Skip to main content

De gerechtsdeurwaarder jaargang 5 nr 3&4

Page 1

Een samenvatting door Jacques Englebert en Patricia Vanlersberghe

Qi

Nieuwe procedure onbetwiste geldschulden: een vergelijking tussen België en Frankrijk

BIJZONDERE ONTMOETINGEN

Vital Jennen (NKGB) en Philippe Lambrecht (VBO) over de financiële gezondheid van bedrijven

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 1

DE GERECHTSDEURWAARDER

CONGRES NIETIGHEDEN & TERMIJNEN

#03

04

Kwartaalblad nr. 3 & 4 december 2016 / januari 2017 jaargang 5

PB-PP B- 00000 BELGIE(N) - BELGIQUE

Tijdschrift van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België

26/01/17 11:07


INHOUD

HOOFDREDACTIE

Nicolas Decock, Sylvie Vanmaele, Charissa Voet WOORD VOORAF Marc Brackeva

Q UID NOVI?

03

04

… OP WETGEVEND VLAK

• Invordering schulden aan de RSZ • Verjaringstermijn in verband met de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders • Koninklijk besluit tot wijziging van de voorwaarden van volledige of gedeeltelijke kostenloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand • Faillisementswet & Centraal Register Solvabiliteit • Vereenvoudigd Europees bewarend bankbeslag

REDACTIERAAD

Eric Choquet, Nicolas Decock, Lionel De Mol, Patrick Gielen, Ivo Goeyens, Kris Slabbaert, Sylvie Vanmaele, Ronald Vanswijgenhoven, Charissa Voet

… OP VLAK VAN RECHTSPRAAK

• Uitlokking en de invloed op de bewijswaarde van de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder • De betaling van bijdragen aan een beroepsorde • Vermelding beroepsmogelijkheden op kennisgeving van een beslissing … DIVERSE

• Vergadering van de contactpunten voor het Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken • Vragenlijst omtrent de witwas

Q UID IURIS? Nicolas Decock

08

• Vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen naar Frans recht en procedure voor invordering van onbetwiste geldschulden naar Belgisch recht: van hetzelfde laken een broek? CONGRES NIETIGHEDEN & TERMIJNEN: SAMENVATTING

UITGEVER

KnopsPublishing Sint-Antoniusstraat 22 2200 Herentals PERIODICITEIT

17

ERKENNINGSNUMMER

• Jacques Englebert — De termijnen in de burgerlijke rechtspleging – opsomming van enkele beginselen • Patricia Vanlersberghe — Nietigheden in het burgerlijk procesrecht en de verandering na Potpourri I BIJZONDERE ONTMOETINGEN

P 914378 VERANTWOORDELIJKE UITGEVER

Marc Brackeva Henri Jasparlaan 93 1060 Brussel 23

• De gerechtsdeurwaarders en het VBO: samenwerken aan de financiële gezondheid van bedrijven – een interview met Vital Jennen (NKGB) en Philippe Lambrecht (VBO)

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 2

Kwartaalblad

2017. Alle rechten zijn voorbehouden aan de NKGB. Niets mag uit deze publicatie gereproduceerd worden zonder de toestemming van de verantwoordelijk uitgever. Bijdragen/artikels kunnen gemaild worden naar secretariaat@sam-tes.be.

26/01/17 11:07


WOORD VOORAF MARC BRACKEVA, VOORZITTER

“Het is weer een mager manneke geworden”. Ik hoor het mijn vader zaliger nog verzuchten. Uiteraard had hij het niet over een fysieke persoon, wel over de jaarscheurkalender. Het geringe volume ervan op het einde van dit jaar is nochtans omgekeerd evenredig met de rijke inhoud van het voorbije jaar. Het klopt dat 2016 zich als een woelige rivier, vol onvermoede bochten en verraderlijke stromingen, heeft gepresenteerd. Ondanks deze obstakels zijn we erin geslaagd om de essentie van ons beroep opnieuw scherper te stellen. Als onafhankelijke, onpartijdige en neutrale openbaar ambtenaar zijn en blijven we de wettelijk verankerde garantie op de uitvoering van rechterlijke uitspraken. We zijn de stok achter de deur die ervoor zorgt dat degene die gelijk heeft, ook gelijk krijgt. We hebben deze rol nog verder kunnen verfijnen door in te zetten op digitalisering. Dit resulteert niet enkel in een betere dienstverlening naar publiek en overheid toe, het versterkt ook onze rol als vooruitziende ondernemer én werkgever in een steeds veranderend ondernemerslandschap. Verderop in ons tijdschrift benadrukt Philippe Lambrecht, secretaris-generaal bestuurder-secretarisgeneraal van het VBO in het dubbelinterview met confrater Vital Jennen het ondernemerschap van onze beroepsgroep en onderstreept hij in dat kader het belang van een nauwe dialoog tussen onze beide instituten met het oog op efficiëntiewinsten voor de ondernemingen.

de ware motieven van de kritiek te voeren in plaats van een procedure aan te wenden als de spreekwoordelijke stok om mee te slaan. Meer nog, vanuit economisch en corporatistisch belang is de dagvaarding ook voor ons het beste. Maar het dienen van beroepsbelangen was niet de opzet van de wetgever. Hij beoogde efficiëntiewinst voor invorderingen van geldschulden, de ontlasting van de rechtbanken van koophandel en een grotere slagkracht van het economisch gestel. Uit de eerste cijfers blijkt dat de procedure haar doelstellingen ruimschoots vervult. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de rol van de gerechtsdeurwaarder, met diens bemiddeling, afstap ter plaatse, informatieplicht en voorafgaande solvabiliteitscheck een veel grotere kans biedt om op korte termijn tot een structurele oplossing te komen. Tot slot wens ik u allen een fijn 2017.

Een tekenende illustratie daarvan is onze samenwerking in het kader van de totstandkoming van de nieuwe IOS-procedure. Zoals u weet is deze procedure al sinds de totstandkoming ervan onderhevig aan kritiek die niet zelden ingegeven is door corporatistische overwegingen. Een beschermingsreflex is geen enkele beroepsgroep vreemd, en terecht. Evenwel zou het in dit kader meer zoden aan de dijk brengen om het debat op basis van

3

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 3

26/01/17 11:07


QUID NOVI? N

DE JURIDISCHE DIENST VAN DE NKGB

A – Op wetgevend vlak 1

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot opheffing van hoofdstuk III, afde­ ling 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herzie­ ning van de besluitwet van 28 december 1944 betref­ fende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat betreft de invordering door middel van dwang­ bevel door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en tot wijziging van de wet van 24 februari 2003 betref­ fende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communi­ catie tussen ondernemingen en de federale overheid (www.dekamer.be, Parl.St. Kamer 54K2082)

Op 11 oktober 2016 heeft de regering een wetsontwerp ingediend waarmee ze de invordering van de schulden aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid wenst te moderniseren. Het gebruik van het dwangbevel wordt veralgemeend, waardoor schulden sneller en goedkoper kunnen worden ingevorderd. Tevens leidt dit tot minder procedures ten gronde en wordt zo de overbelasting van de rechter bestreden. Voor ons ambt is vooral van belang dat de wet in de mogelijkheid voorziet een concessie toe te kennen – dus een openbare aanbesteding uit te schrijven – om een geïnformatiseerd platform te ontwikkelen met het doel de betrekkingen met de gerechtsdeurwaarders in het kader van deze invordering via een dwangbevel te optimaliseren. In de memorie van toelichting lezen we dat dit inhoudt dat de uitvoerbare titels worden gecentraliseerd en automatisch verdeeld onder de territoriaal bevoegde gerechtsdeurwaarders. Het wetsontwerp voorziet niet enkel in de mogelijkheid tot concessie om een platform te ontwikkelen,

4

het vermeldt ook de verdere uitrol van het gebruik van de e-box. Op termijn zullen werkgevers dus gebruik ­moeten maken van een officieel elektronisch adres. 2

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek inzake de verjaringstermijn in verband met de rechts­ vordering van gerechtsdeurwaarders (www.dekamer.be, Parl.St. Kamer, 54K1879)

Zoals u allen weet, verjaren uw vorderingen tegen opdrachtgevers na verloop van één jaar (art. 2272 BW). De ratio legis was het vermoeden van afwezigheid van enig geschrift en het daaruit voortvloeiende vermoeden van betaling zoals dat ook bij andere beroepen geldt. Het wetsvoorstel wenst de verjaringstermijn te verlengen naar vijf jaar, een termijn die overigens ook geldt voor advocaten en deskundigen m.b.t. hun vorderingen op cliënten. De redenen hiervoor zijn enerzijds dat u vandaag verplicht bent een factuur op te maken en het vermoeden van afwezigheid van geschrift dus niet meer opgaat. Anderzijds kan er één en ander mislopen indien uw factuur via de advocaat naar de opdrachtgever gaat of indien de opdrachtgever de staat is en de hiermee gepaard gaande administratieve werklast niet te verantwoorden valt. 3

Het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 tot wijzi­ ging van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand (BS 10 augustus 2016, 48351-48353)

Het KB werd aangepast in die zin dat de bedragen waaronder men in aanmerking kwam voor volledig kosteloze rechtsbijstand verhoogd werden. Voor een alleenstaande

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 4

26/01/17 11:07


moet het inkomen nu onder de 953 EUR liggen (voorheen 822 EUR), voor een gezin moet het onder de 1224 EUR liggen (voorheen 1056 EUR). Ook voor de gedeeltelijke kosteloosheid worden de financiële drempels verhoogd: voor een alleenstaande moet het inkomen tussen de 953 en 1224 EUR liggen, voor een gezin moet het inkomen tussen de 1224 en 1493 EUR liggen. Bovendien wordt één en ander geherformuleerd. Tot 1 september 2016 kende het KB de kosteloze rechtsbijstand rechtstreeks toe aan minderjarigen of personen die genoten van een leefloon of maatschappelijke bijstand, een gewaarborgd inkomen voor bejaarden (of de inkomensgarantie voor ouderen), een inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten of een gewaarborgde kinderbijslag voor de huurder van een sociale woning in Vlaanderen of Brussel. Nu worden deze personen beschouwd als personen wiens bestaansmiddelen onvoldoende zijn. Daaruit volgt dat ook zij kunnen gebruik maken van de kosteloze rechtsbijstand, net zoals personen die voldoen aan de puur financiële voorwaarde, doch dat dit vermoeden weerlegbaar wordt. Verder wordt het begrip “elk ander bestaansmiddel” verduidelijkt. Om te bepalen of iemand een beroep kan doen op (volledige of gedeeltelijke) rechtsbijstand, worden alle inkomsten samengeteld. Het KB voorzag niet in de mogelijkheid om rekening te houden met aanwijzingen dat er meer inkomsten waren dan aangegeven. Dit werd rechtgezet: niet enkel worden alle beroepsinkomsten, inkomsten van onroerende goederen en roerende goederen meegeteld, net zoals diverse inkomsten, kapitalen en voordelen, maar ook tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen. Het lijkt erop dat met de gebruikte omschrijving niet enkel de bestaansmiddelen worden meegeteld, maar ook de reeds verworven eigendommen. Wie op grote voet leeft door gebruik te maken van zijn kapitaal, zelfs zonder dat dit inkomsten genereert, zal dus niet langer een beroep kunnen doen op de kosteloze rechtsbijstand, i.t.t. voorheen. Tenslotte wordt bepaald welke forfaitaire bedragen moeten worden betaald in navolging van het vernieuwde artikel 508/17 Ger.W. (het ‘remgeld’). 4

De naam van het register duidt op ambitie. In eerste instantie zal het register gebruikt worden voor de elektronische centralisatie van documenten en/of gegevens m.b.t. de faillissementsprocedure. Het register geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin worden opgenomen. Het wordt ingericht en beheerd door de OVB en de OBFG. De toegang wordt wettelijk voorzien voor magistraten, griffiers, het openbaar ministerie, de parket­ secretarissen, curatoren en rechters-commissarissen alsook de gefailleerde, de schuldeisers en hun advocaten in het kader van het faillissement. Gerechtsdeurwaarders blijken hier niet in opgenomen terwijl zij nochtans evident een belang kunnen hebben bij inzage in deze gegevens, onder meer met het oog op het vermijden van overbodige betekeningen of in het kader van hun wettelijke bevoegdheid om solvabiliteitsonderzoeken te verrichten. Het ambt haalt regelmatig informatie van bedrijven zoals Graydon of Infobase. Gezien dit een tussenpersoon is waar de gegevens nog verwerkt worden, zou toegang tot het CRS de informatie sneller bereikbaar maken. Niettemin voorziet de wet dat de Koning nog categorieën van personen kan toevoegen. Het wetsvoorstel werd op 17 november 2016 aangenomen door de Kamer en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. 5

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1823 van de Commissie van 10 oktober 2016 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bank­ rekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken

In het kader van het vereenvoudigd Europees bewarend bankbeslag zijn nu door de Commissie de standaardformulieren ontwikkeld. Deze bestaan nog niet in dynamische vorm. U kan deze formulieren terugvinden in bijlage bij voormelde verordening via http://eur-lex.europa.eu/.

Wetsvoorstel tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en tot invoering van het Centraal Register Solvabiliteit (www.dekamer.be, Parl.St. Kamer 54K1779)

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 5

5

26/01/17 11:07


B – Op vlak van rechtspraak 1

Uitlokking en de invloed op de bewijswaarde van de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder (Gent, 26 oktober 2015, 2015/AR/827, niet ­gepubliceerd)

De Gentse cuberdonoorlog gaf aanleiding tot een arrest waarin de interpretatie van het begrip ‘uitlokking’ werd besproken, en de invloed van uitlokking op de bewijswaarde van de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder werd door een cuberdonverkoper gevraagd bepaalde elementen vast te stellen bij zijn concurrent. Om die opdracht te vervullen diende hij zich niet te identificeren bij de concurrerende verkoper, maar volgens het Hof ging de gerechtsdeurwaarder te ver toen hij aan die verkoper vroeg wat deze vond van de kwaliteit van de cuberdons van zijn concurrent (zijnde de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder). Naar het Hof oordeelde, had de verkoper zich nooit uit eigen beweging uitgesproken over de cuberdons van zijn concurrent indien de vraag hem niet expliciet gesteld was geweest. Het Hof meende om die reden dat de gerechtsdeurwaarder meer had gedaan dan enkel zintuiglijke waar­ nemingen verrichten, gezien hij de verkoper actief aanspoorde zich uit te laten over zijn concurrent. Het Hof nam het pv van vaststelling dan ook niet in aanmerking in haar beoordeling gezien het geen bewijswaarde mocht krijgen. 2

6

De betaling van bijdragen aan een beroepsorde (JLMB n°26, 16 september 2016, 1348-1357)

In het JLMB verschenen in september twee interessante uitspraken omtrent de betaling van de jaarlijkse bijdrage door een vrij beroeper aan zijn beroepsorgaan. In een eerste uitspraak bevestigde het Hof van Cassatie dat het niet-betalen van de bijdrage een inbreuk op de waardigheid en eerlijkheid van het beroep kan uitmaken en er bijgevolg een tuchtsanctie kan worden opgelegd bij wanbetaling. In casu meende een dierenarts dat dergelijke sanctie niet langer mogelijk was ten gevolge van een wetswijziging waardoor de ­betreffende wet niet langer expliciet voorzag dat het niet-betalen van de bijdrage aanleiding kon geven tot een tuchtsanctie. De rechter ten gronde meende dat er inderdaad geen sanctie meer kon worden opgelegd nu de wet gewijzigd werd en het principe speelde dat de ‘meest voordelige regel’ moet worden toegepast. Cassatie volgde deze redenering niet: het niet-betalen van de bijdrage kan nog steeds worden geklasseerd onder de ‘paraplu’ van de inbreuken op de waardigheid van het beroep en er kon zo een tuchtsanctie worden opgelegd. In een tweede zaak diende het Hof van beroep te Luik te beoordelen of de bijdrage die de NKGB vraagt van haar leden al dan niet discriminatoir is. Een gerechtsdeurwaarder meende dat de bijdrage diende te worden bepaald in functie van de grootte van de studie en/of het omzetcijfer. Het zou een niet te verantwoorden ongelijke behandeling uitmaken dat een kleine studie dezelfde bijdrage moet betalen als een grote studie. Het Hof aanvaardde de argumentatie van de NKGB en stelt dat er geen sprake is van enige ongerechtvaardigde discriminatie.

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 6

26/01/17 11:07


3

Vermelding beroepsmogelijkheden op kennisgeving van een beslissing (RvS 2 mei 2016, nr. 234.606, RW 2016-17, nr. 7, 261; Cass. 15 mei 2015, C.12.0568.N, RW 2016-17, nr. 12, 19 november 2016)

De Raad van State heeft op 2 mei 2016 geoordeeld dat de vermelding van de verjaringstermijn in de kennis­ geving van een ‘griefhoudende’ beslissing een noodzaak is. Bij gebreke daaraan zal de wettelijk voorziene sanctie hierop (zijnde het niet van start gaan van de beroeps­ termijn uit art. 19, 2 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State) van toepassing zijn. Dat geldt ook “indien de (…) partij in de feiten maar al te goed ­kennis zou hebben van die termijn, (of) wanneer zij geacht mag worden ze door ‘een kleine moeite’ te kunnen ­achterhalen”. Dit is natuurlijk een andere situatie en betreft een andere wettelijke basis dan bij de klassieke burgerlijke

betekeningen. Zo heeft het Hof van Cassatie op 15 mei 2015 geoordeeld dat in burgerlijke zaken uit art. 6.1 EVRM geen verplichting kan worden afgeleid om bij de betekening van een rechterlijke beslissing op initiatief van één van de bij die beslissing betrokken procespartijen, informatie te verstrekken over de rechtsmiddelen die tegen die beslissing kunnen worden ingesteld. Nochtans wordt in de rechtsleer de vraag gesteld of deze uitspraak de toetsing van het EHRM wel zou doorstaan … De NKGB is zich uiteraard bewust van de juridische implicaties van deze discussie en de algemene richting die deze uitgaat. Er werd enkele maanden geleden een werkgroep samengesteld met (kandidaat-)gerechtsdeurwaarders en vertegenwoordigers van het directie­ comité, de juridische dienst van de NKGB en SAM-TES om deze problematiek te bestuderen. U zal uiteraard op de hoogte worden gehouden van de conclusies van deze werkgroep.

C – Diverse 1

Vergadering van de contactpunten voor het Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken

Op 14 en 15 november werd te Bratislava de 62ste Samenkomst van nationale contactpunten van het Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handels­ zaken gehouden. De Nationale Kamer heeft een lid van de juridische dienst afgevaardigd, gezien één der onderwerpen de Betekeningsverordening (Verordening 1393/2007) was. Er werd gesproken over de problemen indien de te betekenen persoon geen of een verkeerd adres heeft, het begrip ‘buitengerechtelijke akte’, de elektronische betekening, en de huidige methodes om een betekening te verrichten (en problemen hiermee), het recht van verdediging en het recht een document te weigeren indien het niet in de juiste taal is opgesteld. Doel van de vergadering (de derde omtrent de Betekenings­­­verordening sinds 2013) was om na te gaan hoe de betekening plaatsvindt in de verschillende lidstaten van de Europese Unie. De Commissie heeft aandachtig kennis genomen van de informatie die de vertegenwoordigers haar bezorgden, en zal deze gebruiken om uiterlijk in 2018 een voorstel uit te brengen, zodat tegen 2020 de Verordening 1393/2007/EU een grondige facelift zal krijgen.

De Nationale Kamer volgt aandachtig deze werken op en zal haar ter plaatse verstrekte toelichtingen ook schriftelijk overmaken aan de vertegenwoordiger van de Commissie.

2

Herinnering: vragenlijst omtrent de witwas.

De Nationale Kamer dient te voldoen aan haar verplichtingen in de strijd tegen het witwassen van geld, net zoals de advocaten of de notarissen. Hiertoe werd aan alle gerechtsdeurwaarders een vragenlijst gestuurd om na te gaan waar ons beroep mogelijk misbruikt kan worden door criminele organisaties of personen om geld wit te wassen. Wij dringen erop aan dat elke studie die nog niet geantwoord heeft, hiertoe overgaat. De vragenlijst vraagt ongeveer 20 minuten van uw tijd – of de tijd van één van uw medewerkers – en kan volledig anoniem ­worden ingevuld. Indien de Nationale Kamer aan de CFI niet kan aantonen dat zij en haar leden meewerken aan de strijd tegen witwas, kan dit leiden tot een strenge supervisie vanwege instanties buiten het beroep, met willekeurige controles in de studies!

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 7

7

26/01/17 11:07


QUID IURIS? I

NICOLAS DECOCK, DIRECTEUR JURIDISCHE ZAKEN NKGB

Vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen naar Frans recht en procedure voor invordering van onbetwiste geldschulden naar Belgisch recht: van hetzelfde laken een broek? De verwantschap tussen Belgisch en Frans recht werd, vooral wat het burgerlijk recht betreft, reeds zoveel becommentarieerd, dat de band tussen beiden intussen buiten kijf staat. Mettertijd heeft het Belgisch recht uiteraard ook zijn eigen ideeën voortgebracht in functie van de maatschap­ pelijke mentaliteitswijzigingen zonder dat onze wetgever of de rechtspractici hierbij hun aandacht verloren voor mutaties uit het Franse recht. Meer dan 200 jaar na de geboorte van het Napoleontisch Wetboek volstaat het niet langer te spreken van een loutere invloed van het ene op het andere recht, maar eerder van een onderlinge afhanke­ lijkheid – waarbij de Belgische wetgever soms zijn Franse evenknie voorgaat en deze inspireert, en vice versa. Deze verwevenheid heeft aanleiding gegeven tot de ontwikkeling van twee rechtsstelsels die, hoewel histo­ risch met elkaar verbonden, mettertijd grotere onder­ linge verschillen zijn gaan vertonen – een tendens die een rechtsvergelijkende oefening alleen maar des te interes­ santer heeft gemaakt. De recente inwerkingtreding van de procedure voor onbetwiste schuldvorderingen 1 in het Belgisch recht biedt ons een nieuwe gelegenheid om deze te vergelijken met de vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen 2 bij onze Franse buren. Hierbij kan eveneens onderzocht worden hoe eenzelfde concept zich aan beide kanten van de grens zo verschillend kan vertalen en tot uiteenlopende toepassingen kan leiden. Hiertoe zijn meerdere vergelijkingscriteria interessant om verder te belichten, zonder daarbij exhaustief te willen zijn. Zij zullen ons de mogelijkheid geven uit beide proce­ dures zowel de raakvlakken als de verschilpunten te puren.

8

1 – De ratio legis Het is uiteraard geen toeval dat de benaming van deze beide procedures zo nauw op elkaar aansluit. Beiden zijn inderdaad een weerspiegeling van dezelfde vaststelling: het feit dat de invordering van bepaalde burgerlijke- en handelsschulden een voortdurende bron van bezorgdheid zijn voor ondernemingen, voornamelijk KMO’s, en burgers. De bestaande gerechtelijke procedures zijn niet langer afdoende aangepast om schuldeisers de mogelijkheid te bieden snel en tegen een lage kost op te treden voor de gedwongen invordering van onbetaalde facturen, zeker wanneer het geringe vorderingen betreft. In dit laatste specifieke geval is het belang om de rechter te vatten zelfs omgekeerd evenredig met het bedrag van de vordering. Met andere woorden: hoe lager de schuld, hoe minder de eisende partij geneigd zal zijn de gerechtelijke invordering te overwegen. Het is bijgevolg niet enkel de overbelasting van de rechtbanken die ons noopt tot het onderzoeken van alternatieven voor de klassieke gerechtelijke procedure, maar ook de kosten-batenbalans.

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 8

26/01/17 11:07


Het doel dat in beide procedures wordt nagestreefd, is echter identiek: de invordering van onbetaalde f­ acturen vergemakkelijken en het betalingsverkeer versnellen – zaken waarvan vooral ondernemingen vaak het ­slachtoffer zijn. De Franse en de Belgische wetgever hebben daarom beiden ingezet op de omkering van het contentieux door de gerechtsdeurwaarder in het hart van de procedure te plaatsen. Hierbij moet wel verduidelijkt worden dat, hoewel ook in België vooropgesteld werd de procedure zowel in burgerlijke- als in handelszaken van toepassing te maken, enkel de Franse wetgever dit doel heeft verwezenlijkt. Zijn Belgische tegenhanger heeft ervoor gekozen dit nieuwe mechanisme enkel in te zetten voor de invordering van handelsschulden3 als pilootproject, om dit later mogelijks verder uit te breiden.

2 – Het materieel toepassingsgebied Het toepassingsgebied ratione materiae van de bestudeerde procedures rust op drie criteria: de aard van de schuldvordering, haar waarde en haar onbetwist karakter. A – De aard van de schuldvordering Zoals in het vorig punt al werd aangestipt, is de Franse procedure zowel van toepassing op burgerlijke- als op handelsschulden, daar artikel L 125-1 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures elke vordering bedoelt die “een contractuele oorzaak heeft of die het resultaat is van een verbintenis van statutaire aard”. Vanuit dit standpunt heeft de Belgische procedure dan ook een meer beperkte actieradius, aangezien zij thans slechts de schuldvorderingen in B2B-context viseert. Artikel 1394/20 van het Gerechtelijk Wetboek sluit inderdaad uitdrukkelijk de schulden uit van schuldeisers of schuldenaars die niet zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, evenals alle handelingen die niet zijn verricht in het kader van de activiteiten van de onderneming. Met andere woorden, opdat de procedure van toepassing zou zijn, moet het noodzakelijkerwijze om professionele schulden gaan die verband houden met de activiteiten die in deze hoedanigheid worden uitgeoefend.4 Indien deze voorwaarden niet vervuld zijn, zal de eisende partij geen andere keuze hebben dan een beroep te doen op de klassieke gerechtelijke procedure om zijn schuld in te vorderen.

1 Voor de toepasselijke wetgeving naar Belgisch recht verwijzen we u naar de artikelen 1394/20 tot 1394/27 van het Gerechtelijk Wetboek en het koninklijk besluit van 16 juni 2016 tot vaststelling van de inwerkingtreding van de artikelen 9 en 32 tot 40 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, en tot uitvoering van de artikelen 1394/25 en 1394/27 van het Gerechtelijk Wetboek, BS 22 juni 2016. 2 Voor de vigerende wetgeving naar Frans recht verwijzen we u in hoofdorde naar artikel L 125-1 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures, dat het volgende bepaalt: “Een vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen kan worden opgestart door een gerechtsdeurwaarder op verzoek van een schuldeiser voor de betaling van een schuld met een contractuele oorzaak, of welke het resultaat is van een verbintenis van statutaire aard en voor een som lager dan een bedrag dat bij besluit van Raad van State bepaald wordt. Deze procedure vangt aan binnen een termijn van een maand vanaf de verzending van een aangetekende brief met ontvangstbevestiging door de gerechtsdeurwaarder, waarbij de schuldenaar wordt uitgenodigd deel te nemen aan deze procedure. Het akkoord van de schuldenaar, vastgesteld door de gerechtsdeurwaarder, schorst de verjaring. De gerechtsdeurwaarder die de instemming van de schuldeiser en de schuldenaar heeft gekregen over het bedrag en de betalingsmodaliteiten, levert zonder enige andere formaliteit een uitvoerbare titel af. Enige kosten verbonden aan deze procedure vallen exclusief ten laste van de schuldeiser. Een besluit van de Raad van State stelt de toepassingsmodaliteiten van huidig artikel vast, met name de regels inzake het voorkomen van belangenconflicten bij de aflevering van de uitvoerbare titel door de gerechtsdeurwaarder.” (vrije vertaling van de auteur). 3 Aldus wordt het eerste lid van artikel 10 van de richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties omgezet in Belgisch recht. 4 Het is nog interessant aan te stippen dat het materieel toepassingsgebied overeenkomstig artikel 1394/20 Ger.W. ook de uitsluiting voorziet van schulden van publieke overheden bedoeld in artikel 1412bis, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de schulden in verband met een collectieve insolvabiliteitsprocedure en andere vormen van wettelijke samenloop, en schulden uit niet-­contractuele verbintenissen voor zover ze niet het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen de partijen of een schuldbekentenis, of betrekking hebben op schulden uit hoofde van gemeenschappelijke eigendom van goederen.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 9

9

26/01/17 11:07


B – De waarde van de vordering Volgens het Franse recht mag het bedrag van de vordering in hoofdsom en interesten de 4000 euro5 niet te boven gaan – dit is de drempel waarboven niet langer sprake is van “geringe vorderingen” volgens de Franse practici. Het Belgisch recht heeft op zijn beurt geen dergelijk waardecriterium weerhouden, aangezien er geen maximumbedrag werd vastgesteld. Zodoende mag dan ook gelijk welk bedrag in schuld ingevorderd worden, vermeerderd met de verhogingen voorzien door de wet en de kosten van invordering.6 Enkel de interesten en de strafbedingen zijn beperkt, voor zover deze slechts mogen gevorderd worden ten belope van maximaal 10% van de schuld in hoofdsom.7 Op dat vlak gaat de Belgische procedure dan ook ­verder. C – Het onbetwist karakter Buiten het feit dat de te verhalen schuld vaststaand en opeisbaar moet zijn (wat beide nationale procedures gemeen hebben), vereist een beroep op de vereenvoudigde procedure naar Belgisch recht nog dat een derde voorwaarde vervuld wordt welke we niet terugvinden in het Franse recht: het a priori onbetwist karakter van de schuld.8

3 – De territoriale bevoegdheid Aangezien het voor zowel de Franse gerechtsdeur­ waarder als zijn Belgische confrater gaat om een procedure waartoe hij exclusief bevoegd is, blijkt uit de rol die hen in het kader van deze omkering van het contentieux werd toegekend, duidelijk een monopolistisch karakter. Dit betekent dat de gewone regels inzake de territoria­ liteit ten volle spelen. Hierop werd geen afwijking, noch uitzondering voorzien. Het gaat dus om een klassieke toepassing van het principe, ongeacht de gehanteerde procedure.9

4 – De procedurele principes Daar waar de hiervoor behandelde aspecten voor de te vergelijken systemen relatief gelijklopend zijn, verschilt de gekozen procedurele aanpak duidelijk per land.

10

A – Aanvang van de procedure Zowel de Franse als de Belgische procedure vangt aan met het voorleggen van een schuldvordering door de belanghebbende partij, maar het is wel afhankelijk van het toe te passen recht of de eisende partij zich rechtstreeks tot de gerechtsdeurwaarder kan wenden, of toch eerst een advocaat dient te raadplegen. De Franse gerechtsdeurwaarder is de enige die deze vereenvoudigde procedure kan opstarten op verzoek van een bepaalde schuldeiser.10 Het komt hem persoonlijk toe te verifiëren of de wettelijke voorwaarden hiertoe vervuld zijn of niet.11 De modaliteiten volgens dewelke de schuldeiser zich tot de gerechtsdeurwaarder van zijn keuze richt, zijn niet wettelijk bepaald, zodat hij dit op de hem meest gepaste wijze kan doen – en dus ook op elektronische wijze. Het belangrijkste blijft dat hij in staat moeten worden gesteld effectief te controleren dat alle voorwaarden vervuld zijn. Hiertoe dient de mandant hem logischerwijze de elementen te bezorgen die de aard van het geschil bepalen, het gevorderde bedrag en alle rechtvaardigingsstukken van de vordering. In België daarentegen is een mandaat dat rechtstreeks door de schuldeiser aan de gerechtsdeurwaarder van zijn keuze wordt gegeven, wettelijk uitgesloten. De handelaar of de vennootschap die gebruik wenst te maken van deze procedure, moet noodzakelijkerwijze langs een advocaat passeren12 aan wie hij alle nuttige stukken zal moeten overmaken, zodat deze laatste kan verifiëren of aan de voorwaarden inzake het vaststaand en opeisbaar karakter voldaan is, en of de vordering op dat bepaald moment inderdaad onbetwist is. De advocaat is natuurlijk geen eenvoudige uitvoerder. Als raadsman van zijn cliënt komt het hem in alle omstandig­heden toe de cliënt nuttig te informeren over de opportuniteit van de ene of de andere procedure, en zou hij hem dan ook kunnen aanraden geen beroep te doen op deze versnelde procedure (die wettelijk facultatief is) wanneer de voorwaarden hiertoe nochtans wel ­vervuld zijn. Het vervullen van deze voorwaarden houdt dus niet automatisch in dat de procedure wordt opgestart. Het is inderdaad zo dat de advocaat de gerechtsdeurwaarder hiertoe specifiek moet mandateren. Interessant is hierbij de vermelding van de strekking in de rechtspraak waarbij de dagvaardingskosten ten laste van de verzoekende partij werden gelegd, ook al werd de vordering gegrond verklaard en integraal toegekend,

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 10

26/01/17 11:07


omdat bepaalde rechtbanken van koophandel van mening zijn dat de schuldeiser zich niet als een goed huisvader gedraagt wanneer hij zonder geldige reden een beroep doet op de klassieke gerechtelijke procedure in plaats van de versnelde procedure,13 hoewel deze laatste juridisch mogelijk was en een valabel alternatief had kunnen zijn in het licht van principes als kosten- en proceseconomie. Deze rechtspraak zal wettelijk verankerd worden in artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek dat nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zelfs ambtshalve ten laste wordt gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt. Overigens, indien de procedure geen resultaat zou opleveren, kan men dan nog steeds terugvallen op de klassieke ­procedure. Wat er ook van zij, het is thans nog te vroeg om te oordelen of de rol van de advocaat in de preliminaire fase van de procedure daadwerkelijk een meerwaarde betekent of niet, maar het is zeker dat het betrekken van een tussenpersoon vertragend zou kunnen werken. Het is daarom dat de Franse wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een rechtstreekse band tussen de opdrachtgever en de gerechtsdeurwaarder. B – Het principe van de tegensprekelijkheid Een tweede verschilpunt bestaat in de vorm die de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder aanneemt ten opzichte van de schuldenaar. De Franse procedure leent zich veeleer tot het consensualisme, en betreft eerder een procedure waaraan de schuldenaar kan ‘deelnemen’.14 De gerechtsdeurwaarder die met het dossier belast wordt, nodigt inderdaad de tegenpartij per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs uit om deel te nemen aan een onderhandelingsprocedure met zicht op het bekomen van een betalingsakkoord.15 Deze brief neemt meer concreet de vorm aan van een standaardformulier waarvan het model wordt bepaald door de Zegelbewaarder.16

5 Art. R. 125-1, laatste lid van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 6 Met “kosten van invordering” worden uiteraard slechts de kosten van de gerechtsdeurwaarder bedoeld, en niet de kosten van de advocaat. Voor het overige wordt verwezen naar artikel 1394/21, 2° Ger.W. 7 Art. 1394/20 Ger.W. 8 Ibidem. 9 Wat meer bepaald het Franse recht betreft, is het interessant op te merken dat het verzoek om tussenkomst tot 31 december 2016 moet ingediend worden bij een gerechtsdeurwaarder van het rechtsgebied van de rechtbank

van eerste aanleg waar de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft. In geval de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft in een departement waar zich meerdere rechtbanken van eerste aanleg bevinden, moet het verzoek gericht worden aan een gerechtsdeurwaarder bevoegd in één van de rechtsgebieden van deze rechtbanken. Vanaf 1 januari 2017 wordt deze territoriale bevoegdheid uitgebreid tot het rechtsgebied van het Hof van beroep waar de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft. 10 Art. L 125-1 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 11 Cfr. Punt 2 hieronder.

13 Zie met name Kh. Gent (afdeling Dendermonde), 15 september 2016, niet gepubliceerd. Deze strekking wordt eveneens gevolgd door de afdelingen Kortrijk en Brugge. 14 L. LAUVERGNAT, La procédure simplifiée de recouvrement des petites créances de l’article 1244-4 du code civil: vers une exécution participative?; D. 2015, p. 1860. 15 Art. R 125-2 van het Burgerlijk Wetboek Uitvoeringsprocedures. 16 Cfr. Besluit van 3 juni 2016 houdende vaststelling van een model van brief en formulieren in het kader van de vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen.

12 Art. 1394/20 Ger.W.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 11

11

26/01/17 11:07


De verzending van deze uitnodiging heeft twee belangrijke gevolgen: »» op die datum is elke betaling door de schuldenaar verboden, zolang de gerechtsdeurwaarder de afloop van de procedure niet heeft vastgesteld17 – en dit om gebeurlijke belangenconflicten te vermijden; »» op diezelfde datum begint een termijn van 30 dagen te lopen binnen dewelke een akkoord moet gesloten worden op straffe van nietigheid, tenzij zich in de loop van deze termijn een incident voordoet dat de onderhandelingsprocedure onverwacht doet mislukken. Laat ons nog onthouden18 dat buiten de identiteits­ gegevens van de gerechtsdeurwaarder en de verzoekende partij, evenals de vermelding van de verschillende kenmerken van de schuld waarvoor de procedure werd aangevat, deze brief – vergezeld van de rechtvaardigingsstukken – de bestemmeling eveneens moet informeren over de verschillende reactiemogelijkheden, en over de noodzaak gebruik te maken van de formulieren voor aanvaarding en weigering die verplicht worden aangehecht en waarvan het model opnieuw wordt vastgesteld door de Zegelbewaarder.19 De Belgische wetgever heeft gekozen voor een meer administratieve procedure welke minder geïnspireerd is op alternatieve geschillenbeslechting. Er is dus geen sprake van een uitnodiging die verzonden wordt aan de schuldenaar om deze uit te nodigen om deel te nemen aan een onderhandelingsprocedure, maar wel van een ingebrekestellingsbrief betekend door een gerechtsdeurwaarder20 die een termijn van een maand laat aan de schuldenaar om te reageren, en dit vanaf de dag na de betekening. Deze brief moet echter een bepaald aantal vermeldingen bevatten welke zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid21 zoals bijvoorbeeld een aanmaning om binnen de maand te betalen, de wijze waarop de betaling kan worden verricht, evenals de duidelijke verantwoording van alle gevorderde bedragen (kosten, interesten en schadebeding inbegrepen). Enkele van deze essentiële elementen die moeten voorkomen op de Belgische akte zijn uiteraard gelijk­ aardig aan de Franse uitnodiging tot onderhandelen. Het gaat daarbij om de volledige identiteit van de partijen, de specifieke informatie voor de schuldenaar

12

over de oorsprong van de schuld, de eventuele reactiemogelijkheden22 of nog de noodzaak om elke mogelijke betwisting te formaliseren via een ad hoc formulier dat wettelijk moet worden gevoegd,23 zonder daarbij een kopie van het geheel der rechtvaardigingsstukken van de gevorderde schuld24 te vergeten. Wat de identiteit van de partijen betreft, is het een opmerkelijke vaststelling dat artikel 1394/20, 2° van het Gerechtelijk Wetboek voortaan expliciet de toepassing van deze nieuwe invorderingsprocedure toelaat,25 zelfs in geval één der partijen gevestigd zou zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie. Dit is een dimensie die niet uitdrukkelijk voorzien werd in de Franse procedure. In een dergelijke hypothese dient de buitenlandse onderneming ingeschreven te zijn in één van de onder­ nemingsdatabanken van een andere lidstaat van de Europese Unie in de zin van Richtlijn 2009/101/EC van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009. Zij moet eveneens voldoen aan de waarborgen vereist van vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud art. 48 VEG), en de gelijkwaardigheid van deze buitenlandse ondernemingsdatabank met de Kruispuntbank van Ondernemingen moet zijn vast­ gesteld door de Koning. Bij gebreke van een dergelijk koninklijk besluit dat de gelijkwaardigheid vaststelt, blijft deze toepassing thans hypothetisch. Binnenkort zou zij echter interessante grensoverschrijdende perspectieven moeten bieden gezien de huidige tendens van mobiliteit van ondernemingen, zodat onze procedure onze lands­ grenzen kan overstijgen. C – Mogelijkheid om te reageren voor de schuldenaar en gevolgen Overeenkomstig artikel R 125-2-III van het Franse Burgerlijk Wetboek Uitvoeringsprocedures kan de bestemmeling van de uitnodiging op drie verschillende manieren reageren. In de eerste plaats kan hij ermee instemmen deel te nemen aan de procedure door zijn akkoord te forma­ liseren binnen de maand na verzending van de brief,26 waarna de gerechtsdeurwaarder akte neemt van deze instemming in een getuigschrift.27 Meer concreet kan de schuldenaar zijn toestemming op verschillende

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 12

26/01/17 11:07


­ anieren meedelen: hetzij tegen formele vermelding hiervan m op de brief, desgevallend door een persoon die hiertoe gemandateerd werd, hetzij door verzending van het aanvaardingsformulier per gewone of elektronische post.28 De onderhandelingsprocedure kan vervolgens van start gaan en moet noodzakelijkerwijs aflopen binnen de dertig dagen op straffe van nietigheid. Hiertoe zal de gerechtsdeurwaarder aan de betrokkene een voorstel tot akkoord doen over het bedrag en de betalingsmodaliteiten29 – en dit binnen de grenzen van het mandaat dat hem door zijn cliënt gegeven werd. In geval van akkoord wordt de verjaring30 geschorst en wordt dit geforma­ liseerd door de gerechtsdeurwaarder.31 Het hoeft niet gezegd dat als de schuldenaar zich wenst te engageren voor dit onderhandelingsproces, maar dit desondanks mislukt,32 de procedure zal beëindigd worden door middel van een ad hoc vaststelling opgemaakt door de gerechtsdeurwaarder.33 In dat geval zal de eisende partij dan ook genoodzaakt zijn een beroep te doen op de gemeenrechtelijke ­verhaalsmogelijk­heden. In tweede instantie kan de schuldenaar stellen dat hij weigert deel te nemen aan de onderhandeling, hetzij middels het geijkte formulier, hetzij op enige andere wijze, zodat de procedure beëindigd wordt nog voor ze daadwerkelijk begonnen is. Ook dit dient de gerechtsdeurwaarder te akteren in het hiertoe bestemde getuigschrift. Voor de eisende partij die desondanks zijn schuld wenst te verhalen, heeft dit hetzelfde gevolg als uiteengezet in het vorige punt. Ten derde kan hij de keuze maken niet te reageren binnen de vooropgestelde termijn van een maand. In dit geval zal het gebrek aan antwoord worden beschouwd als een impliciete weigering, welke dezelfde gevolgen heeft als een expliciete weigering.34 In dit kader wensen we nog op te merken dat de kosten verbonden aan deze procedure ten laste blijven van de schuld­ eiser,35 met uitzondering van de kosten van gedwongen tenuitvoerlegging. Eenzelfde scala aan mogelijkheden wordt grosso modo ook geboden aan de Belgische schuldenaar, hoewel zij wel anders uitgedrukt worden.36 Zo kan de schuldenaar hetzij de schuld integraal betalen, hetzij verzoeken om betalingsfaciliteiten, hetzij uitdrukkelijk de gevorderde schuld betwisten middels het door de Koning vastgestelde formulier, of gewoon niet reageren binnen de vooropgestelde termijn.

17 Art. R 125-7 van het Burgerlijk Wetboek Uitvoeringsprocedures.

Als we de respectieve juridische gevolgen voor elk van deze gevallen vergelijken met de Franse procedure, kunnen we het volgende vaststellen:

35 Art. L 125-1 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures.

18 Art. R 125-2 van het Burgerlijk Wetboek Uitvoeringsprocedures. 19 Cfr. art. R 125-2, laatste lid van het Burgerlijk Wetboek Uitvoeringsprocedures en het besluit van 3 juni 2016 houdende vaststelling van een model van brief en formulieren in het kader van de vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen. 20 Art. 1394/21 Ger.W. 21 Er wordt verwezen naar de artikelen 43 et 1394/21 Ger.W. 22 Art. 1394/22 Ger.W. 23 Voor het model van antwoordformulier, zie het koninklijk besluit van 16 juni 2016 tot vaststelling van de inwerkingtreding van de artikelen 9 en 32 tot 40 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, en tot uitvoering van de artikelen 1394/25 en 1394/27 van het Gerechtelijk Wetboek, BS 22 juni 2016. 24 Art. 1394/21, lid 2 Ger.W. 25 Deze bepaling werd laatst gewijzigd door de artikelen 127 en 128 van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, BS 13 mei 2016, p. 31338. 26 Dit mechanisme wordt beschouwd als de wettelijke uitdrukking van de schulderkenning en de minnelijke betalingstermijnen. 27 Art. R 125-3 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 28 Art. R 125-2-III, 1° van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 29 Art. R 125-4 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 30 Art. L 125-1 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 31 Art. R 125-5 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 32 Hetzij omdat de schuldenaar weigert akkoord te gaan met de voorgestelde modaliteiten, hetzij bij gebreke aan een akkoord gesloten binnen de gestelde termijn, tijdsgebrek. 33 Art. R 125-5 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 34 Of dit nu gaat om het principe zelf van de onderhandelingsprocedure, of om de betalingsmodaliteiten voorgesteld door de gerechtsdeurwaarder.

36 Artikel 1394/22 Ger.W.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 13

13

26/01/17 11:07


»» de integrale betaling van de schuld blijft steeds mogelijk in elk stadium van de Belgische procedure, daar waar de Franse procedure elke betaling verbiedt eens de procedure aanvaard werd door de schuldenaar, en dit tot het sluiten van een akkoord;

»» de regels inzake de tenlasteneming van de kosten staan lijnrecht tegenover elkaar: het Belgische nationaal recht voorziet dat deze kosten sowieso kunnen verhaald worden op de schuldenaar, terwijl het Franse nationaal recht deze kosten ten laste van de schuldeiser laat.

»» het toekennen van betalingsfaciliteiten naar Belgisch recht schort de procedure op.37 Deze kan wel gere­ activeerd worden wanneer de schuldenaar niet of niet langer aan zijn verplichtingen voldoet.38 De Franse procedure daarentegen zal, in geval geen onderhandeld akkoord wordt bekomen, simpelweg in het water vallen, waardoor de mogelijkheid van het bekomen van een uitvoerbare titel verdwijnt;

Op louter procedureel vlak kan de Franse aanpak, gericht op consensualisme, bijgevolg enerzijds meer restrictief en anderzijds ook meer beperkt genoemd worden. Meer restrictief aangezien de procedure enkel en alleen kan opgestart en doorlopen worden als de schulde­naar bereid is daadwerkelijk deel te nemen aan het onderhandelingsproces. De houding van de schuldenaar is bijgevolg determinerend voor het goede verloop van de procedure, terwijl naar Belgisch recht het evenwicht tussen de tegengestelde belangen van de partijen naar onze mening beter gewaarborgd wordt.

»» het feit dat een Belgische schuldenaar formeel39 en gemotiveerd de schuld betwist, staat gelijk aan een weigering om zich van de schuld te kwijten. Dergelijke weigering stelt dan ook een einde aan de procedure40 en verplicht de eisende partij gebruik te maken van de gewone invorderingsprocedures. Op dit punt stemmen de Belgische en de Franse procedure dan ook overeen. »» het gebrek aan enige reactie wordt naar Belgisch recht geïnterpreteerd als een gebrek aan betwisting welke aanleiding geeft tot het afleveren van een uitvoerbare titel, daar waar dit in het Franse systeem als een impliciete weigering wordt beschouwd welke de aflevering van een dergelijke titel net verhindert;

14

“

Het gebrek aan enige reactie wordt naar Belgisch recht geïnterpreteerd als een gebrek aan betwisting welke aanleiding geeft tot het afleveren van een uitvoerbare titel, daar waar dit in het Franse systeem als een impliciete weigering wordt beschouwd welke de aflevering van een dergelijke titel net verhindert”

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 14

26/01/17 11:08


“

De regels inzake de tenlasteneming van de kosten staan lijnrecht tegenover elkaar: het Belgische nationaal recht voorziet dat deze kosten sowieso kunnen verhaald worden op de schuldenaar, terwijl het Franse nationaal recht deze kosten ten laste van de schuldeiser laat.”

37 Art. 1394/23, lid 2 Ger.W. 38 Art. 1394/24, §1, 2° Ger.W.

Meer beperkt aangezien het verkrijgen van een uitvoerbare titel slechts mogelijk is in één welbepaalde hypothese: een geslaagde onderhandeling over betalingsfaciliteiten tussen partijen. Elk ander scenario ontneemt de schuldeiser de mogelijkheid op een uitvoerbare titel langs deze weg. De kansen op een snellere en meer kostenbesparende invordering van de schuld lijken dan ook kleiner dan in België – dit momenteel nog bij gebreke aan enige statistische analyse ter zake. D – Afleveren van een uitvoerbare titel In geval de Franse vereenvoudigde invorderingsprocedure slaagt, wordt het betalingsakkoord dat overeengekomen werd binnen de gestelde termijn, schriftelijk vastgesteld door de gerechtsdeurwaarder. Deze vaststelling moet het bedrag en de betalingsmodaliteiten die aanvaard werden,41 bevatten. De gerechtsdeurwaarder levert dan, zonder enige andere formaliteit in acht te nemen, aan de schuldeiser-mandant een ­uitvoerbare titel af die alle uitgevoerde stappen voorafgaand dit akkoord, herneemt. Een kopij hiervan wordt eveneens bezorgd aan de ­schuldenaar.42 We merken nog op dat het akkoord op elektronische wijze kan gefor­ ma­liseerd worden.43 We vinden dezelfde modus operandi terug in het Belgisch recht. Met name in de hypothesen waarin de procedure niet werd stopgezet44 omwille van een integrale betaling, de procedure niet werd opgeschort ingevolge het toekennen van betalingsfaciliteiten, of wanneer deze niet beëindigd werd ingevolge een formele en geldige betwisting, zal de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal van niet-betwisting45 opmaken ten vroegste 8 dagen na het verstrijken van de termijn van een maand na de betekening van de ingebrekestellingsbrief.46 Daar waar het Franse recht geopteerd heeft voor een meer geïntegreerde logica door de gerechtsdeurwaarder als initiator van de titel zelf de mogelijkheid te geven hieraan uitvoerbare kracht te verlenen, dient de Belgische gerechtsdeurwaarder hiertoe een specifiek daartoe aangewezen magistraat aan te spreken47 die de betreffende titel zal voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging na een formeel nazicht48 van het correcte verloop van de procedure. Deze omweg via de rechter welke in ons nationaal recht behouden werd, vormt een restant van de scheiding der machten tussen de gerechtsdeurwaarder en de rechterlijke macht, rekening houdende met het overweldigende voorrecht dat de gerechtsdeurwaarder in dit kader werd toegekend, m.n. het zichzelf en op eenzijdige wijze afleveren van een titel.

39 Door middel van een ad hoc formulier dat aan het gerechtsdeurwaarderskantoor moet worden bezorgd tegen ontvangstbevestiging, of moet overgemaakt worden op een andere wijze door de Koning te bepalen. De gerechtsdeurwaarder informeert de schuldeiser onverwijld over de betwisting. 40 Art. 1394/23, lid 1 Ger.W. 41 Art. R 125-5 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 42 Art. R 125-6 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 43 Art. R 125-5 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. Een besluit van de Zegelbewaarder bepaalt de voorwaarden en de waarborgen waaronder deze procedure op elektronische wijze kan gevoerd worden, en dit in het kader van een elektronisch communicatiesysteem waarvoor de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verantwoordelijk is. Zie hierover het besluit van 3 juni 2016 houdende vaststelling van een model van brief en formulieren in het kader van de vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen. 44 Art. 1394/24, § 1 Ger.W. 45 Art. 1394/25 Ger.W. samen gelezen met het koninklijk besluit van 16 juni 2016 tot vaststelling van de inwerkingtreding van de artikelen 9 en 32 tot 40 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, en tot uitvoering van de artikelen 1394/25 en 1394/27 van het Gerechtelijk Wetboek, BS 22 juni 2016. 46 Merk op dat deze bijkomende termijn van 8 dagen als een soort bedenktijd werd voorzien om de mogelijkheid te bieden aan een schuldenaar die in extremis verzoekt om betalingsfaciliteiten te genieten, de kans te krijgen daadwerkelijk de modaliteiten hiervan te kunnen bepalen samen met de gerechtsdeurwaarder die gelast werd met het dossier. 47 Artikel 1394/24, § 2 Ger.W. 48 De parlementaire werken tonen aan dat de wetgever aan deze magistraat slechts een marginale toetsingsbevoegdheid van de formaliteiten heeft willen toebedelen. (Parl. St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 85.)

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 15

15

26/01/17 11:08


Verder wordt het behoud van een rechterlijke controle gerechtvaardigd gezien de Belgische wetgever de rechten van verdediging heeft gereduceerd tot hun meest eenvoudige vorm; de rechter blijft alsdan dé waarborg voor het naleven van dit recht. Omgekeerd verklaren de meer beperkte mogelijk­heden voor de Franse gerechtsdeurwaarder om een dergelijke titel te bekomen – welke voortvloeit uit het consensueel karakter van de procedure –, voor een groot deel dat hij tegelijk het akkoord opstelt, en rechter is. E - De tenuitvoerlegging van de titel Naast het feit dat bij de toepassing van beide proce­ dures, de uitvoeringskosten ten laste zullen vallen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging geschiedt, en dat de gemeenrechtelijke regels inzake de gedwongen tenuitvoerlegging van toepassing zijn, is het van fundamenteel belang te onderlijnen dat – om eventuele belangenconflicten te vermijden – de Franse gerechtsdeurwaarder die de uitvoerbare titel heeft afgeleverd in geval van akkoord, niet kan belast worden met de ­tenuitvoerlegging ervan.49 Het gaat in dat geval om een buffer welke niet voorzien werd in het Belgisch recht, maar welke zich ook niet opdringt aangezien een rechterlijke controle behouden bleef en blijft, en dit in tegenstelling tot het Franse recht. In het Belgisch recht werd er nog een interessant aspect voorzien: de mogelijkheid van verhaal tegen het proces-verbaal van niet-betwisting voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging volgens de wettelijk voorziene voorwaarden.50

betwisting,…) in deze procedure; en dit om in voor­ komend geval de magistraat toe te laten zijn marginale formaliteitscontrole uit te oefenen. In Frankrijk heeft de gekozen consensuele aanpak van de digitalisering geleid tot de ontwikkeling van een ­elektronisch communicatieplatform ten dienste van de betrokken partijen.52 Welke ook het in rekening te nemen recht is en onafgezien de respectieve werking van de door hen ontwikkelde elektronische hulpmiddelen, zowel het Belgische register als het Franse platform zijn gesteund op relatief gelijkaardige technische voorschriften: de betrouwbare identifi­ catie en authenticatie van de gebruikers, de raadpleging en beveiligde gegevensuitwisseling, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie, traceerbaarheid en tijds­ aanduiding van de bewerkingen… * * * Om te besluiten, kan deze analyse als volgt samengevat worden: hoewel ze een gelijkaardige benaming gekregen hebben, vormen de Franse en de Belgische procedures twee onderscheiden regimes beheerst door specifieke regels. Desondanks delen zij veel gemeenschappelijke kenmerken. Vanuit puur theoretisch standpunt lijkt geen van beide procedures meteen performanter of meer efficiënt; de keuzes die door de respectieve wetgevers gemaakt werden, hebben immers zowel hun voor- als nadelen. Hun recente inwerkingtreding53 maakt elke poging tot statistische vergelijking54 voorbarig, aangezien we thans nog geen voldoende representatieve periode hebben doorlopen.

5 – De informatisering van de procedure Zowel de Belgische als de Franse procedure ontsnapt niet aan de evolutie naar een steeds meer doorgedreven dematerialisering van de procedures. In dit geval vertaalt deze tendens zich in de inrichting van een geïntegreerd informaticasysteem onder de verantwoordelijkheid van de respectieve nationale kamers. In België heeft deze digitalisering de vorm aangenomen van een register van invordering van onbetwiste geldschulden.51 In feite bevat deze databank een kopij van alle exploten, betekeningen, kennisgevingen, processen-verbaal en alle andere stappen (toekennen van betalingsfaciliteiten, naleven van deze faciliteiten,

16

49 Art. R. 125-8 van het Wetboek van Burgerlijke Uitvoeringsprocedures. 50 Art. 1394/24, § 3 Ger.W. 51 In toepassing van artikel 1394/27 van het Gerechtelijk Wetboek. 52 Besluit van 3 juni 2016 houdende vaststelling van een model van brief en formulieren in het kader van de vereenvoudigde invorderingsprocedure voor geringe schuldvorderingen. 53 In Frankrijk op 1 juni 2016; in België op 2 juli 2016. 54 Aantal mislukkingen, aantal succesvolle invorderingen, markt­ penetratiegraad, …

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 16

26/01/17 11:08


CONGRES NIETIGHEDEN & TERMIJNEN: SAMENVATTING JACQUES ENGLEBERT – ADVOCAAT – DIRECTEUR VAN DE EENHEID GERECHTELIJK RECHT VAN DE ULB

De termijnen in de burgerlijke rechtspleging – Opsomming van enkele beginselen Het gerechtelijk privaatrecht wordt gekenmerkt door een gebrek aan een algemene theorie van de termijnen. Artikelen 48 tot 57 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen enkele regels, voornamelijk voor de berekening. Artikelen 860, 861 en 865 bevatten enkele sancties. Maar er is geen enkel algemeen overzicht. Traditioneel worden de termijnen onderscheiden door hun functies: termijnen die moeten worden nagekomen om een vordering in te stellen (verjaringstermijnen) en termijnen die tijdens de procedure moeten worden nagekomen (proceduretermijnen). Voor de proceduretermijnen onderscheiden we voornamelijk de wachttermijnen die verbieden een proceshandeling in te stellen voor het verstrijken van de termijn (bv. termijn van verschijning – art. 701, Ger.W.) en de verkorte termijnen die enkel een termijn voor het instellen van de proceshandeling bepalen. Het Gerechtelijk Wetboek bevat ook proceduretermijnen die niet bestemd zijn voor de partijen maar voor de griffies of de rechters. De niet-naleving daarvan heeft geen enkele sanctie in hoofde van de partijen tot gevolg (bv. art. 654, 792, 1e lid of 904, Ger.W.). We onderscheiden de proceduretermijnen ook door de sanctie: het verval, de nietigheid, de aanhouding van de uitspraak, de wering van de laattijdig overgelegde akte of nog… het ontbreken van enige sanctie. Ik beweerde dat de verkorte termijnen op zich de op­vatting van een sanctie inhielden: het verval. De “theorie van het verval”, ontwikkeld in 1989,1 is echter nooit door­gedrongen, zodat alleen de termijnen die uitdrukkelijk worden bepaald op straffe van verval beteugeld kunnen worden. Daardoor is artikel 51 van het Gerechtelijk Wetboek natuurlijk niet van toepassing hoewel het nooit werd opgeheven. 1 J. ENGLEBERT, “La théorie des déchéances (réflexions sur l’article 51 du Code judiciaire)”, TBBR 1989, pp. 181 tot 209.

“

Voortaan moet de niet-naleving van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven vóór enig ander middel worden voorgedragen en de partij die het voordraagt, moet altijd een grief rechtvaardigen.”

De sanctie van de nietigheid is soms onverenigbaar met het begrip termijn. De nietigheid is in beginsel de natuurlijke sanctie voor de vorm van de processtukken. Het is niet duidelijk waarom een dagvaarding formeel nietig zou zijn op de enkele grond dat de termijn van verschijning niet werd nagekomen. Het zou logischer geweest zijn om de wachttermijnen te binden aan de sanctie ‘aanhouding van ambtswege’ zolang de termijn niet verstreken is. Dat was niet de keuze van de wetgever van 1967. Bij de grote herziening van de theorie van de termijnen door de wet van 19 oktober 2015 (Potpourri I) bleef de wetgever coherent met het oorspronkelijk gebrek aan samenhang door de theorie van de nietigheid – nieuwe versie – uitdrukkelijk uit te breiden tot de termijnen die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven. Het lijkt echter dat we uit deze hervorming moeten afleiden dat de termijnen die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven definitief geweerd zijn uit de regels bedoeld in artikelen 860 (geen nietigheid zonder tekst), 861 (geen nietigheid zonder bezwaar) en 864 (dekking van de sanctie als ze niet in limine litis werd voorgedragen) van het Gerechtelijk Wetboek. De algemene dekking van artikel 867, van toepassing als het doel van de wet was bereikt ondanks de procedurefout, werd definitief opgeheven waardoor de discussie over het punt of dat artikel al dan niet van toepassing was op de termijnen die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, zinloos was.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 17

17

26/01/17 11:08


Voortaan moet de niet-naleving van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven vóór enig ander middel worden voorgedragen en de partij die het voordraagt moet altijd een grief rechtvaardigen. We moeten ook opletten voor het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen de sanctie “nietigheid” die een handeling gesteld met schending van sommige wachttermijnen die “op straffe van nietigheid” zijn voorgeschreven, beboet en de sanctie “van gener waarde” die sommige slecht uitgevoerde handelingen kan beboeten. Zo zal de dagvaarding van gener waarde zijn als ze niet uiterlijk, behoudens uitzondering, de dag vóór de zitting op de rol werd ingeschreven (art. 716 en 717, Ger.W.). De dagvaarding is in dat geval niet nietig. De vordering zal echter onontvankelijk zijn omdat ze, aangezien ze van

18

gener waarde is, de zaak niet geldig aanhangig heeft gemaakt bij de rechter. In dat geval zijn voormelde regels van artikelen 860, 861 en 864 niet van toepassing (Cass. 2 mei 2002, AR C.99.0518.N). Voor de regels voor de berekening van de termijnen wordt verwezen naar artikelen 48 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Er zijn drie specifieke opmerkingen: 1

Voor de verlenging van de termijnen omwille van een vreemd element, bedoeld in artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, besteden we vooral aandacht aan het feit dat artikel 1051 voor het verzet voorziet in een verlenging van de termijn als de niet-verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft. Terwijl

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 18

26/01/17 11:08


a­ rtikel 1048 voor het hoger beroep voorziet in een verlenging van de termijn als een van de partijen aan wie het vonnis wordt betekend of op verzoek van wie het werd betekend, zich in dergelijke situatie bevindt. Zo wordt voor de partij die haar woonplaats of haar maatschappelijke zetel in België heeft en die een vonnis laat betekenen aan de tegenpartij die zich Frankrijk bevindt, de termijn om hoger beroep in te stellen verlengd met vijftien dagen. 2

3

Voor de termijn van verschijning wordt de termijn die op een zaterdag, een zondag of een wettige feestdag verstrijkt, verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Maar aangezien de einddatum altijd in de termijn is inbegrepen, kan de inleidende zitting pas vanaf de eerste dag na de einddatum van de termijn geldig worden bepaald (Cass. 9 december 1988). Bv.: een dagvaarding in kort geding wordt op een donderdag betekend. De termijn van dagvaarding begint op vrijdag en eindigt op zaterdag. De laatste dag van de termijn wordt dus verschoven naar de volgende maandag. De inleidende zitting kan ten vroegste op dinsdag worden bepaald. Voor de gecumuleerde toepassing van de regels voor de verlenging, hoewel artikel 1051 een regel bepaalt voor de verlenging van de termijn, meer bepaald een maand plus “X” dagen op grond van artikel 55, is de gecumuleerde toepassing van de regels van artikelen 50, 2e lid, en 53 van het Gerechtelijk Wetboek, die beide de einddatum van de termijn beogen, vaag. Als de termijn voor hoger beroep eindigt op zaterdag 30 augustus, moet dan eerst de verlenging van artikel 50, 2e lid, worden toegepast en in dat geval in aanmerking worden genomen dat die van rechtswege wordt verlengd tot de 15e werkdag van september? Of moet eerst de regel van artikel 53 worden toegepast en in aanmerking worden genomen dat die in werkelijkheid eindigt op maandag 1 september waardoor dan de toepassing van artikel 50, 2e lid wordt uitgesloten?

Tot slot kunnen we dit korte overzicht niet besluiten zonder het belang te onderstrepen van een lopende evolutie waarbij er nu (en in de toekomst nog meer) verplicht informatie moet worden gegeven over elke handeling die een termijn om een beroep in te stellen, doet ingaan. In aansluiting op de lering van het arrest van

“

Tot slot kunnen we dit korte overzicht niet besluiten zonder het belang te onderstrepen van een lopende evolutie waarbij er nu (en in de toekomst nog meer) verplicht informatie moet worden gegeven over elke handeling die een termijn om een beroep in te stellen, doet ingaan.”

het Europees Hof Faniel t. België van 1 maart 2011 heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 29 januari 2016 de verplichte informatie over hoger beroep en de termijn waarbinnen dat moet worden ingesteld, uitgebreid naar alle gevallen waarin een betekening van een vonnis dergelijke termijn doet ingaan zonder dat dat uitdrukkelijk in de wet is bepaald. Zoals G. de Leval en J. van Compernolle in het bijzonder hebben onderstreept in hun commentaar op het arrest “lijkt het geoorloofd zich vragen te stellen over het feit of een zo uitgebreide informatie niet alleen is voorbehouden voor de impliciete kennisgeving. De ontvanger daarvan geniet inderdaad betere informatie dan de ontvanger van de betekening of de kennisgeving van een vonnis die de wet uitdrukkelijk gelijkstelt met een betekening om de termijn voor hoger beroep te doen ingaan”… (“Une embellie partielle dans le domaine de l’information du justiciable sur les voies, formes et délais de recours”, JT 2016, p. 523). We begrijpen bijgevolg dat het logische gevolg van deze evolutie noodzakelijk zal plaatsvinden via een actualisering van artikel 46bis van het Gerechtelijk Wetboek, gestemd maar nooit van kracht geworden, waarin wordt gesteld dat “de akte van betekening of kennisgeving van vonnissen moet, op straffe van verval, de termijn van verzet, hoger beroep of voorziening in cassatie vermelden, ingeval een van die rechtsmiddelen openstaat. Tevens moet worden vermeld op welke wijze die rechtsmiddelen kunnen worden aangewend”. Dat zal een grote belasting zijn voor de ­griffies en voor de gerechtsdeurwaarders.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 19

19

26/01/17 11:08


CONGRES NIETIGHEDEN & TERMIJNEN: SAMENVATTING PATRICIA VANLERSBERGHE – ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE – PRAKTIJKLECTOR VUB

Nietigheden in het burgerlijk procesrecht en de veranderingen na Potpourri I De nietigheidsleer wordt beheerst door de artikelen 860 tot 867 Ger.W.1 Nietigheid is een sanctie wegens de niet-naleving van welbepaalde vormvoorschriften, die door de rechter moet worden uitgesproken. Bij de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie,2 beter bekend als de wet Potpourri I, werd de bestaande regeling op twee essentiële punten gewijzigd, zoals hierna zal blijken. De nietigheid viseert alleen proceshandelingen (art. 860 Ger.W.) en wordt daarom ook wel een procedurele nietigheid genoemd, zulks om haar te onderscheiden van de organieke nietigheid. Organieke nietigheden zijn het gevolg van de miskenning van essentiële regels van rechterlijke organisatie, die de openbare orde raken, en kunnen door de rechter zelfs ambtshalve worden vast­ gesteld, zonder dat er belangenschade moet worden aangetoond. Het gaat hier hoofdzakelijk om voorschriften die zich richten tot de rechters en de ministeriële ambtenaren en waarvan de miskenning leidt tot een ernstige verstoring in de rechtsbedeling en de goede werking van het gerecht,3 zoals de verboden cumulatie van ambten, de onregelmatige benoeming van rechters, griffiers of gerechtsdeurwaarders, het verbod voor gerechtsdeurwaarders om hun ambt uit te oefenen buiten het gerechtelijk arrondissement waarin zij zijn benoemd (art. 516 Ger.W.) of het verbod om op te treden voor of tegen bepaalde personen (art. 520 Ger.W.). Proceshandelingen zijn alle handelingen waardoor een geding wordt ingeleid of voortgezet of waardoor een vonnis of andere uitvoerbare titel ten uitvoer wordt gelegd en die worden verricht onder toezicht van het gerecht door de partijen, hun gevolmachtigden, het hulppersoneel van de rechter of de gerechts­ deurwaarders. Het voorbeeld bij uitstek is

20

het dagvaarding­s­exploot. Rechtsprekende handelingen zijn van de regeling uitgesloten. Een van de belangrijkste regels van de procedurele nietigheidsleer bestaat erin dat er geen nietigheid kan worden uitgesproken wanneer die sanctie niet uitdrukkelijk door de wet is voorgeschreven (Bv. art. 43, 45, 702, 1166, 1331, 1343, 1424, 1448, 1495, 1501, 1502, 1514, 1457, 1539, 1622 Ger.W. en 59 Wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet). Dat wordt kernachtig uitgedrukt door de formule “geen nietigheid zonder wettekst”. Artikel 860 Ger.W. bepaalt voortaan dat zulks ook geldt ten aanzien van op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen, wat in feite een pleonasme is. Met dergelijke termijnen worden in hoofdzaak de wachttermijnen bedoeld (art. 707, 710, 1035 en 1062 Ger.W.) en bepaalde bespoedigende termijnen inzake beslag (art. 1550, 1556, 1566, 1569, 1582, 1587 en 1622 Ger.W.).4 Andere termijnen, zoals de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, zijn op straffe van verval voorgeschreven en worden niet verder geviseerd door deze bepalingen. Een tweede belangrijke regel is de regel “geen nietig­ heid zonder belangenschade”, vastgelegd bij artikel 861 Ger.W. Ingevolge de wetswijziging van 19 oktober 2015 geldt deze regel voortaan voor alle procedurele nietig­ heden. De wetgever heeft inderdaad het voorheen bestaande onderscheid tussen relatieve en absolute nietigheden afgeschaft door de opheffing van artikel 862 Ger.W. Het ontbreken van ondertekening van de akte, van de datum van de akte wanneer die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen of de gebrekkige aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis moet nemen zullen voortaan slechts leiden tot de nietigverklaring van de akte, voor zover hierdoor belangenschade wordt geleden. Volgens de rechtspraak

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 20

26/01/17 11:08


van het Hof van Cassatie veronderstelt de belangenschade dat de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang.5 Anders gezegd, de rechter zal moeten nagaan of het verzuim of de onregelmatigheid de partij die de nietigheid inroept, heeft gehinderd in de uitoefening van haar (proces) rechten binnen de procedure waarin de vormfout wordt begaan. De nietigheid mag evenwel niet zijn toe te schrijven aan het eigen toedoen van de betrokken partij.6 Een ontbrekende handtekening kan eventueel worden geregulariseerd, zulks bij toepassing van artikel 863 Ger.W. Dat artikel bepaalt dat in alle gevallen waarin de ondertekening vereist is voor de geldigheid van een proceshandeling het gebrek van de handtekening kan worden geregulariseerd ter zitting of binnen een door de rechter vast­ gestelde termijn. De bepaling viseert de situatie

1 Zie voor een grondige bespreking: G. DE LEVAL e.a., Droit judiciaire, tome 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, p. 203 e.v.; J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen-Intersentia, 2016, p. 138 e.v.; B. MAES e.a., “Hervorming van de burgerlijke rechtspleging. Kennisgeving aan advocaten, nieuwe motivering van vonnissen en procedurele nietigheden”, in B. ALLEMEERSCH en P. TAELMAN (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, p. 88-103. 2 BS 22 oktober 2015. 3 Zie B. MAES, “De nieuwe sanctieleer: gemiste kansen?”, in Vlaamse Conferentie bij de balie te Antwerpen (ed.), Meester van het proces – Topics gerechtelijk recht, Gent, Larcier, 2010, p. 214, nr. 12. 4 M. BAETENS-SPETSCHINSKY, “Notification, signification, représentation des parties et théorie des nullités: une communication plus moderne entre acteurs de la justice et une procédure moins formaliste ”, in J. ENGLEBERT (dir.), Le procès civil efficace ? Première analyse de la loi du 19 octobre 2016 modifiant le droit de la procédure civile (dite « loi pot-pourri I »), Limal, Anthemis, 2015, p. 69, nr. 30. 5 Cass. 8 september 2008, Arr.Cass. 2008, p. 1876, en RABG 2009, p. 519, noot R. VERBEKE; Cass. 24 oktober 2014, Arr.Cass. 2014, p. 2340. 6 P. KNAEPEN, “La réforme de la théorie des nullités et des déchéances”, in J.-Fr. van DROOGHENBROECK (ed.), Le Code judiciaire en pot-pourri. Promesses, réalités et perspectives, Brussel, Larcier, 2016, p. 90, nr. 16.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 21

21

26/01/17 11:08


“ waarin de akte geen enkele vorm van handtekening bevat, zelfs geen onregelmatige. De regeling is van toepassing op akten op papier en in elektronische vorm.7 De nietigheid is gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen (art. 864 Ger.W.), door de partij wier belangen door de onregelmatigheid werden geschonden. De nietigheid kan niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen. Op deze regel blijft wel een uitzondering bestaan. Uit artikel 40 van de Taalwet, dat ongewijzigd bleef, volgt dat de rechter de nietigheid wegens schending van de taalvoorschriften, ambtshalve kan opwerpen zolang er geen niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest op tegenspraak werd gewezen. Artikel 867 Ger.W. werd opgeheven. Deze bepaling bood de rechter de mogelijkheid om de nietigheid van een proceshandeling niet uit te spreken, ook al waren hiertoe de voorwaarden verenigd, wanneer uit de gedingstukken bleek dat de handeling het doel had bereikt dat de wet ermee beoogt of dat die niet-vermelde vorm wel in acht is genomen. Zij werd door de wetgever overbodig geacht, gelet op de afschaffing van de absolute nietigheden en de daarmee gepaard gaande veralgemening van de vereiste van belangenschade. Daarbij heeft de wetgever weliswaar over het hoofd gezien dat aan die bepaling door de rechtspraak een steeds ruimere toepassing werd gegeven, met dien verstande dat hiernaar ook werd teruggegrepen om de verregaande gevolgen van een onregelmatige betekening, te weten de niet-ontvankelijkheid van de vordering of van het rechtsmiddel dat met het exploot wordt ingeleid, op te vangen wanneer bleek dat de begane onregelmatigheid, zoals bv. de afgifte van het exploot aan een niet bij de wet toegelaten persoon, de weder­ partij kennelijk niet verhinderd had om tijdig verweer te voeren, en dit terwijl het bewuste voorschrift niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.8 Artikel 867 Ger.W. werd ook aangegrepen om de sanctie van artikel 40, laatste lid Ger.W. niet te moeten toepassen.9 Dergelijke situaties zullen voortaan niet meer kunnen worden rechtgezet door een beroep te doen op ­artikel 867 Ger.W. dat is opgeheven. Wordt de proceshandeling nietig verklaard, dan verdwijnt zij met terugwerkende kracht uit de rechtsorde, evenals alle proceshandelingen die daarvan het gevolg zijn, voor zover deze proceshandelingen geen op zichzelf staande handelingen zijn.10 Evenwel behoudt de nietige

22

Het opzet van de wetgever was een deformalisering en vereenvoudiging van de burgerlijke rechtspleging. Of hij in zijn opzet is geslaagd, zal de toekomst uitwijzen.”

dagvaarding haar verjaringstuitende werking wanneer ze nietig is wegens de keuze van een verkeerde vorm van rechtsingang (art. 700, tweede lid Ger.W.). De nietig­ verklaring verhindert niet om de vordering nogmaals in te stellen, voor zover uiteraard de termijnen daartoe niet reeds zijn verstreken. Niets verhindert bovendien de partij, aan wie de exceptie van nietigheid wordt tegen­ geworpen, om de proceshandeling opnieuw te stellen nog vooraleer de nietigheid in rechte werd vastgesteld en afstand te doen van de eerder gestelde proceshan­ deling.11 Krachtens artikel 866 Ger.W. komen de proces­ handelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar, te zijnen laste; hij kan bovendien worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij. Er wordt aangenomen dat deze verzwaarde aansprakelijkheid het corollarium is van de monopoliepositie en van het mandaat van de gerechtsdeurwaarder.12 Deze bepaling bleef ongewijzigd. Het opzet van de wetgever was een deformalisering en vereenvoudiging van de burgerlijke rechtspleging. Of hij in zijn opzet is geslaagd zal de toekomst uitwijzen. Uit de uiteenzetting hierboven blijkt immers dat er door de afschaffing van artikel 867 Ger.W, nieuwe problemen opduiken, waarvoor de wet geen kant-en-klare ­oplossing biedt. 7 Gedr.St. Kamer 2004-05, DOC 51-1701/001, p. 50. 8 Zie o.m. Cass. 29 november 2002, RW 2003-04, p. 346, noot, en Pas. 2002, p. 64; Cass. 18 december 2003, Arr.Cass. 2003, p. 2320; Cass. 10 juni 2010, Arr.Cass. 2010, p. 1726, concl. OM; Cass. 20 maart 2014, F.13.0030.N. 9 Zie onder meer Cass. 9 januari 2014, Arr.Cass. 2014, nr. 13, concl. Proc.-gen. J.F. LECLERCQ, RW 2014-15, p. 663, noot B. VAN den BERGHE, en P&B 2014, p. 112, noot T. TOREMANS; Cass. 24 januari 2011, Arr.Cass. 2011, p. 274. 10 P. KNAEPEN, o.c., p. 100-101, nr. 38. 11 P. KNAEPEN, o.c., 102, nr. 42. 12 B. DECONINCK, “Commentaar bij art. 866 Ger.W.”, in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., afl. 76 (september 2009), p. 2, nr. 1.

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 22

26/01/17 11:08


BIJZONDERE ONTMOETINGEN EEN GESPREK MET VITAL JENNEN EN PHILIPPE LAMBRECHT (BESTUURDER-SECRETARIS-GENERAAL VBO) DE GERECHTSDEURWAARDER EN HET VBO: SAMENWERKEN AAN DE FINANCIËLE GEZONDHEID VAN BEDRIJVEN

De nieuwe procedure voor de inning van onbetwiste geldschulden in B2B-context is intussen een half jaar oud. Hoog tijd om een stand van zaken op te stellen. Hoe bekijkt u de procedure? Maakt ze haar doelstelling waar en int ze inderdaad snel en efficiënt? PHILIPPE LAMBRECHT: Die nieuwe wet is zeker een positief element. Het is nog vroeg om te zeggen of de procedure een succes is of niet, maar we denken dat het de goede richting uitgaat. Ondernemingen hebben een probleem van betaling: teveel facturen worden te laat of zelfs helemaal niet betaald. Tot nu toe moesten onder­ nemingen daarvoor naar een advocaat gaan. De advocaat moest vervolgens naar een rechter gaan die dikwijls een uitspraak deed op verstek. Dit is zeer inefficiënt omdat men naar de rechtbank moest gaan louter om vast te stellen dat een schuldenaar niet wilde betalen. Op die manier verloor men veel tijd, en het kostte handenvol geld. Momenteel wordt ongeveer 30% van de facturen niet tijdig betaald. Wij denken dat de nieuwe wet de tijdige inning van de facturen zeker zal kunnen verbe­ teren, wat essentieel is voor de ondernemingen. VITAL JENNEN: Ik sluit me daarbij aan. De nieuwe wet is inderdaad een verbetering. Ze zorgt ervoor dat wij efficiënter werken. Het was ook de bedoeling van de minister van Justitie om een nieuwe procedure te creëren die de rechtbanken zou ontlasten. Het gevolg daarvan zou moeten zijn dat de procedure sneller verloopt. Ik zeg niet dat de rechtbank traag werkt, maar het is wel zo dat veel zaken die tot vertraging leiden nu worden ­opgevangen

door deze snelle procedure. De inning van facturen gebeurt daardoor goedkoper en efficiënter, dat is belangrijk voor de ondernemingen. Doordat we rechtstreeks naar de tegenpartij gaan met de aanmaning is deze onmiddellijk op de hoogte en kunnen we al in dit stadium een regeling treffen. Het systeem is op 2 juli 2016 gestart, aan het begin van het gerechtelijk verlof. We stellen ook vast dat zeer veel zaken onmiddellijk ­geregeld worden, dus in het stadium van de aanmaning. Een aantal zaken leiden uiteraard tot een uitvoerbare titel, die dan tot een snelle invordering leidt. Dat betekent dus dat de tegenpartij die niet betaalt, sneller geconfronteerd wordt met een inning, maar anderzijds ook dat de onderneming – en dat is toch heel belangrijk – sneller bediend wordt.

Weten de ondernemingen intussen dat deze procedure er is? PHILIPPE LAMBRECHT: Wij merken dat de kennis van de nieuwe procedure zich begint te verspreiden. Dit komt onder meer omdat het VBO samen met de gerechtsdeurwaarders een brochure heeft uitgegeven om de nieuwe procedure onder de aandacht te brengen. Wij hebben daarover langs onze kanalen nuttige informatie verspreid, maar natuurlijk moeten de ondernemingen zelf, en ook de bedrijfsjuristen, zich daar nog meer bewust van worden. Er is altijd een beetje tijd nodig voor verandering. Eén van de problemen waarmee wij geconfronteerd worden is dat het toepassingsgebied beperkt is tot een B2B-verhouding. Je kan deze procedure vandaag alleen gebruiken tegen een andere onderneming, en niet tegen bijvoorbeeld een overheid of een consument.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 23

23

26/01/17 11:08


Het probleem is dat soms belangrijke bedragen niet betaald worden door consumenten en wij daarvoor nog steeds de klassieke gerechtelijke procedure moeten gebruiken. Als we merken dat de procedure een succes is, kan dat een signaal zijn naar de minister van Justitie om het systeem in de toekomst verder uit te breiden naar consumenten en overheden.

We spreken steeds vaker over een gerechtsdeurwaarder als ondernemer. Wat betekent dit volgens u? PHILIPPE LAMBRECHT: Eigenlijk is een gerechtsdeurwaarder vandaag een kleine KMO. Net als de KMObedrijfsleider moet de gerechtsdeurwaarder zijn team aansturen en tegelijkertijd waken over de financiële gezondheid van de studie. Dat betekent dus dat u, zoals in elke onderneming, een up-to-date IT-systeem moet hebben, dat uw team goed georganiseerd moet zijn, dat u uw klanten en uw businessmodel goed moet kennen en dat u erover moet waken dat de klanten op tijd betalen… allemaal elementen die ook bij ondernemers terug te vinden zijn. We leven vandaag in een zeer concurrentiële wereld en dat geldt ook voor gerechtsdeurwaarders, denk ik. Zoals voor elke onderneming is het dus ook belangrijk dat klanten uw dienstverlening waarderen. Daarom moeten de gerechtsdeurwaarders aandachtig zijn voor problemen van ondernemingen en samen zoeken naar een oplossing voor betalingsproblemen. Deze bereidheid tot dialoog vind ik heel positief in de relatie tussen de NKGB en het VBO. Wij hebben samen gewerkt om tot een verbetering te komen van een situatie die toch niet 100% efficiënt was.

te voorzien van alle mogelijke informatica. We blijven natuurlijk in onze taakuitoefening altijd een tussen­ persoon, we mogen geen kant kiezen, dat is dan weer ons ministerieel ambtenaarsstatuut dat daarvoor zorgt. Wij moeten optreden op een correcte wijze en een dienst bewijzen aan zowel de ondernemer, onze partner, als aan de bestemmeling van de akte. Dat is ook belangrijk voor de ondernemingen die een beroep op ons doen, want die willen niet geconfronteerd worden met een ‘cowboy’ die hun cliënten gaat lastigvallen.

Hebt u tips voor elkaar? Hoe kan de gerechts­ deurwaarder een nog betere ondernemer worden en hoe kan de onderneming er zelf een stukje op toezien dat de inning van de gelden vlotter loopt? VITAL JENNEN: Zoals ik zei, zijn we meer ondernemer dan pure ambtenaar. Daarom is onze samenwerking met het VBO belangrijk omdat we op die manier ondernemingen ook kunnen informeren over nieuwe procedures zoals de invordering van onbetwiste schulden. Daarnaast laat het ons toe om de gerechtsdeurwaarder, als partner van ondernemingen, breder bekend te maken. Doordat

“

Het probleem is dat soms belangrijke bedragen niet betaald worden door consumenten en wij daarvoor nog steeds de klassieke gerechtelijke procedure moeten gebruiken.” PHILIPPE LAMBRECHT

VITAL JENNEN: Gerechtsdeurwaarders zijn inderdaad ondernemers, al blijven wij ook ministeriële ambtenaren, wat betekent dat wij voor een gedeelte van wat wij doen overheidsgezag toegewezen krijgen. Daarnaast zijn we ook ondernemers voor de opdrachten die we uitvoeren die niet monopolistisch zijn, zoals minnelijke invordering. Wij dienen er dus voor te zorgen dat onze kleine of grote onderneming als een effectieve onderneming georganiseerd wordt. Ondertussen zijn we onderworpen aan de btw en aan alle regels waaraan ondernemers onderworpen zijn: zowel boekhoudkundig als fiscaal. Wij moeten dus wel degelijk mee in het volledige ondernemings­ gebeuren: wij hebben personeel in dienst en dienen ons

24

“

Wij moeten optreden op een correcte wijze en een dienst bewijzen aan zowel de ondernemer, onze partner, als aan de bestemmeling van de akte. Dat is ook belangrijk voor de ondernemingen die een beroep op ons doen, want die willen niet geconfronteerd worden met een ‘cowboy’ die hun cliënten gaat lastigvallen.” VITAL JENNEN

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 24

26/01/17 11:08


hij zelf een ondernemer is, is de gerechtsdeurwaarder zich bewust van de problemen waar de ondernemingen mee geconfronteerd worden, zoals facturen die niet tijdig betaald worden of helemaal niet betaald worden. Wij zijn ook economisch actief en hebben dezelfde problemen, dus het zou fantastisch zijn mocht het bij ondernemers beter bekend zijn dat een gerechtsdeurwaarder iemand is die hen helpt en bijstaat.

wij zakelijke relaties aangaan om de geloofwaardigheid en de solvabiliteit van de tegenpartij te kunnen inschatten. Kan de gerechtsdeurwaarder daar een rol in spelen?

VITAL JENNEN: Een adviseur in de eerste stap naar het innen van onbetaalde schulden, ja. Dat is ook wat nu meer aan bod komt in het cros-systeem, waar wij met een aanmaning ter plaatse gaan en reeds aan het begin van de procedure een indruk hebben van de solvabiliteit van de tegenpartij. Zo kan dikwijls al een oplossing tot stand worden gebracht.

VITAL JENNEN: U weet dat wij gehouden zijn aan geheimhouding. Wij kunnen dus niet zonder meer informatie gaan verstrekken aan derden die ons daarom vragen. In het kader van een invorderingsvraag is dat uiteraard wel mogelijk. Daarin is de informatie die een gerechtsdeurwaarder en het contact dat hij maakt tussen de partijen cruciaal, want op basis daarvan kan hij de partijen bewegen tot een aanvaardbare oplossing. De nieuwe IOS-procedure is een mooie illustratie van de rol van de gerechtsdeurwaarder als adviseur, omdat hij daar vroeg in de procedure wordt ingeschakeld en de opdrachtgever dus adequaat kan adviseren over de solvabiliteit van zijn schuldenaar. Dat is belangrijk, want een nauwgezet debiteurenbeheer maakt het verschil tussen winst en verlies.

PHILIPPE LAMBRECHT: Voor een onderneming is het natuurlijk heel belangrijk om tijdig te weten of er een mogelijkheid tot inning bestaat of niet. Daarover zou ik een vraag willen stellen. Het is belangrijk voor ons wanneer

PHILIPPE LAMBRECHT: Ik vind dat daar in de toekomst meer mogelijkheden zouden moeten zijn, want vandaag moeten wij op andere adviseurs een beroep doen om de geloofwaardigheid en de solvabiliteit van onze

Met andere woorden, de gerechtsdeurwaarder is een adviseur van ondernemingen?

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 25

25

26/01/17 11:08


“ t­ egen­partij te kennen. Wij vragen bovendien niet een zuiver positief of negatief advies, maar eerder informatie over de financiële toestand van een andere partij. Ik wil weten wanneer ik met iemand onderhandel of die persoon mij zal kunnen betalen. VITAL JENNEN: Een gerechtsdeurwaarder kan wel steeds weten of een onderneming actief is of niet. PHILIPPE LAMBRECHT: Een tweede vraag die ik u zou willen stellen heeft te maken met digitalisering. U weet dat het nieuwe ‘Digital Act’ veel mogelijkheden biedt. Zo krijgen bijvoorbeeld elektronische aangetekende zendingen voortaan dezelfde juridische waarde als hun papieren tegenhanger en hoeven ze dus niet langer op papier te worden verstuurd om geldig te zijn. Ook hebben elektronisch ondertekende documenten voortaan dezelfde bewijswaarde als met de hand ondertekende documenten en wordt een rechtskader ingevoerd voor de elektronische archivering van documenten. Ik denk dat het heel belangrijk is voor de ondernemers om te weten wat de gerechtsdeurwaarders doen met de nieuwe mogelijkheden die digitalisering biedt. De wereld is aan het veranderen, dus de vraag is: op welke manier veranderen jullie mee? Zijn jullie zich voldoende bewust van die digitalisering? VITAL JENNEN: Ik ben ervan overtuigd dat de gerechtsdeurwaarders met de Nationale Kamer en het kennis­centrum het juiste pad hebben ingeslagen. Dat zien we in de nieuwe IOS-procedure, waar we zeer kort op de bal gespeeld hebben op vraag van de minister. Wij hebben grote stappen gezet met het centraal bestand van berichten van beslag, dat zeer efficiënt werkt en behulpzaam is in het invorderingssysteem. Ook wat betreft het elektronisch betekenen zijn wij coöperatief, vooruit­strevend en proactief bezig. Wat de toekomst zal brengen, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval staan wij klaar.

Denkt u dat er bedreigingen zijn van andere, commerciële actoren? VITAL JENNEN: Wij zijn niet de enigen die geldschulden invorderen. Incassokantoren zijn in België net zo aanwezig als in andere delen van de wereld en nemen een groot deel van de markt van minnelijke invorderingen voor zich.

26

Ik denk dat de Potpourri I-wet een mooi voorbeeld van onze samenwerking is. Naar de toekomst toe zijn wij zeker vragende partij om samen te werken in het streven naar meer efficiëntie en capaciteit voor onze ondernemingen. Want snellere en toegankelijkere procedures zijn een belangrijk element voor het ondernemingsklimaat en dragen bij tot de competitiviteit van een land.” PHILIPPE LAMBRECHT

Dat is daarom geen concurrent of tegenpartij voor ons, het zijn ook spelers op de markt. Maar de gerechtsdeurwaarder blijft degene die met het overheidsgezag bekleed wordt om uiteindelijk de stap te zetten naar de gedwongen invordering. En dat is een aspect dat je niet zomaar kunt toevertrouwen aan een privé-instelling.

Komen we bij een volgend en bijzonder actueel onderwerp: de fiscaliteit. De vrije beroepers worden verzocht actief mee op te treden in de strijd tegen het witwassen en de financiering van onder meer terrorisme. Kan u daar enige toelichting geven? VITAL JENNEN: Wij zijn één van de actoren die onder­ worpen zijn aan de regelgeving van de bestrijding tegen het witwassen en de financiering van het terrorisme. We zijn niet de enigen. Ik denk dat de belangrijkste beroepsgroepen toch eerder de cijferberoepen zijn, zoals boekhouders of bedrijfsrevisoren, die meer actief betrokken zijn bij geldverkeer. De gerechtsdeurwaarders worden toch niet in dezelfde mate geconfronteerd met de pogingen tot witwassen. Wij zijn absoluut voorstander om mee te werken aan de bestrijding van witwassen, maar we moeten ook kijken naar de maatregelen die opgelegd worden en zien of die maatregelen wel toepasbaar zijn in onze werk­­om­geving. Veel hangt dus af van de volgende richtlijnen die eraan komen en hun inpassing in het Belgische recht. PHILIPPE LAMBRECHT: Wij zijn het 100% eens met het doel van de strijd tegen witwassen, dat spreekt voor zich. Maar wij zijn wel bezorgd over de manier waarop die strijd wordt gevoerd. Het is niet lichtzinnig om iemand te melden aan de anti-witwascel. Dat kan veel

NKGB-CNHB  december 2016 / januari 2017

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 26

26/01/17 11:08


problemen voor die persoon veroorzaken. Als het met goede reden is, geen enkel probleem. Als die persoon een crimineel is, dan is het maar civiel om dat te melden. Ik weet dat de cel voorzichtig te werk gaat en dat meldingen met de nodige vertrouwelijkheid worden behandeld. Ik ben zeker dat de gerechtsdeurwaarders, net als andere vrije beroepen, dat ook niet lichtzinnig zullen doen.

Jullie trekken samen aan hetzelfde zeel. Onder meer uit dit gesprek blijkt dat er goede, constructieve en vertrouwelijke banden en relaties zijn tussen beide instellingen. Kan u nog even kort samenvatten waarin die goede banden zich manifesteren? PHILIPPE LAMBRECHT: Ik denk dat de Potpourri Iwet een mooi voorbeeld van onze samenwerking is. Naar de toekomst toe zijn wij zeker vragende partij om samen te werken in het streven naar meer efficiëntie en capaciteit voor onze ondernemingen. Want snellere en toegankelijkere procedures zijn een belangrijk element voor het ondernemingsklimaat en dragen bij tot de competitiviteit van een land. Digitalisering is een ander belangrijk element, dat veel dingen zal veranderen. Er zijn bijvoorbeeld vandaag problemen met beveiliging van al die elektronische toepassingen. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de valse facturen of factuurfraude waar je heel gemakke-

lijk een vals document voor betaling kan voorleggen. Daar denk ik dat de onderneming moet samenwerken met de andere actoren uit de betalingsketen om te garanderen dat die betaling veilig gedaan kan worden.

Mijnheer Jennen, de gerechtsdeurwaarder zou dus niet alleen verantwoordelijk moeten zijn voor incasso, maar ook voor financiële stromen binnen de bedrijven. Is dit een toekomstbeeld dat u en uw instituut zou kunnen aanspreken? VITAL JENNEN: Wij kunnen natuurlijk niet de digitalisering van het betalingsverkeer op punt zetten, maar samen met het VBO kunnen we de rol van voortrekker blijven spelen. PHILIPPE LAMBRECHT: En wij rekenen ook op de Nationale Kamer en het kenniscentrum om samen met het VBO aanbevelingen te doen om alternatieve geschillenmiddelen te bevorderen. Ik denk dat het ook de bedoeling is van de minister van Justitie om minder zaken naar de rechtbank te sturen, en meer zaken via bemiddeling, arbitrage of andere mechanismen van geschillenbeslechting af te handelen. Wij willen daarvoor zeker initiatieven nemen. VITAL JENNEN: Dat willen wij graag, want wij zien de IOS-procedure als een nieuwe stap in de verdere digitalisering van justitie.

december 2016 / januari 2017   NKGB-CNHB

De Gerechtsdeurwaarder 2017/01_NL_DEF 2.indd 27

27

26/01/17 11:08


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook