Vereenvoudiging juridisch taalgebruik Wetsvoorstel: immobilisatie gemotoriseerde voertuigen My Trusto: 1ste vonnis geveld
Qi
Bloemlezing van recente rechtspraak
BIJZONDERE ONTMOETINGEN
“Stilstaan is verdwijnen” Jan De Meuter in gesprek met justitieminister Koen Geens over de e-betekening, de toekomst van justitie en de samenwerking met de gerechtsdeurwaarders.
Conservatoir beslag op bankrekeningen, een toelichting bij de nieuwe Europese procedure
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 1
DE GERECHTSDEURWAARDER
n Q
#01
Kwartaalblad nr. 1 juni 2017 jaargang 6
PB- PP B- 00000 BELGIE(N) - BELGIQUE
Tijdschrift van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België
31/05/17 15:42
INHOUD
HOOFDREDACTIE
Nicolas Decock, Sylvie Vanmaele, Charissa Voet
WOORD VOORAF Marc Brackeva
03
Q UID NOVI? De juridische dienst van de NKGB
04
… OP WETGEVEND VLAK
• De minnelijke invordering van schulden bij de consument • De vereenvoudiging van het juridisch taalgebruik • De immobilisatie van gemotoriseerde voertuigen • Verzoekschrift versus dagvaarding • Diverse bepalingen inzake Potpourri IV (wet van 25 december 2016)
REDACTIERAAD
Éric Choquet, Nicolas Decock, Lionel De Mol, Patrick Gielen, Ivo Goeyens, Kris Slabbaert, Sylvie Vanmaele, Ronald Vanswijgenhoven, Charissa Voet
… OP VLAK VAN RECHTSPRAAK
• Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 166/2016 van 22 december 2016 • Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen van 20 februari 2017 – My Trusto
Q UID IURIS? De juridische dienst van de NKGB 08 • Tuchtrechtspleging – rechtspleging • Zorgvuldigheidsnorm – onderzoeksplicht van de gerechtsdeurwaarder • Revindicatieprocedure – bewijs in beslagzaken – bezit • Aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder – samenloop van fouten – toepassing van de theorie van de equivalentieleer/gelijkwaardigheid der voorwaarden DE NIEUWE EUROPESE PROCEDURE VOOR CONSERVATOIR BESLAG OP BANKREKEN INGEN, EEN TOELICHTING 14
• Guillaume Payan - Universitair hoofddocent aan de universiteit van Toulon (Frankrijk) EUROPEAN JUDICIAL TRAINING FOR COURT STAFF AND BAILIFFS
• Koen Geens en Jan De Meuter in gesprek over de e-betekening, de toekomst van justitie en de samenwerking met de gerechtsdeurwaarders
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 2
PERIODICITEIT
Kwartaalblad ERKENNINGSNUMMER
P 914378 19
VERANTWOORDELIJKE UITGEVER
Marc Brackeva Henri Jasparlaan 93 1060 Brussel
• Een verslag Ronald Vanswijgenhoven – kandidaat-gerechtsdeurwaarder BIJZONDERE ONTMOETINGEN
UITGEVER
KnopsPublishing Sint-Antoniusstraat 22 2200 Herentals
21 2017. Alle rechten zijn voorbehouden aan de NKGB. Niets mag uit deze publicatie gereproduceerd worden zonder de toestemming van de verantwoordelijk uitgever. Bijdragen/artikels kunnen gemaild worden naar secretariaat@sam-tes.be.
31/05/17 15:42
WOORD VOORAF MARC BRACKEVA, VOORZITTER
Beste confraters, Pour la petite histoire… Toen de redactieraad brainstormde over de inhoud van deze editie van De Gerechtsdeurwaarder, had ze aanvankelijk de e-betekening in gedachten als hoofdonderwerp. Terecht, want na de invoering van de IOS-procedure is dit wederom een belangrijk digitaal project dat uw werk zal beïnvloeden. In functie daarvan leek een interview met de kabinets medewerker die de projecten inzake informatisering en modernisering coördineert een prima idee. De vraag werd gesteld en tot onze verrassing kregen we minister Geens als gesprekspartner. Men kan zich afvragen waarom deze justitieminister vooruitgang boekt en slaagt waar zijn voorgangers hun tanden op stuk beten. Hoewel deze vraag niet letterlijk werd gesteld tijdens het interview, kan je het antwoord tussen de lijnen lezen. Hij maakt een verschil, omdat hij niet alles ineens wilt veranderen. Hij ontwikkelt en rolt dan wel verschillende digitaliseringsprojecten tegelijk uit, maar hij benadert ze wel als afzonderlijke projecten. Daarnaast, en minstens even essentieel, betrekt hij zeer actief de vrije juridische beroepen, waardoor de succesratio van de projecten veel groter is. Een top downbeleid werkt immers vaak averechts. Betrokkenheid daaren tegen leidt tot een gedeelde verantwoordelijkheid voor de goede afloop van een project.
Voorts vindt u in het tijdschrift een overzicht van recente rechtspraak, die tot nu toe onderbelicht bleef. Nochtans kan het gaan om vonnissen en arresten die een impact hebben op ons werk. Uiteraard zullen de NKGB en SAM-TES u informeren, maar tegelijk doe ik een oproep aan u om ons op de hoogte te stellen als u relevante rechtspraak tegenkomt. Laat het de juridische dienst van de NKGB weten of neem contact op met SAM-TES. We zullen hierover dan berichten via de nieuwsbrief of een circulaire. Tot slot raad ik u ook aan de bijdrage van Guillaume Payan, hoofddocent aan de Universiteit van Toulon én directeur van de juridische dienst van l’Union International des Huissiers de Justice, over de nieuwe Europese procedure voor conservatoir beslag op bankrekeningen te lezen. Veel leesgenot.
3
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 3
31/05/17 15:42
QUID NOVI? N
DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB
A – Op wetgevend vlak
(politieke) instanties/autoriteiten om dit voorstel te kaderen en te vermijden dat er maatregelen zouden worden genomen zonder rekening te houden met de bijzonderheden van het beroep.
De minnelijke invordering van schulden bij de consument De minnelijke invordering door de gerechtsdeurwaarder is een onderwerp dat regelmatig terugkeert in het parlement. Het eerste trimester van 2017 vormt hier geen uitzondering op. Aan het wetsvoorstel 702/001 van 11 december 2014 werd indertijd geen gevolg gegeven nadat de betrokken partijen1 in de Commissie Justitie werden gehoord. Dit voorstel werd nu opnieuw ingediend, ditmaal in de Commissie voor het Bedrijfsleven2 . De Nationale Kamer werd uitgenodigd om nogmaals haar bemerkingen en inzichten over deze tekst te geven. Tegelijk gaf zij ook haar visie op een tweede wetsvoorstel mee, dat betrekking heeft op de vergoedingen die d.m.v. strafbedingen worden geëist van de consument die zijn verbintenissen niet nakomt3. Het is des te belangrijker om een standpunt in te nemen, gezien de uitoefening van de minnelijke invordering door het beroep de laatste tijd vanuit verschillende hoeken in vraag wordt gesteld. Bepaalde standpunten verdienen onze aandacht: 1
4
Het officieel advies van de Raad voor het Verbruik in december 2016 – Dit advies vloeide voort uit de beraadslaging van de Commissie voor Onrechtmatige Bedingen en bevatte een expliciete aanbeveling aan de minister van Economie, namelijk de onderwerping van de gerechtsdeurwaarders4 aan het toezicht dat de FOD Economie uitoefent in het kader van de wet van 20 december 2002, om op die wijze de slechte praktijken binnen het beroep beter te detecteren en te bestrijden. De Nationale Kamer heeft, in samenspraak met SAM-TES, onmiddellijk gereageerd bij de betrokken
2
De parlementaire vraag van mevr. Annick Lambrecht op 24 maart 2017 – Er werd aan de minister van Justitie gevraagd hoeveel klachtendossiers de voorbije vijf jaren werden geopend met betrekking tot de minnelijke invordering. Daarnaast werd ook gepeild naar het aantal dossiers dat werd doorver wezen naar de tuchtcommissies en welke straffen werden uitgesproken. De Nationale Kamer bezorgt de minister van justitie spoedig de benodigde informatie zodat hij de vraagsteller een antwoord kan bezorgen.
De vereenvoudiging van het juridisch taalgebruik De delicate relatie tussen helder juridisch taalgebruik en de inhoud van de exploten van de gerechtsdeurwaarder is geen nieuwigheid. Recent kwam dit onderwerp weer aan de oppervlakte door de reactivering van het wetsvoorstel van 26 januari 2015 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de informatie over de kosten van gerechtsdeurwaarder 5 . Met dit voorstel wenst men deze kosten transparanter en duidelijker te maken voor de rechtsonderhorigen. Meer precies wil men de Koning de mogelijkheid toekennen om de omschrijving van deze kosten nader te regelen. Hierbij worden vier richtlijnen vooropgesteld: verbod om afkortingen te gebruiken; 2 verplichte vermelding van de grondslag van de berekening en het toegepaste tarief evenals de te betalen bedragen; 1
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 4
31/05/17 15:42
duidelijke identificatie van de beherende gerechtsdeurwaarder en uitvoerende gerechtsdeurwaarder(s) en duidelijke uitsplitsing van hun respectievelijke kosten; 4 verplichte aanduiding van het geheel van de kosten, en ingeval reeds betalingen plaatsvonden, hoeveel werd betaald en hoeveel nog verschuldigd is. 3
De Nationale Kamer heeft in samenspraak met SAM-TES op verzoek van het kabinet van de FOD Justitie een juridische nota opgesteld, waarin zij bondig haar officiële standpunt meedeelt. Op verzoek van de Commissie Justitie zal eveneens een meer gedetailleerde nota worden overgemaakt.
De immobilisatie van gemotoriseerde voertuigen De MR diende op 16 maart jongstleden een wetsvoorstel6 in om de gerechtsdeurwaarders de toelating te geven motorrijtuigen te blokkeren wanneer zij voorwerp uitmaken van een uitvoerend beslag. Het toepassingsgebied ratione materiae is in eerste instantie beperkt tot het uitvoerend beslag met het oog op de recuperatie van geldsommen ten gevolge van problemen met de verkeersbelasting of belasting op inverkeerstelling, of wanbetaling van de verzekeringspremie; Ingeval van immobilisatie kan de gerechtsdeurwaarder bovendien nog beslissen om het voertuig weg te nemen van de debiteur, ten laatste op de dag van de blokkering, waarbij de kosten van deze (dubbele) maatregel ten laste van de schuldenaar blijven.
Verzoekschrift versus dagvaarding Een ander gekend onderwerp dat het voorwerp is van een reeds in 2014 ingediend wetsvoorstel dat wordt heropgevist, is het plan om de inleiding van een geding d.m.v. verzoekschrift te veralgemenen7. De elementen in dit debat zijn ondertussen geen mysterie meer en de meerwaarde van de dagvaarding is herhaaldelijk uitgelegd en verdedigd. Deze zoveelste parlementaire poging om dit thema te bespreken zal geen uitzondering op de regel vormen.
Wet van 25 december 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri IV) De meeste artikelen van deze wet zijn in werking getreden op 10 januari 2017. I – Oprichting van een Centraal register collectieve schuldenregelingen Deze databank wordt beheerd door de OVB en OBFG en maakt het mogelijk op elektronische wijze de CSRdossiers op te volgen en te beheren. Zij verzamelt de stukken en gegevens m.b.t. een CSR en is het referentieplatform waarop de rechtbank, schuldbemiddelaar, schuldenaar en schuldeisers communiceren. De belanghebbenden, magistraten, griffiers, schuldbemiddelaars en personen in een CSR zullen toegang krijgen tot dit register, doch enkel tot de gegevens die voor hen van belang zijn. Deze toegang wordt momenteel niet voorzien voor gerechtsdeurwaarders. Artikel 86 van de wet biedt echter de mogelijkheid aan de Koning om, na advies van de Privacycommissie, andere personen toegang te verlenen. 1 Waaronder de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. 2 Wetsvoorstel van 14 juni 2016 tot wijziging van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, tot vaststelling van regels in verband met de kosten die bij wanbetaling kunnen worden opgelegd, Parl. St. Kamer, n° 54-1898/001, www.dekamer.be. 3 Wetsvoorstel tot instelling van lagere kosten die van de consument kunnen worden gevorderd bij niet-betaling of gedeeltelijke betaling van een openstaande schuld, Parl.St. Kamer, n° 54-1793/001, www.dekamer.be. 4 Evenals de advocatuur. 5 Parl.St. Kamer, 54-0833/1, www.dekamer.be. 6 Wetsvoorstel van 16 maart 2017 tot instelling van de mogelijkheid tot immobilisering van in beslag genomen motorrijtuigen, in het raam van uitvoerend beslag op roerend goed, Parl.St. Kamer, 54-2376/001, www.dekamer.be. 7 Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de inleiding bij verzoekschrift, Parl.St. Kamer, 54-706/1, www.dekamer.be.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 5
5
31/05/17 15:42
Het is dus niet onmogelijk dat de gerechtsdeurwaarders toegang zullen krijgen tot de gegevens die deze databank bevat. Dit ‘register’ verschilt van het CBB omdat het hier een platform betreft ter verzameling van de stukken en gegevens in een collectieve schuldenregeling en ter facilitering van de communicatie tussen de betrokken partijen. Het is dus geen databank die publiciteit geeft aan een CSR om de schuldeisers een beter zicht te bieden op de solvabiliteit van een schuldenaar. II – Wijziging van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek Het artikel wordt aangevuld met de volgende zin: Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt. Bijgevolg kunnen de kosten, zelfs ambtshalve, worden toegewezen aan de partij die ze veroorzaakt heeft terwijl ze overbodig waren, zelfs indien de rechter haar eisen ten gronde inwilligt.
6
We wijzen erop dat deze regel een specifieke toepassing zal kunnen kennen indien men gebruik maakt van de klassieke procedure terwijl men voor een snellere en goedkopere procedure had kunnen kiezen (bijvoorbeeld de procedure ter invordering van onbetwiste schuld vorderingen). III – Invoeging van artikel 75quater in het Wetboek van strafvordering Indien een klacht wordt neergelegd tegen of door een persoon bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies of die, in de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, belast is met de opsporing, het vaststellen, het onderzoeken, de vervolging, het vonnissen van misdrijven of de uitvoering van de straf, maken de processen-verbaal of de andere stukken van het dossier geen melding van zijn woon- of verblijfplaats, maar geeft de betrokken persoon aan op welk adres hij woonst kiest en waarop hem nadien de voor het onderzoek en het strafproces vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. De oproepingen en betekeningen worden geldig op dat adres gedaan, tot de betrokken persoon per aange-
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 6
31/05/17 15:42
tekende zending de procureur des Konings in kennis stelt van een wijziging van zijn woonstkeuze. Indien een proces-verbaal of een ander stuk van het dossier melding maakt van de woon- of verblijfplaats van de persoon bedoeld in het eerste lid, beveelt de procureur des Konings of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter de weglating van de betrokken meldingen en vervangt ze door het adres van zijn woonstkeuze, bedoeld in het tweede lid. U zal hiermee rekening moeten houden indien u een exploot in strafzaken dient te betekenen aan een persoon zoals omschreven in dit artikel. Desgevallend moet u het parket om meer inlichtingen vragen indien deze bepaling niet wordt gerespecteerd of toegepast.
B – Op het vlak van de rechtspraak Arrest van het Grondwettelijk Hof n° 166/2016 van 22 december 2016 Het Hof bevestigde in dit arrest dat artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt indien het artikel als resultaat heeft dat een wet die het bedrag van de aanleg wijzigt, onmiddellijk van toepassing was op gerechtelijke uitspraken die werden uitgesproken na de datum van inwerkingtreding, zonder rekening te houden met de datum waarop de zaak werd ingeleid voor de rechter of de datum waarop de vordering werd ingesteld en die bepalend is voor de berekening van het bedrag. Meer precies bepaalde artikel 274 van de wet van 30 juli 20138 de datum van inwerkingtreding van artikel 136 van dezelfde wet, die het bedrag voor de aanleg wijzigde voor vonnissen van de vrederechter en van de rechtbank van eerste aanleg (art. 617, § 1, Ger.W.). Ten gevolge van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek was dit bedrag van toepassing op alle vonnissen uitgesproken vanaf 1 september 2014. Het gevolg was dat er vanaf 1 september 2014 geen beroep meer openstond tegen een beslissing van de vrederechter waarbij deze oordeelde over een vordering kleiner dan 1.860 EUR. De grens lag een dag ervoor nog op 1.240 EUR. Het Hof heeft bovendien in herinnering gebracht dat in burgerlijke geschillen er geen algemeen rechtsbeginsel is dat het recht op een dubbele aanleg garandeert.
Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (afdeling Antwerpen – burgerlijke kamer – beslagkamer) van 20 februari 2017: de zaak H.M. tegen de Belgische Staat9 De reden voor deze beslissing is een uitvoerend beslag op verzoek van de fiscus voor een fiscale schuld van schuldenaar H.M. Deze heeft verzet aangetekend tegen het vermelde beslag omdat hij meende dat ten gevolge van een “My Trusto-akkoord”10 geen enkele individuele uitvoeringsmaatregel meer mogelijk was omdat dit misbruik van het recht op uitvoering zou uitmaken, zelfs indien de uitvoeringsmaatregel het initiatief was van een schuldeiser die niet deelnam aan het vermelde akkoord. De Nationale Kamer is vrijwillig tussengekomen in deze procedure om te verdedigen dat het individuele recht op uitvoering voorrang heeft op dergelijk minnelijk akkoord. Ook gerechtsdeurwaarder P. Van Buggenhout kwam tussen, maar om het standpunt van de verzetdoende partij te ondersteunen. Beide tussenkomsten werden onontvankelijk verklaard wegens een gebrek aan belang, maar de beslissing heeft de verdienste drie belangrijke elementen te bevestigen: »» Een “My Trusto-akkoord” heeft een buitengerechte lijk karakter en heeft geen invloed op de vrijheid van elke betrokken schuldeiser om er al dan niet aan deel te nemen; »» Een akkoord tussen de schuldenaar en één of meerdere van diens schuldeisers is niet tegenstelbaar aan andere schuldeisers die verkiezen over te gaan tot individuele uitvoeringsmaatregelen; »» Er is dan ook geen materiële of morele schade geleden door de verzoekende partij, gezien de uitvoering rechtmatig was. De verzetdoende partij zag haar verzet dan ook afgewezen omdat het ongegrond was. 8 Wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familieen jeugdrechtbank, BS 27 september 2013, 68429. 9 Niet gepubliceerde beslissing. 10 Een systeem waar aan de schuldenaren een minnelijke en buitengerechtelijke regeling wordt voorgesteld, met behulp van een gerechtsdeurwaarder.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 7
7
31/05/17 15:42
QUID IURIS? I
DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB
Korte bloemlezing van recente rechtspraak Voor het huidig nummer werd er gekozen om een kleine bloemlezing van interessante rechtspraak voor het beroep op te nemen. De behandelde thema’s lopen erg uit elkaar, maar houden uiteraard allen verband met de gerechtsdeurwaarderspraktijk. Het is niet omwille van hun revolutionair karakter dat de betreffende rechtspraak gekozen werd, wel trachten we zo de vinger aan de pols te houden vanuit het oogpunt van de actualiteit. De juridische dienst van de Nationale Kamer verwelkomt niet-gepubliceerde rechtspraak vanuit het beroep heel erg.
1 – Grondwettelijk Hof, nr. 170/2015 26 november 2015, BS 10 februari 2016, 10784, RW 2015–16 (samenvatting), afl. 17, 680 Tuchtrechtspleging – rechtsplegingsvergoeding Een gerechtsdeurwaarder liep een correctionele veroordeling op, waarop het openbaar ministerie besloot om ook een tuchtprocedure tegen hem op te starten. Deze werd onontvankelijk verklaard in eerste aanleg, doch na beroep door het OM werd een tuchtsanctie opgelegd. Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing omdat het hoger beroep van het OM laattijdig werd ingesteld. Het hof van beroep, waar de zaak naar werd verwezen, volgde het Hof van Cassatie en verklaarde bijgevolg het beroep onontvankelijk. De Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van de cassatieprocedure. De betrokken gerechtsdeurwaarder formuleerde bijkomend in die procedure een eis tot rechtsplegingsvergoeding (RPV), waarop het hof van beroep een prejudiciële vraag stelde aan het Grondwettelijk Hof.
8
De vraag kan als volgt worden begrepen: “Is er sprake van een ongerechtvaardigde discriminatie doordat in strafzaken geen RPV ten laste van de Belgische staat kan worden gelegd, terwijl de wet hierover niets voorziet in het kader van een tuchtprocedure, en er daar dus wel een RPV ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd?” De Staat meende dat zij niet gehouden was tot het betalen van een RPV, aangezien de procureur des Konings uitsluitend in het algemeen belang de tucht procedure had opgestart, en die procedure dus gelijk moet worden behandeld als een strafvordering die immers ook steeds het algemeen belang dient. Het Grondwettelijk Hof was de voorbije jaren inderdaad van mening dat de specifieke aard van de strafrechtspleging en het oogmerk van het algemeen belang volstonden om een uitsluiting van RPV toe te staan. Bij wege van drie prejudiciële arresten van 21 mei 2015 was het Hof echter van oordeel dat het moest terugkomen op haar vroegere rechtspraak, in het licht van de gewijzigde normatieve context. Het Hof oordeelde voor de eerste maal dat het systeem van de RPV op elkeen van toepassing is, inclusief overheden die optreden in het algemeen belang1 . Zij deed dit hoofd zakelijk vanwege de wet die voorzag in de uitbreiding van het systeem van de RPV naar procedures voor de Raad van State2 . Dit standpunt werd bevestigd door het vernietigingsarrest van het Hof van 3 maart 20163 , waarbij het deel van (de nog niet van toepassing zijnde versie van) artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek werd vernietigd dat bepaalde dat overheden handelend in het algemeen belang, niet gehouden zijn tot het betalen van RPV. Het hier besproken arrest is een logisch uitvloeisel van voormelde arresten 68-70/2015. Gezien het oogmerk van het algemeen belang niet langer volstaat om een
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 8
31/05/17 15:42
“
De Staat meende dat zij niet gehouden was tot het betalen van een RPV, aangezien de procureur des Konings uitsluitend in het algemeen belang de tuchtprocedure had opgestart, en die procedure dus gelijk moet worden behandeld als een strafvordering die immers ook steeds het algemeen belang dient.”
verschil in behandeling op het vlak van RPV te verantwoorden, valt men terug op “de bijzondere aard van het strafrechtelijk contentieux”. Hierbij kunnen enkele bedenkingen worden gemaakt. 1
Zoals het Hof in talrijke arresten zelf stelt, luidt het bij artikel 1022 juncto artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek gevestigde beginsel dat iedere partij die in het ongelijk wordt gesteld, gehouden is tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding.
Dit beginsel wordt o.b.v. artikel 2 Ger.W. uitgebreid naar andere rechtsplegingen binnen de rechterlijke orde. Op voormeld beginsel voorziet het wetboek van strafvordering echter een uitzondering voor het openbaar ministerie dat in volle onafhankelijkheid de strafvordering moet kunnen opstarten zonder te moeten vrezen voor eventuele financiële repercussies. De nieuwe rechtspraak van het Hof lijkt dan ook conform het beginsel dat uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd, wat in het licht van de juridische zekerheid alleen maar toe te juichen valt. Voortaan zal de overheid die wilt ontsnappen aan de RPV dus een andere motivering moeten zoeken. De rechtspraak van het Hof toont aan dat die kan gevonden worden in de gelijkenissen tussen het strafrecht en de rechtstak in het geding – zo bijvoorbeeld werd de vordering van het arbeidsauditoraat o.b.v. art. 138bis, § 2 Ger.W. expliciet aanvaard door het Hof als voldoende
vergelijkbaar met het strafrecht, omdat zij tot doel heeft misdrijven vast te stellen, en niet enig herstel van burgerlijke aard. Bovendien sluit zij de strafvordering voor dezelfde feiten uit. 2
Het Grondwettelijk Hof zag echter onvoldoende overeenkomsten tussen het tuchtrecht en strafrecht: tuchtrecht heeft niet het doel om “strafbare feiten vast te stellen en te bestraffen, doch wel om na te gaan of een gerechtsdeurwaarder de deontologische regels heeft overtreden of afbreuk heeft gedaan aan de eer van het beroep en op die wijze het vertrouwen (van de) rechtzoekende, (…) kon doen wankelen”.
Dit arrest raakt bijgevolg de welbekende vraag naar de exacte plaats die het tuchtrecht in onze rechtsorde bezet. Het is hier niet de gelegenheid om daarover veel uit te wijden. Desondanks houden we eraan te vermelden dat tuchtrecht zich eerder in een strafrechtelijke sfeer dan burgerrechtelijke sfeer bevindt: er kan geen herstel van burgerlijke aard worden opgelegd, enkel sancties om op die wijze de waardigheid van het beroep in stand te houden. Tuchtrecht heeft normaliserende, moraliserende en bestraffende oogmerken, en kan worden beschouwd als een “contractueel strafrecht”: de leden van eenzelfde beroep verbinden zich er gezamenlijk toe bepaalde normen en waarden na te leven en voorzien hier sancties op4 . Bovendien raakt de naleving van de tuchtregels toch ook enigszins het algemeen belang. Het vertrouwen in de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar is bijvoorbeeld cruciaal voor de goede werking van het justitieel apparaat.
1 GwH 21 mei 2015, nrs. 2015/68, 2015/69 en 2015/70. 2 Invoeging van een artikel 30/1 in de Gecoördineerde wetten op de Raad van State, door artikel 11 van de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State, BS 3 februari 2014. 3 GwH 3 maart 2016, nr. 2016/34. Voor een uitgebreide bespreking, zie K. CALUWAERT, C. FORNOVILLE en T. MOONEN, “Rechtsplegingsvergoeding in geschillen met de overheid. De omslag in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof”, NjW 2016, 410-427. 4 J. DU JARDIN, “Rechtspraak in tuchtzaken door de beroepsorden: toetsing van de wettigheid door het Hof van Cassatie”, RW 2000-01, 785-810.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 9
9
31/05/17 15:42
3
De vraag naar de tenlastelegging van de RPV kan worden uitgebreid naar situaties waarin de tucht procedure niet wordt ingeleid door de procureur, maar door de tuchtcommissie bij de gerechtsdeurwaarders (art. 545 Ger.W.).
Zij is enerzijds een rechtsprekende instantie: ze kan lage tuchtstraffen opleggen. Zij is anderzijds ook een doorverwijzingsinstantie: indien de tuchtcommissie van oordeel is dat de klacht een hogere tuchtstraf verantwoordt, vat zij de rechtbank van eerste aanleg d.m.v. dagvaarding. De tuchtcommissie is dus geen partij bij de tuchtprocedure, maar het is wel door haar dagvaarding dat de rechtbank gevat wordt … De tuchtcommissie heeft geen rechtspersoonlijkheid en is meer een ‘feitelijk orgaan’. Logischerwijze werpt zich de vraag op of een RPV te haren laste kan worden gelegd indien de rechtbank besluit dat de tuchtvordering moet worden afgewezen. Ons inziens moet hier ontkennend op worden geantwoord: men kan de rechtsprekende instantie niet bestraffen voor het oordeel dat zij ten gronde velt, zoals ook de rechter zijn eigen beslissing niet kan verdedigen in beroep. De omgekeerde situatie (waar de tuchtcom-
10
missie een RPV zou toegekend krijgen) lijkt onmogelijk: de tuchtcommissie zal nooit een advocaat onder de arm nemen om haar tuchtbeslissing te verdedigen. Wie is überhaupt de tegenpartij van de gerechtsdeurwaarder in zulke procedure? Men zou inderdaad kunnen stellen dat dit de beroepsorde is. De NKGB fungeert echter a priori enkel als filter om na te gaan of er mogelijk sprake is van een tuchtovertreding – en die filterfunctie is niet eens volwaardig toegekend door de wetgever. Een klager kan immers op eigen initiatief de zaak tot bij de tuchtcommissie brengen, ook wanneer de NKGB het dossier ongegrond acht. Men kan dus argumenteren dat de NKGB evenmin partij is bij de tuchtprocedure, tenzij de procedure wordt opgestart op initiatief van haar verslaggever. Zal de NKGB te maken krijgen met de RPV in dit kader? Zo ja, houdt dit in dat zij als partij beschouwd moet worden en haar beslissingen kan verdedigen (zowel bij de tuchtcommissie als bij de rechtbank van eerste aanleg)? De wetsartikelen laten hierover gerede twijfel bestaan. Hoewel deze vragen zich reeds stelden buiten het arrest van het Grondwettelijk Hof om, worden de zaken nu op scherp gesteld.
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 10
31/05/17 15:42
2 – Rb. Oost-Vlaanderen, afd. Gent 19 december 2016, onuitg. Zorgvuldigheidsnorm – Onderzoeksplicht van de gerechtsdeurwaarder De Gentse rechtbank van eerste aanleg sprak zich recent uit over de draagwijdte van de algemene zorgvuldigheidsnorm in hoofde van de gerechtsdeurwaarder in het kader van een procedure uitvoerend beslag op geleasede voertuigen. Een leasingmaatschappij had een aansprakelijkheidsvordering ingesteld tegen een gerechtsdeurwaarder ingevolge de gerechtelijke verkoop van twee luxewagens welke door haar aan een onderneming geleased werden. De betreffende voertuigen waren ingeschreven op naam van deze onderneming, die ruim een maand na de verkoping failliet werd verklaard. De leasingmaatschappij vorderde in dit kader de volledige opbrengst van de wagens, waarbij zelfs de kosten van de gerechtelijke verkoop volgens haar niet in mindering mochten worden gebracht. In deze zaak had de gerechtsdeurwaarder twee Jaguars in beslag genomen welke ingevolge een opzoeking in de DIV-databank op naam van de beslagene ingeschreven waren. In het exploot van uitvoerend beslag werd daarbij vermeld dat de voertuigen op het erf van de beslagene werden aangetroffen. De leasingmaatschappij stelde dat de gerechtsdeurwaarder diepgaandere onderzoeksdaden had moeten stellen met betrekking tot de eigendom over de voertuigen en dat de gerechtsdeurwaarder als dusdanig buitencontractueel aansprakelijk was voor de schade die de maatschappij had geleden ingevolge de gerechtelijke verkoping. De rechtbank erkent in de eerste plaats dat, bij gebreke van een wettelijke verplichting ter zake, het mogelijk is dat een gerechtsdeurwaarder de algemene zorgvuldigheidsnorm zou schenden in het kader van zijn tussenkomst. Hij dient hiertoe evenwel een fout te hebben begaan die elke andere, normale, voorzichtige gerechtsdeurwaarder geplaatst in dezelfde omstandigheden, niet zou begaan hebben. De rechtbank is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder geen dergelijke fout heeft begaan. Immers, hoewel de inschrijving van een voertuig geenszins gelijk staat aan een sluitend bewijs van eigendom, mocht de gerechtsdeurwaarder daar in dit geval toch toe besloten hebben.
In de eerste plaats werden de betreffende voertuigen aangetroffen op het erf van de beslagene, wat duidt op een volwaardig bezit ervan in de zin van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek. Dit noopt tot een vermoeden van eigendom. Vervolgens vertoonden de voertuigen geen enkel uiterlijk teken dat dit vermoeden had kunnen ontkrachten. Hoewel de algemene voorwaarden van de leasingmaatschappij uitdrukkelijk stipuleerden dat haar eigendom moest kenbaar gemaakt worden op de wagens, lag er geen bewijs voor dat aan deze verplichting voldaan was. De rechtbank stelt daarbij duidelijk dat, in andersluidend geval, de gerechtsdeurwaarder wel degelijk gehouden zou zijn tot bijkomende onderzoeksdaden. Ook het feit dat de beslagene op geen enkel moment in de procedure aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder kenbaar heeft gemaakt dat de wagens het voorwerp uitmaakten van een leasingcontract, kan niet doen besluiten dat de gerechtsdeurwaarder niet had mogen aannemen dat de wagens de beslagene niet toebehoorden. Het feit dat de voertuigen eerder tot het luxesegment behoren, doet hieraan geen afbreuk. De rechtbank acht het immers niet ongewoon dat dergelijk type voertuig geleased wordt door een onderneming. Van de gerechtsdeurwaarder kan dan ook niet verlangd worden dat hij in de balansen of rekeningen bewijs zou gaan zoeken van het tegendeel.
3 – Bergen (2de K.) 8 maart 2016, Ius & Actores 2016/1-2, 327 Revindicatieprocedure – Bewijs in beslagzaken – Bezit Er werd door de Belgische Staat uitvoerend beslag op roerend goed gelegd op een voertuig dat verondersteld werd toe te behoren aan de CVBA Kolia. L.C. daagde via een dagvaarding in revindicatie de Belgische Staat voor de territoriaal bevoegde beslagrechter om het eigendomsrecht op het beslagen goed te revindiceren en de opheffing van het uitvoerend beslag te horen bevelen. Het verzoek van L.C. werd afgewezen, waarna beroep werd ingesteld tegen deze beslissing. In het kader van zijn revindicatievordering heeft L.C. het bewijs moeten aanleveren van zijn eigendomsrecht over het beslagen voertuig.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 11
11
31/05/17 15:42
In dat opzicht wordt niet betwist dat L.C. het beslagen voertuig heeft aangekocht en op zijn naam heeft ingeschreven, maar wordt door de Belgische staat aangehaald dat het 7 jaar na aankoop werd heringeschreven op naam van de CVBA Kolia. Uit de wijziging met betrekking tot de inschrijving kan echter niet zomaar afgeleid worden dat de nieuwe houder van de nummerplaat ook de eigenaar is van het betreffende voertuig. Geen enkele wettekst bepaalt immers dat enkel de eigenaar van een voertuig een dergelijke inschrijving kan doen. Tussen de rechtvaardigingsstukken welke de eigendom van L.C. aantonen, heeft deze laatste er zelf op gewezen dat hij, na de inschrijving van het voertuig op naam van de CVBA Kolia, de verkeersbelasting en kosten aan het voertuig betaald heeft. Daarbij is uit de rekeningen van de CVBA Kolia gebleken dat zij schuldenaar is van L.C., dat er geen enkel spoor bestaat van de aankoop van een voertuig in de balansen en dat er nergens sprake is van de afschrijving van een voertuig. Om zich te kunnen verzetten tegen het eigendomsbewijs over het voertuig heeft de Staat zich in fine gesteund op het feit dat het voertuig ingeschreven was op naam van de CVBA Kolia. In dat opzicht heeft de Belgische Staat een beroep gedaan op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek5. Maar hiertoe heeft de gerechtsdeurwaarder in zijn exploot slechts het beslag op het voertuig vermeld, zonder daarbij te preciseren dat het voertuig op het moment van het opstellen van zijn proces-verbaal in het bezit was van de beslagene. Volgens het Hof kon de Staat dan ook geen beroep doen op artikel 2279, aangezien het bezit niet afdoende werd aangetoond. Hierbij dient opgemerkt dat, indien een dergelijke vermelding wel zou zijn aangebracht, dit niet per se een sluitend argument zou zijn geweest aangezien L.C. dit vermoeden ook had kunnen omkeren door aan te tonen dat het bezit van de CVBA Kolia gebrekkig was. De vaakst ingeroepen gebreken zijn de heimelijkheid en de dubbelzinnigheid6. Indien de beslagrechter erkent dat het bezit van de verweerder gebrekkig is, vindt de bescherming van artikel 2279 dan ook geen toepassing. Rekening houdende met de door de partijen aangebrachte elementen, heeft het Hof minstens de dubbelzinnigheid van het bezit in hoofde van de CVBA Kolia weerhouden, aangezien het a contrario werd aangetoond
12
dat L.C. eigenaar is gebleven van het voertuig en dat de beslagene slechts houder ervan was die het voertuig nooit heeft bezeten zoals een echte eigenaar. Het Hof heeft de revindicatievordering van L.C. dan ook ingewilligd.
4 – Bergen (2de K.) 25/10/2016, JT, 2016/42, n° 6670, p. 767-768 Aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder – Samenloop van fouten – Toepassing van de theorie van de equivalentieleer / gelijkwaardigheid der voorwaarden Bij een bij voorraad uitvoerbare beslissing van 3 september 2003 veroordeelde de vrederechter van La Louvière, gevat door de echtgenoten V., het echtpaar G. tot het uitvoeren van de noodzakelijke werken om een erfdienstbaarheid te vestigen binnen een termijn van 60 dagen na betekening van het vonnis op straffe van dwangsom. Bij beslissing van 21 december 2005 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Bergen het beroep van het echtpaar G. verworpen. Volgens het exploot van 6 maart 2006 heeft gerechtsdeurwaarder C. op verzoek van het echtpaar V. de beide voornoemde beslissingen betekend aan het echtpaar G., en hen daarbij bevel betekend tot uitvoering ervan. Aangezien de veroordeelde partijen geen gevolg verleenden aan het hen betekende bevel, is hij hierop overgegaan tot uitvoerend roerend beslag, welk onmiddellijk gevolgd werd door een verzet bij de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Bij beslissing van 28 juni 2007 verklaart de beslagrechter de betwiste exploten van bevel en beslag nietig en zonder gevolg, en beveelt de opheffing van het beslag. De beslagrechter had immers vastgesteld dat het exploot van 6 maart 2006 geen geldige betekening uitmaakte van voormelde beslissing van 3 september 2003, aangezien deze hierin niet integraal hernomen werd. Hierop gaat gerechtsdeurwaarder C. bij exploot van 5 oktober 2007 over tot een nieuwe betekening van de twee beslissingen, welke gevolgd wordt door verschillende bevelen betekend door gerechtsdeurwaarder S. tussen 5 oktober 2007 en 30 november 2010. De echtgenoten G. vatten opnieuw de beslagrechter en roepen de nietigheid van deze nieuwe bevelen tot betalen in. Bij beschikking van 31 oktober 2011 beslist de beslagrechter van Charleroi tot de nietigheid en stelt vast dat de
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 12
31/05/17 15:42
“
Ondanks het feit dat het Belgisch recht bijzonder belang hecht aan de theorie van de equivalentieleer, wordt over de kwestie van het oorzakelijk verband nog steeds druk gedebatteerd, evenals over de gevolgen van opeenvolgende fouten begaan door verschillende partijen.”
dwangsommen verjaard zijn (aangezien er meer dan 6 maanden zijn verstreken tussen twee bevelen). Het wordt niet betwist, noch is het betwistbaar dat Mr. C. een fout begaan heeft door een onrechtmatige betekening te doen op 6 maart 2006. Anderzijds maakt het feit dat het echtpaar V. het financieel voordeel heeft verloren van de dwangsommen dat zij hadden moeten krijgen, in de veronderstelling dat zulks het geval was, in hun hoofde een schade uit. Daarbij moet hij die zich beroept op de aansprakelijkheid van een derde, of dit nu op basis van contractuele aansprakelijkheid is of op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, niet enkel het bestaan aantonen van een fout (hetzij contractueel, hetzij buitencontractueel) en van de schade, maar ook van het oorzakelijk verband tussen beiden. Ondanks het feit dat het Belgisch recht bijzonder belang hecht aan de theorie van de equivalentieleer, wordt over de kwestie van het oorzakelijk verband nog steeds druk gedebatteerd, evenals over de gevolgen van opeenvolgende fouten begaan door verschillende partijen. Om te bepalen of een oorzakelijk verband bestaat, moet men de opeenvolging van oorzaken reconstrueren zonder het foutieve feit, om zich een beeld te kunnen vormen van de gebeurtenissen zoals ze zich zouden afgespeeld hebben zonder de fout, bij overigens gelijkblijvende omstandigheden. In casu moet men in het licht van de theorie van de equivalentieleer onderzoeken wat er zou gebeurd zijn indien alles normaal was verlopen en Mr. C. de betekening van de beslissingen correct had uitgevoerd. Wanneer de rechter tot een dergelijke toetsing overgaat, mag hij de omstandigheden die voortvloeien uit het foutieve gedrag niet in aanmerking nemen. De fout en al haar gevolgen moeten buiten de beoordeling worden gelaten. In casu oordeelde het Hof dat het onbetwistbaar is dat zonder de fout van Mr. C., de dwangsommen hadden kunnen toegekend worden aan het echtpaar V.,
aangezien de echtgenoten G. pas op 15 januari 2012 volledig en effectief gevolg hebben gegeven aan de veroordelingen bij beslissing van 3 september 2003. Het Hof heeft daarbij de NV Ethias Verzekeringen in het ongelijk gesteld. Deze stond in voor de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid van Mr. C. en hield voor dat het voordeel van de dwangsommen sowieso verloren was, rekening houdende met het feit dat er meer dan zes maanden waren verstreken tussen de bevelen betekend door de tweede gerechtsdeurwaarder. Met andere woorden steunt de verzekeringsmaatschappij zich op het feit dat de fout in hoofde van de tweede gerechtsdeurwaarder in het kader van de tenuitvoerlegging de fout van de eerste neutraliseert. In geval van samenloop van fouten vereist de theorie van de equivalentieleer dat elk van de fouten die heeft bijgedragen tot dezelfde schade, afzonderlijk moet getoetst worden aan de ‘conditio sine qua non’-test7. Men moet zich met andere woorden voor elk van de fouten afvragen of – bij gebreke aan de betreffende fout – de schade zich in concreto wel of niet zou hebben voorgedaan, onafgezien van enige voorgaande of latere fout8. In dat opzicht stelt de Cassatierechtspraak dat men niet uit het loutere feit dat een fout gevolgd werd door een fout van een derde (gerechtsdeurwaarder S.), kan afleiden dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerste fout en de schade9.
5 “Met betrekking tot roerende goederen geldt het bezit als titel”.
8 Cass. 1ste K., 24 maart 2005, Pas. 2005, I, p. 703.
6 Het bezit van de roerende goederen is dubbelzinnig wanneer zij, gezien de omstandigheden, vatbaar is voor verschillende interpretaties. Men spreekt hier bijvoorbeeld van wanneer er twijfel bestaat over de vraag of de persoon in wiens handen het goed zich bevindt, er de eigenaar dan wel de loutere houder van is – Cass. 4 december 1986, Pas. 1987, I, p. 415, n° 205.
9 Cass. 17 januari 2007, Arr.Cass. 2007, afl. 1, 60; http://www.cass.be (2 februari 2007); NjW 2007, afl. 171, 845, noot JOCQUE, G.; Pas. 2007, afl. 1, 62; T.Aann. 2007, afl. 2, 172; TBH 2007, afl. 8, 786 en http://www.rdc-tbh.be (31 oktober 2007), noot VAN SCHOUBROECK, C.; TBO 2007, afl. 4, 143 en http://www.tbo.be/ (17 augustus 2011).
7 B. DUBUISSON, “Jurisprudence récente de la Cour de cassation sur la relation causale”, JT 2010, p. 747.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 13
13
31/05/17 15:42
INWERKINGTREDING VAN DE VERORDENING (EU) NR. 655/2014: DE NIEUWE EUROPESE PROCEDURE VOOR CONSERVATOIR BESLAG OP BANKREKENINGEN IS EEN FEIT! GUILLAUME PAYAN – UNIVERSITAIR HOOFDDOCENT AAN DE UNIVERSITEIT VAN TOULON (FRANKRIJK) – LID VAN HET CDPC JEAN-CLAUDE ESCARRAS (UMR CNRS 7318 DICE)
18 januari 2017 is ongetwijfeld een belangrijke datum in de ontwikkeling van een echte Europese juridische ruimte voor burgerlijke zaken. Het is de datum waarop de “procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen”1 gecreëerd door de verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 20142 in werking trad. Met deze procedure verkrijgt men een bevel, dat verhindert dat de latere inning van de vordering van de schuldeiser “wordt belemmerd doordat tegoeden”, tot het in het bevel bepaalde bedrag, op een door of namens de (veronderstelde) schuldenaar in een lidstaat aange houden bankrekening “worden verplaatst of worden onttrokken” (art. 1, § 1). »» Totstandkoming van de EAPO-procedure. De Europese instanties beogen de uitwerking van de EAPO-procedure al lang. Sinds 1998 onderstreepte de Europese Commissie de opportuniteit daarvan in een mededeling getiteld “Naar meer doelmatigheid bij het verkrijgen en uitvoeren van rechterlijke beslissingen binnen de Europese Unie”3. We moesten echter wachten op de opstelling van een Groenboek4, in oktober 2006, voordat de inleidende werken voor de uitwerking van deze procedure echt startten. Deze werken werden voortgezet met de goedkeuring van een verordeningsvoorstel5 door de Europese Commissie op 25 juli 2011. De verordening die definitief werd goedgekeurd, onderscheidt zich op meerdere punten van dit voorstel, onder meer met betrekking tot het toepassingsgebied van de EAPOprocedure.
14
»» Het toepassingsgebied van de EAPO-procedure. Het gebied – zowel materieel als ruimtelijk – van de EAPO-procedure is veel beperkter dan wat de Europese Commissie had vooropgesteld. Qua materieel toepassingsgebied (art. 2) is de procedure van toepassing op geldelijke vorderingen in burgerlijke en handelszaken. Fiscale zaken, douane zaken of bestuursrechtelijke zaken zijn, zoals gewoonlijk, uitgesloten. Dat geldt ook voor de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling in de uitoefening van het openbaar gezag, faillissementen, sociale zekerheid of arbitrage. In tegenstelling tot wat voorzien was in het verordeningsvoorstel, werden de erfenissen, het huwelijksvermogensrecht en het vermogensrecht inzake relatievormen waaraan gevolgen worden verbonden die vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk, ook geweerd. Voor het ruimtelijk toepassingsgebied kan de procedure, zoals de andere verordeningen die tot op heden werden goedgekeurd op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, alleen worden toegepast in “grensoverschrijdende zaken” (art. 3, § 1). In het kader van de verordening (EU) nr. 655/2014, worden twee hypothesen beoogd: de bedoelde bankrekening of bankrekeningen moeten worden gehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat van het gerecht waarbij het EAPO-verzoek is ingediend (1e hypothese) of in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de schuldeiser zijn woonplaats heeft (2e hypothese). Het grensoverschrijdende karakter van een zaak wordt beoordeeld op de datum waarop het EAPO-verzoek wordt ingediend bij het bevoegde
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 14
31/05/17 15:42
gerecht (art. 3, § 2). Met de term ‘lidstaten” worden Denemarken en het Verenigd Koninkrijk niet bedoeld, tenzij ze anders beslissen (overwegingen nr. 50 en 51). »» De verhouding van de EAPO-procedure tot de nationale procedures. Voor de verhouding tot de nationale procedures vertoont de EAPO-procedure gelijkenissen met de procedure van het Europees betalingsbevel6. Ten eerste overlapt ze de nationale wetgevingen zonder ze te vervangen of te wijzigen (art. 1, § 2). Vervolgens voorziet ze in een eenvormige procedure, maar er zijn veel verwijzingen naar nationaal recht. Deze verwijzingen zijn tweeledig. Enerzijds is er een algemene verwijzing die bepaalt dat niet uitdrukkelijk in de verordening geregelde procedurekwesties beheerst worden door het recht van de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd (art. 46, § 2). Anderzijds bevat de verordening verschillende specifieke verwijzingen. Dat is onder meer het geval voor conservatoir beslag op gezamenlijke rekeningen en rekeningen van derden (art. 30), de niet voor beslag vatbare bedragen (art. 31), de rangorde van het bevel tot beslag (art. 32), het recht van een derde om op te komen tegen een EAPO-bevel (art. 39), de door de bank gemaakte kosten (art. 43) en de vergoedingen die in rekening worden gebracht door de instanties die bij de procedure betrokken zijn (art. 44). Deze verwijzingen hebben ongetwijfeld de goedkeuring van de verordening vergemakkelijkt, maar hun talrijkheid kan de uniforme toepassing in alle lidstaten schaden. De procedure die door de verordening (EU) nr. 655/2014 werd ingevoerd, bestaat uit twee belangrijke fases: het verkrijgen (I) en de tenuitvoerlegging (II) van de EAPO. Terwijl de eerste gedomineerd wordt door een dualiteit van rechtsstelsels, wordt de tweede bezield door de bezorgdheid om een zeker evenwicht tussen de betrokken rechten en belangen te respecteren.
I – Procedure(s) voor het verkrijgen van de EAPO: een dualiteit van stelsels De procedure voor het verkrijgen van een EAPO is in beginsel een uitsluitend schriftelijke (art. 9), niet-contradictoire (art. 11) procedure zonder verplichte vertegenwoordiging (art. 41). Ze kan, volkomen terecht, worden ingesteld voor (A) of nadat (B) de schuldeiser
een titel – rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of een authentieke akte – heeft verkregen die zijn vorderingsrecht bewijst (art. 5). De toepasselijke regels verschillen, maar in beide gevallen kunnen we een gebrek aan durf van de Europese wetgever betreuren in het nadeel van de doeltreffendheid van de procedure. A – Zonder een titel die het inningsrecht bewijst De schuldeiser kan een EAPO vragen voor hij een procedure betreffende het bodemgeschil tegen de veronderstelde schuldenaar heeft ingesteld in een lidstaat (voor zover hij die nadien instelt volgens de bepalingen van art. 10 van de verordening) of tijdens deze procedure. Hiervoor moet hij zijn aanvraag voorleggen aan de gerechten die internationaal bevoegd zijn om uitspraak te doen over het bodemgeschil “overeenkomstig de toepasselijke regels”. Hier wordt impliciet verwezen naar de bepalingen van de verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012, “Brussel I bis” genoemd7. Het feit dat de schuldenaar zijn woonplaats heeft in een derde staat is op zichzelf geen beletsel voor de toepassing van de verordening (EU) nr. 655/2014 (art. 28, § 4) voor zover de (veronderstelde) schuldenaar geen consument is. In dat geval wordt inderdaad gepreciseerd dat de “gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft bij uitsluiting bevoegd zijn” om de EAPO ter bescherming van een vordering uit overeenkomst die hij met de (veronderstelde) schuldeiser heeft gesloten, uit te vaardigen (art. 6, § 2). Aangezien dat het geval is in de meeste lidstaten, is de aflevering van de EAPO onderworpen aan de dubbele voorwaarde dat de vordering in beginsel gegrond lijkt en dat er omstandigheden bestaan die de inning kunnen bedreigen (art. 7). De (veronderstelde) schuldeiser moet 1 Hierna de “EAPO-procedure”. 2 Pb. nr. L 189, 27 juni 2014, p. 59. Zie ook de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1823 van 10 oktober 2016 waarin de Europese Commissie de formulieren vaststelt, vermeld in die verordening (EU) nr. 655/2014 (Pb. nr. L 283, 19 okt. 2016, p. 1). 3 Pb. nr. C 33, 31 jan. 1998, p. 3. 4 COM(2006) 618 definitief. 5 COM(2011) 445 definitief. 6 Pb. nr. L 399, 30 dec. 2006, p. 1. 7 Pb. nr. L 351, 20 dec. 2012, p. 1.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 15
15
31/05/17 15:42
meer bepaald “voldoende bewijsmateriaal” verstrekken om het gerecht ervan te overtuigen “dat er dringend behoefte bestaat aan een conservatoire maatregel in de vorm van een EAPO, gelet op het reële risico dat, zonder een dergelijke maatregel, de latere inning van de vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt” (voorwaarde 1) en dat “zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard” (voorwaarde 2). Het EAPO-verzoek wordt ingediend met een standaardformulier waarvan de inhoud gedetailleerd is in artikel 8 van de verordening. Het bevat de gegevens van het gerecht waar het verzoek wordt ingediend, gegevens over de schuldeiser en de veronderstelde schuldenaar, het bedrag waarvoor om het bevel wordt verzocht (hoofdsom, kosten en intresten: art. 15), het bewijsmateriaal dat aantoont dat aan voormelde voorwaarden voor de aflevering werd voldaan of een verklaring van de schuldeiser waarin wordt gepreciseerd dat een gelijkwaardige toelatingsaanvraag op nationaal vlak werd ingediend bij andere gerechten (adde, art. 16). Bovendien wordt van de schuldeiser geëist dat hij een nummer meedeelt “aan de hand waarvan de bank kan worden bepaald, zoals het IBAN of de BIC en/of de naam en het adres van de bank waar de schuldenaar een of meer rekeningen aanhoudt waarop conservatoir beslag moet worden gelegd”. De schuldeiser beschikt echter niet altijd
16
over die informatie. Zoals we zullen zien, laat de verordening toe die onwetendheid te verbloemen door te voorzien in een mechanisme van vermogenstransparantie. De toegang tot deze vermogensinformatie is echter beperkt tot de procedures waarbij de schuldeisers beschikken over een titel die hun vorderingsrecht bewijst. Anders gezegd, bij gebrek aan deze titel is de EAPOprocedure – in feite – niet toegankelijk voor de schuldeiser die niet over de informatie beschikt om de bank van de veronderstelde schuldenaar te identificeren. De EAPO-procedure zou ongetwijfeld doeltreffender zijn geweest als de toegang tot de informatie werd uitgebreid naar de zaken waarin de schuldeisers nog niet beschikken over een titel die hun vorderingsrecht bewijst. Om de legitieme belangen van de veronderstelde schuldenaars niet substantieel te schaden, had deze toegang onderworpen kunnen zijn aan de tweeledige voorwaarde dat er een gegronde vordering bestaat en dat de inning bedreigd wordt. Deze voorwaarden, die traditioneel de aflevering van conservatoire maatregelen toelaten, zouden ook de toegang tot vermogensinformatie moeten openen. De zekerheidsstelling door de schuldeiser is in principe verplicht (art. 12). Van die regel wordt bij wijze van uitzondering afgeweken indien het gerecht waar het verzoek is ingediend deze zekerheidstelling in het licht van de omstandigheden niet passend acht. Het tegengestelde is van toepassing als de schuldeiser over een titel beschikt die zijn vorderingsrecht bewijst. Tot slot wordt bepaald dat het gerecht waar het verzoek is ingediend uiterlijk op de tiende werkdag nadat de veronderstelde schuldeiser zijn verzoek heeft ingediend, beslist over de EAPO-aanvraag. Die termijn wordt met de helft verminderd als de schuldeiser al een titel die zijn vorderingsrecht bewijst, heeft verkregen (art. 18). B – Met een titel die het vorderingsrecht bewijst Naargelang de titel waarover hij beschikt – rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte – moet de schuldeiser de EAPO vragen bij de gerechten van de lidstaat waar de rechterlijke beslissing is gegeven of de gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen of bij de gerechten die daartoe zijn aangewezen in de lidstaat waar de authentieke akte is opgesteld (art. 6, § 3 en 4). Anders gezegd, ook als de schuldeiser beschikt over een titel die zijn vorderingsrecht bewijst, is de EAPO-procedure juridisch noodzakelijk.
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 16
31/05/17 15:42
De aflevering van het bevel is ook hier onderworpen aan voormelde voorwaarde die betrekking heeft op de vermoedelijke moeilijkheden om de schuldvordering te innen. Bijgevolg ontslaat een titel de schuldeiser alleen van het bijbrengen van bewijsmateriaal om het gerecht ervan te overtuigen dat zijn vordering in principe gegrond blijkt. We kunnen betreuren dat de toekenning van de EAPO niet eenvoudiger is, zoals de oplossing die werd weerhouden in het Belgisch recht in artikel 1414 van het Gerechtelijk Wetboek of in het Frans recht in artikel L 511-2 van de Code des procédures civiles d’exécution. De behoefte aan doeltreffendheid lijkt de vrijstelling van een gerechtelijke goedkeuring te eisen. Het verzoek wordt ingediend met een standaardformulier waarvan de inhoud licht verschilt van dat voor het verkrijgen van een titel die de schuldvordering bewijst. De schuldeiser moet bijvoorbeeld verklaren dat de schuldenaar geen – of slechts gedeeltelijk – gevolg heeft gegeven aan zijn veroordeling met betrekking tot het bodemgeschil (art. 8). Ook dit verzoek moet de informatie bevatten die toelaat de bank te bepalen waar de schuldenaar een rekening heeft (het IBAN of de BIC en/of de naam en het adres). Als de schuldeiser echter niet over die informatie beschikt, kan hij een hulpmiddel tot vermogensonderzoek opstarten. Met toepassing van het belangrijke artikel 14 van de verordening kan de schuldeiser, als hij “redenen heeft om aan te nemen dat de schuldenaar een of meer rekeningen bij een bank in een bepaalde lidstaat heeft” (redenen die hij moet uiteenzetten in zijn EAPO-verzoek), “het gerecht waar het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag wordt ingediend, vragen de informatie-instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging de gegevens te laten inwinnen aan de hand waarvan de bank of banken en de rekening of rekeningen van de schuldenaar kunnen worden geïdentificeerd”. De lidstaten hebben een grote vrijheid om de manier te bepalen waarop die informatie wordt verkregen: de verplichting voor alle banken op hun grondgebied om bekend te maken of de schuldenaar bij hen een rekening aanhoudt; toegang van de bevoegde instanties tot de registers van de overheid; verklaring van de schuldenaar of “elk ander middel dat doeltreffend en doelmatig is” (art. 14, § 5). Hieromtrent herinneren we aan de grote verschillen tussen de nationale wetgevingen voor het inzamelen van vermogensinformatie. Om die reden werd trouwens een actie van de Europese Unie geprogrammeerd over dit thema8.
“
De EAPO-procedure zou ongetwijfeld doeltreffender zijn geweest als de toegang tot de informatie werd uitgebreid naar de zaken waarin de schuldeisers nog niet beschikken over een titel die hun vorderingsrecht bewijst.”
II – Tenuitvoerlegging van de EAPO: een evenwichtige procedure Het spoedeisend karakter (A) die de tenuitvoerleggingsprocedure van de EAPO domineert, wordt gecompenseerd door de verschillende rechtsmiddelen tegen het bevel of de uitvoering ervan (B). Er wordt dus gepast rekening gehouden met de respectievelijke belangen van de partijen in de procedure. A – Modaliteiten voor de tenuitvoerlegging van de EAPO: het spoedeisend karakter De voornaamste doelstelling van de uitwerking van de verordening (EU) nr. 655/2014 is de opheffing van de exequatur-procedure. Dat is de logische tegenhanger van de uniformisering van de fase van het verkrijgen van de EAPO. Een bevel tot conservatoir beslag dat in overeenstemming met de verordening in een lidstaat werd uitgevaardigd, “wordt in de andere lidstaten zonder speciale procedure erkend, en is er zonder uitvoerbaarverklaring uitvoerbaar” (art. 22). Kortom, de Europese wetgever heeft het beginsel van vrij verkeer van de EAPO weerhouden. 8 Cf. Groenboek over de efficiënte tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaren, COM(2008) 128 definitief, 6 maart 2008.
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 17
17
31/05/17 15:42
Dat beginsel vindt weerklank in de algemene bevestiging die bepaalt: “alle bij de tenuitvoerlegging betrokken instanties handelen onverwijld” (art. 23, § 2). Dat beginsel van spoed wordt vervolgens punctueel herhaald in de beschrijving van de verschillende fases van de tenuitvoerleggingsprocedure van EAPO. De verrichtingen van inbeslagneming worden gestuurd door de termijnen die in de verordening worden bepaald, zelfs al kunnen we betreuren dat de niet-naleving van deze termijnen niet altijd gepaard gaat met een procedurele sanctie op Europees niveau (art. 45). Concreet wordt bepaald dat de bank waaraan de EAPO werd betekend of ter kennis gebracht, deze na de ontvangst “onverwijld” moet uitvoeren (art. 24). Bijgevolg mag het in het bevel bepaalde bedrag niet meer van de aangeduide rekening worden overgemaakt of opgenomen of, indien het nationaal recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging daarin voorziet, wordt dat bedrag overgemaakt op een “speciaal daartoe aangewezen rekening”. Als er verschillende rekeningen zijn, bepaalt de verordening een volgorde. De spaarrekeningen hebben voorrang op de lopende rekeningen (art. 24, § 7). Vóór het einde van de derde werkdag na de uitvoering van de EAPO verklaart de bank of een andere met de uitvoering belaste entiteit met behulp van een standaardformulier of en in hoeverre conservatoir beslag is gelegd op de tegoeden op de rekening(en) van de schuldenaar en de datum van het beslag (art. 25). Deze verklaring wordt “onverwijld” meegedeeld aan de schuldeiser en aan het gerecht dat de EAPO afleverde. De schuldenaar wordt binnen de drie dagen na de ontvangst van deze verklaring op de hoogte gebracht met toepassing van de bepalingen van artikel 28 van de verordening die rekening houden met de woonplaats van de schuldenaar: de lidstaat van herkomst, de lidstaat van tenuitvoerlegging of een derde staat. Om de tenuitvoerlegging te vergemakkelijken, zijn de vorm en de inhoud van EAPO gestandaardiseerd (art. 19). Ook hier werd voorzien in een standaardformulier. B – Rechtsmiddelen tegen de EAPO of de uitvoering daarvan: verschillende middelen voor betwisting Er wordt op verschillende manieren rekening gehouden met de belangen van de schuldenaar, zoals de eventuele vertaling van het bevel (art. 49), het recht op zekerheid-
18
stelling in plaats van conservatoir beslag (art. 38) en het voorzien van gevallen (bedoeld in art. 13, § 2) waarin de “aansprakelijkheid van de schuldeiser” verondersteld wordt (als hij bijvoorbeeld heeft verzuimd de vrijgave te vragen van de bedragen die in de EAPO worden gepreciseerd, te boven gaan, conform art. 27 van de verordening). De belangen van de schuldenaar zijn bovendien en vooral gewaarborgd door te voorzien in rechtsmiddelen. Naast de mogelijkheid die de schuldeiser heeft om hoger beroep in te stellen tegen de weigering om een EAPO uit te vaardigen (art. 21), detailleert de verordening de rechtsmiddelen die de schuldenaar – en derden (art. 39) – worden geboden wanneer dit bevel werd uitgesproken. Naargelang ze betrekking hebben op het bevel (art. 33) of de tenuitvoerlegging daarvan (art. 34) moeten deze rechtsmiddelen respectievelijk worden ingesteld bij de bevoegde gerechten van de lidstaat van herkomst of de bevoegde gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging. De schuldenaar kan bijvoorbeeld de intrekking van het bevel vragen als de verklaring van de bank met betrekking tot het conservatoir beslag van de tegoeden (art. 25) hem niet werd betekend binnen de 14 dagen na het beslag op zijn rekening. We merken ook met grote belangstelling dat de schuldenaar kan vragen om de tenuitvoerlegging van de EAPO te beëindigen als die “kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging” (art. 34, § 2). Hoewel het niet wordt gepreciseerd, kunnen we veronderstellen dat het de internationale substantiële en procedurele openbare orde van die lidstaat betreft. In artikel 35 voorziet de verordening ook in “andere rechtsmiddelen”, die zowel door de eiser als door de verweerder kunnen worden gebruikt om de EAPO te wijzigen of in te trekken omdat de omstandigheden die aan de aflevering voorafgingen, gewijzigd zijn. Deze beslissing kan trouwens ambtshalve worden genomen door het bevoegde gerecht voor zover het recht van de lidstaat van herkomst dat toelaat. De hypothese van een akkoord tussen de schuldenaar en de schuldeiser wordt trouwens ook voorzien. Om de uitoefening van voormelde rechtsmiddelen – bedoeld in artt. 33, 34 en 35 – te vergemakkelijken, wordt de toepasselijke procedure (het gebruik van standaardformulieren, het beginsel van hoor en wederhoor, naleving van de termijnen,…) gepreciseerd in artikel 36 van de verordening.
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 18
31/05/17 15:42
EUROPEAN JUDICIAL TRAINING FOR COURT STAFF AND BAILIFFS RONALD VANSWIJGENHOVEN – KANDIDAAT-GERECHTSDEURWAARDER
Van 27/09/2016 tot en met 30/09/2016 hebben kandidaten-gerechtsdeurwaarder Hendrik De Clerck (Antwerpen), Filip Van Dessel (Antwerpen) en Ronald Vanswijgenhoven (Brussel) de opleiding “European Judicial Training for Court Staff and Bailiffs” in Luxemburg gevolgd. Deze opleiding heeft als doel gerechtsdeurwaarders en rechtbankpersoneel op te leiden om les te geven over Europese wetgeving op een nationaal niveau. Het “European Institute of Public Administration (EIPA) (Luxemburg)”, de “GIP Justice Coopération Internationale (Frankrijk)”, het “Instituut voor Gerechtelijke opleiding (België)”, de “Centro de Estudios Juridicos (Spanje)”, het “Ministerie van Justitie van Portugal” en de “Europese Kamer van Gerechtsdeurwaarders” zorgen voor de organisatie van deze opleiding, die ondersteund wordt door de Europese Unie. Deze opleiding is bekend gemaakt met de circulaire 2016CIR049 van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België dd. 08/07/2016. In het kader van een steeds groter wordende globalisering en een makkelijk toegankelijke Europese markt worden de Europese wetgeving en rechtspraak alsmaar belangrijker in onze dagelijkse nationale praktijk. Een gedegen en praktijkgerichte opleiding over de manier waarop deze Europese regels op nationaal niveau toegepast moeten worden is noodzakelijk. Naast drie kandidaat-gerechtsdeurwaarders en twee hoofdgriffiers uit België, namen tevens gerechtsdeurwaarders en rechtbankpersoneel uit Spanje, Portugal, Bulgarije, Frankrijk en Italië aan deze opleiding deel.
Twee doelstellingen staan centraal in deze opleiding: »» een antwoord bieden op de vraag hoe we Europese wetgeving moeten omzetten in de dagelijkse nationale praktijk; »» een platform creëren waarbij professionelen uit verscheidene nationale rechtstelsels informatie en ervaringen kunnen uitwisselen. Een grote aandacht wordt hierbij gegeven aan: »» De Europese justitiële atlas: Dit instrument is hét hulpmiddel voor al onze vragen betreffende Europese regelgeving en de praktische toepassing ervan. Niet enkel vinden we in deze atlas relevante informatie over Europese instrumenten in burgerlijke zaken, waaronder informatie en officiële kennisgevingen van de lidstaten, terug, maar ook o.m. welke rechterlijke, verzendende, ontvangende … instanties bevoegd zijn. https://e-justice.europa.eu/content_european_ judicial_atlas_in_civil_matters-321-nl.do »» Het platform e-learning: Dit platform maakt deel uit van het European e-learning (EJL-) project, oorspronkelijk een project van de Europese Kamer van Gerechtsdeurwaarders. Zoals
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 19
19
31/05/17 15:42
omschreven in de circulaire 2016CIR051 van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België dd. 14/07/2016, heeft dit instrument als doel om een efficiënte en kwaliteitsvolle opleiding te bieden aan alle gerechtsdeurwaarders en hun medewerkers. Met dit platform worden gratis online onderwijsmodules aangeboden met betrekking tot de Europese instrumenten van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken die nuttig zijn in de dagelijkse praktijk. http://www.europe-ejl.eu/ De volgende EG-verordeningen en EG-richtlijnen werden tijdens deze vierdaagse opleiding in detail bestudeerd. Hierbij werd niet enkel aandacht geschonken aan de regelgeving, maar werden tevens de rechtspraak en de uitvoerbaarverklaring van gerechtelijke beslissingen en de praktische consequenties op nationaal vlak onderzocht: »» EG-verordening 2201/2003 van de Raad van 27/11/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verant woordelijkheid (Brussel II-bis); »» EG-verordening 4/2009 van de Raad van 18/12/2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoer legging van beslissingen en de samenwerking op het gebied van de onderhoudsverplichtingen;
20
»» Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20/10/2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures; »» Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22/05/2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures; »» Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25/10/2012 tot vaststelling van de minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten; »» Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 05/04/2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan. Tevens stond een bezoek aan het Europees Hof van Justitie op de planning. Dit Hof zorgt ervoor dat de Europese wetgeving in alle Europese landen op dezelfde manier geïnterpreteerd en toegepast wordt en ziet erop toe dat alle Europese landen en instellingen deze Europese wetgeving respecteren. Naast het bijwonen van een zitting werd tevens de mogelijkheid geboden om in gesprek te gaan met een aantal ambtenaren van dit Hof. Deze opleiding is een unieke gelegenheid en een interessante ervaring, niet enkel om Europese wetge ving en rechtspraak in detail te bestuderen, maar tevens om professionelen uit andere Europese landen in een internationale Europese sfeer te ontmoeten, meer te weten te komen over hun nationaal recht en de inhoud van hun beroep en om ervaringen uit te wisselen.
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 20
31/05/17 15:43
BIJZONDERE ONTMOETINGEN DUBBELINTERVIEW MINISTER VAN JUSTITIE KOEN GEENS EN JAN DE MEUTER, VOORZITTER SAM-TES
“Stilstaan is niet achteruitgaan, maar verdwijnen” Met de e-betekening wordt een belangrijke stap gezet richting de digitalisering van justitie. Wat verwacht u van de uitrol van dat systeem? KOEN GEENS: Mijn droom is dat iedereen een authentiek digitaal adres op zijn of haar identiteitskaart krijgt, net zoals iedereen vandaag een domicilieadres heeft. Dat is nu nog verre toekomstmuziek, maar binnen een jaar of tien is dit wellicht werkelijkheid. Ik hoop dat de e-betekening, naast de vele andere stappen die we vandaag zetten, dat proces versnelt. In eerste instantie zullen we meer bescheiden moeten zijn, omdat er vandaag nog niet veel mensen op deze manier correct worden bereikt. Ik denk dus dat we ons in een eerste fase tot bedrijven zullen moeten beperken. Met fysieke personen zullen we niet zo snel kunnen starten. Het betekeningsplatform dat aan de e-betekening is gekoppeld, is heel belangrijk. Stel, je wil betekenen aan iemand op een bepaald adres in Oudenaarde. Het betekeningsplatform dispatcht de betekening die in het systeem wordt ingevoerd naar een bepaalde gerechtsdeurwaarder die in de buurt woont en die op dat ogenblik beschikbaar is. Vervolgens vindt de betekening plaats. Dat gebeurt niet noodzakelijk elektronisch: vaak zal de gerechtsdeurwaarder nog naar het adres in kwestie moeten gaan om de betekening te doen. Nadien laat hij via het platform weten dat hij de betekening gedaan heeft, en komt er in het dossier van het parket dat de betekening gevraagd heeft, een betekeningsbewijs terecht dat dat aantoont.
Het betekeningsplatform biedt grote voordelen. Zo moet het parket vandaag, wanneer het een niet te lokaliseren persoon dagvaardt, aan zichzelf betekenen, via een gerechtsdeurwaarder. Dat brengt veel kosten met zich mee, die volledig vermeden kunnen worden door het parket in zulke gevallen aan zichzelf te laten betekenen via de e-betekening en het betekeningsplatform. Dat is een spectaculaire vooruitgang die veel kosten, tijd en papier bespaart, en veel energie die we beter kunnen besteden. JAN DE MEUTER: Dit project past inderdaad in het beleid van de minister om de kosten van justitie te drukken en de werking efficiënter te maken. Aan de gerechtsdeurwaarders werd gevraagd om te besparen bij de betekeningen in strafzaken. Als loyale partner van justitie hebben wij toen samen met de beleidscel van de minister nagedacht over hoe we van dit nadeel – dat we moeten inleveren – een voordeel konden maken. Het resultaat van deze oefening is de elektronische betekening geworden, die nu in zowel burgerlijke als strafzaken wordt uitgerold. De betekening in strafzaken werd in het verleden reeds aan een soort pro deo tarief uitgevoerd. Door akkoord te gaan met een verdere inkrimping van dit tarief met 25%, bevestigen we opnieuw dat we ons volop inschrijven in het beleid van de overheid. De besparing zit hem hierin, en niet zodanig in de wijze van betekenen. Voor de gerechtsdeurwaarder zal de kostprijs van de elektronische betekening niet veel verschillen met deze
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 21
21
31/05/17 15:43
van de traditionele betekening. In de nazorg van het exploot bij de elektronische betekening zit ook een belangrijk besparingspotentieel voor de overheid zelf. Ik denk dat daar nog veel optimalisatie mogelijk is. Maar de e-betekening is meer dan een besparingsmaatregel. Het is, net zoals ons geslaagd project van het CBB, een mooi project met een grote maatschappelijke meerwaarde. Bovendien is het een project waarin we tonen dat de gerechtsdeurwaarders zichzelf steeds opnieuw kunnen heruitvinden en dus relevant blijven als dienstverlener aan de maatschappij. Dat zit in ons DNA. Daarom hebben we ons zo ‘gesmeten’ in dit project en gaan we als partner van justitie mee in dit verhaal van vernieuwing. Dat we erin geslaagd zijn om deze elektronische wijze van betekening ook in burgerlijke zaken te realiseren, is onze winst.
Door de elektronische betekening zal de gerechtsdeurwaarder niet altijd meer ter plaatse komen, terwijl persoonlijk contact net de sterkte uitmaakt van het beroep. Hoe kan de digitalisering enerzijds gerijmd worden met het persoonlijk contact anderzijds? JAN DE MEUTER: Dat is een moeilijke vraag, waar ik eenvoudig op kan antwoorden. Eerst en vooral heeft de wetgever voorzien dat de keuzevrijheid blijft. Het is de
22
expertise en verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder om de meest aangewezen weg van betekenen te kiezen. In strafzaken zullen de betekeningen bij voorkeur op een digitale manier gebeuren, omdat de finaliteit van een exploot in strafzaken helemaal anders is dan in burgerlijke zaken. In strafzaken moet de gerechtsdeurwaarder ervoor zorgen dat iemand op de meest efficiënte manier kennis krijgt van een uitspraak van de rechtbank of voor de rechtbank wordt gedagvaard. Niet meer en niet minder dan dat. In burgerlijke zaken hebben we meestal de verantwoordelijkheid voor een deel van de inhoud van het exploot en moeten we dikwijls procedurele beslissingen nemen. Dit is een totaal andere expertise. Daarnaast is hier onze rol van bemiddelaar erg belangrijk. Ik verwijs daarbij naar de nieuwe procedure voor de inning van de onbetwiste geldschulden. Wij voorspelden dat 30% van de dossiers zouden worden geregeld binnen de vier weken na opstart van de procedure, met 1 of 2 exploten. Welnu, volgens de laatste cijfers gaat het om bijna 50% van de dossiers. Op een potentieel van 100.000 verstekvonnissen betekent dit 50.000 dossiers die buiten de rechtbanken om worden opgelost, door onze plaatsafstap, ons persoonlijk contact en onze rol als bemiddelaar. Het toepassingsgebied van de elektronische betekening moet ook sectoraal worden bekeken. Zo zaten we hierover samen met Febelfin waar alleen maar enthousi-
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 22
31/05/17 15:43
asme te horen is omwille van de efficiëntiewinsten die de elektronische betekening voor hen inhoudt. Daarnaast denken we ook aan notarissen, curatoren, schuldmiddelaars, bedrijfsjuristen (banken, verzekeringen, …), en aan overheden waar gelijkaardige efficiëntiewinsten te halen zijn. Ook voor particulieren is deze elektronische betekening mogelijk, omdat we in een overgangsregeling hebben voorzien dat deze particulier steeds opnieuw voorafgaandelijk moet aanvaarden dat er aan hem desgevallend elektronisch kan worden betekend. Ik denk dat we het heel rustig moeten opbouwen en kijken waar de efficiëntiewinsten liggen, om het toepassingsgebied daarna verder uit te breiden. Maar de plaatsafstap blijft hoe dan ook noodzakelijk, via het getrapt systeem dat we hebben uitgewerkt. Het ene systeem is niet beter dan het andere. Het is aan de gerechtsdeurwaarder om de meest efficiënte manier te kiezen.
Er wordt geopperd dat de digitalisering jobs zal doen verdwijnen, omdat supercomputers sneller en accurater kunnen werken. Hoe kunnen supercomputers op vlak van justitie de wereld veranderen, denkt u? KOEN GEENS: Automatisering die routinewerk wegneemt, mobiliteitsproblemen overbrugt, die papier wegwerkt is per definitie goed. Ik heb niet de indruk dat er door de automatisering vandaag niet genoeg werk is. In heel veel beroepen is er net een tekort aan mensen. Ik ben dus niet zeker dat automatisering jobs wegneemt. Automatisering laat toe om de focus te leggen op de essentiële zaken. De plaatsafstap, waarover zonet werd gesproken, kan wellicht met veel meer aandacht gebeuren dan vandaag en daar heeft de maatschappij zonder twijfel veel bij te winnen. Veel magistraten en advocaten zijn vandaag bang van artificiële intelligentie. Maar doordat computers en informaticasystemen allerlei dingen kunnen doen die voor ons routineus zijn, kunnen wij ons toeleggen op de moeilijke zaken en die zorgvuldiger, vanuit hun precedentswaarde, bestuderen en uitspreken. Dat is onvoorstelbare vooruitgang. Die angst voor automatisering heeft men gekend in de landbouwsector, die heeft men gekend in de industrie, en die kent men vandaag in de dienstensector. Elke keer zijn die sectoren daar beter van geworden; ze hebben ingezien dat automatisering hen toeliet om de kwaliteit te verbeteren en een menswaardiger leven te leiden.
JAN DE MEUTER: Uiteindelijk zijn wij als gerechtsdeurwaarder een leverancier van diensten. De tijd dat de juridische beroepen om de een of andere reden dachten dat ze een bevoorrechte positie hadden, is voorbij. Op het ogenblik dat je als leverancier van diensten je meerwaarde niet meer kan bewijzen, word je gewoon weggevaagd. Men zegt vaak: stilstaan is achteruitgaan, maar dat klopt niet: stilstaan is verdwijnen. Je hebt geen keuze, je moet gewoon vooruitgaan. Deze elektronische betekening is een van de kleine schakeltjes die past in dat verhaal van vooruitgang. Het zal leiden tot meer efficiënt werk, maar het zal het manuele werk en de verantwoordelijkheid zeker niet wegnemen. Het is een en-en-verhaal. Het is inderdaad geen kwestie van meer of minder werken. Het is anders werken.
Hoe kunnen we ons op die digitale vernieuwing voorbereiden, hoe kunnen we erop anticiperen? JAN DE MEUTER: Wij als gerechtsdeurwaarders kunnen ons voorbereiden door onszelf te blijven heruitvinden en nieuwe projecten uit te denken. Door vernieuwend te zijn, door in te zetten op competenties en op opleiding willen we volop meesurfen op de digitale tsunami die volgens mij nog maar net op gang aan het komen is. Zo controleren we min of meer onze vlucht voorwaarts, voortsurfend op digitale innovatie in plaats van het risico te lopen om erdoor verzwolgen te worden. Dat gezegd zijnde, is het nu in de eerste plaats zaak om een aantal digitale projecten te consolideren en hiervoor de benodigde tijd te nemen. KOEN GEENS: De mensen moeten zich realiseren dat je vooruitgang niet kunt tegenhouden. Je kan kwaad zijn op vooruitgang, maar je kan ze niet tegenhouden. Je kunt vooruitgang zelfs achteruitgang vinden. Maar ze heeft altijd haar eigen dynamiek. Dat is nu eenmaal zo. En de goede dingen blijven over. De televisie zal waarschijnlijk overblijven, maar misschien vallen andere zaken zoals Facebook of Twitter er wel tussenuit. JAN DE MEUTER: Ik denk inderdaad dat wij als gerechtsdeurwaarders, net als een goede film op de televisie, altijd wel zullen blijven bestaan op een of andere manier. Niet alleen door vernieuwing te omarmen, soms met lange tanden, maar ook door ze mee te creëren. Als je als leverancier van diensten wilt overleven, dan is er
juni 2017 NKGB-CNHB
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 23
23
31/05/17 15:43
geen andere keuze dan die richting uit te gaan, en dat kan alleen maar lukken als iedereen overtuigd is om ook die richting uit te gaan.
Hoe ervaart u als minister de samenwerking met de gerechtsdeurwaarders? KOEN GEENS: Ik ervaar de samenwerking met de juridische beroepen in het algemeen als zeer gunstig, omdat dat mensen zijn die zelfstandig zijn en hun verantwoordelijkheid nemen. Zij zijn gedwongen om mee te gaan met de tijd en zich aan te passen aan de vernieuwing. In dit geval is het nog straffer, omdat zij op informatica-technisch vlak verder stonden dan justitie zelf. Om die reden hebben wij met de juridische vrije beroepen een win-win-pact gesloten op het vlak van informatica en technologische vernieuwing. Dat laat ons toe samen een aantal zaken op te bouwen die veel beter werken nu zij ons helpen. En in veel gevallen is dat helpen voorgaan, en duwen, stuwen en trekken. Een mooi voorbeeld daarvan is het platform onbetwiste geldschulden. Dat heeft veel tijd en energie gekost van de NKGB en het kenniscentrum, maar het werkt wel. Zo gaan we elke keer met een grote sprong vooruit, en dat is enthousiasmerend. Die beroepen hebben gezegd: wij gaan mee trekken, want het is niet alleen belangrijk voor ons, maar ook voor justitie. Dat vind ik een heel positieve ingesteldheid. JAN DE MEUTER: Dat is voor onze beroepsgroep trouwens niet altijd evident, ook vanuit financieel oogpunt. De grote informaticaprojecten hebben tot op heden zware investeringen gevraagd van het beroep en hebben tot grotere verantwoordelijkheden en tot minder inkomsten geleid. Neem bijvoorbeeld de nieuwe procedure onbetwiste geldschulden: men houdt verkeerd voor dat deze procedure voor de gerechtsdeurwaarder een positief financieel verhaal is. Dat is niet zo. Deze procedure kan voor de gerechtsdeurwaarder in deze zaken tot een omzetverlies leiden van tussen de 23% en 51%. Maar we zien dit als een investering om mee aan de basis te kunnen liggen van nieuwe ontwikkelingen. Weet je dat we met deze nieuwe procedure in b2b een potentiële maatschappelijke besparing van net geen 100 miljoen euro per jaar genereren ten aanzien van de klassieke procedure? Bij de uitbreiding van deze procedure naar
24
een consumentenrelatie zou de financiële impact nog groter zijn: 150 miljoen euro per jaar waarvan 32 miljoen euro per jaar rechtstreeks op de werkingsmiddelen van justitie.
Welke projecten wilt u nog realiseren met de gerechtsdeurwaarders in het belang van de maatschappij? KOEN GEENS: De e-betekening en het platform zijn een stap in een keten. We hebben het project e-deposit, waarbij elektronisch conclusies en stukken in het dossier worden gestopt. Maar dat project omvat niet het begin van de procedure, het verzoekschrift, noch het einde van de procedure, het vonnis. Dit project maakt de keten dus wat vollediger, alleen staan de verschillende stukken nog los van elkaar. De bedoeling moet nu zijn om de koppeling te maken. Bij de betekening zou het bijvoorbeeld interessant zijn om de koppeling te maken naar de agenda en de zittingsrol Het verbinden van al die stukken is dus een volgende stap, die ook weer een werklastvermindering en een efficiëntieverbetering zal teweegbrengen. JAN DE MEUTER: De grote vernieuwing van deze minister is voor ons dat hij verschillende digitaliseringsprojecten tegelijk aanpakt, maar wel afzonderlijk benadert en succesvol oplevert. Alle projecten zijn puzzelstukken die in een groter verhaal passen. Men tracht niet in één keer de puzzel te leggen, maar vanuit een bepaald pragmatisme die puzzelstukken te leggen die onmiddellijk een zekere meerwaarde kunnen betekenen, maar die ook passen in dat globaal plan. KOEN GEENS: Alles ineens doen gaat inderdaad niet. Als je alles ineens wil doen, dan doe je niets. Men verwijt ons dikwijls dat we niet wachten tot alles er is om iets te doen, maar dat is zoals zeggen: ik koop geen wasmachine zolang ik geen droogkast heb. Je kan gerust met je wasmachine al veel tijd winnen. JAN DE MEUTER: En ondertussen zorgen we als gerechtsdeurwaarder voor straffer waspoeder – zoals de e-betekening en de IOS-procedure. Zo blijft alles vooruitgaan en wassen we alsmaar schoner, of anders gezegd: sneller en beter. En daarmee is de cirkel rond.
NKGB-CNHB juni 2017
De-Gerechtsdeurwaarder-2017-02_NL_V5.indd 24
31/05/17 15:43