn et al., 2018).
Na afloop vond per deelnemer een semi-gestructureerd evaluatiegesprek plaats van circa vijftien minuten (Kvale & Brinkmann, 2009). De gesprekken werden met toestemming als audio opgenomen.
5.5.4
Informed consent vond mondeling plaats volgens dezelfde procedure als in §2.1.3. De fictieve naam in de samenvatting werd vooraf toegelicht om verwarring te voorkomen. Alle data werden geanonimiseerd verwerkt.
5.5.5 Data-analyse
De analyse combineerde twee databronnen, namelijk (1) de observaties van reacties op de verschillende versies en (2) het transcript van het evaluatiegesprek. Eerst zijn deze per deelnemer in samenhang geanalyseerd, daarna tussen deelnemers onderling vergeleken. De bevindingen zijn vertaald naar voorwaarden voor een handelingsperspectief dat het sociale netwerk ondersteunt zonder de regie over te nemen.
5.5.6 Bevindingen
Alle deelnemers ervaren de versie met alleen een samenvatting als informatief maar onvoldoende om te handelen. De versie met één concrete actie wordt door zes deelnemers als te sturend ervaren. Ze beschrijven
dat het hen het gevoel geeft dat er al was ingevuld wat zij zouden moeten doen. Meerdere opties voor het handelingsperspectief, wordt door zeven deelnemers positiever ontvangen. Vier van hen geven daarbij echter wel aan dat als de opties niet aansluiten op de specifieke relatie, het handelingsperspectief alsnog beperkt blijft. Twee deelnemers vrezen bij meerdere opties te lang te twijfelen en uiteindelijk niks te doen. Zeven deelnemers geven expliciet aan bij woorden zoals “misschien” en formuleringen die ruimte laten voor eigen invulling, een minder dwingend gevoel te krijgen.
‘Als het te concreet is en het niet past bij ons, dan weet ik alsnog niet hoe ik het het beste kan doen.’ — Naaste
‘Ik ben bang dat ik bij meerdere opties te lang blijf twijfelen, en dan uiteindelijk niks doe.’ — Naaste
Bevinding
Handelingsperspectieven lijken het meest effectief wanneer zij richting bieden zonder te sturen, en voldoende ruimte laten om aan te sluiten bij de relatie en de situatie van de ander.
5.5.7
De vierde testronde nuanceert bestaande literatuur en maakt tegelijk een grens van het concept zichtbaar. Dat één concrete handelingssuggestie vaak als te sturend wordt ervaren, terwijl meerdere open opties positiever worden ontvangen, sluit aan bij supportive accountability (Mohr et al., 2011): effectieve ondersteuning respecteert de regie van de ander en wordt niet als dwingend ervaren. Tegelijk toont dit een beperking van het systeem. De AI kent de relationele context niet, waardoor voorgestelde opties niet altijd aansluiten. Open formuleringen en elementen van de relationele context kunnen worden meegenomen in de prompt aan de AI, maar het risico blijft bestaan dat de voorgestelde opties niet aansluiten bij de specifieke relatie. Daarnaast kan te veel keuze juist tot twijfel en passiviteit leiden, in lijn met het paradox of choice-effect (Schwartz, 2004). Dit suggereert dat de optimale mate van sturing contextafhankelijk is en niet generiek kan worden vastgesteld.Een methodologische beperking is dat de versies door de onderzoeker zijn opgesteld en niet in co-creatie met het sociale netwerk. Co-creatie had mogelijk beter passende
formuleringen opgeleverd. De huidige bevindingen geven daarmee een richting, maar vragen om vervolgonderzoek naar handelingsperspectieven die samen met het netwerk worden ontwikkeld en afgestemd op de aard van de relatie.
De voorgaande testronden maakten afzonderlijk zichtbaar wat nodig lijkt te zijn voor het delen van ervaringen,langdurig gebruik en voor een werkend handelingsperspectief. Wat nog ontbreekt, is de vraag of en hoe deze elementen samen het leefstijlcoachingssysteem veranderen. Deze testronde richt zich daarom op de systeemwerking van het concept als geheel en onderzoekt hoe informatiestromen vanuit de tussenruimte het handelen van het sociale netwerk en de leefstijlcoach beïnvloeden, en in hoeverre dit samenhangt met een toegenomen gevoel van eigen regie bij de persoon met beperkte geletterdheid.
5.6.1 Het prototype
Het prototype bestond uit vier onderdelen (figuur 33). Ten eerste een analoge telefoon als ritueel object en passieve trigger in de thuissituatie (§5.4). Ten tweede een aparte smartphone die naast de telefoon werd geplaatst.
Ten derde een QR-code die, na scannen, via Dembrane (2025) een audio-opname startte en deze samenvatte. De onderzoeker verstuurde de samenvattingen naar betrokkenen volgens de structuur uit §5.5.
Ten vierde werden dezelfde vijf openingskaartjes als in §5.4 gebruikt.
De scheiding tussen het rituele object en de opname via de QR-code is bewust gekozen om de focus te houden op de informatiestroom tussen betrokkenen en eerst de systeemwerking te testen, vóór ontwikkeling van een geïntegreerd prototype. Om verstoring door deze extra handeling te beperken, zijn alleen deelnemers betrokken die al vertrouwd waren met het concept (Preece et al., 2015).
De audio-interactie is in deze ronde niet meegenomen vanwege de beperkte onderzoekstijd. Binnen RtD (Zimmerman et al., 2007) en iteratief prototypen (Virzi et al., 1996) worden elementen eerst afzonderlijk getest, zodat effecten specifieker kunnen worden toegeschreven. Het testen van een geïntegreerd prototype in de beschikbare tijd

Figuur 33. Het prototype gebruikt in de vijfde testronde.
zou bovendien hebben betekend dat de eerdere testronden ingekort hadden moeten worden, waardoor de voorwaarden voor elk afzonderlijk element minder goed onderbouwd zouden zijn.
5.6.2
In totaal namen twaalf deelnemers deel (n=12), verdeeld over drie tests (tabel 5). De deelnemers met beperkte geletterdheid hadden allemaal ervaring met leefstijlcoaching, waren op het moment van deelname actief in een traject en hadden eerder deelgenomen aan het onderzoek, wat de drempel voor zelfstandig gebruik verlaagt (Preece et al., 2015). Om beïnvloeding door eerdere ervaringen met de audio-interactie te voorkomen, namen zij niet deel aan §5.4 (Field, 2013). Zij werden mondeling benaderd en waren 38–64 jaar oud (M = 50,00).
De tests vonden plaats in samenwerking met de behandelende leefstijlcoach en het eigen sociale netwerk. In twee van de drie gevallen werd een coachingssessie geobserveerd, telkens met een andere coach, Leefstijlcoaches, professionals en naasten werden via WhatsApp of e-mail uitgenodigd.
5.6.3 Opzet
De opzet bestond uit vijf fasen voor tests 1 en 2, en drie fasen voor test 3 (figuur 34). Op dag 1 bracht de onderzoeker het object thuis, gaf een mondelinge uitleg via een vast script en doorliep de werking. Daarbij werd expliciet besproken of de ruwe audio gedeeld mocht worden met de coach en het sociale netwerk.
Op dag 2 t/m 7 gebruikte de deelnemer het object zelfstandig en hield een gebruikerslogboek bij via spraakopnamen. De onderzoeker monitorde het gebruik via binnenkomende opnames in Dembrane (2025), verwerkte deze tot samenvattingen, controleerde en valideerde ze met de deelnemer en stuurde ze door naar de betrokkenen. Het sociale netwerk ontving wekelijks één samenvatting via WhatsApp of e-mail, en de leefstijlcoach één dag vóór de sessie per e-mail.
Op dag 8 (test 1 en 2) woonde de onderzoeker een coachingssessie bij als niet-participerende observator en nam de coachingssessie via Dembrane op. De observatie was gestructureerd rond drie vooraf bepaalde aandachtspunten. (1) De gespreksopening, (2) de ruimte die de persoon krijgt om zelf richting te geven en (3) het gebruik van materiaal uit de thuissituatie. Deze aanpak sluit aan op de gestructureerde observatiemethoden binnen zorginteracties (Roter & Hall, 2006; Stickdorn et al., 2018). Om gedrag niet te beïnvloeden, waren deelnemers hiervan niet vooraf op de hoogte en werden zij achteraf geïnformeerd. De observaties zijn gecombineerd met zelfrapportages om de betrouwbaarheid te vergroten (Dix et al., 2004), via individuele en gezamenlijke semi-gestructureerde evaluatiegesprekken, van allen circa tien minuten. Na afloop werd een door Dembrane (2025) gegenereerde samenvatting van de coachingssessie door de onderzoeker gecontroleerd en vervolgens gevalideerd bij zowel de coach als de persoon met beperkte geletterdheid. De gevalideerde samenvatting werd daarna gedeeld met het sociale netwerk.
Op dag 9 t/m 17 bleef het object thuis staan en werden wederom gebruikerslogboeken bijgehouden en samenvattingen naar het sociale netwerk verstuurd, die door de onderzoeker werden gecontroleerd en gevalideerd bij de persoon met beperkte geletterdheid.
Op dag 18 vond een afsluitend semi-gestructureerd evaluatiegesprek plaats, afzonderlijk met de persoon, het sociale netwerk en (in tests 1 en 2) de leefstijlcoach, gevolgd door een gezamenlijk evaluatiegesprek. Alle gesprekken duurden circa 30 minuten.
De semi-gestructureerde evaluatiegesprekken maakten consistente evaluatie mogelijk, met ruimte voor de leefwereld en interpretaties van deelnemers (Kvale &
Test
1
2
3
Deelnemers Coachingssessie
Persoon met beperkte geletterdheid + 2 naasten + professional in het sociaal domein + leefstijlcoach Ja
Persoon met beperkte geletterdheid + naaste + leefstijlcoach Ja
Persoon met beperkte geletterdheid + 2 naaste + professional in het sociaal domein Nee
Tabel 5. Een overzicht van de deelnemers aan de vijfde testronde.

Figuur 34. Een schematische weergave van de fasen van de testopzet in de vijde testronde.
Brinkmann, 2009). Het individuele gesprek vooraf beperkte onderlinge beïnvloeding, terwijl het gezamenlijke gesprek ruimte bood voor gedeelde reflectie en inzicht in verschillen in perspectief (Brandt et al., 2012; Kvale & Brinkmann, 2009).
De gespreksgidsen werden per deelnemersgroep aangepast, maar volgden dezelfde structuur. Voor mensen met beperkte geletterdheid en hun naasten werden vragen op meerdere manieren geformuleerd om begrijpelijkheid te vergroten en schaamte te verminderen. Alle gesprekken zijn met toestemming als audio opgenomen.
Voorafgaand aan de tests werd het prototype twee dagen thuis getest bij een niet-deelnemende persoon met beperkte geletterdheid, om het gebruik en de begrijpelijkheid van de
gespreksgidsen te toetsen. Deze data zijn niet meegenomen in de analyse.
De onderzoeker beluisterde de opnamen voorafgaand aan de coachingssessies en evaluaties, zodat tijdens de observaties kon worden beoordeeld in hoeverre de coach aansloot op de gedeelde ervaringen. Dit maakte de observaties gerichter. De analyse vond plaats na afronding van de laatste test.
5.6.4 Ethische overwegingen
Informed consent vond voor alle deelnemers mondeling plaats volgens de procedure uit eerdere fasen (§2.1.3).
De persoon met beperkte geletterdheid gaf expliciet toestemming voor het delen van samenvattingen, het
5.6.5 Data-analyse
Er werden vijf databronnen gecombineerd. (1)
Het gebruikerslogboek, (2) de observaties van de coachingssessie, (3) de transcripten van de gesprekken na de geobserveerde coachingssessies, (4) de transcripten van de afsluitende evaluatiegesprekken (5) de audio-opnamen tijdens gebruik. Deze zijn eerst per test in samenhang geanalyseerd en vervolgens tussen de drie tests vergeleken.
5.6.6 Bevindingen
Gebruik over tijd
De drie deelnemers gebruikten het object respectievelijk
Figuur 35. Een weergave van de gebruiksmomenten door de personen met beperkte geletterdheid in testronde 5. gebruik van Dembrane (2025) en, indien van toepassing, het beluisteren van ruwe audio door coach en onderzoeker. Voorafgaand aan de geobserveerde sessies en bij de afsluitende evaluatiegesprekken werd telkens opnieuw mondeling consent verkregen. Alle opnamen zijn geanonimiseerd verwerkt met deelnemerscodes.
zeven, negen en zes keer gedurende de testperiode van achttien dagen (gemiddeld 7,3 keer in 18 dagen) (zie figuur 35). Het gebruik clustert bij alle drie de tests rondom betekenisvolle momenten. Bij test 1 en 2 neemt het gebruik na de coachingssessie toe, wat deelnemers toeschrijven aan positieve ervaringen en een beter begrip van de meerwaarde van het concept.
‘Het voelde goed om ook een keer te kunnen zeggen dat ik iets wel kan, dus ik heb toen meteen de telefoon gebruikt.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Na de sessie begreep ik nog beter waarom ik het deed.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Geen van de drie personen met beperkte geletterdheid geeft aan informatie achter te houden door het meelezen van betrokkenen. Wel maken zij bewuste keuzes in wat zij delen, bijvoorbeeld wanneer een opname als privé of niet relevant wordt ervaren. Alle drie ervaren de mogelijkheid om

opnamen te bewaren of te verwijderen als een bevestiging van controle. Eén persoon met beperkte geletterdheid vergat op dag 14 een opname te starten en sprak deze niet opnieuw in. De inhoud van de opgenomen ervaringen ontwikkelt zich van feitelijk en beschrijvend naar emotioneel en reflectief naarmate de tijd vordert.
‘Ik heb één keer iets ingesproken en daarna verwijderd. Dat wilde ik privé houden. Maar het was wel fijn om het even kwijt te kunnen.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
Gebruik lijkt te clusteren rond betekenisvolle momenten en te worden versterkt door positieve ervaringen. Gedeelde ervaringen blijven persoonlijk wanneer de gebruiker controle houdt over wat wordt gedeeld. Herhaald gebruik lijkt de expressie te verdiepen, wat suggereert dat laagdrempelig en consistent gebruik nodig is voor deze ontwikkeling.
Ondersteuning van het sociale netwerk
In test 1 en 2 ervaren drie naasten en één professional dat de samenvatting vóór de sessie voldoende houvast biedt om gericht te ondersteunen zonder de regie over te nemen. De combinatie met de terugkoppeling na de sessie vergroot dit gevoel van zekerheid. Eén naaste twijfelt aanvankelijk over hoe te reageren, maar handelt bij een tweede samenvatting met meer zekerheid, mede door een positieve eerste ervaring. Eén professional blijft moeite houden met het bepalen van het juiste moment voor aansluiting.
‘Bij de samenvatting ná de sessie merkte ik aan mezelf dat ik zekerder was in hoe ik moest helpen, omdat ik bij die eerdere toch nog een beetje bang was om de coach tegen te spreken.’ — Naaste
‘Ik merk dat ik soms nog niet helemaal weet wanneer ik nou wel moet helpen en wanneer niet.’
— Professional in het sociaal domein
Zowel het sociale netwerk als de deelnemers met beperkte geletterdheid beschrijven een verschuiving van adviesgericht naar herkenningsgericht ondersteunen. Deelnemers ervaren deze vorm als gerichter, persoonlijker en minder sturend dan voorheen. Van de elf beschreven interactiemomenten met het sociale netwerk wordt er slechts één als sturend ervaren. Ook vier naasten en één professional herkennen dat zij minder overnemend handelen. Bij één persoon met beperkte
geletterdheid is in de opnamen na de sessie expliciet hoorbaar dat het sociale netwerk anders had gereageerd dan voorheen, en dat dit als ondersteunend wordt ervaren.
‘Ze geven niet alleen meer advies, maar ik heb ook het idee dat ze me beter begrijpen nu.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Ze luisteren eerst naar mij, en het voelt niet meer alsof ze het voor mij oplossen, maar dat we het samen doen.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bevinding
De data suggereren dat het sociale netwerk beter ondersteunt wanneer het beschikt over doorlopende context uit ervaringen en coachingssessies. Dit verschuift de ondersteuning van adviesgericht naar herkenningsgericht. Tegelijkertijd lijkt effectief handelen afhankelijk van gewenning en vertrouwen, waarbij betrokkenen gaandeweg leren wanneer en hoe zij kunnen aansluiten.
De coachingssessie
Beide geobserveerde sessies starten vanuit de gedeelde ervaringen van de persoon. Hoewel het doel gelijk blijft, wordt de aanpak concreter en beter afgestemd op de thuissituatie. Deelnemers met beperkte geletterdheid geven aan rustiger de sessie in te gaan, empathischer benaderd te worden en beter passende opdrachten te krijgen. Eén deelnemer benoemt expliciet dat de coach voor het eerst de regie niet overneemt.
‘We hadden meteen ergens concreets om over te praten.’ — Leefstijlcoach
‘Ik begrijp nu beter wat iemand thuis heeft gedaan en waarom het niet lukt om het plan te volgen.’ — Leefstijlcoach
Eén leefstijlcoach beluisterde naast de samenvatting ook de ruwe audio en ervoer daarin meer emotie en nuance dan in de samenvatting, wat een rijker beeld gaf. Tegelijk was het geobserveerde gedrag tijdens de sessie vergelijkbaar met dat van de coach die alleen de samenvatting had gelezen.
Bevinding
De data suggereren dat coachingssessies veranderen wanneer zij vertrekken vanuit concrete ervaringen uit de leefwereld. Het gesprek lijkt directer en coaches in staat te stellen hun aanpak aan te passen aan wat thuis haalbaar
is, zonder het doel te veranderen. Tegelijkertijd lijkt een beknopte samenvatting voldoende om dit effect te bereiken. Dit suggereert dat bereikbaarheid belangrijker is dan volledigheid.
Meer eigen regie
Alle drie de deelnemers met beperkte geletterdheid ervaren meer controle over hun traject, wat consistent terugkomt in alle databronnen. De twee deelnemers met een geobserveerde sessie gaan rustiger het gesprek in, hebben een duidelijker beeld van wat zij willen bespreken en brengen dit ook in. De sessie vertrekt daarbij vanuit hun ervaringen in plaats van de agenda van de coach. Zij ervaren empathischer reacties en beter passende opdrachten voor de thuissituatie. Ook tonen zij tijdens de sessie meer initiatief, wat volgens één coach gepaard gaat met meer zelfvertrouwen.
‘Ik wist wat ik wilde zeggen en zei het ook echt.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Ik voelde me voor het eerst echt door [naam leefstijlcoach] gehoord.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
‘Ik snapte beter hoe ik thuis aan de slag kon.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Bij de deelnemers met beperkte geletterdheid uit test 1 en 2 is in de opnamen na de sessie hoorbaar dat zij opdrachten hebben uitgeprobeerd en dat dit (deels) lukt. Zij ervaren dit als positief en motiverend en geven aan dat zij dit normaal minder snel zouden doen.
‘Het voelde toen meer alsof het zou gaan lukken, dus ik heb het gewoon geprobeerd. En het lukte ook nog.
Normaal probeerde ik minder snel.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
De persoon met beperkte geletterdheid van test 3 beschrijft in het afsluitende evaluatiegesprek hoe het vastleggen van ervaringen helpt om momenten die niet goed gaan niet als mislukking te framen, maar als onderdeel van het traject. De persoon met beperkte geletterdheid van test 2 beschrijft expliciet het gevoel te hebben dat er nu meer geluisterd wordt naar hem, via het sociale netwerk en in de sessie, en dat dit bijdraagt aan een gevoel van gezien worden dat tijdens het traject eerder ontbrak. De persoon met beperkte geletterdheid uit test 3 benoemt dit niet.
‘Normaal zie ik het als iets dat niet gelukt is, maar nu dacht ik: het hoort er gewoon bij.’’— Persoon met beperkte geletterdheid
‘Het voelt nu meer alsof ze naar mij Luisteren.’ — Persoon met beperkte geletterdheid
Eén deelnemer beschrijft dat sommige momenten overweldigend blijven, bijvoorbeeld na de sessie of wanneer informatie uit meerdere richtingen tegelijk komt. In de opnamen is hoorbaar dat juist deze momenten aanleiding zijn om het object te gebruiken om ervaringen te verwerken.
Bevinding
De data suggereren dat eigen regie toeneemt wanneer de persoon het gesprek kan sturen op basis van ervaringen uit de leefwereld en zich daarbij gehoord en ondersteund voelt. Dit lijkt het mogelijk te maken om stappen te zetten die aansluiten bij de thuissituatie en om zowel positieve als negatieve ervaringen te integreren in het traject.
5.6.7 Reflectie
De vijfde testronde is het meest vergelijkbaar met de echte situatie van alle testronden en levert daarmee inzichten op die de eerdere rondes niet konden aantonen.
Dat coaches vertrekken vanuit de gedeelde ervaringen van de persoon sluit aan bij de systemische benadering van Meadows (2008), waarin veranderingen in informatiestromen het gedrag van actoren sturen. Dit suggereert dat de interventie niet primair werkt via directe gedragsverandering, maar via het herstructureren van informatiestromen die het handelen van alle actoren beïnvloeden. Daarmee onderscheidt het concept zich van veel leefstijlinterventies, die zich richten op kennisoverdracht of gedragsverandering bij de cliënt (Michie et al., 2011; Walters et al., 2020).
De lagere gebruiksfrequentie in testronde 5 ten opzichte van testronde 3 kan samenhangen met de afwezigheid van de audio-interactie, die eerder bijdroeg aan het gevoel van het object als “maatje” en daarmee mogelijk het gebruik stimuleerde (Bickmore & Picard, 2005; Bickmore et al., 2010). Tegelijkertijd zijn er alternatieve verklaringen mogelijk, zoals het ontbreken van een duidelijke aanleiding, beperkte aansluiting op dagelijkse routines of verschillen in sociale veiligheid in de thuissituatie.
Tegelijkertijd is de diepgang van de ervaringen in testronde 5 vergelijkbaar met die in testronde 3. De opnamen verschuiven ook hier van feitelijk naar emotioneel en reflectief. Dit suggereert dat deze verdieping niet alleen afhankelijk is van de audio-interactie, maar ook van herhaling en het gevoel dat het verhaal wordt meegenomen, in dit geval via de gedeelde samenvattingen. Het gevoel van gehoord worden lijkt daarmee via meerdere manieren te kunnen ontstaan.
De bevinding dat één coach meer nuance hoorde in de ruwe audio dan in de samenvatting, maar vergelijkbaar handelde als de coach die alleen de samenvatting las, ondersteunt de keuze voor samenvattingen. Voor het effect op de coachingssessie lijken toegankelijkheid en directe bruikbaarheid belangrijker dan volledigheid (Baxter et al., 2025). Dit sluit aan bij inzichten dat te veel contextuele informatie besluitvorming kan belemmeren (Arnold et al., 2023).
Tot slot sluit de verschuiving van adviesgericht naar herkenningsgericht ondersteunen aan bij literatuur over effectieve informele zorg (Mohr et al., 2011). Door te reageren op wat iemand zelf deelt, positioneren naasten zich anders ten opzichte van de regie van de persoon. De data suggereren dat het beschikbaar maken van context deze verschuiving kan ondersteunen, maar dat dit tijd en herhaling vraagt. Zo beschreef een naaste dat zij bij de tweede samenvatting zekerder handelde dan bij de eerste, mede door een positieve eerdere ervaring. Dit wijst op een leerproces dat niet binnen één sessie of testperiode zichtbaar wordt en vraagt om longitudinaal onderzoek.
De belangrijkste beperking van deze testronde is dat alle observaties betrekking hadden op individuele coachingssessies, terwijl GLI-trajecten ook groepssessies omvatten (Zorginstituut Nederland, 2019). In groepssettings spelen andere dynamieken, zoals sociale vergelijking en gedeeld eigenaarschap, en gelden andere privacyoverwegingen. Of het concept daar vergelijkbare effecten heeft, blijft daarmee een open vraag. Daarnaast kan het Hawthorne-effect (McCarney et al., 2007) niet worden uitgesloten. Dat deelnemers aangaven de aanwezigheid van de onderzoeker te zijn vergeten, blijft een zelfrapportage en geen bewijs van afwezigheid van invloed (McCambridge et al., 2014). Maatregelen zoals het thuisgebruik zonder
onderzoeker, een niet-participerende observatierol en achteraf informeren verkleinen deze invloed, maar sluiten die niet uit. De bevinding dat coachingssessies veranderen vormt daarmee nog geen hard bewijs. Hiervoor is onderzoek nodig in een meer natuurlijke setting, zonder aanwezigheid van de onderzoeker en met onafhankelijke beoordeling van sessies. De huidige resultaten zijn daarom vooral indicatief en vragen om vervolgonderzoek.
De vijf testronden leiden iteratief tot zeven voorwaarden waaronder ervaringen kunnen reizen tussen de tussenruimte en het leefstijlcoachingssysteem. De eerste ronden maken zichtbaar wat nodig is, terwijl de latere ronden laten zien hoe deze voorwaarden in samenhang werken in de praktijk. De voorwaarden bouwen voort op de vijf kenmerken uit de co-designsessies in H4. Waar deze kenmerken de mogelijke werking van de tussenruimte beschrijven, specificeren de voorwaarden wat nodig is om deze werking te activeren (zie tabel 6).
Voorwaarde 1: Een herkenbaar en laagdrempelig startpunt gebaseerd op vertrouwde handelingen. De drempel voor het delen van ervaringen lijkt niet primair in motivatie te liggen, maar in het ontbreken van een veilig en herkenbaar startpunt. Voortbouwend op het fysieke object uit H4 suggereert deze voorwaarde dat een interventie pas activerend is wanneer deze aansluit op bestaande handelingen. Dit hangt samen met het kenmerk audio. Spreken lijkt pas laagdrempelig te worden wanneer het object uitnodigt tot gebruik (Fogg, 2009; Norman, 2013).
Voorwaarde 2: Eigenaarschap over gebruik en inhoud. Personen met beperkte geletterdheid moeten zelf kunnen bepalen wat zij delen, wanneer en met wie. Zonder deze controle lijkt de context niet veilig genoeg om ervaringen te delen. Voortbouwend op het kenmerk eigenaarschap suggereert deze voorwaarde dat eigenaarschap niet alleen wenselijk is, maar een randvoorwaarde vormt voor gebruik, waarbinnen andere kenmerken pas tot werking komen (Sen, 1999).
Voorwaarde 3: Een veilige context zonder directe beoordeling. Het delen van ervaringen lijkt mogelijk wanneer directe sociale aanwezigheid en bijbehorende beoordeling ontbreken. Deze voorwaarde concretiseert het
kenmerk impliciete aanwezigheid van de leefstijlcoach. Dit sluit aan bij psychologische veiligheid (Edmondson, 2019) en inzichten uit shame-sensitive design (Dolezal & Gibson, 2022).
Voorwaarde 4: Een geloofwaardig gevoel van sociale aanwezigheid. Een interventie lijkt gebruik te stimuleren wanneer zij een gevoel van verbondenheid oproept, ook op afstand. Deze voorwaarde bouwt voort op impliciete aanwezigheid, maar suggereert dat afwezigheid van directe interactie het gevoel van verbinding niet hoeft te verminderen. De interactie lijkt natuurlijk en overtuigend aan te moeten voelen om een gevoel van gehoord en gezien worden te ondersteunen (Reeves & Nass, 1996; Bickmore & Picard, 2005).
Voorwaarde 5: Een ontwerp dat associaties met formele zorg vermijdt. Wanneer een interventie wordt geassocieerd met formele zorg, lijkt dit eigenaarschap en de bereidheid om te delen te ondermijnen. Voortbouwend op het kenmerk van het fysieke object suggereert deze voorwaarde dat niet alleen de vorm, maar ook de betekenis van het object bepalend is voor gebruik. Tegelijkertijd raakt deze voorwaarde aan het kenmerk eigenaarschap, doordat associaties met de formele zorg het gevoel van controle en veiligheid lijken te belemmeren (Fransen et al., 2011; Verbeek, 2011).
Voorwaarde 6: Integratie in bestaande routines. Gebruik lijkt duurzamer wanneer het aansluit op bestaande routines en gebruikmaakt van vertrouwde kanalen, zowel voor de persoon met beperkte geletterdheid als voor het sociale netwerk en de leefstijlcoach (Portz et al., 2019).
Ontwerpkenmerk H4
Fysiek object
Audio als medium
Interventies moeten daarbij zichtbaar genoeg zijn als passieve trigger, maar onopvallend genoeg om niet als dwingend te worden ervaren (Fogg, 2009; Thaler & Sunstein, 2008; Lally et al., 2010).
Voorwaarde 7: Een handelingsperspectief dat richting biedt zonder de relatie voor te schrijven. Zonder handelingsperspectief lijkt het sociale netwerk passief te blijven. Tegelijk lijken open en relationeel passende handvatten nodig die aansluiten bij de bestaande relatie (Mohr et al., 2011; Edwards et al., 2015). Voortbouwend op het kenmerk van de circulaire informatiestroom suggereert deze voorwaarde dat uitwisseling pas ontstaat wanneer actoren handelingsruimte ervaren. Dit scherpt ook het begrip eigenaarschap aan. Niet alleen de persoon, maar alle betrokkenen behouden regie over hun eigen handelen.
De zeven voorwaarden lijken niet te werken als losse elementen, maar als een samenhangend geheel (zie figuur 36). Over de voorwaarden heen lijkt het gevoel van gehoord worden een centrale rol te spelen. Dit gevoel is niet de achtste voorwaarde maar de ervaring die lijkt te ontstaan wanneer de zeven voorwaarden samen aanwezig zijn, en die de versterkende cyclus van eigen regie (figuur 12) lijkt te ondersteunen. De tussenruimte lijkt daarmee niet alleen een plek waar informatie wordt gedeeld, maar ook een waar ervaringen worden verwerkt. Dit suggereert een reflectieve functie die in de literatuur over leefstijlinterventies relatief onderbelicht blijft ten opzichte van de informatieve functie (Lorig & Holman, 2003; Bodenheimer et al., 2002). De bevindingen suggereren dat interventies die beide functies
Voorwaarde(n) uit H5 Aanscherping
V1 herkenbaar startpunt, V5 geen zorgassociaties
V1 herkenbaar startpunt, V3 veilige context
Eigenaarschap bij persoon V2 eigenaarschap, V6 Integratie in routines, V7 handelingsperspectief
Impliciete aanwezigheid coach V3 veilige context, V4 sociale aanwezigheid
Circulair systeem
V6 integratie in routines, V7 handelingsperspectief
De vorm alleen lijkt niet genoeg; betekenis van het object lijkt even bepalend.
Audio lijkt alleen te werken in een veilige context en met een herkenbare starttrigger.
Eigenaarschap lijkt ook controle over timing en ritme te omvatten, en te gelden voor alle betrokkenen.
Afwezigheid van beoordeling en een geloofwaardige aanwezigheid lijken beide nodig.
Circulatie lijkt een actief handelingsperspectief voor het sociale netwerk nodig te hebben en integratie in bestaande communicatiekanalen.
Tabel 6. De relatie tussen kenmerken uit de co-designsessies (H4) en de voorwaarden uit de testronden (H5).

combineren mogelijk effectiever zijn dan interventies die zich alleen richten op informatieoverdracht.
Dat de zeven onderling afhankelijke voorwaarden nodig lijken te zijn om de tussenruimte te activeren, is op zichzelf een bijdrage. Het suggereert dat de tussenruimte geen eenvoudig te vullen ‘gat’ is, maar een complexe sociale ruimte die vraagt om een samenspel van materiële, relationele en organisatorische voorwaarden. Een beperking van de overkoepelende bevindingen is dat de deelnemers die
meerdere testronden doorliepen, het concept mogelijk positiever beoordelen naarmate vertrouwdheid groeide (Preece et al., 2015). De zeven voorwaarden beschrijven condities die werken voor een relatief gemotiveerde en betrokken groep. Of zij ook gelden voor mensen met minder motivatie, een kwetsbaardere thuissituatie of beperkte sociale netwerken, is een open vraag die de generaliseerbaarheid beperkt.
Dit hoofdstuk beschrijft het ontwikkelde boundary object en laat zien hoe dit bijdraagt aan eigen regie door de leefwereld, het sociale netwerk en het leefstijlcoachingssysteem beter met elkaar te verbinden.
De voorgaande hoofdstukken laten zien hoe eigen regie wordt beleefd (H2), waar het systeem wringt (H3), hoe een interventie eruit kan zien (H4) en onder welke voorwaarden die werkt (H5). Dit hoofdstuk brengt deze inzichten samen in een analyse van het boundary object (Star & Griesemer, 1989; Terlouw et al., 2022) en beantwoordt de derde deelvraag: In hoeverre sluit de ontwikkelde ontwerpinterventie aan bij de factoren die van invloed zijn op de ervaring van eigen regie bij mensen met beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching?
6.1.1 Een boundary object
Een luisterend oor is in dit onderzoek geen product maar een boundary object. Waar een product een afgerond artefact is dat een specifiek probleem oplost voor een specifieke gebruiker (Krippendorff, 2005), is een boundary object een gedeeld referentiepunt dat voor meerdere sociale werelden betekenisvol is en samenwerking mogelijk maakt zonder dat perspectieven samenvallen (Star & Griesemer, 1989; Terlouw et al., 2022). In dit onderzoek betreft dit de leefwereld van de persoon met beperkte geletterdheid, de systeemwereld van de leefstijlcoach en de informele wereld van het sociale netwerk. Het boundary object verbindt deze werelden door voor ieder een bruikbaar en begrijpelijk referentiepunt te vormen.
Dit onderzoek suggereert dat een boundary object in situaties met informatie- en machtsverschillen niet alleen verbindend werkt, maar ook kan ontlasten. De verantwoordelijkheid voor het vertalen van ervaringen hoeft niet volledig bij de kwetsbaarste persoon te liggen, maar lijkt te worden herverdeeld via AI-gegenereerde samenvattingen als schakel tussen delen en ontvangst.
6.1.2 Eén materialisatie
Het boundary object is gematerialiseerd als een analoge telefoon in de thuissituatie. Deze keuze is gebaseerd op empirische bevindingen. De telefoon lijkt een herkenbare affordance te bieden (Norman, 2013), zorgassociaties te vermijden en als passieve trigger te werken (Fogg, 2009). Tegelijkertijd is dit slechts één mogelijke vorm. Het overdraagbare resultaat ligt in de zeven voorwaarden uit H5 en de manier waarop het systeem deze samenbrengt. Andere materialisaties die aan dezelfde voorwaarden voldoen, kunnen mogelijk vergelijkbare effecten hebben. De
focus in H6 ligt daarom op het systeem, niet op de specifieke vorm.
Een luisterend oor bestaat uit vijf samenhangende onderdelen die samen het circulaire systeem uit H4 vormen. Elk onderdeel is gekoppeld aan één of meer van de zeven voorwaarden uit H5 (zie figuur 37).
Centraal staat een analoge telefoon in de thuissituatie (figuur 38), waarmee de persoon op zelfgekozen momenten ervaringen kan inspreken. De vorm lijkt aan te sluiten bij een herkenbare handeling en om weinig uitleg te vragen, waardoor deze een laagdrempelig startpunt biedt (V1) (Hutchby, 2001; Norman, 2013). Tegelijkertijd roept het object weinig zorgassociaties op, wat de bereidheid om te delen lijkt te vergroten (V5). Het gebruik is losgekoppeld van digitale interfaces, waardoor de technologie op de achtergrond blijft (Pereda et al., 2017; Wimmer et al., 2025).
Bij het opnemen van de hoorn spreekt een stem de persoon bij naam aan. Deze begroeting varieert steeds licht om een geloofwaardig gevoel van sociale aanwezigheid te creëren (V4). De persoon bepaalt zelf welke opnamen worden gedeeld of verwijderd (V2) en kan een terugbelmoment instellen. Deze herinneringsfunctie is uitnodigend in plaats van dwingend en sluit aan bij het eigen ritme (V6), terwijl het tegelijk een signaal lijkte te geven dat wat gedeeld is ertoe doet.
Vijf openingskaartjes ondersteunen het starten van een gesprek wanneer de persoon moeite heeft met het opgang komen (zie figuur 39). Ze bieden richting zonder inhoud voor te schrijven (V1) en houden eigenaarschap bij de gebruiker (V2).
De ingesproken ervaringen worden via AI omgezet in samenvattingen. In plaats van ruwe audio te delen, is gekozen voor bewerkte samenvattingen vanwege toegankelijkheid en gebruiksgemak. Hoewel audio meer nuance biedt, suggereren de data dat toegankelijkheid belangrijker is dan volledigheid (Baxter et al., 2025).
Het sociale netwerk ontvangt een verhalende samenvatting met een handelingsperspectief dat richting biedt zonder
Figuur 37. Een overzicht van de relatie tussen de vijf onderdelen van het concept en de zeven voorwaarden uit H5.


Figuur 38. De analoge telefoon als ritueel object in de thuissituatie, die dient als laagdrempelig en herkenbaar startpunt voor het delen van ervaringen.
de relatie voor te schrijven (V7). De coach ontvangt een samenvatting gericht op patronen. Het sociale netwerk ontvangt de samenvatting op een door de persoon bepaald ritme (V2), via bestaande communicatiekanalen (V6). De leefstijlcoach ontvangt de samenvatting één dag vóór de coachingssessie, wederom via bestaande communicatiekanalen (V6). Na de sessie wordt een samenvatting gedeeld met het sociale netwerk, waarmee een gedeelde informatiestroom lijkt te ontstaan.
Deze informatiestroom is zo ingericht dat directe beoordeling wordt vermeden. Ervaringen worden gedeeld zonder onmiddellijke reactie en via samenvattingen ontstaat afstand tot het moment van delen (V3), wat een veilige context lijk te creëren.
De kracht van Een luisterend oor lijkt daarmee niet in de afzonderlijke onderdelen te liggen, maar in de samenhang.
De bevindingen uit H2 suggereren dat eigen regie gelaagd is, terwijl het huidige leefstijlcoachingssysteem zich vooral op de eerste laag richt. Een luisterend oor lijkt alle drie de lagen te beïnvloeden (figuur 40).
Op de cognitieve laag lijkt het concept de informatiestructuur van de coaching te veranderen. Doordat de coach vooraf inzicht heeft in ervaringen uit de thuissituatie, lijkt het gesprek te verschuiven van abstracte

Figuur 39. De openingskaartjes die een laagdrempelig begin ondersteunen voor het delen van ervaringen, zonder de inhoud voor te schrijven.
doelen naar wat speelt in de leefwereld. Beide geobserveerde leefstijlcoaches vertrokken vanuit deze ervaringen, wat suggereert dat de beschikbare informatie hun handelen mede stuurt (Meadows, 2008).
Op de ervaringslaag lijkt het concept de versterkende cyclus uit §2.2.1, die in het huidige systeem nauwelijks tot stand lijkt te komen, te activeren. Opdrachten lijken haalbaarder, terugval lijkt anders te worden geframed en succes wordt deelbaar. De motivatie verandert niet direct, maar de ervaring dat verandering mogelijk is wel. Dit lijkt de kern van de ervaringslaag, waarbij niet het garanderen van succes centraal staat, maar het mogelijk maken dat ervaringen, ook negatieve, onderdeel worden van het traject zonder dat dit het gevoel van falen versterkt (Dolezal & Gibson, 2022).
Op de emotionele laag geven de bevindingen een eerste aanwijzing, maar nog geen definitief beeld. Deelnemers voelden zich meer gehoord en gezien, maar gevoelens als trots, eigenaarschap en zelfvertrouwen ontwikkelen zich over langere tijd dan de testperiode toeliet (Lally et al., 2010). Of deze gevoelens zich op langere termijn doorzetten, vraagt om longitudinaal onderzoek.

Figuur 40. Visualisatie van de drie lagen van eigen regie en de invloed van Een luisterend oor op de onderlinge samenhang tussen deze lagen.
De drie knelpunten uit §3.1 beschreven een systeem waarin (1) de sessie niet vanuit de leefwereld lijkt te starten, (2) de tussenruimte en het sociale netwerk niet lijkt te worden betrokken en (3) de vertaalslag bij de verkeerde persoon lijkt te liggen. Een luisterend oor lijkt op alle drie de knelpunten in te grijpen (zie figuur 41).
De informatiestroom verandert van eenzijdig naar wederkerig. Ervaringen uit de leefwereld worden input voor de leefstijlcoach en het sociale netwerk. Hierdoor lijkt de sessie sterker te vertrekken vanuit de leefwereld van de persoon met beperkte geletterdheid, wat suggereert dat de informatieomgeving het handelen mede stuurt (Meadows, 2008)
De tussenruimte wordt zichtbaar als gedeelde interventieruimte. Waar deze eerder onzichtbaar leek, lijkt er nu afstemming tussen informatie, relaties en handelen te ontstaan. De rol van het sociale netwerk lijkt te verschuiven richting herkenning, al lijkt dit om tijd en herhaling te vragen. Het activeren van deze ruimte lijkt daarmee een proces.
Ook de verantwoordelijkheid voor de vertaalslag lijkt te verschuiven van individueel naar gedeeld. De persoon brengt ervaringen in, het sociale netwerk sluit daarop aan en de coach vertrekt vanuit deze input. Geen van de drie actoren lijkt de vertaalslag alleen te dragen.

Figuur 41. Een visualisatie van de systeemverandering door Een luisterend oor.

Dit hoofdstuk reflecteert op de bevindingen, plaatst deze in theoretisch perspectief en onderzoekt hoe Een luisterend oor met AI bijdraagt aan inzichten en implicaties voor ontwerp en zorgpraktijk.
Dit onderzoek vertrok vanuit de vraag hoe eigen regie wordt beleefd door mensen met beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching, en hoe een ontwerpinterventie kan inspelen op de factoren die deze ervaring beïnvloeden. De bevindingen laten daarin een patroon zien.
De bevindingen suggereren dat eigen regie geen individuele eigenschap is, maar een dynamisch en contextafhankelijk proces dat ontstaat in de wisselwerking tussen een individu en omgeving. Dit sluit aan bij de literatuur (Rademakers en Heijmans, 2018; Sen, 1999), maar concretiseert deze door te laten zien hoe eigen regie zich in de praktijk lijkt te uiten over drie samenhangende lagen. Deze drie lagen lijken te verklaren waarom informatieoverdracht alleen niet genoeg is (Berkman et al., 2011; Rademakers & Heijmans, 2018). Dit sluit aan bij de WRR (2017), dat stelt dat mensen voornamelijk handelen op basis van concrete ervaringen en verwachtingen van haalbaarheid. De bevindingen lijken dit te specificeren door te laten zien dat succeservaringen een versterkende cyclus kunnen creëren van trots, zelfvertrouwen en bereidheid om meer te proberen. Die cyclus lijkt een context te vragen die klein genoeg is om te slagen en herkenbaar genoeg om eigenaarschap te voelen. De coachingssessie lijkt die context minder te bieden, terwijl de tussenruimte dat wel doet, mits die ondersteund wordt.
De dominante benadering in de gezondheidspsychologie beschouwt gedragsverandering als het primaire doel van leefstijlinterventies (Michie et al., 2011; Miller & Rollnick, 2013), waarbij eigen regie vooral gezien als middel tot gedragsverandering wordt ingezet en geen doel op zich. Eigen regie lijkt niet zozeer een middel te zijn, maar eerder het resultaat van de omstandigheden die het systeem creëert. Het lijkt dus minder te gaan om motivatietechnieken van de coach en meer om de context rondom de sessie. Dit perspectief wijkt af van de dominante literatuur en heeft implicaties voor zowel ontwerp als beleid.
De rol van de tussenruimte als primaire interventieruimte sluit aan bij inzichten over de kloof tussen formele zorg en het dagelijks leven (Greenhalgh, 2014; Kimbell, 2011; Manzini, 2015). In lijn hiermee suggereert Driesse (2019) dat reflectie en gedragsverandering vooral plaatsvinden buiten de sessies, in de eigen leefomgeving van de cliënt. Dit onderzoek lijkt dit
patroon binnen de context van leefstijlcoaching voor mensen met beperkte geletterdheid te bevestigen en concreet te maken hoe deze tussenruimte werkt als plek waar ervaringen worden verwerkt, betekenis krijgen en waar eigen regie kan ontstaan.
Een mogelijke andere benadering is dat leefstijlcoaching in zijn huidige vorm structureel onvoldoende aansluit bij mensen met beperkte geletterdheid, en dat de oplossing niet ligt in het herontwerpen van de tussenruimte binnen dit systeem, maar in het herontwerpen van het systeem zelf, met meer aandacht voor collectieve ondersteuning, sociale verbondenheid en gedeelde ervaringskennis. Het huidige onderzoek verkent een herontwerp binnen het bestaande systeem, maar sluit daarmee niet uit dat een meer radicale verschuiving nodig kan zijn. Tegelijkertijd kan een tegengestelde interpretatie niet worden uitgesloten. De tussenruimte werkt mogelijk niet voor iedereen, maar juist voor mensen met meer sociale ondersteuning en stabiliteit, waardoor het activeren ervan bestaande ongelijkheden kan versterken in plaats van verkleinen.
De positie die dit onderzoek inneemt is de volgende. De tussenruimte is geen oplossing die voor iedereen in gelijke mate werkt. Het is een ontwerpbare ruimte die, onder bepaalde voorwaarden, de condities kan creëren waaronder eigen regie kan ontstaan. Daarmee is de tussenruimte als interventieruimte geen definitief antwoord, maar een richtinggevende hypothese die nog nader onderzocht moet worden.
Een luisterend oor laat zien hoe boundary objects (Star & Griesemer, 1989; Terlouw et al., 2022) niet alleen informatie delen, maar ook relaties en rollen binnen een systeem kunnen beïnvloeden. Op praktijkniveau lijkt het de samenwerking tussen de persoon met beperkte geletterdheid, de coach en het sociale netwerk te ondersteunen door moeilijk overdraagbare ervaringen deelbaar te maken. Op systeemniveau maakt het de tussenruimte zichtbaar voor actoren buiten de directe zorgrelatie, zoals beleidsmakers, onderzoekers en ontwerpers.
Daarmee onderscheidt dit onderzoek zich van de dominante benadering in de literatuur over interventies bij beperkte geletterdheid binnen leefstijlcoaching, die zich vooral richt op het toegankelijker maken van communicatie (Martens & Daalder, 2019; Walters et al., 2020) en daarmee op het eerste niveau van health literacy (Nutbeam, 2008). Een luisterend oor lijkt juist in te grijpen op het tweede en derde niveau, namelijk het toepassen van informatie in interactie en het uitoefenen van invloed op de eigen situatie. Waar Nutbeam (2008) deze beperking al beschrijft, probeert dit concept de bijbehorende context te creëren door de tussenruimte te activeren als plek waar deze niveaus in interactie met het sociale netwerk en via eigenaarschap tot stand kunnen komen.
Een beperking ligt in de relationele context. Hoewel slechts één van de elf interacties als sturend werd ervaren, lijkt effectiviteit afhankelijk van de relatie. Een boundary object faciliteert informatie-uitwisseling, maar bepaalt niet de dynamiek (Star & Griesemer, 1989). Het concept lijkt daarom vooral effectief waar al een basis van vertrouwen aanwezig is. Zonder die basis is de activering van de tussenruimte mogelijk niet genoeg.
De vijf iteratieve testronden leggen daarbij zeven voorwaarden bloot waaronder een interventie in de praktijk lijkt te kunnen werken (figuur 36). Dit heeft implicaties voor hoe de effectiviteit van vergelijkbare interventies wordt gemeten. Onderzoek dat zich alleen richt op informatieoverdracht of gedragsverandering als effecten, mist mogelijk effecten die samenhangen met het gevoel van gehoord worden, de reflectieve functie van de tussenruimte en de verschuiving in sociale aanwezigheid.
De kwalitatieve (Creswell & Poth, 2018), participatieve (Sleeswijk Visser et al., 2005) en ontwerpgerichte (Frayling, 1993) aanpak past bij een contextgebonden vraagstuk zoals eigen regie bij mensen met beperkte geletterdheid, maar brengt ook methodologische consequenties die de gehele onderzoeksopzet betreffen en op dit niveau worden besproken.
7.3.1
Binnen RtD is de onderzoeker tegelijk ontwerper (Zimmerman et al., 2007), wat de grens tussen kennisproductie en -toepassing vervaagt. Het ontwerp is het argument, en de gegenereerde kennis hangt deels samen met de gekozen materialisaties. Zo heeft het werken met een analoge telefoon mogelijk de nadruk gelegd op vertrouwde handelingen, passieve aanwezigheid en audio. Een andere vorm had mogelijk andere aspecten van de tussenruimte zichtbaar kunnen maken. De bevindingen zijn daarmee niet onbetrouwbaar, maar ook niet neutraal.
Het iteratieve karakter van de vijf testronden maakt de kennisproductie echter transparant en inzichtelijk, wat de afhankelijkheid van de ontwerppositie compenseert (Cross, 2011). Daarnaast is geprobeerd de ontwerppositie te compenseren door externe experts te betrekken bij de analyse (H2) en per testronde te reflecteren op methodologische beperkingen. Of dit genoeg is gelukt, blijft moeilijk te zeggen vanuit het eigen perspectief. Een externe validatieronde had dit sterker kunnen compenseren, maar is binnen de beschikbare tijd niet gerealiseerd en vormt daarmee een beperking.
7.3.2 Participatief onderzoek met kwetsbare groepen
Participatief onderzoek met kwetsbare groepen is nooit volledig gelijkwaardig (Bradbury-Jones et al., 2018). De werving via vertrouwde organisaties en snowball sampling leidt tot een selectieve steekproef van deelnemers met meer openheid en vertrouwen (Patton, 2015; Morse, 2000). Daarmee is ook de groep die niet bereikt werd, minstens zo belangrijk.
Bovendien lag de regie over ontwerpkeuzes, analyse en de formulering van de zeven voorwaarden uiteindelijk bij de bezoeker. Hoewel deelnemers in meerdere fasen als mede-ontwerpers zijn betrokken, had een consequentere participatieve aanpak, waarbij ook die keuzes in co-creatie worden gemaakt, de betrokkenheid en gelijkwaardigheid mogelijk verder kunnen versterken.
7.3.3 De grenzen van kwalitatieve methoden
Eigen regie is in dit onderzoek allen kwalitatief onderzocht, waardoor subtiele, contextuele en relationele aspecten zichtbaar worden, maar effecten moeilijker te
kwantificeren en te vergelijken zijn (Denzin & Lincoln, 2018). Een combinatie met kwantitatieve methoden zou in vervolgonderzoek een completer beeld kunnen geven.
Tegelijkertijd roept dit de vraag op of bestaande meetinstrumenten geschikt zijn. Deze benaderen eigen regie vaak als een stabiele individuele eigenschap (Hibbard et al., 2005; Lorig & Holman, 2003), terwijl dit onderzoek een dynamisch, gelaagd en contextueel proces laat zien. Het ontwikkelen van een meetinstrument dat deze aspecten wel kan meenemen, zou op zichzelf een relevante bijdrage aan het vakgebied kunnen zijn.
De inzet van AI voor het verwerken en samenvatten van persoonlijke ervaringen in de zorgcontext is niet neutraal. Technologie bemiddelt altijd in hoe de werkelijkheid wordt waargenomen en begrepen (Verbeek, 2011). Samenvattingen kunnen daardoor bepaalde elementen benadrukken, andere weglaten en ervaringen herschrijven in taal die niet van de persoon zelf is. Binnen Een luisterend oor beïnvloedt dit welk beeld van de persoon bij de leefstijlcoach en het sociale netwerk terechtkomt, en daarmee ook de ondersteuning die wordt geboden.
Zoals besproken in §5.2 beperkt de keuze voor Dembrane (2025) de interpretatieve vrijheid van de AI. Echter zal deze niet helemaal verdwijnen. Ook een AI die dicht bij de oorspronkelijke tekst blijft, maakt selecties. Binnen dit onderzoek is deze spanning bewust geaccepteerd, omdat het doel van dit onderzoek kennisvorming was. Tegelijkertijd heeft de onderzoeker gedurende het hele proces elke samenvatting gecontroleerd op betrouwbaarheid en gevalideerd met de betrokkenen. De gegenereerde samenvattingen bleken voldoende betrouwbaar. Maar wie die controle uitvoert bij bredere praktijktoepassingen, is een vraag die nog niet is beantwoord. Dit roept ook de vraag op wie verantwoordelijk is voor de gevolgen van deze interpretaties. Wanneer AI-gegenereerde samenvattingen leiden tot misverstanden, verkeerde beslissingen of schade binnen het sociale netwerk, is onduidelijk of deze verantwoordelijkheid bij de gebruiker, de leefstijlcoach, de ontwerper van het systeem of de aanbieder van de technologie ligt. Dit sluit aan bij discussies over de verantwoordelijkheid van AI-systemen in de zorg (Mittelstadt
et al., 2016; Obermeyer & Emanuel, 2016) en maakt het daarmee een belangrijk aandachtspunt.
Een mogelijke eerste stap om deze spanning te verkleinen is dat de persoon de samenvatting kan inzien vóór verzending. Deze functie is in Dembrane (2025) al aanwezig voor de directe controle van de tekst, maar bij samenvattingen over langere perioden blijft onduidelijk wie de inhoud beoordeelt. Daarbij speelt niet alleen de vraag of de persoon met beperkte geletterdheid dit zelf kan, maar ook wat dit betekent voor de drempel tot gebruik. Deze spanning vraagt om verder onderzoek naar de balans tussen controle en toegankelijkheid.
Een andere spanning is het punt waarop gedeelde ervaringen ophouden persoonlijke eigendom te zijn en onderdeel worden van zorgregistratie. Hoewel patiënten het recht hebben om consulten op te nemen voor eigen gebruik (KNMG, 2017), verandert dit wanneer AI-verwerkte samenvattingen met meerdere professionals worden gedeeld. Het delen van AI-verwerkte samenvattingen met meerdere professionals, zoals de leefstijlcoach en de professionals in het sociaal domein, is echter iets anders dan dit persoonlijke gebruik. Naarmate samenvattingen worden gedeeld binnen formele zorgpraktijken, gaan namelijk andere regels gelden voor opslag, toegankelijkheid en gebruik (Autoriteit Persoonsgegevens, 2025; KNMG, 2024). Hiermee ontstaat een grijs gebied tussen persoonlijk gebruik en zorgregistratie, waarin nog onduidelijk is wanneer het delen van ervaringen via AI overgaat in formele zorgregistratie en welke gevolgen dit heeft voor het eigenaarschap van de persoon, dat juist een uitgangspunt vormt binnen Een luisterend oor
Daarnaast raakt de inzet van AI aan bredere machtsverhoudingen binnen het systeem. Doordat informatie wordt gefilterd en gedeeld via een technologisch systeem, kunnen leefstijlcoaches en het sociale netwerk meer invloed krijgen op hoe de situatie wordt geïnterpreteerd dan de persoon zelf. Dit is extra relevant voor een doelgroep die in interactie met systemen al vaker minder regie ervaart (Fransen et al., 2011; Rademakers & Heijmans, 2018). Tegelijkertijd suggereren de data dat AI ook een ontlastende rol speelt, doordat de persoon niet langer zelf verantwoordelijk is voor het overbrengen van ervaringen. Deze dubbele werking maakt de technologie zowel kan
versterken als verschuiven waar de regie ligt. Welk effect het sterkste is, hangt af van hoe het systeem wordt ontworpen. Een aanvullende spanning ligt in de thuissituatie als context voor het delen. Het concept veronderstelt impliciet een veilige omgeving, terwijl dit niet altijd het geval is. In situaties met afhankelijkheidsrelaties, spanningen of huiselijk geweld kan het delen van ervaringen met het sociale netwerk juist risico’s met zich meebrengen. Dit vraagt om zorgvuldige keuzes in de samenstelling van het netwerk, de mogelijkheid om deze aan te passen en blijvende alertheid van de coach op signalen van onveiligheid.
Deze spanningen betekenen niet dat de inzet van AI per definitie onverantwoord is. Integendeel, de bevindingen suggereren dat AI een waardevolle rol kan spelen in het overdraagbaar maken van ervaringen. Tegelijkertijd reikt ethische verantwoording verder dan consent en certificering en vraagt zij om een doorlopend gesprek over de grenzen van technologie in kwetsbare contexten, waarbij de ervaringen en belangen van betrokkenen centraal staan (Floridi et al., 2018).
De HAT-positionering (§1.7) vormde het vertrekpunt van dit onderzoek, maar is gaandeweg verschoven. Waar technologie aanvankelijk werd gezien als een ondersteunende en verbindende actor (Greenhalgh et al., 2017), blijft deze rol zichtbaar in het concept. Namelijk doordat de AI ervaringen verwerkt tot samenvattingen en zo informatiestromen faciliteert die anders niet zouden ontstaan.
Tegelijkertijd laat de ontwikkeling van Een luisterend oor zien dat technologie een actievere rol inneemt dan aanvankelijk werd gedacht. Door ervaringen samen te vatten en te delen, beïnvloedt AI hoe de werkelijkheid van de gebruiker wordt gerepresenteerd en begrepen. Technologie dient daarmee niet alleen als facilitator, maar ook als actor die verbindingen mede vormgeeft (Latour, 1992; Verbeek, 2011). Dit maakt het moeilijker om technologie als neutraal middel te beschouwen en leidde tot bewuste keuzes, zoals de inzet van Dembrane (2025) en het controleren en valideren van samenvattingen tijdens de testsessies.
Daarnaast ontwikkelde de integratie van de drie
perspectieven zich niet lineair, maar gaandeweg het proces. Technologie kreeg pas vorm nadat een sociale en ervaringsgerichte basis was gelegd. Design vervult hierin een verbindende rol. Het stelt bestaande systemen ter discussie, verbeeldt alternatieven en vertaalt ervaringskennis naar een concreet artefact.
Dit onderzoek lijkt op drie niveaus bij te dragen aan het vakgebied. Op theoretisch niveau lijkt dit onderzoek een empirische concretisering toe te voegen van wat het betekent om eigen regie als contextafhankelijk te beschouwen in een specifieke zorgcontext. Waar de capabilities approach (Sen, 1999) en distributed health literacy (Edwards et al., 2015) vooral als theoretische kaders worden beschreven, vertaalt dit onderzoek deze naar een empirisch onderbouwd model van drie lagen en zeven voorwaarden. Daarmee suggereert het hoe beleidsprincipes rond eigen regie als doel en voorwaarde botsen met de praktijk, waarin de tussenruimte grotendeels onbenut blijft. Deze bevindingen vormen een eerste empirische basis in de vorm van intermediate-level knowledge (Höök & Löwgren, 2012), specifiek genoeg om richting te geven aan vergelijkbare vraagstukken en open genoeg voor verdere uitwerking in vervolgonderzoek.
Wanneer ontwerpers of onderzoekers zulke contextuele voorwaarden proberen te creëren, bewegen zij zich in een domein dat moeilijk meetbaar is met de gebruikelijke instrumenten van evidence-based medicine (Mota et al., 2025; Skivington et al., 2021). De bevindingen van dit onderzoek suggereren dat de meest relevante effecten, zoals het gevoel van gehoord worden, de verwerking van ervaringen en veranderingen in ondersteuning, relationeel en ervaringsgebonden zijn en daardoor lastig te kwantificeren. Dit vraagt om een voorzichtige evaluatie en om methoden die expliciet oog hebben voor context en relaties.
Op methodologisch niveau laat dit onderzoek zien hoe ontwerpgericht onderzoek kan worden toegepast binnen een zorgcontext met een kwetsbare doelgroep. De combinatie van sensitizing probes, co-designsessies en iteratieve testronden, alle aangepast aan de toegankelijkheidsbehoeften van de primaire doelgroep, biedt een mogelijke overdraagbare methode voor
vergelijkbaar participatief ontwerponderzoek in de zorgsector of met mensen met beperkte geletterdheid.
Op praktisch niveau positioneert dit onderzoek de tussenruimte als een te ontwerpen interventieruimte. Voor ontwerpers en onderzoekers lijkt de ontwerpopgave daarmee te verschuiven van het verbeteren van de sessie naar het activeren van de context eromheen, waarin de relatie tussen individu, sociaal netwerk en systeem centraal staat. Voor leefstijlcoaches suggereert het onderzoek dat de meerwaarde niet alleen ligt in de sessie zelf, maar in het vormgeven van die context, via andere informatiestromen en een gerichtere koppeling met het sociale netwerk. Dit lijkt ook te vragen om een andere benadering van terugval, met meer aandacht voor context, en om ruimte vóór de sessie waarin mensen kunnen landen en hun eigen agenda bepalen. Voor beleidsmakers benadrukt het onderzoek een spanning tussen de nadruk op formele contactmomenten binnen de GLI en de bevinding dat de effectiviteit mede afhangt van wat daartussen gebeurt. Zolang bekostiging gekoppeld blijft aan geregistreerde sessies, blijven deze aspecten mogelijk buiten beeld en financiering, wat vraagt om een bredere heroverweging van wat als zorg wordt gezien en hoe formele en informele ondersteuning beter op elkaar aansluiten (Hengelaar et al., 2017).
Een belangrijke vervolgstap is het testen van de gecombineerde werking van audio-interactie en systeemwerking in één geïntegreerd prototype. De lagere gebruiksfrequentie in testronde 5 suggerereert dat audio mogelijk een activerende rol vervult. Hoe deze gecombineerde ervaring werkt en hoe de zeven voorwaarden daarin samenkomen, is de meest belangrijke onbeantwoorde vraag.
Een tweede belangrijke richting is longitudinaal onderzoek dat veranderingen vóór en na de interventie volgt, bij voorkeur met een controlegroep. Vragen rond duurzaamheid van gebruik, gedragsverandering in het sociale netwerk en de ontwikkeling van de emotionele laag over tijd zijn hiermee beter te beantwoorden (Lally et al., 2010). Dit maakt ook inzichtelijk of de zeven voorwaarden op de lange termijn standhouden of aangescherpt moeten worden.
Een derde richting richt zich op mensen zonder of met een beperkt sociaal netwerk. Hoewel Een luisterend oor is ontworpen als aanvulling op bestaande relaties, is juist deze groep relevant gezien hun verhoogde risico op sociale uitsluiting (Smith et al., 2017). Voor hen schiet het concept in huidige vorm waarschijnlijk tekort. Een mogelijke richting is dat AI deels een meer ondersteunende of dialogische rol krijgt, bijvoorbeeld via een gespreksvariant. Dit roept echter wel vragen op over de grens tussen technologie en menselijke begeleiding die empirisch en ethisch moeten worden onderzocht. Hetzelfde geldt voor mensen met beperkte geletterdheid die momenteel buiten formele coachingstrajecten vallen. Voor hen is de thuissituatie waarschijnlijk nog relevanter, maar moet het concept mogelijk worden aangepast.
Een vierde richting betreft generatieverschillen. De deelnemers met beperkte geletterdheid waren tussen de 32 en 67 jaar, waardoor een analoge telefoon voor jongere generaties mogelijk geen vertrouwde affordance heeft (Chemero, 2003; Norman, 2013). Dit roept de vraag op hoe de voorwaarden zich vertalen naar andere middelen en in hoeverre zij generatieafhankelijk zijn, wat vervolgonderzoek naar overdraagbaarheid relevant maakt.
Tot slot reiken de bevindingen rond de tussenruimte mogelijk verder dan leefstijlcoaching. Vergelijkbare spanningen tussen formele contactmomenten en de dagelijkse leefwereld kunnen ook spelen in andere zorgcontexten, zoals mantelzorg, langdurige zorg en revalidatie. Of de zeven voorwaarden daar overdraagbaar zijn en welke aanpassingen nodig zijn, blijft onbeantwoord. Daarnaast zijn alle data verzameld binnen de Nederlandse zorgcontext met NT1-sprekers, waardoor overdraagbaarheid naar andere taalgroepen, culturele contexten en zorgsystemen niet vanzelfsprekend is en vervolgonderzoek vraagt
De tussenruimte als gedeelde interventieruimte en de zeven onderling afhankelijke voorwaarden maken het delen, verwerken en benutten van ervaringen mogelijk en dragen zo bij aan het ontstaan van eigen regie.
Dit onderzoek vertrok vanuit de overtuiging dat eigen regie geen eigenschap is die mensen met beperkte geletterdheid missen, maar iets dat al dan niet kan ontstaan afhankelijk van de context die het systeem om hen heen creëert. De bevindingen van dit onderzoek lijken deze overtuiging te ondersteunen, maar suggereren tevens dat deze relatie complexer en conditioneler is dan in veel bestaande benaderingen wordt aangenomen.
Eigen regie komt in dit onderzoek naar voren als een gelaagd, dynamisch en contextafhankelijk proces. De ervaringen van deelnemers suggereren dat eigen regie samenhangt met drie onderling verbonden lagen, namelijk (1) het begrijpen van wat er van je verwacht wordt, (2) ervaren dat iets lukt, en (3) een gevoel van trots en dat het plan van jezelf is. Het huidige leefstijlcoachingssysteem lijkt zich vrijwel alleen op de eerste laag te richten, terwijl juist de samenhang tussen begrijpen, ervaren en eigenaarschap bepalend lijkt te zijn voor hoe eigen regie wordt beleefd.
Bovendien suggereren de bevindingen dat de context rondom de coachingsessie een belangrijke rol speelt die het leefstijlcoachingssysteem momenteel niet benut. De tussenruimte, vóór, ná en tussen sessies in, lijkt de plek waar mensen informatie verwerken, keuzes maken en ondersteuning ervaren. Het sociale netwerk lijkt in die momenten een actieve rol te spelen, maar lijkt ook doorgaans zonder informatie, rolverdeling of afstemming met de formele coaching te handelen. De verantwoordelijkheid voor de vertaalslag van de coachingssessie naar het dagelijks leven lijkt daarmee grotendeels bij de persoon met beperkte geletterdheid te liggen, precies bij degene voor wie die vertaalslag het moeilijkst is.
Het ontwikkelde concept, Een luisterend oor, verkent hoe deze tussenruimte kan worden ondersteund als gedeelde interventieruimte. Als boundary object faciliteert het de uitwisseling van ervaringen tussen de persoon met beperkte geletterdheid, het sociale netwerk en de leefstijlcoach. Het concept bestaat uit een fysiek object in de thuissituatie waarmee de persoon op zelfgekozen momenten ervaringen kan inspreken, die via artificial intelligence worden omgezet in samenvattingen voor het sociale netwerk en de
leefstijlcoach. De vijf iteratieve testronden suggereren dat deze uitwisseling afhankelijk is van een aantal voorwaarden, namelijk (1) een herkenbaar en laagdrempelig startpunt gebaseerd op vertrouwde handelingen, (2) eigenaarschap over gebruik en inhoud, (3) een veilige context zonder directe beoordeling, (4) een geloofwaardig gevoel van sociale aanwezigheid, (5) een ontwerp dat associaties met formele zorg vermijdt, (6) integratie in bestaande routines en (7) een handelingsperspectief voor het sociale netwerk dat richting biedt zonder de relatie voor te schrijven. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, lijkt de aansluiting tussen de leefwereld en de begeleiding te verbeteren en ervaren de deelnemende personen met beperkte geletterdheid meer ruimte om richting te geven aan hun traject.
Tegelijkertijd is het belangrijk om de beperkingen van dit onderzoek te erkennen. De bevindingen zijn gebaseerd op een relatief kleine, selectieve en betrokken groep deelnemers over korte testperiodes. Daarnaast heeft de onderzoeker zowel het concept ontworpen als de effecten geïnterpreteerd. De bevindingen zijn daarmee richtinggevend. Longitudinaal vervolgonderzoek met een geïntegreerd prototype, een grotere en meer diverse steekproef en een controlegroep is nodig om te bepalen in hoeverre deze richting standhoudt in de praktijk.
Desondanks lijkt dit onderzoek op drie manieren bij te dragen aan het vakgebied. Theoretisch suggereert het een empirisch onderbouwde manier om naar eigen regie te kijken als contextueel en dynamisch proces. Methodologisch suggereert het hoe ontwerpend en participatief onderzoek kan worden ingezet om dergelijke processen inzichtelijk te maken. Op praktisch niveau suggereert het de tussenruimte rondom leefstijlcoaching als mogelijke interventieruimte en formuleert het voorwaarden die richting kunnen geven aan toekomstig ontwerp.
Kortom, dit onderzoek suggereert dat de dominante benadering van leefstijlcoaching, gericht op gedragsverandering via informatieoverdracht en doelstelling binnen de sessie, gebaseerd is op een aanname over eigen regie die niet overeenkomt met hoe eigen regie in de praktijk wordt beleefd. Die aanname heeft consequenties. Wanneer
uitval wordt geïnterpreteerd als motivatiegebrek terwijl het een regieprobleem lijkt te zijn, dat door de inrichting van het systeem wordt veroorzaakt, wordt de persoon twee keer tekortgedaan. Eerst door een systeem dat de verkeerde voorwaarden lijkt te creëren en vervolgens door een systeem dat zijn of haar afhaken beschouwt als persoonlijk falen. De bevindingen suggereren dat die patroon doorbroken kan worden, niet door mensen anders te motiveren, maar door de context anders in te richten. Of dat primair het domein is van de ontwerper, de coach of de beleidsmaker, blijft een open vraag. Maar dat het een vraag is die gesteld moet worden, staat vast.
Een beschrijving van de inzet van artificiële intelligentie als ondersteunend hulpmiddel binnen het onderzoeks- en ontwerpproces.
In dit onderzoek is AI op verschillende momenten ingezet als ondersteunend hulpmiddel binnen het onderzoeks- en ontwerpproces. De onderzoeker is volledig verantwoordelijk voor alle inhoudelijke keuzes, interpretaties, conclusies en de tekst van deze thesis. AI is niet gebruikt voor het schrijven, parafraseren of redigeren van de tekst.
Literatuuronderzoek
Elicit (Ought, 2024) en Microsoft Copilot (Microsoft, 2024) zijn ingezet bij het screenen van literatuur. Deze tools werden gebruikt om op basis van zoektermen relevante bronnen te vinden en samen te vatten, zodat beoordeeld kon worden of een bron het volledig lezen waard was. De bronnen zijn door de onderzoeker zelf (gedeeltelijk of volledig) gelezen en beoordeeld op relevantie, voordat ze zijn opgenomen in het onderzoek. De uiteindelijke selectie, beoordeling, interpretatie en verwerking van alle literatuur zijn volledig door de onderzoeker uitgevoerd.
Toegankelijkheid van onderzoeksmateriaal
Microsoft Copilot (Microsoft, 2024) en de Leessimpel-app (Leessimpel, z.d.) zijn gedurende het onderzoek meerdere keren ingezet om onderzoeksmateriaal zoals gespreksgidsen en uitlegmateriaal te vereenvoudigen naar B1-taalniveau, zodat dit toegankelijk was voor mensen met beperkte geletterdheid. De inhoud is steeds volledig door de onderzoeker opgesteld en de AI is alleen gebruikt voor het vereenvoudigen van de formulering. De kwaliteit van de output is gecontroleerd door de vereenvoudigde versies te vergelijken met de originele inhoud op volledigheid en of de oorspronkelijke inhoud behouden bleef. Daarnaast is de begrijpelijkheid in meerdere ronden getest door niet-deelnemende mensen met beperkte geletterdheid, voorafgaand aan gebruik in de onderzoeksactiviteiten.
Kwalitatieve data-analyse
Bij de analyse in hoofdstuk 2 is Dembrane (2025) ingezet voor het transcriberen van de semigestructureerde interviews, met toestemming van de deelnemers. De betrouwbaarheid van de transcripties is gecontroleerd door 24 van de 33 transcripties na te luisteren. Daarnaast is Dembrane ingezet als aanvullend controle- en reflectiemiddel naast de handmatige analyse, om mogelijke blinde vlekken te
vinden en de consistentie van de codering te controleren. De betrouwbaarheid van de output is gewaarborgd doordat alle door Dembrane gesuggereerde inzichten zijn teruggekoppeld aan de oorspronkelijke transcripten en audio-opnamen en alleen zijn meegenomen wanneer zij werden ondersteund door de data. De volledige analyse, interpretatie en besluitvorming zijn door de onderzoeker uitgevoerd, zoals beschreven in §2.1.4. Voor de analyses en transcriptie binnen de overige onderzoeksactiviteiten is geen AI gebruikt.
Het concept
Dembrane (2025) is gebruikt voor het omzetten van ingesproken ervaringen naar tekst en het genereren van samenvattingen tijdens de testronden, als simulatie van de AI functie binnen het concept zelf. De betrouwbaarheid van de gegenereerde samenvattingen is gewaarborgd door elke samenvatting door de onderzoeker te controleren op volledigheid en of de oorspronkelijke betekenis behouden blijft. Vervolgens werden de samenvattingen gevalideerd bij de betreffende deelnemer(s) voordat deze werd gedeeld met andere betrokkenen, zoals beschreven in H5
De inzet van AI werd gedurende het onderzoek kritisch benaderd en steeds gebruikt als hulpmiddel, niet als vervanging van interpretatief onderzoek.
10 REFERENTIES
10
Arnold, M., Goldschmitt, M., & Rigotti, T. (2023). Dealing with information overload: A comprehensive review. Frontiers in Psychology, 14, 1122200. https://doi.org/10.3389/ fpsyg.2023.1122200
Autoriteit Persoonsgegevens. (2025). Gezondheidsgegevens in een dossier. https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/themas/ gezondheid/gezondheidsgegevens-in-een-dossier
Baxter, K. A., Sachdeva, N., & Baker, S. (2025). The application of cognitive load theory to the design of health and behavior change programs: Principles and recommendations. Health Education & Behavior, 52(4), 469–477. https://doi. org/10.1177/10901981251327185
Berkman, N. D., Sheridan, S. L., Donahue, K. E., Halpern, D. J., & Crotty, K. (2011). Low health literacy and health outcomes: An updated systematic review. Annals of Internal Medicine, 155(2), 97–107. https://doi.org/10.7326/0003-4819-155-2-201107190-00005
Bickmore, T. W., & Picard, R. W. (2005). Establishing and maintaining long-term human–computer relationships. ACM Transactions on Computer-Human Interaction, 12(2), 293–327. https://doi. org/10.1145/1067860.1067867
Bickmore, T., Schulman, D., & Yin, L. (2010). Maintaining engagement in long-term interventions with relational agents. Applied Artificial Intelligence, 24(6), 648–666. https://doi.org/10.1080/08839514.2010 .492259
Bodenheimer, T. (2002). Patient self-management of chronic disease in primary care. JAMA, 288(19), 2469–2475. https://doi.org/10.1001/ jama.288.19.2469
Boland, L., Légaré, F., Beckett, K., Carroll, S. L., Presseau, J., Grimshaw, J. M., & Kasperavicius, D. (2021). Impact of low health literacy on shared decision making interventions. Patient Education and Counseling, 104(7), 1549–1558. https://doi.org/10.1016/j.pec.2020.12.027
Bradbury-Jones, C., Isham, L., & Taylor, J. (2018). The complexities and contradictions in participatory research with vulnerable children and young people: A qualitative systematic review. Social Science & Medicine, 215, 80–91. https://doi.org/10.1016/j. socscimed.2018.08.038
Brandt, E., Binder, T., & Sanders, E. B.-N. (2012). Tools and techniques: Ways to engage telling, making and enacting. In J. Simonsen & T. Robertson (Eds.), Routledge international handbook of participatory design (pp. 145–181). Routledge. https://doi. org/10.4324/9780203108543-14
Braun, V., & Clarke, V. (2006). Using thematic analysis in psychology. Qualitative Research in Psychology, 3(2), 77–101. https://doi. org/10.1191/1478088706qp063oa
Braun, V., & Clarke, V. (2019). Reflecting on reflexive thematic analysis. Qualitative Research in Sport Exercise And Health, 11(4), 589–597. https://doi.org/10.1080/2159676x.2019.1628806
Chemero, A. (2003). An Outline of a Theory of Affordances. Ecological Psychology, 15(2), 181–195. https://doi.org/10.1207/ s15326969eco1502_5
Cooperrider, D. L., & Whitney, D. (2005). Appreciative inquiry: A positive revolution in change. Berrett-Koehler Publishers.
Creswell, J. W., & Poth, C. N. (2018). Qualitative inquiry and research design: Choosing among five approaches (4th ed.). SAGE.
Cross, N. (2011). Design thinking. In Berg Publishing Plc eBooks. https://doi.org/10.5040/9781474293884
Dahlgren, G., & Whitehead, M. (1991). Policies and strategies to promote social equity in health. Institute for Future Studies.
Dembrane. (2025). Dembrane. Geraadpleegd op 25 februari 2026, van https://www.dembrane.com
Denzin, N. K., & Lincoln, Y. S. (Eds.). (2018). The SAGE Handbook of Qualitative Research (5th ed.). Los Angeles, CA: Sage.
Design Council. (2005). The double diamond design process model. Design Council.
Dix, A., Finlay, J., Abowd, G., & Beale, R. (2004). Human-computer interaction (3rd ed.). Pearson.
Dolezal, L., & Gibson, M. (2022). Beyond a trauma-informed approach and towards shame-sensitive practice. Humanities and Social Sciences Communications, 9, 1–10. https://doi.org/10.1057/ s41599-022-01227-z
Driesse, E. (2019). Doen of waarheid: Playful challenges to improve wellbeing [Afstudeerproject, Technische Universiteit Eindhoven].
Dunne, A., & Raby, F. (2013). Speculative everything: Design, fiction, and social dreaming. MIT Press.
Dyar, O. J., Haglund, B. J. A., Melder, C., Skillington, T., Kristenson, M., & Sarkadi, A. (2022). Rainbows over the world’s public health: determinants of health models in the past, present, and future. Scandinavian Journal Of Public Health, 50(7), 1047–1058. https://doi. org/10.1177/14034948221113147
Edmondson, A. C. (2019). The fearless organization: Creating psychological safety in the workplace for learning, innovation, and growth. Wiley.
Edwards, M., Wood, F., Davies, M., & Edwards, A. (2015). ‘Distributed health literacy’: longitudinal qualitative analysis of the roles of health literacy mediators and social networks. Health Expectations, 18(5), 1180–1193. https://doi.org/10.1111/hex.12093
Field, A. (2013). Discovering statistics using IBM SPSS statistics (4th ed.). SAGE Publications Ltd.
Fiske, S. T., & Taylor, S. E. (2013). Social Cognition: From Brains to Culture. https://doi.org/10.4135/9781529681451
Floridi, L., Cowls, J., Beltrametti, M., Chatila, R., Chazerand, P., Dignum, V., Luetge, C., Madelin, R., Pagallo, U., Rossi, F., Schafer, B., Valcke, P., & Vayena, E. (2018). AI4People—An ethical framework for a good AI society: Opportunities, risks, principles, and recommendations. Minds and Machines, 28(4), 689–707. https://doi.org/10.1007/ s11023-018-9482-5
Fogg, B. J. (2009). A behavior model for persuasive design. Proceedings of the 4th International Conference on Persuasive Technology, 1–7. https://doi.org/10.1145/1541948.1541999
Fransen, M. P., von Wagner, C., & Essink-Bot, M. L. (2011). Diabetes self-management in patients with low health literacy: Ordering findings from literature in a health literacy framework. Patient Education and Counseling, 88(1), 44–53. https://doi.org/10.1016/j.pec.2011.11.015
Frayling, C. (1993). Research in art and design. Royal College of Art Research Papers, 1(1), 1–5.
Freire, P. (2020). Pedagogy of the oppressed. In Toward a sociology of education (pp. 374-386). Routledge.
Gaver, B., Dunne, T., & Pacenti, E. (1999). Design: Cultural probes. Interactions, 6(1), 21–29. https://doi.org/10.1145/291224.291235
Gould, J. D., & Lewis, C. (1983). Designing for usability---key principles and what designers think. Communications Of The ACM, 28(3), 300–311. https://doi.org/10.1145/3166.3170
Greenhalgh, T. (2014). Future-proofing relationship-based care: a priority for general practice. British Journal Of General Practice, 64(628), 580. https://doi.org/10.3399/bjgp14x682357
Greenhalgh, T., Robert, G., Macfarlane, F., Bate, P., & Kyriakidou, O. (2004). Diffusion of innovations in service organizations: Systematic review and recommendations. The Milbank Quarterly, 82(4), 581–629. https://doi.org/10.1111/j.0887-378X.2004.00325.x
Greenhalgh, T., Wherton, J., Papoutsi, C., Lynch, J., Hughes, G., A’Court, C., Hinder, S., Fahy, N., Procter, R., & Shaw, S. (2017). Beyond Adoption: A New Framework for Theorizing and Evaluating Nonadoption, Abandonment, and Challenges to the Scale-Up, Spread, and Sustainability of Health and Care Technologies. Journal Of Medical Internet Research, 19(11), e367. https://doi.org/10.2196/ jmir.8775
Harris, J., Springett, J., Croot, L., Booth, A., Campbell, F., Thompson, J., Goyder, E., Van Cleemput, P., Wilkins, E., & Yang, Y. (2015). Can community-based peer support promote health literacy and reduce inequalities? A realist review. Public Health Research, 3(3), 1–192. https://doi.org/10.3310/phr03030
Hendriks, A. C., Friele, R. D., Legemaate, J., Widdershoven, G. A. M., & ZonMw. (2013). Thematische wetsevaluatie Zelfbeschikking in de zorg. ZonMw. https://www.zonmw.nl/sites/zonmw/files/2023-02/ Thematische_Wetsevaluatie_Zelfbeschikking_in_de_zorg.pdf
Hengelaar, A. H., van Hartingsveldt, M., Wittenberg, Y., van EttenJamaludin, F., Kwekkeboom, R., & Satink, T. (2017). Exploring the collaboration between formal and informal care from the professional perspective: A thematic synthesis. Health & Social Care in the Community, 26(4), 474–485. https://doi.org/10.1111/hsc.12503
Hibbard, J. H., Mahoney, E. R., Stockard, J., & Tusler, M. (2005). Development and testing of a short form of the patient activation measure. Health Services Research, 40(6 Pt 1), 1918–1930. https://doi. org/10.1111/j.1475-6773.2005.00438.x
Höök, K., & Löwgren, J. (2012). Strong concepts: Intermediatelevel knowledge in interaction design research. ACM Transactions on Computer-Human Interaction, 19(3), Article 23. https://doi. org/10.1145/2362364.2362371
Houde, S., & Hill, C. (1997). What do prototypes prototype? In M. Helander, T. Landauer, & P. Prabhu (Eds.), Handbook of humancomputer interaction (2nd ed., pp. 367–381). Elsevier. https://doi. org/10.1016/b978-044481862-1.50082-0
Houtkoop, W., Allen, J., Buisman, M., Fouarge, D., & Van der Velden, R. (2012). Kernvaardigheden in Nederland: Resultaten van de Adult Literacy and Life Skills Survey (ALL). Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO).
Hutchby, I. (2001). Technologies, Texts and Affordances. Sociology, 35(2), 441–456. https://doi.org/10.1017/s0038038501000219
Kahneman, D., Fredrickson, B. L., Schreiber, C. A., & Redelmeier, D. A. (1993). When more pain is preferred to less: Adding a better end. Psychological Science, 4(6), 401–405. https://doi. org/10.1111/j.1467-9280.1993.tb00589.x
Kalbach, J. (2016). Mapping experiences: A complete guide to customer alignment through journeys, blueprints, and diagrams. O’Reilly Media.
Kamberelis, G., & Dimitriadis, G. (2013). Focus groups: From structured interviews to collective conversations. Routledge. https://doi. org/10.4324/9780203590447
Kelley, J. F. (1984). An iterative design methodology for user-friendly natural language office information applications. ACM Transactions on Information Systems, 2(1), 26–41. DOI:10.1145/357417.357420
Kimbell, L. (2011). Designing for service as one way of designing services. International Journal of Design, 5(2), 41–52.
Kirschner, P. A., Sweller, J., & Clark, R. E. (2006). Why minimal guidance during instruction does not work: An analysis of the failure of constructivist, discovery, problem-based, experiential, and inquirybased teaching. Educational Psychologist, 41(2), 75–86. https://doi. org/10.1207/s15326985ep4102_1
Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). (2017). Opnemen van gesprekken door patiënten. https://www.knmg.nl/opnemen-gesprek
Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). (2024). KNMG-richtlijn omgaan met medische gegevens. https://www.knmg.nl/download/knmg-richtlijn-omgaanmet-medische-gegevens-2
Krippendorff, K. (2006). The semantic turn: A new foundation for design. CRC Press. https://doi.org/10.4324/9780203299951
Kvale, S., & Brinkmann, S. (2009). Interviews: Learning the craft of qualitative research interviewing (2nd ed.). SAGE Publications.
Lally, P., Van Jaarsveld, C. H. M., Potts, H. W. W., & Wardle, J. (2010). How are habits formed: Modelling habit formation in the real world. European Journal of Social Psychology, 40(6), 998–1009. https://doi. org/10.1002/ejsp.674
Latour, B. (1992). Where are the missing masses? The sociology of a few mundane artifacts. In W. E. Bijker & J. Law (Eds.), Shaping technology/building society: Studies in sociotechnical change (pp. 225–258). MIT Press.
Leessimpel. (z.d.). Leessimpel. Geraadpleegd op 26 juni 2026, van https://www.leessimpel.nl
Light, A., & Akama, Y. (2014). Structuring future social relations: The politics of care in participatory practice. Proceedings of the 13th Participatory Design Conference, 1, 151–160. https://doi. org/10.1145/2661435.2661438
Lorig, K. R., & Holman, H. R. (2003). Self-management education: History, definition, outcomes, and mechanisms. Annals of Behavioral Medicine, 26(1), 1–7. https://doi.org/10.1207/ S15324796ABM2601_01
Lupton, D. (2016). The quantified self. Polity Press.
MacroDroid (z.d.). MacroDroid – Device automation. Geraadpleegd op 24 april 2026, van https://www.macrodroid.com
Manzini, E. (2015). Design, when everybody designs: An introduction to design for social innovation. MIT Press. https://doi.org/10.7551/ mitpress/9873.001.0001
Marmot, M. (2017). The Health Gap: The Challenge of an Unequal World: the argument. International Journal Of Epidemiology, 46(4), 1312–1318. https://doi.org/10.1093/ije/dyx163
Martens, M., & Daalder, A. (2019) Procesevaluatie Voel je goed! Eindrapportage. Mulier Instituurt.
McCambridge, J., Witton, J., & Elbourne, D. R. (2014). Systematic review of the Hawthorne effect: New concepts are needed to study research participation effects. Journal of Clinical Epidemiology, 67(3), 267–277. https://doi.org/10.1016/j.jclinepi.2013.08.015
McCarney, R., Warner, J., Iliffe, S., van Haselen, R., Griffin, M., & Fisher, P. (2007). The Hawthorne effect: A randomised, controlled trial. BMC Medical Research Methodology, 7(1), 30. https://doi. org/10.1186/1471-2288-7-30
Meadows, D. H. (2008). Thinking in systems: A primer. Chelsea Green Publishing.
Michie, S., Van Stralen, M. M., & West, R. (2011). The behaviour change wheel: A new method for characterising and designing behaviour change interventions. Implementation Science, 6(1), 42. https://doi. org/10.1186/1748-5908-6-42
Microsoft. (2024). Microsoft Copilot. Geraadpleegd op 26 juni 2026, van https://copilot.microsoft.com
Miller, W. R., & Rollnick, S. (2013). Motivational interviewing: Helping people change (3rd ed.). Guilford Press.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2018). Nationaal Preventieakkoord: Naar een gezonder Nederland. Ministerie van VWS. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2018/11/23/nationaalpreventieakkoord
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2022). Integraal Zorgakkoord: Samen werken aan gezonde zorg. Ministerie van VWS. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2022/09/16/integraalzorgakkoord-samen-werken-aan-gezonde-zorg
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2025). Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord: Samen sterker voor zorg en welzijn. https:// www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/08/31/ aanvullend-zorg-en-welzijnsakkoord-azwa
Mittelstadt, B. D., Allo, P., Taddeo, M., Wachter, S., & Floridi, L. (2016). The ethics of algorithms: Mapping the debate. Big Data & Society, 3(2). https://doi.org/10.1177/2053951716679679
Mohr, D. C., Cuijpers, P., & Lehman, K. (2011). Supportive accountability: A model for providing human support to enhance adherence to eHealth interventions. Journal of Medical Internet Research, 13(1), e30. https://doi.org/10.2196/jmir.1602
Morse, J. M. (2000). Determining sample size. Qualitative Health Research, 10(1), 3–5. https://doi.org/10.1177/104973200129118183
Mota, J. A. B., de Ávila, C. O., Lima, P. A. L., Pereira, L. G. H., Silva, R. A., & dos Santos, P. R. (2025). Evidence-based medicine and its limitations: Toward an expanded clinical epistemology. International Journal of Advanced Scientific Studies, 8(6). https://ijassjournal.com/2025/ V8I6/41466640363.pdf
Movisie (2013). Wat werkt bij eigen regie. Movisie. https://www. movisie.nl/sites/default/files/publication-attachment/Publicatiewat-werkt-bij-eigen-regie%20%5BMOV-13463706-1.0%5D.pdf
Movisie (2019). Laaggeletterdheid? Een blinde vlek in het sociaal domein. Geraadpleegd op 24 februari 2026, van movisie.nl.
Nilsen, P. (2015). Making sense of implementation theories, models and frameworks. Implementation Science, 10(1), 53. https://doi. org/10.1186/s13012-015-0242-0
Norman, D. A. (2013). The design of everyday things (Revised and expanded ed.). Basic Books.
Nutbeam, D. (2000). Health literacy as a public health goal: A challenge for contemporary health education and communication strategies. Health Promotion International, 15(3), 259–267. https:// doi.org/10.1093/heapro/15.3.259
Nutbeam, D. (2008). The evolving concept of health literacy. Social Science & Medicine, 67(12), 2072–2078. https://doi.org/10.1016/j. socscimed.2008.09.050
Obermeyer, Z., & Emanuel, E. J. (2016). Predicting the Future - Big Data, Machine Learning, and Clinical Medicine. The New England journal of medicine, 375(13), 1216–1219. https://doi.org/10.1056/ NEJMp1606181
Oosterhoff, M., De Weerdt, A. C., Feenstra, T., & De Wit, A. (2022). Jaarrapportage monitor GLI 2022: Stand van zaken gecombineerde leefstijlinterventie (RIVM-rapport 2022-0172). RIVM. https://www. rivm.nl/publicaties/jaarrapportage-monitor-gli-2022-stand-vanzaken-gecombineerde-leefstijlinterventie
Ought. (2024). Elicit. Geraadpleegd op 26 juni 2026, van https://elicit.org
Paas, F., Renkl, A., & Sweller, J. (2003). Cognitive load theory and instructional design: Recent developments. Educational Psychologist, 38(1), 1–4. https://doi.org/10.1207/S15326985EP3801_1
Paasche-Orlow, M. K., & Wolf, M. S. (2007). The Causal Pathways Linking Health Literacy to Health Outcomes. American Journal Of Health Behavior, 31(1), 19–26. https://doi.org/10.5993/ajhb.31.s1.4
Patton, M. Q. (2015). Qualitative research & evaluation methods (4th ed.). SAGE.
Pereda, J., Murrieta-Flores, P., & Roberts, J. (2017). Tangible user interfaces as a pathway for information visualisation for low digital literacy in the digital humanities. In Proceedings of IEEE VIS 2017: 2nd Workshop on Visualization for the Digital Humanities.
Peterson, E.B., Gaysynsky, A., & Chou, W.Y.S. (2019). The role and impact of health literacy on peer-to-peer health communication. In Health Literacy, IOS Press. https://doi.org/10.3233/ISU-180039
Portz, J. D., Bayliss, E. A., Bull, S., Boxer, R. S., Bekelman, D. B., Gleason, K. T., & Czaja, S. J. (2019). Using the technology acceptance model to explore user experience, intent to use, and use behavior of a patient portal among older adults with multiple chronic conditions: Descriptive qualitative study. Journal of Medical Internet Research, 21(4), e11604. https://doi.org/10.2196/11604
Preece, J., Sharp, H., & Rogers, Y. (2015). Interaction design: Beyond human-computer interaction (4th ed.). Wiley.
Pretorius, L. (2024). Demystifying research paradigms: Navigating ontology, epistemology, and axiology in research. The Qualitative Report, 29(10), 2698-2715. https://doi.org/10.46743/2160 3715/2024.7632
Rademakers, J., & Heijmans, M. (2018). Beyond reading and comprehension: Health literacy as the capacity to act. International Journal of Environmental Research and Public Health, 15(8), 1676. https://doi.org/10.3390/ijerph15081676
Rademakers, J., & Heijmans, M. (2024). Gezondheidsvaardigheden in Nederland: actuele kennis en inzichten. Nivel.
Reeves, B., & Nass, C. (1996). The media equation: How people treat computers, television, and new media like real people and places. Cambridge University Press.
Richtlijnendatabase. (2023). Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI). Federatie Medisch Specialisten. https://richtlijnendatabase. nl/richtlijn/overgewicht_en_obesitas_bij_volwassenen_en_ kinderen/volwassenen/gecombineerde_leefstijl_interventie_gli. html
RIVM Loket Gezond Leven. (z.d.). Gecombineerde Leefstijlinterventie. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. https://www.rivm.nl/ gecombineerde-leefstijlinterventie
Roter, D. L., & Hall, J. A. (2006). Doctors talking with patients/patients talking with doctors: Improving communication in medical visits (2nd ed.). Praeger.
Rowsell, J., McLean, C., & Hamilton, M. (2012). Visual Literacy as a Classroom Approach. Journal Of Adolescent & Adult Literacy, 55(5), 444–447. https://doi.org/10.1002/jaal.00053
Sanders, E. B., & Stappers, P. J. (2008). Co-creation and the new landscapes of design. CoDesign, 4(1), 5–18. https://doi. org/10.1080/15710880701875068
Sanders, EBN., & Stappers, PJ. (2012). Convivial toolbox: Generative research for the front end of design. Bis.
Sassi, Z., Eickmann, S., Roller, R., Osmanodja, B., Burchardt, A., Tretter, M., Samhammer, D., Dabrock, P., Möller, S., Budde, K., & Herrmann, A. (2025). Human-centered AI in healthcare: empowering patients and support persons in clinical decision-making. BMC medical informatics and decision making, 25(1), 431. https://doi.org/10.1186/s12911-02503298-9
Sauer, J., Seibel, K., & Rüttinger, B. (2009). The influence of user expertise and prototype fidelity in usability tests. Applied Ergonomics, 41(1), 130–140. https://doi.org/10.1016/j.apergo.2009.06.003
Schwartz, B. (2004). The paradox of choice: Why more is less.
Schwartz, N. (1999). Self-reports: How the questions shape the answers. American Psychologist, 54(2), 93–105. https://doi. org/10.1037/0003-066X.54.2.93
Sen, A. (1999). Development as Freedom. Oxford University Press.
Shenton, A. K. (2004). Strategies for ensuring trustworthiness in qualitative research projects. Education For Information, 22(2), 63–75. https://doi.org/10.3233/efi-2004-22201
Shiffman, S., Stone, A. A., & Hufford, M. R. (2008). Ecological momentary assessment. Annual Review of Clinical Psychology, 4(1),
1–32. https://doi.org/10.1146/annurev.clinpsy.3.022806.091415
Simonsen, J., & Robertson, T. (Eds.). (2013). Routledge international handbook of participatory design. Routledge. https://doi. org/10.4324/9780203108543
Skivington, K., Matthews, L., Simpson, S. A., Craig, P., Baird, J., Blazeby, J. M., Boyd, K. A., Craig, N., French, D. P., McIntosh, E., Petticrew, M., Rycroft-Malone, J., White, M., & Moore, L. (2021). A new framework for developing and evaluating complex interventions: Update of Medical Research Council guidance. BMJ, 374, n2061. https://doi. org/10.1136/bmj.n2061
Sleeswijk Visser, F., Stappers, P. J., Van der Lugt, R., & Sanders, E. B.-N. (2005). Contextmapping: Experiences from practice. CoDesign, 1(2), 119–149. https://doi.org/10.1080/15710880500135987
Smith, J. A., Flowers, P., & Larkin, M. (2009). Interpretative phenomenological analysis: Theory, method and research. SAGE Publicatio
Smith, S. G., Jackson, S. E., Kobayashi, L. C., & Steptoe, A. (2017). Social isolation, health literacy, and mortality risk: Findings from the English Longitudinal Study of Ageing. Health Psychology, 37(2), 160–169. https://doi.org/10.1037/hea0000541
Snyder, C. (2003). Paper prototyping: The fast and easy way to design and refine user interfaces. Morgan Kaufmann.
Star, S.L., & Griesemer, J.R. (1989). Institutional Ecology, `Translations’ and Boundary Objects: Amateurs and Professionals in Berkeley’s Museum of Vertebrate Zoology, 1907-39. Social Studies of Science, 19, 387 - 420. https://doi.org/10.1177/030631289019003001
Stevens, W. J. M., van der Sande, R., Beijer, L. J., Gerritsen, M. G., & Assendelft, W. J. J. (2019). A scoping review on adverse effects of eHealth: eHealth apps replacing or complementing health care contacts. JMIR mHealth and uHealth, 7(3), e12312. https://doi. org/10.2196/12312
Stichting Lezen en Schrijven. (2021). Handleiding evaluatie Voel je goed! aanpak (versie 2). https://www.lezenenschrijven.nl/sites/ default/files/2021-05/Handleiding%20evaluatie%20Voel%20je%20 goed%21%20aanpak%20versie%202%20def.pdf
Stickdorn, M., Hormess, M. E., Lawrence, A., & Schneider, J. (2018). This is service design doing: Applying service design thinking in the real world. O’Reilly Media.
Terlouw, G., Kuipers, D., Veldmeijer, L., van ‘t Veer, J., Prins, J., & Pierie, J.-P. (2022). Boundary objects as dialogical learning accelerators for social change in design for health: Systematic review. JMIR Human Factors, 9(1), e31167. https://doi.org/10.2196/31167
Thaler, R. H., & Sunstein, C. R. (2008). Nudge: Improving decisions about health, wealth, and happiness. Yale University Press.
Thomas, D. R. (2006). A general FinFtive approach for analyzing qualitative evaluation data. American Journal of Evaluation, 27(2), 237–246. https://doi.org/10.1177/1098214005283748
Tsulukidze, M., Durand, M.-A., Barr, P. J., Mead, T., & Elwyn, G. (2014). Providing recording of clinical consultation to patients: A highly valued but underutilized intervention: A scoping review. Patient Education and Counseling, 95(3), 297–304. https://doi.org/10.1016/j. pec.2014.02.
van der Bijl-Brouwer, M., & Dorst, K. (2017). Advancing the strategic impact of human-centred design. Design Studies, 53, 1–23. https:// doi.org/10.1016/j.destud.2017.06.003
van der Heiden, W., Lacroix, J., van Charante, E. M., & Beune, E. (2022). GPs’ views on the implementation of combined lifestyle interventions in primary care in the Netherlands: A qualitative study. BMJ Open, 12(2), e056451. https://doi.org/10.1136/ bmjopen-2021-056451
van Deursen, A. J. A. M., & Van Dijk, J. A. G. M. (2019). The firstlevel digital divide shifts from inequalities in physical access to inequalities in material access. New Media & Society, 21(2), 354–375. https://doi.org/10.1177/1461444818797082
Verbeek, P.-P. (2011). Moralizing technology: Understanding and designing the morality of things. University of Chicago Press. https:// doi.org/10.7208/chicago/9780226852904.001.0001
Virzi, R. A., Sokolov, J. L., & Karis, D. (1996). Usability problem identification using both low- and high-fidelity prototypes. Proceedings of CHI ‘96, 236–243. https://doi. org/10.1145/238386.238516
Walters, R., Leslie, S. J., Polson, R., Cusack, T., & Gorely, T. (2020). Establishing the efficacy of interventions to improve health literacy and health behaviours: A systematic review. BMC Public Health, 20, 1040. https://doi.org/10.1186/s12889-020-08991-0
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid [WRR]. (2017). Weten is nog geen doen: Een realistisch perspectief op redzaamheid. WRR. https://www.wrr.nl/documenten/2017/04/24/weten-is-noggeen-doen
Wimmer, C., Erceg, S., & Grechenig, T. (2025). What is familiar is usable: Evaluating the impact of familiarity on user experience and usability in mobile app stores. In Extended abstracts of the CHI Conference on Human Factors in Computing Systems (pp. 1–6). https://doi. org/10.1145/3706599.3719769
Wolf, M. S., Gazmararian, J. A., & Baker, D. W. (2007). Health literacy and health risk behaviors among older adults. American Journal of Preventive Medicine, 32(1), 19–24. https://doi.org/10.1016/j. amepre.2006.08.024
Zarcadoolas, C., Pleasant, A. and Greer, D. (2006) Advancing health literacy: A framework for understanding and action. Jossey-Bass, San Francisco.
Zimmerman, J., Forlizzi, J., & Evenson, S. (2007). Research through design as a method for interaction design research in HCI. Proceedings of CHI ‘07, 493–502. https://doi. org/10.1145/1240624.1240704
Zorginstituut Nederland. (2019). Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI): Achtergrondrapport. Zorginstituut Nederland. https://www. zorginstituutnederland.nl/verzekerde-zorg/g/gecombineerdeleefstijlinterventie-gli-zvw