Skip to main content

De gerechtsdeurwaarder #2 & #3 2017

Page 1

Wetsvoorstel: uitbreiding lijst van de niet voor beslag vatbare lichamelijke goederen Invordering onbetwiste geldschulden Gemeentelijke retributies : gebruik van een dwangbevel voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen Verbod op prijsafspraken tussen gerechtsdeurwaarders en verjaring van diens kosten

Q i

De elektronische betekening: (r)evolutie?

Insolvabiliteit van onder­ nemingen: wetsontwerp ter hervorming van de faillissements­procedure en de gerechtelijke reorganisatie BIJZONDERE ONTMOETINGEN

“Van een goede samenwerking wordt iedereen beter.” Anne-Marie Gepts, procureur des Konings van het parket te Antwerpen en Peter Coene, penning­ meester van de NKGB in gesprek over de elektro­ nische betekening

DE GERECHTSDEURWAARDER

n Q

#02/03

Kwartaalblad nr. 2/3 november 2017 jaargang 6

Tijdschrift van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België

PB- PP B- 00000 BELGIE(N) - BELGIQUE


INHOUD

HOOFDREDACTIE

Nicolas Decock, Sylvie Vanmaele, Charissa Voet

WOORD VOOR AF   Marc Brackeva

03

Q

04

UID NOVI? De juridische dienst van de NKGB

… OP WETGEVEND VLAK

• Wetsvoorstel van 8 juni 2017 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare lichamelijke goederen • Wetsvoorstel van 8 juni 2017 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op het vermijden van openbare verkopen waar de schuldeiser geen baat bij heeft • Vereenvoudigd derdenbeslag: de tegenaanzegging inzake de directe belastingen is nu ook mogelijk op elektronische wijze

REDACTIERAAD

Éric Choquet, Nicolas Decock, Lionel De Mol, Patrick Gielen, Ivo Goeyens, Kris Slabbaert, Sylvie Vanmaele, Ronald Vanswijgenhoven, Charissa Voet

… OP VLAK VAN RECHTSPRAAK

• Invordering van onbetwiste schulden – wisselbrieven • Invordering van onbetwiste schulden – keuze tussen IOS en klassieke rechtsgang – nutteloze kosten • Gemeentelijke retributies – Erkenning door het Grondwettelijk Hof van het gebruik van een dwangbevel voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen • Goederen volstrekt nodig voor het beroep – natuurlijk persoon • Verbod op prijsafspraken tussen gerechtsdeurwaarders en verjaring van diens kosten • Benoeming van een sekwester door de beslagrechter

Q

UID IURIS? Juridische diensten

van SAM-TES en van de NKGB

10

• De elektronische betekening: (r)evolutie? ELEKTRONISCHE BETEKENING IN STR AFZAKEN

15

KnopsPublishing Sint-Antoniusstraat 22 2200 Herentals

• Koen De Proft – IT Project Manager SAM-TES INSOLVABILITEIT VAN ONDERNEMINGEN: WETSONTWERP TER HERVORMING VAN DE FAILLISSEMENTSPROCEDURE EN DE GERECHTELIJKE REORGANISATIE

UITGEVER

16

PERIODICITEIT

Kwartaalblad

• De juridische dienst van de NKGB STRIJD TEGEN WITWASSEN VAN GELD EN DE FINANCIERING VAN TERRORISME: ACTIEPLAN

ERKENNINGSNUMMER

18

VERANTWOORDELIJKE UITGEVER

• De juridische dienst van de NKGB DE EERSTE BENOEMINGEN SINDS LANG!

19

• Lionel De Mol, verantwoordelijke juridische dienst SAM-TES BIJZONDERE ONTMOETINGEN

P 914378

Marc Brackeva Henri Jasparlaan 93 1060 Brussel

22

• Anne-Marie Gepts, procureur des Konings van het parket te Antwerpen en Peter Coene, penningmeester van de NKGB in gesprek over de elektronische betekening

2017. Alle rechten zijn voorbehouden aan de NKGB. Niets mag uit deze publicatie gerepro­duceerd worden zonder de toestemming van de verantwoordelijk uitgever. Bijdragen/artikels kunnen gemaild worden naar secretariaat@sam-tes.be.


WOORD VOORAF MARC BRACKEVA, VOORZITTER

Geachte lezer, Laat me beginnen met de 19 nieuwe gerechtsdeur­ waarders-titularissen, die deze zomer benoemd werden, van harte proficiat te wensen met deze nieuwe stap in hun loopbaan. Tegelijk werden deze zomer 25 vacante plaatsen voor titularis-gerechtsdeurwaarders gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad: 13 in Wallonië, 10 in Vlaanderen en 2 in Brussel. Deze publicaties maken duidelijk dat we via de hervorming van ons statuut in 2014 en de wetswijziging in 2016 eindelijk een beroep kunnen doen op een efficiënte benoemingsprocedure, waardoor we een definitieve streep kunnen zetten onder de moeizame benoemingsprocedures van de afgelopen jaren. De schorsingen en vernietigingen zorgden immers voor immobilisme doordat er geen vacante plaatsen werden ingevuld. Daarnaast zorgden ze bij sommigen voor een financiële opdoffer en werkten ze een onzekere werksituatie bij de betrokken kantoren in de hand. Uiteraard is dit alles niet bevorderdelijk voor de relaties tussen de kandidaat-­ gerechtsdeurwaarders en de pas benoemde gerechtsdeurwaarders. U vindt meer informatie over deze benoemingsprocedure verderop in het tijdschrift. Voorts besteden we opnieuw heel wat aandacht aan de digitalisering van ons beroep, in het bijzonder aan de elektronische betekening die eind juni 2017 gelanceerd werd. Belangrijk om te onderstrepen is dat deze betekeningswijze niet de traditionele wijze zal vervangen. Het is en blijft een bijkomende manier van betekening,

waarbij de bestemmeling via zijn computerscherm wordt bereikt. In bepaalde dossiers blijft persoonlijk contact met de debiteur immers onontbeerlijk. Voorts onderlijn ik dat de territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeur­ waarder onverminderd blijft gelden. U kan dus enkel elektronisch aan die bestemmelingen betekenen, aan wie u kan betekenen op traditionele wijze. Ten slotte trek ik uw aandacht op het dubbelinterview dat penningmeester Peter Coene had met mevrouw Anne-Marie Gepts, de procureur des Konings van het parket te Antwerpen, waar de e-betekening van parketzaken momenteel wordt uitgetest. Deze samenwerking blijkt zo positief, dat een verderzetting ervan enkel maar een logische evolutie kan zijn. Want een goede samen­ werking loont voor ons allen, niet in de laatste plaats voor de rechtszoekende.

3


QUID NOVI? N

DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB

A – Op wetgevend vlak Wetsvoorstel van 8 juni 2017 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare lichamelijke goederen (www.dekamer.be, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54K2515)

Op 8 juni 2017 werd in de Kamer van Volksvertegen­ woordigers een wetsvoorstel ingediend dat de lijst van niet voor beslag vatbare goederen uit artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek wil wijzigen. De laatste aanpassing, gedaan per koninklijk besluit, dateert reeds van 20 juli 2002. Dit voorstel wenst de ondertussen toch achterhaalde opsomming van beschermde goederen aan te passen aan de noden van de huidige tijd. Zo wordt onder meer voorgesteld een heel gamma aan moderne communicatiemiddelen te beschermen die vaak de voornaamste of zelfs enige wijze van contact met de buitenwereld zijn voor de personen die geconfronteerd worden met financiële moeilijkheden. Meer precies wordt voorgesteld de lijst uit te breiden met “een radiotoestel, een televisietoestel, een telefoon, een computer, een printer en alle benodigdheden voor internetverbinding”.

4

NKGB-CNHB  november 2017

Maak van de laatste weken van het jaar gebruik om u voor te bereiden op de dubbele boekhouding die vanaf 1 januari 2018 verplicht is voor elk kantoor, overeenkomstig met het artikel 59 van het reglement met betrekking tot het houden van en het toezicht op de kwaliteitsrekeningen. Ook wordt voorzien in de bescherming van goederen met een emotionele waarde, weliswaar met een begrenzing op 1400 euro. Ten slotte wordt voorgesteld de termijn te verlengen waarin de schuldenaar zijn opmerkingen kenbaar kan maken aan de gerechtsdeurwaarder. Dit maakt het voor de beslagen persoon mogelijk zich naar behoren te informeren over het juridisch kader rond de niet voor beslag vatbare goederen. In het voorstel wordt de termijn verlengd van vijf naar vijftien dagen.

Wetsvoorstel van 8 juni 2017 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op het vermijden van openbare verkopen waar de schuldeiser geen baat bij heeft (www.dekamer.be, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54K2514)

Naast het voorstel omtrent de niet voor beslag vatbare goederen, werd met betrekking tot een ander welgekend onderwerp een voorstel ingediend dat reeds meermaals werd gelanceerd. Het voorstel steunt op het uitgangspunt dat elke schuldeiser die over een uitvoerbare titel beschikt, recht heeft op wat hem door deze titel wordt toegekend. In België zijn er jaarlijks honderden gerechtelijke openbare verkopingen. Er wordt aangehaald dat elke gerechtsdeurwaarder gemiddeld 6,7 openbare verkopen per jaar doet. In het kader van de strijd tegen de overmatige schuldenlast die in onze maatschappij niet kleiner wordt, wordt voorgesteld om de kosten van een beslag die hoger liggen dan de uiteindelijke opbrengst, ten laste van de opdrachtgever te leggen.


De huidige wetgeving sluit inderdaad een deficitaire tenuitvoerlegging niet uit, met als gevolg dat de schuldenput enkel dieper wordt in plaats van (gedeeltelijk) te worden gedempt.

Vereenvoudigd derdenbeslag: de tegenaanzegging inzake de directe belastingen is voortaan ook mogelijk op elektronische wijze (BS 1 juni 2017, pag. 60.590)

Op 11 juni laatstleden trad het koninklijk besluit van 22 mei 2017 tot wijziging van de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 inzake het vereenvoudigd elektronisch beslag onder derden in werking. De wetgever wenst hiermee de bepalingen betreffende het vereenvoudigd derdenbeslag inzake btw en de directe belastingen verder te harmoniseren. Een oplossing drong zich inderdaad op voor het verschil tussen de bepalingen die de tegenaanzegging in het kader van het elektronisch derdenbeslag inzake btw regelen (art. 85bis WBTW) en deze die ditzelfde beslag inzake directe belastingen regelen (artt. 164 en 165 van KB/WIB92). Met deze wijziging bekomt men een enig vereen­ voudigd derdenbeslag voor de invordering van de inkomstenbelastingen, de voorheffingen, de ermee gelijkgestelde belastingen en de btw. Voortaan kan men een kopie van de aanzegging van het beslag aan de belastingplichtige ook overmaken op elektronische wijze. Voor nadere verduidelijkingen wordt verwezen naar het koninklijk besluit in kwestie.

B – Op het vlak van de rechtspraak Invordering van onbetwiste schulden – wisselbrieven Kh. Gent (1ste kamer Brugge) 1 juni 2017, nr. 2017/2081, niet gepubliceerd

De wet van 19 oktober 2015 (Potpourri I) voerde de procedure ter invordering van onbetwiste geldschulden (IOS) in voor B2B-zaken. De rechtbank van koophandel van Gent heeft op 1 juni van dit jaar bevestigd dat deze procedure enkel gebruikt kan worden indien zowel schuldeiser als schuldenaar zijn

ingeschreven in de Kruispuntbank van ondernemingen (KBO). Schulden die betrekking hebben op personen (weze het de schuldeiser dan wel de schuldenaar) die niet in de KBO zijn ingeschreven, vallen buiten het toepassingsgebied. In casu argumenteerde de eiser dat de zaak betrekking had op de voormalige zaakvoerder van een vennootschap, die niet was ingeschreven in de KBO. Hieruit volgde volgens eiser dat de IOS-procedure niet gebruikt kon worden, een redenering die gevolgd werd door de rechtbank.

Invordering van onbetwiste schulden – keuze tussen IOS en klassieke rechtsgang – nutteloze kosten Gent 7 juni 2017, nr. 2017/4378, niet gepubliceerd

Vennootschap X tekende beroep aan tegen een vonnis waarin zij wel haar hoofdvordering ingewilligd zag, doch waarbij de gevraagde intrestvoet naar beneden werd herzien (toepassing van de intrestvoet zoals bepaald in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties) en waar de gerechtskosten ten haren laste werden gelegd. De rechter was van oordeel dat eiseres de IOSprocedure had moeten toepassen in plaats van rechtstreeks het gerecht in te schakelen, en op die manier nutteloze kosten heeft gemaakt. Het hof van beroep heeft dit arrest gedeeltelijk hervormd. Het hof bevestigde wel de toegepaste intrestvoet ten nadele van de contractueel bepaalde intrestvoet, doch was van oordeel dat de voorkeur die de eiseres gaf aan een procedure in rechte wel degelijk gerechtvaardigd was. Eiseres had in haar dagvaarding haar keuze gemotiveerd met twee argumenten : 1 De schuldenaar nam een dilatoire houding aan en poogde betalingsuitstel te bekomen, en de IOS-procedure biedt daartegen onvoldoende garanties gezien in elk stadium ervan op eenvoudige wijze bezwaar kan worden geformuleerd. Gezien deze deloyale houding van de schuldenaar was het inderdaad zeer waarschijnlijk dat hij zich zou verzetten in de loop van de procedure, met als resultaat dat de vordering uiteindelijk toch voor de rechter zou worden gebracht. De IOS-procedure heeft in die omstandigheden geen nut voor de schuldeiser, gezien zij er enkel toe zou leiden dat de gehele afhandeling van het geschil langer zou duren.

november 2017  NKGB-CNHB

5


2

Ter herinnering, artikel 1394/20 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: “Elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21 kan, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10% van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en strafbedingen (… worden ingevorderd).”

In tegenstelling tot in een gewone procedure in rechte, worden de contractuele interesten en strafbedingen dus beperkt tot een maximum van 10% van de hoofdsom, waarmee afbreuk wordt gedaan aan de contractuele vrijheid. De rechter volgde deze argumentatie en kwam tot het besluit dat de IOS-procedure voor vennootschap X minder gunstig was dan de gemeenrechtelijke procedure. Door te dagvaarden heeft de vennootschap dan ook geen nutteloze of overbodige kosten gemaakt. We kunnen uit deze beslissing dus afleiden dat de keuze voor de klassieke rechtsgang in plaats van de IOS-procedure in principe impliceert dat overbodige kosten worden gecreëerd, tenzij men kan aantonen dat er gegronde redenen zijn voor deze keuze.

6

NKGB-CNHB  november 2017

Gemeentelijke retributies – Erkenning door het Grondwettelijk Hof van het gebruik van een dwangbevel voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen GwH 18 mei 2017, nr. 62/2017

Naar aanleiding van een prejudiciële vraag heeft het Grondwettelijk Hof de rechtmatigheid bevestigd van het gebruik van een dwangbevel voor (zekere, opeisbare en vaststaande) niet-fiscale schuldvorderingen, zoals wordt voorzien door het Gemeentedecreet van 15 juli 2005. De betwiste procedure werd gecreëerd om de invordering van de gemeentelijke schuldvorderingen te verbeteren. Er waren inderdaad heel wat gemeenten die afzagen van de gedwongen invordering van dit soort schulden omwille van de kosten en de complexiteit van een gerechtelijke procedure, evenals de onzekere afloop.  Het Hof is van mening dat de invordering door middel van een gemeentelijk dwangbevel kostenbesparend werkt voor alle betrokken partijen en de rechtbanken ontlast van een contentieux waarin geen werkelijk geschilpunt tussen de partijen voorligt. Het Hof benadrukt verder dat de schuldenaar ook de mogelijkheid heeft om binnen een termijn van één maand na de betekening van het dwangbevel, verzet in te dienen tegen het gerechtsdeurwaardersexploot waarmee


het gemeentelijke dwangbevel wordt betekend, en dit zowel bij verzoekschrift als door een dagvaarding ten gronde. Dat verzet schorst de uitvoerbare kracht van het dwangbevel. De gevatte rechter heeft volle rechtsmacht en kan dus alle feitelijke, juridische en procedurele aspecten van de zaak onderzoeken, met inbegrip van de schuldvordering die aan het gemeentelijke dwangbevel ten grondslag ligt. Bovendien, aldus het Hof, is de mogelijkheid om een dwangbevel uit te vaardigen met voldoende waarborgen omkaderd. Een gemeentelijk dwangbevel kan krachtens het Gemeentedecreet slechts geldig worden uitgevaardigd voor niet-fiscale schulden voor zover die schulden onbetwist, opeisbaar, vaststaand en zeker zijn. Het mag evenmin worden aangewend voor een schuld die reeds is verjaard, noch voor een verbintenis onder opschortende voorwaarde waarvan de voorwaarde nog niet is vervuld. Een gemeentelijk dwangbevel kan verder slechts geldig worden uitgevaardigd indien de schuldenaar heeft nagelaten een door de gemeente opgestelde factuur te betalen, en nadat hij evenmin gevolg heeft gegeven aan een aanmaning verstuurd bij aangetekende brief. Bovendien vereist de in het geding zijnde bepaling dat het gemeentelijke dwangbevel, alvorens het wordt uitgevaardigd, wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen. Gelet op deze elementen en het feit dat de gemeente kan worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding indien zij ten onrechte een gemeentelijk dwangbevel uitvaardigt, is het Hof van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling geen overdreven macht toe­kent aan de gemeente of aan haar financieel beheerder.

Goederen volstrekt nodig voor het beroep – natuurlijk persoon GwH 24 maart 2016, nr. 52/2016

Bij beschikking van 4 mei 2015 in zake de bvba “V.C.” tegen de “Verzekeringskas Arbeidsongevallen – SECUREX” heeft de beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, geïnterpreteerd zoals in de parlementaire voorbereiding wordt gesuggereerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het alleen de beslagene beoogt die een natuurlijke persoon is?” De beslagrechter in kwestie diende zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een uitvoerend beslag op zes

voertuigen die toebehoorden aan een BVBA en die volgens de eiseres noodzakelijk waren voor de uitoefening van haar beroep.  Het Hof beperkte haar onderzoek dan ook tot artikel 1408, §1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek dat enkel betrekking heeft op de voor het beroep noodzakelijke goederen indien de beslagene een natuurlijke persoon is. Het Hof heeft deze vraag onderzocht en kwam tot de volgende conclusie. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 januari 1993 (tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling) blijkt dat de wetgever, zoals bij de totstandkoming van het Gerechtelijk Wetboek, beoogde “een billijk evenwicht te bereiken tussen de kordaatheid waarvan de schuldeiser, die te maken heeft met de nalatigheid en soms met de oneerlijkheid van de schuldenaar, blijk mag geven en de redelijkheid die men uit humanitair oogpunt moet betrachten.” (Parl.St. Kamer, 1989-1990, nr. 1114/1, p. 1). Het verschil in behandeling steunt dus op een objectief criterium, meer bepaald de juridische aard – natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon – van de eigenaar van de beschermde goederen.

“

In het licht van dat doel is het verantwoord de goederen die volstrekt nodig zijn voor de uitoefening van het beroep alleen te beschermen indien zij toebehoren aan een natuurlijke persoon.”

november 2017  NKGB-CNHB

7


Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het doel van die bepaling erin bestaat de menselijke waardigheid te vrijwaren en armoede te bestrijden. In het licht van dat doel is het verantwoord de goederen die volstrekt nodig zijn voor de uitoefening van het beroep alleen te beschermen indien zij toebehoren aan een natuurlijke persoon. Een dergelijke maatregel is pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel, zonder dat eenzelfde bescherming moet worden geboden aan de rechtspersonen, gelet overigens op het afwijkende karakter van de maatregel dat een strikte interpretatie verantwoordt. Door het voor natuurlijke personen mogelijk te maken om een rechtspersoon op te richten, en aldus sommige goederen te bestemmen tot het vermogen van die rechtspersoon, laat de wetgever hen toe hun privévermogen te beschermen tegen de financiële onzekerheden van hun beroepsactiviteit, hetgeen een andere manier is om het nagestreefde doel te bereiken. Bovendien is de bescherming die de natuurlijke persoon geniet beperkt tot 2500 euro. Het in het geding zijnde verschil in behandeling heeft dus volgens het Hof geen onevenredige gevolgen en er is geen sprake van een ongeoorloofde discriminatie.

Verbod op prijsafspraken tussen gerechts­ deurwaarders en verjaring van diens kosten Luik (3de kamer) 19 april 2017, niet gepubliceerd

Op gezamenlijk verzoekschrift van 19 december 2014 werd de zaak ingeleid bij de eerste rechter. In het verzoekschrift zette gerechtsdeurwaarder V. uiteen dat hij door de bvba A.B. gemandateerd was om een aantal aktes te betekenen op verzoek van dit kantoor doch waarvoor hij niet was betaald. Verweerder betwistte de eis omdat de verrichte diensten werden vergoed “volgens de voorwaarden van tussenkomst die afgesproken waren tussen de partijen” (eigen vertaling). De eerste rechter oordeelde dat de zaak verjaard was wat betrof de schuldvorderingen opeisbaar vóór 19 december 2004, en gegrond voor het overige en beval een heropening van de debatten zodat de partijen toelichting konden geven betreffende de toepassing van artikel 6, § 5 van het KB van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken.

8

NKGB-CNHB  november 2017

De Luikse rechtbank van eerste aanleg kwam vervolgens tot de conclusie dat het KB dat het tarief bepaalt (en waarvan bvba A.B. beweerde dat het enkel van toepassing is in de relatie tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn cliënt of de debiteur), wel degelijk doorwerkt in het kader van de contractuele relatie in het geding. De bvba A.B. ging op 13 december 2015 in beroep tegen deze beslissing, met als argument dat het KB niet toepasselijk was aangezien de partijen handelden in het kader van een dienstenovereenkomst, terwijl het KB enkel de relatie tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn cliënt regelt. Het hof van beroep herinnerde eraan dat elke tarifaire overeenkomst die wordt afgesloten tussen gerechtsdeurwaarders zonder meer ingaat tegen het KB en een omzeiling inhoudt van het wettelijke statuut van de gerechtsdeurwaarder, dat zowel de ministeriële ambtenaar als de rechtsonderhorige beschermt. Artikel 2, 4° van het KB (dat de gerechtsdeurwaarders verbiedt om aan hun cliënten kwijtschelding te verlenen van hun rechten, kosten of uitschotten) is van openbare orde. Het hof leidt hieruit af dat elke overeenkomst die hiertegen ingaat nietig is en dat de kosten verbonden aan de uitoefening van de ministeriële bevoegdheden niet ter vrije beschikking van de betrokken actoren staan. De wijze waarop de gerechtsdeurwaarder wordt vergoed kan enkel bij wet geregeld worden, zonder dat hiervan (zelfs gemotiveerd) kan worden afgeweken per overeenkomst. Het KB beschermt dus de gerechtsdeurwaarder door te voorzien in de vergoeding voor een akte die niet verbonden wordt aan het resultaat, zelfs indien de rechten soms proportioneel zijn, en versterkt het recht op tenuitvoerlegging dat de rechtsonderhorige terecht verwacht van de gerechtsdeurwaarder aangezien deze zich verzekerd weet van een vergoeding, en dus zal overgaan tot de tenuitvoerlegging, zelfs indien deze waarschijnlijk een negatief resultaat oplevert. Dit is niet mogelijk met een soort van overeenkomst quota litis zoals door de partijen blijkbaar werd overeengekomen (de appellante stelde in haar conclusies dat met gerechtsdeurwaarder V. werd overeengekomen dat hij enkel vergoed zou worden voor prestaties die aanleiding gaven tot een effectieve invordering bij de schuldenaren van de personen die een beroep hadden gedaan op de diensten van studie A.B.).


Het hof van beroep bevestigt dus de redenering van de eerste rechter. Wij verwijzen specifiek in verband met dit onderwerp naar omzendbrief 2017CIR030.

Uitdovende verjaring In een tweede luik brengt het hof in herinnering dat de verjaringstermijn niet afhankelijk is van het uitgeoefende materiële recht: de toepassing van het KB van 30 november 1976 impliceert dus niet noodzakelijk dat de éénjarige termijn van artikel 2272 BW ook van toepassing is. Artikel 2272 BW is immers relevant voor de verhouding tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn cliënt, die geen deel uitmaakt van het gerechtelijk apparaat (sensu lato). De relaties die de gerechtsdeurwaarder onderhoudt met andere actoren van dit apparaat zijn onderworpen aan de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis BW, zoals in deze zaak het geval was.

Benoeming van een sekwester door de beslagrechter Beslagr. Luik, afdeling Hoei, 4 januari 2017, JLMB 2017, 6, p. 261

Bij gebreke aan een tegengestelde wettelijke bepaling, is het eenzijdig verzoekschrift ter benoeming van een sekwester door de beslagrechter op basis van artikel 1395/1 Ger.W. nietig indien het werd getekend en neergelegd door de gerechtsdeurwaarder. Artikelen 1026, 5° en 1027 Ger.W. voorzien immers dat enkel een advocaat zulk verzoekschrift kan tekenen en neerleggen. Dit is dus een specifieke nietigheid die de beslagrechter ambtshalve dient op te werpen vanwege de aard en impact van de belangen beschermd door art. 1026, 5° Ger.W.

november 2017  NKGB-CNHB

9


QUID IURIS? I

JURIDISCHE DIENSTEN VAN SAM-TES EN VAN DE NKGB

DE ELEKTRONISCHE BETEKENING: (R)EVOLUTIE? 1 – Inleiding Met de zogenaamde Potpourri III-wet werd er een nieuwe manier van betekenen geïntroduceerd: de betekening op elektronische wijze. Deze nieuwe wijze van betekenen kan zowel in burgerlijke zaken als strafzaken worden gebruikt en geeft de kans aan de gerechtsdeurwaarder om zich opnieuw te tonen als een pionier in de informatisering van justitie.

2 – Achtergrond en politieke context Justitie zet al een tijdlang in op digitalisering, om haar toe te laten met moderne middelen te communiceren met de rechtszoekenden en de partners van justitie (advocaten, magistraten, notarissen, gerechtsdeurwaarders, …) en om tegelijkertijd haar eigen werking efficiënter te maken. De evolutie naar een volledig digitaal dossier zal het mogelijk maken om vanop eender welke plaats geautoriseerde toegang te krijgen tot het eigen dossier. De realisatie van het digitaal dossier zal een grote stap vooruit betekenen. In het verleden werden de digitaliseringsprojecten (bijv. Phenix-project) volledig autonoom door justitie zelf uitgewerkt, hetgeen niet altijd succes opleverde. De projecten waren vaak te groot en te kostelijk om mooie resultaten te kunnen leveren. Minister van justitie Geens kiest ervoor om te werken met kleinere projecten en hiervoor ook een beroep te doen op de partners van justitie, waaronder de gerechtsdeurwaarders. Deze oproep kadert ook in de verplichting voor alle ministers om noodzakelijke besparingen door te voeren op hun departement. Het regeerakkoord en het justitie-

10

NKGB-CNHB  november 2017

plan van minister Geens voorzien dan ook expliciet in een beheersing van de uitgaven en een verhoging van de inkomsten voor justitie. Tegen deze achtergrond werd dan ook de denkpiste bewandeld om de betekening in strafzaken af te schaffen en te vervangen door een aangetekende brief. In dat geval zou een beklaagde niet langer door een gerechtsdeurwaarder maar per aangetekende brief met ontvangstbewijs door de griffie worden opgeroepen voor de correctionele rechtbank. Uiteindelijk werd een andere oplossing voorgedragen en verkozen: de elektronische betekening die tegelijk de werklast voor de griffies vermindert, meer rechtszekerheid biedt en een stimulans betekent voor de realisatie van het volledig gedigitaliseerd dossier.

3 – Basisbeginselen m.b.t. e-betekening Dat de e-betekening geen revolutie betekent, maar een evolutie naar een moderne, efficiënte justitie blijkt meteen uit de officiële benaming die de wetgever eraan heeft toegekend, nl. de betekening op elektronische wijze. Uit deze keuze blijkt onmiddellijk dat de e-betekening slechts een bijkomende manier van betekenen is, waarbij de bestemmeling via zijn computerscherm wordt bereikt. Indien deze wijze van betekenen niet succesvol kon uitgevoerd worden, blijven de andere wijzen van betekening (aan persoon, aan woonplaats, door achterlating of aan het parket) mogelijk. De wetgever heeft ook geen aanpassingen gedaan aan de basis­regels die op iedere betekening van toepassing zijn. De filosofie hierachter is eenvoudig: de betekening op elektronische wijze is één van de manieren waarop aan een bestemme-


ling kan worden betekend en alle wijzen van betekening moeten dezelfde rechtszekerheid bieden. Hierna zullen we enkele van deze basisregels, toegepast op de elektronische betekening, van naderbij bekijken.

a) Tijdstip van betekenen In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is het tijdstip van betekening niet het tijdstip waarop de bestemmeling effectief kennis neemt van de inhoud van de akte. Het tijdstip van betekenen wordt bepaald door het moment waarop de gerechtsdeurwaarder zich ontdoet van de akte, hetzij door overhandiging, hetzij door het achterlaten van een afschrift in de brievenbus. De bestemmeling kan evengoed later kennisnemen van de akte die hem werd betekend. Naar analogie wordt in geval van een geslaagde betekening het tijdstip weerhouden van de verzending van het verzoek om toestemming1 (of het bericht van betekening2). In geval van een betekening aan het adres van elektronische woonstkeuze moet deze volbracht zijn, in die zin dat de bestemmeling daadwerkelijk zijn toestemming moet geven en zich moet identificeren met zijn e-ID vooraleer hij de akte kan raadplegen die hem werd betekend. De bestemmeling beschikt over 24 uur om toe te stemmen, zich te identificeren, en zijn toestemming te bevestigen. Het platform werd daarbij zo geprogrammeerd dat in burgerlijke zaken enkel op werkdagen tussen 6u00 en 21u00 betekeningen kunnen worden verstuurd. Aldus wordt te allen tijde voldaan aan artikel 47, 1° van het Gerechtelijk Wetboek. Indien de gerechtsdeurwaarder een machtiging heeft om buiten de “normale” uren te betekenen, kan het platform de opdracht toch uitvoeren wanneer deze machtiging werd opgeladen.

b) Territoriale bevoegdheid De territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder blijft onveranderd, zo staat expliciet in de memorie van toelichting van de Potpourri III-wet te lezen. Een gerechtsdeurwaarder moet dan ook, zoals bij een traditionele betekening, binnen zijn gerechtelijk arrondissement betekenen. Evenwel is het heel goed mogelijk dat de gerechtsdeurwaarder niet weet waar de bestemmeling zich bevindt wanneer het betekeningsplatform het verzoek tot toestemming of het bericht tot betekening op elektronische wijze verzendt. Het determinerend criterium is evenwel de woonplaats of verblijfplaats

van de bestemmeling of de maatschappelijke zetel (of uitbatingszetel). Een gerechtsdeurwaarder kan dan ook enkel elektronisch aan die bestemmelingen betekenen aan wie hij dat ook kan op traditionele wijze.

c) Nieuwe betekeningswijze, naar keuze van de gerechtsdeurwaarder Het nieuwe artikel 32quater/3 van het Gerechtelijk Wetboek geeft aan de gerechtsdeurwaarder de keuzevrijheid voor de wijze van betekening, en dit zowel in strafzaken als in burgerlijke zaken. De gerechtsdeurwaarder beslist afhankelijk van de specifieke omstandigheden eigen aan de zaak. Evenwel dient in strafzaken aan de persoon te worden betekend, indien het Openbaar Ministerie daarom verzoekt. Concreet betekent dit dat de gerechtsdeurwaarder op basis van de concrete elementen in ieder dossier mag beoordelen welke wijze van betekenen het meest is aangewezen. Kiest hij voor de betekening op elektronische wijze en blijkt deze niet mogelijk, dan kan de gerechtsdeurwaarder nog steeds een beroep doen op een andere betekeningswijze, overeenkomstig de artikelen 33 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek.

d) In burgerlijke en in strafzaken Hoewel de e-betekening oorspronkelijk enkel een antwoord was op de mogelijke afschaffing van de betekening in strafzaken, bleek dat zij ook makkelijk kon worden toegepast in burgerlijke zaken. Vanuit juridisch en technisch oogpunt zijn beide betekeningen gelijk, met uitzondering van de opdrachtgever. In strafzaken dient de procureur des Konings het verzoek om betekening rechtstreeks in op het platform, waarna er automatisch een gerechtsdeurwaarder aangesteld wordt en het parket op de hoogte wordt gehouden van de status van de betekening. In burgerlijke zaken zal de opdrachtgever zelf de keuze hebben tot welke gerechtsdeurwaarder hij zich wendt. In dat geval kan enkel de gerechtsdeurwaarder de status van zijn dossier opvragen, en niet de opdrachtgever.

1 Het verzoek werd verstuurd naar een adres van elektronische woonstkeuze. 2 Het verzoek werd verstuurd naar een gerechtelijk elektronisch adres.

november 2017  NKGB-CNHB

11


4 – Het gerechtelijk elektronisch adres en het adres van elektronische woonstkeuze De wetgever heeft in artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek twee nieuwe begrippen opgenomen, meer bepaald het gerechtelijk elektronisch adres en het adres van elektronische woonstkeuze. Het onderscheid tussen beide begrippen is essentieel en heeft een fundamentele invloed op de procedure van de betekening op elektronische wijze. Het gerechtelijk elektronisch adres is een door de publieke overheid aan een natuurlijk persoon toegekend elektronisch adres. Op dit ogenblik zijn er nog geen gerechtelijke elektronische adressen toegekend. De memorie van toelichting bij de Potpourri III-wet spreekt wel van de e-box als een mogelijk gerechtelijk elektronisch adres, maar een officiële toekenning ervan is er vooralsnog niet. Daarnaast zouden er via het rijksregister of via de KBO gerechtelijke elektronische adressen kunnen worden toegewezen aan natuurlijke personen of rechtspersonen. Dit is evenwel nog niet het geval, en op dit ogenblik zijn er ons, met uitzondering van de e-box voor de instellingen, geen concrete plannen bekend om deze adressen op korte termijn toe te kennen. Eens deze gerechtelijke elektronische adressen toegekend zullen zijn, zal de toestemming van de bestemmeling niet langer nodig zijn om te kunnen betekenen. Het volstaat dan dat de gerechtsdeurwaarder via het betekeningsplatform een bericht tot betekening zendt naar het officieel gerechtelijk elektronisch adres van de bestemmeling. 3 Zie artikel 32, 6°, Ger. W.

12

NKGB-CNHB  november 2017

Indien de bestemmeling het bericht niet opent binnen de 24 uur, zal er nog een gewone brief worden nagestuurd om de bestemmeling te verwittigen dat er een betekening op elektronische wijze heeft plaatsgevonden. Zoals gezegd zijn de gerechtelijke elektronische adressen nog niet voor morgen. Om toch al snel betekeningen op elektronische wijze te kunnen uitvoeren, is er de mogelijkheid om te betekenen via het adres van elektronische woonstkeuze. De wetgever heeft dit adres van elektronische woonstkeuze gedefinieerd als ieder ander elektronisch adres waarop kan worden betekend, op voorwaarde dat de bestemmeling uitdrukkelijk en voorafgaandelijk heeft toegestemd voor die bepaalde betekening via dit adres.3 Het adres van elektronische woonstkeuze is een e-mailadres waarvan de gerechtsdeurwaarder vermoedt dat het door de bestemmeling gebruikt wordt en waarop hij dus te bereiken valt. Zoals wettelijk voorzien, wordt er eerst een verzoek tot toestemming naar de vermoedelijke bestemmeling gezonden. Deze beschikt over een termijn van 24 uur om te reageren, te rekenen vanaf de verzending van het verzoek. Geeft deze zijn toestemming niet binnen de gestelde termijn (en bevestigt hij dit nadat hij zich geïdentificeerd heeft), dan wordt de betekening op elektronische wijze op dat e-mailadres onmogelijk geacht. Het is belangrijk te benadrukken dat, in geval de betekening succesvol is geweest, de eventuele toestemming slechts geldt voor die bepaalde betekening, en bijgevolg voor iedere nieuwe betekening op elektronische wijze opnieuw moet worden gegeven. Deze betekeningswijze wordt hiernaast uitvoerig besproken.


5 – Hoe werkt de e-betekening in strafzaken (op het elektronisch adres van woonstkeuze)? In strafzaken wordt de opdracht tot betekening gegeven door het Openbaar Ministerie. De procureur des Konings ondertekent de opdracht tot betekenen digitaal op het elektronisch betekeningsplatform. Daarna verwittigt het platform de gerechtsdeurwaarder van de klaarstaande opdracht. De Potpourri III-wet heeft de verdeling van de rol in strafzaken toegewezen aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (en niet langer aan de arrondissementskamers). Eenmaal de verdeelcriteria zullen vast­ gesteld zijn, zal het systeem zo geprogrammeerd worden dat de verdeling automatisch gebeurt. Voor de betekening op elektronische wijze logt de gerechtsdeurwaarder (kandidaat of titularis) in op het CIA-platform en kiest hij de knop “e-betekening”. Bij het ingeven van het rijks­ registernummer van de bestemmeling zal het platform aangeven of er een e-mailadres gekend is waarop er al eerder een geslaagde e-betekening heeft plaatsgevonden, of de bestemmeling vrijwillig een e-mailadres heeft opgegeven waarop een akte kan betekend worden. De gerechtsdeurwaarder kan ook vrij een e-mailadres ingeven waarvan hij vermoedt dat de bestemmeling het gebruikt. De gerechtsdeurwaarder tekent de te betekenen akte digitaal op het platform. Hierna verzendt het platform het “verzoek tot toestemming” dat ook alle wettelijke bepalingen vermeldt, naar het gekozen e-mailadres. De bestemmeling kiest om toe te stemmen tot de betekening op elektronische wijze, of niet. Stemt hij toe, dan wordt hij doorverwezen naar het platform waar hij zich dient te identificeren met zijn e-ID en pincode. Nadat hij zich geïdentificeerd heeft en zijn toestemming opnieuw bevestigd heeft, kan de bestemmeling de akte raadplegen, opslaan of afprinten, waarbij de akte wordt geacht betekend te zijn op het moment van verzending van het verzoek tot toestemming. De gerechtsdeurwaarder krijgt een bericht van bevestiging dat de betekening voltooid werd. Ook de opdrachtgever, zijnde het Openbaar Ministerie, wordt in principe geïnformeerd over de volbrachte betekening op elektronische wijze. Bovendien kunnen magistraten, griffiers en parketsecretarissen nadien rechtstreeks het register raadplegen om na te kijken in welk stadium de betekening zich bevindt. Geeft de bestemmeling zijn toestemming niet, of reageert hij niet binnen de termijn van 24 uur, dan zal het platform de gerechtsdeurwaarder verwittigen dat de betekening op elektronische wijze niet mogelijk is. Het

spreekt voor zich dat, wanneer uit de identificatie en authenticatie via e-ID blijkt dat de persoon niet de bestemmeling is van de akte, er geen sprake kan zijn van een e-betekening. Rechtspersonen worden in eerste instantie geldig bereikt via hun wettelijke vertegenwoordigers die uit de KBO blijken, bijvoorbeeld een zaakvoerder of een gedelegeerd bestuurder. Deze wettelijke vertegenwoordiger kan een mandaat geven aan een andere natuurlijke persoon die aanvaardt in te staan voor een e-betekening bestemd voor de betreffende rechtspersoon. Wanneer dergelijk mandaat aanvaard wordt en werd opgenomen op het platform, volstaat het voor de gerechtsdeurwaarder om het e-mailadres van de vennootschap te selecteren. Hieraan worden de verschillende mandatarissen gekoppeld die bevoegd zijn om toe te stemmen tot een betekening op elektronische wijze. Wanneer de betekening op elektronische wijze niet mogelijk blijkt, kan er een traditionele betekening volgen waarbij de gerechtsdeurwaarder zich ter plaatse begeeft en betekent aan de persoon, dan wel aan de woonplaats of door achterlating aan de woonplaats. Het is evenwel ook mogelijk dat de gerechtsdeurwaarder opnieuw een betekening op elektronische wijze nastreeft, bijvoorbeeld op een ander e-mailadres.

6 – Hoe werkt de e-betekening in burgerlijke zaken (op adres van woonstkeuze)? De e-betekening in burgerlijke zaken verloopt quasi hetzelfde als in strafzaken. Alleen zal de gerechtsdeurwaarder zijn opdracht niet van het parket ontvangen, maar van een rechtszoekende of diens advocaat. De gerechtsdeurwaarder beslist vervolgens of hij de betekening al dan niet op elektronische wijze wenst uit te voeren. In tegenstelling tot het parket in strafzaken, heeft deze opdrachtgever geen toegang tot het platform om de stand van zaken van de betekeningsopdracht op te zoeken. In burgerlijke zaken zal de gerechtsdeurwaarder die besluit over te gaan tot een e-betekening, zelf de te betekenen akte moeten klaarmaken en opladen in het platform. Eens het systeem operationeel is, zal er een handleiding ter beschikking worden gesteld die de uit te voeren handelingen stap voor stap uitlegt. Van belang om weten is dat enkel de betekening op elektronische wijze gebeurt. De rolstelling moet nog steeds op de klassieke wijze gebeuren.

november 2017  NKGB-CNHB

13


7 – Gevolgen van de e-betekening a) Tarief Wat betreft het tarief, verandert er op dit ogenblik niets. De uitgevoerde opzoekingen en de aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder die gelden voor een traditionele betekening, gelden evenzeer bij een betekening op elektronische wijze.

b) Dematerialisering van akten De wetgever heeft in het KB van 14 juni 2017 (BS 22.06.2017) bepaald dat gerechtsdeurwaarders alle betekende akten zo spoedig als mogelijk en uiterlijk binnen de 3 kalenderdagen dienen op te laden in het Centraal register van gedematerialiseerde akten. Indien de akte op elektronische wijze werd betekend, gebeurt de opslag in CREA (Centraal Register Elektronische Akten). Echter, wanneer de akte op traditionele wijze werd betekend, dient zij door de gerechtsdeurwaarder (of een medewerker) zelf en binnen de gestelde termijn ingescand en opgeladen te worden in dit register. Deze verplichting geldt voor alle betekende akten, dus zowel in strafzaken als in burgerlijke zaken. De softwareproviders van de verschillende gerechtsdeurwaarderskantoren worden hierbij betrokken om zo veel als mogelijk te zorgen voor een automatische verwerking van de te dematerialiseren akten, zodat de werklast voor de gerechtsdeurwaarder zo beperkt mogelijk blijft.

c) Succes? De betekening op elektronische wijze is een bijkomende stap in de ontwikkeling van een moderne communicatie waarbij de voorkeur wordt gegeven aan de digitale vorm in plaats van papier. De keuze tussen deze twee communicatiemiddelen wordt aan de gerechtsdeurwaarder gelaten, wat waarborgt dat de meest geschikte betekeningswijze zal gebruikt worden. We merken overigens dat er vanuit de bedrijfswereld een grote interesse bestaat voor de e-betekening. De onderneming in kwestie kan de akten gecentraliseerd laten toekomen op één e-mail-

14

NKGB-CNHB  november 2017

adres, dat rechtstreeks beheerd wordt door de specifiek hiertoe bevoegde perso(o)n(en), veelal de jurist(en). Verlies van akten en van tijd doordat de akten “onderweg” blijven liggen, wordt hiermee vermeden. Wat het gebruik van de betekening op elektronische wijze voor natuurlijke personen betreft, denken we dat de interesse hiervoor gaandeweg zal groeien. Dat men een kaartlezer nodig heeft om de e-ID te kunnen uitlezen, vormt mogelijks een drempel, maar de wet is zo opgesteld dat nieuwe technologieën ter identificering van de bestemmeling probleemloos kunnen worden geïmplementeerd.

d) Opportuniteiten Digitale communcatie is vandaag alomtegenwoordig. Nu gerechtsdeurwaarders op elektronische wijze kunnen betekenen, profileren ze zich zich nogmaals als een moderne beroepsgroep die meegaat met zijn tijd en anticipeert op de toekomst. De betekening op elektronische wijze creëert een duidelijk omlijnd juridisch kader waarbinnen deze moderne communicatie mogelijk is. Bovendien garandeert de keuzevrijheid van de gerechtsdeurwaarder dat hij zijn bemiddelende en informerende rol ten volle kan blijven spelen. De centralisatie van de betekende akten in één register maakt een digitaal archief mogelijk en laat toe om in de toekomst vanuit een centraal punt te communiceren met de buitenwereld.

8 – Ondersteuning Het spreekt voor zich dat de Nationale Kamer en het kenniscentrum het korps zullen blijven informeren en bijstaan bij de betekening op elektronische wijze. Naast het voorzien van opleidingen, zal er ook een handboek ter beschikking worden gesteld dat stap voor stap deze betekeningswijze bespreekt, zowel op wetgevend als op technisch vlak. Ook de helpdesk blijft ter beschikking staan om de gerechtsdeurwaarders en hun medewerkers te ondersteunen bij vragen of moeilijkheden. Ten slotte zullen de omzendbrieven van het directiecomité bijkomende informatie verschaffen waar nodig, bijvoorbeeld met betrekking tot de correcte berekening van het tarief.


ELEKTRONISCHE BETEKENING IN STRAFZAKEN KOEN DE PROFT – IT PROJECT MANAGER SAM-TES

Recent zijn de pilootprojecten in de arrondissementen Antwerpen en Luik voor de betekening op elektronische wijze in strafzaken van start gegaan. Het parket kan hun dagvaardingen en vonnissen in strafzaken voortaan elektronisch versturen naar de gerechtsdeurwaarder. Dit zal de communicatie tussen parket en gerechtsdeurwaarders sneller en efficiënter doen verlopen. Om de opdracht tot betekening naar de gerechtsdeurwaarder te kunnen versturen, logt de parketmagistraat of parketmedewerker in via zijn elektronische identiteitskaart op het beveiligde register. In een eerste fase werken de parketten met de webapplicatie van het register. In de tweede fase van het project wordt deze functionaliteit in de MACH-software van het parket geïntegreerd. Vervolgens kan de opdracht tot betekening aangemaakt worden. Alle gegevens, zoals de datum van de zitting, de uiterste datum van betekening en de betrokken partijen worden hierin opgenomen. Het is hierbij niet meer nodig dat het parket de opdracht nog afdrukt. Het traject van parket naar gerechtsdeurwaarder verloopt geheel digitaal, inclusief de elektronische handtekeningen. Alle aangemaakte opdrachten tot betekening moeten door een procureur digitaal ondertekend worden. Het register heeft de technische capaciteit om de procureur elektronische handtekeningen op PDFdocumenten te laten zetten die conform zijn met de EU-verordening 910/2014, wat deze digitale handtekening volledig gelijkwaardig maakt aan een fysieke handtekening. Eens alle gegevens correct ingevuld zijn, stuurt het register de opdracht tot betekening naar een gerechtsdeurwaarder binnen het gerechtelijke arrondissement van de bestemmeling. De gerechtsdeurwaarder ontvangt de opdracht per mail en kan nu beslissen of hij deze op traditionele of elektronische wijze zal betekenen. Het is

ook mogelijk dat het parket expliciet de opdracht geeft om op traditionele wijze te betekenen. Na betekening koppelt de gerechtsdeurwaarder de digitale akten terug via het register. Het parket ontvangt via het register een bevestiging van de succesvolle betekening. Het parket en de griffie kunnen nu ter voorbereiding van de zitting een samenvattende staat opvragen en de akte digitaal consulteren.

“

Het parket kan hun dagvaardingen en vonnissen in strafzaken voortaan elektronisch versturen naar de gerechtsdeurwaarder. Dit zal de communicatie tussen parket en gerechtsdeurwaarders sneller en efficiënter doen verlopen.”

Een beperkt aantal dagvaardingen werd reeds door de parketsecretaris op het digitale register opgeladen. Begin oktober vonden er op de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen twee zittingen plaats waarvoor de dagvaardingen op het digitale register werden geplaatst. Voor de parketten betekent dit pilootproject dat het hele betekeningsproces gedigitaliseerd wordt, van het versturen van de opdracht tot betekening tot het ontvangen van de betekende akte. Het parket moet geen documenten afdrukken, en ook niet meer zelf de gerechts­deurwaarder kiezen en contacteren. Na de evaluatie van beide proefprojecten zal het platform per arrondissement worden uitgerold.

november 2017  NKGB-CNHB

15


INSOLVABILITEIT VAN ONDERNEMINGEN: WETSONTWERP TER HERVORMING VAN DE FAILLISSEMENTSPROCEDURE EN DE GERECHTELIJKE REORGANISATIE DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB

Op 11 september werd de wet ter hervorming van de faillissementsprocedure en de gerechtelijke organisatie in het Staatsblad gepubliceerd.1 Het voornaamste doel is om meer samenhang te brengen tussen de verschillende wetgevende teksten die verband houden met insolvabiliteit en hen als een coherent geheel in het Wetboek Economisch Recht op te nemen. Tegelijk voorziet het ontwerp in een grondige modernisering van het insolvabiliteitsrecht en een aanpassing aan de Europese normen. We vinden in de nieuwe wetgeving onder meer volgende elementen terug: de keuze voor een volledige elektronische procedure, de vereenvoudiging van de werkprocessen en de uitbreiding van het toepassingsgebied van het insolventierecht tot alle ondernemingen, de bevordering van de tweede kans, de vervanging van het stelsel van de verschoonbaarheid door een stelsel van schuldkwijtschelding, de beklemtoning van buitengerechtelijke vormen van insolventies, enz. Twee aspecten zijn van bijzonder belang voor ons beroep.  Vooreerst worden wij beschouwd als onder­nemers, waardoor wij onderworpen zijn aan een deel van de bepalingen van het Wetboek van economisch recht, net zoals de beoefenaars van andere vrije beroepen. Ten tweede zullen wij gebruik kunnen maken van de faillissementswetgeving, net zoals een commerciële onderneming. In het kader daarvan heeft de beleidscel van de minister van justitie de betrokken beroepsorganisaties, waaronder ook de NKGB, geraadpleegd om te onder­ zoeken of het nuttig was hen specifieke bevoegdheden toe te wijzen.

1 Wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van Boek XX “Insolventie van ondernemingen”, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht, B.S. 11 september 2017, p. 83100. 16

NKGB-CNHB  november 2017

Hieronder gaan we nader in op de onderwerpen die de beleidscel aanhaalde, evenals de voorstellen die de Nationale Kamer heeft gedaan.

A – Depistage en knipperlichten eigen aan het beroep Een knipperlicht is een aanwijzing van financiële moeilijkheden, ten gevolge waarvan de kamer voor handels­ onderzoek van de rechtbank van koophandel kan besluiten een onderzoek te starten naar de ondernemer, en in de toekomst dus ook naar de titularis van een vrij beroep.  In de hypothese dat een vrije beroeper zulke financiële moeilijkheden zou hebben, zal de beroeps­organisatie waartoe hij behoort een rol spelen voorafgaand aan de tussenkomst van de rechtbank, om aldus de betrokkene de mogelijkheid te bieden de situatie recht te trekken en op die wijze de geloofwaardigheid van het beroep te vrijwaren. De Nationale Kamer heeft ingestemd met het principe van een voorafgaand intern onderzoek. Concreet houdt dit in dat wanneer meerdere welbepaalde knipperlichten aangaan, de belanghebbende beroepsorganisatie een procedure van bijstand aan de betrokkene (bij ons dus een gerechtsdeurwaarderskantoor) kan opstarten met het oog op een herstel van de situatie. Enkel indien deze interne poging faalt, komt de zaak bij de rechtbank van koophandel terecht. Voorbeelden van zulke knipperlichten zijn onder meer het gegeven dat het jaarlijks attest derdenrekening niet werd ingevuld, of niet conform de wettelijke en interne regels werd ingevuld, er een uitstel van betaling werd gevraagd aan de commissie “Bijdrage”, het niet betalen van de jaarlijkse bijdrage, een negatieve controle van de studie, het niet neerleggen van de jaarrekening, een verklaring (zelfs ten bewarende titel) van vermoeden van insolvabiliteit in het kader van de verzekering “Oneerlijkheid” (bedrieglijk wegmaken van tegoeden bestemd voor derden), of een tuchtdossier dat naar de


tuchtcommissie werd doorverwezen wegens het niet overmaken aan de opdrachtgever van de sommen betaald door een derde.

B – De rechtbank van koophandel Normaal wordt de rechter van de rechtbank van koophandel bijgestaan door twee consulaire lekenrechters. In het kader van de nieuwe insolvabiliteitswet werd gesuggereerd om deze rechters te selecteren vanuit de beroepsgroep van de gefailleerde persoon. Dit impliceert dus dat ingeval een gerechtsdeurwaarderskantoor failliet gaat, twee confraters de rechter bijstaan om de nuttige toelichtingen te bieden betreffende de specifieke aspecten van het beroep, en dat zij deelnemen aan de collegiale beslissing van de rechtbank. De Nationale Kamer heeft voorgesteld om de consulaire rechters/gerechtsdeurwaarders als volgt aan te duiden : per rechtsgebied wordt een pool gecreëerd, samengesteld door titularissen (met uitsluiting van kandidaat-gerechtsdeurwaarders) die hier op vrijwillige basis aan kunnen deelnemen indien zij voldoen aan de wettelijke vereisten die op voorhand worden gecontroleerd en geattesteerd (criteria zoals kwaliteit, afwezigheid van hogere tuchtstraffen, een kwaliteitsrekening die in orde is (met een positief advies ingeval van controle van de studie) en die een passende vorming hebben gekregen – deze dient nog in een besluit te worden bepaald.

C – Het principe van de medecurator De beleidscel van de minister van Justitie voorziet in de mogelijkheid om aan de curator een medecurator toe te voegen, eenmaal de faillissementsprocedure is opgestart. Deze medecurator (die geen beslissingsbevoegdheden heeft) oefent hetzelfde beroep uit als de gefailleerde (net zoals de consulaire rechters) en heeft als missie om de curator bij te staan door toelichting te geven over de bijzondere kenmerken van het beroep van de gefailleerde (goede praktijken, boekhouding, informaticasystemen, kwaliteitsrekeningen, beroepsgeheim, deontologie, wettelijk statuut, …) Specifiek voor ons ambt rijst de vraag of de curator de professionele activiteiten van de gerechtsdeurwaarder in diens naam en plaats kan verderzetten. De Nationale Kamer meent van niet, aangezien de gerechtsdeurwaarder de enige is die de wettelijke opdrachten kan uitoefenen die hij moet vervullen als ministerieel en openbaar ambtenaar. We moeten erover waken dat er rekening

wordt gehouden met dit aspect van de continuïteit van het ministerie van de gerechtsdeurwaarders gedurende het faillissement, in respect voor de wet van 7 januari 2014 tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders. Het principe van de verschoonbaarheid van de gefailleerde is een ander onderwerp dat moet worden aangesneden, de vraag is immers of een gefailleerde gerechtsdeurwaarder nog in staat is het ambt uit te oefenen, dan wel moet worden afgezet. Gezien de ervaring die de rechtbank van koophandel heeft, en het gegeven dat deze over alle stukken zal beschikken en wordt bijgestaan door twee consulaire rechters afkomstig uit het beroep, lijkt het logisch dat de bevoegdheid daarover te beslissen bij de rechtbank blijft (voor zover zij deze toegewezen krijgt van de wetgever). De Nationale Kamer onderschrijft een dergelijke benadering waar de rechtbank de situatie kan evalueren en beslissen over de eventuele voortzetting van economische activiteiten na afloop van de faillissementsprocedure.2 Dezelfde beslissingsbevoegdheid zou aan de rechtbank kunnen worden verleend wat betreft de mogelijkheid voor de gerechtsdeurwaarder om zijn handelszaak over te laten, doch aangezien de overname van een studie momenteel bestudeerd wordt binnen de schoot van het beroep, zal dit laatste aspect nog aan een interne evaluatie worden onderworpen. Omdat deze problematieken gemeen zijn aan alle vrije beroepen, heeft UNIZO3 een reflectieplatform opgericht waarbinnen de beroepsordes en -instituten die geïnteresseerd zijn, de verschillende onderwerpen kunnen bespreken en zich optimaal kunnen voorbereiden op de komende wijzigingen. De Nationale Kamer heeft, net zoals andere ordes, gekozen om deel te nemen. Het juridische werk nam een aanvang midden september en zal parallel lopen met de hervorming van het Wetboek van economisch recht. De conclusies van de uitwisseling van gedachten en kennis zou op korte termijn moeten leiden tot de nodige werkdocumenten. Deze documenten zouden het eenvoudiger moeten maken om de interne regels te creëren die elk vrij beroep zal moeten opstellen om haar specifieke kenmerken aan het nieuwe juridische kader aan te passen. 2 Het spreekt voor zich dat deze optie impliceert dat de Nationale Kamer dient te reageren op de beslissing die de rechtbank neemt: weze het de toelating het beroep verder uit te oefenen, waarbij de gerechtsdeurwaarder zijn titel behoudt en zijn ministerie kan verlenen, weze het een verbod waarbij de verplichting ontstaat de gerechtsdeurwaarder af te zetten en zijn plaats vacant te verklaren. 3 Unie van Zelfstandige Ondernemers. november 2017  NKGB-CNHB

17


ACTIEPLAN VAN DE NKGB STRIJD TEGEN WITWASSEN VAN GELD EN DE FINANCIERING VAN TERRORISME DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB

Zoals u weet heeft de Nationale Kamer een actieplan opgesteld naar aanleiding van de controle die de internationale instelling FATF (Financial Action Task Force) op de Belgische staat heeft uitgevoerd in het kader van de strijd tegen witwaspraktijken; en dit om te verhelpen aan de kritieken die de FATF vaststelde in haar Mutual Evaluation Report van april 2015. Een derde opvolgingsverslag wordt overigens verwacht tegen december 2017.

Kalender

Actieplan: sensibilisering/informatie/opleiding

Eind juni–september

Mededeling van de resultaten van de vragenlijst “witwassen” die in november 2016 werd verzonden en van de daarop gebaseerde risicoanalyse. De resultaten, in de vorm van statistieken, zullen beschikbaar zijn op het Intranet via de rubriek “Kerndossiers – Witwas en terrorisme”) Redactie van richtlijnen, een handleiding met praktische schema’s en templates. De uitrol van de verschillende instrumenten ter opvolging en gerichte controles; Redactie van een voorstel ter aanpassing van het interne witwasreglement (inclusief de bijlagen); Studie teneinde de haalbaarheid te onderzoeken van een nauwe samenwerking met het notariaat en de advocatuur, nationaal en internationaal; Nationale opleiding betreffende de strijd tegen het witwassen gericht naar de gerechtsdeurwaarders en kandidaten; Lokale opleidingen gericht op de medewerkers van de studies, per gerechtelijk arrondissement of rechtsgebied (nog te bepalen). Stemming van de voorgestelde wijzigingen aan het witwasreglement;

Oktober–december 2017 Uitwerking van juridische FAQ’s betreffende de materie. 1 januari 2018

Betere toepassing van de verplichtingen inzake witwasbestrijding binnen het beroep

Voor meer details, kunt u de omzendbrief 2017CIR032 op het intranet van de NKGB raadplegen.

18

NKGB-CNHB  november 2017


DE EERSTE BENOEMINGEN SINDS LANG ZIJN EEN FEIT! LIONEL DE MOL, VERANTWOORDELIJKE JURIDISCHE DIENST SAM-TES

Een terugblik Sinds de hervorming van het nieuwe statuut in 20141 werden geen vacante plaatsen voor gerechtsdeurwaarders meer gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De nieuwe benoemingsprocedure die door de wetgever in 2014 werd ontworpen, bevatte enkele kinderziektes. Daardoor was een wetswijziging onontbeerlijk om de procedure vlot te laten verlopen. Deze kwam er uiteindelijk in mei 2016 met artikel 121, 2°, van de wet van 4 mei 2016 (ook gekend als Potpourri III).2 We komen in dit artikel niet terug op de ratio legis van deze bepaling aangezien die reeds uitvoerig besproken werd in een vorige editie van “De Gerechtsdeurwaarder”.3

146 kandidaten voor 19 vacante plaatsen Na de publicatie van de wetswijziging volgde de publicatie van vacante plaatsen snel. Op 10 juni 2016 verschenen 19 vacante plaatsen (10 in Vlaanderen en 9 in Wallonië) in het Belgisch Staatsblad. De minister van justitie ontving 391 kandidaturen voor deze vacante plaatsen (260 Nederlandstalige en 131 Franstalige), ingediend door 146 kandidaatgerechts­deurwaarders (101 Nederlandstaligen en 45 Franstaligen). Met de hulp van zijn administratie stelde de minister 391 benoemingsdossiers samen met daarin de kandidatuur (en haar bijlagen), het advies van de procureur des

1 Wet van 7 januari 2014 houdende de wijziging van het statuut van gerechtsdeurwaarders, BS 22 januari 2014 2 Wet van 4 mei 2016 houdende de internering en diverse bepalingen inzake justitie, BS 13 mei 2016. 3 Zie artikel “De nieuwe benoemingsprocedure (artikels 119 tot 121)” in De Gerechtsdeurwaarder 2016/2, pagina 4-9. 4 Gerechtelijk Wetboek, artikel 515, § 4, eerste lid. 5 Zin uit het gestandaardiseerde pv dat gebruikt wordt om de lijst met te horen kandidaten op te stellen, opgemaakt op 21 december 2016. 6 Art. 515, § 4, eerste lid, Ger.W.

Konings, het advies van de arrondissementskamer en de in artikel 515, § 2, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde eventuele opmerkingen.

Werkzaamheden van de benoemingscommissies Eerste fase: het opstellen van een lijst met te horen kandidaten In november 2016 ontvingen de benoemingscommissies bijna 400 dossiers. Deze werden, met de hulp van het juridisch maatschappelijk kenniscentrum, doorgenomen en geanalyseerd. Een tijdrovend werk aangezien sommige dossiers meer dan honderd pagina’s bevatten. Gezien het grote aantal kandidaten, besloten de twee benoemingscommissies om een beroep te doen op de mogelijkheid om een lijst met te horen kandidaten op te stellen, gebaseerd op objectieve criteria.4 Deze mogelijkheid werd enkele maanden eerder geïntroduceerd door de wetgever. Een grondige hoorzitting afnemen van 146 kandidaten, en bijgevolg het opstellen van niet minder dan 391 motivaties, leek immers moeilijk te realiseren binnen een beperkte termijn. De bepaling van objectieve criteria, nodig om een lijst met te horen kandidaten te kunnen opstellen, was niet evident. Daarom beslisten de benoemingscommissies om een schriftelijke evaluatie te organiseren. Aan de hand van deze evaluatie wilden ze kunnen peilen of “een titularis-gerechtsdeurwaarder van meet af aan bepaalde zaken kent die fundamenteel zijn om als (eind)verantwoordelijke in te kunnen staan voor de dagelijkse en goede uitoefening van het ambt”.5 De schriftelijke evaluatie, in de vorm van een meer­ keuzevragenlijst, vond plaats op 17 december 2016 in de Université Saint-Louis. Van de 146 kandidaten waren er 137 aanwezig (96 Nederlandstaligen en 41 Franstaligen) om de evaluatie af te leggen. Dankzij een geautomatiseerde en geïnformatiseerde correctiemethode konden de benoemingscommissies

november 2017  NKGB-CNHB

19


enkele dagen later op objectieve wijze een lijst met te horen kandidaten opstellen. Om deze lijst met niet minder dan 78 kandidaten (50 Nederlandstaligen en 28 Franstaligen) op te stellen, werd met verschillende criteria rekening gehouden. Zo werd niet enkel gekeken naar het behaalde resultaat op de schriftelijke evaluatie maar ook naar het aantal jaren ervaring als kandidaat-gerechtsdeurwaarder in vergelijking met de ervaring van de andere kandidaten die voor dezelfde plaats solliciteerden. De leden van de benoemingscommissies beschouwen de schriftelijke evaluatie als een objectief hulpmiddel om het aantal te horen kandidaten te beperken, in dit geval met iets meer dan 50%. Daardoor kregen de benoemingscommissies ook de mogelijkheid om uitgebreider in te gaan op andere evaluatiecriteria tijdens de hoorzittingen, aangezien het kenniscriterium reeds uitgebreid getest werd. De lijst van 78 kandidaten werd uiteindelijk uitgebreid tot 90 te horen kandidaten aangezien 12 kandidaat-­ gerechtsdeurwaarders (7 Nederlandstaligen + 5 Frans­ taligen) vroegen om alsnog gehoord te worden.6

20

NKGB-CNHB  november 2017

Tweede fase: de hoorzittingen In januari 2017 hielden de benoemingscommissies hun hoorzittingen. De Nederlandstalige benoemingscommissie hoorde 57 kandidaten, verspreid over 4 zaterdagen. De Franstalige benoemingscommissie hoorde 33 kandidaten, verspreid over 3 zaterdagen. Tijdens deze uitgebreide hoorzittingen van ongeveer een half uur werden de kandidaten, aan de hand van een lijst met uniforme criteria, beoordeeld op hun bekwaamheid en geschiktheid om de functie van titularis-gerechtsdeurwaarder uit te voeren.

Derde fase: het opstellen van gemotiveerde rangschikkingen en deze overmaken aan de minister Na afloop van de hoorzittingen konden de benoemingscommissies overgaan tot het opstellen van een gemotiveerde rangschikking, rekening houdend met de verschillende parameters zoals de individuele dossiers, de behaalde resultaten op de schriftelijke evaluatie en de prestatie van de kandidaat tijdens de hoorzitting. In februari en maart werd druk gedebatteerd en


“

Als we dit vergelijken met de cijfers uit het jaarverslag 2016 zien we toch een opmerkelijke verjonging en vervrouwelijking het ambt”

De 19 door de Koning benoemde gerechts­deurwaarders zijn Gerechtelijk arrondissement Antwerpen Peter Van Landeghem Kris Slabbaert 3 Marijke Seyen 1

2

Gerechtelijk arrondissement Leuven Dominique Holemans 5 Pierre Fonteyne 4

Gerechtelijk arrondissement Limburg 6

gedelibereerd om de pv’s te kunnen opstellen waarvan sommigen niet minder dan 60 pagina’s bevatten. Voor elk van de 19 vacante plaatsen werd een gemotiveerde rangschikking met de 3 meest geschikte kandidaten voor de uitoefening van het ambt overgemaakt aan de minister van justitie. Op basis hiervan werden de koninklijke besluiten opgemaakt die uiteindelijk op 18 juli 2017 door de koning werden getekend en op 1 augustus 2017 in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd.

Raf Smeets

Gerechtelijk arrondissement Oost-Vlaanderen 7 8

Ann De Groeve Pascal Lombardi

Gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen 9

Dieter Ver Eecke

10 Marjolein Brepoels

Gerechtelijk arrondissement Henegouwen 11 François-Michel Huwart

Enkele cijfers

12 Cédric Lahaye 13 Alain Roger

De gemiddelde leeftijd van de 19 nieuw benoemde gerechtsdeurwaarders is 43 jaar (NL) en 42 jaar (FR). Onder deze 19 benoemingen tellen we 8 vrouwen, wat neerkomt op 44%. Als we dit vergelijken met de cijfers uit het jaarverslag 2016 (de gemiddelde leeftijd van de gerechtsdeurwaarders is 59 jaar en slechts 15% is een vrouw), zien we toch een opmerkelijke verjonging en vervrouwelijking van het ambt. Hoewel de benoemingsprocedure nog maar net achter de rug is, werden op 1 augustus 2017 alvast 25 nieuwe vacante plaatsen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

14 Hervé Welter

Gerechtelijk arrondissement Luik 15 Sabine Leroy

Gerechtelijk arrondissement Luxemburg 16 Aline Laurent 17 Laetitia Lapraille

Gerechtelijk arrondissement Namen 18 Louis-Valéry Baptiste 19 Laurence Vandercamme

november 2017  NKGB-CNHB

21


BIJZONDERE ONTMOETINGEN EIND JUNI GING DE E-BETEKENING VAN START, EEN BELANGRIJKE NIEUWE STAP IN DE DIGITALISERING VAN JUSTITIE. DE GERECHTSDEURWAARDER SPRAK EROVER MET ANNE-MARIE GEPTS, PROCUREUR DES KONINGS VAN HET PARKET TE ANTWERPEN WAAR HET SYSTEEM MOMENTEEL WORDT UITGETEST EN PETER COENE, PENNINGMEESTER VAN DE NKGB.

“Van een goede samenwerking wordt iedereen beter” Met de lancering van de elektronische betekening dragen de gerechtsdeurwaarders opnieuw hun steentje bij aan de digitalisering van justitie. Ziet u de elektronische betekening als een logische evolutie of een revolutie binnen de digitalisering? ANNE-MARIE GEPTS: “Justitie is een heel complex gegeven, met veel verschillende actoren. In het verleden werd dat wel eens uit het oog verloren. Ondertussen hebben we geleerd dat de digitalisering niet alleen een zaak van justitie zelf is, maar van alle partners. Het is ook belangrijk om stapsgewijs te werk te gaan bij de digitalisering. De digitalisering is iets wat heel de organisatie aanbelangt; alle werkmethodes en processen moeten worden herbekeken. Naast de technische kant van het automatiseringsproces vergt de digitalisering ook een

grote mentaliteitswijziging en daar is tijd voor nodig.” PETER COENE: “In andere sectoren is de digitalisering al veel langer aan de gang. Justitie doet nu een inhaalbeweging met onder meer de e-betekening. Maar dat is zeker geen revolutie, want in wezen verandert er niets aan de essentie van de betekening : het gaat nog steeds om het kenbaar maken van akten aan mensen. De e-betekening is gewoon een nieuwe, bijkomende manier van betekenen, maar het is niet de enige manier. In sommige gevallen zal het nog altijd belangrijk zijn om de betekening persoonlijk te doen.”

Alvorens de elektronische betekening uitgerold wordt over het hele land, wordt eerst een testfase ingevoerd bij het parket van Antwerpen en Luik. Waarom werd het parket van Antwerpen gekozen om hier als eerste mee in te stappen? ANNE-MARIE GEPTS: “Justitie is zelf al lang de digitalisering van haar werking aan het voorbereiden. Zo werd een businessapplicatie ontwikkeld, genaamd MACH, die momenteel in een aantal pilootsites, waaronder het parket Antwerpen met zijn drie afdelingen Antwerpen, Mechelen en Turnhout wordt geïmplementeerd. Vandaar denk ik de keuze voor Antwerpen. Het doel is om op termijn alles in MACH te integreren. De businessapplicatie is een voorloper van het digitaal dossier. In de toekomst moet het mogelijk zijn om daarin de pv’s, de betekeningen, de vorderingen van het parket enzoverder te integreren. Op die manier zal de volledige

22

NKGB-CNHB  november 2017


keten worden gedigitaliseerd, waardoor je één gecentraliseerd dossier krijgt waartoe iedereen die bevoegd is toegang krijgt. Maar dat kan niet in één keer: naast het complexe technisch gegeven moet je de tijd geven aan mensen om zich daaraan aan te passen. Volgens mij zal dit een grote stap betekenen voor de verdere professionalisering en het imago van het gerecht.” PETER COENE: “Als gerechtsdeurwaarders wilden we het project graag eerst uittesten in Antwerpen omdat het een groot arrondissement is, alle problemen die typisch zijn voor een grootstad passeren hier de revue. De aanwezigheid van veel vennootschapszetels en het enthousiasme van het parket waren extra factoren die de keuze gemakkelijker maakten.”

De eerste opdrachten tot betekening werden inmiddels door het parket ingegeven op het digitale platform, verliep dit vlot? ANNE-MARIE GEPTS: “Tot nu toe hebben zich nog geen noemenswaardige problemen voorgedaan. Binnenkort zitten we met de gerechtsdeurwaarders samen om een eerste evaluatie te doen. In oktober zullen er ook twee proefzittingen plaatsvinden. Er zal zeker hier en daar wat bijgestuurd moeten worden, maar dat is normaal in een testfase.”

Wat verwachten jullie van de elektronische betekening? ANNE-MARIE GEPTS: “We verwachten op termijn zeker een grote werklastvermindering doordat er minder administratieve rompslomp zal zijn. De werkprocessen zullen sterk vereenvoudigen en veel manueel werk zal verdwijnen, waardoor de administratie zich met andere, meer inhoudelijke, taken kan bezighouden. We zullen daardoor ook sneller kunnen werken. Door het digitale betekeningsplatform kunnen de betekeningen ook beter bewaakt en opgevolgd worden. Je kan meteen zien of een betekening tijdig en correct is gebeurd, waardoor daarover geen discussies meer mogelijk zijn. We zullen daardoor minder moeten herdagen, wat ook weer een tijdswinst oplevert en geen overbodige kosten met zich meebrengt. Het zittingsmanagement zal dus enorm verbeteren. Momenteel zitten we wel nog in een testfase, waardoor we nog niet meteen profijt zien. Dat zal pas gebeuren wanneer iedereen met hetzelfde systeem werkt. Na het Antwerpse parket zal het systeem geïmplementeerd worden in de politierechtbank en de andere afdelingen van het arrondissement Antwerpen, en ten slotte zal het ook nationaal worden uitgerold.” PETER COENE: “We verwachten dat er vooral bij bedrijven veel interesse zal zijn in de e-betekening.

november 2017  NKGB-CNHB

23


Doordat de betekening meteen aan de juiste persoon binnen het bedrijf zal kunnen gedaan worden, kan veel efficiënter gewerkt worden. Bij particulieren ligt de e-betekening wellicht wat moeilijker; er zal misschien wat argwaan zijn. Ik denk dat een informatiecampagne daarvoor nuttig zou kunnen zijn, ook de balie kan daar een grote rol in spelen.”

Denkt u dat die verwachtingen op korte termijn kunnen ingelost worden? PETER COENE: “De nationale uitrol van de eerste fase zal snel uitgevoerd kunnen worden. Omdat er zoveel interactie nodig is tussen de verschillende betrokken partijen, zal de voltooiing van het volledige digitale dossier nog wel even op zich laten wachten.” ANNE-MARIE GEPTS: “Nochtans hoor ik stemmen die zeggen dat het digitale dossier er sneller zal zijn dan we denken. Uiteindelijk liggen alle bouwstenen al op tafel. Het is nu een kwestie om die met alle betrokken partners allemaal in elkaar te doen passen.” PETER COENE: “De tijd en het klimaat zijn er zeker rijp voor. Maar je zit met verschillende spelers, en dat maakt het natuurlijk complexer.” ANNE-MARIE GEPTS: “Inderdaad, het is niet alleen een kwestie van techniek, je moet de mensen ook meekrijgen.”

De gerechtsdeurwaarder kan kiezen op welke wijze hij zal betekenen, tenzij het parket hem expliciet oplegt dat de betekening op traditionele wijze dient te gebeuren. Is het belangrijk dat deze keuze is ingebouwd? PETER COENE: “Ik vind het zeker een meerwaarde dat de gerechtsdeurwaarder de keuze heeft op welke manier hij betekent. Uiteindelijk zijn wij bemiddelaars die voeling met het terrein moeten hebben. Contact met mensen is daarbij essentieel. Bij bedrijven kan het een logische keuze zijn om digitaal te betekenen, maar in andere gevallen, bijvoorbeeld bij een uithuiszetting, is een traditionele betekening meer aangewezen, zodat je de nodige uitleg kan geven. Het hangt dus af van geval tot geval, en als gerechtsdeurwaarder moet je telkens de afweging maken welke manier van betekenen het meest efficiënt is.” ANNE-MARIE GEPTS: “Je moet er ook rekening mee houden dat niet iedereen toegang heeft tot het internet.

24

NKGB-CNHB  november 2017

De digitalisering van justitie mag zeker niet leiden tot een slechtere dienstverlening. De betekening moet op maat van de rechtzoekende gebeuren. Anders dreigen de rechten van de verdediging in het gedrang te komen. Het belangrijkste voor ons is dat alle betekeningen, ook de niet-elektronische, in het digitale betekeningsplatform komen. Alle aktes komen dus in hetzelfde register.”

Binnen justitie verloopt de digitalisering niet altijd even vlot. De gerechtsdeurwaarders zijn steeds voortrekkers geweest op vlak van digitalisering en hebben met meerdere projecten al aangetoond hier succesvol in te zijn. Schept dit vertrouwen voor het welslagen van dit project? ANNE-MARIE GEPTS: “Je hebt inderdaad voortrekkers nodig voor een project als dit. Justitie kan niet alles alleen oplossen, dat is niet realistisch. Maar je moet mee met de tijd. Daarom vonden we het belangrijk om deel te nemen aan dit project, ook al kost het zeker inspanningen. PETER COENE: “Met het centraal bestand van beslagberichten en de procedure voor de inning van onbetwiste geldschulden hebben we inderdaad veel expertise opgebouwd op het vlak van digitalisering. Die expertise zal zeker helpen om dit project tot een goed einde te brengen. Maar het is wel belangrijk dat alles stap voor stap gebeurt.”

Zijn er nog manieren waarop de gerechtsdeurwaarders hun communicatie met de parketten zouden kunnen verbeteren? ANNE-MARIE GEPTS: “De laatste maanden hebben we veel met elkaar overlegd in het kader van de e-betekening. Dat verliep heel vlot en positief. Ik denk dat het belangrijk is dat we ook in de toekomst op geregelde tijdstippen overleg voeren over de werking van het systeem. Het zou jammer zijn mocht het overleg ophouden wanneer het project is voltooid.” PETER COENE: “Daar ben ik het volledig mee eens. Het overleg tussen gerechtsdeurwaarders en parket is een heel positief gevolg van dit project, misschien moeten we dat formaliseren. Op die manier blijven we met elkaar samenwerken aan iets waar iedereen, ook de rechtzoekende, beter van wordt.”


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De gerechtsdeurwaarder #2 & #3 2017 by SAM-TES - Issuu