Skip to main content

De gerechtsdeurwaarder #01 2016

Page 1

Opvraging DIV in het kader van de inning van parkeerretributies

Qi

Overzicht van de rechts­vergelijking van het betalingsbevel in Europa

BIJZONDERE ONTMOETINGEN

“Digitalisering is geen doel, wel een middel” Jan De Meuter en Erik Van Tricht over de digitalisering van justitie

SFEERBEELDEN NATIONAAL CONGRES NKGB

DE GERECHTSDEURWAARDER

n Q

#01

Kwartaalblad nr. 1 april 2016 jaargang 5

PB- PP B- 00000 BELGIE(N) - BELGIQUE

Tijdschrift van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 1


HOOFDREDACTIE

Nicolas Decock, Sylvie Vanmaele, Charissa Voet

INHOUD

REDACTIERAAD

WOORD VOORAF  Marc Brackeva

03

Q UID NOVI?  Juridische dienst NKGB

04

Eric Choquet, Nicolas Decock, Lionel De Mol, Patrick Gielen, Ivo Goeyens, Kris Slabbaert, Sylvie Vanmaele, Ronald Vanswijgenhoven, Charissa Voet

Opvraging DIV in het kader van de inning van parkeerretributies

Q UID IURIS?  Emmanuel Guinchard

08

Overzicht van de rechtsvergelijking van het betalingsbevel in Europa ACTUA

14

• Nieuw directiecomité • Vergelijkend examen 2015-2016 BIJZONDERE ONTMOETINGEN

15

Jan De Meuter (SAM-TES) en Erik Van Tricht (KFBN) in gesprek over de digitalisering van justitie SFEERBEELDEN

20

Nationaal Congres NKGB UITGEVER

KnopsPublishing Sint-Antoniusstraat 22 2200 Antwerpen PERIODICITEIT

Kwartaalblad ERKENNINGSNUMMER

P 914378 VERANTWOORDELIJKE UITGEVER 2016. Alle rechten zijn voorbehouden aan de NKGB. Niets mag uit deze publicatie gerepro­duceerd worden zonder de toestemming van de verantwoordelijk uitgever. Bijdragen/artikels kunnen gemaild worden naar secretariaat@sam-tes.be.

Marc Brackeva Henri Jasparlaan 93 1060 Brussel


WOORD VOORAF MARC BRACKEVA, VOORZITTER

GEACHTE CONFRATERS,

Vooreerst wens ik u via deze weg graag te bedanken voor het hernieuwde vertrouwen in mij als voorzitter van de NKGB. Een uitgebreide nota vol beloftes hoeft u van mij niet te verwachten. De deontologische code en de over­­dracht van kantoren staan zeker op mijn programma. Ik kan u eveneens garanderen dat het mijn ambitie is om de vol­gende jaren voluit verder te gaan op onze ingeslagen weg van vernieuwing en de verdere professionalisering van ons beroep en de organisatie ervan. Hierbij vormt digitalisering de natuurlijke rode draad. Immers, als we hierin niet blijven investeren dan worden we er zonder meer door ingehaald, of erger erdoor vervangen. Dat is een toekomstscenario waarmee we onze jonge generatie en de medewerkers in onze kantoren onmogelijk mee kunnen opzadelen. Meer zelfs, het zou een aderlating zijn voor de rechts­ zekerheid in onze democratie indien computers de menselijke toets van een gerechtsdeurwaarder zouden vervangen. Digitalisering is een middel om onze dienstverlening efficiënter te maken voor de burger, maar het kan nooit een doel op zich zijn. Computers kunnen en zullen immers nooit de terreinkennis, het intuïtieve vermogen en de mensenkennis van een gerechtsdeurwaarder kunnen vervangen. Dat wordt ook eensgezind onderkend door mijn collega van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, voorzitter Erik Van Tricht, en

de voorzitter van ons kenniscentrum, Jan De Meuter in een dubbelinterview in dit nummer. Onderwerp van het gesprek vormden de voor- en nadelen van digitalisering en er werd ook ingegaan op de constructieve samen­ werking en mogelijke toekomstprojecten tussen onze beroeps­groepen. Een absolute aanrader! Afsluiten, doe ik graag door uw aandacht te trekken op de nieuwe lay-out van ons tijdschrift. Fris, vooruit­ strevend en transparant, precies de verpakking die onze beroeps­groep verdient. Ons tijdschrift is voortaan ook online te lezen en zal verdeeld worden onder onze partners op politiek en sociaaleconomisch vlak. Ik wens u een prettige lectuur.


QUID NOVI? N

DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB

De opvraging DIV: addendum IN “DE GERECHTSDEURWAARDER” van december 2014

bezorgde de juridische dienst van de NKGB u een korte analyse van een aantal vragen waarmee u, als gerechtsdeurwaarder in de praktijk geconfronteerd wordt. Eén van deze analyses betrof de toegang die het beroep heeft tot de gegevens in de database van de DIV. Nu dient gezegd dat die analyse enigszins aangevuld dient te worden, gezien de recente ontwikkelingen in deze materie. Het is namelijk zo dat, zoals algemeen bekend is, in het kader van de inning van parkeerretributies de identifi­catie van de eigenaar van de wagen in het verleden vaak voor problemen zorgde. Parkeer­ exploitanten-concessionarissen van een gemeente deden vaak een beroep op een gerechts­deurwaarder, doch die werk­­­­wijze bleek om meerdere redenen niet wettelijk. De toegang tot de DIV (en bij uitbreiding elke database met persoons­gegevens) is namelijk enkel mogelijk onder twee voorwaarden: »» Het doeleinde van de opzoeking dient op een wettelijke basis te steunen; »» De privacycommissie dient een machtiging te verlenen om een persoon/beroepsgroep toegang tot een database te gunnen in het kader van één of meerdere van de wettelijk voorziene doeleinden. Eén van deze problemen voor de ‘parkingconcessiona­ rissen’ was dat zij een wettelijk doeleinde ontbeerden. Weliswaar hebben de regionale wetgevers dat probleem opgelost, maar dit houdt niet in dat gerechtsdeurwaarders dan onverkort hun toegang tot de DIV kunnen gebruiken om de houder van een nummerplaat te identificeren in opdracht van een parkeerexploitant. Zoals hoger vermeld volstaat het immers niet dat er een wettelijke basis bestaat, maar dient de privacycommissie

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 4

eveneens haar goedkeuring te geven om opzoekingen te verrichten met een bepaald doeleinde. De privacycommissie heeft de toegang die de gerechtsdeurwaarders hebben tot de DIV gebaseerd op de voor­­waarde die voorzien werd in het KB van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zijnde het oogmerk van het bewarend of uitvoerend beslag. Overigens bevindt de wettelijke basis zich voor de meeste voertuigen sinds 1 september 2013 in de wet van 19 mei 2010 houdende de oprichting van een kruispuntbank voor voertuigen.1 De privacycommissie heeft deze toegang tot op heden niet mogelijk gemaakt in het kader van één of meerdere andere wettelijk voorzien(e) doeleinde(n). De toegang die parkingconcessionarissen op dit ogen­blik tot de DIV-database hebben, is op dezelfde wijze gestructureerd. Enerzijds is er de wettelijke basis (wet, decreet of ordonnantie), anderzijds moet elke parkeerconcessionaris van de privacycommissie de machtiging verkrijgen om doelgebonden opzoekingen (doel: identificatie van wanbetalers) te verrichten in de database van de DIV. Men kan zich de vraag stellen of dergelijke forma­­lis­­­­­­­tische houding niet belemmerend werkt voor een optimalisering van de werking van deze parking­ concessionarissen die zulke activiteit wensen uit te besteden aan derden, m.n. de gerechtsdeurwaarders. Vrij vertaald: indien conces­sio­­naris X toegang tot de DIV heeft en gerechtsdeurwaarder Y heeft toegang tot de DIV, is er dan een prak­­tisch bezwaar tegen een opzoeking door de gerechts­­­deurwaarder in opdracht van de concessionaris, zelfs indien die opzoeking niet strookt met het doel waarvoor de gerechtsdeurwaarder toegang tot de data­base heeft?


De juridische dienst heeft deze vraag voorgelegd aan het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid bij de privacycommissie, dat zich op 9 juli 2015 heeft uitgesproken over deze denkpiste. Het Sectoraal Comité heeft positief geantwoord, zij het dat het strenge voorwaarden koppelt aan deze mogelijkheid. Er is dus zeker geen sprake van een blanco cheque. Teneinde het antwoord van de privacycommissie correct in te schatten, is het noodzakelijk om eerst een gedetailleerde uitleg te bezorgen over de toegang tot de DIV voor concessionarissen van parkings.

I. De toegang tot de DIV die concessio­­narissen uit eigen hoofde hebben Zoals u bekend is, besteden de steden en gemeenten de zorg voor parkeerplaatsen uit aan concessionarissen. De identificatie van de eigenaren van de wagen die niet betaalde voor zijn parkeerplaats zorgde in het verleden vaak voor problemen. De privacycommissie oordeelde namelijk dat het uit handen geven van de bevoegdheid om parkeerboetes te innen ervoor zorgde dat deze ‘boetes’ geen retributies of belastingen meer waren bij gebreke aan een specifieke wettelijke basis, doch private vorderingen waren geworden. De media-aandacht werd gegeven aan rechtspraak die o.b.v. dit standpunt oordeel­de dat de (onder meer via gerechtsdeurwaarders) verkregen identiteitsgegevens onrechtmatig verkregen waren en de niet-betalende parkeerder vrijuit diende te gaan. De wetgever heeft die situatie verholpen per wet van 22 december 2008.2 Deze wet creëerde een wettelijke basis voor de steden en gemeenten, hun concessie­ houders en de autonome gemeentebedrijven om toegang te krijgen tot de DIV voor de inning van parkeerretributies of –belastingen. Op basis van de gecreëerde wettelijke basis, vaardige de privacycommissie een eenmalige machtiging (beraadslaging 12/2009) uit waarmee zij toestond dat de DIV ingaat op aanvragen om de identiteitsgegevens te bezorgen aan deze instanties, doch enkel indien deze

instanties in een verbintenisverklaring (verbintenis tot conformiteit) tegenover de privacycommissie instemden met het naleven van de voorwaarden die Beraadslaging 12/2009 oplegt. Elke stad/gemeente/concessiehouder/autonoom parkeerbedrijf dient aldus per stad of parking in haar beheer of waarvan zij de concessie bezit, zulke verbin­ tenisverklaring af te leggen. Verder dient elke concessiehouder of autonoom gemeentebedrijf ook een overeenkomst tot mede­deling van gegevens te sluiten met de FOD Mobiliteit. Nuttig om weten is dat de wetswijziging uit 2008 werd vernietigd: het Grondwettelijk Hof was van oordeel dat het een gewestelijke bevoegdheid was, en geen federale. De toegang was dus wederom verhinderd. De gewesten hebben hieraan geremedieerd, Vlaanderen per decreet van 9 juli 2010,3 Brussel per ordonnantie van 22 januari 2009 en 3 april 2014,4 en Wallonië per decreet van 27 oktober 2011.5 De CBPL heeft beraadslaging 12/2009 aldus hernomen en geüpdatet met beraadslagingen per gewest wat betreft de private concessiehouders.6

1 Wet van 19 mei 2010 houdende de oprichting van een kruispuntbank voor voertuigen, BS 28 juni 2010. 2 Artikelen 14-16 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen, BS 29 december 2008, 68722. 3 Vlaams decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, BS 10 juni 2008, 29107. 4 Waals decreet van 27 oktober 2011 houdende wijziging van verscheidene decreten betreffende de bevoegdheden van Wallonië, met name het decreet van 19 december 2007 betreffen­de het goedkeuringstoezicht van het Waalse Gewest op de aanvullende reglementen op de openbare wegen en op het verkeer van de gemeenschappelijke vervoermiddelen, BS 24 november 2011, 69540. 5 Brusselse ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, BS 30 januari 2009, 7287. 6 Voor het Vlaamse grondgebied: Beraadslaging FO nr. 17/2010 van 21 oktober 2010, voor het Waalse grondgebied: Beraadslaging FO nr. 04/2012 van 29 maart 2012, voor het Brusselse grond­ gebied: Beraadslaging FO nr. 23/2013 van 25 juli 2013.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 5


Voor de gemeenten werd anderzijds een eenmalige machtiging (beraadslaging 5/2015) uitgebracht. Ook gemeenten dienen dergelijke verbintenisverklaring af te leggen om toegang te krijgen tot de DIV om de identiteit te achterhalen van nummerplaathouders die parkeer­boetes of -belastingen verschuldigd zijn. Het is belangrijk om te bepalen dat het moet gaan om parkings die de pri­vate uitbater in concessie heeft. De wettelijke bevoegdheid van de privé­­ondernemingen is slechts van toepassing in het kader van het beheer van een in concessie gegeven betalend parkeren op de openbare weg of openbare parking. Bijgevolg kan een privéonderneming die zowel openbare als private parkings beheert, geen toegang hebben tot het DIVrepertorium om gegevens op te halen die nodig zijn voor het beheer van haar private parking. Het tegengestelde zou een omzeiling van het doeleinde inhouden en dus een inbreuk zijn op de privacywet van 8 december 1992.

II. Opzoekingen in de DIV, door gerechtsdeurwaarders voor concessionarissen Zoals hierboven gezegd, is de Nationale Kamer bij de privacycommissie nagegaan of het mogelijk is dat gerechtsdeurwaarders overgaan tot consultaties van de DIV-database op vraag van parkingconcessionarissen. Dat is immers niets meer dan een vorm van onder­ aanneming of outsourcing waar zowel de gerechts­ deurwaarders als de concessionarissen wel bij kunnen varen om vanzelfsprekende redenen van efficiëntie en stroomlijning van de procedure. De privacycommissie heeft positief geantwoord op dit verzoek, doch koppelt strenge technische en juridische voorwaarden aan dergelijke handelswijze. Zo zal de gerechtsdeurwaarder optreden als “verwerker” van de concessionaris, wat inhoudt dat hij met de concessionaris een verwerkersovereenkomst afsluit zoals voorzien in artikel 16 van de Wet op de Privacy.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 6

De gerechtsdeurwaarder dient de DIV tevens op de hoogte te brengen van deze nieuwe finaliteit van zijn opzoekingen, zodat de DIV een specifieke toegangscode kan toewijzen voor dat soort opzoekingen. De relatie tussen de verantwoordelijke (concessionaris) en de verwerker (gerechtsdeurwaarder) dient op transparante wijze uitgelegd aan de nummerplaathouder die het voorwerp van de opzoeking uitmaakt. Welteverstaan moet de gerechtsdeurwaarder handelen binnen de grenzen van de machtiging die de concessionaris heeft verkregen, en kan hij dus enkel opzoekingen in de DIV verrichten voor de parkings waarvoor de concessionaris over een eigen toegang beschikt. Tenslotte moet de gerechtsdeurwaarder opletten voor finaliteitsafwendingen, alwaar hij gebruik zou maken van gegevens die hij reeds bezit in het kader van andere dossiers. Het is niet de bedoeling om gegevens uit een beslagdossier te gebruiken om iemand te identificeren. Het is in zulk geval noodzakelijk een nieuwe opzoeking DIV te verrichten.


“

Bijgevolg kan een privéonderneming die zowel openbare als private parkings beheert, geen toegang hebben tot het DIV-repertorium om gegevens op te halen die nodig zijn voor het beheer van haar private parking.” De conclusie die werd getrokken in de analyse die vorig jaar gepubliceerd werd, dient dan ook bijgesteld te worden. Het is als gerechtsdeurwaarder a priori niet mogelijk om in opdracht van parkingconcessionarissen de identiteit van een wanbetaler/parkeerovertreder op te zoeken met het oog op de inning van een retributie. Een uitzondering ad hoc kan worden toegekend indien de gerechtsdeurwaarder zich conformeert aan de voor­waarden die de privacycommissie oplegt in haar advies van 9 juli 2015. Overigens wenst de juridische dienst te benadrukken dat het voorgaande enkel opgaat voor het Belgische grondgebied, en enkel voor concessies waarvoor de concessionaris van de privacycommissie een eigen machtiging kreeg. Indien een gerechtsdeurwaarder van een concessionaris de vraag tot opzoeking krijgt voor een in het buitenland gesitueerde parking, dient hij zulk verzoek onder de huidige stand van de wetgeving steeds af te wijzen.7 Hetzelfde geldt indien hij een vraag tot opzoeking krijgt voor een concessie waarvoor de concessionaris geen eigen toegang tot de DIV heeft verkregen, of indien het een parking betreft die de concessionaris in privébeheer heeft.

7 U weet waarschijnlijk dat het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens met het oog op het identificeren van personen die ervan verdacht worden inbreuken te hebben begaan in het kader van het gebruik van de weg, ondertekend op 25 april 2013 en binnenkort in werking, het voor de DIV en haar Nederlandse tegenhanger mogelijk zal maken rechtstreeks elkaars databank te consulteren. Ons beroep kan dus niet steunen op dit verdrag om voor buitenlandse concessionarissen of buitenlandse parkings de DIVdatabank te consulteren. Er verandert op dat vlak niets aan de huidige situatie: wij kunnen de DIV-databank nooit consulteren voor buitenlandse instanties, behoudens wij een mandaat tot beslag hebben ontvangen van de buitenlandse opdrachtgever én er een in België geldige titel is om beslag te leggen, bewarend of uitvoerend. Voor bewarend beslag zal een beschikking van de in België territoriale bevoegde beslagrechter nood­zakelijk zijn, en voor een uitvoerend beslag zal ervoor gezorgd moeten worden dat de titel niet enkel in het buitenland uitvoerbaar is, doch ook in België. Zeker in fiscale zaken is dat geen evidentie.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 7


QUID IURIS? I

EMMANUEL GUINCHARD, SENIOR LECTURER IN LAW, NORTHUMBRIA UNIVERSITY

Overzicht van de rechtsvergelijking van het betalingsbevel in Europa ALS, OP DENEMARKEN 1 na, alle Staten van de Europese

Unie vandaag over een betalingsbevel beschikken, is dat omdat het Europese betalingsbevel2 bestaat. Dat kan enkel in grensoverschrijdende zaken worden toegepast en overigens kennen niet alle interne rechtsstelsels het betalingsbevel. Dat is zo voor het Verenigd Koninkrijk en Nederland waar wordt teruggegrepen naar het verstekvonnis, of ook voor Ierland waar het verstek in procedurele zin geldt als verstek in wezenlijke zin. De meeste lidstaten beschouwen een specifieke rechtspleging die door een omkering van het geschil wordt gekenmerkt en aldus het beginsel van tegenspraak, weliswaar a posteriori eerbiedigt (wat de verenigbaarheid met artikel 6 van het EVRM garandeert) gunstiger om schuldvorderingen in te vorderen. De modaliteiten lopen sterk uiteen. Zo, bijvoorbeeld, stelt één staat – Oostenrijk – het gebruik van de rechtspleging om betaling te bevelen verplicht. Dat maakt Oostenrijk meteen tot de vreemde eend in de bijt. Het aantal staten dat een variabel maximumbedrag aan de inbare vordering oplegt, is een stuk langer. In het lijstje prijken Oostenrijk (75.000 euro), maar ook Estland (6400 euro) of nog Portugal (15.000 euro voor de betrekkingen tussen bedrijven en een consument, ook B2C genoemd, terwijl er voor B2B, of betrekkingen tussen bedrijven onderling, geen limiet wordt gehanteerd). Zoals eerder al het geval was in Frankrijk en vandaag ook in Spanje – om ons tot die twee landen te beperken –3 toont de historische evolutie dat dit plafond geleidelijk wordt verhoogd en uiteindelijk helemaal verdwijnt. Het fundamentele verschil tussen de diverse betalingsbevelen houdt veeleer verband met het al dan niet bestaan van een voorafgaande controle door de rechter en tegelijk met het feit of de eiser al dan niet verplicht bewijsstukken moet voorleggen. Het eerste model dat de “procedure met bewijs” of “documentaire procedure”

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 8

wordt genoemd en waarvoor het Franse rechtsstelsel als typevoorbeeld kan doorgaan, schaart haast alle landen van Zuid-Europa achter zich (met uitzondering van Portugal).4 Dit model verplicht de eiser om een bepaald aantal documenten over te leggen die de rechter summier op hun gegrondheid onderzoekt alvorens het bevel tot betaling af te geven. Door die (snelle, maar niettemin daadwerkelijke) controle, staat de gedaagde, bij wijze van principe, slechts een enkel verhaal ter beschikking. Het Spaanse recht vertegenwoordigt deze categorie met glans. Zo bepaalt artikel 814 LEC dat het verzoek om een betalingsbevel niet alleen de traditionele minimale informatie, zoals de woonplaats van de partijen (vermits de woonplaats van gedaagde bepalend is voor de territoriale bevoegdheid) moet vermelden,5 maar ook moet worden vergezeld van de documenten die het bestaan van de schuld bewijzen en die opgesomd staan onder artikel 812 LEC.6 Dat artikel hanteert een ruime formulering. Het betreft documenten die ongeacht hun vorm of drager door de schuldenaar werden ondertekend of voorzien zijn van zijn merktekens in ruime zin (bijvoorbeeld een zegel) ongeacht of die fysisch dan wel elek­ tronisch zijn aangebracht, of van bepaalde door de schuldeiser eenzijdig overgemaakte documenten, zoals een factuur, maar die het normale bewijs vormen van een schuld binnen de context.7 Na afdoend onderzoek van de documenten vaardigt de griffier het betalingsbevel uit. De gedaagde beschikt over een termijn van 20 dagen om verzet tegen dit bevel aan te tekenen. In geval van verzet moet de gedaagde kort de redenen toelichten waarom hij het bestaan van de schuld betwist (artikel 815.1 LEC). Wordt er geen verzet aangetekend dan krijgt de schuldeiser een uitvoerbare titel. We stellen dus een aantal niet te verwaarlozen verschillen met het Franse prototype vast, met name wat de bevoegde persoon binnen de rechtspraak betreft (ook al is de rechter steeds aanwezig, soms op de achtergrond, of in het geval van een contract


1 Dat Denemarken zijn institutionele positie in de nabije toekomst herziet en de verordening inzake het Europees betalingsbevel alsnog erkent, is niet ondenk­baar; de regering kondigde immers aan dat ze bij een positieve uitslag van het referendum van 3 december 2015 om de huidige opt-out om te buigen in een opt-in (http://um.dk/en/news/ newsdisplaypage/?newsID=DCB9FAA3-37A6-4673-989F0C771B7CFAFE) zou willen deel­nemen aan een aantal verordeningen en richtlijnen, waarvan het EBB er een is. Komt het echter niet zo ver dan kan de Europese Unie alsnog een akkoord met Denemarken sluiten om de EBBVerordening in de betrekkingen met dat land toe te passen op het model dat Denemarken ondertekende ten aanzien van (meer bepaald) Verordening Brussel I (44/2001) dat andermaal toepassing kreeg met de nieuwe verordening Brussel Ibis (1215/2012), en de wijziging daarvan. 2 Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (hierna EBP). Zie in dit verband het Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het

Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Verordening (EG) 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, 13 oktober 2015, COM/2015/0495 final. Een greep uit de commentaren: P. GIELEN, “Guide pratique de la procédure européenne d’injonction de payer”, JT 2009. 661; G. PAYAN, «La procédure d’injonction de payer européenne: entre efficacité et insécurité», Ius & Actores 2014/2, p 241; E. GUINCHARD, «Vers une réforme faussement technique du règlement RPL et superficielle du règlement IPE?», Revue trimestrielle de droit européen, 2014, p. 479. 3 Zie in dit verband artikel 812.1 LEC [equivalent van het Wetboek Burgerlijke Rechtspleging/Gerechtelijk Wetboek], http://www.boe.es/buscar/ act.php?id=BOE-A-2000323&tn=1&vd=&p=20151028: “Podrá acudir al proceso monitorio quien pretenda de otro el pago de deuda dineraria de cualquier importe [cursivering door ons aangebracht]”. Voorafgaand aan wet 37/2011 gold een bedrag van 250.000 euro als drempel; vóór 13/2009 lag de drempel op 30.000 euro.

4 We stellen vast het OHADA-recht in Afrika eveneens het documentair betalingsbevel kent. 5 Artikel 813 LEC in limine. 6 Artikel 814. 1 LEC: “El procedimiento monitorio comenzará por petición del acreedor en la que se expresarán la identidad del deudor, el domicilio o domicilios del acreedor y del deudor [...] y el origen y cuantía de la deuda, acompañándose el documento o documentos a que se refiere el artículo 812”. 7 Artikel 812.1 LEC: “cuando la deuda se acredite de alguna de las formas siguientes: 1.ª Mediante documentos, cualquiera que sea su forma y clase o el soporte físico en que se encuentren, que aparezcan firmados por el deudor o con su sello, impronta o marca o con cualquier otra señal, física o electrónica. 2.ª Mediante facturas, albaranes de entrega, certificaciones, telegramas, telefax o cualesquiera otros documentos que, aun unilateralmente creados por el acreedor, sean de los que habitualmente documentan los créditos y deudas en relaciones de la clase que aparezca existente entre acreedor y deudor”. Zie ook artikel 812.2 LEC.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 9


tussen een handelaar en een consument op de voorgrond ingevolge de recente gelijkstelling met de Europese rechtspraak8), de verzetstermijn en het feit dat het verzet moet worden gemotiveerd. De structuur is echter identiek. Tegenover dit model dat aanhang vindt bij de landen in het noorden van Europa (waaraan Portugal moet worden toegevoegd) staat het model van de procedure “zonder-­ bewijs” of de “niet-documentaire” procedure waarvoor het Duitse rechtsstelsel als archetype geldt en dat de verzoeker van iedere rechtvaardiging vrijstelt. De aan­ wezigheid van een rechter, en zelfs iedere menselijke tussenkomst, is met andere woorden niet noodzakelijk. Ter compensatie krijgt gedaagde twee kansen tot verhaal. Deze tweedeling van de rechtsvergelijking lijkt gewoon stand te houden. In de eerste plaats kunnen de modellen van bepaalde rechtsstelsels aanzienlijk verschillen. Wat het Germaanse betalingsbevel betreft, kennen Oostenrijk en Portugal een betalingsbevel zonder bewijs met slechts een enkele

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 10

mogelijkheid tot verhaal. Dit is het type betalingsbevel dat we in het Europees recht aantreffen. In een arrest van 13 december 20129 bevestigde het Hof van Justitie immers de rechtsinterpretatie die de EBP beschouwt als een vertegenwoordiging van het Germaanse model vermits het in een algemene formule het uitputtende karakter bevestigde van de voorwaarden opgelegd door artikel 7 EBP dat niet de voorlegging van bewijzen oplegt, maar enkel hun beschrijving. Principieel kent het EBP slechts een verhaalmogelijkheid, overgenomen uit het Oostenrijks recht.10 We kunnen er echter niet omheen dat de beperkingen die ter bescherming van de gedaagde aan het gebruik van het Oostenrijkse betalingsbevel werden opgelegd, met de ontwikkeling van het Europees beta­lingsbevel werden afgevoerd en dat enkel de ele­menten ten behoeve van de efficiëntie van het beta­lingsbevel behouden bleven. Zo blijkt met name het plafond van 75.000 euro dat het Oostenrijkse rechtsstelsel hanteerde11 uit de EBP verdwenen. Ook kan het Oostenrijks betalingsbevel niet worden gebruikt als de gedaagde zijn woonplaats, verblijfplaats of zetel in het buitenland heeft.12 Dat is niet het geval voor de EBP.13


“

Zo werden tijdens de eerste helft van 2013 meer dan 1,7 miljoen zaken via het elektronische betalingsbevel ingediend.” Anderzijds, en zoals de Poolse zaak illustreert, lijkt het perfect mogelijk dat14 de twee grote modellen van betalingsbevel binnen eenzelfde rechtsorde gewoon naast elkaar bestaan. Zo bestaat er in Polen enerzijds een betalingsbevel dat niet elektronisch kan worden ingediend en dat van de verzoeker eist dat hij bewijsstukken voorlegt,15 en anderzijds een elektronisch betalingsbevel dat onder de categorie “zonder bewijs”

valt. Dit laatste werd in 2010 ingevoerd en wordt geregeld door de artikelen 50528 en volgende van het Poolse Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging en kent win de praktijk een enorm succes. Zo werden tijdens de eerste helft van 2013 meer dan 1,7 miljoen zaken via het elektronische betalingsbevel ingediend.16 Dat overweldigende succes kan wellicht worden verklaard door het feit dat de vermeende schuldeiser in tegenstelling tot het gewone betalingsbevel geen bewijzen moet aanvoeren en dat verklaringen gewoon volstaan.17 Om de gelijkheid van de partijen te behouden, en anders dan bij het tradi­tionele betalingsbevel, moet het verzet niet worden gemotiveerd en hoeft de gedaagde geen enkel

8 Wet 4/2011 voegde aan artikel 815 LEC een paragraaf toe die de griffier verplicht het dossier over te maken aan de rechter als de bewijsstukken die de schuldeiser overmaakte hem niet overtuigend lijken. Wet 42/2015 van 5 oktober 2015 (in voege getreden op 7 oktober 2015) voegde een paragraaf 4 toe waardoor de griffier ertoe verplicht is alvorens een betalingsbevel in de relaties tussen een handelaar en een consument te gelasten, de zaak terug te verwijzen naar de rechter opdat die ambtshalve het eventuele oneerlijke karakter van een willekeurig beding kan vaststellen en daar de gevolgen uit trekken. Deze ultieme wijziging van artikel 815 LEC werd noodzakelijk door het arrest Banco Español de Crédito (zie uitdrukkelijk de uiteenzetting van de motieven nr. V van wet 42/2015) waarin het Hof van Justitie (zaak C-618/10, 14 juni 2012) besloot: “Richtlijn 93/13/EEG […] betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, […] verzet zich tegen een regeling van een lidstaat […] op grond waarvan een rechter die om een betalingsbevel is verzocht, zelfs indien hij daartoe over de nodige gegevens ten aanzien van het recht en van de feiten beschikt, niet ambtshalve, wanneer de consument geen verzet heeft aangetekend, in limine litis of op enig ander ogenblik in de procedure kan nagaan of een beding over moratoire interesten in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument eerlijk is” (punt 1 van het beschikkend gedeelte en punt 57 van de motieven). We stellen dus vast dat de Europese rechtspraak de nationale wetgevingen in hun relaties tussen handelaars en consumenten het documentaire model van het betalingsbevel wil opleggen, overigens in de meest “zuivere” formulering, m.a.w. door de belangrijkste rol aan de rechter en niet aan een ander lid van de rechtspraak toe te kennen, terwijl de Europese wetgever met de EBP de voorkeur geeft aan het niet-documentaire model en de meest doorgedreven vorm daarvan nastreeft, zijnde een volledig geautomatiseerde procedure. Een compromis kan erin bestaan een onderscheid te maken voor de B2C- en de B2B-relaties: zie E. GUINCHARD, “Quelques leçons de droit comparé pour l’injonction de payer en Europe?”, Ius & Actores 2014, p. 229, nr. 8 e.v.

9 HJEU, Iwona Szyrocka, zaak C-125/11. 10 De Oostenrijkse auteurs zijn zich daar perfect van bewust. Zie bijvoorbeeld W. JELINEK, “Austria: Vereinfachte Forderungsbetreibung in Österreich”, in Vesna Rijavec, T. IVANC en T. KERESTES (dir.), “Simplification of Debt Collection in the EU”, Kluwer, 2014, p. 47, m.n. p. 55, die uitlegt dat de vele overeenkomsten tussen de Oostenrijkse en Europese betalings­ bevelen te verklaren vallen doordat het Oostenrijkse betalingsbevel model stond voor het Europese. De auteur die de wetgevende evolutie schetst, merkt overigens op dat het betalingsbevel niet voorkwam in het Wetboek van de Burgerlijke Rechtspleging uit 1895, omdat het zich tot enkele territoria beperkte (punt 2.2.3 p. 56). Vandaag maakt het EBB deel uit van het EU-recht, maar wordt het slechts in enkele Staten echt toegepast. 11 V. § 244 (1) ZPO [equivalent van het Wetboek van burgerlijke rechtspleging/Gerechtelijk Wetboek], https://www.ris.bka.gv. at/GeltendeFassung/Bundesnormen/10001699/ZPO%2c%20 Fassung%20vom%2001.12.2015.pdf. Vóór medio 2009 bedroeg het maximum 30 000 euro. 12 V. § 244 (2) 3 ZPO: “Ein Zahlungsbefehl darf nicht erlassen werden, wenn […] der Beklagte seinen Wohnsitz, gewöhnlichen Aufenthalt oder Sitz im Ausland hat”. 13 Zodat W. JELINEK, o.c., meent dat er althans binnen de Europese Unie een leemte werd gedicht: punt 2.4.6, 2de paragraaf, in fine, p. 61. 14 Buiten de hypothese Europese betalingsbevel/nationaal bevel met bewijs. 15 Volgens P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, “Poland: Simplification of Debt Collection in Portugal – National and EU Perspective”, in Vesna Rijavec, T. IVANC en T. KERESTES (dir.), “Simplification of Debt Collection in the EU”, Kluwer, 2014, p. 179, met name p. 192. Een derde vorm van betalingsbevel valt eveneens onder het model met bewijs: namelijk het bevel dat de auteurs ‘injunction’ maar niet elektronisch noemen: zie p. 193. 16 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., p. 185. 17 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., p. 193.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 11


“

Koos gedaagde oorspronkelijk voor de elektronische weg, dan dient hij dat pad verder te blijven bewandelen.” bewijsstuk ter staving over te maken.18 Dit systeem dat vergelijkbaar is met het geautomatiseerde Europese betalingsbevel lijkt goed te werken; dat kunnen we alvast concluderen uit het feit dat er tijdens het eerste jaar (2010–2011) in slechts 3% van de 1,6 miljoen zaken die via deze weg werden ingediend verhaal werd gezocht.19 De rechtbank van Lublin is op dit vlak als enige bevoegd voor het volledige Poolse grondgebied (dit bevestigt de trend om geschillen te gaan centraliseren, iets wat we ook inzake het Europees betalingsbevel vaststellen). Speciaal voor deze procedure werden 110 griffiers aan­gewezen, evenals drie rechters. Die samenstelling geeft de idee weer van een procedure voor niet-betwiste

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 12

schuldvorderingen, die geen geschillen in de strikte betekenis zouden moeten doen rijzen en bijgevolg geen tussenkomst van een rechter zouden moeten vergen, te meer daar die enkel beschikbaar is voor schuldvorderingen van minder dan drie jaar.20 De vertegenwoordiging door een rechtsprofessional is niet verplicht. De volledige procedure verloopt elektronisch. Het eigenlijke betalingsbevel en de uitvoerbare titel die bij uitblijven van verzet daaruit voortvloeit bestaan enkele onder elektronische vorm en kunnen enkel op de portaalsite van de rechtbank worden geraadpleegd. Dit veronderstelt dan weer een account die moet worden aangemaakt aan de hand van verschillende gegevens die op hun beurt op hun overeenstemming met de gegevens in de database van de sociale zekerheid worden getoetst.21 Merk even­wel op dat gedaagde schriftelijk verzet kan aantekenen; dat document wordt vervolgens door de rechtbank


“

Ieder land moet dus zijn model kiezen volgens de gevoeligheden, en erkennen dat het betalings­bevel slechts een element is in een reeks die op het niveau van de uitvoeringsprocedure moet worden aangevuld.” gescand.22 De heersende gedachte is dat eens er voor de elektronische procedure werd gekozen, er geen weg terug is: verstuurt de verzoeker die de zaak elektronisch inleidde naderhand documenten per post naar de rechtbank, dan hoeft deze daar geen rekening mee te houden; koos gedaagde oorspronkelijk voor de elektronische weg, dan dient hij dat pad verder te blijven bewandelen.23 Een van de voordelen van de elektronische weg is dat zodra het betalingsbevel een uitvoerbare titel wordt, er vanuit datzelfde portaal rechtstreeks een gerechtsdeurwaarder kan worden gecontacteerd om tot de uitvoering over te gaan.24 Het succes van het elektronische betalingsbevel – het model zonder bewijs heeft de automatisering daarvan verregaand vereenvoudigd – is in Duitsland nog een stuk groter. Volgens de zopas (16 november 2015) gepubliceerde cijfers registreerden de Amtsgerichten 5,6 miljoen (5.590.228) betalingsbevelen (Mahnverfahren),25 wat ondanks een gestage daling sinds 2003 een indrukwekkend cijfer is. Hoewel de toepassing van het model zonder bewijs de efficiëntie verhoogt (met mogelijk, niet te verwaarlozen negatieve gevolgen voor de vermeende schuldenaar wanneer het betalingsbevel niet wordt betekend, zodat hij er geen kennis van kan nemen en er bijgevolg ook nooit verzet tegen kan aantekenen – een hypothese die niet in de officiële statistieken voorkomt, die slechts het aantal gewezen betalingsbevelen tellen die ervan uitgaan dat de gedaagde naar behoren werd geïnformeerd26), dan nog vormt dit geen garantie voor die efficiëntie, omdat die in de praktijk wordt afgemeten aan de uitvoerbaar geworden uitvoering van het betalingsbevel. Als bewijs hiervoor kan het Portugese betalingsbevel worden aangehaald dat het Germaanse model volgt. Portugese auteurs zijn van oordeel dat de Portugese constitutionele rechtspraak over het uitvoeringsrecht die de regel die de motieven voor het beperken van de weigering tot uitvoering van een betalingsbevel waartegen geen verzet is gerezen, ongrondwettelijk verklaarde, een uitspraak in verband met de ondoorgrondelijkheid van het patrimonium van de schuldenaar in dat land, het systeem iedere efficiëntie ontneemt.27 Ze voegen daaraan toe dat de uitvoering lang­dradig is en gemiddeld 3 jaar en 7 maanden duurt, zonder dat geweten is of de schuldeiser uiteindelijk ook werkelijk werd betaald.28 Men kan moeilijk harder zijn over het eigen systeem. Ieder land moet dus zijn model kiezen volgens de gevoeligheden, en erkennen dat het betalingsbevel slechts een element is in een reeks die op het niveau van de uitvoeringsprocedure moet worden aangevuld (m.a.w. de gewone procedure als gewoon niet-gemotiveerd verzet volstaat om er op terug te komen).

18 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., p. 195. 19 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., p. 184. 20 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., p. 187. 21 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., pp. 183-184. 22 P. FIEDORCZYK en K. BAGAN-KURLUTA, o.c., p. 183. 23 P. Fiedorczyk en K. Bagan-Kurluta, op. cit., p. 193. 24 P. Fiedorczyk en K. Bagan-Kurluta, op. cit., p. 184. 25 Zie “Zivilgerichte – Fachserie 10 Reihe 2.1 – 2014“, p. 13, https://www.destatis.de/DE/ Publikationen/Thematisch/Rechtspflege/ GerichtePersonal/ Zivilgerichte2100210147004.pdf?__blob=publicationFile. 26 Zie voor de voorwaarden volgens welke het model zonder bewijs zou kunnen worden geaccepteerd, E. GUINCHARD, “Quelques leçons de droit comparé pour l’injonction de payer en Europe?”, Ius & Actores 2014, p. 229, nr. 8 e.v. 27 J. CARAMELO GOMES, M. JOAO MIMOSO, N. BESSA VILELA en C. CORDEIRO DE ALMEIDA, “Portugal: Simplification of Debt Collection in Portugal – National and EU Perspective”, in Vesna Rijavec, T. IVANC en T. KERESTES (dir.), “Simplification of Debt Collection in the EU”, Kluwer, 2014, p. 363, met name 378: “The Constitutional Court has […] declared unconstitutional the rule that limited grounds for opposition to the enforcement of an uncontested order for payment application. The consequences for the efficiency of the mechanism are terrible. The formalistic approach it clearly follows is […] a benefit to the non-compliant in prejudice of the real victim. Moreover, when the debtor’s assets invisibility that is common in Iberia (Spain and Portugal) is added, the efficiency of the system is completely non-­ existent”. Zie eveneens p. 380 waar de auteurs oordelen dat in de mate dat het EBB-Verordening de vraag van de eigenlijke uitvoering niet aansnijdt, de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof eveneens van toepassing zou moeten zijn op het EBB, waardoor een conflict ontstaat met de artikelen 21 en 22 van de EBB-Verordening. 28 J. CARAMELO GOMES, M. JOAO MIMOSO, N. BESSA VILELA en C. Cordeiro de Almeida, op. cit., pp. 380-381.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 13


ACTUA 1

NIEUW DIRECTIECOMITÉ

2

VERGELIJKEND EXAMEN 2015–2016

Op 18 maart 2016 verkoos de algemene vergadering van de NKGB een nieuw directiecomité.

De benoemings­procedure voor de nieuwe kandidaat-gerechtsdeurwaarders voor 2016 is zo goed als afgerond.

Voorzitter Marc Brackeva kreeg in ruime mate opnieuw het vertrouwen. Voorts verwelkomen we twee nieuwe gezichten: Philippe Willems als verslaggever en Peter Coene als penningmeester.

Net zoals vorig jaar, heeft de Koning voor het jaar 2016 hetzelfde maximum aantal te benoemen kandidaat-­ gerechtsdeurwaarders bepaald: het gaat om 17 Frans­taligen en 28 Nederlandstaligen.

Hieronder vindt u de volledige samenstelling van het directiecomité.

Om tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder te worden benoemd, moet de geldig ingeschreven stagiair slagen voor een vergelijkend examen dat bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef. Het schriftelijk examen vond plaats in december 2015 aan de Université Saint-Louis van Brussel. Het mondeling examen ging door in illa BXL (Anderlecht) in de tweede helft van januari 2016.

Marc Brackeva (NL) voorzitter Thierry Deboulle (FR) ondervoorzitter Frank Maryns (NL) ondervoorzitter Philippe Willems (NL) verslaggever Axel de Donnea (FR) adjunct-verslaggever Peter Coene (NL) penningmeester Paul Coster (FR) adjunct-penningmeester Vital Jennen (NL) secretaris Caroline De Mey (NL) adjunct-secretaris

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 14

De publicatie van de benoemingen wordt binnenkort verwacht in het Belgisch Staatsblad.

Enkele cijfers: Van de 84 (34 FR + 50 NL) geldig ingeschreven stagiairs: »» hebben er 82 (32 FR + 50 NL) deelgenomen aan de schriftelijke proef; »» zijn er 22 (8 FR + 14 NL) geslaagd voor deze eerste proef en hebben deelgenomen aan de mondelinge proef; »» zijn er 17 (6 FR + 11 NL) geslaagd op de mondelinge proef. Het slaagcijfer van deze tweede editie bedraagt dus 19% aan Franstalige kant en 22% aan Nederlandstalige kant. Het valt ook op dat de instroom blijft vervrouwelijken, met de aanwezigheid van 52 (25 FR + 27 NL) ingeschreven stagiaires op een totaal van 84, wat neerkomt op zo’n 74% van de Franstaligen en 54% van de Nederlandstaligen.


BIJZONDERE ONTMOETINGEN JAN DE MEUTER (VOORZITTER SAM-TES) EN ERIK VAN TRICHT (VOORZITTER KFBN) IN GESPREK OVER DE DIGITALISERING VAN JUSTITIE, een interview door Anne Knops

“Digitalisering is geen doel, wel een middel.” Mijn heren, onze minister van Justitie draagt digitalisering en informatisering van justitie hoog in het vaandel, wat vindt u daarvan? VAN TRICHT  Als men dat tegenwoordig niet hoog in het vaandel zou dragen, zou dat eigenlijk niet erg wijs zijn. Het geeft immers de mogelijkheid om een deel van de administratieve rompslomp te vereenvoudigen en ook te verzekeren. Want hoe meer stappen men ergens in een bepaalde administratieve werking heeft, hoe meer kans er is op fouten en hoe meer kans op vertraging. Justitie moet dus volop gaan voor digitalisering. Ik druk me voorzichtig uit: we kunnen niet in de twintigste eeuw blijven, zeker niet in 2016. DE MEUTER  Minister Geens is inderdaad de zoveelste minister die aankondigt dat hij justitie gaat informatiseren, maar we stellen op het terrein vast dat deze minister een globaal plan voor ogen heeft. Zijn informatiseringsproject vertrekt van een duidelijke visie. Anders dan bij het Phenix-project, ontwikkelt deze minister samen met de partners van justitie stapsgewijs en zeer pragmatisch een aantal noodzakelijke bouwstenen, om ze vervolgens samen te kunnen leggen. Daarnaast stel ik vast dat de geesten zijn gerijpt. Het is intussen algemeen doorgedrongen, niet alleen binnen justitie, maar in alle gelederen van de maatschappij, dat deze informatisering een absolute noodzaak is en men is ook bereid om daar middelen voor vrij te maken, ondanks de moeilijke budgettaire situatie.

Hebt u als beroepsgroep specifieke bijdragen en/of verwachtingen? VAN TRICHT  Wat de bijdragen betreft: wij investeren al jaren in IT. Sinds vorig jaar verloopt de registratie digitaal: de akten worden digitaal overgemaakt aan de registratie­ kantoren en worden nadien ook verwerkt voor de hypotheekkantoren. Wat de vennootschappen betreft is er het E-depot, waarbij de vennootschapsakten digitaal worden neergelegd voor bekendmaking en publicatie. Dat is begonnen met oprichtingsakten. In een volgend stadium komen de statutenwijzigingen aan bod en dergelijke meer.

Dan kijk ik even naar de gerechts­deur­­­­waarders. Hoe is het bij u? Welk zijn de initiatieven of welke zijn de verwachtingen die u als gerechtsdeurwaarder hebt? DE MEUTER  Samen met de notarissen zijn we ervan overtuigd dat de informatisering van justitie niet alleen van binnen justitie moet komen, maar dat alle juridische actoren hier op hun manier en binnen hun eigen toepassings­gebied het voortouw moeten nemen en ervoor moeten zorgen dat ze mee evolueren. Want justitie en haar juridische partners zijn communicerende vaten. Eén partij laten digitaliseren heeft geen zin. Justitie is geen eiland.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 15


Zijn er concrete dossiers? DE MEUTER  Op dit ogenblik zijn we volop bezig met de technische uitrol van de administratieve procedure inzake niet-betwiste schuldvorderingen, waarin alles wat we gedurende tien jaar gedaan hebben op het vlak van informatisering samenkomt: het gebruik van authentieke bronnen, geëncrypteerde communicatie, ons digitaal dossier, volledige traceerbaarheid van iedere betrokken partij, de elektronische handtekening, een volledige auditing en logging, het volledig gesynchroniseerd werken tussen de Nationale Kamer en de individuele gerechtsdeurwaarders, enz. Daarnaast is het ook zo dat we volop inzetten op de elektronische betekening, zowel in burgerlijke zaken als in strafzaken. De uitrol daarvan zal trouwens in eerste instantie tussen de gerechtsdeurwaarders en de notarissen gebeuren. Het is een voorbeeld van hoe twee partners van justitie samen met justitie een volledig nieuwe toepassing uitrollen. Als we erin slagen om deze twee nieuwe applicaties binnen deze legislatuur te realiseren, dan zullen we meteen een grote stap voorwaarts hebben gezet op de spreekwoordelijke

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 16

schaal van efficiëntie: administratief én maatschappelijk. Daarnaast zou ik de authentieke bron van alle exploten ook graag nog realiseren. Technisch zijn we daarmee klaar, maar ik weet niet of we hiervoor van de wetgever de kans zullen krijgen.

Misschien nog even inzoomen op de visie van de minister. Allicht heeft u als voorzitters ook een visie. U bent bezig met digitalisering, in functie van een betere dienstverlening naar buiten uit of in functie van een efficiëntere organisatie van uw beroep. Kunnen we daar misschien ook even bij stilstaan? DE MEUTER  In eerste instantie, zijn wij openbaar ambtenaar. Alles wat wij doen, is rechtstreeks gekoppeld aan het maatschappelijk belang. Als we zeggen dat we willen digitaliseren, dan is ons uitgangspunt in eerste instantie: hoe kunnen we als openbaar ambtenaar onze dienstverlening efficiënter aanwenden naar de burger en naar de bedrijven? Daarnaast is het ook zo dat een verdere digitalisering noodzakelijk is om ook de


“

Anders dan bij het Phenix-project, ontwikkelt deze minister samen met de partners van justitie stapsgewijs en zeer pragmatisch een aantal noodzakelijke bouwstenen, om ze vervolgens samen te kunnen leggen.” JAN DE MEUTER

gerechtsdeurwaarders en hun kantoor op een meer efficiënte manier te laten werken. Dat is evident, die twee gaan hoe dan ook samen. Ten slotte moet benadrukt worden dat digitalisering uiteindelijk maar een middel is. Het belangrijkste is nog altijd het contact met de burger dat zowel de notaris als de gerechtsdeurwaarder zo kenmerkt. Deze juridische partners kunnen hun rol niet naar behoren vervullen zonder een nauw contact met die burger. De basis hiervan is vertrouwen en kennis. Digitalisering kan daarbij een drempelverlagend middel zijn en een middel dat ons meer efficiënt laat werken, maar het persoonlijk contact blijft, samen met de kwalitatieve vereisten, het belangrijkste.

“

Als men het digitale als een doel op zich zou gaan zien, dan zijn we verkeerd bezig.” ERIK VAN TRICHT

VAN TRICHT  Ik kan dat alleen maar onderschrijven. Als men het digitale als een doel op zich zou gaan zien, dan zijn we verkeerd bezig. Men neigt daar soms wel eens toe als men vooral oog heeft voor alles wat men ‘backoffice’ noemt. Als men zegt dat we dat alle­maal moeten digitaliseren, dan denk ik dat we niet optimaal bezig zijn, want dan zijn we de nadruk aan het leggen op het digitaliseren als een doel op zich en zoals de voorzitter terecht zegt: het is een middel. We moeten dus veel meer ‘frontoffice’ en naar het cliënteel toe denken. Hoe kunnen we de dienstverlening via de digitalisering verbeteren om het voor de notarissen gemakkelijker te maken en om het vooral voor de burger en voor het cliënteel gemakkelijker te maken? En om dan inderdaad onze dienstverlening, onze knowhow nog gemakkelijker en nog beter ter

beschikking te stellen. Het administratieve is veel te zwaar geworden, en dat is geen nieuw gegeven, dat is overal zo. We moeten proberen dat te verlichten, zodat we opnieuw met onze core business bezig kunnen zijn. Ik denk dat de gerechtsdeurwaarders en de notarissen dat allebei goed begrepen hebben en ook het voordeel hebben van ‘de beperkte beroepsgroep’, met leden die eigenlijk allemaal met eenzelfde zaak bezig zijn. Als ik bijvoorbeeld kijk naar de advocaten, en dat is geen terechtwijzing, zie ik dat hun beroep zo uiteenlopend is dat het moeilijk is om digitale toepassingen meteen te implementeren. Daar hebben wij het voordeel van de beperkte groep, die toch ruim genoeg is om wat middelen te genereren. Bovendien gaan de belangen van diezelfde beroepsgroep ook allemaal in dezelfde richting. DE MEUTER  Een heel concreet voorbeeld van samenwerken is het huwelijksvermogensregister. Dat is een realisatie van de notarissen. Wij zullen er heel binnenkort op een elektronische manier op kunnen aansluiten om zo onze dienstverlening als gerechtsdeurwaarder te verbeteren. Het voorbeeld van de elektronische betekening dat ik eerder aanhaalde gaat in de andere richting: wanneer wij elektronisch zullen betekenen is het logisch dat de notaris de eerste beroepsgroep zal zijn waarmee we dit willen opstarten. In een opstartfase is het belangrijk dat je kan rekenen op een gelijkaardige ‘digitale mindset’ van je partner om het geheel te doen slagen. Bij de notarissen is deze overtuiging ten volle aanwezig. Dat zijn twee concrete voorbeelden waar iedereen beter van wordt: de gerechtsdeurwaarder, de burger, de notaris en de maatschappij – dus ook justitie.

Hier zijn we aangekomen bij het punt van de samenwerking tussen uw beroepsgroepen. U hebt, dacht ik, een protocol afgesloten om samen te werken rond bepaalde punten. DE MEUTER  De notarissen zijn voor ons op het vlak van informatisering altijd het grote voorbeeld geweest. Zij hebben op dat vlak waarschijnlijk nog altijd een bepaalde voorsprong op de andere juridische beroepen. Ik denk dat wij inzake informatisering de laatste 7 à 8 jaar een onwaarschijnlijke inhaalbeweging gemaakt hebben waardoor we nu volwaardige partners zijn. Dit protocol is niet meer dan de neerslag van de wil tot samenwerken van twee gelijkgestemde partijen.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 17


Het protocol is er, daar zijn twee elementen van samenwerking of mogelijke samenwerking die naar voor komen. Ziet u in de toekomst nog andere mogelijkheden van samenwerking, van convergentie?

“

De minister heeft ons onder andere aangesproken om eens mee te kijken hoe het verhaal van de e-box zou kunnen worden uitgewerkt.” ERIK VAN TRICHT

VAN TRICHT  Ik denk het wel. De minister heeft ons onder andere aangesproken om eens mee te kijken hoe het verhaal van de e-box zou kunnen worden uitgewerkt, uiteraard vanuit de ervaring die wij hebben en dat zal ook zeker en vast een bijdrage kunnen leveren voor al de niet strikte betekeningen. Het zal weer wat afhangen van de mate waarin de minister daaraan trekt of duwt en middelen ter beschikking kan stellen, maar we gaan daar zeker ook in kunnen samenwerken, daar ben ik van overtuigd.

DE MEUTER  We hebben met SAM-TES een aantal brainstormsessies georganiseerd in voorbereiding van een congres waar een visienota 2016–2020 door het directiecomité zal worden voorgesteld. Waar willen we de volgende jaren met het beroep naartoe? Informatisering speelt daarin uiteraard een belangrijke rol, maar het is absoluut niet zo dat de kennis van het terrein door een computer kan vervangen worden. Ik geef twee voorbeelden waar het menselijk aspect zelfs in de wetgeving is voorzien, naast het informaticaluik. Ten eerste de elek­tronische betekening. Die zal een onwaarschijnlijke efficiëntiewinst opleveren én voor de kantoren, én voor de overheid, bedrijven en burgers. Maar de wet voorziet dat de gerechtsdeurwaarder de keuze heeft: hij kan elektronisch betekenen, wat evident lijkt in het geval van een notaris of een andere juridische partner, of hij kan op de traditionele manier toch ter plaatse betekenen. Zo zal het in een familiezaak beter zijn om ter plaatse te betekenen, om zo de finaliteit van het exploot mondeling aan de tegenpartij te kunnen toelichten. Een tweede voorbeeld is de procedure van niet-betwiste schuldvorderingen. Ook daar is voorzien dat het ter plaatse gaan van de gerechtsdeurwaarder noodzakelijk is om zijn rol als

Kunt u nog even toelichten hoe u het huwelijk ziet tussen enerzijds de efficiëntie, de digitalisering, de robotica en anderzijds het menselijk contact? Met andere woorden, ziet u het beroep en/of de dienstverlening mede ten gevolge van die digitalisering evolueren in één of andere richting? VAN TRICHT  Absoluut, wij hebben een uitgebreide eigen IT-afdeling. Al die medewerkers werken uitslui­tend op toepassingen bestemd voor het notariaat, om u maar te zeggen dat we dat serieus nemen. Zij zetten de vele ideeën en projecten om in concrete realisaties, zoals de e-registration. Het is niet voldoende om dat op de markt te zetten, dat moet voortdurend ondersteund worden. We hebben ook op dat punt heel wat know­­how uitgebouwd. Op die manier kunnen we notarissen hel­pen met de IT-diensten, zodanig dat we een aantal beslommeringen van hen kunnen wegnemen. Daar­ naast willen we effectief de administratieve rompslomp verminderen, zodanig dat er meer tijd overblijft voor de cliënt of om eens een babbel te doen, dat is veel interessanter en boeiender dan heel veel administratie te moeten uitvoeren. Op ons laatste congres in Luik was dat één van de hot items: hoe kunnen we via de digitalisering terug meer ruimte vrijmaken om menselijk contact te verhogen, om onze knowhow op een vlotte en snelle manier via de IT ter beschikking te stellen van het cliënteel?

“

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 18

Hoe kunnen we via de digitalisering terug meer ruimte vrijmaken om menselijk contact te verhogen, om onze knowhow op een vlotte en snelle manier via de IT ter beschikking te stellen van het cliënteel?” ERIK VAN TRICHT

bemiddelaar en solvabiliteitsbeoordelaar ten volle te kunnen vervullen. Het contact met de tegenpartij is noodzakelijk om zo aan de voordeur reeds, vanaf de opstart van het dossier, te kunnen beoordelen of een dossier kans op slagen heeft: of het zin heeft om te betekenen. Dit menselijk contact en deze plaatselijke


“

Als wij het niet doen, zullen we op één of andere manier binnen een paar jaar ingehaald worden.” ERIK VAN TRICHT

kennis is complementair met de informatie die we vooraf op een geïnformatiseerde wijze op het kantoor hebben verkregen, en die eveneens bijdraagt tot een betere beoordeling van het dossier van bij de aanvang.

Mag ik afrondend besluiten dat er een nieuwe taak en vooral verantwoordelijkheid is bijgekomen voor uw instituten, namelijk het ter beschikking stellen van tools, niet alleen voor de eigen doelgroep, maar ook voor de interactie met de overheid? VAN TRICHT  Dat is geen opdracht, maar ik denk en ik hoor dat er dezelfde visie bestaat tussen de notarissen en de gerechtsdeurwaarders: als wij het niet doen, zullen we op één of andere manier binnen een paar jaar

ingehaald worden. Wij zien dat in de eerste plaats als een manier om de dienstverlening naar de burger toe beter te maken, maar in de tweede plaats is het uiteraard ook zo, we moeten daar niet flauw over doen, dat wij ook oog moeten hebben voor ons beroep. Als we die inspanning vandaag niet doen, dan zal ons beroep ‘as such’ er binnen een paar jaar niet meer zijn omdat het zal ingehaald zijn door de digitale wereld. DE MEUTER  We moeten inderdaad inspelen op de noden van de maatschappij en zorgen dat we pakweg over vijf jaar nog relevant zijn. Dat kan alleen door bij iedere ontwikkeling in ons beroep - digitaal, wetgevend of ander– onze werking kritisch te blijven bekijken, onszelf te durven vernieuwen en hierin het voortouw te blijven nemen. VAN TRICHT  En dan komen we terug naar het begin: het digitaliseren is geen doel, maar is een middel. Dus wij moeten ons focussen op het middel. Ons doel is de burger. DE MEUTER  En daarmee is de cirkel rond.

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 19


SFEERBEELDEN

Nationaal Congres NKGB

1 NKGB-CNHB  april 2016 — 20


PHOTOS

Congrès Nationale de la CNHB

1 NKGB-CNHB  avril 2016 — 20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De gerechtsdeurwaarder #01 2016 by SAM-TES - Issuu