Interview
Daniël Oudman
Kerk Winsum overgedragen
![]()
Interview
Daniël Oudman
Kerk Winsum overgedragen
Juni 2026
Afscheid Jur Bekooy
Viertorenkerk van


Een paar jaar geleden is Winsum uitverkoren tot het mooiste dorp van Nederland. Daarin schuilt iets ongewild ironisch, want Winsum was lang geleden op weg een stad te worden, wanneer die andere stad, Groningen, daar geen stokje voor had gestoken.
Ook de geschiedenis van de Winsumer Torenkerk draagt enkele sporen van die geschiedenis, zoals duidelijk werd toen het gebouw op 20 maart in een serene bijeenkomst als object 104 aan de ‘vastgoedportefeuille’ van Groninger Kerken werd toegevoegd.
Deze aflevering bevat van de plechtigheid een verslag, vergezeld van een korte bouwgeschiedenis, want deze kerk, in oorsprong een van de oudste in de provincie, verdient meer aandacht dan die tot nu toe heeft gekregen.
Waar de kerk van Winsum aan een nieuwe toekomst onder de hoede van de Stichting is toevertrouwd, is de enorme middeleeuwse kerk van Midwolda door de ongunst van de tijd vrijwel spoorloos verdwenen. Niettemin maken de bewaard gebleven gegevens en opgravingsresultaten een reconstructie in grote lijnen mogelijk. In zijn bijdrage passen Otto Knottnerus en Jan Pieter Koers de vele uiteenlopende gegevens die zij uit allerlei hoeken hebben verzameld, als een ingewikkelde legpuzzel ingenieus aaneen tot een overtuigend beeld van een trots bouwwerk, dat in de zeventiende eeuw uiteindelijk voorgoed aan de elementen moest worden prijsgegeven.
Jur Bekooy, de bouwkundige medewerker van Groninger Kerken, gaat binnenkort met pensioen na een dienstverband van ruim veertig jaar. Aan het begin van zijn loopbaan heeft hij de laatste van de grote restauraties, waarmee het werk van de Stichting indertijd begonnen is, nog meegemaakt en begeleid. Daarna drong het aspect van de herbestemming zich nadrukkelijk op en in de laatste fase van zijn werkzaamheden zag hij zich geconfronteerd met de catastrofe van de aardbevingsschade ten gevolge van de gaswinning. Albert Reinstra, zijn collega, sparringpartner en soms ook opposant bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, belicht in zijn terugblik de vele gedaanten waarin hij Jur Bekooy heeft leren kennen als een – soms tegen wil en dank – gedreven monumentenzorger.
Bij het herstel van bevingsschade komt het vooral ook aan op een zorgvuldige omgang met de afwerkingslaag – de bepleistering waarop vaak schilderingen zijn aangebracht. Opgeleid als stukadoor heeft Daniël Oudman zich inmiddels ontwikkeld tot een ware specialist, die ambachtelijke finesse aan esthetische gevoeligheid weet te paren. In haar interviewreeks ondervraagt Tjitske Zuiderbaan hem over de uitdagingen, problemen en oplossingen, waarbij telkens weer een beroep wordt gedaan op de inventiviteit van de uitvoerder: elke situatie verschilt van de voorgaande.
De column wordt in deze zomerse aflevering verzorgd door Edwin Rutten. Mede door de vele vakanties die hij in zijn jeugd in Groningen heeft doorgebracht, is bij hem een grote genegenheid ontstaan voor het landschap, zijn bewoners en de oude kerkgebouwen. Al heel lang volgt hij het werk van Groninger Kerken. In zijn bijdrage onderstreept hij het belang van het behoud en het veelzijdige gebruik van de kerkgebouwen.
De komende tijd zijn er weer veel evenementen in de Groninger kerken, die het de moeite waard maken deze zomer op stap te gaan. Wij wensen u daarbij veel plezier.
Namens de redactie,


Pagina 6
Tjitske Zuiderbaan
Net als zijn middeleeuwse vakgenoten staat restauratiestukadoor Daniël Oudman vaak hoog boven de kerkvloer: ‘Ik ben vaak alleen aan het werk in de kerken en dan denk ik, hoeveel mensen hebben die schilderingen wel niet bekeken door de jaren heen, met verdriet of met vreugde.’
Pagina 21
‘Zonder wrijving geen glans’
Albert Reinstra
Na een dienstverband van ruim veertig jaar neemt Jur Bekooy afscheid als bouwkundige van Groninger Kerken.
Pagina 13
Kees van der Ploeg
De Torenkerk van Winsum is recent toegevoegd aan het bezit van Groninger Kerken, een goede aanleiding om behalve aan de overdrachtsceremonie aandacht te schenken aan de weinig beschreven bouwgeschiedenis.
Pagina 26
Column: ‘Iets weten hoeft niet tegen je te werken’
Edwin Rutten
In zijn jeugdjaren verbleef Edwin Rutten tijdens de zomervakanties op het Hogeland. ‘In deze belangrijke levensfase worden de eerste printplaten in het hoofd gemaakt, alles is nieuw, nog geen referentiekader. Deze andere wereld heeft mij voor het leven gevormd.’
Otto S. Knottnerus en Jan Pieter Koers
Enkele kilometers ten noorden van Midwolda stond bijna vijf eeuwen lang een van de grootste kerken die de provincie Groningen gekend heeft. Alleen het toponiem ‘Ol Kerke’ herinnert nu nog aan de locatie van dat bouwwerk, maar als symbool bleef de kerk langer bestaan.

Het in de Dollard verdronken land. Kopie uit 1722 van een zestiendeeeuwse kaart in het raadhuis van Emden. Collectie Groninger Museum, foto Marten de Leeuw.
Tjitske Zuiderbaan
Een witte trui als vliegende start voor een succesvolle carrière. Dat was het geval bij Daniël Oudman. Inmiddels is hij al achttien jaar een vrolijk bevlogen restauratiestukadoor, met hart en respect voor de geschiedenis. Je moet er wel ‘een
beetje gek voor zijn’, vindt hij. En iets in je geest hebben dat zegt ‘je móet’.
Zijn voorkeur gaat duidelijk uit naar gebouwen die al een heel leven achter de rug hebben. Nieuwbouwprojecten doet hij liever niet. Hij hanteert daarbij niet alleen de troffel, maar maakt ook zijn eigen elastische mortel die uitzet wanneer nodig. Ook de schilderskwast behoort tot zijn gereedschapskist. Als je die wandschilderingen toch moet gaat herstellen, dan ook maar meteen helemaal.
Het ‘oude’ werk
De witte trui werd gedragen door een voetbalvriend, die Daniël wel zag kijken. Als hij ook zo'n trui wilde, moest hij mee naar Duitsland. Om te stuken. Daniël was zestien en wilde best doorleren, maar de situatie was er niet echt naar. Daarom ging hij mee en leerde stuken en ‘zichzelf redden’. Na vijf jaar ging hij terug naar Nederland. ‘Dat was wel even wennen, zo’n andere cultuur dan de Duitse. Ik kwam al snel in het “oude” werk terecht. Dan ga je van het een naar het ander. Eerste kerk, tweede kerk, oud pand, oude gevel. De een nog unieker dan de andere. Je hebt verschillende eigenaren met verschillende vragen en je wilt elke vraag beantwoorden.

‘Ik denk dan aan die man die dit zeshonderd jaar geleden heeft geschilderd. Daar kijk
ik met respect op terug’
Zo rol je erin. En je moet het werk leuk vinden. Je gaat je verdiepen, doet een opleiding in Italië en Duitsland en je gaat naar symposiums. Met restauratoren Aafje Bouman en Nanon Journee, specialisten in het herstellen en conserveren van middeleeuwse muur- en gewelfschilderingen, verdiepen we ons nu bijvoorbeeld in het werken met ongebluste kalk.’
Respectvol terugkijken
Half kerkelijk is hij opgevoed. Zijn vader bracht hem kennis van de bijbel bij en Daniël vond godsdienst en catechisatie interessant. Vooral de boodschap spreekt hem aan. Al noemt hij zichzelf niet echt christelijk, affiniteit met kerken heeft hij zeker. ‘Ik ben vaak alleen aan het werk in de kerken en dan denk ik, hoeveel mensen hebben die schilderingen wel niet bekeken door de jaren heen, met verdriet of met vreugde. Daar ben ik me van bewust. Elke schildering heeft zijn eigen verhaal.’ In Loppersum werkt hij aan het Lam Gods. Daarvan heeft hij een deel verwijderd en dat moet hij vervolgens reconstrueren. ‘Ik denk dan aan die man die dit zeshonderd jaar geleden heeft geschilderd. Daar kijk ik met respect op terug.’
Naar de kerken
Daniël heeft inmiddels samen met zijn vrouw een eigen bedrijf met vijf werknemers. Een daarvan is de kleinzoon van Daniëls vroegere leermeester Appie. De geschiedenis herhaalt zich, hoewel zijn eigen kinderen niet staan te springen om in zijn voetsporen te treden. Naast restauraties verzorgt het bedrijf ook ‘gewoon’ stucwerk, zoals rietplafonds op mooie locaties, maar Daniël gaat meestal mee naar de kerken. ‘We werken overal, ook in Duitsland en Frankrijk. Door je eigen enthousiasme en door je werk goed te doen, word je beloond. In het begin wil je alles extra goed doen en dat rolt zich dan uit tot naamsbekendheid.’
Creatief
Om goed (restauratie)werk te kunnen leveren, is het belangrijk de achtergrond van schade te
onderzoeken. ‘Die oorzaak moet je begrijpen. Is er een lekke dakgoot of een vergaarbak, of komt het door een verbouwing? Hoe ga ik het herstellen zodat het goed blijft en niet te veel opvalt? Soms moet het juist opvallen als het onomkeerbaar is wat er gebeurd is. Hier moet je een beetje creatief voor zijn en je moet kunnen overleggen met eigenaren en architecten.’
Moedermallen
Daniël en zijn collega's maken onder meer reconstructies van stukplafonds. Hiervoor hebben ze een collectie mallen van de Stichting Monument en Materiaal uit Groningen overgenomen en ze verwachten nog een oude collectie uit 1890. In Nederland vormen zij met collega's een kleine groep die acht van de tien van de indertijd meestgebruikte mallen bezit. ‘Als er ergens een ornament kapot is of ontbreekt, hebben wij meestal wel de oude moedermal. Wij kunnen mensen bedienen door iets te gieten en monteren dat bij het karakter van het huis past. Soms moeten onderdelen bijgemaakt worden en dan vraag ik houtsnijder Tico Top om het in hout uit te snijden zodat wij er weer een mal van kunnen maken. We hebben gelukkig een groot netwerk waaruit we kunnen putten.’
Injecteren
Daniël werkt aan gebouwen die iedereen kent, waaronder paleis Het Loo. Maar de kerken van Eenrum of van Krewerd vindt hij minstens zo bijzonder. Mijnbouwschade herstellen aan huizen van gedupeerden raakt hem. Dat vindt hij dankbaar werk. In de Petrus en Pauluskerk in Loppersum herstellen hij en zijn collega’s momenteel de bevingsschade. ‘Er zitten scheuren in de muurschilderingen. Schilderingen hangen los. Verschillende herstelmethoden door de jaren heen hebben soms grotere schade aangericht. Oude restauraties verwijderen we in dat geval en we injecteren ze met een naald om ze vast te zetten. Vervolgens pleisteren we met ongebluste kalk en zand om ze daarna te retoucheren.’

Het herstel van een gescheurd gewelf in het koor van de kerk Loppersum met een schildering van Petrus en Paulus. Foto David Vroom.

Ongebluste kalk wordt hier door Oudman geblust met zand, voordat deze heet in de scheur wordt aangebracht. Foto David Vroom.



Na het herstel van de gewelfschilderingen in Noordbroek is het tijd voor de onderzijde van de wanden. Op een muur zijn door Oudman enkele proefstukjes opgezet, met steeds andere mengverhoudingen van kalk, zand, schelp en water. Foto’s Janna Bathoorn / Daniël Oudman.
Filosofie
De mortel waarmee de restauratoren werken, hebben ze herontdekt. ‘We werken met ongebluste kalk met zand. Vroeger maakten ze die kalk ter plekke. In Duitsland hebben we Maurermeister Alexander Fenzke leren kennen. Die vertelde dat deze techniek oorspronkelijk werd gebruikt. Nigel Copsey heeft er wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. We hebben drie dagen een symposium over dit onderwerp gevolgd en toen waren we overtuigd. Schone ongebluste kalk blus je met zand en water, dat wordt heet. En als je
die ook heet in een scheur aanbrengt, zo'n zestig graden, dan expandeert deze bij afkoeling, het zet uit. Dat is heel gunstig, het materiaal zet de reparatie namelijk klem. Van de ongebluste kalk maken we ook verf. Mocht er ooit een scheurtje inkomen, dan herstelt de kalk zichzelf. De kleine kalkdeeltjes die er nog inzitten beginnen weer te werken. Bovendien is het zacht materiaal. Je moet een gebouw als een menselijk lichaam zien, een reparatie met hard materiaal werkt niet. Dat is de filosofie erachter.’

Anders los
De laatste reconstructie van het Lam Gods in Loppersum was heel dik opgezet. ‘Het was wel mooi gedaan, maar het vuur spoot van de beitels af, zo hard was het cement. Harde cement is niet alleen slecht voor de constructie, maar houdt ook meer vocht vast. En het geeft spanningsverschil met nieuw pleisterwerk door trillingen en schommelingen in vocht. Omdat cement meer vocht vasthoudt dan de omgeving, begint dat te “etteren”. Elke scheur is anders, elke kerk is anders. In Middelstum was de schade enorm. In ’t Zandt weer heel anders. In Huizinge konden we de hand achter de schilderingen steken, zo los zaten die. Dan moet je dijkjes maken.
Ik heb ze van onderen uitgekapt, er klei achter gestopt en geïnjecteerd zodat het van achteren volloopt. Dat is weer een heel andere manier van restaureren. In Loppersum zit het anders los. Ook de pleisterlagen verschillen: in Noordbroek zaten er schelpen door, in Loppersum fijn zand, in Bierum grof zand. Dus het karakter is steeds anders en daardoor ook het herstel.’ Daniël heeft in de loop van jaren intuïtie opgebouwd met zijn werk. ‘Je bent aan het injecteren en dan denk je, ik moet even op het gewelf kijken, want waarom zit die scheur daar? Dan kijk je als een op de gewelven en ontdek je altijd wel iets, een trekbalk of iets constructiefs, vervuiling of lekkage? Je wilt je intuïtie eigenlijk altijd belonen.’

Over de auteur Tjitske Zuiderbaan (tekstjes@outlook.com) was tot haar pensionering in 2021 werkzaam op het bureau van Groninger Kerken. Ze schrijft regelmatig interviews en human interest-artikelen, onder meer voor Groninger Kerken en Terebinth; van dat laatste tijdschrift is ze ook redacteur.

De Torenkerk van Winsum met de opvallende toegangstrap.
Foto Protestantse Gemeente Winsum-Halfambt, Ellen Kadijk.
De kerk van Winsum is een opvallende verschijning die de – recente – benaming Torenkerk terecht draagt. Op de laatste winterdag is het gebouw, onder grote belangstelling van betrokkenen, als object 104 toegevoegd aan het bezit, maar bovenal aan de verantwoordelijkheid van de Stichting.
Weemoed, opluchting en vertrouwen Op vrijdag 20 maart is de kerk van Winsum door de Protestantse gemeente Winsum-Halfambt overgedragen aan Groninger Kerken. Zoals gebruikelijk bij een dergelijke ceremonie, ging deze gepaard met een zekere weemoed omdat de kerk na eeuwenlang gebruik voorgoed uit handen wordt gegeven, maar tegelijk heerste een gevoel van opluchting en vooral vertrouwen omdat het gebouw bij Groninger Kerken in goede handen is.
De voorloper van de huidige kerkelijk gemeente had die ervaring al lang geleden opgedaan, toen de deplorabele staat van de kerk in Obergum, het tweelingdorp aan de overzijde van het Winsumerdiep, de directe aanleiding vormde tot de oprichting in 1969 van de Stichting Oude Groninger Kerken en de Obergumer kerk een van de eerste grote restauratieprojecten werd.
Deplorabel was de toestand nu in het geheel niet: de kerk van Winsum is na de restauratie in de jaren 1975-1976 steeds zorgvuldig in stand gehouden. Niettemin drukte het onderhoud te zwaar op de krimpende geloofsgemeenschap, die daarom besloten heeft de vroegere gereformeerde kerk, die zeker na de recente verbouwing meer gebruiksmogelijkheden biedt, als plaats voor de reguliere erediensten aan te houden. Deze staat sinds het samengaan in 2004 van de Nederlandse Hervormde kerk en de Gereformeerde kerk bekend als ‘Centrumkerk’, terwijl de middeleeuwse kerk nu meestal als ‘Torenkerk’ wordt aangeduid. Jan Dijkstra, de voorzitter van het College van Kerkrentmeesters, maakte de aanwezigen deelgenoot van de overwegingen die tot het besluit van afstoting van de ‘Torenkerk’ hebben geleid. Nadat notaris Marieke Poort de akte van overdracht had toegelicht, werd deze onder haar toezicht door de
betrokkenen getekend. Daarop verwelkomde Riksta Zwart, voorzitter van de Raad van Toezicht van Groninger Kerken, met welgekozen bewoordingen de nieuwe aanwinst. De bijeenkomst werd muzikaal opgeluisterd door Pieter Pilon die twee voor orgel bewerkte kerksonates van W.A. Mozart speelde.
Bouwgeschiedenis
Over de kerk van Winsum is maar weinig gepubliceerd. De bouwgeschiedenis wordt beschreven in de brochure die Berend Raangs in 1983 heeft gepubliceerd.1 Eerst als medewerker van het architectenbureau Dubbeling en daarna bijna twintig jaar als restauratiedeskundige in dienst van de gemeente Groningen, is hij zijn hele werkzame leven betrokken geweest bij het werk van de Stichting.2 Raangs was echter ook gedurende een aantal jaren kerkvoogd in Winsum. Juist daarom was het zo aardig dat Jan Veltman, bewoner van de direct naast de kerk gelegen pastorie, bij de overdracht op de geschiedenis van het gebouw inging, en daarmee ook op die van het dorp, dat door de effectieve tegenwerking van de stad Groningen een gemankeerd stadje bleek te zijn.
Een zeventiende-eeuws westwerk?
De oudste kerk, mogelijk nog in de elfde eeuw gebouwd, was een bescheiden zaalkerk met een inspringend rechthoekig koor. De zuidmuur van het schip bevat nog voor een deel tufstenen metselwerk dat op deze periode teruggaat. In het laatste kwart van de dertiende werd in baksteen een nieuw, vijfzijdig gesloten koor gebouwd, even breed als het schip. In de zestiende eeuw gaat de collatie van de kerk van de familie Ripperda over op de stad Groningen, die hiermee een flinke bestuurlijke invloed in Winsum krijgt, maar het onderhoud van de kerk heeft daarna kennelijk te wensen overgelaten.


↑ De overdracht van de kerk aan Groninger Kerken op 20 maart jongstleden. Riksta Zwart, voorzitter van de Raad van Toezicht van Groninger Kerken, overhandigt na het passeren van de overdrachtsakte de symbolische euro aan Jan Dijkstra, voorzitter van het collegen van kerkrentmeesters. Foto Carla Wilts.
← De kerk omstreeks 1925-1930, nog zonder toegangstrap naar de hogere torenverdiepingen. Collectie Groninger Archieven, foto P.B. Kramer.


De kerk in de steigers tijdens de restauratie van 1975-1976. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, foto A.J. van der Wal.

De gedeeltelijke ontmanteling van de zuidmuur tijdens de restauratie in 1976, waarbij tufsteen tijdelijk zichtbaar werd. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, foto A.J. van der Wal.

Na de Sint-Maartensvloed van 1686 moest de westpartij met ingebouwde toren, die bouwvallig was geworden, van de grond af aan opnieuw worden opgetrokken. Deze ingrijpende operatie werd in 1693 voltooid. Dat maakt allerlei details begrijpelijk, zoals de hoekblokken aan de toren, maar verklaart niet dat in de opzet van dit deel een zogenaamd gereduceerd westwerk is nagevolgd. Waarschijnlijk was dit element in de twaalfde eeuw aan het schip toegevoegd. Verschillende kerken in Groningen en Friesland, maar ook een enkele in Gelderland, waren hiervan voorzien. Hierbij is het schip doorgetrokken langs de toren, die op de begane grond en de verdieping met bogen op deze zijruimten is geopend. In Doezum is van het gereduceerde westwerk alleen het deel aan de zuidzijde bewaard gebleven. In Bierum vinden we een volledig exemplaar, maar dan in baksteen. De zin van een dergelijke aanleg is nog steeds niet goed duidelijk; mogelijk ging het om zijkapellen. Wat de praktische betekenis ook precies mag zijn geweest, wel is duidelijk dat zo’n uitgebouwde westpartij het kerkgebouw een meer prestigieus uiterlijk gaf.3 Waarom men dat westwerk in de zeventiende eeuw volledig heeft herbouwd, is een groot raadsel. De oorspronkelijke functie was toen al lang verloren gegaan en ook het monumentale aspect zal in die jaren nauwelijks meer hebben aangesproken. Het meest waarschijnlijk lijkt het daarom dat in
de kern toch nog zoveel oorspronkelijk muurwerk overeind stond dat een algehele reconstructie, hoezeer ook gehuld in een zeventiende-eeuwse ommetseling, de meest logische oplossing voor dit bouwvallige deel van de kerk was. Daar staat tegenover dat de stadsbouwmeester Matthias Kruijff, die door de stad werd belast met de wederopbouw, veel minder tufsteen aantrof dan hij verwachtte te vinden. 4 Even merkwaardig is dat op enig moment na 1693 de hogere torenverdiepingen via een buitentrap toegankelijk zijn gemaakt. Op grond van sporen, die bij het aan de restauratie voorafgaande onderzoek zijn gevonden, is deze trap gereconstrueerd. Inmiddels is op verschillende plaatsen het hout niet meer te vertrouwen, zodat de toegang is afgesloten. Hier ligt werk voor Groninger Kerken als nieuwe eigenaar.
Latere wijzigingen
In 1787 werden aan de toren uitgebreide werkzaamheden verricht, bij de kerk liet groot onderhoud tot 1824 op zich wachten. Toen werd bij een ingrijpende onderhoudsbeurt de noordgevel grotendeel vervangen. Dat gebeurde echter zo onoordeelkundig dat bij de restauratie in 1975-1976 juist daar opnieuw veel viel te verbeteren. In 1869 is de kerk opnieuw flink onder handen genomen. Inmiddels was na bijna drie eeuwen in 1856 de collatie weer in plaatselijke handen gekomen. Het is denkbaar dat dit de aanleiding is geweest voor


↖ ↑ Het interieur in 1941, en kort na de restauratie van 1975-1976. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, foto’s A.J. van der Wal.
↓ Gezicht naar het koor van de kerk. Collectie Groninger Kerken, foto Johan Vegter.

deze werkzaamheden. De vensters werden flink vergroot en de ruimte kreeg een gepleisterd koofgewelf. Ook is toen het meubilair geheel vernieuwd, waarbij de herinneringen aan het Groninger stadsbestuur lijken te zijn verwijderd. Sinds 1634 stond in de kerk een raadsgestoelte met het stadswapen.5 Ook het wel bewaard gebleven avondmaalszilver uit de ‘Groningse periode’ draagt dit wapen. Opvallend is het decoratieve gebruik van gietijzer in de preekstoeltrap en bovenlangs het klankbord. Zelfs de nieuwe ‘herenbank’ tegenover de kansel is van een gietijzeren opzetstuk voorzien. Dit is in feite helemaal geen herenbank in eigenlijke zin, maar een van de twee voor de kerkenraad bestemde banken, die oorspronkelijk aan weerszijden van het koor waren opgesteld, met de preekstoel centraal in de koorsluiting. Na deze algehele herinrichting raakte het interieur in de loop van de jaren geleidelijk aan onttakeld. Zo werden de gietijzeren lichtkronen vervangen door nogal prozaïsche elektrische lampen. Bij de restauratie van 1975-1976 is de vroegere koorruimte zoveel mogelijk hersteld, dat wil zeggen dat de kansel en de kerkenraadsbanken hier werden verwijderd. De preekstoel is toen naar de zuidzijde verplaatst, maar daaraan moest wel een van de kerkenraadsbanken worden opgeofferd. Het gietijzeren opzetstuk hiervan is vervolgens als bekroning van de orgelbalustrade gebruikt. Deze ingrepen hebben ervoor gezorgd dat het ruimtebeeld nu meer zeventiende-eeuws aandoet dan in 1869 het geval was. Na de restauratie is in 1977 besloten om nieuwe lichtkronen naar het oorspronkelijke model te gieten. Ook van na de restauratie dateren de negentiende-eeuws aandoende wandlampen.
Orgel
In elk geval vanaf het midden van de zestiende eeuw was een orgel in de kerk aanwezig. Twee eeuwen later wordt een orgel van de Utrechtse orgelmaker Abraham Meere (1761-1841) tweedehands aangekocht. Dat moest in 1937 plaats maken voor een pneumatisch orgel van de firma Spiering uit Dordrecht. Bij de kerkrestauratie is besloten dit niet te handhaven – ook dit was inmiddels aan een ingrijpend herstel toe. In plaats hiervan kreeg de orgelmaker Mense Ruiter, die zich inmiddels op de Groninger orgelbouwtraditie was gaan oriënteren, de opdracht een nieuw mechanisch orgel te bouwen. In opzet en uiterlijk – met orgelluiken – grijpt dit instrument terug op de orgels uit de periode voordat Arp Schnitger in Groningen werkzaam was. Het aardige is nu dat dezelfde orgelmaker in 1993 in de Centrumkerk, toen nog de gereformeerde kerk, ook een nieuw orgel plaatste, maar nu geïnspireerd op het werk van Heinrich Hermann Freitag, rond 1800 een van de laatste vertegenwoordigers van deze roemruchte traditie, onder meer met het orgel in Oostwold, zijn zwanenzang uit 1811. In de beide kerken van Winsum vinden we dus een hedendaagse reflectie op de Groninger orgelbouw, die inmiddels ruim een halve eeuw weer volop in de belangstelling staat.

Over de auteur Dr. Kees van der Ploeg (c.p.j.van.der.ploeg@rug.nl) doceerde architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij schreef verschillende artikelen over Groninger kerken, onder meer in dit tijdschrift.
1 Berend Raangs, De Hervormde kerk van Winsum (Gr.) (Winsum 1983).
2 Vgl. Boppo Anbeek en Claudia Versloot, ‘In geuren en kleuren De carrière van restauratiedeskundige Berend Raangs aan de hand van vier projecten’, Hervonden stad. Jaarboek voor archeologie, bouwhistorie en restauratie in de gemeente Groningen (2009) 75-184.
3 Over de vroege periode van westwerken in de Karolingische en Ottoonse tijd is veel gepubliceerd. De meest recente samenvatting is: Dagmar von Schönfeld de Reyes, Westwerkprobleme. Zur Bedeutung der Westwerke in der kunsthistorischen Forschung (Weimar 1999). Naar het voorkomen van dit verschijnsel in de twaalfde en vroege dertiende eeuw is veel minder onderzoek gedaan. Een bestandopname van de gereduceerde westwerken in Nederland: J.J.F.W. van Agt, ‘Gereduceerde westwerken in het oude Friesland’, Nederlandsch Kunsthistorisch Jaarboek 3 (1950-1951) 57-81.
4 Vgl. Freerk Veldman, ‘De toren van Winsum en de bouwmeester Matthias Kruijff’, Historisch Jaarboek Groningen 2010 (Groningen 2010) 56-65, hier 62.
5 W.J. Formsma, ‘Kerk en klooster te Winsum’, in: S.S. Mensonides e.a., Winsums verleden (Groningen/Djakarta 1957) 125-150, hier 130.

Albert Reinstra
Na een dienstverband van ruim veertig jaar neemt Jur Bekooy binnenkort afscheid van Groninger Kerken. Als bouwkundige was hij bij een reeks van restauraties betrokken, maar in de loop van die vele jaren werd herbestemming steeds meer een uitdaging. Later kwam daar de aardbevingsproblematiek bij, waarvoor zowel tact als vasthoudendheid zijn vereist. Albert Reinstra, verbonden aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), heeft in uiteenlopende verbanden met Jur te maken gehad. In de onderstaande schets geeft hij bij wijze van vaarwel enkele ervaringen van hem en zijn collega’s weer.
Verder zonder Jur Het zal straks even wennen zijn, Groninger Kerken zonder Jur Bekooy. Geen lange gesprekken en uitvoerige discussies meer over restauraties, aardbevingsherstel, over schilderingen en bouwhistorisch onderzoek of over uitbreidingsmogelijkheden en toekomstperspectieven voor kerken. Stuk voor stuk interessante onderwerpen waar hij een uitgesproken mening over heeft en die in de afgelopen vijfentwintig jaar regelmatig ter sprake kwamen wanneer we elkaar beroepsmatig troffen, al dan niet met de betreurde Peter Breukink erbij, de directeur van de Stichting met wie hij het langst heeft samengewerkt. Dat samenwerken met Jur voor een overheidsambtenaar van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed soms best ingewikkeld kon zijn bleek toen ik een aantal (oud)-collega’s sprak. Het gezegde boven dit
stuk kwam bovendrijven. ‘Zonder wrijving geen glans’ typeerde de verhoudingen met regelmaat. Voor de regiocollega’s architectuurhistorici en bouwkundigen, die zich onder andere met planadvisering en instandhoudingssubsidies' bezighouden, viel het niet altijd mee wanneer er ineens een ambitieus plan opdook voor bijvoorbeeld de kerk van Onderdendam, Obergum, Overschild of Garsthuizen. Met een stelligheid en vol zelfvertrouwen wees Jur dan op alle voordelen van de nieuwe ingrepen of nieuwbouwplannen en vroeg hij zich hardop af waarom de RCE, met in zijn voetspoor dan ook regelmatig gemeente en plaatselijke commissie, soms zo kritisch was. Groninger Kerken was toch prima bezig en kijkt altijd vooruit. Niet instemmen met de plannen betekent stilstand, en stilstand is achteruitgang.

Eén van de laatste grote projecten van Jur: de aanstaande restauratie van het zestiende-eeuwse praalgraf van Rudolf Huinga in de kerk van Uithuizermeeden. Foto Duncan Wijting.

In de kerk van Leegwerk werden in 2013 een bescheiden, multifunctionele kubus geplaatst en zware, draaibare kastdeuren tussen schip en koor aangebracht. De toevoegingen, ontworpen door awg architecten uit Antwerpen, vergroten de gebruiksmogelijkheden van de kerk. Foto Harold Koopmans.
Dat er ook een andere, soepeler en vooral ook bereidwillige kant aan zijn opstelling is, heb ik vaak zelf ervaren. Daarbij denk ik aan zijn belangrijke inhoudelijke bijdragen op platforms of in magazines, aan projecten zoals het proces tot aanwijzing als rijksmonument van de Molukse kerk in Appingedam. Maar vooral ook het gezamenlijk, intensief optrekken bij de aardbevingsproblematiek, waarin ingrijpende versterkingsvoorstellen van het Italiaanse bureau Calvi, specialisten in dit onderwerp, aan de orde zijn. Of zijn misschien wel allerlaatste project, de restauratie van het unieke zestiende-eeuwse praalgraf van Rudolf Huinga in de kerk van Uithuizermeeden. Voor het behoud van dit monument dat in veel ongunstiger omstandigheden verkeert dan eerst werd aangenomen, zijn alle expertise en technieken uit de kast getrokken.
Restauratie en herbestemming Vanuit mijn functie als specialist kerkelijke bouwkunst met bouwhistorische expertise is het meestal ook wat gemakkelijker praten met Jur. Zijn interesse in de bouwkunst, het materiaal of de makers leidde ertoe dat voorafgaand aan ingrepen vaak een verzoek naar de RCE in Amersfoort ging om extra documentaire informatie over de kerk of een onderdeel daaruit. Kennis van de restauratiegeschiedenis en bouwfasering is immers essentieel voor het begrip van de huidige toestand en eventuele schadepatronen. In die geest heeft Jur zich in de loop der jaren steeds verder ontwikkeld, getuige bijvoorbeeld zijn column in het decembernummer 2003 van het blad Monumenten. Hierin neemt hij bouwhistorici nogal de maat waar het gaat over het in zijn ogen soms overschatte belang van de historische bouwsubstantie. ‘Restaureren is vernielen’, schreef de ‘fervent bouwkundige’ – zijn eigen formulering – een jaar daarvoor in zijn bijdrage aan het boek Kerkrestauraties in Groningen, dat verscheen bij het afscheid van voorzitter Harry de Olde. Verlies van authenticiteit is nu eenmaal onvermijdelijk en doet pijn. En, ook heel opmerkelijk: ‘alles is denkbaar met de huidige veelkleurige restauratievisie van de SOGK’. In beide genoemde bijdragen draagt Jur nadrukkelijk uit dat de zorg voor en het beheer van kerkgebouwen op de toekomst moet zijn gericht en afgestemd op de vraag uit de maatschappij.
De kerk als onderdeel van een ensemble Gebruik van de gebouwen, in welke vorm dan ook, was en is heilig voor Jur, en soms zijn daarvoor nu eenmaal wel eens ‘onorthodoxe keuzes’ nodig. Deze lijn heeft hij consequent en met succes gevolgd. Daarmee heeft hij soms kritiek, maar meestal – terecht – waardering en respect geoogst. Prijswinnende ingrepen als bij de kerken van Leegkerk, Garmerwolde of Klein Wetsinge zouden zonder Jurs inbreng, vasthoudendheid en oog voor kwaliteit in ontwerp en uitvoering niet de uitstraling hebben gekregen die ze nu vertonen. Ook zijn inzet voor het kerkensemble en de ruimte rondom het gebouw is te prijzen. Pastorieën, kerkhoven, beplanting en het beheer daarvan zijn
immers net zo belangrijk voor het aanzien en het landschap. Deze ‘omgevingsgerichte monumentenzorg’ heeft in 2016 tot de toekenning van de Gouden Terebinth geleid. Namens de Stichting nam Jur deze prijs in ontvangst voor de bijzondere inzet voor het behoud van ons funerair erfgoed.
Gespitst op innovaties
Op het vlak van innovaties liet Jur ook regelmatig van zich horen. Altijd is hij op zoek naar moderne, bij voorkeur maar niet noodzakelijkerwijze reversibele oplossingen, die iets toevoegen qua techniek en ontwerp. Ik kan me de versterkingsvoorstellen van tien jaar geleden voor de kerk van Woltersum nog herinneren, waar Jur wel iets zag in het toevoegen van stalen spanten aan de binnenkant. Deze zouden dan fraai vormgegeven uit een 3D-printer moeten komen. Hij was zijn tijd daarmee duidelijk vooruit, de geprinte stalen voetgangersbrug van Joris Laarman over de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam bijvoorbeeld zou pas enkele jaren later worden opgeleverd.
De mogelijkheden van 3D-scans en printtechnieken werden ook onderzocht bij het schadeherstel aan de Hippolytuskerk te Middelstum. Hier werkte Groninger Kerken mee aan een interessant pilotonderzoek van de technische universiteiten van Delft en Eindhoven. Van een vierkante meter gewelfschildering werd een zeer hoogwaardige scan gemaakt die vervolgens met de nieuwste apparatuur één op één werd uitgeprint. Het resultaat vormde een complex geheel waarin ondergrond, materiaal, laagopbouw, structuur en kleurgebruik bepalen of je met de kopie in de buurt kunt komen van het origineel. In zijn zoektocht naar het versterken van de kerkgebouwen, en dan in het bijzonder de eeuwenoude gewelven, zijn al heel wat oplossingen de revue gepasseerd. Meer dan ooit staat Jur hier voor het belang van het voortgaande gebruik, maar als het er echt op aan komt, verdedigt hij toch het aspect van authenticiteit. Hierin is hij misschien tegen wil en dank toch veel meer de monumentenzorger die hij soms voorgeeft niet te willen zijn.

Over de auteur
Albert Reinstra studeerde architectuurgeschiedenis aan de RUG en werkt sinds 1997 bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Als bouwhistoricus en senior-specialist kerkelijke bouwkunst adviseert en publiceert hij over kerkinterieurs, de herbestemming van kerken en uiteenlopende bouwhistorische onderwerpen.
Edwin Rutten Column
Altijd ben ik geïntrigeerd door historische gebouwen en kerken. Telkens vraag ik me weer af: hoe kregen de bouwers het voor elkaar? De visie, het bouwplan, de constructies, de materialen, de bogen, het beeldhouw-, houtsnij- en metselwerk, de tierelantijnen.
Mijn eerste kennismaking was in Groningen, met de noeste, bonkige, hoekige, sobere, trouwe, zwijgende kerken van het Hogeland. En de Martinitoren natuurlijk. Later de Grote Kerk in Edam, die op omvallen stond, de Oldehove in Leeuwarden, de geschiedenis van de kerk- annex vuurtoren in Goedereede. Dan de kerken in Rome – ik was inmiddels zeventien jaar.

De Garsthuizer kerk. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, foto A.J. van der Wal.
Kleine of grote kerken? Maakt mij niet uit. ‘In het kleinste ligt het grootste reeds besloten’, leerde mij professor H.M.J. Oldewelt bij het college filosofie. Wat ben ik de mensen erkentelijk die met vurig hart vechten voor het erfgoed, soms tegen de verdrukking in. Bouwwerken zijn in één keer te slopen, maar ze tot in de eeuwigheid laten bestaan, vraagt een continue daad van liefde en historisch besef. Het is zoals in de eerste strofe van ‘In de steigers’, één van de negenennegentig orgelliedjes (met tekst van Willem Wilmink en muziek van Harry Bannink) die ik als Orgelman zong in het televisieprogramma ‘Klokhuis’:
Ik zag nog nooit een kathedraal of hij had steigers: een portaal of een rozet, een straalkapel of een transept, één stuk was altijd wel behept met zo’n skelet.
Mijn binding met Groningen
Op doorreis geboren in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Vanaf mijn vierde tot mijn dertiende jaar de grote zomervakantie doorgebracht op een boerderij in Garsthuizen. Gemengd bedrijf. Het uitdelen van de loonzakjes op vrijdag, pet in de hand. Zwanen in de gracht, de machtige stier in een getralied hok, de grote moestuin, de koperen waterpomp in de keuken.

Bakkerij Hulst in Garsthuizen. Annex telefooncentrale, kruidenierswinkel, café en veehouderij. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, foto A.J. van der Wal.
De zichtmachine, de eerste vlasplukmachine, de Lanz Bulldog, de John Deere, de Belgische werkpaarden, rijdend voelde ik mij de stripheld Eric de Noorman. Rodeo op een koe. Hoe vaak kwam ik bij de smid in Garsthuizen en keek naar het beslaan van de paarden, het porren in het vuur, de blaasbalg, de slagen op het vonkende aambeeld. En bij bakkerij Hulst, de telefooncentrale, om met stekkers en snoeren de telefoon door te verbinden in het dorp. Zaterdagmiddag mocht ik als tienjarig kereltje in m’n eentje oefenen met de tractor om achteruit aanhangwagens de schuur in te rijden. Aan het eind van de vakantie op 28 augustus feest in Groningen, afsluiten met de paardenrennen in het Stadspark en in de trein terug naar Amsterdam. In deze belangrijke levensfase worden de eerste printplaten in het hoofd gemaakt, alles is nieuw, nog geen referentiekader. Deze andere wereld heeft mij voor het leven gevormd.
Tijdmachine
En zo kwam ik in 2025 in de Akerk in Groningen. Een concert met ‘mijn’ versie van de Mattheus, ‘Voor kinderen en andere volwassenen en voor volwassenen en andere kinderen.’ Een Mattheus in zeventig minuten. Na afloop van de twee concerten kreeg ik van de hartelijke medewerkster van de Akerk Elise van der Willik het boek De kerk als tijdmachine Een schot in de roos.
De start is het jaar nul en je reist door via de kerk van tufsteen, naar baksteen, laat romaans, gotisch, via beeldenstorm, godsdienststrijd, protestante adel, de Bataafse Republiek (ah ja, mijn geheugen wordt opgefrist) naar 1970 tot heden. Illustraties. Duidelijke uitleg. Dankzij Groninger Kerken en de Tijdmachine is mijn interesse vergroot voor kerken, architectuur, kerkgeschiedenis en cultuurhistorie. Met plezier lees ik zelfs de advertenties van de ondernemers die het restauratiewerk als hun vak hebben. Leve het ambacht.
Het is een mooi cadeau voor het jonge volk. Ik zie ouders en grootouders al zitten met de (klein)kinderen, plaatjes kijken en vertellen. Vertel dat iedereen een fantasieknopje op z’n hoofd heeft. “Ja, voel maar, ja…draai het maar om krrrk, dan zie alles in je hoofd wat ik vertel. Hoe heet die poes op dat plaatje? Wat doet de hondenslager? Wat is een borg? Is Sinterklaas een dakruiter?’
En bij het samen lezen wordt een zaadje geplant. Vanaf dat moment kijken kinderen en andere volwassenen anders naar kerken. Mijn relativerend motto is ‘Iets weten hoeft niet tegen je te werken’. Zij zien dat tijden veranderen en dat zij zelf deel uitmaken van geschiedenis. Het heden is het verleden van de toekomst.
Ik kijk uit naar de volgende GK. Krrrk, mijn fantasieknopje op volle toeren.
Moi!

Over de auteur Edwin Rutten studeerde psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en is zanger, presentator, acteur en auteur. Hij schrijft en vertelt onder andere verhalen bij klassieke muziek. Hij ontving de oeuvreprijs voor zijn serie Klassiek for Kids. Generaties opgroeiende kinderen zijn vooral vertrouwd met ‘De Film van Ome Willem’, een programma dat hij zestien jaar lang speelde op televisie en in het theater. Hij maakte vanaf het eerste uur deel uit van de cast van Het Klokhuis.
Otto S. Knottnerus en Jan Pieter Koers
De Sint-Janskerk van Midwolda in het Oldambt was een van de grootste kerken van de regio. De drieschepige romaanse kruiskerk met vier torens werd gebouwd in de dertiende eeuw en overleefde de inbraken van de Dollard, maar werd in 1709 alsnog afgebroken. Deze bijdrage geeft een overzicht van een bewogen geschiedenis van vijf eeuwen.


Boerderij Ol Kerke aan de Kerkelaan te Midwolda, voor de afbraak in 2011. De statige boerderij werd rond 1750 gebouwd aan de rand van het voormalige kerkhof van de Viertorenkerk. Foto Hardscarf / Wikimedia Commons.

De kaart van Cornelius Edskens, circa 1638 (zie afbeelding rechts).
Baksteen op de kwelders
Daar stond hij dan, midden op de kwelders en aan de rand van het slik: een robuuste kruiskerk met vier spitse juffertorens, eigenlijk een basilica met een hoog oprijzend middenschip – een gebouw zo imposant dat men het eerder in een stad dan in dit open landschap zou verwachten.1 Een baken ook voor schepen die de Eemsmonding binnenvoeren, en tegelijk een symbool van onverzettelijkheid dat naar een trots verleden verwees.
Rondom het kerkhof lag een laag dijkje dat de resten van de oude kerkhofmuur bedekte. Aanvankelijk was dit kerkhof niet meer dan een primitieve schans, in 1514 aangelegd door graaf Edzard van Oost Friesland om de scheepvaart naar Emden te beschermen. 2 In de luwte van het hoge kerkgebouw stonden de dorpskroeg en de langgerekte pastorieboerderij, met daarnaast een flinke schuur en vermoedelijk nog enkele woningen, alles grotendeels met riet gedekt. Op de bekende Dollardkaart van 1574 verschijnt hier een steenhuis, kennelijk de middeleeuwse pastorie die in 1578 als een kymnade (kemenade) wordt omschreven. 3 Landinwaarts in een laag gelegen veld bevond zich het vervallen Grijzevrouwenklooster, dat kort na 1594 gesloopt. De rest van de bevolking was rond 1500 voor de Dollard gevlucht en had zich teruggetrokken op de hogere zandgronden. Volgens Ubbo Emmius was het dorp al een keer eerder verplaatst, vermoedelijk naar een voormalig dorpslint ter hoogte van het nonnenklooster, aansluitend bij de middeleeuwse bewoning van Scheemda en Oostwold.4 Deze huizenrij was echter weer verdronken toen het veen ging inklinken. Op de kwelders lagen de restanten van tientallen steenhuizen, soms nog boven het maaiveld. De overlevering telde er – met flinke overdrijving – maar liefst 180.
De contouren daarvan zijn dikwijls op luchtfoto’s te zien. Landbouwers die rond 1900 op zoek waren naar puin voor wegverharding konden daarvan volop profiteren. Zo kwamen ook de fundamenten van het Grijzevrouwenklooster aan het licht, terwijl verder oostelijk aan het Koediep een ander groot gebouw werd aangetroffen.
Het dorp Midwolda zelf bestond in de zestiende eeuw uit een reeks boerderijen die werden omringd door akkers en houtwallen. De Dollardkaart van schoolmeester Cornelius Edskens van omstreeks 1638 toont een lange rij Friese langhuizen – langgerekte veestallen met een stenen voorhuis, soms zelfs een steenhuis, vaak geflankeerd door een vrijstaande graanschuur en omgeven door een gracht. Daartussen stonden de eenvoudige behuizingen van het minder voorname volk.
Sommige deftige boerderijen groeiden later uit tot ware buitenplaatsen, met fruitboomgaarden, singels en duiventillen: de voormalige borg van de Tiddinga’s, de hofstede van de familie Clinge (rond 1700 uitgebouwd tot Ennemaborg) en het middeleeuwse steenhuis van de Huninga’s te Oostwold. Ook het kloostervoorwerk Nijenhuis, eigendom van het Grijzemonnikenklooster bij Termunten, moet al rond 1500 naar de hogere gronden zijn verplaatst, net als de tweede pastorie (de vicarie).5 Op het hoogste punt van het dorp stond verder een tweede kloosterboerderij – het Grysevrouwen Vorwarck – vlakbij de korenmolen op de Meulenbarch, die eigendom van de kerkelijke gemeente was. 6 En daarachter strekte zich het kale hoogveen uit, schaars begroeid met kreupelhout, aan de horizon het nonnenklooster van Heiligerlee en het eikenstruweel van het Kloosterholt.

↑ Kaart van landen en venen aan de Dollard, door schoolmeester en organist Cornelius Edskens uit Scheemda, circa 1638 (datering op basis van genealogische gegevens van S.H. Abels). Binnendijks staan de kosterij en de pastorieboerderij met het koehuis en een vrijstaande schuur. Collectie Nationaal Archief.
→ Het Dollardgebied op de provinciekaart van Christiaan s’Grooten, 1573. Collectie Koninklijke Bibliotheek van België.
↓ De kerk op een kopie van de Dollardkaart van Jacob van der Mersch uit 1574 in het verzamelwerk Trifolium Aureum van Timon Rudolphi te Emden, c. 1680. De afbeelding stemt overeen met slordige kopieën door Allard Verburgh (1734) en Jacob van Cleeff (1827). Collectie Stadtarchiv Emden.





↑ Fragment van een psalmboek uit de periode 1150-1250 met de vermelding ‘Wilbrando scriptore’ en de toevoeging ‘de Middawalda’. Het perkament werd rond 1500 gebruikt om een gedrukt boek te kaften. Universiteitsbibliotheek Groningen, uklu INC 64, schutblad.
↖ De klok van Uitwierde, gefotografeerd in 1940, door Johannes Bremensis in 1516 gegoten voor de kerk van Midwolda. Het randschrift begint met een afbeelding van patroonheilige Johannes de Doper, die ook in de tekst genoemd wordt: ‘IN HONORE IO[ANN] EIS BAPTISTA, PATRON’. Collectie Groninger Archieven.
Midwolda was in de zestiende eeuw nauw met de zee verbonden. Het kerkhof fungeerde als aanlegplaats voor turfschepen en handelsvaartuigen. De export richtte zich vooral op Emden, hemelsbreed zo’n 22 kilometer verderop – ruim een halve dag varen. De meeste boeren bezaten weide- en hooiland aan de overzijde van de Dollard, in Midwolder- en Oostwolderhamrik (het huidige Nieuwolda). Het hooi werd met platboomde schuiten of hoybullen naar huis gebracht.7
De laaggelegen zomerpolders werden aanvankelijk door een kade en sinds 1573 door een zeedijk beschermd.
Een register uit 1556 noemt de utherdycken , weerlanden , meeden en uthmeeden , met perceelsnamen die verwezen naar vroegere bezitters van het land dat door de zee was overspoeld. 8 In deze polders stonden verspreide boerderijen op lage wierden tussen blauwgras- en rietlanden, grotendeels op de stroomruggen van de middeleeuwse rivier Munter Ae, van waaruit het landschap ooit was ontgonnen. Ook rond Midwolda werden in 1558 een nieuwe zeedijk aangelegd, die de middeleeuwse kerk opnieuw met het achterland verbond. De zeesluis kwam bij Oostwold te liggen.
Hervormingsgezinden
De gemengde boerderijen waren relatief groot, zeker vergeleken met de rest van het Oldambt. Een deel van de oude boerenfamilies was welgesteld; enkele boerenzoons konden studeren. Twee van hen schreven zich in 1551 in aan de universiteit van Luther en Melanchthon te Wittenberg.9 Beide werden later kerkvoogd, een van hen tevens hopman van de schutterij, terwijl een derde kameraad uit Winschoten landrichter van het Wold-Oldambt werd. De nabijheid van het reformatorische Emden liet zich duidelijk voelen: Midwolda had tenminste sinds 1552 een hervormingsgezinde pastoor. Dat was Gerardus Nicolai, een geleerde zwingliaan die in 1567 naar Norden uitweek.10 Mogelijk was ook zijn voorganger al luthersgezind. De radicale reformatie vond eveneens weerklank onder de boerenstand. Nicolai besteedde jaren aan het vertalen en actualiseren van een theologisch geschrift van Heinrich Bullinger, waarin de leerstellingen van wederdopers en andere sektariërs werden bestreden. Zijn geleerde dorpsgenoten lazen met hem mee. Of de Beeldenstorm van 1566 ook in Midwolda effect had, weten we niet. De kerkrekeningen zijn beknopt en soms moeilijk leesbaar, maar ze vermelden wel diverse herstelwerkzaamheden, waaronder het bereiden van witkalk. 11 Ook noemen ze het orgel, dat vanaf 1563 enkele jaren door de bekende orgelbouwer Andreas de Mare (Andrewes orgelmacker) werd onderhouden. De orgeltrapper die de blaasbalg bediende, komt geregeld voor. In 1595 wordt het instrument voor het laatst genoemd. Volgens een negentiende-eeuwse sage was het orgel zo krachtig dat de klanken tot in Emden te horen waren, maar dat lijkt sterk overdreven; waarschijnlijk ging het om een kleiner instrument, vergelijkbaar met dat in Krewerd, Scheemda of Rysum.12
De kerk had zwaar te lijden onder oorlogsgeweld en stormvloeden. In het voorjaar van 1570 roofden de watergeuzen de miskelken en andere kostbaarheden; de nieuwe pastoor werd gegijzeld en vermoord, terwijl de vicarius zijn rechteroor verloor. Nog datzelfde jaar volgde de Allerheiligenvloed, en drie jaar later ontstond een diepe doorbraakkolk waarin een volledig schip verdween. De huidige kolk naast het kerkterrein zal uit deze periode dateren.13 In 1580 werd opnieuw een gereformeerde predikant aangesteld en feestelijk ingehaald, maar al spoedig moest ook hij vluchten. Zijn opvolger, de verkapte lutheraan Gerard Weemhoff, afkomstig uit Westfalen, wist het Spaansgezinde bewind gunstig te stemmen. Diens opvolger had zelfs in het lutherse Rostock gestudeerd.14 Intussen diende kerkvoogd Menno Tiddinga in het Staatse leger en spoorde hij zijn dorpsgenoten aan beschermgeld te betalen.15 Het Groningse stadsbestuur liet dit niet ongemoeid. In 1584 legerde het Spaansgezinde troepen in de kerk. Terwijl zij het kerkhof tot schans uitbouwden, stortte een van de zijarmen – het cruyselwarck – in. Ook het altaarkleed raakte beschadigd en de gewelven moesten worden onderstut. Om aan hout en stenen te komen kochten de kerkvoogden de vervallen slaapzaal van het Grijzevrouwenklooster.16 Of de zijbeuk daarna volledig is hersteld, blijft onzeker; op latere afbeeldingen ontbreekt hij vaak. Tegelijkertijd werden de polders aan de overzijde van de Dollard onder water gezet en bewaakt door een tweede Spaanse schans: de Wagenborger- of Nijezijl te Oostwolderhamrik. Pas in 1593 verdreven Staatse troepen de Groningse stadssoldaten uit de kerk; kroniekschrijver Eggerik Phebens noemt hen spottend ‘koopmansknechten’.17
Veenontginners
Hoe kwam Midwolda aan zo’n voorname kerk?
De Viertorenkerk was de hoofdkerk van het WoldOldambt, een veenontginnersdistrict dat zich in de twaalfde eeuw had losgemaakt uit een groter geheel, waartoe ook Oostelijk Fivelingo behoorde.
De Wittewierumkroniek vermeldt in 1201 een conflict tussen de Termunters en de Woldjers (Menternes et Silvanos).18 Beide landsdelen – Menterne en Menterwolde – bleven ook daarna gezamenlijk verantwoordelijk voor het sluizencomplex bij Termunten aan de monding van de Munter Ae, dat volgens de overlevering uit drie sluiskokers bestond, net als in Delfzijl.19
De bouw van de kerk zal kort na de Vierde Kruistocht (1204) zijn begonnen, toen relieken van Johannes de Doper vanuit Constantinopel op de West-Europese markt verschenen. De Groningse Martinikerk wist zelfs een hele onderarm van de heilige te verwerven. Deze reliek bevond zich kennelijk in een gouden schrijn van 3½ voet (ruim één meter), die in 1413 door krijgsheer Coppen Jarges werd geroofd en omgesmolten tot goudguldens. 20
Datering van dit soort gebouwen is vaak lastig. Kunsthistorici gingen er lang van uit dat ‘romaanse’

kerken ouder waren dan ‘romanogotische’, maar inmiddels is duidelijk dat verschillende laatromaanse stijlen tot ver in de dertiende eeuw naast elkaar voorkwamen. De introductie van de baksteenbouw in deze gewesten valt rond 1200 te plaatsen. 21
De Vier Tooren of Viertoornde Kerke – zoals zij later werd genoemd – staat afgebeeld op het landschapszegel van het Oldambt, waarvan de oudste afdruk uit 1347 dateert. 22 In de kruiskerk vonden volksvergaderingen en rechtszittingen plaats voor het Wold-Oldambt, onder meer in 1399. In 1471 werd hier het landrecht van de beide Oldambten vastgesteld, en nog in 1565 werd er recht gesproken. 23 Ook de kerkelijke rechtspraak (seend) van het Wold-Oldambt werd hier uitgeoefend; in 1585 moest de vertegenwoordiger van de proost van Farmsum hiervoor als vanouds persoonlijk naar Midwolda komen, zoals de Oldambtsters al in 1325 hadden bedongen. 24 De pastoor van Midwolda gold als de belangrijkste geestelijke van het Oldambt; zo adviseerde hij in 1399 hoofdeling Eilt Gockinga van Zuidbroek. 25 De Gockinga’s domineerden lange tijd de regio, totdat Groningse stadssoldaten hun macht in 1438 inperkten. Een klok uit 1516, nu te Uitwierde, vermeldt de namen van de pastoor en beide vicarii. De vroegst bekende geestelijke is Wilbrandus de Middawalda, kopiist van een psalter rond 1200. 26 Mogelijk stamde hij uit het adellijke geslacht van de Wibrenda mannen uit Menterwolde (Mentensilva), waartoe ook een
priores van het klooster te Heiligerlee behoorde. De Wittewierumkroniek noemt meerdere adellijke families uit Midwolda en Menterwolde die onderling in conflict lagen. 27
Twee opgravingen
Onze kennis van de Viertorenkerk berust vooral op twee grootschalige opgravingen. In maart 1951 legde archeoloog Herre Halbertsma van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek een deel van de fundamenten bloot, in opdracht van de Dollard Commissie van het Natuurkundig Genootschap te Groningen. In 1944 was hij betrokken bij de opgraving van het Grijzevrouwenklooster. 28 In juni 1994 volgde een nieuwe opgraving onder leiding van Jan Molema (Biologisch Archeologisch Instituut), die belangrijke correcties aanbracht op het beeld dat Halbertsma eerder schetste. Vlakbij onderzocht hij een middeleeuws steenhuis. 29 De kerkplaats was al eerder bewoond. Schelpenverschraald kogelpotaardewerk wijst op bewoning vanaf de tiende of elfde eeuw.
De eerste kolonisten groeven kaarsrechte afwateringssloten vanaf de oevers van de Munter Ae –waar nu het dorpslint van Nieuwolda ligt – tot diep in het hoogveen richting Heiligerlee. Net als in Duurswold zochten zij hoger gelegen plekken die permanent bewoonbaar waren. Onder het metersdikke veen bevond zich hier een langgerekte zandrug, tot ruim twee meter

← Sarcofaag, vermoedelijk uit de twaalfde eeuw, gevonden bij de opgraving in 1994. Foto J.P. Koers.
→ Opgravingsplattegrond van de Midwolder kerk. Uit: J. Molema, ‘De middeleeuwse kerk van de veenontginningsnederzetting Midwolda’ (2013). Tekening J.H. Zwier, Groninger Instituut voor Archeologie.
↑ Archeoloog Herre Halbersma bij een gedeeltelijk blootgelegde sarcofaag. Foto: Nieuwsblad van het Noorden, 9 maart 1951.

boven zeeniveau, die door zijn afwijkende begroeiing van verre zichtbaar moet zijn geweest. Halbertsma veronderstelde dat het terrein pas toegankelijk werd nadat een laag rivierklei over het veen was gespoeld. Hij vond delen van de kerkhofmuur, stenen grafkelders en een boerenerf met haardstee en tredmolen. De begraafplaats lag ten zuiden van de kerk. Het gehele kerkterrein mat circa 90 bij 100 meter. Molema ontdekte bovendien de brede gracht die het complex omgaf en het goed verdedigbaar maakte. En ook vond hij een vuurplaats waar rond 1280 een kerkklok is gegoten. Het dorpsgebied van Midwolda strekte zich tevens uit ten noorden van de rivier, vanouds begrensd door de Siepsloot en het Hondshalstermaar. De oudste verkavelingslijnen sluiten aan bij de wierdedorpen langs de Eemsoever, maar wie het initiatief tot de ontginning nam, is onbekend. Het oorspronkelijke landschap is moeilijk te reconstrueren. Tot de ruilverkaveling in de jaren zeventig waren hier restanten zichtbaar van kleinschalige ontginningen, met enkele wierden en corresponderend met oudere microtoponiemen als Brorsz Bult, Kruidhof, Hoffvenne, Woltlane, Corenswold, Nonnegat en Monnikemaar. De nabijgelegen kloosters bezaten hier omvangrijke landerijen, die vermoedelijk nog werden uitgebreid met gronden van eigenaren die de dijklasten niet konden dragen. De kerklanderijen lagen midden tussen het kloosterbezit.
‘Het oorspronkelijke landschap is moeilijk te reconstrueren’

Klooster Menterwolde
Stond de oudste dorpskerk misschien op een andere plek, bijvoorbeeld dichter bij de rivier?
Bij de Viertorenkerk zijn weliswaar brokjes tufsteen gevonden, maar die lijken te zijn aangevoerd van elders. Ook kwamen er meerdere zandstenen sarcofagen aan het licht die ouder zijn dan de kerk zelf. De overlevering wijst naar de boerderij ‘Dijkvliet’ in Nieuwolda-Oost (Hoofdweg-Oost 8), waar fundamenten van een kapel zouden zijn aangetroffen. 30 Toch ligt het meer voor de hand te denken aan het Benedictijner dubbelklooster Campus Sylvae of ‘Woldkamp’, dat in de eerste helft van de dertiende eeuw te Nieuwolda werd gesticht. Het was namelijk – aldus kloosterkenner Hans Mol –niet ongebruikelijk dat een monastieke gemeenschap zich vestigde rond een vrijgekomen dorpskerk. 31
Achter de voormalige kloosterboerderij ‘De Olde Stoeve’ (Hoofdweg-Oost 6) legde archeoloog Halbertma in november 1951 een grafveld bloot, maar zonder sporen van gebouwen. In 1975 werden langs de oprijlaan fundamenten van een mogelijk poortgebouw gevonden, en in 1998 kwamen bij werkzaamheden in de schuur resten van funderingen te voorschijn. 32 Het klooster werd in 1247 onder de naam Montrevald (Menterwolde) opgenomen in de orde van de cisterciënzers, op voorwaarde dat monniken en nonnen voortaan gescheiden zouden leven. De nonnen verhuisden naar het Grijzevrouwenklooster te Midwolda. 33 Het moederklooster in Aduard stuurde daarna in 1259 een nieuwe groep monniken, die uiteindelijk terecht
Klooster- en kerkbezit en kerspelgrenzen in delen van Fivelingo en het Oldambt.
Paars = Grijzemonniken en Grijzevrouwen
Blauwgrijs = Heiligerlee
Groen = Heveskesklooster
Rood = Kerk-, pastorie- en kosterijbezit.
Pijlen betreffen kerspelgrenzen die georiënteerd zijn op de kerk van Wagenborgen en Heveskesklooster.
Reconstructie op basis van HisGis en B.W. Siemens, Historische atlas van de provincie Groningen (1962), aangevuld met achttiende-eeuwse kaarten van voormalig kloosterbezit, gegevens van R. Alma en M. Glas (in Gruoninga 2004), en bedrijfshistories bij Emmelkamp, Boerderijen Delfzijl en eigen materiaal over Nieuw-Scheemda.
kwam in het Grijzemonnikenklooster te Baamsum bij Termunten. Volgens de Aduarder kloosterkroniek gebeurde deze laatste verhuizing pas in 1299, maar de abt van het nieuwe klooster wordt al in 1276 genoemd. 34 De verplaatsing had mogelijk te maken met wateroverlast vanwege het inklinkende veenoppervlak. Bij de totstandkoming van het Termunter Zijlvest heeft het klooster vermoedelijk een sleutelrol gespeeld. 35 Toen de kroniek omstreeks 1485 werd geschreven, was het oude klooster al lang in de Dollard vergaan. Men wist nog wel te vertellen dat in de voormalige kapel drie abten waren begraven. De plek kwam stond bekend als d'Olde Stove , Olde Stoeve of De Stoeff – ‘de oude plek’ – naar het Oudfriese woord stō of stōd , Oudengels stōw ‘plek, plaats’. Een notitie in een zestiende-eeuws missaal uit het Grijzemonnikenklooster omschrijft de locatie als een buitendijks veenmoeras, een vledder midden in de Dollard. 36 De landerijen kwamen in handen van de provincie; de boerderij werd vermoedelijk eerst binnendijks verplaatst en later opnieuw op het kloosterterrein opgebouwd.
Kernparochie
De gegevens wijzen erop dat Midwolda oorspronkelijk deel uitmaakte van een uitgestrekte kernparochie, waarvan later de dorpen Eexta, Scheemda, Oostwold en mogelijk ook Wagenborgen zijn afgesplitst. De vier eerstgenoemde dorpen vormden één rechtstoel.37 Misschien droeg deze kernparochie de naam Menterwolde, als dochternederzetting van Termunten of Menterne

Gouden mantelspeld met een maansteen, vervaardigd in het Rijnland omstreeks 1100, gevonden op de wierde van Heveskes. Het sieraad getuigt dat de toenmalige dorpsheer mogelijk contacten had met kringen rond het koninklijke hof. De detectorvondst werd in 1993 gedaan door Jan Tillema in het kader van opgravingen op de wierde. Collectie Groninger Museum, foto John Stoel.
De onderlinge verwevenheid van grondbezit ondersteunt dit beeld: een deel van het kerkenland van Scheemda lag in Midwolda; de kerk van Eexta bezat land in Scheemderzwaag; en Oostwold zou via het land van de familie Huninga verbonden zijn geweest met Woldendorp. 38 Opvallend is bovendien dat deze kerken ook landerijen rond Appingedam bezaten, mogelijk ooit geschonken door de families van de kerkstichters. 39 Daarentegen vormden Finsterwolde en Oost-Finsterwolde (Veenhuizen) een afzonderlijk ontginningsblok, samen met de Johannietercommanderij Goldhoorn. Dit gebied werd aan de noordkant begrensd door het latere eiland Munnekeveen, waar de Grijzemonniken en Grijzevrouwen eveneens bezittingen hadden (samen met de kerk van Oostwold). Of Finsterwolde – net als Noord- en Zuidbroek – behalve een eigen rechtstoel ook een eigen kernparochie vormden, moeten we in het midden laten.
Het grondbezit van de kerk van Midwolda vormde één geheel met dat van het klooster Menterwolde. Koor en altaar van de Viertorenkerk lagen in de opstrek van de kloosterheerd, in een kavel die pas later uit het kerkbezit werd losgemaakt. Alles wijst op een omvangrijk goederencomplex dat mogelijk teruggaat tot de vroegste ontginningen. Molema vermoedt dat de Viertorenkerk rond 1200 is gesticht door de bisschop van Münster, of wellicht door een rijksklooster.40 Maar het is even goed denkbaar dat er een oudere kerkstichting elders aan vooraf ging.
In tegenstelling tot het Reiderland, waar duidelijke sporen bestaan van vroegmiddeleeuws grootgrondbezit, ontbreken dergelijke aanwijzingen voor het Oldambt. De goederenregisters van de rijksabdij Werden aan de Ruhr noemen – afgezien van de Wilderhof bij Wagenborgen – hier uitsluitend wierdedorpen langs de kust.41 Voor het achterland bieden deze bronnen geen bewijs voor vroeg adellijk of kerkelijk grondbezit. Toch is het denkbaar dat de commanderij Oosterwierum (Heveskesklooster) net als zusterinstellingen elders kon voortbouwen op oudere bezitsrechten. De landerijen van de Johannieters rond Heveskes sloten aan bij die van de cisterciënzers in het Oldambt. Meer naar het westen behoorden Eelshuis, Wilderhof en een deel van Meedhuizen tot het bezit van dezelfde commanderij.42 In deze omgeving werden bovendien een Karolingische muntschat en een (hergebruikte) crucifix gevonden. De ruimtelijke samenhang suggereert dat ook hier een ouder goederencomplex heeft bestaan, dat banden had met de ontginningsdorpen dieper landinwaarts.43 Heveskes zelf lijkt in de hoge middeleeuwen een belangrijk machtscentrum te zijn geweest. Het versterkte huis van de dorpsheer kreeg een centrale plaats op de wierde, waardoor kerk en pastorie genoegen moesten nemen met een plek aan de rand. Een kostbare gouden mantelspeld met een maansteen uit het Rijnland, gedateerd rond 1100, wijst op contacten tussen de dorpsheer en het koninklijke hof. Ook het veer over de Eems bij Oterdum – indirect vermeld in 1285 – zal op een koninklijk privilege teruggaan, hetgeen de bijzondere

Afdruk van het zegel van het Oldambt met randschrift SIGILLUM ALDAH OMBECHTE, naar een afdruk uit 1405 in het Utrechts archief. Het zilveren zegelstempel was tenminste in gebruik sinds 1337. Uit: P.J. Blok, Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, deel 1 (1896).
Oldambt
Moederdorp
(Fiemel, Dallingeweer)
Groot-Termunten
Klein-Termunten †
Oterdum
Fivelingo
Achterland
Finsterwolde
Woldendorp (Grijzemonniken) Zwaag † (Goldhoorn)
Borgsweer (Lalleweer) (De Heemen) (Oostwolderhamrik) Oostwold (Midwolderhamrik) Midwolda
Heveskes
Weiwerd
Farmsum (Ideweer)
Wagenborgen
Meedhuizen (Wilderhof, Eelshuis) (Scheemderhamrik)
Opwierde (Tjuchem) Siddeburen
Scheemda Oostwold † Noordbroek (Rommelskerken †)
Zuidbroek Eexta
Figuur: Reconstructie van ontginningsblokken en relatie met de moederdorpen in Oostelijk Fivelingo en het Oldambt, circa 900-1200
status van deze nederzetting onderstreept. Pas rond 1400 werden de dorpen van de Oosterhoek (Heveskes, Weiwerd en Oterdum) geüsurpeerd door de proost van Farmsum, nadat de Ackingaborg te Heveskes door strijdende partijen was vernield.44
Ontginningslijnen
Voor het Oldambt kunnen we slechts gissen naar de vroegere situatie. De landerijen van de Viertorenkerk liggen in het verlengde van het voorwerk van de Grijzemonniken te Lalleweer, in rechtstoel en kerspel Borgsweer. De kronkelende grens tussen Fivelingo en het Oldambt zet zich voort in de richting van de Viertorenkerk. De westelijke sloot van de kerkheerd (nu de Kerkelaan) is uitgelijnd in de richting van Heveskesklooster. De landerijen van het Grijzemonnikenklooster zelf vormden één geheel met die van het voorwerk Lesterhuis, een uithof van het premonstratenzer nonnenklooster te Heiligerlee. Het klooster zelf lag in het kerspel Klein-Termunten, waarvan de oude tufstenen dorpskerk na 1566 werd gesloopt. De aanlegplaats bij de riviermonding (Montanhae) wordt al in de tiende eeuw vermeld als bezit van de rijksabdij Werden.45 Wagenborgen lijkt daarentegen te zijn gesticht vanuit Farmsum en Weiwerd. Het kloosterland dat het Grijzemonnikenklooster hier verkreeg, grenst direct aan het Farmsummer kerkenland. Met dit grondbezit belandde ook het patronaatsrecht van de dorpskerk bij dit klooster.
Op grond van dit alles kunnen we veronderstellen dat Midwolda een dochternederzetting was van de decanaatskerk van Farmsum, maar grotendeels op het grondgebied van de heerlijkheid Heveskes en de kernparochie Klein-Termunten. Het nieuwe kerspel werd voorzien van omvangrijk grondbezit in het oude en het nieuwe land, waarvan een deel werd doorgeschoven naar de cisterciënzers. Wagenborgen maakte zich mogelijk als eerste weer los uit dit nieuwe verband, gevolgd door Eexta, Scheemda en Oostwold.
In Midwolda verrees intussen een nieuwe kerk, die uitgroeide tot de hoofdkerk van het hele district. De nieuwe grens tussen Midwolda en Scheemda werd daarna gevormd door een kaarsrechte sloot die gericht was op de Petruskerk van Wagenborgen die kennelijk al langer bestond. Dit laatste dorp bleef voorlopig bij Fivelingo, maar koos in 1435 – samen met andere dorpen – alsnog voor aansluiting bij het Oldambt onder bescherming van de stad Groningen. De proost van Farmsum kon zijn aanspraken hier kennelijk niet verder doorzetten.
Tegen deze achtergrond wordt tevens duidelijk waarom de Viertorenkerk zo’n uitzonderlijk monumentaal karakter kreeg. Qua omvang – het gebouw moet zo’n 60 meter lang zijn geweest – kon de Viertorenkerk zich namelijk meten met grote stadskerken als in Groningen, Norden en Deventer. Sommige abdijkerken als die van Aduard, Ihlow (bij Aurich),
‘Het westwerk met zijn dubbele torens plaatste de kerk van Midwolda in het rijtje van de belangrijkste bisschopsen kapittelkerken van het Duitse Rijk.’
Klaarkamp, Wittewierum en Egmond, waren nog imposanter. De Walfriduskerk van Bedum kwam in de buurt. Onder de Friese plattelandskerken betrof alleen de kruisbasiliek van Marienhafe (circa 1250) die van Midwolda in schaal. Deze hoofdkerk van het Brokmerland – een veenontginningsdistrict dat zich in de twaalfde eeuw van het Norderland had losgemaakt – had slechts één robuuste toren, maar was rijk versierd met zandstenen sculpturen naar de nieuwste Franse mode.46 Het beeldhouwwerk, grotendeels verloren gegaan in de negentiende eeuw, omvatte een breed spectrum aan kerkelijke en wereldlijke motieven. De Viertorenkerk was soberder uitgevoerd, wellicht door de nauwe banden met het nabijgelegen cisterciënzerklooster, waar overdaad taboe was. Niettemin moet de bouw van het monumentale complex een enorme indruk hebben gemaakt in de regio en het aanzien hebben versterkt van de adellijke families die de grandioze plannen mogelijk maakten. Het westwerk met zijn dubbele torens plaatste de kerk van Midwolda in het rijtje van de belangrijkste bisschops- en kapittelkerken van het Duitse Rijk. In de Friese gewesten hadden vermoedelijk alleen de Liudgerikerk te Norden en de stadskerken van Emden, Jever en Sneek een vergelijkbare façade. Daarnaast waren er kleinere dorpskerken met twee torens, zoals Leermens en mogelijk Varel. Wat Midwolda echter werkelijk onderscheidde, waren de beide koorflanktorens. Samen met de zwaardere westtorens gaven zij het gebouw het silhouet van een symbolische burcht. De vier torens verwezen – zo wordt wel gedacht – naar het Hemelse Jeruzalem en belichaamden tegelijk de kracht en autonomie van de eigen gemeenschap.47 Deze vormgeving sloot aan bij de grote Rijnlandse kerken – vooral die in Keulen – en bij de keizerlijke domkerken van Speyer, Mainz, Worms en Bamberg. De symboliek daarvan vond ook zijn weg naar de stads- en landschapszegels, die dikwijls als visitekaartje fungeerden. Het zegel van de Viertorenkerk was wellicht mede geïnspireerd door dat van de Groningse Martinikerk uit 1267.48 Kroniekschrijver Eggerik Beninga meende te weten dat de vier torenspitsen in 1413 werden gebouwd in
opdracht van Reinste Abdena, dochter van hoofdeling Hiske Abdena van Emden. Misschien kregen de torens toen een gemetselde spits als vorm van herstelbetaling, omdat Reinste’s vader als leider van de partij der Vetkopers medeverantwoordelijk was voor het roven van de kerkschatten.49 Maar de torens zelf waren veel ouder en fungeerden mogelijk zelfs als voorbeeld voor andere kerken, zoals de Martinuskerk te Bunde. Twee zusters uit Norden zouden in 1288 de beide flanktorens van de Andreaskerk hebben gefinancierd, zo beweerden zestiende-eeuwse kronieken.50 Vergelijkbare (maar recentere) zwerfsagen over rijkdom en boetedoening zijn bekend over de Groningse juffertorens. Ze werden ook verteld over de dubbele torens van de Bergkerk te Deventer en van de dorpskerken te Wirdum (Fr.), Leermens, Altenbruch, Broager en Reculver (Kent).51
Gemeenschapskerk
Toch week de kerk van Midwolda, net als veel andere kustkerken, af van het klassieke Rijnlandse westwerkmodel. Hoewel de buitenzijde de taal van de macht sprak, was het gebouw in de eerste plaats een gemeenschapskerk: een parochiekerk zonder kanunniken, waar bestuur en liturgie in handen lagen van de dorpspriesters en de plaatselijke elite. Anders dan de gesloten westgevels in het Duitse binnenland opende de toegangspoort zich naar een tussenportaal dat rechtstreeks toegang gaf tot het schip. Daardoor kreeg de westpartij een publieke functie die haaks stond op de hiërarchie van de Rijnlandse stiftskerken. Boven de ingang bevond zich waarschijnlijk een afzonderlijke ruimte, mogelijk een kapel of loge – maar of deze via openingen of arcaden met het schip verbonden was, valt archeologisch niet meer vast te stellen.
Deze opzet sluit aan bij een bredere tendens waarbij de westzijde uitgroeide tot een publieke toegang, zoals in de domkerken van Bremen, Ribe en Lund. Het portaal fungeerde voortaan als liturgische drempel: een symbolische overgang van buiten naar binnen, van profaan naar sacraal, van doop naar altaar. Deze nieuwe ruimtelijke benadering gaf de westpartij een opener en duidelijker geordende vorm dan het klassieke Ottoonse westwerk.

← Fragment uit de kaart van Bontko Bennens: Landen tot Midwolda in den Oldambte gelegen, 1690. De kaart toont de klokkentoren van de Viertorenkerk, de pastorieboerderij en de doorbraakkolk, omringd door een lage dijk. De kosterij is weggekrast, maar komt wel op andere kopieën voor. Collectie Groninger Archieven.
↓ Koekijzer van zijlvester Frerick Reints uit Scheemda met een afbeelding van de Viertorenkerk. Omschrift: ‘Proeft ende smaakt, Eer gij het prijst ofte laakt, anno 1713’. Links (in spiegelbeeld) het westwerk met de toegangspoort. Collectie Groninger Museum, foto Heinz Aebi.



De kerk van Midwolda uit 1738, gezien uit het zuiden. De vier siertorentjes of pinakels op de hoeken van het kerkdak zouden een verwijzing zijn naar de verdwenen middeleeuwse Viertorenkerk. Foto Duncan Wijting.

← Drukblok of cliché van gegoten messing voor het bestempelen van papieren tabakszakken, circa 1850 (met hierboven een afdruk). De tabakswinkel 'In 't Oldambtster wapen' van Pieter Koning was tot 1920 gevestigd in de Oosterstraat te Groningen. Rondom de kerk liggen koloniale waren als koffiebonen, zuidvruchten en een rol tabak gedrapeerd. Collectie Cultuurhistorisch Centrum Oldambt / Amsterdam Pipe Museum.
De expositie Viertorenkerk, symbool van het Oldambt is van 21 juni tot en met 4 oktober te bezichtigen in de dorpskerk van Midwolda en in het bezoekerscentrum van de Ennemaborg. De tentoonstelling vertelt het verhaal over de verdwenen kerk met archeologie, geschiedenis en kunst. Daarop aansluitend is een verhalende wandelroute door het Midwolder landschap ontwikkeld in samenwerking met Veldatlas, waarmee de Viertorenkerk voor je ogen weer tot leven komt.
Openingstijden zaterdag en zondag van 12:00 tot 17:00
Meer informatie www.chcoldambt.nl | www.veldatlas.app
Verval en sloop De Viertorenkerk trotseerde eeuwenlang de aanstormende golven van de Dollard, maar uiteindelijk was haar lot bezegeld. De bewoners profiteerden van de inpolderingen, maar hadden te kampen met modderige dijken en ondergelopen kleilanen die de kerkgang weinig aantrekkelijk maakten. Daarom kreeg het dochterdorp Nieuwolda in 1647 een eigen predikant, met een pastorie aan de Kerkelaan. ’s Winters werden de diensten voortaan in de dorpsschool gehouden. De dorpsvertegenwoordigers van Midwolderhamrik reserveerden alvast grond voor een nieuwe kerk, richtten rond 1663 een begraafplaats in en bestelden stenen. Maar het kerspel Midwolda verzette zich vooralsnog: de schuldenlast was te groot.52 Het achterstallige onderhoud eiste intussen zijn tol. In maart 1667 stortte de noordwestelijke toren in en viel dwars door het gewelf. Het Gronings stadsbestuur hakte daarom de knoop door en stelde gronden van het Grijzevrouwenklooster beschikbaar voor een nieuw kerkgebouw in Midwolda. In juni van dat jaar werd het Heilig Avondmaal voor het eerst gevierd in de dorpsschool oftewel het vernieuwde Oude Schoolehuis 53 De predikant verhuisde naar een haastig aangekochte boerderij bij de Meulenbarch , terwijl het Pastoorie Bouhuijs (de pastorieboerderij) en de kosterij werden verhuurd.54 Van de kerk zelf bleef – als we de landmeterskaarten mogen geloven – al snel weinig meer over. Alleen een klokkentoren stond nog overeind, totdat in 1695 een klokkenstoel op het nieuwe kerkhof werd gebouwd.55 De oude klokken werden verkocht. Op 21 november 1709 gaf het Groningse stadsbestuur toestemming de ‘oude ruineuse kerk’ helemaal te slopen. De restanten van de ‘vervallene vier toornde kerke en toorens … so is om gevallen, als ’t geene nogh is staande,’ werden opgekocht door de stad. De kloostermoppen waren bestemd voor de dijkverzwaring. Het kerkhof, dat nog in 1704 door beide dorpen werd gebruikt, bleef eigendom van de kerk.
Nieuwolda kreeg in 1718 als eerste weer een eigen kerkgebouw; Midwolda volgde in 1738 met de voltooiing en inwijding van de huidige kerk. De nieuwe pastorie, gebouwd in 1734, was speciaal bestemd voor de pas beroepen predikant Wilhelmus Schortinghuis. De pastorieboerderij werd in 1746 verkocht en een jaar of vijf daarna vervangen door een grote Oldambtster boerderij met zes tasvakken. Het gebouw werd in 2011 gesloopt.56
Wat daarna van de Viertorenkerk resteerde, waren vooral afbeeldingen op wapenschilden, uithangborden, koekijzers, broeksknopen en tabakszakjes.57 Het Groningse stadsbestuur was erg beducht dat de Oldambtsters opnieuw trots zouden ontlenen aan dit symbool en liet daarom in 1698 het middeleeuwse zilveren zegelstempel vernietigen. Tevergeefs: in mei 1748 trok een Oldambster vrijkorps bewapend de stad Groningen binnen, fier voorop een vaandel met de Vier-Toorende Kerk 58 Ook later bleef het beeld voortleven: de kerk sierde het wapen van het Termunterzijlvest (1819), het waterschap Oldambt (bevestigd in 1962) en de gemeente Midwolda (1894).


Over de auteurs
Jan Pieter Koers en Otto Knottnerus delen sinds ruim vijftig jaar hun passie voor de geschiedenis van het Oldambt. Koers publiceert veelvuldig over de voormalige gemeente Scheemda, Knottnerus schrijft vooral over het internationale Waddenlandschap.
1 J. Molema, ‘De middeleeuwse kerk van de veenontginningsnederzetting Midwolda’, in: K. Essink ed., Stormvloed 1509 Geschiedenis van de Dollard (Groningen 2013) 75-94; O.D.J. Roemeling, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640 (Leeuwarden 2019) 558-561 (online onder de titel: Corpus Roemeling). Verdere bronnen en achtergronden in de wikipedia-artikelen Midwolda, Viertorenkerk, Menterwolde (klooster) en Wapen van het Termunterzijlvest.
2 Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, ed. F.A.H. van den Hombergh en E.O. van der Werff (Den Haag 2012) 356.
3 Groninger Archieven (voortaan: GrA), toegang (tg.) 262, inv.nr. 26: Kerkrekeningen, fol. 81, 132, 138, 142.
4 U. Emmius, ΠΕΡΙΗΓΗΣΙΣ, id est accurata descriptio chorographica Frisiae Orientalis (Amsterdam 1616) 38; J. Feikens en J.P. Koers, ‘Bewoning in het Oldambtster veen’, Duvekoater 29 (2016) nr. 57, 27-32; nr. 58, 25-30.
5 S.H. Abels e.a., De boerderijen in het ‘Wold-Oldambt ’ (z.pl. 1997) 217-226 (nr. 41 en 42), waar Nijenhuis met de kerkboerderij Ol Kerke verward wordt.
6 R. van Roijen en W.J. Formsma ed., Diarium van Egbert Alting 1553-1594 (Den Haag 1964) 135.
7 J. van den Broek, ‘Graven bij Stootshorn: de verbinding tussen Groningen en het Oldambt gedurende de oorlogsjaren 1580-1594’, in: G. Collenteur e.a. ed., Stad en regio: Opstellen aangeboden aan prof. dr. Pim Kooij bij zijn afscheid als hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen (Assen 2010) 99-113, aldaar 103.
8 R.H. Alma, ‘Schatregister van Midwolda (1556)’, Gruoninga 55 (2010) 194-201.
9 O.S. Knottnerus, ‘Luther in Groningen’, Stad & Lande 27 (2018), nr. 1, 36-41; Roemeling, Patroonheiligen, 365-366.
10 S.B.J. Zilverberg, ‘Gerardus Nicolai’, in: D. Nauta e.a. ed. Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, dl. 3 (Kampen 1998) 342; J. Huninga, Oratio funebris in honorem amplissimi ... dni. Eggrici Eggæi Phebens (Groningen 1616) B1vs.
11 Kerkrekeningen, fol. 56, 87, 163.
12 J.G. Rijkens, ‘Mijn onderzoek te Midwolde in het Oldambt’, Almanak ter Bevordering van Kennis en Goeden Smaak 18 (1845) 62-94, aldaar 72.
13 Diarium Alting, 265. H. van der Ham, A.J. Langbroek en G. Smit, Het verhaal van de kolken in het Dollardgebied (Assen 2024) 177, t.o. 184.
14 S. Zijlstra, Het geleerde Friesland – een mythe? (Leeuwarden 1995) database nr. 7921.
15 H. Brugmans en J.A. Feith ed., De kroniek van Abel Eppens tho Equart (Amsterdam 1911) dl. 2, 12.
16 Kerkrekeningen, fol. 144, 146, 152; Diarium Alting, 602, 605
17 E.E. Phebens, Kroniek van Groningen 1565-1595, ed. Z. von Martels (Hilversum 2023) 291.
18 H.P.H. Jansen en A. Janse ed., Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum (Hilversum 1991) 226-227.
19 K. ter Laan, Prophecye van Jaarfke (Groningen 1933) 39.
20 Benninge, Chroniken, 41.
21 K. van der Ploeg, ’Laatromaanse architectuur. Betoverende baksteenvariaties’, in: J. Kroesen en R. Steensma ed., De Groninger cultuurschat. Kerken van 1000 tot 1800 (Assen/Groningen 2008) 18-45; G. Vermeer, Kloosters van baksteen. De architectuur van de hervormingsorden in Nederland tot omstreeks 1300 (Amsterdam 1999) 59-112; K. Emmens, ‘De oudste Friese baksteen. Een heroriëntatie op de introductie en vroege toepassing van baksteen in Friesland en Groningen’, in: Th. Coomans en H. van Royen ed., Medieval Brick Architecture in Flanders and Northern Europe: The Question of the Cistercian Origin (Koksijde 2008) 72-113.
22 J.A. de Boo, ‘Over het verdwijnen van de kerk uit het Oldambt’, Heraldisch Tijdschrift 17 (april-juni 2011) 57-61.
23 U. Emmius, Rerum Frisicarum historia (Amsterdam 1616) 242, datering naar A.S. de Blécourt, Oldambt en Ommelanden (Assen 1935) 93; R. Alma, ‘Het Oudfriese landrecht van het Oldambt’, Us Wurk 49 (2000) 2-45, aldaar 26-27; Diarium Alting, 144.
24 W.B.S. Boeles, ‘De hoofdbronnen eener geschiedenis van het kerkelijk regtswezen der Friezen onder het Munstersch bisdom’, Bijdragen tot de Geschiedenis en Oudheidkunde, inzonderheid van de Provincie Groningen 3 (1866) 148-171, aldaar 164-165; Kerkrekeningen, fol. 65, 145.
25 H.O. Feith ed., Werken van de Ommelander jonker Johan Rengers van Ten Post (Groningen 1852-1853), 91. Huninga, Oratio, B1vs (1471).
26 Universiteitsbibliotheek Groningen, uklu INC 64 (schutblad). Jos Hermans meldde dat het tekstfragment het jaartal 1318 zou bevatten, maar dit blijkt niet uit de beschikbare scans. De tekst wordt gedateerd op de periode 1150 tot 1250. J.M.M. Hermans, Boeken in Groningen voor 1600: Studies rond de librije van de Sint-Maarten (Groningen 1987) Bijlage: 362 boekbeschrijvingen, p. 236. Vriendelijke mededeling van conservator Adrie H. van der Laan, UB Groningen, april 2026.
27 H.Th.M. Lambooij en J.A. Mol ed., Vitae Abbatum Orti Sancte Marie. Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland (Hilversum 2001) 484-485; Jansen en Janse, Wittewierum, 445, 473.
28 H. Halbertsma, ‘Sporen van verdronken dorpen en verlaten Cisterciënser kloosters. Dollardgebieden (Groningen)’, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Nederland 3 (1952) 18-20. Plattegrond bij H.M. van den Berg, ‘De middeleeuwse kerken van Oostfriesland in de litteratuur’, Bulletin KNOB 71 (1972) 22-24, aldaar t.o. 23.
29 Molema, ‘De middeleeuwse kerk’; Idem, ‘Een steenhuis te Midwolda (Oldambt, Gr.)’, Paleo-aktueel 6 (1995) 129-132; J.P. Koers, ‘Opgraving van de viertorenkerk van Midwolda’, Historische Vereniging Gemeente Scheemda nr. 14 (oktober 1994) 6-10.
30 R. Georgius en L.A.H. de Smet, Honderd jaar Landbouwvereniging “Nieuw-Scheemda-Nieuwolda” (Nieuwolda 1960) 35, 111-113 (BNW 29).
31 Vriendelijke mededeling van Prof. dr. J.A. Mol, april 2026.
32 Halbertsma, ‘Overzicht’; Idem, ‘Smalagonia. Bijdrage tot de geschiedenis van het Oldambt’, De Vrije Fries 42 (1955) 118-131, aldaar 129-131; J. Molema e.a., Nota archeologie gemeente Oldambt (Groningen 2010) 49, bijlage nr. 6808, 6831.
33 J. Feikens en J.A. Mol, ‘De nieuwbouw van het cisterciënzer klooster Menterne, ca. 1290-1300. Een verkenning van de ruimtelijke structuur’, Groninger Kerken 32 (2015) 1-12, aldaar 2-4; A. Willebrands, ‘De St.Benedictusabdij te Menterwold’, in: Cîteaux in de Nederlanden 7 (1956) 215-223.
34 J. van Moolenbroek, De abtenkroniek van Aduard (Hilversum 2010) 60, 266-267; P.J. Blok e.a., Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, dl. 1 (Groningen 1899) nr. 147.
35 S.J. Fockema Andreae, Studiën over waterschapsgeschiedenis, deel 6: Oostelijk Groningen (Leiden 1950) 8-10.
36 O.S. Knottnerus, ‘Verdronken dorpen’, Groninger Kerken 28 (2011) 3-8, aldaar 4; G. A[cker] Stratingh en G.A. Venema, De Dollard of geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems (Groningen 1855) 45, 322.
37 Vgl. J. Molema, ‘Van de Mieden, Egeste en Broke. De middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis van het zuidwestelijk Wold-Oldambt in kort bestek’, Groninger Kerken 10 (1993) 129-136, aldaar 135; Rengers, Werken, dl. 1, 73.
38 Boerderijen ‘Wold-Oldambt’, nr. 44b; Gelders Archief, tg. 908: Van Rhemen, inv.nr. 7H2, fol. 727vs (Huninga).
39 J.E. Emmelkamp, De historie van boerderijen en molens in de gemeente Appingedam (Bedum 2005) 124, 346; Idem, Boerderijen, borgen en buitenplaatsen, steenfabrieken en molens rond Delfzijl (Bedum 2017) 658; Diarium Alting, 173.
40 Feikens en Mol, ‘Nieuwbouw Menterne’, 5; Molema, ‘Ol kerke’, 90.
41 W.A. Ligtendag, De Wolden en het water. De landschaps- en waterstaatsontwikkeling in het lage land ten oosten van de stad Groningen vanaf de volle middeleeuwen tot ca. 1870 (Groningen 1995) 51, 62, 68-69, 77-78, 322-323; W. de Vries, Groninger plaatsnamen (Groningen 1946) 298.
42 G.F. Noordhuis, Johannieters in Stad en Lande. Geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13de-17de eeuw) (Warffum 1990) 73-84. De erve Wilderhof en mogelijk ook het Grashuis werden omstreeks 1470 verkocht aan Unico Ripperda; GrA, tg. 1473, inv.nr. 83.
43 O.S. Knottnerus, ‘Reclamations and Submerged Lands in the Ems River Estuary (900–1500)’, in: E. Thoen e.a. ed., Landscapes or Seascapes? The History of the Coastal Environment in the North Sea Area Reconsidered (Turnhout 2013) 241-266, aldaar 249; H.A. Groenendijk en R.W.M. van Schaïk, ‘Het Noorden tussen Karolingische expansie en
Noormannendreiging’, ca. 750-ca. 1000’, in: M.G.J. Duijvendak e.a. ed., Geschiedenis van Groningen, dl. 1 (Zwolle 2008) 101-123, aldaar 112, 115-118.
44 P.B. Kooi, K. Klaassens en J.H. Zwier, ‘Een onbekend steenhuis te Heveskes (Gr.)’, Paleo-Aktueel 5 (1993) 115-119; P.B. Kooi, ‘Sporen in het land: een onbekend steenhuis te Heveskes’, Stad & Lande 3 (1994) afl. 1, 8-12; R. Alma, ‘Adel en recht rond de Delfzijlen’, in: Emmelkamp, Delfzijl, dl. 1, 38-59, aldaar 44-45, 55; Knottnerus, Natte voeten, vette klei Oostelijk Fivelingo en het water (2e dr. Bedum 2015) 38, 51. Rengers van Ten Post situeert de Ackingaborg te Weiwerd, maar verwijst elders naar Heveskesklooster. Werken, dl. 1, 141, 263-264.
45 S.H. Abels en D.F. Kuiken ed., Oldambtster Warfsminuten 1563-1592 (Groningen 1996) nr. 145, 176; Ligtendag, Wolden, 68, 320; De Vries, Plaatsnamen, 159, 252-255.
46 J.G. Schomerus, Die Marienkirche von Marienhafe. Der “Dom” im Brookmerland (2e dr. Norden 1993). Zie voor Oost-Friesland verder H. Haiduck, Die Architektur der mittelalterlichen Kirchen im ostfriesischen Küstenraum (2e herz. dr. Aurich 2009).
47 H. van Lengen, ‘Karl der Große, Jungfrau Maria und andere Heilsbringer als Garanten und Patrone Friesischer Freiheit. Zu den Siegeln der Landesgemeinden Frieslands im Mittelalter’ in: Idem ed., Die Friesische Freiheit des Mittelalters: Leben und Legende (Aurich 2003) 90-133, aldaar 96-97; R. van Schaïk, ‘Imago. De beeldtaal van middeleeuwse corporatieve zegels uit Groningen’, Historisch Jaarboek Groningen (2012) 6-23, aldaar 11.
48 De Boo, ‘Verdwijnen’; Van Lengen, ‘Karl der Große’, 96; Ulrich Lamm, ‘Kirchendarstellungen in mittelalterlichen Siegeln und Stifterbildern’, https://gebaut.eu/bremerdom/Siegel_Stifterbilder.html (geraadpleegd 1 april 2026).
49 Eggerik Beninga, Cronica der Fresen, ed. L. Hahn en H. Ramm (Aurich 1961-64) dl. 1, 255; dl. 2, 846. Zie ook E. Friedländer ed., Ostfriesisches Urkundenbuch, dl. 1 (Emden 1878) nr. 235. De torens waren ‘tot boven toe van steen’: H. van Rhijn, Oudheden en gestichten van Groningen en Groningerland, mitsgaders van het Land van Drent (Leiden 1724) 461 (tekst rond 1700).
50 Haiduck, Architektur, 112-113, 117-118; T.D. Wiarda, Ostfriesische Geschichte, dl. 1 (Aurich 1791) 265.
51 Hs. Kremer, Beknopte aardrijkskundige en geschiedkundige plaatsbeschrijving der Provincie Groningen (3e dr. Groningen 1839) 244, 400; J. Cohen, Nederlandsche sagen en legenden (Zutphen 1917) 259; L. Bechstein, Deutsches Sagenbuch (Merseburg en Leipzig 1930) 157.
52 Roemeling, Patroonheiligen, 576; M. Hillenga, R. Reinders en A. van der Woud ed., De Atlas van Beckeringh (Zwolle 2016) kaart 72 en 74; R. Georgius et al., Boerderijenboek Nieuwolda / Nieuw-Scheemda [deel 2] (Nieuwolda 1998) 62-66.
53 Roemeling, Patroonheiligen, 558, 560, 567; GrA, tg. 1605, inv.nr. 14, p. 424 (20 juni 1668); tg. 262, inv. nr. 1, p. 54; datering naar J.I. Harkenroht, Oostfriesche Oorsprongkelijkheden (Groningen 1731) 319.
54 GrA, tg. 731, inv.nr. 7121, fol. 435-436 (1667), 461 (1668), 514 (1670); inv.nr. 7122, fol. 17 (1679).
55 GrA, tg. 817, inv.nr. 1339 (1690); GrA, tg. 1605, inv.nr. 13252, fol. 96 (1695).
56 Opregte Nieuwe Groninger Courant, 5 april 1746; J.P. Koers, ‘Zeldzame ankerbalken in boerderij Ol Kerke’, Duvekoater 25 (2011) nr. 49, 19-22.
57 J.P. Koers, ‘De viertorenkerk, beeldmerk van de Oldambtster identiteit’, Duvekoater 60 (november 2017) 29-32; H. Perton, ‘Oldambtster zegel versmolten in zegel van Stad’, Weblog Groninganus, 28 april 2010 (geraadpleegd 1 april 2026).
58 Echt verhaal van de onlusten, voorgevallen in de Provintie Groningen (Amsterdam 1748) 153.
In opdracht van Groninger Kerken werkt kunstenaar Reinder Homan aan een bijzondere serie van vier etsen. In elke ets staat een Groninger kerk centraal, telkens verbeeld in een ander seizoen.
Met het verschijnen van Zomer | Kerk Wittewierum krijgt de serie van Reinder Homan een sfeervol zomers vervolg. Voor deze editie liet Homan zich inspireren door het kerkhof van Wittewierum. Ook in deze zomerse ets is zijn karakteristieke blik direct herkenbaar. Niet alleen de kerk staat centraal, maar juist ook de verstilde sfeer van het kerkhof en het omringende landschap bepalen het beeld.
Over wat er op de ets te zien is, zegt Homan zelf: “Het hof vol fluitenkruid brengt het insectenconcert en dat weer de zwaluwenshow rond de door de bomen opgetilde graven. Wordt de weg wellicht gewezen?” Later dit jaar volgen nog Herfst | Kerk Marsum en in december wordt de complete serie als set gepresenteerd.
Reserveer uw favoriete seizoen
De etsen zijn exclusief gemaakt voor donateurs. Elke ets kost € 375,- en is in beperkte oplage beschikbaar. Donateurs ontvangen:
• 10% korting op losse exemplaren
• 20% korting bij voorintekening op de complete serie
Lees meer over de serie en het aanschaffen van de etsen op g roningerkerken.nl/reinderhoman .

Reserveer via de QR-code de etsen van Reinder Homan.
Het tijdschrift GK verschijnt vier keer per jaar en wordt gelezen door 6000 donateurs.
Aan dit nummer werkten mee
Albert Reinstra, Edwin Rutten, Kees van der Ploeg, Otto S. Knottnerus, Jan Pieter Koers en Tjitske Zuiderbaan
Kernredactie
drs. Redmer Alma, drs. Inge Basteleur, Margreet Eriks, dr. Kees van der Ploeg, drs. Patty Wageman, Carla Wilts
Redactieraad
prof. dr. Sabrina Corbellini, drs. Ada van Deijk, prof. dr. Titus Eliëns, dr. Andrew Irving, Jan Oldenhuis, dr. Stefan van der Poel, dr. Mans Schepers, Albert Erik de Winter
Grafisch ontwerp
Thansk
Raad van toezicht
mr. Riksta Zwart voorzitter, ir. Errit Bekkering, prof. dr. Nelleke IJssennagger - van der Pluijm, prof. dr. Bert Scholtens, ing. Ralph Steenbergen MRE
Advertenties
Marlies Voorma 050 – 312 35 69 info@groningerkerken.nl
Auteursinstructies
Wij nodigen auteurs uit die bijdragen willen leveren op het gebied van kerkgeschiedenis, kunst, architectuur en cultuurhistorie met betrekking tot religieus erfgoed. Meer informatie: groningerkerken.nl/tijdschrift
Eindredactie
drs. Martin Hillenga
Redactiesecretariaat
redactiesecretariaat@groningerkerken.nl
Drukwerk
MarneVeenstra, Groningen
Beschermheer van de stichting
mr. drs. René Paas Commissaris van de Koning in de provincie Groningen
GK is een uitgave van
Groninger Kerken Coehoornsingel 14 9711 BS Groningen
050 – 312 35 69 info@groningerkerken.nl groningerkerken.nl
GK thuis ontvangen?
Donateurs die jaarlijks minimaal €25 bijdragen, ontvangen het tijdschrift vier keer per jaar. Je kunt kiezen voor de papieren of digitale uitgave. Voor wie lezen lastig is, het tijdschrift is ook als luisteruitgave beschikbaar. Meer informatie: groningerkerken.nl/tijdschrift


















BRAILLE GESPROKEN
GROOTLETTER
DIGITAAL
De CBB zet de Bijbel en andere lectuur om in verschillende leesvormen (gesproken vorm, grootletter en braille). Zo kunt u blijven lezen, ook als het zicht minder wordt.
Bent of kent u iemand die niet goed kan lezen?
Kijk dan eens naar onze collectie op www.leesbutler.nl of vraag onze gratis catalogus aan via de klantenservice (klantenservice@cbb.nl / 0341 56 54 77).
Neem contact op met het secretariaat van de Groninger Kerken via 050 312 3569 of info@groningerkerken.nl
Schoonmaakbedrijf / Gevelonderhoud
De Stelling 5
9774 RB Adorp
Tel. (050) 306 12 79
mob. 06 22 42 31 61
info@schoonmaakbedrijfzeeman.nl www.schoonmaakbedrijfzeeman.nl
O A.:
- SCHOLEN, KANTOREN ETC
- GLAZENWASSERIJ
- TAPIJTREINIGING
- KUNSTSTOF REINIGING
- BETONREPARATIE
- GEVELREINIGING
- NEVELSTRALEN
- GRAFFITI VERWIJDEREN
- IMPREGNEREN(MUREN)
- KUNSTSTOF VLOEREN
- GIETVLOEREN
- COATINGVLOEREN
- ANDERE VLOEREN OP AANVRAAG
www.holstein-restauratie.nl






Adverteren in Groninger
Neem contact op met het secretariaat van de Groninger Kerken via 050 312 3569 of info@groningerkerken.nl


Industrieweg 33 9781 AC Bedum T (050) 301 25 00 E info@groenwerf.nl WWW.GROENWERF.NL

VUUR STEEN
Sinds 1965
ZORG VOOR ERFGOED
Restauratie van natuursteen & historisch beton Handgehakt letterwerk www.degrootvuursteen.nl 0654942339
Glas- en schilderwerken
Restauratie- en imitatietechnieken
Vloer- en wandafwerking
Onderhoudswerken
vdMaar
Koldingweg 15 | 9723 HL Groningen
050 5494171 | info@vdmaar.nl | www.vdmaar.nl
Duinkerkenstraat 37, 9723 BP Groningen (050) 599 57 70 | info@corbuist.nl | www.corbuist.nl

0595 492242
info @ deschreef.nl
www.deschreef.nl

handmatige belettering in natuursteen
advies bij en uitvoering van eigen ontwerp en ideeën
restauratiewerk

GEDENKSTENEN | EERSTE STENEN | GEVELSTENEN | RELIËFS | GRAFMONUMENTEN | NAAMBORDEN Al jaren vertrouwd partner van de SOGK vertrouw ons ook úw bouwwerk toe!

Noorderstraat 5 9989 AA Warffum telefoon (0595) 42 22 67
Ook leveren wij professionele verven, dubbele beglazing, voorzetramen en alle bijkomende schildersmaterialen
De Schilder, de beste vriend van je huis
Adverteren in Groninger Kerken?
H. Pot bouwbedrijf (ver)bouwen met overleg
Onderhoud, verbouw, renovatie, nieuwbouw en alle materialen voor de doe-het-zelver vertrouw ons ook úw bouwwerk toe!
Neem contact op met het secretariaat van de Groninger Kerken via 050 312 3569 of info@groningerkerken.nl

Op initiatief van Dorpsbelangen Spijk gaf Groninger Kerken het kerkeiland rond de Andreaskerk zijn oorspronkelijke karakter terug. Slingerpaden en plantvakken zijn opnieuw aangelegd en ook het bruggetje keerde terug, waardoor het eiland weer de uitstraling kreeg van het begin van de 20e eeuw.