stadsvernieuwing leuven
editie OKTOBER 2009 jaargang 6 nummer 4
M VAN MUSEUM LEUVEN
EEN NIEUW BEELD IN EN OP DE STAD EN ANDERE STEDELIJKE CULTUURINFRASTRUCTUUR
COLOFON
INHOUDSTAFEL
Concept en realisatie communicatie stadsvernieuwing stad Leuven Redactie Geert Antonissen, Wendy Maes, Karlien Stroeykens Fotografie Geert Antonissen, Wendy Maes, Eric Dewaersegger, JP Engineering (luchtfoto’s) Schepen van communicatie Els Van Hoof Directeur communicatie Alfons Verdyck Met dank aan M l Leuven, stad Leuven: dienst cultuur & college van burgemeester en schepenen, Muziekcentrum Het depot, SLAC, Stéphane Beel architecten, T’ Jonck–Nilis Ingenieur architecten, M10-architecten Verantwoordelijke uitgever College van burgemeester en schepenen Contactgegevens Communicatie stadsvernieuwing Stadskantoor Professor Van Overstraetenplein 1 B-3000 Leuven infohuis@leuven.be, tel. 016 272 272 Meer info: www.leuven.be/stadsvernieuwing Volgend nummer Februari 2010
pag 03 Inleiding pag 04 Hedendaagse ingrepen pag 06 Het gebouw in de stad ... en omgekeerd pag 08 Een publiek gebouw pag10 Het tentoonstellingsparcours pag 12 Het (semi-) private gedeelte pag 13 De bouw van M pag 14 Interview met Stéphane Beel pag 20 Muziekcentrum Het Depot pag 22 SLAC, Stad Leuven Academie en Conservatorium pag 24 Voor en na
1. Torentje Hanegang 2. Torentje Savoyestraat 3. Hoofdtoegang aan Fronton 4. Verhoogd platform 5. Centrale binnentuin 6. Nieuwbouw op oude toegang
7. Voormalig academiegebouw 8. Dienstenvleugel 9. Huis Vander Kelen-Mertens 10. L. Vanderkelenstraat 11. Savoyestraat
Het nieuwe museum M
SCHONE KUNSTEN Ooit - in een ver verleden - was de vraag “Wat is kunst?” vrij eenvoudig te beantwoorden. Iets was pas kunst wanneer het schoonheid en of technische kunde uitstraalde. Maar die eenvoud is reeds lang vervlogen. Een hele reeks kunstpamfletten en bijbehorende revoluties later moet kunst eerder vernieuwend of origineel zijn dan schoon of technisch vernuftig. Toch streven een aantal recente Europese musea - waarin deze kunstwerken staan - vaak nog wel de klassieke waarden van schoonheid en vakmanschap na. Zo ook het nieuwe museum M, de opvolger van het voormalige stedelijke museum Vander Kelen-Mertens. In tegenstelling tot andere musea die hun stad een beeldend icoon moeten schenken, slaagt het Leuvense museum erin eenvoudigweg “a thing of beauty” te zijn in een vrij chaotische wereld. Het gebouw straalt namelijk op ieder niveau schoonheid uit: van de kleine afwerkingdetails, over de natuurstenen façade tot de stedenbouwkundige inplanting.
Daarmee zet M de kroon op het werk van de culturele infrastructuur in de stad, die de voorbije jaren sterk evolueerde. Zo is er in deze Mozaïek ook aandacht voor het vorige en het volgende grote Leuvense cultuurinfrastructuurproject: de stedelijke academie het SLAC en het muziekcentrum Het Depot. Samen met private infrastructuur als het STUK of de Molens Van Orshoven, krijgt Leuven zo een opvallend gevarieerde en mooie collectie cultuurgebouwen waarbinnen de kunsten en hun gebruikers zich de komende jaren verder kunnen ontwikkelen. Reacties op deze Mozaïek zijn zoals altijd welkom op infohuis@ leuven.be Vriendelijke groeten Communicatie stadsvernieuwing Leuven
De hele constructie - op letterlijk een steenworp afstand van het historische stadhuis - is dus bewust esthetisch, maar nooit opdringerig. Het is zeker geen protserige “fremdkörper” in de stad. Zo zijn de stad en het museum letterlijk in elkaar verweven: het gebouw opent en plooit zich naar de omgeving, terwijl omgekeerd het publieke stedelijke leven doordringt tot in het hart van het museum.
HEDENDAAGSE INGREPEN ZORGEN VOOR DE RENAISSANCE VAN HET MUSEUM 1. De nieuwbouw langsheen de Leopold Vanderkelenstraat Het vernieuwde museum is een sterk staaltje van ruimtelijk inzicht. Het hele complex is niet gebouwd op een bouwrijp, maagdelijk terrein, maar op een dichtbebouwd stadsblok dat gedurende de voorbije jaren organisch vergroeid was. De museumsite was hierdoor weliswaar interessant, maar onpraktisch en weinig presentabel. Architect StĂŠphane Beel is er op een uitzonderlijke manier in geslaagd om een nieuwe structuur te steken in deze historische chaos. Om dit te bewerkstelligen heeft hij enkele oude elementen geĂŤlimineerd en twee grote hedendaagse ingrepen toegevoegd. De resultaten van deze ingrepen zijn verbluffend. De waardevolle historische elementen zoals het oorspronkelijke huis Vander Kelen-Mertens of de centrale eik komen vandaag veel beter tot hun recht dan in hun vroegere context. Daarnaast verbeteren de hedendaagse gedeelten niet alleen de mogelijkheden van het museum, maar verrijken ze ook de stad. De gebouwen uit de verschillende tijdperken staan evenwaardig naast elkaar en lopen naadloos in elkaar over. Het tentoonstellingsparcours slingert zich namelijk doorheen oude en nieuwe ruimten. Een onoplettende bezoeker merkt zelfs niet wanneer hij of zij de overgang maakt van een oud naar een nieuw gedeelte van het museum. Niet dat de nieuwbouw een kopie is van de historische gebouwen - dat zou van weinig eigen(tijdse)waarde getuigen maar beide soorten gebouwen maken vandaag wel deel uit van dezelfde structuur. Het zijn als het ware kamers van eenzelfde (stedelijk) huis. Door deze nieuwe structuur is het charmante maar onpraktische en onbekende museumgebouw een levendig, hedendaags stadsblok geworden.
De meest innoverende ingreep van het hele complex is zonder twijfel de nieuwbouw langsheen de Vanderkelenstraat. Op de plek waar vroeger ondermeer de oude bibliotheek stond, ontwierp de architect een nieuw volume waarvan de laagste verdieping handig gebruik maakt van het hellende terrein.
Door de binnentuin een deel te verlagen en een opmerkelijke entree aan de Vanderkelenstraat te construeren, ontstond er een nieuwe door helder daglicht belichte benedenverdieping. Deze etage huisvest vandaag de ontvangsthal van het gebouw met ondermeer de ticketbalie, het auditorium en de boekenwinkel en sluit naadloos aan bij de centrale binnentuin. De extra verdieping gaf ook de bovenlagen met de museumzalen extra ruimte en mogelijkheden. Vandaar dat er in dit gedeelte enkele buitengewone ruimten zijn met een zee aan mogelijkheden.
De nieuwbouw slaagt er ook wonderwel in om het beschermde fronton - dat uiteraard uit een ander tijdperk stamt - toch te integreren in dit vormelijk vrij minimalistische complex. Sterker zelfs, het fronton kreeg zijn oorspronkelijke functie terug door het te laten fungeren als toegangspoort tot het museum en de publieke binnenruimten. 2. De nieuwbouw op de voormalige zaal Demunter Het was zeker en vast niet de makkelijkste beslissing in het hele bouwproces. De voormalige ingang van het museum - de zogenaamde zaal Demunter - diende afgebroken te worden omdat de structuur ervan de ontwikkeling van het museum zelf en de Hanengang blokkeerde. Daarom is uiteindelijk beslist in te gaan op dit voorstel van de architect, omdat de voordelen van een nieuw, compacter en hoger volume legio zijn. Vandaag zijn deze uiterst zichtbaar : Zo is het huis Vander Kelen-Mertens (het historische gebouw rechts op de foto) nu minder ingesloten. Tegelijk zorgde de nieuwbouw voor een uitzonderlijk parcours dat andere gedeelten van het museum aan elkaar linkt. Tenslotte biedt deze nieuwbouw ook heel wat kansen voor de ontwikkeling van de Hanengang en de achterzijde van het universitaire college De Valk. Twee delen die vandaag nog geen echt onderdeel vormen van de stad. 3. De torentjes De hele site is opgehangen tussen twee hogere gebouwen: één aan de Savoyestraat en één aan de Hanengang. Beide bieden een fantastisch zicht op de stad, maar zorgen er ook omgekeerd voor dat M een gezicht heeft in de historische binnenstad.
Zicht vanuit de binnentuin
HET GEBOUW IN DE STAD … EN OMGEKEERD
M is een stadsmuseum met internationale allure. Dat blijkt niet langer alleen uit de collectie, maar vooral uit het gebouw zelf. Het hele complex is perfect in de stad geplaatst. Dit komt nog het mooiste tot uiting in de talloze wonderbaarlijke zichten die de bezoeker heeft op de omliggende stad of op het gebouw zelf. De ramen lijken niet zelden sobere kaders van stadsfoto’s. Dat is uiteraard geen toeval. Door deze zichten is de omliggende stad onderdeel geworden van het museum en kan de bezoeker zich constant oriënteren. Tegelijk zorgen deze perspectieven ook voor het unieke Leuvense karakter van het museum. M is veel meer dan een witte kubus waarin kunstwerken het beste tot uiting komen. De kunstwerken worden er versterkt door (de zichten op) de omgeving. Omgekeerd zullen sommige kunstwerken ook (deels) zichtbaar worden vanuit de stad. Want ook vanuit de stad gezien is het nieuwe museum een verrijking. Niet alleen door de zichten op de kunstwerken of het publieke karakter van de site (zie volgende bladzijden), maar vooral door de opbouw van het complex dat tegelijk bescheiden is en toch zelfbewust. Geheel in de stijl van zijn andere ontwerpen, bouwde Stéphane Beel ook hier weer een onmiskenbaar gebouw dat echter nooit de arrogantie heeft van een landmark dat iedereen die toevallig in de buurt komt, meteen moet herkennen. Typerend voor deze zelfbewuste maar niet verwaande houding is de bekleding van de nieuwe gevels met travertijn. Deze natuursteen is tegelijk modern en tijdloos. Het is een steen die reeds in de oudheid voorkwam, maar ook populair was en is bij verschillende modernistische architecten uit de 20ste eeuw. De wit-beige Italiaanse natuursteen maakt het gebouw lichter en groter.
Het open gezicht vanuit de Vanderkelenstraat met het verhoogde platform bovenop het auditorium.
M in vogelperspectief met de publiek toegankelijke binnentuin rondom de centrale eik.
EEN PUBLIEK GEBOUW De hoofdtoegang De hoofdtoegang tot het museum en de site loopt onder het bestaande fronton. Een uitzonderlijke trappen- en hellingconstructie linkt daar de drukke Vanderkelenstraat met de verschillende publieke ruimten. Daarmee is het museum ook voor andersvaliden op een mooie manier toegankelijk. Tegelijk krijg je als bezoeker meteen een reeks zichten op het verhoogde platform, het erfgoeddepot, de centrale binnentuin enz.
De centrale binnentuin
M is geen afgesloten kunstenburcht. Het is een levend en - tijdens de openingsuren - deels gratis toegankelijk onderdeel van het centrum van de stad. Dat publieke karakter is alles behalve vanzelfsprekend voor een museum dat per definitie veilig afsluitbaar moet zijn. Toch wilde men het voor Leuven zo typisch toegankelijk karakter van grote stadsblokken, ook in het museum integreren. Om deze moeilijke evenwichtsoefening tot een goed einde te brengen, heeft de architect duidelijke lijnen in het complex gestoken die de grenzen aanduiden tussen de stad, de (semi-) publieke en de private delen van het gebouwencomplex. Tegelijk geeft de infrastructuur ook de mogelijkheid om deze grenzen te overschrijden en zo in telkens andere sferen terecht te komen. De betalende bezoeker krijgt uiteraard heel wat extra, maar ook de gewone passant die eens - binnenloopt - kan genieten van een hele reeks toegankelijke ruimten met ingangen, rustplekken en uiteraard doorzichten. Tegelijk zijn er ook een hele reeks organisaties en activiteiten (zoals de kinderateliers) in het gebouw die ook nietmuseumbezoekers zullen aantrekken. Door de hele opbouw en werking is M een levendige maar intieme kamer in het huis Leuven
De binnentuin met centraal de grote eik, blijft het hart van de site. Deze rustige oase in de binnenstad is niet enkel bereikbaar via de hoofdtoegang, maar ook via een kleinere toegang aan de Savoyestraat.
Het platform aan de Savoyestraat Dit verhoogde platform bovenop het auditorium, vormt een erg interessante grens tussen de straat en het museum. Ondanks het groot aantal vierkante meter dat nodig was om alle functies onder te brengen in het museum, staat hier geen huizenhoge muur, maar wel een soort patio die als het ware een stedelijke loge vormt t.o.v. de winkelwandelstraat. Omgekeerd kondigt de patio M aan voor de voetgangers in de Vanderkelenstraat.
Inkomhal De hele inkomhal is opgevat als een soort markthal : het is een gratis toegankelijke ruimte die de overgang maakt tussen de straat en het eigenlijke museum en die tegelijk de passant verleidt door een hele reeks functies. Tegelijk zorgt de concentratie van al deze functies er voor dat de bezoeker geen overdadige signalisatie nodig heeft om zich te oriĂŤnteren.
Zithoek en entree
De toegang tot het verhoogde platform bovenop het auditorium
De entree tot de tijdelijke tentoonstellingen, tussen een verzonken patio en het kinderatelier.
De museumshop
De museumshop met een specifiek assortiment van boeken en producten over de collectie en de tentoonstellingen.
Zicht op de overgang tussen het verhoogde platform en de binnentuin.
De ticketbalie
De ticketbalie aan een lichtsleuf is de centrale ruggengraat van de half ondergrondse inkomhal. Recht over de ticketbalie bevindt zich het auditorium.
Het restaurant
Het M² restaurant serveert vooral streekgerechten en –bieren. Zicht op de aansluiting tussen de binnentuin en de half verzonken inkomhal.
HET TENTOONSTELLINGSPARCOURS
Het belangrijkste deel van een museum is en blijft de tentoonstellingsruimte. De plek waar je als bezoeker oog in oog komt te staan met laatmiddeleeuwse passiebeelden, sociaalrealistische beelden van Constantin Meunier of hedendaagse foto’s. Net als het gebouw zelf zijn de tentoongestelde werken namelijk een combinatie van oud en nieuw. De permanente collectie is historisch, de tijdelijke tentoonstellingen zijn zowel hedendaags als historisch. Zo staan bij de opening de Vlaamse Primitief Rogier van der Weyden en Brussels beeldend kunstenaar Jan Vercruysse centraal. Om deze constante roulatie van kunstwerken te kunnen bewerkstelligen, is het hele gebouw volledig gereorganiseerd: liften, schachten, garages enz. zijn vandaag zo ingebouwd dat de werken veilig en eenvoudig kunnen verhuizen. Het imposante depot dat onder het museum ligt - en waar een titanenwerk wordt verricht om de eeuwenoude collectie van 46.000 objecten te bewaren - ligt letterlijk onder de tentoonstellingsruimte en voedt continu de permanente collectie. Het parcours heeft tenslotte drie duidelijke eigenschappen: zo slingert het zowel langsheen de historische als de hedendaagse gedeelten, is er opvallend veel gewerkt met kleur en krijg je regelmatig opvallende zichten op andere gedeelten van de collectie.
10
De tentoonstellingsruimte zelf slingert doorheen het hele gebouw: dwars door de historische panden, hedendaagse gebouwen, het dakterras enz. Al deze verschillende ruimten zijn op een intelligente wijze met elkaar verbonden zodat je als bezoeker wel duidelijk doorheen eenzelfde verhaal loopt.
Doorheen alle gebouwen van het museum loopt één subtiele kleur als een herkenbare leidraad. Op verschillende plaatsen zijn er soms verrassende kleuraccenten aangebracht. Deze hedendaagse kleuren verduidelijken niet alleen de verschillende thema’s, maar helpen ook de bezoeker om zich te oriënteren in het gebouwencomplex. Bij de restauratie van het huis Vander Kelen-Mertens, greep men terug naar de oorspronkelijke tinten en materialen.
Het tentoonstellingsparcours biedt niet enkel interessante zichten op de stad. Als bezoeker krijg je ook regelmatig een onverwachte inkijk op de andere delen van het museum en zijn collectie.
11
HET (SEMI-) PRIVATE GEDEELTE De voormalige academie met de bureaus van de medewerkers van M.
Naast de publieke delen van M zijn er uiteraard ook een hele reeks ruimten voor de ondersteunende diensten van het museum. Het gaat ondermeer over technische werkruimten, bureaus, een bibliotheek, klimaatinstallaties enz. Al deze functies zijn ondergebracht in twee oude gebouwen: de voormalige academie en het dienstenhuis aan de Savoyestraat. Deze gebouwen hebben gescheiden toegangen tot het museum, zodat ze indien nodig los van elkaar kunnen functioneren.
De dienstenvleugel met ondermeer ruimte voor een kunstenaarsatelier.
Naast de personeelsruimten zijn er ook een hele reeks organisaties die mee in M. functioneren en de werking en uitstraling ervan het versterken.
De klimaatinstallaties zorgen ervoor dat ook de eeuwenoude kunstwerken in optimale condities vertoeven.
Het kinderatelier dat zichtbaar is vanuit het museum en aansluit op één van de vele binnenpatio’s.
De loge in de nok van één van de twee torens. Net als in voetbalstadions kunnen bedrijven of andere organisaties op deze plek een loge met terras en enkele keukenfaciliteiten huren. De loge biedt een fantastisch zicht op de stad en het museum.
12
13
© Stéphane Beel architecten
Interview met
Stéphane Beel architect van M
De rijkdom van ons patrimonium blijkt niet alleen uit de kunstwerken, maar ook uit de zichten op de stad. 14
Prins Charles hoort het niet graag, maar oude en hedendaagse architectuur verrijken elkaar wel degelijk. Sterker. Hedendaagse architectuur is niet zelden noodzakelijk om de historische gebouwen te laten overleven. Zo ook in het nieuwe Leuvense museumgebouw. Het voormalige museum was namelijk het resultaat van een turbulente geschiedenis waarin het oorspronkelijke hart van het museum - het huis Vander Kelen-Mertens - uitgebreid werd met o.a. de voormalige stadsbibliotheek en de voormalige academie. Hierdoor ontstond een chaos aan stijlen, verborgen gebouwen, ontbrekende verbindingen enz. Dat alles vormde niet alleen een weinig vruchtbare context om een aantrekkelijk museum op te bouwen, maar ook een situatie die door haar inefficiëntie en onaantrekkelijkheid enkele waardevolle gebouwen en elementen dreigde te verstikken. Daarom schreef Leuven in 2004 een oproep uit die deze gordiaanse gebouwenknoop moest ontwarren. Dat precies de Brugs-Gentse architect Stéphane Beel deze internationale oproep won, was niet helemaal verrassend. Zijn bureau bezit namelijk een zeer grote expertise in het reorganiseren van historische gebouwcomplexen. Zo verbouwde hij tien jaar geleden al het Centraal Museum van Utrecht (i.s.m. Lieven Achtergael) of recenter de Leuvense Vlerickhogeschool (i.s.m. Office 360). Net als deze projecten elimineerde de architect ook in M de storende elementen en voegde hij nieuwe onderdelen toe zodat er een nieuwe, heldere structuur ontlook die ook de gebouwen met een grote staat van dienst een nieuw leven schonk.
De bouwgrond waarop hij het museum tekende was dus alles behalve maagdelijk. Maar, zo merkt Beel terecht op, lege bladen bestaan helemaal niet voor een architect. Of zoals hij het zelf formuleert: ”Er is altijd een dwingende context. Ook in een niet bebouwd landschap gaan wij steeds na of we de geest van de plek wel kunnen versterken. Vandaar dat ik bij mijn zoektocht naar goede medewerkers steeds kijk of ze de relativiteit van de architectuur voldoende erkennen en aanvoelen.”
‘aanwezig’ zijn. Maar de voormalige stadsbibliotheek bijvoorbeeld was wel erg onzichtbaar. Daarom vroegen de opdrachtgevers manifest om het museum niet weg te stoppen. Tegelijk mag het ook geen vreemd lichaam worden in het stadsweefsel. Anders krijg je afstotingsverschijnselen.
En dat is een gevaar bij veel musea en hun vertegenwoordigers die graag een unieke identiteit willen uitstralen? SB: Dat is een gevaar bij ieder gebouw. Daarom moet je goed opletten hoe je de gevelstructuur organiseert, hoe Maar een museum - uiteindelijk toch een zeer publiek ge- je de toegang (on)zichtbaar maakt, op welke manier je de bouw - moet zichzelf toch niet te veel relativeren? nieuwsgierigheid wekt enzovoort. Ik denk dat je vooral de SB: Een museum in een stadscentrum moet uiteraard functie van een gebouw moet laten zien.
15
Staan er daarom twee torentjes aan beide zijden van de Oud en nieuw site? Inderdaad. De site is ‘opgespannen’ tussen twee hogere M is inderdaad zowel inhoudelijk als architecturaal een stukken aan de Savoyestraat en de Hanengang. Door deze constante evenwichtsoefening tussen het historische en verhogingen toon je het museum aan de buitenwereld. het onvervalst hedendaagse. Zo moest u - die bekend staat Wie bijvoorbeeld door de Savoyestraat loopt, ziet onge- als een architect die de doordachte eenvoud cultiveert - in veer vijftien meter boven de uw ontwerp rekening houden grond kunstwerken en bemet een beschermd fronton zoekers. We hebben er echter en dito zuilen. In hoeverre voor gekozen om hierin subvond u dat vervelend? Of was tiel te zijn. Een volledig glahet net handig om enkele bezen museum is een wel zeer grenzingen aangereikt te krijmoeilijke opgave. Daarom gen? tonen we slechts fragmenSB: Het fronton is een mooi ten. De passant ziet door de symbool. Zelf kan je zoiets specifieke openingen in de niet maken. Dan is het pure gesloten wanden de functie kitsch. Maar aangezien het van het gebouw. Omgekeerd er toch stond en beschermd is het voor de bezoeker van was, kan je er maar beter het museum uiteraard ook iniets mee doen. Het is zinteressant en aangenaam om loos om het daar domweg zich te kunnen oriënteren. Het als een oud relikwie te laten museumparcours loopt zelfs staan. We hebben uiteindelijk over het dak van de nieuwlang gezocht om het positief bouw, zodat het museum tot uiting te laten komen. en de omliggende stad erg Daarom gaven we het een sterk met elkaar geconfronprimaire functie. Het vormt teerd worden. Je bent je als nu de hoofdtoegang: zowel bezoeker sterk bewust dat je de toegang tot het museum, in Leuven rondloopt, en niet als de hoofdtoegang tot de pakweg in Berlijn of Londen. museumsite zelf. Ach. Wij Zo komt de rijkdom van ons Een museum in een stadscentrum moet architecten moeten eigenlijk patrimonium niet enkel tot niet al te moeilijk doen. Een uiteraard ‘aanwezig’ zijn... tegelijk mag het ook uiting in de kunstwerken in Grieks fronton is uiteindelijk geen vreemd lichaam zijn in het stadsweefsel. het museum, maar ook in de een mondiaal symbool voor Anders krijg je afstotingsverschijnselen. zichten op de stad. een museum. Het verzinnebeeldt de degelijkheid en het De mensen van het museum nut van zo een plaats. Het willen - terecht - zoveel mogelijk mensen lokken en voeling spreekt een bepaalde taal die iedereen verstaat en die wij laten krijgen met ons erfgoed. Tegelijk willen ze tonen dat mogen hergebruiken. Aanvankelijk stonden we er wel - zoer ook nu zeer interessante, nieuwe krachten zijn. Dat laat- als ik daarnet reeds zei - zeer kritisch tegenover. Maar nu ste gebeurt nu nog - vermoed ik - wat te weinig. beschouw ik het als een cadeau.
16
Ook in uw ontwerp heeft u getracht de link te maken tus- ben dat ook gedaan bij de nieuwe hoofdentree. De oversen de oudere gedeelten (de voormalige academie en het gangen zijn daar zeer visueel. oorspronkelijke huis Vander Kelen-Mertens) en de nieuwe door u gebouwde gedeelten. Op sommige plaatsen staan De voormalige entree van het museum heeft u echter lade nieuwe gebouwen letterlijk tegen de oude, terwijl u op ten verdwijnen. Waarom precies, het gebouw was puur andere plaatsen brugjes bouwt. Vanwaar deze dubbele technisch gezien toch in goede staat? keuze? SB: Tja. Die amechtige, grote aanbouw aan het huis VanSB : Ik hou niet zo van arder Kelen-Mertens stond als chitectuur die per definitie een tang op een varken en afstand wil bewaren tussen maakte o.a. een zinvol parnieuwe en bestaande gecours onmogelijk. bouwen. Je kan wel degelijk gebouwen met elkaar conWas het makkelijk de opfronteren door ze letterlijk drachtgever hiervan te overtegen elkaar aan te bouwen. tuigen? Je hoeft niet zonodig overal SB: Ik overtuig de mensen vides en andere architecturaniet. Ik laat ze zichzelf overtuile hoogstandjes te gaan bougen. wen. Zo staan de nieuwbouw in de Vanderkelenstraat en Zal er een verband zijn tussen de oude academie eenvoude leeftijd van de gebouwen digweg tegen elkaar. Dat is en de leeftijd van de kunstdaar geen enkel probleem werken binnenin? Zullen hisomdat je beide nog steeds torische kunstwerken m.a.w. volwaardig kan zien. Op anenkel in de bestaande comdere plaatsen zijn openingen plexen opgesteld staan? echter wel relevant. Zo is het SB: Neen. Het is niet zo dat soms zinvol om de overgang we een bepaald parcours tussen de verschillende zotoeëigenen aan een bepaald nes te tonen. Dat is bijvoortype van kunst. In ieder gebeeld zo bij de verbinding Een kunstenaar heeft een andere functie dan een bouwtype kan zowel oude als tussen de nieuwbouw aan nieuwe kunst komen. Ik erarchitect. De artiest kan naast de maatschappij de Hanengang en het huis vaar ook telkens bij tentoongaan staan en commentaar geven. Ik geef ook Vander Kelen-Mertens. Daar stellingen die ik vormgeef, wel commentaar … maar op een ander linkt een loopbrug de twee dat hedendaagse kunsteechelon. gebouwen aan elkaar. Zo benaars graag ‘terechtkomen’ seft de bezoeker dat hij of zij in bepaalde oude ruimten, het oorspronkelijk museum terwijl oude kunst evengoed binnenstapt. Het oorspronkelijke ‘huis’ blijft volledig in ten volle tot haar recht komt in hedendaagse gebouwen. zijn waardigheid behouden. De weldoordachte openingen We gaan bijvoorbeeld de oude kunst niet enkel aan het op specifieke, cruciale punten doorbreken de gelaagdheid huis Vander Kelen-Mertens toeëigenen, want dan heb je van het gebouw. Ik denk dat dat zeer belangrijk is. We heb- het voor eens en altijd gezien.
17
Ontwerp je dan een museum voor hedendaagse kunst niet anders dan een ‘palais des beaux-arts’? SB: Afhankelijk van de collectie zouden er inderdaad wel andere accenten liggen. Maar reeds bij ons allereerste voorstel van de wedstrijd voor deze site, bestond de basisvisie om oude en nieuwe kunst horizontaal te verdelen over alle gebouwen, oude en nieuwe. Het parcours van oude en nieuwe kunsten slingert zich dwars doorheen de hele site. Ik denk dat dat het belangrijkste is.
Kamermodel Het parcours dat de museumbezoeker aflegt, is inderdaad zeer uitgesproken. In de bouwopdracht was er reeds sprake van ‘het kamermodel’. De tentoonstellingsopbouw moest kunnen gebeuren aan de hand van kamers. Dat is nog een gevolg van de studie van Jan Hoet op de site. In het oorspronkelijke huis Vander Kelen-Mertens is deze opbouw vanzelfsprekend, maar was dit nog relevant voor de nieuwbouw? SB: Je had - inderdaad - een reeks van kleinere kamers in de oorspronkelijke gebouwen. Maar om tentoonstellingsorganisatoren zoveel mogelijk inrichtingsmogelijkheden te schenken, hebben we in de nieuwe gedeelten toch eerder ruimere en hogere kamers (zalen) gemaakt die de juiste klimatologische context kunnen genereren. We hebben die kamervisie van Jan Hoet doorgetrokken naar een hogere schaal. De integrale museumsite vormt
18
op zijn beurt een kamer in de stad. Leuven is net als een huis een netwerk van vele open gebieden (kamers) die via een netwerk van voetpaden en fietsverbindingen (gangen) met elkaar verbonden zijn. Het museum zal zich in dit circuit inpassen. Door het grote aantal in- en uitgangen werkt het museumgebied erg ‘osmotisch’. Sommige grotere elementen - zoals de centrale eik, het fronton, de zuilen enzovoort - zijn dan het meubilair dat we mochten integreren in deze stedelijk kamer die de museumsite is. De nieuwbouw is op zijn beurt een goede aanvulling op het bestaande patrimonium. Eén van de meest opvallende plekken in de nieuwbouw is ongetwijfeld het auditorium. Dat is geen klassieke zaal. Waarom? SB: Een klassiek auditorium zou in een museum te weinig gebruikt worden. Daarom geven we verschillende functies aan de ‘auditoriumruimte’. We hebben de ruimte ontworpen als een antichambre: een overgangsruimte tussen het eigenlijke museum en de buitenwereld. Je kan er wel degelijk een afgesloten lezing organiseren, maar evengoed installeer je er een video-installatie, of is het de start van een schilderijententoonstelling. Het is in ieder geval een plek waar iets kan, moet gebeuren. Probeert u dezelfde flexibiliteit in de Hanengang te steken? SB: Dat is zo. De Hanengang - die een verwaarloosd straat-
je is - gaat terug geïntegreerd worden in de stad. Vandaar dat precies deze plek de toegang is tot de ruimten voor de workshops en de loge. Dit straatje heeft absoluut de potentie om een tweede, derde of zelfs vierde entree te worden voor de site. Daarmee kan ook dit gebied een onderdeel vormen van het routesysteem dat door heel Leuven slingert. Op die manier kan je er ook andere functies krijgen dan banale parkeerplaatsen. Weet je, een architect moet niet alleen bezig zijn met de precies afgelijnde opdracht, maar ook met de stad er rond. Niet omdat je als een soort machtswellusteling het hele stadsweefsel moet veranderen, maar wel omdat je zo een meerwaarde kan creëren. Een meerwaarde die niet alleen het museum maar ook de omliggende stad ten goede komt. M zelf is ook al meer dan een museum. Hoe bekijkt u pakweg de boekenwinkel en de cafetaria? SB: Ik vind het zeer goed en zelfs normaal dat beide er zijn. Neem nu het gebouw waar we nu zitten (het interview vond plaats in het Antwerpse Kunstencentrum De Singel dat Stéphane Beel ook uitbreidt). Oorspronkelijk waren beide zalen hier groot uitgevallen repetitieruimten voor het conservatorium. Later is hier een kunstencentrum rond gegroeid. Maar niemand had zich bekommerd om secundaire functies als een cafetaria of restaurant. Die heb je nochtans nodig in een publiek gebouw. Zelfs in het centrum van Leuven, dat nu al bulkt van de cafés, is het interessant om een cafetaria te hebben die specifiek bij
het museum hoort. Zo hoef je niet iedere keer naar het museum zelf te gaan om een ‘kunstige aanwezigheid’ te voelen. U werkt ook soms samen met kunstenaars in het ontwerp van uw gebouw zelf. Is dat voor een museum wat complexer omdat je dan met een overdaad aan beelden dreigt te zitten? SB: We werken niet vaak met kunstenaars voor nieuwbouwprojecten. We werken wel vaak samen wanneer er bepaalde werken ergens moeten geïntegreerd worden. Ik heb bijvoorbeeld een experiment gedaan voor het keramisch centrum in Nederland. Ik wilde graag zien wat er mogelijk was, maar ik wil absoluut nooit het handje van de kunstenaar gaan vasthouden. Een kunstenaar heeft uiteindelijk toch nog een andere functie dan een architect. De artiest kan naast de maatschappij gaan staan en commentaar geven. Ik geef ook wel commentaar … maar op een ander echelon. Of dat nu hoger of lager is, daar spreek ik me niet over uit. Maar soms zijn die samenwerkingen met kunstenaars inderdaad verrassend. Ik wil ook graag verrast worden en ik hoop dat ook iedere bouwheer graag verrast wordt. Niet om de verrassing zelf, maar om de verschillende lagen die in een kunstwerk aanwezig zijn te kunnen ontdekken, te kunnen zien, en daar … gewoon gelukkig bij te zijn.
19
HET DEPOT
Het contrapunt op het Martelarenplein De vroegere cinema Eden doet al sinds september 2005 dienst als concertzaal. Iedereen, zowel artiesten als bezoekers, loven zijn sfeer en akoestiek. De afmetingen in het algemeen en de afstand tussen het publiek en het podium in het bijzonder, creĂŤren dan ook een bijzonder aangename sfeer en helpen de concerten van Nouvelle Vague, Daan, Ghinzu en andere muzikale halfgoden tot een succes te maken. Maar de bestaande bebouwing kent een aantal belangrijke minpunten. Zo ontbreekt er een akoestische ontkoppeling tussen het Depot en de aangrenzende gebouwen en is de infrastructuur letterlijk tot op de draad versleten. De zaal moet m.a.w. gemoderniseerd worden als ze wil blijven functioneren. Omwille van haar geroemde karakter besloten de ontwerpers de zaal te behouden, maar ze aan te passen aan de hedendaagse noden. Deze keuze is niet vanzelfsprekend. Het Depot ligt bijvoorbeeld midden in het stadsweefsel tussen de Diestsestraat en het Martelarenplein en moet zich dus inpassen in een druk bewoonde omgeving.
Loskoppeling concertzaal en buurgebouwen Het geluid van de concerten moet letterlijk binnen de perken gehouden worden. Om dit te kunnen waarmaken komt er een hele constructie die de hele renovatie bepaalt. Met uitzondering van de noordzijde komt de zaal namelijk volledig vrij te staan. De bestaande bebouwing van de concertzaal zal tot en met de fundering verwijderd worden, waardoor er geen contact meer is tussen de geluidsbox en de omliggende gebouwen. In de vrijgekomen ruimte rond de zaal komen er drie wigvormige volumes waarin andere functies een onderkomen vinden. Invulling gebouw De gelijkvloerse verdieping staat uiteraard vooral in het teken van de concertzaal, waarvan de capaciteit vergroot tot 900 plaatsen. Tegelijk komen op deze etage ook de foyer, de bar, de onthaalbalie, de ticketverkoop en de lockers. Op de eerste verdieping situeren zich de kantoren, de backstageruimte voor de artiesten en een polyvalente ruimte die uitkijkt over de zaal. Boven in het gebouw zijn er repetitieruimten. Onderin de kelder zijn er nog extra lockers en sanitair en afgesloten kleed- en bergruimten. Zichtbaarheid en ontsluiting Het Depot zit als het ware weggedrukt in een hoekje van het Martelarenplein. Na de vernieuwing moet de zaal dan ook zichtbaarder zijn. De inkom moet niet alleen duidelijk te zien zijn voor wie naar een concert komt. Iedereen mag weten dat er een muziekcentrum en een concertzaal is. Daarom waardeert men niet enkel de ingang op het Martelarenplein op, maar zal ook de dienstingang aan de Bondgenotenlaan opnieuw worden vormgegeven. Het grote publiek, personeel en cursisten maken gebruik van de ingang langs het Martelarenplein, artiesten en leveranciers gebruiken de toegang langs de Bondgenotenlaan. ontwerp: M10-architecten
20
21
UITBREIDING SLAC
De nieuwe vleugel tussen de oude Albertschool en het auditorium Minnepoort.
stad Leuven academie en conservatorium
De grote glazen vitrine op de gelijkvloerse verdieping nodigt de passanten op straat uit om een blik te werpen op de leerlingen van het beeldhouwatelier.
De bovenbouw springt terug ten opzichte van de straat. Zo valt er meer licht op straat en kon er in het gebouw een groot dakterras komen.
22
Aan de straatkant telt het gebouw vier verdiepingen, aan de achterkant vijf.
De gevel bestaat uit drie delen: een glazen sokkel een uitkragende gesloten doos met gaten, en een glazen bovenbouw.
De trappenhal loopt over vier verdiepingen en is hoofdzakelijk in glas. Ze bevindt zich aan de rechterkant van het gebouw. Door de gevel te laten verspringen komt er meer ruimte op het trottoir.
De verschillende verdiepingen lopen via de hellende vlakken subtiel in elkaar over.
ontwerpers: ‘t Jonck-Nilis Ingenieur architecten bvba Koen Paridaens (stabiliteit) Daidalos (akoestiek)
23
Leopold Vanderkelenstraat 2006
Leopold Vanderkelenstraat 2009